Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 3 - Thema 1 - N1 - Held Hond redt Kat

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Held Hond redt Kat Katrien Vandewoude

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 2

3


Held Hond redt Kat

De dag is haast om. Kip zit in haar stoel. Ze houdt haar laptop1 op haar schoot en kijkt naar het scherm. Kip is trots. Ze schreef twee stukken voor de krant en leest haar werk na.

1


Vink legt een ei

Vinken leggen wel vaker een ei. Maar dit ei is heel groot. Het lijkt wel van een duif. Wat zal daar uitkomen?

Koe slikt een knoop in

De jas van de boer staat open. De boer heeft het koud. Hij roert in de vlaai van de koe en vindt zijn knoop. De jas van de boer kan weer dicht. Kip denkt diep na. Ze zuigt op de punt van haar vleugel. Ze moet nog één mooi stuk maken en dan is ze klaar. Maar Kip hoeft niet lang te denken. Boven haar kop hoort ze gekwaak. Ze kijkt op.

2


Eend vliegt door de lucht. Ze neemt een duik en landt vlak voor Kip. Luid kwaakt ze: ‘Ik heb stof2 voor een nieuw stuk! Hond maakte deze nacht wat mee. Hij redde Kat.’ ‘Dat is te gek,’ tokt Kip. ‘Toch is het echt waar,’ zegt Eend. ‘Hond is er heel moe van. Hij kluift niet op zijn bot en hij speelt niet met zijn bal. Hij rust uit in zijn hok. Ga er maar vlug heen.’ Kip stopt haar laptop in een rugzak en wipt op haar fiets. 3


Hond ligt in zijn hok. Zijn snuit steekt naar buiten. Wat ziet hij eruit. Hij heeft een kras op zijn neus en een blauw oog. Rond zijn poot zit een verband en zijn oren hangen slap.

4


‘Dag Hond,’ groet Kip. ‘Ik ben van de krant.’ ‘Ik lees geen krant,’ blaft Hond. ‘Je hoeft geen krant te lezen,’ zegt Kip. ‘Je komt in de krant. Ik wil een stuk over jou maken. Je bent een held. Want je redde Kat.’ Hond richt zijn kop op. Zijn oren komen recht. ‘Hoe kom ik in de krant?’ vraagt hij. ‘Ik stel een vraag,’ zegt Kip, ‘en jij vertelt.’ Ze pakt haar laptop en drukt op een toets.

5


Kip: Hoe laat was het? Hond: Dat weet ik niet precies. De zon was al weg en de maan scheen. Kip: Sliep je al? Hond: Nee, ik zat knus voor mijn hok en ik keek naar de maan. Kip: Wist je dat Kat in de boom zat? Hond: Nee. Koe kwam langs. ‘Kat zit in de boom,’ zei ze. ‘Ze kan er niet meer uit.’

6


Kip: Hond: Kip: Hond: Kip:

Wat deed je toen? Niets. Niets? Ik hou niet van katten. Juist. Je bent een hond. Zei Koe nog iets meer? Hond: Ja, ze zei: ‘Kat heeft grote trek en ze komt om van de dorst. Want in de boom is geen water en ook geen eten. Kat gaat dood.’ Kip: Wat dacht je toen? Hond: Het kon me niets schelen. Kip: Je ging Kat dus niet helpen?

7


Hond: Nee, ik keek naar de maan en ik genoot van de stilte. Kip: Is dat niet saai? Hond: De maan is nooit saai. Ik hou van de maan. Soms is ze heel en rond. Soms is ze half. Soms is ze er niet en dan weet ik nooit of ze weer komt. Kip: Je wilde niet gestoord worden. Hond: Nee.

8


Kip: Hoelang bleef je nog kijken? Hond: Weet ik veel. Een uur of twee. Door de maan vergat ik de tijd. Maar toen begon Kat te mauwen. Ik haat katten. Maar katten die mauwen haat ik nog meer. Ik hield mijn oren dicht. Maar dat hielp niet. Ze gilde veel te hard.

9


Kip: Wat deed je toen? Hond: Ik begon te janken. Ik huilde naar de maan. Ik kan lekker luid naar de maan huilen. Veel luider dan Kat kan mauwen. Kip: Zweeg Kat? Hond: Nee, ze mauwde nog luider. Het was niet meer te doen. Ik liet de maan in de steek en liep naar de boom. Ik blafte: ‘Zwijg.’ Toen werd het stil. (sluit zijn ogen) Maar dan werd het net eng. Want ik zag Kat niet meer.

10


Kip: Zat ze nog in de boom? Hond: Dat wist ik niet. Ik was bang. Straks wipt ze nog in mijn nek, dacht ik. Kip: (slaat haar vleugel voor haar bek) Hond: ‘Kom uit die boom,’ riep ik. Na een poos zag ik twee gele ogen. Kip: Waren die van Kat? Hond: Ja. Kat zei heel zacht: ‘Ik durf hier niet uit te komen. De boom is veel te hoog.’ Kip: Hoe klom ze er dan in? Hond: ‘Ik zag een mus op een tak,’ zei Kat. ‘Voor ik het wist, zat ik in de top van de boom.’ Kip: Wat dom van Kat. Hond: Dat vind ik ook. Weet je wat Kat toen zei?

11


Kip: Nee. Hond: ‘Help mij,’ zei ze. ‘Ik ben zo bang.’ Kat piepte als een muis. Kip: En je hielp haar. Hond, je bent een echte held. Je haat katten en toch hielp je Kat. Hond: (glimt van trots) Dat is waar. Ik wilde naar de maan kijken. Dan moet ik vooral geen gemauw. Ik besloot haar te redden. Kip: Hoe legde je dat aan boord?3 Hond: Ik klom op een tak. Maar die brak af. Ik sprong naar tak twee. Maar die tak zat te hoog. Ik gleed er van af. Plots zag ik het niet meer zitten. Ik zat in zak en as4.

12


Kip:

Maar je bent slim. Je vond vast een uitweg? Hond: Wat dacht je. Ik deed wat denkwerk en toen wist ik het. Naast mijn hok hangt een ladder. Ik tilde de ladder op mijn rug en droeg hem naar de boom. Kip: Niet te snel praten, Hond. Ik krijg kramp van het tikken. Hond: Plots schoof een wolk voor de maan. Inktzwart werd het. Ik zag geen steek5 meer. De ladder kwam tussen mijn poten en sloeg tegen mijn oog. Kip: Kreeg je zo dat blauwe oog?

13


Hond: (zucht) Het is de schuld van Kat. Kip: Maar je bent een held. Bij een held past een blauw oog. Hond: Dat klopt. Kip: Vertel maar voort. Hond: Het was dus heel donker. Ik wist niet waar ik was. Maar Kat begon weer te mauwen. Dit keer was dat een geluk. Ik hoor heel goed en ik wist van waar het geluid kwam. Ik liep naar de boom en zette de ladder tegen de stam. Kip: Klom je toen naar boven?

14


Hond: (slikt en wordt rood) Nee, ik deed eerst een plas. Kip: Dat is gewoon, hoor. Dat komt door de stress6. Hond: Nee. Ik heb geen stress, want ik ben een held. Ik moest echt plassen. Kip: Ja, ja. En dan? Hond: Dan klom ik op de ladder. Ik deed dat op de tast, want ik zag niets. Het was nog steeds donker. Sport7 na sport klom ik hoger. Plots kwam de maan van achter de wolk. Het werd weer klaar. Ik keek de tuin in. (sluit zijn ogen)

15


Kip: Wat zag je? Hond: Het was heel raar. Mijn hok leek wel een doosje. Mijn bot was een takje. Ik had geen voetbal meer, maar in het gras lag een knikker. Ik werd er ziek van. Kip: Wat naar voor je. Hond: Het werd zwart voor mijn ogen. De ladder wiegde heen en weer. Kip: (bijt op de punt van haar vleugel) Wat eng. Hond: Maar ik hield het hoofd koel8. Kip: Juist, je bent een held.

16


Hond: Ik deed mijn ogen weer dicht en haalde frisse lucht binnen. Ik greep een tak boven mij. De ladder wiegde niet meer. Maar toen sprong Kat op mijn rug en de sport van de ladder brak. Kip: (haar bek trilt en de laptop valt van haar schoot) Hond: Tik je nog voort? Kip: (raapt haar laptop op) Ja.

17


Hond: Ik had al een tak vast en pakte nog een tak beet. De ladder viel om. Daar hing ik tussen hoog en laag. Mijn poten trapten in het ijle9 tot ik een tak onder mij vond. Daar kon ik op steunen. Kip: Je was gered. Hond: Toch voor een poos. Want Kat zat nog op mijn rug. Ze woog heel zwaar en de tak was broos10. Ik moest de boom uit. Er was haast bij. Kip: Dat snap ik. Hield Kat zich koest?

18


Hond: Nee, Kat was niet kalm. Haar klauwen zaten diep in mijn vacht en ze bleef maar mauwen. ‘Ik ben hier de baas,’ blafte ik. ‘Hou je bek. Of ik help je niet.’ Toen zweeg ze wel. Kip: Wat een lef. Hond: (steekt zijn neus in de lucht) Ik kon weer helder denken. Een boom is als een ladder, wist ik. Ik daal niet sport na sport neer. Maar ik ga gewoon tak na tak. Het duurde een poos. Want de weg was lang en Kat deed druk. Maar ik ben een held. Dus ik ging door.

19


Kip: Werd Kat zo gered? Hond: Mijn verhaal is nog niet af. We waren haast op de grond. Toen zag Kat een kraai. Kip: Nee toch! Hond: Kat zette zich af. Ze wilde weer de boom in. Maar ik pakte haar bij haar poot. Ik trok en zij trok. Ik sloeg en zij sloeg. Ze gaf me een duw. Ik viel uit de boom en ik brak mijn poot.

20


Kip:

Deed dat veel pijn? (wijst naar de poot van Hond) Hond: Een klein beetje maar. Want ik ben een held. Een held voelt geen pijn. Kip: Juist. Bleef Kat in de boom? Hond: Nee, ze gleed uit. Ze viel boven op mij en ze haalde uit naar mijn neus. Kip: Is die kras op je neus van Kat? Hond: (buigt zijn kop) Ja. Kat liep weg. Ik heb haar niet meer gezien. Ik kreeg stank voor dank11.

21


Kip:

Wat naar voor je. Maar het is wel een goed verhaal. Dit wordt een mooi stuk voor de krant. Ik noem het: Held Hond redt Kat. Hond: Zo is het. Kip: Mag ik nog een kiekje12 nemen? Dat komt dan ook in de krant. Hond: Doe maar. Maar ik heb toch nog een vraag. Schrijf niet hoe die kras op mijn neus kwam. Want dan sta ik voor aap13. Kip: (lacht) Een aap ben je niet. Je bent een held. Ik wis het wel.

22


(legt zijn kop weer op zijn poten) O nee. Wat is er? Ik tikte op de foute toets. Ik ben het verhaal kwijt. Hond: Dan vertel ik het nog een keer. Ik heb alle tijd, want de maan schijnt nog niet. Hond: Kip: Hond: Kip:

23


Woorduitleg 1 laptop = kleine, draagbare computer (voor op schoot) 2 stof hebben = een goed onderwerp hebben 3 aan boord leggen = aanpakken 4 in zak en as zitten = het niet meer zien zitten 5 geen steek zien = niets zien 6 stress = spanning 7 sport = een trap heeft treden en een ladder heeft sporten 8 het hoofd koel houden = kalm blijven 9 het ijle = leegte, wanneer er niets is 10 broos = niet sterk 11 stank voor dank = geen dank krijgen 12 kiekje = foto 13 voor aap staan = de anderen zullen je gek vinden

24


Hond is een held. Hij redde Kat uit een boom. Kip wil zijn verhaal in de krant. Ze tikt het in op haar laptop. Lees je mee wat Kip schrijft?

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Ina Hallemans Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622818

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 3 - Thema 1 - N1 - Held Hond redt Kat by die Keure - Issuu