ucatieve uitgaven
BIEB
Wie wordt de nieuwe kok ? Kristien Dieltiens
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 2
2
Wie wordt de nieuwe kok ?
1
Het is erg stil in het bos. Je kunt er een muis horen lopen. Alle dieren lopen op hun tenen. Want koning Brom is uit zijn hum. En dan blijf je het best uit zijn buurt. Waarom is koning Brom uit zijn hum? Het zit zo: zijn kok viel uit de boom. Net toen die appels wilde plukken. De kok heeft een deuk in zijn kop. En scheuren in zijn pels. Er is ook iets mis met zijn poten. Nu kan hij niet meer koken. Hij moet zeker een maand in bed.
2
Koning Brom zit diep in de put. Zijn buik gromt en gromt de hele tijd. Tuur, de schildwacht komt er aan. ‘Sire, waarom zit u in de put?’ vraagt hij. De koning schudt brommend zijn kop. ‘Laat mij maar, Tuur,’ zegt hij. ‘Ik moet even diep nadenken.’ En dat doet hij. Opeens kruipt hij uit zijn put. ‘Tuur, ik weet het!’ roept hij blij. ‘Ik zoek een nieuwe kok!’ ‘Goed idee, koning!’ zegt Tuur. 3
De koning schrijft op een blad papier: Wie het lekkerst kookt, wordt de nieuwe kok. ‘Tuur, hang dit op in het bos,’ zegt hij. ‘Aan elke boom moet een blad!’ Het is een zwaar werk. Tuur werkt de hele nacht door. Als de zon weer op is, lezen de dieren wat er op het blad staat. ‘Ik word de nieuwe kok!’ roept de haan. ‘Neen, ik! ik! Ik!’ roepen ze door elkaar. Alleen Tuur is stil. Hij kruipt in zijn huis en slaapt.
4
Als de zon op is, is Kip Koket al vroeg uit de veren. ‘Wakker worden!’ roept ze. Alle kippen kijken haar verbaasd aan. ‘Ik wil dat jullie nu een ei leggen! Want ik zal een koek bakken. Ik word de nieuwe kok.’ Dat is niet naar de zin van Haan Kalm-Aan. Hij moet als eerste uit de veren! Hij kraait uit volle borst. ‘Ku-ke-le-ku! Kip Koket! Jij moet hier niet haantje-de-voorste zijn! Ik ben de baas van het kippenhok.’ 5
Maar niemand luistert. De ene kip is aan het broeden. Een ander zet de pan al klaar. De oudste kip zorgt voor de kuikens. Ze spelen in het hooi. Kip Koket bindt haar schort voor. Haar veren mogen niet vuil worden. Haan Kalm-Aan springt op het hek. Hij doet wat een haan doen moet. Hij zet een hoge borst op. En kraait uit volle borst. ‘Kuke-leku-u-u-u!’ Niemand luistert. De kippen zijn bezig. De kuikens pikken graan. Kip Koket breekt de eieren. En klutst ze in een kom. De haan kraait nog eens. En nog eens. Geen haan die er naar kraait.
6
Kip Koket zit met een ei. Ze heeft geen meel meer. ‘Ik moet vlug naar Mies Muis,’ kakelt ze. Ze haast zich naar de molen. Mies Muis woont er met tien kleine muisjes. ‘Mies, heb jij wat meel voor mij? Want ik word de nieuwe kok.’ ‘Nee,’ zegt Mies. ‘Dat kan niet! Ik word de nieuwe kok! Vraag je meel maar aan Tuur.’ Kip Koket gaat naar de schildpad. Hij geeft haar een beetje meel. En weg is Kip Koket.
7
Mies haast zich naar binnen. Ze is muisstil want haar kleintjes slapen nog. Ze begint aan de kaastaart. Oeps! De melk is op! Mies laat er geen gras over groeien. Ze trippelt naar de koe in de weide. ‘Boe! Heb jij wat melk voor mij?’ Koe Boe schrikt. ‘Mies, je laat mij schrikken! Niet doen, of mijn melk wordt karnemelk! Vraag het maar aan Tuur! Want ik word de nieuwe kok!’ Mies vraagt het aan Tuur. Hij geeft haar een emmer met melk.
8
Koe Boe legt alles klaar. Suiker, rijst en melk. Een kom voor de rijstpap heeft ze niet. Koe Boe duwt het hek open. ‘Waar ga je naar toe?’ vraagt de stier. ‘Ik ben zo terug!’ roept ze. ‘Ik heb geen tijd om over koetjes en kalfjes te praten.’ Koe Boe gaat de stal in. ‘Zwijn Krul, mag ik je trog lenen?’ ‘Neen!’ zegt Zwijn Krul. ‘Een trog is niet geschikt voor een koe. Je hoeft hier niet het varken uit te hangen.
9
Ik word de nieuwe kok. Ga maar naar Tuur.’ Koe Boe loopt weg. Van Tuur krijgt ze een grote kom. Zwijn Krul wil frietjes maken voor de koning. Ze bekijkt de hoge berg in de stal. Ze bekijkt ook haar dikke poten. Dit lukt nooit in haar eentje! Hoe moet dit nu? Ik vraag hulp aan de haasjes, denkt ze. Zij kunnen de schil eraf knagen. Terwijl zij bezig zijn, neem ik een heerlijk bad in de modder.
10
Ze snelt naar het hol onder de hazelaar. Haas is druk bezig. Hij telt wortels in een mand. Het moeten er genoeg zijn. Want Haas wil taart van wortels maken. Nu kan het nog. Want de kleine haasjes spelen buiten. ‘Dag Haas Knabbel!’ roept het zwijn. ‘Kan een haasje een pootje komen helpen? Ik word de nieuwe kok.’ Haas Knabbel spitst zijn oren. ‘Het spijt me! Geen haasjes voor jou.
11
De kleintjes spelen net haasje-over, dicht bij de hazelaar. En de oudste koos het hazenpad, omdat hij mij moest helpen. Ik weet niet waar hij is, of wat hij uitspookt. Hij is zo snel als een haas. Vraag het maar aan Tuur. Misschien kan hij je wel helpen.’ Zwijn Krul gaat naar Tuur. Tuur geeft haar zijn scherpste mesje.
12
De haas snijdt wortels in stukjes. En hij mengt het onder het deeg. De deeg moet in een taartvorm. De vorm moet in de oven. Geen tijd voor een hazenslaap. Haastig werkt hij verder. Nu nog de oven aansteken. De kleine haasjes komen erbij staan. Oeps, geen hout om vuur te maken! Vlug wipt Haas naar de boom van Eekhoorn. ‘Heb je eikels voor mij?’ roept hij. ‘Ik moet een vuurtje maken in mijn oven. Want ik word de nieuwe kok.’
13
‘Geen sprake van,’ roept Eekhoorn. ‘Ik heb hier nog harde noten te kraken! Ik wil notenbrood maken. Want ik word de nieuwe kok! Vraag het maar aan Tuur.’ Haas Knabbel gaat naar Tuur. Tuur geeft hem een zak. Hij is gevuld met takjes en eikels. Genoeg om zijn oven warm te stoken. Even later ruikt het heerlijk. Naar verse taart, van wortels, met een ei, met melk, met boter, met suiker, en met meel.
14
De dag is bijna voorbij. Koning Brom heeft nog steeds honger. Honger als een beer. Honger als een reus van een beer. Hij zoekt zijn schildwacht. Maar Tuur is nergens te zien. Hij is de hele tijd bezig. Alle dieren vragen zijn hulp. De gans vraagt een net voor haar eieren, zodat ze niet kunnen breken. Poes vraagt een beetje zout. Om op staartjes te strooien. Want zo vang je vogels. De wormen raken met zichzelf in de knoop. Tja, spaghetti maken is moeilijk. Ze krijgen er kop noch staart aan. Ze bakken er niet veel van. Maar Tuur helpt alle dieren. En dan is het zover. Alle dieren hebben iets gekookt. Daar komen ze aan. Ieder van hen denkt dat hij de beste is. Allemaal willen ze de nieuwe kok worden.
15
Tuur is moe. Hij heeft iedereen kunnen helpen. Hij legt zich op zijn rug. Hij leest de krant en geeuwt. Tijd voor een dutje, denkt hij. Hij trekt zijn kop en poten in. Nu zit hij helemaal in zijn huis. Niemand die hem ziet. Zelf ziet hij ook niets, want het is donker in zijn huis. 16
De dieren komen er aangelopen. In hun poten dragen ze iets lekkers. Ze willen allen als eerste er zijn. Ze lopen sneller. Ze duwen elkaar opzij. Ze stompen en ze trekken.
17
‘Pas op!’ knort Zwijn Krul. ‘Laat me door!’ loeit Koe Boe. ‘Je trapt op mijn staart,’ piept Mies Muis. ‘Ga van mijn rug af!’ zegt Eekhoorn. ‘Blijf van ons lijf!’ roepen de wormen. ‘Waar is mijn koek?’ kakelt Kip Koket. ‘Domme kip!’ kukelt de haan. ‘Waar zijn mijn muisjes?’ piept Mies Muis. ‘Ik wil als eerste!’ snuft Haas. ‘Nee ik! Ik! Ik!’ roepen de anderen. Ze haasten zich om als eerste bij koning Brom te zijn.
18
Koning Brom zit te wachten. Zijn honger is zo groot. Zijn buik is zo leeg. Een koning met een lege buik is maar niets. Hij zou iedereen met huid en haar kunnen opeten. Hij hoopt dat de dieren zich haasten. Eindelijk, daar komen ze aan. Opeens vliegt het lekkers rond zijn oren. Zo snel moest het nu ook weer niet! koning Brom kijkt triest om zich heen. Het eten is overal! Op zijn hele lijf! Behalve in zijn mond.
19
Niet iedereen heeft zich gehaast. De tien kleine muisjes hebben pret. Ze spelen met wat er overblijft. Er liggen stukjes schaal op de grond. De schalen zijn van de eieren van Gans. Een muis wiegt het bedje. Het kleinste muisje ligt erin. ‘Slaap, muisje slaap,’ zingt grote zus. Een muisje maakt een schommel. Hij schommelt heen en weer. Het lijkt wel een beker. Hij schommelt zo snel dat de beker omvalt. ‘Kijk! Ik heb een paraplu!’ lacht een muisje. ‘Als het regent, word ik niet nat!’
20
Een ander muisje is matroos. ‘Land in zicht!’ roept hij. ‘Gooi het anker uit! En smijt het touw naar de kade!’ Drie broertjes Muis spelen ridder. Ze hebben een zwaard en een schild. Op hun kop dragen ze een echte helm. ‘Niemand kan ons verslaan!’ roepen ze. ‘Want wij zijn sterke ridders!’ Grote zus speelt prinses. ‘Kijk eens wat een mooie jurk ik heb! Ik ben de mooiste van het land!’
21
Van het lekkers blijft niets meer over. De dieren kijken beschaamd om zich heen. Een voor een gaan ze weg. Terug naar hun hol of naar hun boom. Of naar een veilige plek. Waar niemand hen kan zien. Koning Brom bromt. ‘Ik heb nog steeds honger! Is er dan niemand die me kan helpen?’ Met trage poten stapt hij naar zijn hol. Zijn zware lijf voelt leeg aan. Er is geen dier meer te zien. De zon is al aan het ondergaan.
22
Opeens staat Tuur voor zijn neus. Tuur ziet het sombere gezicht van de beer. ‘Koning, wat is er? U gaat toch niet weer in de put zitten?’ Koning Brom schudt zijn kop. ‘Wat moet ik anders Tuur? Een beer is droevig als hij honger heeft. Heb jij nog iets lekkers voor mij?’ Tuur denkt diep na. Opeens heeft hij een idee. ‘Het spijt me koning. Ik heb niets voor u gekookt. Ik heb alles aan de dieren gegeven.
23
Maar iets heb ik nog in mijn huis. Het is niet veel. Maar het is beter dan niets.’ Koning Brom volgt zijn schildwacht. Even later zitten ze samen in het maanlicht. Ze smullen van brood met honing. ‘Tuur, brood met honing! Het lekkerste dat er bestaat!’ Ze eten en ze eten. Er blijft geen kruimel meer over. En raad eens wie de nieuwe kok werd? Juist!
24
Koning Brom heeft zorgen. Zijn beste kok viel uit de boom en is gekwetst. Hij moet op zoek naar een nieuwe kok. Alle dieren willen graag de nieuwe kok worden. Ze koken allemaal iets lekkers met de hulp van Tuur de schildpad. Maar dan gebeurt er iets …
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Kristien Dieltiens Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 7 8 9 0 4 8 622818
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.