Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 2 - Thema 4 - N2 - Ridders

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Ridders Jonas Boets

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 2

2


Ridders

Vik en Mil spelen in een kasteel. Het is gemaakt van houten balken en er ligt water rond. Ze zijn de ridders van het kasteel en zo vechten ze ook. Ze slaan hun zwaarden tegen elkaar. Ze roepen bij elke slag.

1


‘Ik ben de koning van dit kasteel,’ roept Mil. ‘Ik gooi iedereen buiten!’ Vik heeft het lastig. Mil is beter met zijn zwaard dan hij. Hij stapt steeds verder. Tot hij op de brug staat. Het is een plank over het water. Mil tikt met zijn voet tegen de plank. De plank kantelt. Met een luide gil valt Vik in het water.

2


‘Hoera,’ roept Mil blij, ‘het kasteel is gered! Koning Mil is de beste koning!’ Vik juicht niet, want hij is helemaal nat. ‘Koning Mil is een stomme koning,’ zegt plots iemand. Er staan drie jongens naast het kasteel. Ze zien er stoer uit. De kleinste jongen stapt naar Vik en Mil.

3


‘Dit is ons kasteel!’ brult hij. ‘Jullie moeten hier weg.’ Maar Mil laat zich niet doen. ‘Ik ben koning Mil en dit is mijn kasteel. Wij gaan hier niet weg.’ De jongens staan over elkaar. Niemand geeft toe. ‘Kom, Mil, we zijn weg,’ zegt Vik. ‘We moeten naar huis.’ Maar Mil beweegt niet. Hij kijkt boos naar de andere jongens. Mil geeft niets weg.

4


Er komt een man voorbij. Het is hun buurman Fons. ‘Wat is er aan de hand?’ vraagt hij. ‘Die jongens willen mijn kasteel,’ zegt Mil. ‘Niet waar,’ zegt de andere jongen. ‘Dit is ons kasteel!’ Buurman Fons moet hard lachen.

5


‘Dit kasteel is van niemand,’ zegt hij. ‘Dat kan toch niet,’ zegt Vik. ‘Het moet toch van iemand zijn?’ ‘Nee hoor,’ zegt buurman Fons. ‘Ooit was het van ridder Tristan. Dat was een heel dappere ridder. Hij reed met zijn paard door het land en hij hielp mensen waar hij kon. Maar na hem was niemand nog zo dapper. En dus bleef zijn kasteel leeg.’ ‘Dus niemand mag in het kasteel wonen?’ vraagt Vik. ‘Toch wel,’ zegt buurman Fons. ‘Maar alleen iemand die heel dapper is, en een nacht lang de wacht houdt. Die mag in het kasteel wonen.’

6


Vik en Mil rennen snel naar huis. Mama leest de krant en papa leest een boek. Vik en Mil gaan voor hen staan en zwaaien. ‘Buurman Fons vertelde ons een verhaal,’ zegt Mil. ‘Het ging over de dappere ridder Tristan. Wie in zijn kasteel wil wonen, moet een hele nacht de wacht houden.’

7


Papa kijkt op van zijn boek. ‘Ik weet wat jullie willen doen,’ zegt hij. ‘Jullie willen in het kasteel gaan slapen. Maar dat gaat niet. Jullie blijven lekker thuis.’ ‘Maar we willen er niet slapen,’ zegt Vik. ‘Wat willen jullie dan wel doen?’ vraagt papa. ‘We moeten wakker blijven,’ zegt Mil. ‘Want we moeten de wacht houden.’

8


Vik en Mil zijn boos. Ze mogen niet naar het kasteel. Zeker niet als het donker is. ‘Dat is veel te gevaarlijk,’ vindt papa. ‘We zijn het kasteel kwijt,’ zegt Vik. Mil denkt na.

9


‘Ik geef het kasteel niet af,’ zegt hij. Koning Mil geeft niet zo snel op. ‘Wat wil je dan doen?’ vraagt Vik. ‘Ridder Tristan was heel dapper, dus moeten wij ook dapper zijn,’ zegt Mil. ‘We gaan toch naar het kasteel.’ ‘Maar dat mag niet,’ zegt Vik. ‘Papa en mama zullen heel boos zijn!’ Mil haalt zijn schouders op. ‘Ridder Tristan luisterde ook niet naar zijn ouders. Pak je spullen al. Als het donker wordt, zijn we weg.’

10


‘Slaapwel,’ zegt mama. Ze doet het licht uit bij Vik. Daarna doet ze dat bij Mil. Vik en Mil liggen onder hun dekens. Ze wachten tot mama de trap af gaat. Dan slaan ze hun dekens weg. Ze zijn nog steeds gekleed als ridders! Mil neemt het laken van zijn bed en gaat naar de kamer van Vik.

11


‘Heb je alles?’ vraagt Mil. Vik laat zijn rugzak zien. Een zaklamp, snoepjes en twee zwaarden. ‘Oké,’ zegt Mil, ‘dan zijn we weg.’ Hij neemt de lakens van zijn bed en knoopt ze aan de lakens van het bed van Vik. Het is een oude truc, maar hij werkt heel goed. Vik en Mil klimmen uit het raam. Hun kamer is niet zo hoog. Ze zijn zo stil als ze kunnen.

12


Mama en papa mogen hen niet horen. Even later staan ze in de tuin. Ook Mil heeft een rugzak bij zich. ‘Wat zit daarin?’ vraagt Vik. ‘Wat dingen om mee te spelen,’ zegt Mil met een lach. Hij is vast iets van plan. ‘Kom, Vik,’ zegt Mil. ‘Blijf daar niet zo staan. Of mama en papa zien jou.’ Vik haast zich achter Mil aan.

13


Vik en Mil komen aan bij het kasteel. Vik schijnt met zijn zaklamp. Hij ontdekt iets vreemds. De brug is toe! Zo kunnen ze niet naar binnen gaan. Vik en Mil kijken naar boven. Ze zien wie er in het kasteel zit. De drie stoere jongens van die dag. Ze staan op de uitkijk in de toren. Ze lachen als ze Vik en Mil zien. ‘Kijk, twee kleine ridders,’ zegt de kleinste. Mil wordt boos. ‘Wie noem jij klein?’ roept hij. ‘Je bent zelf niet groter dan een paddenstoel!’ De jongen wordt rood en zwijgt.

14


‘Dit is ons kasteel!’ roept Mil. ‘Ik ben koning Mil en ik wil dat jullie naar buiten komen.’ De jongens lachen luid. ‘Echte koningen zitten in hun kasteel,’ zegt de grootste. ‘Die komen er nooit uit. Dus jij bent geen echte koning, want je hebt geen kasteel.’ Vik en Mil laten zich niet doen. ‘Jullie zijn zelf geen echte ridders,’ zegt Vik. ‘Jullie hebben niet eens de kleren.’ ‘Maar we hebben wel een kasteel,’ zegt de kleinste. ‘En daar komen jullie nooit in!’

15


‘Kom, Vik,’ zegt Mil plots. ‘We gaan naar huis. Het kasteel is nu van die jongens.’ Vik snapt het niet zo goed. Zo kent hij Mil niet. Mil geeft nooit op. De jongens in het kasteel juichen. ‘De kleine ridders zijn bang!’ roepen ze. ‘Het kasteel is van ons!’ ‘We mogen niet weggaan,’ zegt Vik. Maar Mil luistert niet. Hij draait zich om en stapt weg. Alleen kan Vik niets doen. Hij volgt Mil.

16


Niet veel verder stopt Mil. Ze kunnen het kasteel niet meer zien. ‘Waarom ging je nu weg?’ vraagt Vik. ‘Ik heb een plan,’ lacht Mil. ‘Ik geef het kasteel niet op. Het is mijn kasteel!’ ‘Wat wil je dan doen?’ vraagt Vik. ‘Die jongens komen niet zomaar naar buiten.’ ‘Ik denk het wel,’ zegt Mil. ‘Ze zijn niet zo dapper. Dus het kasteel is niet van hen.’ ‘Zo bang zijn ze toch niet,’ zegt Vik. ‘Ze hebben zelfs geen zaklamp bij zich.’ Mil zegt niets en opent zijn rugzak. Die zit vol met enge maskers en kleine steentjes uit hun tuin. ‘Zullen ze ook nog dapper zijn,’ vraagt Mil, ‘als het begint te spoken?’

17


Mil legt uit wat zijn plan is. Daarna zetten ze elk een masker op. Mil is een duivel en Vik een monster. De steentjes stoppen ze in hun broekzak. Ze sluipen heel stil naar het kasteel en gaan liggen achter een struik. Ze horen de jongens lachen. ‘Wacht maar,’ fluistert Mil. ‘Ze zullen niet blijven lachen.’ Hij neemt een steentje uit zijn zak en gooit het naar het kasteel. Tok, doet het steentje. De jongens worden plots heel stil. Vik gooit ook een steentje. Tok, klinkt het nog eens. De jongens praten steeds luider. Ze vragen zich af wat het geluid was. Mil gooit nog een laatste steentje. De jongens turen door het donker. Maar ze zien niemand.

18


Mil begint luid te huilen, als een wolf. Vik doet hem na. Zo lijkt het of er veel wolven zijn. De wolven komen steeds dichter. Vik kijkt naar de jongens in het kasteel. Ze zijn er niet gerust in. ‘Maar ze komen niet naar buiten,’ zegt Vik.

19


‘Nog even geduld,’ zegt Mil. ‘Het zal niet lang meer duren.’ Hij komt achter de struik vandaan. Hij springt wild in het rond en hij maakt gekke geluiden. Vik ziet de jongens wijzen. De duivel staat voor hun kasteel. Vik gaat naast Mil staan. Hij is een echt monster. Hij maakt vreemde geluiden en beweegt heel raar.

20


Vik en Mil horen geluid in het kasteel. Ze verstoppen zich weer. De brug gaat omlaag en de drie jongens rennen naar buiten. Ze vluchten. Zo snel als ze maar kunnen. Ze zijn bang van de monsters rond het kasteel.

21


Het kasteel kan nooit van hen zijn. Ze zijn niet dapper genoeg. Vik en Mil juichen en stappen over de brug. Hun armen gaan hoog de lucht in. Het kasteel is weer van hen. Zij zijn de winnaars. Ze zijn even dapper als ridder Tristan.

22


Vik wordt wakker. De zon staat al aan de hemel. Gelukt, denkt hij. We hebben de hele nacht de wacht gehouden. Het kasteel is nu echt van ons! Maar dan schrikt Vik. Ook al zijn ze zo dapper, van een iemand moeten ze toch bang zijn. Mama! Ze moeten snel naar huis. Vik maakt Mil wakker. ‘Wat is er?’ vraagt Mil. ‘We moeten weer naar ons bed,’ zegt Vik. Mil kijkt op zijn klok. ‘Het is al te laat,’ zegt hij. We moeten heel hard lopen.

23


Mama komt de kamer van Vik binnen. ‘Opstaan,’ zegt ze. Vik opent zijn ogen en doet alsof hij net wakker wordt. Hij rekt zich uit. Mama slaat zijn deken opzij. ‘Hee, wat is dat?’ vraagt ze. ‘Je ziet eruit als een ridder. Heb je zo geslapen?’ ‘Ja,’ zegt Vik, ‘ik ben een echte ridder. En echte ridders zijn altijd zo gekleed.’ ‘Gekke jongen,’ zegt mama. Ze aait Vik over zijn haar. ‘Soms zijn jullie met dingen bezig, waar ik helemaal niets van weet.’ Vik lacht in zichzelf. Mama zou eens moeten weten!

24


Vik en Mil willen graag echte ridders zijn. Maar enkele andere jongens nemen hun kasteel af. Vik en Mil weten niet wat ze moeten doen. Ridders zonder een kasteel, dat kan toch niet? Ze bedenken een plan om hun kasteel te heroveren.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Rocío Del Moral Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 7 8 9 0 4 8 622818

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 2 - Thema 4 - N2 - Ridders by die Keure - Issuu