Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 1 - Thema 8 - N3 - Een trol in het bos

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Een trol in het bos Joke Guns

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 2

1


Een trol in het bos

1 Aan de rand van het bos staat een huis. De muren van het huis zijn grijs. Het dak is ooit rood geweest. Nu is het dak groen. Het ligt vol mos en takjes. ‘Het dak is vuil,’ zegt Wiktor soms. ‘Niet waar,’ zegt zijn pa dan. ‘Het dak is liever groen. Dat is heel gewoon voor een dak van een huis aan de rand van het bos.’

1


Wiktor lacht. Hij is gek op het bos en gek op zijn pa. Soms mag Wiktor met hem mee. Zijn pa leert hem erg veel. ‘Kijk!’ toont hij Wiktor. ‘Die boom is een eik. En dit is een beuk.’ Soms vinden ze zelfs sporen. Het zijn de sporen van dieren. Pa weet altijd van welk dier het spoor is. Van een haas, van een hert. Of van de hond van buurman Steef.

2


‘Wat fijn dat jij de baas bent, pa! De baas van ons bos,’ lacht Wiktor blij. ‘Ik ben geen baas,’ legt pa uit. ‘Ik ben boswachter. Ik let op het bos. Ik zorg voor het bos. Een bos heeft geen baas.’

3


2 Maar pa heeft het mis. Het bos heeft wel een baas. Op een dag staat hij voor de deur. De baas is lang en heel erg dun. Hij draagt een paars pak met een rode das. Hij geeft pa een hand en kijkt boos naar Wiktor.

4


‘Ik ben Plank,’ zegt hij nors1. ‘Piet Plank. Dit bos is van mij. Ik kreeg het van mijn oom. Maar wat moet ik ermee? Al dat hout! Ik haat hout! En al dat groen. Groen! Stel je voor. Ik haat groen! Kijk eens naar dit huis. Zelfs het dak is groen. Bah!’

5


‘Ons dak is het liefste groen,’ zegt pa zacht. ‘Dat is niet zo vreemd voor een dak van een huis aan de rand van het bos.’ ‘Niets mee te maken!’ blaft Piet Plank. ‘Ik wil kleur. Ik wil knallen. Groen is geen kleur. Dit bos moet weg. Ik wil hier flats2 in roze en blauw. En een winkel in geel. Het hout verkoop ik voor veel geld. Ik ben dol op geld.’

6


Pa slikt en slikt. Dan zegt hij stil: ‘Dit bos is zo mooi, mijnheer Plank. Laat u het toch staan!’ Piet Plank lacht hoog. ‘Heeft het geen kleur, dan is het niet mooi. Is het niet mooi, dan moet het weg. Zo simpel is dat!’ De deur slaat met een klap dicht. Pa is zo bleek als een pas gewassen spook. Maar Wiktor heeft al een plan.

7


3 Pa zucht en steunt. Hij ploft op een stoel neer. Hij kijkt Wiktor treurig aan. ‘We moeten hier weg,’ zegt hij dan triest. ‘Een boswachter heeft een bos nodig. Dat snap je best.’ Maar Wiktor lacht en roept luid: ‘Dit bos moet blijven, pa. Dat weet jij en dat weet ik. Ik heb een plan. Als dat plan werkt, hoeven we niet weg.’

8


‘Maar Piet Plank heeft net gezegd dat ...’ Wiktor steekt zijn hand in de lucht. ‘Piet Plank heeft gezegd dat hij kleur wil, pa. Daar zullen we voor zorgen. Zo moeilijk is dat niet!’ Hij fluistert iets in het oor van zijn pa. Pa schudt eerst wild met zijn hoofd. Maar dan knikt hij toch, heel traag.

9


‘We kunnen het proberen,’ zegt hij. ‘Ik bel Piet Plank. Ik vraag hem om hier morgen om zes uur te zijn.’ Wiktor springt en danst. ‘Het lukt vast!’ juicht hij. ‘Met wat kleur mag het bos gewoon blijven. Dan wil Piet Plank geen flats meer!’ ‘Ik hoop het, jongen,’ zegt pa. ‘Ik hoop het zo!’

10


4 Het is nog vroeg. De vogels fluiten luid, al is de zon nog niet wakker. Wiktor en zijn pa zijn al lang op. ‘Tien voor zes,’ zegt pa. ‘Ik hoop maar dat hij komt.’ Wiktor wiebelt op zijn stoel. Hij propt wat brood in zijn mond. ‘Hij komt, pa. Hij moet komen!’ smakt hij. Twee voor zes. Wiktor stopt met wiebelen. Pa houdt zijn adem in. Zelfs de vogels worden stil. Zes uur! Een auto remt met veel gepiep en geknars. ‘Hij is er!’ juicht Wiktor. Blij rent hij naar buiten. Pa sloft3 traag achter hem aan.

11


Piet Plank staat boos naast zijn gele auto. Hij geeft pa geen hand. ‘Nou?’ blaft hij. ‘Waarom moet ik hier om zes uur zijn? Vertel me dat heel snel, want tijd is geld!’ ‘Kom!’ zegt Wiktor. Piet Plank blijft staan. ‘Kom!’ zegt nu ook pa. Piet Plank doet zijn auto op slot. Dan stapt hij achter pa en Wiktor aan. Bij het bospad aarzelt4 hij. Het groen is nog grijs, de zon is niet te zien. Toch loopt hij verder. ‘Hier is het,’ wijst pa. Op een open plek in het bos staat een bank. Piet Plank gaat nors zitten.

12


Links van hem zit pa. Naast pa zit Wiktor. ‘Wat nu?’ snauwt5 Piet Plank. ‘Sjjjjt,’ zegt Wiktor. ‘Kijk!’ zegt pa. Heel traag laat de zon zich zien. Het licht kleurt de wolken roze. De bomen glanzen zilver. De lucht is paars en blauw. ‘Kleuren!’ fluistert Wiktor. ‘Wat een kleuren!’ geniet pa. ‘Niet slecht,’ vindt ook Piet Plank. ‘Mag het bos nu blijven?’ vraagt pa. ‘Er is veel kleur, dat zie je zo!’

13


Piet Plank schudt zijn hoofd. ‘Vergeet het maar. Mijn broer kreeg een zoo vol wilde beesten. Ik wil meer dan een bos, al heeft het soms kleur. Ik wil iets aparts. Is het niet apart, dan vind ik het niets. Vind ik het niets, dan moet het weg. Het spijt me, maar dit bos moet dus weg.’ Hij draait zich om en loopt het pad weer af. Een tel later rijdt de gele auto weg. Pa laat zijn schouders zakken. ‘Wat nu?’ Wiktor denkt diep na.

14


5 ‘Ik heb een idee, pa,’ zegt Wiktor. ‘We laten Piet Plank sporen zien! Sporen in het bos vindt hij vast apart.’ Maar pa lacht hem uit. ‘Sporen van een ree of van een haas? Sporen van de hond van buurman Steef? Dat vindt die Plank maar niets. Begrijp je het echt niet, Wiktor? Hij wil iets aparts.’

15


Wiktor duikt in de schuur naast het huis. Daar vindt hij een paar oude laarzen. Hij bindt er stukken touw omheen. Nu lijkt het alsof de laarzen tenen hebben. Dan rent hij naar het bos. ‘Kom pa!’ schreeuwt hij. ‘Ik toon je een heel, heel, heel apart spoor!’ Pa sloft achter hem aan. Hij gelooft er niet meer in. Piet Plank is de baas, en daar is niets aan te doen.

16


Wiktor schopt zijn eigen schoenen uit. Dan stapt hij in de laarzen. Traag loopt hij door de natte aarde bij de beek. Bij elke stap maken de laarzen een afdruk. Zijn pa kijkt eerst naar het verse spoor. Dan kijkt hij naar Wiktor. ‘Snap je het niet, pa?’ lacht de jongen. ‘Dit is een heel apart spoor. Het spoor van een trol! Piet Plank wil iets dat zijn broer niet heeft. Zijn broer heeft vast geen trol!’

17


Papa staart Wiktor aan. Dan begrijpt hij het eindelijk. ‘Goed gedaan, Wiktor,’ knikt hij. ‘Maar we hebben nog wat meer trolkracht nodig.’ Pa loopt naar een oude, zieke boom. Die wordt volgende week omgehakt door buurman Steef. ‘We knakken6 een paar takken. En we hangen een stukje pels tussen de blaadjes.’ Ze werken samen verder. Het spoor ziet er enorm trollig uit! Dan gaan ze naar huis. ‘Ik bel Plank,’ zegt pa kordaat7. ‘En ik vraag of zijn broer ook komt.’

18


6 Piet Plank stapt boos uit zijn auto. ‘Wat nu weer!’ brult hij. ‘Ik ben er, en mijn broer komt eraan. Maak voort, want tijd is geld!’ Een gifgroene auto rijdt het pad op. Uit die auto stapt een korte, dikke man. Zijn pak is groen. Zijn das is groen. Zijn haar is bruin. ‘Pluim Plank,’ stelt hij zich voor. ‘Wat doe ik hier eigenlijk? Dit is een gewoon bos, toch? Wat saai! In mijn zoo heb ik een giraf en een bizon8. Haaien en slangen en stokstaartjes9. Hier is niets aparts!’

19


‘Kom!’ zegt Wiktor. De mannen blijven stokstijf staan. ‘Kom mee,’ zegt nu ook pa. Piet Plank kijkt Pluim Plank aan. Ze halen hun schouders op. ‘Ach, we zijn hier nu toch,’ stelt Piet voor. ‘Heel even dan,’ knikt Pluim. Samen lopen ze het bospad op.

20


‘Wel stil zijn, hoor!’ zegt Wiktor. Hij legt een vinger op zijn lippen. ‘Stil? Voor wie?’ zegt Piet Plank. ‘Stil? Voor wat?’ zegt Pluim Plank. ‘Voor de trol,’ fluistert pa. Hij wijst naar de grond naast de beek. Daar zijn de sporen te zien.

21


‘Zie je die boom?’ wijst Wiktor. ‘Daar zijn takken afgebroken. Het is vast een stevige trol.’ Piet Plank staart naar de boom. Plots ziet hij het stukje pels. Trots laat hij het zijn broer zien. Pluim Plank slaat een hand voor zijn mond. ‘Een trol! Die heb ik nog niet in mijn zoo!’ ‘Maar ik heb hem wel in mijn bos,’ lacht Piet.

22


‘Dus het bos mag blijven?’ vraagt pa. ‘Ja,’ knikt Piet Plank. ‘Is iets apart, dan vind ik het top. Vind ik iets top, dan mag het blijven. Maar het dak van dat huis wil ik paars.’ ‘Dat is goed,’ knikt Wiktor snel. Hij geeft zijn pa een duw. ‘Het bos is groen en zilver en roze. Het dak wordt paars. Dat is niet zo gek voor het dak van een huis aan de rand van het bos,’ lacht pa.

23


Woorduitleg 1 nors = boos 2 flats = hoge gebouwen waar veel mensen wonen 3 sloffen = slepen met je voeten 4 aarzelen = twijfelen, niet goed weten wat te doen 5 snauwen = iets op een boze manier zeggen 6 knakken = breken 7 kordaat = iets doen zonder aarzelen 8 bizon = Amerikaans dier dat lijkt op een stier met een bruine of zwarte vacht 9 stokstaartje = klein roofdier uit Afrika met een grappige staart

24


Wiktor en zijn pa houden van het bos. Op een dag komt Piet Plank langs. Hij zegt dat het bos weg moet. Dat maakt pa boos en triest. Maar Wiktor geeft niet zo snel op. Hij heeft een plan!

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Jan Van Lierde Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 7 8 9 0 4 8 622818

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 1 - Thema 8 - N3 - Een trol in het bos by die Keure - Issuu