ucatieve uitgaven
BIEB
Is Konijn te klein? Reine De Pelseneer
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 2
1
Is Konijn te klein?
Konijn zucht diep. Hij denkt aan de zomer. Alles was mooi en licht in het bos. Hij genoot 1 van elke dag. Soms liep hij blij door het gras. Soms lag hij stil in de zon. Hij voelde zich goed en groot.
1
Maar nu is de zomer gedaan. Konijn moet weer naar school. Hij zucht nog een keer. Op school voelt hij zich klein. Want daar zijn Beer en Aap … ‘Konijn, ben je klaar?’ Mama geeft zijn schooltas aan. Ze aait lief over zijn kop. ‘Kom,’ zegt ze dan, ‘we gaan.’
2
Konijn zit in een hoek van de klas. Hij hoopt dat Beer hem niet ziet. Hij hoopt dat Aap uit de buurt blijft. Maar het gaat al meteen mis. Beer komt de klas in. Vlak voor Konijn gaat hij zitten. Konijn ziet het bord niet meer. Toch blijft hij waar hij is.
3
De juf van de tweede klas is lief. Maar ze wil snel aan de slag2. Ze tekent op het bord. ‘Doe maar mee op je blad,’ zegt ze. Konijn krijgt het warm. Wat moet hij nu doen? Hij ziet niets van het bord. Zijn blad blijft wit.
4
De juf loopt rond in de klas. Bij Konijn staat ze verbaasd stil. ‘En jij?’ vraagt ze. ‘Waarom doe jij niet mee?’ ‘Ik kan het bord niet zien,’ piept Konijn. Beer draait zich om en hij lacht: ‘Konijn is te klein!’ Als Aap dat hoort, begint hij ook: ‘Konijn is te klein! Konijn is te klein!’ ‘Hou op!’ roept de juf boos. Maar het is al te laat. Konijn voelt zich kleiner dan klein.
5
Op de speelplaats speelt Aap met een bal. ‘Ik doe mee!’ zegt Beer. En Das lacht: ‘Ik ook!’ Ze gooien de bal hoog in een ring. Konijn zit stil aan de kant. Hij kijkt met een zucht naar het spel. ‘Hé Konijn!’ roept Aap plots. ‘Speel je niet met ons mee?’ Konijn haalt zijn schouders op. ‘Laat maar,’ fluistert hij. Hij is te klein voor de bal en de ring. Dat weten Aap en Beer maar al te goed.
6
Ze zingen in koor: ‘Konijn is te klein! Konijn is te klein!’ ‘Wat flauw van jullie,’ zegt Das. Maar Aap en Beer horen hem niet. Ze blijven vol spot 3 zingen. Konijn laat droef 4 zijn oren hangen. Was de schooldag maar al voorbij …
7
In de klas leest de juf voor uit een boek. Dat vindt Konijn wel leuk. Voor boeken hoef je niet groot te zijn. Maar als de bel klinkt, veert Konijn op5. Hij mag naar huis! De klas is gevuld met rumoer6. Maar de juf roept: ‘Wacht nog even!’ ‘Morgen gaan we naar het bos. Daar houden we een zoektocht. Zorg dat jullie op tijd zijn!’ Een zoektocht, denkt Konijn. Moet je groot zijn voor een zoektocht?
8
Veel te snel is de tweede schooldag er. De juf verdeelt de klas in groepjes. Konijn streelt over zijn oor. Bij wie moet hij in de groep? Plots wijst de juf hem aan. ‘Konijn, Beer, Aap en Giraf zijn groep drie.’ Nee! denkt Konijn met een bang hart. Dit wordt echt een ramp! Giraf is best nog wel lief. Maar Aap en Beer zullen hem pesten. Hij wil weg van hier … Elk groepje krijgt een groot blad. Daarop staat een kaart van het bos. De juf vertelt wat ze gaan doen: ‘Jullie volgen de weg op je kaart. Bij het kruisje voer je een opdracht uit.’
9
‘De opdracht helpt je verder op weg. Aan het eind vinden jullie een schat.’ Aap juicht: ‘Ik heb er zin in!’ Beer neemt de poot van Aap. ‘Op naar de schat,’ roept hij. Stil loopt Giraf met hen mee. Konijn huppelt achter ze aan. Zijn hart bonst in zijn keel7.
10
Het gaat een hele tijd goed. Ze volgen gewoon de weg. Aap en Beer hebben lol met elkaar. Ze letten niet echt op Konijn. Dan komen ze bij de plek van het kruisje. Wat moeten ze nu doen? Waar is de opdracht? Ze kijken om zich heen.
11
‘Daar,’ zegt Giraf opeens. Ze wijst naar een blad op een boom. Beer leest hardop voor: ‘Klim in de boom. Haal de brief uit het nest in de top.’ ‘Ha!’ roept Aap. ‘Wie klimt omhoog?’ Beer begint te lachen. ‘Dat lijkt me echt wat voor Konijn!’ Aap lacht hard mee.
12
‘Nee, Konijn is te klein!’ hikt hij. Giraf schudt stil haar kop. Konijn kijkt naar de grond. Hij wacht tot het lachen stopt. Aap klimt trots in de boom. In de top zwaait hij met de brief. Als hij weer op de grond staat, leest hij: ‘Wandel voort op dit pad. Ga tot aan de rivier. Daar steek je over. Volg het pad naar links.’ Konijn slikt. Hoe raakt hij ooit de rivier over? De rivier raast 8 door het bos. Het water kolkt 9 en stroomt wild. Konijn rilt van de schrik.
13
Beer duikt blij het water in. Aap begint weer te zingen: ‘Konijn is te …’ Maar dan zwijgt hij. Hij ziet hoe diep Beer in de rivier zit. Hij krabt aan zijn kop. ‘Beer,’ zegt hij, ‘help me eens.’ Beer komt weer naar de kant. ‘Spring maar op mijn rug, Aap.’ Samen plonzen ze naar de oever 10. ‘Kom,’ zegt Giraf tegen Konijn. ‘Kom jij maar bij mij.’ Giraf neemt Konijn in haar bek.
14
Ze zet hem neer op haar rug. Daar zit Konijn hoog en droog. Hij fluistert: ‘Dank je wel, Giraf.’ Giraf neemt twee grote passen en ze staat al aan de overkant. Wat leuk, denkt Konijn, om zo groot als Giraf te zijn. Zelfs Aap en Beer lijken nu klein. Met zijn vieren volgen ze het pad.
15
Opeens staan ze voor een hoge haag. In de haag is een poort van hout en op die poort hangt een blad. Aap leest voor wat er staat: ‘Welkom in dit doolhof. Ga door de poort en zoek de uitgang.’ Beer zucht eens diep.
16
‘Ik vind een doolhof maar niks,’ mort 11 hij. ‘Ik ook niet,’ zegt Aap. ‘Ik kies steeds de foute weg.’ Op de kop van Giraf verschijnt een lach. Ze zegt: ‘Volg mij maar. Ik vind de uitgang vanzelf.’
17
Konijn begrijpt wat ze bedoelt. Giraf is echt heel groot. Ze kijkt zo over de hagen heen. Ze hoeft dus niet te zoeken. In een mum van tijd12 staan ze bij de uitgang. ‘Dat was knap, Giraf,’ zegt Konijn. Aap en Beer zijn stil. Ze spotten niet meer met Konijn. Want soms zijn ze zelf wat te klein. Bij de uitgang hangt nog een blad.
18
Er staat een kaart op met een tekst:
Aap en Beer rennen over het pad. ‘Om het eerst bij de schat!’ roept Aap.
19
Konijn en Giraf volgen op hun gemak. Ze komen een stuk later bij de eik aan. Aap en Beer kijken triest. ‘Dat hol is veel te klein,’ bromt Beer. Aap laat zijn hoofd hangen. ‘We raken nooit tot bij de schat.’ Konijn zegt zacht: ‘Ik denk dat ik …’ ‘Ja!’ roept Aap. ‘Konijn is klein! Hij kan in het hol!’ Er klinkt geen spot meer in zijn stem. Konijn verdwijnt in het hol.
20
Zijn lijf past net in het gat. Binnen zoekt hij naar de schat. Hij vindt een kleine kist. Die sleurt hij mee naar buiten. Aap, Beer en Giraf juichen13: ‘Bravo voor Konijn!’ Beer trekt aan het deksel, maar de kist is op slot.
21
Dan ziet Giraf nog een briefje op de kist: ‘Kom met je schat naar het plein.’ De dieren gaan weer op stap. Op het plein staat de juf. Ze zwaait met een bos sleutels. Elk groepje krijgt een sleutel. ‘Nu kunnen de kisten open,’ zegt de juf. Aap geeft de sleutel aan Konijn. ‘Doe jij maar,’ zegt hij.
22
Konijn steekt de sleutel in het slot. In de kist ligt een hoop lekkers. Beer roept: ‘Dat wordt smullen!’ Hij geeft een koek aan Konijn. Konijn neemt een hap en denkt: soms is het fijn om klein te zijn.
23
Woorduitleg 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13
24
genieten = iets leuk vinden aan de slag gaan = starten spot = iets of iemand belachelijk maken droef = triest opveren = opspringen rumoer = lawaai, drukte zijn hart bonst in zijn keel = iets heel spannend vinden razen = heel snel gaan kolken = draaien oever = rand van het water morren = klagen in een mum van tijd = heel snel juichen = joelen, blij roepen
Konijn moet weer naar school. Dat vindt hij niet leuk. Hij is erg klein. Beer en Aap pesten hem daarmee. Dan moeten ze samen op zoektocht. Komt dat wel goed?
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Claudia Verhelst Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 7 8 9 0 4 8 622818
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.