Skip to main content

Verrekijker Bieb - 2e leerjaar - Kijker 1 - Thema 1 - N1 - mier wil groot zijn

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

mier wil groot zijn Jonas Boets

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 2

1


mier wil groot zijn

dit is mier. mier woont in een hoop. daar leeft hij. hij maakt een nest. en hij zoekt naar eten. elke dag doet hij dat. dat is niet zo leuk. maar wat moet hij dan? dat is wat een mier doet. 1


mier loopt in de rij. hij is heel klein. de mier voor hem is groot. en de mier na hem ook.

2


wat ben jij klein, zegt een mier. mier is er niet blij mee. maar hij is heel klein. hij weet niet wat hij moet doen.

3


op een dag loopt mier door het bos. mier! roept een stem. mier hoort het. maar hij weet niet wie het roept. mier! roept de stem nog eens.

4


mier kijkt heen en weer. hij ziet geen dier. mie-ier! hoort hij. het is niet meer een stem. het zijn er veel. wie roept hem?

5


hier, mier! kijk naar hier! mier kijkt naar een berg. nu ziet hij hen. op de berg staan rat, muis en vos. elk dier heeft pret. de berg is een hoop vuil.

6


er ligt kaas en koek en snoep. als er een mens in het bos komt laat hij zijn vuil daar op de hoop. elk dier eet wat hij kan. en rolt in het vuil. wat is het daar leuk!

7


mier wil ook naar de hoop. daar is het leuk. maar het is erg hoog. mier loopt op de berg. en valt er weer af. hij loopt er nog eens op. maar hij valt er weer af.

8


mier geeft het niet op. hij loopt nog eens, en nog eens. maar het lukt hem niet. hij raakt niet op de berg. mier kijkt naar zijn poot. die is veel te kort. zo lukt het hem niet!

9


mier weet wat het is. hij moet groot zijn. dan lukt het wel. mier rekt zich heel hard uit. en dan wipt hij heel hoog. maar de hoop is veel te hoog. hij is veel te klein. rat roept en muis en vos ook. die mier is veel te klein! ha ha!

10


mier is boos. hij wil op de berg. klein of niet. mier gaat naar uil. die weet vast raad. uil, ik wil op de berg, zegt mier. vlieg jij me er niet op? het hoofd van uil gaat heen en weer. ik heb geen tijd, mier. je moet het zelf doen. en uil vliegt weg.

11


mier gaat heel ver van de berg staan. dan loopt hij heel hard naar de berg toe. en hij springt. hij springt heel hoog.

12


het lukt, het lukt, zegt mier. maar het lukt niet. mier valt op zijn kont. dat doet pijn.

13


mier weet wat er mis is. hij is veel te klein. hoe kan hij groot zijn? dan weet mier het. hij loopt door het bos. hij gaat naar het hol van haas. haas, ben je daar? haas komt uit zijn hol. wat is er? zegt hij. ik ben veel te klein, zegt mier. haas, jij bent sterk. maak me groot. hoe moet ik dat doen? zegt haas. wel, rek me uit, zegt mier.

14


haas pakt een poot van mier. en dan nog een poot. haas rukt en rukt. mier rekt heel hard uit. hij wordt heel dun. au, roept mier, dat doet pijn! je wilt groot zijn, niet? zegt haas. heel graag, roept mier. maar zo is het goed. stop maar. haas zet mier weer neer.

15


mier loopt naar de berg. hij wipt. hij loopt. maar weer raakt hij er niet op. mier is nog veel te klein. groot zijn lukt niet. maar mier wil wel die berg op.

16


mier loopt door het bos. hij ziet een tak. dan weet mier iets. hij raapt de tak op. en nog een. tot hij er zes heeft.

17


mier doet een tak aan elke poot. nu ben ik groot, zegt hij. dit lukt wel. mier loopt naar de berg. ik kom! roept hij luid. mier zet een poot op de berg. maar de tak gaat stuk. mier zet nog een poot op de berg. krak, doet ook die tak. en mier valt op het gras. ha ha, hoort hij. mier is veel te klein!

18


mier is heel droef. hij is veel te klein. was hij maar groot. dan klom hij snel op de berg. daar is uil weer. mier, wat ben je droef, zegt hij. groot zijn lukt niet, zegt mier. ik kan niet op die berg. en daar is het heel leuk. mier, ik geef je een tip, zegt uil. jij raakt niet bij dat leuks. maar dat leuks komt wel bij jou!

19


het is waar wat uil zegt. mier is niet groot. maar hij is wel heel sterk. hij loopt door het bos. hij zoekt naar vuil. en naar koek en snoep. hij zoekt en zoekt. tot hij heel veel heeft. net zo veel als er op de berg ligt.

20


dan maakt mier een hol. het hol is heel diep. de gang is heel smal. wie klein is, kan door de gang. wie groot is, kan dat niet.

21


mier werkt heel de dag. dan ligt heel het hol vol. met vuil en koek en snoep. dan gaat hij naar elk klein dier. en zegt waar het hol ligt.

22


na een dag zit het hol al vol. elk dier rolt en wipt en eet. het is feest in het hol van mier.

23


vos, rat en muis staan voor het hol. ik wil ook in het hol, zegt vos. mier zegt nee. nee, wie groot is, komt er niet in. mier gaat weer naar het hol. elk klein dier van het bos is er. ze zijn zelf dan wel klein. maar het feest is heel groot. mier kijkt naar het feest. hij is moe. maar heel blij. geen dag is nog stom. en het is fijn om te klein te zijn!

24


mier wil wel eens iets leuks doen. en op de berg, daar is het leuk. maar de berg is veel te hoog. mier is veel te klein. hoe kan hij toch groot zijn? mier zoekt het uit.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Rocío Del Moral Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 7 8 9 0 4 8 622818

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijker Bieb - 2e leerjaar - Kijker 1 - Thema 1 - N1 - mier wil groot zijn by die Keure - Issuu