Skip to main content

Kadet 1 - Kaap 2 - Handleiding - Herwerkt NM - inkijk

Page 1


Vergelijken tot 5 met > en <

Lesdoelen

1 De leerlingen kunnen aantallen tot 5 vergelijken.

2 De leerlingen kunnen begrippen als ‘gelijk’, ‘niet gelijk’, ‘evenveel’, ‘niet evenveel’, ‘meeste’, ‘minste’, ‘meer dan’ en ‘minder dan’ correct gebruiken.

3 De leerlingen kunnen de symbolen > en < correct gebruiken.

Lesmaterialen

- concordantie

- werkboek p. 37 en/of digitaal werkboek

- scheurblok

- animatie: Henk de haai hapt naar het meeste

- bijlage (uit les 40): Vissen

- presentatie: Vergelijken tot 5 met > en <

- instructievideo: De symbolen =, ≠, > en < tot 5

- Sloep p. X

- digitale schatkist

- individuele schatkisten

- wisbord, stift en uitwisser per leerling

- zelfgemaakte handpop Henk de haai

Wiskundetaal in deze les aantal (niet) gelijk getalbeeld meeste minste vergelijken (niet) evenveel getal meer dan minder dan symbool

Wiskundige notaties in deze les

Leerlijn

Wat ging vooraf?

K1 L36 Vergelijken en ordenen tot 5 De leerlingen kunnen reeds getallen tot 5 vergelijken met de symbolen = en ≠. In deze les maken ze kennis met de symbolen > en <.

Wat volgt?

K1 L47 Vergelijken tot 5 met =, ≠, > en <

Voor de les

Maak met een grijze sok de handpop Henk de haai. Versier om die aantrekkelijk te maken.

1 Voorkennis activeren en lesdoel

Activeer de voorkennis omtrent = en ≠. Open de presentatie Vergelijken tot 5 met > en <. Laat de leerlingen steeds de twee gegeven getallen vergelijken. Geef hen de opdracht om het passende symbool (= of ≠) op hun wisbord te noteren. Vraag om het wisbord op jouw teken in de lucht te steken. Bespreek klassikaal na. Gebruik hierbij de begrippen evenveel, niet evenveel, gelijk en niet gelijk

De leerlingen kennen de symbolen voor evenveel/gelijk en niet evenveel/niet gelijk. In deze les leren ze twee nieuwe symbolen: de symbolen voor meer dan en minder dan.

2 Kern

2.1 Instructie en begeleide inoefening

2.1.1 > en < (met aantallen)

Toon de animatie Henk de haai hapt naar het meeste

Laat de leerlingen vrij vertellen wat ze gezien hebben.

Stel gerichte vragen:

- Hoeveel vissen zag je links van Henk? (2)

- Hoeveel vissen zag je rechts van Henk? (4)

- Welke kant koos hij? Waarom denk je? (De rechterkant, omdat daar de meeste vissen zijn.)

Leg het accent op de aantallen. Verwoord:

- 2 is minder dan 4.

- 4 is meer dan 2.

Introduceer de steunzin: Henk de haai hapt naar het meeste.

Neem de handpop van Henk de haai erbij.

Speel de animatie na. Hang aan het bord de kaarten met vissen (bijlage Vissen uit les 40). Aan de linkerkant hang je er 3, aan de rechterkant 5.

Stel Henk voor. Vertel dat Henk een gulzige haai is. Hij verkiest steeds de kant waar de meeste vissen zijn.

Stel gericht vragen:

- Hoeveel vissen zie je aan de ene kant (de linkerkant) van het bord? (3)

- Hoeveel vissen zie je aan de andere kant (de rechterkant) van het bord? (5)

- Waar zijn er het meest/minst?

- Naar welk aantal vissen hapt Henk het liefst, denk je? (5)

Laat de leerlingen rechtstaan achter hun bank en met gestrekte armen happen naar de kant waar er het meest zijn.

Begeleid door met de handpop ook te happen naar het meeste.

Schrijf de getallen onder de vissen en bespreek:

- 3 is niet evenveel als 5.

- 3 is minder dan 5.

Vraag een leerling om Henk tussen de vissen vast te houden en om zijn bek wijd open te houden.

Teken heel duidelijk < in het rood tussen 3 en 5.

Terwijl je het symbool tekent, zeg je: 3 is minder dan 5

3 < 5

Hang vervolgens 4 vissen en 1 vis op. Ga op dezelfde manier te werk. Laat terug een leerling de bek van Henk openhouden tussen de getallen.

Teken met rood > tussen 4 en 1.

Verwoord: 4 is meer dan 1

4 > 1

Geef nog enkele soortgelijke oefeningen.

2.1.2 > en < (met getalbeelden)

Projecteer de volgende dia van de presentatie Vergelijken tot 5 met > en <. Laat de leerlingen de juiste getallen koppelen aan de getalbeelden (2 en 4).

Vergelijk samen:

- 2 is niet evenveel als 4.

- 2 is minder dan 4.

Ga op dezelfde manier te werk met de getalbeelden 3 en 1.

Laat de leerlingen de oefening eerst per twee uitwerken op hun wisbord

Laat de leerlingen steeds denken aan Henk de haai. Vraag welke kant met vissen hij zou verkiezen. Laat hen de bek van Henk de haai naspelen (met duim en wijsvinger).

Laat de leerlingen veelvuldig verwoorden bij de symbolen: is (niet) gelijk aan, is meer/minder dan.

Laat de leerlingen de leerinhoud inoefenen met een partner. Vraag om de individuele schatkist erbij te nemen.

Laat hen twee getalbeelden leggen en vergelijken (bijvoorbeeld getalbeeld 5 en getalbeeld 3).

Moedig hen aan om de juiste verwoordingen gebruiken.

- 5 is niet evenveel als 3.

- 5 is meer dan 3.

Laat hen nadien het passende symbool tussen de getalbeelden leggen. Bespreek klassikaal.

Breng blitzbezoeken aan alle duo’s. Observeer hoe het vergelijken met > en < verloopt. Luister of de leerlingen de symbolen correct kunnen gebruiken en verwoorden. Ga na of het merendeel van de klasgroep klaar is om de symbolen op abstract niveau (met getallen) toe te passen.

2.1.3 > en < (met getallen)

Laat de leerlingen 0 en 2 noteren op hun wisbord.

Geef hen de opdracht om deze twee getallen te vergelijken met hun partner.

Vraag om het juiste symbool (> of <) op het wisbord te noteren.

Geef het signaal om de wisborden in de lucht te steken.

Bespreek klassikaal na.

Herhaal dergelijke oefeningen een aantal keer. Laat de leerlingen veelvuldig de symbolen verwoorden.

Geef leerlingen die oefenen op spoor 3 ook eens een oefening waarbij ze in plaats van een symbool een passend getal moeten invullen, bijvoorbeeld 4 < ... of ... > 3.

Kleine lesafsluiter

Ga naar de volgende dia op de presentatie Vergelijken tot 5 met > en <

Lees samen met de leerlingen: 2 < 5.

Laat de leerlingen hun duim in de lucht steken als ze het hiermee eens zijn.

Laat hen met hun duim naar de grond wijzen wanneer ze het niet eens zijn.

Herneem met 1 > 3.

2.2 Zelfstandige verwerking

Laat de leerlingen die de lesdoelen voldoende beheersen zelfstandig aan de slag gaan.

Laat hen de oefeningen in het (digitale) werkboek maken.

2.3 Verlengde en verdiepende instructie

Voorzie verlengde instructie voor leerlingen die het lesdoel onvoldoende beheersen.

Maak daarna samen basisoefening 1 en 2 in het werkboek. Doe voor, begeleid en stuur bij waar nodig.

Wanneer de begeleide oefening lukt, kunnen de leerlingen zelfstandig touwoefening 1 en 2 maken.

Wanneer de begeleide oefening nog moeilijk blijkt, kun je de desbetreffende leerlingen extra begeleide oefenkansen of het scheurblok van spoor 1 aanbieden.

Leerlingen die nood hebben aan verdiepende oefening en/of instructie kunnen oefening 3 maken. Wijs de leerlingen erop dat verschillende antwoorden meermaals mogelijk zijn.

Gebruik ook de tips naast het werkboek en informatie bij ‘differentiatie en orthodidactische tips’ om de verlengde en verdiepende instructie verder vorm te geven.

3 Lesafsluiter

Laat de leerlingen in duo’s werken. De ene leerling legt twee getalkaarten uit de individuele schatkist

De andere leerling legt het passende symbool ertussen en verwoordt.

Variant voor leerlingen die oefenen op spoor 2 en 3: de ene leerling legt een symbool, de andere leerling legt passende getalkaarten en verwoordt wat er ligt.

Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen de symbolen > en < correct gebruiken.’ Laat de leerlingen verwoorden welke symbolen ze tijdens de les geleerd hebben. Laat hen die tekenen in de lucht.

Grijp, indien gewenst, ook terug naar de lesdoelen die in het werkboek geformuleerd staan.

Bespreek ze met de leerlingen.

Bij het vergelijken van de aantallen kun je erop wijzen dat de leerlingen aan Henk de haai moeten denken: Naar welke kant zou hij happen?

DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS

Laat de leerlingen gebruikmaken van de getalbeelden bij het abstract vergelijken. Begeleid hen sterk bij de verwoordingen ‘… is meer dan …’ en ‘… is minder dan …’

Deze leerlingen kunnen de overstap naar het vergelijken van abstracte getallen sneller maken. Blijf voldoende aandacht besteden aan het verwoorden.

Wanneer de leerlingen tijdens het zelfstandig oefenen thuis of in de klas nog nood hebben aan extra ondersteuning, kunnen ze de instructievideo De symbolen =, ≠, > en < tot 5 bekijken.

Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:

- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap!

- oefenblaadje: Vergelijken tot 5 met > en <

- Kaap 8 GK3: Aantallen en getallen tot 5 vergelijken: de symbolen =, ≠, > en <

- Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar)

Warm en koud (1e leerjaar)

Ga je mee? (1e leerjaar)

Naar de kermis (1e - 2e leerjaar)

Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Kadet 1 - Kaap 2 - Handleiding - Herwerkt NM - inkijk by die Keure - Issuu