Skip to main content

Isaac - Te land, ter zee en in de lucht - Midden (Diabolo)

Page 1

6

NATUUR

1 Massa en volume Een pingpongbal en een stuiterbal zijn ongeveer even groot (volume), maar wanneer je ze op een balans legt en telkens het aantal gram (massa) afleest, dan is het verschil tussen die twee metingen heel duidelijk. Bij een knikker en een petanquebal is het dan weer meteen duidelijk dat zowel het volume als de massa heel verschillend zijn.

DOE DE TEST ORIËNTATIE ONDERZOEKSVRAAG: Welke bal heeft de grootste massa, welke de kleinste massa? Welke bal

heeft het grootste volume, welke het kleinste volume? Kruis je veronderstellingen aan. HYPOTHESE:

Â

grootste massa kleinste massa grootste volume kleinste volume


7

VOORBEREIDING

Welke hulpmiddelen heb je nodig om de massa te meten? En met welke hulpmiddelen bepaal je het volume? Kruis aan.

massa

massa

massa

volume

volume

volume

massa

massa

massa

massa

volume

volume

volume

volume

UITVOERING

Wanneer je thuis op de weegschaal staat, een balans, dan meet je eigenlijk je massa. Voor dit onderzoek gebruik je een kleine, nauwkeuriger balans. Het volume van regelmatige voorwerpen kun je berekenen met een formule. Voor onregelmatige voorwerpen kun je de methode van de waterverdringing gebruiken. Volg de instructies van je leerkracht. Noteer hieronder de resultaten van de metingen. WAARNEMINGEN

massa

volume


8

REFLECTIE

Markeer de kleinste en de grootste resultaten van de metingen van de massa met geel. Markeer de kleinste en de grootste resultaten van de metingen van het volume met groen. Klopt je hypothese?

ja

nee

Massa is de hoeveelheid materie, uitgedrukt in kilogram (kg) of gram (g). Massa meet je met een balans. Volume is de hoeveelheid ruimte die materie inneemt, uitgedrukt in kubieke meter (m3) of kubieke cm (cm3). Volume meet je op twee manieren. Voor regelmatige voorwerpen, zoals bollen, gebruik je een formule. Voor onregelmatige voorwerpen werk je via waterverdringing: Lees in een maatbeker of maatcilinder het volume van een hoeveelheid water af (V1). Dompel het voorwerp volledig onder water. Lees opnieuw het volume af (V2). Het volume van het voorwerp is gelijk aan het bijkomend volume dat je afleest op de maatbeker (V2 – V1).


9

2 Deeltjesmodel 1 Materie Som zes stoffen op die je ziet in het klaslokaal. Noteer.

Markeer hieronder de voorbeelden die niet opgebouwd zijn uit materie. knikker

verdriet

kast

idee

papier

lucht

parfum

geluk

spuitwater

plat water

Stoffen zijn de bouwstenen van alles rondom ons. Al deze stoffen samen zijn materie. In de wetenschappen gebruik je de term ‘stoffen’ of ‘materie’ in plaats van ‘materialen’. Zowel de levende natuur (dieren, planten, zwammen ...) als levenloze voorwerpen bestaan uit materie. We stellen materie schematisch voor door middel van het deeltjesmodel.

bv. de deeltjes in ijs

bv. de deeltjes in vloeibaar water

bv. de deeltjes in waterdamp

In de module Water(s)nood leer je over de verschillende verschijningsvormen van water en andere stoffen.


10

2 Zuivere stoffen en mengsels Om een knikker te produceren, zijn er verschillende soorten materie nodig. Kwartszand, kalkpoeder en soda worden gemengd, met of zonder andere kleurstoffen. Een knikker is dus een mengsel.

+

=

zuivere stof

zuivere stof

mengsel

Markeer hieronder de mengsels. spuitwater

limonade

lucht

goud

glas

staal

tomatensoep

Zuivere stoffen kom je niet vaak tegen in de natuur. Meestal zijn het mengsels. Zelfs kraantjeswater en flessenwater bevatten nog andere stoffen, zoals mineralen. Wil je echt 100% zuiver water? Dan moet je het demineraliseren. Gedemineraliseerd water wordt vooral gebruikt door wetenschappers.

DOE DE TEST ORIËNTATIE ONDERZOEKSVRAAG: Welk water bereikt het kookpunt het snelst: gedemineraliseerd water,

zout water of gesuikerd water? Noteer je veronderstelling. HYPOTHESE:

VOORBEREIDING BENODIGDHEDEN   3 maatbekers

stopwatch / timer   balans   bunsenbrander   3 x 100 ml gedemineraliseerd water   30 g zout   30 g suiker


11

UITVOERING 1

Breng het gedemineraliseerd water aan de kook. Meet de tijd zorgvuldig met de stopwatch. Noteer de tijd zodra het kookt.

2

Meng in de maatbeker het gedemineraliseerd water met het zout. Breng dit mengsel aan de kook. Meet de tijd zorgvuldig met de stopwatch. Noteer de tijd zodra het zout water kookt.

3

Meng in de maatbeker het gedemineraliseerd water met de suiker. Breng dit mengsel aan de kook. Meet de tijd zorgvuldig met de stopwatch. Noteer de tijd zodra het gesuikerd water kookt.

WAARNEMINGEN

Vul in. 1

Het gedemineraliseerd water kookt na     minuten en      seconden.

2

Het zout water kookt na     minuten en      seconden.

3

Het gesuikerd water kookt na     minuten en      seconden.

REFLECTIE

Kruis aan wat juist is.

Meer zout in het water? Dan wordt het kookpunt Meer suiker in het water? Dan wordt het kookpunt

vroeger   vroeger

later bereikt. later bereikt.

Alles wat bestaat uit één soort materie noemen we een zuivere stof. Een mengsel is een geheel van twee of meer zuivere stoffen samen. Zuivere stoffen en hun mengsels hebben andere eigenschappen. Zo kun je bijvoorbeeld het kookpunt van water veranderen door er zout of suiker aan toe te voegen.

Koper is een makkelijk buigbaar metaal. Het is maar één soort materie, een zuivere stof dus. Tin is een ander metaal, ook een zuivere stof. Wanneer je 10% tin toevoegt aan koper, dan krijg je brons. Brons is dus een mengsel. Het is veel minder buigbaar dan koper, maar wel dubbel zo hard. Kunstenaars werken daarom graag met brons.


12

eken je eigen deeltjesmodel voor koper, tin en brons. T Zorg dat de verhoudingen in het brons correct zijn: 90% koper en 10% tin. koper

tin

+ zuivere stof mengsel

brons

= zuivere stof mengsel

zuivere stof mengsel

Is de stof in elk bovenstaand deeltjesmodel een zuivere stof of een mengsel? Markeer wat juist is. Zuivere stoffen komen niet vaak voor in de natuur. Dat geldt ook voor metalen. We vinden ze in de ondergrond, als mengsel. Om er de zuivere stoffen uit te halen, moet de mens dat mengsel scheiden. Die zuivere stoffen worden dan gebruikt, bijvoorbeeld door kunstsmeden, om ze opnieuw te mengen in gecontroleerde verhoudingen. Net als brons is messing ook een mengsel van koper en tin. De verhoudingen zijn echter anders: 63% koper en 37% tin. Bij jou thuis tref je waarschijnlijk ook messing aan. Je vindt het in de koppelingen van waterleidingen, in deurknoppen, lampen, sieraden, muziekinstrumenten ‌ Een mengsel van metalen (met of zonder niet-metalen) noemen we een legering. Ijzer is bijvoorbeeld een zuivere stof, staal is een mengsel op basis van ijzer en minder dan 2% koolstof. Als je er meer koolstof aan toevoegt, dan krijg je gietijzer; ideaal voor bijvoorbeeld riooldeksels. Markeer de namen van elke zuivere stof in de tekst op deze pagina met geel. Markeer de namen van elke legering in de tekst op deze pagina met groen.


13

3 Dichtheid Op pagina 7 van dit werkkatern onderzocht je de massa en het volume van vier speelgoedballen. Bekijk opnieuw de resultaten. Vergelijk de massa en het volume van de stuiterbal met die van de pingpongbal. Wat valt je op?

Elke materie bestaat uit kleine deeltjes, moleculen. Sommige moleculen zijn groter dan andere moleculen en soms zitten ze dichter bij of verder van elkaar in vergelijking met andere stoffen. Als je het hebt over de afstand tussen de moleculen, dan heb je het over de dichtheid.


14

Teken hieronder het deeltjesmodel van een pingpongbal en een stuiterbal. Ze hebben misschien wel dezelfde grootte (volume), maar hun massa’s zijn heel verschillend. De massa van de pingpongbal is ongeveer 2,7 gram. Bij een stuiterbal is dat vaak 30 gram of meer.

pingpongbal

stuiterbal

Wat doet elke bal als we het in water leggen? Kruis je veronderstellingen aan in onderstaande tabel. HYPOTHESE:

Drijft op water Zinkt in water


15

DOE DE TEST VOORBEREIDING BENODIGDHEDEN

bolletje klei (massa: ongeveer 60 gram)   bak met water   kleine moertjes   zout

UITVOERING A 1

Leg het bolletje klei in een bak met water. Kruis aan.

WAARNEMING

De klei

zinkt

drijft.

kleiner

groter

VERKLARING

De dichtheid van klei is dan die van water. UITVOERING B 1 2

Kneed van hetzelfde bolletje klei een bootje. Leg het bootje van klei in een bak met water. Kruis aan.

WAARNEMING

Het bootje van klei

zinkt

drijft.

De massa

bleef hetzelfde

werd verhoogd.

Het volume

bleef hetzelfde

werd verhoogd.

De dichtheid

werd verlaagd

werd verhoogd.

VERKLARING

Markeer wat juist is.

Door van het bolletje klei een bootje te maken, voeg je geen massa toe. Je vergroot / verkleint het volume van het geheel door het te vullen met een gas: lucht. De dichtheid van lucht is veel lager / hoger dan de dichtheid van klei. Op die manier daalt / stijgt de dichtheid van het geheel. Om te blijven drijven op water, moet de dichtheid van een voorwerp kleiner / groter zijn dan die van water.


16

De dichtheid geeft aan hoeveel massa van een materie aanwezig is in een bepaald volume. Je berekent het door de massa van een voorwerp te delen door het volume. De grootheid van dichtheid wordt uitgedrukt met de Griekse letter rho ( ). De eenheid ervan wordt uitgedrukt in kg/m3. In symbolen drukken we het uit als:

UITVOERING C 1

Vul het bootje met moeren, één per één. Kruis aan.

WAARNEMING

Hoeveel moeren heb je nodig om het bootje te doen zinken?       VERKLARING

De massa werd

verlaagd

verhoogd.

De dichtheid werd

verlaagd

verhoogd.

UITVOERING D 1 2

Voeg 1/3 zout toe aan het water. Vul het bootje opnieuw met moeren, één per één. Kruis aan.

WAARNEMING

Hoeveel moeren heb je nodig om het bootje te doen zinken?       VERKLARING

De dichtheid van het water werd

verlaagd

verhoogd.

Markeer in het besluit wat juist is.

Voorwerpen drijven beter in een vloeistof met een kleinere / grotere dichtheid.


17

Gebruik je metingen van de massa en het volume van de vier ballen op pagina 7 en bereken de dichtheid van elke bal. Noteer elke berekening.

De dichtheid van water is 1000 kg/m3. Dat is hetzelfde als 1 kg/l. Wat doet elke bal dus volgens jouw berekeningen als we het in water leggen?   Noteer de dichtheid van elke bal.   Markeer de dichtheden die kleiner zijn dan die van water.   Kruis aan wat juist is.

Dichtheid

Drijft op water Zinkt in water

Klopt jouw hypothese?

ja

nee


18

4 Stofomzettingen In een mengsel veranderen de deeltjes van de zuivere stoffen niet.

In de module Water(s)nood leer je hoe deeltjes onder invloed van temperatuur in een andere toestand kunnen voorkomen: gas, vloeibaar en vast. Ook daar blijven de deeltjes hetzelfde, alleen verandert hun gedrag. Het kan echter gebeuren dat de deeltjes tòch veranderen. Ze worden omgezet in een nieuwe stof. Een voorbeeld dat je zeker kent, is roest. Als je een ijzeren ketting een aantal weken of maanden in weer en wind buiten laat hangen, dan reageert het ijzer met de zuurstof in de lucht. Er ontstaat roest. Je herkent het gemakkelijk aan de roodbruine kleur.

IJZER

ZUURSTOF

+

ROEST

=

Vergelijk de volumes van ijzer en roest in het deeltjesmodel in het bovenstaande schema. Markeer wat juist is. Het volume van roest is kleiner dan / hetzelfde / groter dan het volume van ijzer.

Een stofomzetting is een reactie waarbij de deeltjes van samenstelling veranderen. Er ontstaat een nieuwe stof. Een stofomzetting kun je onder andere waarnemen door een kleurverandering, geurverandering, smaakverandering, volumeverandering, gasontwikkeling ‌


19

Hoe merk je dat er sprake is van stofomzetting in onderstaande voorbeelden? Noteer.

zure melk

een rotte appel

een brandende lucifer

crème brûlée


20

RUIMTE

2 Speelgoedgrondstoffen 1 Knikkers Het ene balletje is het andere niet en dat geldt zeker voor knikkers. In de ogen van een klein kind is de waardevolste knikker gewoon die knikker die hij of zij het mooist vindt. Hoe waardevol een knikker ĂŠcht is, hangt af van hoe die werd geproduceerd en welke materialen daarbij werden gebruikt. Het basismateriaal is bijna altijd glas. Het hoofdingrediĂŤnt van glas is heel fijn zand (kwartszand). Dat wordt gemengd met kalk (om het glas hard te maken). Dat mengsel wordt dan ook nog eens gemengd met soda (om ervoor te zorgen dat het zand sneller smelt).

+ kwartszand

+ kalk

=

glas

soda


21

Kwartszand wordt ook wel eens wit zand genoemd, of kristalzand. Je vindt het zeker niet overal. Lees het artikel over de zandbaron om te ontdekken waar we het ontginnen en wat daar de gevolgen van kunnen zijn op de omgeving. Lees de tekst. Markeer in de tekst de invloed van de ontginning van kwartszand op het landschap.

Afscheid van de zandbaron Industrieel Stanislas baron Emsens is vrijdag op 91-jarige leeftijd overleden op zijn riant landgoed in Lommel-Stevensvennen. In de Antwerpse en Limburgse Kempen, de streek rond Mol en Lommel, werd de man “de zandbaron” genoemd. Onder zijn leiding groeide het witzandbedrijf SCR-Sibelco uit tot de wereldwijde marktleider in de sector van mineralen. De streek zelf onderging door de zandontginning een metamorfose: hei en bossen maakten plaats voor enorme waterplassen die jaarlijks duizenden recreanten aantrekken.

(…) De familie Emsens bouwde een imperium uit, gefundeerd op zand. Geen los zand, maar het bijzonder zuivere wit zand of kwartszand dat in de Kempen rijkelijk in de ondergrond zat. De eerste ontginningen dateren al van 1872 en vonden plaats in het gehucht Stevensvennen, op de grens van Mol en Lommel.

(…) De zandontginning door Sibelco heeft het huidige aanschijn van de streek sterk bepaald. Mol, Lommel en Dessel tellen nu tientallen waterplassen die ontstonden na de ontginning van het zand. De bekendste zijn het provinciaal domein Zilvermeer en het recreatiedomein Sunparks Kempense Meren. “De regio heeft met zijn wit zand niet alleen voor het bedrijf veel betekend”, zegt burgemeester Rotthier. “De streek zelf is er ook fraaier uitgekomen dan ze oorspronkelijk was. Op alle plaatsen waar Sibelco industriële activiteiten heeft verricht, investeerde het bedrijf nadien veel in natuurbehoud. De eentonige dennenbossen die er vroeger stonden, hebben plaatsgemaakt voor prachtige natuur. De waterrecreatie is een grote trekpleister. Voor het toerisme in de streek is Emsens dus erg belangrijk geweest.” (…) Uit: Gazet van Antwerpen, 23 Jan. 2018


22

Bekijk de foto’s aandachtig. In je atlas en via Google Maps of Google Earth kun je heel wat informatie vinden over deze grondstof. Vul daarna onderstaande tabel in.

Wat?

Aan welke grondstof kun je de knikker linken?

Hoe zie je in het landschap dat er grondstoffen worden ontgonnen?

Kruis aan. Ontgint men dit in België?

Waar?

Waar ontgint men dit buiten België?

Op welke atlaskaart(en) lees je dit af? Noteer de pagina en de titel van de kaart.

ja

nee


23

WIST-JE-DAT

Zandwinning in de Belgische Noordzee Locaties voor zandwinning op land zijn steeds moeilijker te vinden. Zeezand is een goed alternatief. Baggerschepen verzamelen dat zand van op de zeebodem. De bouwsector gebruikt vaak zeezand voor beton, asfalt, metselmortel en funderingen of ophogingen. Daarnaast spuit men de Belgische stranden vaak op als een vorm van zeewering. Zo blijft de kust bij zware stormvloeden beschermd tegen overstromingen. © naar www.kustvisie.be –Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie.

Op pagina 20 zag je dat glas wordt gemaakt van kwartszand, kalk en soda. Die drie grondstoffen zijn dus ook de basisingrediënten van knikkers. De kleuren in een knikker ontstaan door het verwerken van gekleurd glas tussen het blank glas. Waar komt die kleur in het glas vandaan, denk je? Noteer je veronderstelling. HYPOTHESE:

Bekijk het filmfragment van Willem Wever. ja nee Klopt je hypothese?

De grondstof van een product is het onbewerkte materiaal dat dient als basis voor dat product.


24

Wat zijn de benodigdheden voor gekleurd glas? Kruis aan.

vilt

goud

koper

inkt

lood

zilver

zink

chroom

ijzer

koolstof

polyethyleen

bio-ethanol


25

2 Petanqueballen Petanque lijkt sterk op knikkeren. De ballen zijn gewoon wat groter en zwaarder. Ze zijn namelijk van metaal. Of om helemaal juist te zijn: van staal. taal is een mengsel van ijzer en koolstof. Onderstreep die grondstoffen S op de vorige pagina. Koolstof vind je bijna overal in de wereld, maar ijzererts is wat moeilijker te vinden. Na het ontstaan van de aarde zat er veel ijzer in de oceanen. Een groot deel daarvan reageerde met zuurstof (roest!) waardoor al dat ijzer zich op de oceaanbodems ophoopte. Dat ijzer vind je nu meestal geconcentreerd in heel oude gesteenten. Of het werd verplaatst door magma en lava in de loop van miljoenen jaren. In je atlas vind je nog plaatsen waar ijzererts wordt ontgonnen. In de stad Malmberget in Zweden haalt men ijzererts uit de grond. In België graven we al lang niet meer naar ijzererts, maar we zijn wel nog steeds actief in de staalindustrie. Bekijk de filmpjes en vul daarna onderstaande tabel in. Zoek via Google Maps of Google Earth het stadje Kiruna op, ook in Zweden.

Wat?

Aan welke grondstof kun je de petanquebal linken?

Hoe zie je in het landschap dat er grondstoffen worden ontgonnen?

Kruis aan. Ontgint men dit in België?

Waar?

Waar ontgint men dit buiten België?

Op welke atlaskaart(en) lees je dit af? Noteer de pagina en de titel van de kaart.

ja

nee


26

3 Pingpongballen Kunststoffen (of plastics) zijn stoffen die door de mens werden bedacht en gemaakt. Van hard tot zacht, zwaar of licht ‌ Er zijn tal van soorten, in alle maten en vormen. Wat hebben ze gemeen? Ze zijn bijna allemaal gemaakt van aardolie. Bijna, want ze worden steeds vaker gemaakt van suikerbiet, suikerriet, maïs en zelfs aardappelschillen! De grondstof van de meeste eindproducten uit kunststof blijft echter aardolie. Miljoenen jaren geleden werden miljarden zeealgen en zeediertjes na hun dood onder hoge druk en hoge temperaturen samengeperst tot aardolie. We vinden aardolie dus in de zeebodem, maar ook onder stukken land die ooit onder de zeespiegel lagen. Bekijk de illustraties, de foto’s en het filmpje over jaknikkers en booreilanden. Vul daarna de tabel in op de volgende pagina.

Op zee legt men boorplatformen aan om de aardolie aan te boren en daarna op te pompen.

Op land werkt men eerst met een boortoren om te graven tot op de diepte waar de aardolie zich bevindt. Daarna wordt het naar boven gepompt, bijvoorbeeld met een jaknikker.


27

Wat?

Aan welke grondstof kun je de pingpongbal linken?

Hoe zie je in het landschap dat er grondstoffen worden ontgonnen?

Kruis aan. Ontgint men dit in BelgiĂŤ?

Waar?

Waar ontgint men dit buiten BelgiĂŤ?

Op welke atlaskaart(en) lees je dit af? Noteer de pagina en de titel van de kaart.

ja

nee


28

4 Stuiterballen Rubber wordt gewonnen uit rubberbomen. Wanneer de boom vijf à zes jaar oud is, kan men beginnen met oogsten. Om de twee dagen maakt men een snede in de bast van de rubberboom. Op twee dagen tijd druppelt daar ongeveer 100 gram sap (latex) uit. Uit dat sap haalt men de rubber. Maar liefst 90% van de wereldwijde productie gebeurt in Azië. De top 3 van de productielanden zijn Thailand, Indonesië en Maleisië. In die landen zijn geen grote bedrijven actief. De rubberproducenten zijn vrijwel allemaal kleinschalige rubberboeren. We kunnen ook rubber maken uit aardolie. Dat noemen we synthetisch rubber.

Bekijk het filmpje. Vul daarna de tabel in.

Wat?

Aan welke grondstof kun je de stuiterbal linken?

Hoe zie je in het landschap dat er grondstoffen worden ontgonnen?

Kruis aan. Ontgint men dit in België?

Waar?

Waar ontgint men dit buiten België?

Op welke atlaskaart(en) lees je dit af? Noteer de pagina en de titel van de kaart.

ja

nee


29

6 Grondstoffen ontginnen 1 Waar vinden we onze grondstoffen? aardkorst mantel buitenkern binnenkern

De grondstoffen voor knikkers, petanque-, pingpong- en stuiterballen vinden we allemaal in de aardkorst of lithosfeer. De aardkorst is opgebouwd uit ongeveer 2 meter bodem, met daaronder 10 tot 70 kilometer ondergrond. In groeves en oude berglandschappen kun je de structuur van de aardkorst bestuderen. In de bodem tref je nog heel wat leven aan, zoals plantenwortels. In de ondergrond niet. Duid op de illustratie de grens aan tussen bodem en ondergrond. Uit welke laag halen we onze grondstoffen? Kruis aan. bodem

ondergrond

Markeer in de tekst het verschil tussen de bodem en de ondergrond.


30

2 Hoe ontginnen we grondstoffen? Welke grondstoffen worden hier ontgonnen? Vul in. Kies uit: rubber, aardolie, zand en ijzererts.

3 Wat als de grondstof uitgeput is? Hiernaast vind je vier teksten over plaatsen waar de mens alles uit de ondergrond haalde wat eruit te halen viel. Markeer in de teksten welke nieuwe bestemmingen deze plaatsen kregen.


31

Viconia Kleiputten in Veurne Na de Tweede Wereldoorlog dolf men steenbakkersklei op in de zone tussen de Viconiahoeve en de IJzer. Zo ontstonden zes ondiepe kleiputten.

Natuurbeschermers konden samen met de plaatselijke bevolking verhinderen dat de kleiputten volgestopt werden met huishoudelijk afval.

Hotel in verlaten steengroeve in China Net buiten Shanghai ligt een negentig meter diepe verlaten steengroeve. Nu is er een hotel gebouwd tegen de wand van de groeve. De twee onderste verdiepingen zitten zelfs onder water. Het hotel telt 337 kamers en biedt een uniek uitzicht en activiteiten zoals rotsklimmen.

In 1981 werd het gebied als natuurreservaat erkend en beschermd.

Afvalstortplaats in Napels De Italiaanse regering besliste in 2008 om een vroegere steengroeve in Chiaiano, een buitenwijk van Napels, in gebruik te nemen als afvalstortplaats. In het zuiden van ItaliĂŤ heerste toen een afvalcrisis.

De regering had het plan om er zo’n 700.000 ton afval in te storten. Er waren eigenlijk te weinig afvalverbrandingsovens in het gebied. Daarnaast haalde men het afval niet gescheiden op, waardoor recycleren moeilijk was.

Het Zilvermeer in Mol In dit gebied ligt heel fijn wit zand. Al sinds 1860 ontgint men het zand voor de industrie. Al die zandwinningsputten leidden tot een spontane groei van het toerisme.

De gemeente Mol legde al in 1947 een zwemstrandzone aan en tien jaar later werkte de provincie dat verder uit tot een waterrecreatiedomein: Het Zilvermeer. Je kunt er ook overnachten op de camping.


32

7 Grondstoffen transporteren 1 Te land, ter zee of in de lucht?

Stel, je bent gek op petanque en je hebt het plan om veel geld te verdienen door het spel opnieuw hip te maken, bijvoorbeeld met gepersonaliseerde ballen van hoge kwaliteit die je zelf maakt in je eigen fabriek, bij jou in de buurt. Hoe begin je eraan? Blader even terug naar pagina 25. Maak een keuze voor de herkomst van je belangrijkste grondstof. Uit welk land importeer je het ijzererts? En hoe transporteer je dat ijzererts zo goedkoop mogelijk tot bij jouw fabriek?


33

Duid aan op de kaart: Markeer de nulmeridiaan in het groen. Markeer de evenaar in het rood. Zet een kruisje op BelgiĂŤ. Kleur het land van de ijzerertsmijn van jouw keuze. Teken een pijl die de route van het ijzererts voorstelt.


34

Aardolie, elektriciteit, zand, ananassen, aardgas, televisietoestellen, boeken, bananen, sinaasappelsap en grint: al die goederen worden het liefst zo goedkoop mogelijk vervoerd. Noteer onder elk kader één grondstof of één product dat meestal met zo’n transportmiddel wordt vervoerd. Bespreek.


35

2 De gevolgen van al dat transport op de mens 2.1 Fileleed Er worden meer grondstoffen en producten vervoerd dan je denkt, ook bij jou in de buurt. Voer de opdrachten uit. 1

Markeer op de kaart op pagina’s 36 en 37 de wegen die volgens jou het drukste verkeer hebben met blauw. 2 Luister naar de jongste verkeersinformatie op www.radioplus.be of bekijk de actuele verkeerssituatie in Vlaanderen via www.verkeerscentrum.be. 3 Wat betekenen de kleuren op de website www.verkeerscentrum.be? Verbind de kleur met de juiste verkeerssituatie. groen oranje rood 4

stilstaand verkeer

vertraagd verkeer

vlot verkeer

Markeer op de kaart de wegen die op dit moment het drukste verkeer hebben met rood.

Klopt je hypothese uit punt a?

ja

nee


36

ke el

d id u ie

w

t or

po

e

nn

Pa

40

Diksmuide

Beauvoorde

Roeselare

E 403

e

st ei -H e ke ok gg Kn bru ge e r Ze be n n ke aa H e an e en Bl D ed de Br n e t os e O rk

M N D

Damme Brugge

E

Veurne

Sluis E 34

Eeklo Gent

Tielt E

Ieper

A 19 Menen

Kortrijk

17

E4

E

Laarne

0

17

Dend Aalst

Oudenaarde Geraardsbergen

H

9 E 42

Doornik E 19

Mons

B


37

E

2

19

A1

Hoogstraten Turnhout

dermonde Grimbergen

Lommel

Olmen

Averbode Diest

Achel

Peer Houthalen-Helchteren E 31 4 Bokrijk Hasselt Bilzen

Leuven Zoutleeuw Sint-Truiden Heverlee Tienen Tongeren

E3 13

Binche

Mol

Tongerlo

Mechelen

Brussel

Kasterlee

25

Lier

Bornem

Halle

4 E 3Lichtaart

Voeren

Waterloo Wavre

Nivelles

Luik Villers-la-Ville E 42

Charleroi

Floreffe

Huy Namen

E 40 E

Esneux

42

Malmedy

Modave Spontin

Eupen

Spa

Stavelot Durbuy Trois-Ponts

1 E 41

Rendeux

E 25

Yvoir

E

Antwerpen

Postel


38

2.2 Geluidsoverlast Geluidssterkte in decibel (dB) 150 dB

Oorlog! Je vuurt je geweer af terwijl de bommen rond je ontploffen.

140 dB

Je staat op de eerste rij tijdens een prachtig vuurwerk.

130 dB

Iemand roept in je oor dat het een geweldig concert is! Je oren doen pijn.

120 dB

De brandweerwagen raast je voorbij.

110 dB

Een straatwerker breekt het voetpad open met een drilboor.

100 dB

De groendienst gaat een boom te lijf met een kettingzaag.

90 dB

Je staat voor de slagbomen. De trein raast voorbij.

80 dB

Je rijdt met je fiets langs een drukke weg.

70 dB

Je vader stofzuigt terwijl jij naar tv wilt kijken.

60 dB

Je leerkracht geeft enthousiast les.

50 dB

Je zit gezellig te praten met een vriend.

40 dB

Een klasgenoot fluistert je iets grappigs toe.

30 dB

Je denkt dat je iemand hoort praten in de bibliotheek.

20 dB

De bladeren van een boom ritselen in de wind.

10 dB

Je hoort je glas spuitwater bruisen.

WIST-JE-DAT

Een stijging van tien decibel betekent dat het geluid tien keer sterker wordt. Dertig decibel betekent dus tien keer meer geluid dan twintig decibel, en dus ook honderd keer meer geluid dan tien decibel. Zo’n schaal noemen we een ‘logaritmische schaal’. Een ander voorbeeld is de schaal van Richter. Hierover leer je meer in de module Spannende Gebieden.

Waar in Vlaanderen is er volgens jou de grootste geluidssoverlast? Noteer je veronderstelling. HYPOTHESE:

Ga naar www.geopunt.be. In de categorie ‘Welzijn, gezondheid en gezin’ vind je de informatie over ‘Milieu en gezondheid’. Vink de opties geluidsbelasting wegverkeer, spoorverkeer en luchtverkeer aan (met de vermelding Lden). Hoe wordt de geluidsbelasting aangeduid op die kaart? Kruis aan. (Tip: klik op legende.) met cijfers

met tekst

met pictogrammen

met een kleurenlegende

Klopt je hypothese?

ja

nee

Onderzoek je eigen provincie. Arceer op de kaart op pagina’s 28 en 29 de gebieden met een hoge geluidsbelasting.


39

2.3 Luchtvervuiling Ga naar www.curieuzeneuzen.be. Daar lees je onder andere over stikstofdioxide (NO2). Wat is stikstofdioxide? Kruis aan. rook

roet

ozon

vloeistof

gas

fijn stof

Wat veroorzaakt de grootste NO2-uitstoot? Noteer.

Noteer twee gevolgen van te veel NO2 in de atmosfeer.

Onderzoek je eigen regio. Kleur op de kaart op pagina’s 36 en 37 de gebieden met een hoge NO2-concentratie donkergrijs. Noem één plaats in de buurt van je school met een goede luchtkwaliteit: slechte luchtkwaliteit:


40

2.4 De situatie in onze regio Wat besluit je over jouw regio na het voeren van de drie onderzoeken? Over het verkeer In één woord: Geef jouw regio een score. Markeer. stapvoets

1

2

3

4

.

5

6

7

8

9

10

verkeersvrij

Over het geluid In één woord: Geef jouw regio een score. Markeer. oorverdovend

1

2

3

4

.

5

6

7

8

9

10

onhoorbaar

Over de lucht In één woord: Geef jouw regio een score. Markeer. verstikkend

1

2

3

4

.

5

6

7

8

9

10

zuiver

Bekijk aandachtig de gegevens op de kaart op pagina’s 36 en 37. Welk verband merk je op tussen verkeersdrukte, lawaai en luchtvervuiling? Noteer in een zin.

Zoek in je atlas naar de kaarten met informatie over de bevolkingsdichtheid en industrie in België. Vergelijk die kaarten met jouw eigen gemaakte kaart op pagina’s 36 en 37. Wat valt je op? Noteer.


41

3 Op weg naar groenere mobiliteit Lees het artikel en markeer de antwoorden in de tekst. 1

Wat is groene mobiliteit? Markeer met groen.

2

Markeer drie voorbeelden van groene mobiliteit met geel.

3

Waarom worden momenteel nog zo weinig elektrische wagens verkocht? Markeer met blauw.

4

Welke drempels ervaren pendelaars bij het nemen van het openbaar vervoer? Markeer met roze.

Belg wil groenere mobiliteit, maar wacht op de overheid Zeven op de tien Belgen vinden groene mobiliteit belangrijk, maar het is maar een kleine minderheid die al begonnen is zijn gedrag aan te passen. Reden? We verwachten dat de overheid en het bedrijfsleven het voortouw nemen. 88 procent van de gezinnen heeft een auto, 30 procent zelfs meer dan één. Maar gevraagd naar hun intenties, zeggen heel wat Belgen dat ze van plan zijn om zich binnen de drie jaar ecologischer te verplaatsen. Een kwart zegt vaker te gaan fietsen naar het werk, één op de vijf is van plan om vaker het openbaar vervoer te nemen en een op de drie wil een ecologische of elektrische wagen kopen.

De resultaten komen uit een bevraging bij 1.500 Belgen door AG Insurance, de grootste verzekeraar in ons land, en mobiliteitsclub Touring. “Er is duidelijk een toenemend klimaatbewustzijn en dat weerspiegelt zich ook in de visie van de Belgen op mobiliteit”, zegt Edwin Klaps, directeur Non-Life bij AG Insurance. Toch blijven er drempels: bij elektrische wagens is dat de prijs en de beschikbaarheid van laadpalen, bij het openbaar vervoer is dat de stiptheid en de bereikbaarheid. Daarvoor kijken Belgen nadrukkelijk naar de overheid (70 procent) en de bedrijven (72 procent). (kba) © Het Nieuwsblad


42

3.1 Mobiliteit en milieu We verbruiken met z’n allen heel wat brandstof. De gevolgen daarvan zijn niet eenvoudig uit te leggen. Daarom werken jullie samen op de volgende pagina’s. Elke groep lost met behulp van een of meer bronnen een vragenreeks op. Daarna leggen jullie het nog eens uit aan elkaar. Lees eerst de vragen. ATMOSFEER 1

Wat is de atmosfeer? Noteer.

2

Welke gassen bevat de atmosfeer? Noteer.

3

Welk gas is procentueel het meest aanwezig in onze atmosfeer? Noteer.

De atmosfeer bestaat uit een laag gassen die een planeet omhult. Wij hebben in onze atmosfeer, de dampkring, een heel klein percentage gassen met speciale eigenschappen: waterdamp, koolstofdioxide, methaan, lachgas en ozon. Die spelen een grote rol.

21%

zuurstofgas (O2)

78%

stikstofgas (N2)

1%

- edelgassen zoals argon (Ar) en helium (He) - broeikasgassen zoals koolstofdioxide (CO2) methaan (CH4), waterdamp (H2O) en lachgas (N2O) - ozon (O3)


43

FOSSIELE BRANDSTOFFEN 1

Wat zijn fossiele brandstoffen? Noteer.

2

Geef drie voorbeelden van fossiele brandstoffen. Noteer.

3

Geef twee voorbeelden van niet-fossiele brandstoffen. Noteer.

4

Hoeveel procent van de energieproductie wordt opgewekt door fossiele brandstoffen? Noteer.

DRUK EN HITTE

TIJD

Wanneer je een motor laat werken met fossiele brandstoffen, dan maak je eigenlijk gebruik van ontelbaar veel dode planten of zeedieren. Miljoenen jaren geleden bestonden onze gebieden uit moerassen en dichte bossen. Toen die planten stierven, werden dit veenlagen. Veen is dus een grondsoort, gevormd door afgestorven plantenmateriaal. Als zulke veenlagen bedekt worden door andere bodemlagen en niet gewoon kunnen rotten, dan kunnen ze onder hogere druk in bruinkool veranderen. Dat trage proces heet fossilisatie. Nog meer druk en hitte leveren steenkool op.


44

Als zeediertjes doodgaan, zinken ze naar de zeebodem. Als de bodem bedekt raakt door andere lagen, kan die laag vol dode zeediertjes niet rotten. Onder hoge druk en onder hoge temperaturen fossiliseren ze om dan na lange tijd aardolie of aardgas te worden. In elk levend wezen zitten veel koolstofatomen. Fossiele brandstoffen zoals aardolie en aardgas waren ooit levende wezens en bevatten dus veel koolstof, net als hun afgeleide producten (diesel, benzine, stookolie, kerosine, CNG, LPG ‌)

TIJD


45

HET BROEIKASEFFECT 1

Voor welke gemiddelde temperatuur zorgt het natuurlijk broeikaseffect op onze planeet? Noteer.

2

Hoeveel graden zou het zijn op aarde zonder het natuurlijk broeikaseffect? Noteer.

3

Op welk broeikasgas legt men de nadruk in het fragment? Noteer.

4

Waar komt dat broeikasgas vandaan? Noteer.

5

Hoeveel graden mag de gemiddelde temperatuur nog stijgen vooraleer we diep in de penarie zitten? Noteer.

Het natuurlijk broeikaseffect Bekijk het filmpje ‘Climate Challenge: Het natuurlijk broeikaseffect’ Het versterkt broeikaseffect Broeikasgassen hebben hun naam niet gestolen. Zoals een broeikas (of serre) houden ze de warmte die de aarde uitstraalt vast. Bekijk het filmpje ‘Climate Challenge: Het versterkt broeikaseffect’


46

VERBRANDING 1

Als er één eenheid koolstof in de biosfeer zit, hoeveel eenheden zitten er dan ... in de oceanen?

in de atmosfeer?

2

Op welke manieren verstoort de mens die natuurlijke cyclus? Noteer.

3

Som drie redenen op waarom we fossiele brandstoffen verbranden. Noteer.

4

Hoe zorgt de mens ervoor dat er steeds minder koolstofdioxide uit de atmosfeer kan verdwijnen? Noteer.

5

Wat is het aandeel van transport en industrie in de totale uitstoot van broeikasgassen? Noteer.


47

Bekijk ‘Climate Challenge: Wat is de koolstofcyclus?’ In het filmpje worden enkele termen gebruikt die je misschien nog niet kent: - atmosfeer: de laag gassen die de aarde omhult - biosfeer: het gedeelte van de aarde waar leven mogelijk is Uitstoot broeikasgassen per sector

10%

overig energieverbruik

25%

energieopwekking

14%

transport

24%

24%

industrie

land- en bosbouw

6%

gebouwen © www.energievergelijk.nl


48

SAMENGEVAT

Onderstaand schema legt uit hoe onze atmosfeer wordt beïnvloed door de massale verbranding van fossiele brandstoffen en de uitstoot van broeikasgassen. Vul de afbeelding aan met de juiste termen:

Vul de afbeelding aan met de juiste termen: • reflectie •• Reflectie versterkt broeikaseffect •• infrarood Versterkt broeikaseffect • Infrarood • licht en warmte • Licht en warmte •• absorptie Absorptie natuurlijkbroeikaseffect broeikaseffect •• Natuurlijk

Duid in de wolkjes de broeikasgassen aan met hun afkorting:

Duid wolkjes de broeikasgassen aan: • CO2inofde koolstofdioxide: wordt uitgestoten door levende wezens, • CO2 wordt uitgestoten door levende wezens, brandstoffen. maarofinkoolstofdioxide: versterkte mate door het verbranden van fossiele in methaangas: versterkte mateontstaat door het bij verbranden vanvan fossiele brandstoffen • maar CH4 of de afbraak organische stoffen, ook bij bosbranden, • CH4 of methaangas: ontstaat bij de afbraak van organische stoffen, ook bij bosbranden, maar wordt versterkt door de gassen die runderen uitstoten in bijvoorbeeld maar wordt versterkt door de gassen die runderen uitstoten in bijvoorbeeld melkveebedrijven melkveebedrijven en door temperatuurstijgingen in het poolgebied. en door temperatuurstijgingen in het poolgebied. N2O of ofdistikstofoxide: distikstofoxide: wordt uitgestoten de bodem en oceanen, maar in versterkte •• N2O wordt uitgestoten doordoor de bodem en oceanen, mateindoor onze landbouw en meststoffen. maar versterkte mate door onze landbouw en meststoffen.

1

2

1

2

3.2 Duurzaam transport: een uitdaging, voor iedereen! Oma staat op het punt een nieuwe auto te kopen. Omdat ze haar kleinkinderen vaak naar de muziekschool, het voetbal, de zwemles, naar school … brengt, vraagt ze hen om advies. Eigenlijk wil oma graag een grote jeep, met dikke banden en een luide motor. Haar kleinkinderen willen haar echter overtuigen om een hybride of een elektrische wagen te kopen. Noteer kort vijf argumenten die ze kunnen gebruiken om hun oma van mening te doen veranderen.


49

Ga op zoek naar de ideale auto voor oma. Vul in. Model? Waarop rijdt deze wagen? Kruis aan. waterstof

elektriciteit

diesel

benzine

Aankoopprijs? Koolstofdioxide-uitstoot? Gemiddeld verbruik? Wat is de langste afstand die je kunt rijden zonder extra te tanken of op te laden? Zijn er nog redenen waarom je deze wagen aanraadt? Noteer kort.

cng


50

TECHNIEK

5 Een knikker in beweging 1 De transportmogelijkheden van een knikker We willen een knikker transporteren van punt A naar punt B, en dit binnen de snelste tijd. Gebruik het vragenmachientje om een goede onderzoeksvraag te formuleren. Noteer.

I N P U T IS DE VRAAG NUTTIG?

IS HET EEN OPZOEKVRAAG?

IS HET SLECHTS ÉÉN VRAAG?

IS DE VRAAG DUIDELIJK?

KUN JE HET ONDERZOEKEN?

O U T P U T

ONZE VRAAG:


51

Welke mogelijkheden zie jij om een knikker zo snel mogelijk van punt A naar punt B te brengen? Noteer. >

>

>

KNIKKERTRANSPORT

>

>

>

>

>

Noteer je ideeĂŤn in de volgende kolommen. mens (spierkracht)

voorwerp

machine


52

2 Aandrijving en energie Je weet dat er tal van transportmiddelen bestaan. We verplaatsen ons over land, op zee, in de lucht, in de ruimte … Maar hoe worden die transportmiddelen aangedreven?

In de Van Dale staan verschillende betekenissen van het werkwoord ‘aandrijven’. Welke betekenis is van toepassing op transport? Markeer. Bij het woord ‘aandrijving’ staat er een opsomming van verschillende samenstellingen met dat woord. In die opsomming kun je ook enkele energiebronnen ontdekken. Markeer de energiebronnen.

2.1 Brandstoffen Je kunt niet zomaar van brandstof wisselen. Elke motor is gemaakt om te werken met één bepaalde brandstof. Dat leidde vroeger wel eens tot problemen. Als je als Vlaamse toerist in Frankrijk bijvoorbeeld niet wist dat ‘diesel’ in het Frans ‘gazole’ wordt genoemd, dan was de kans reëel dat je verkeerd tankte. In Spanje wordt het woord ‘gasolina’ dan nog eens gebruikt om gewone benzine te benoemen. Er was dus regelmatig verwarring, over heel Europa. Heel wat auto’s werden op die manier onbruikbaar. Sinds 2018 hebben we, dankzij de Europese Unie, een duidelijke benaming voor elke soort brandstof. Diesel werd B7, Euro95 werd E10, Euro98 werd E5 …


53

Lees de tekst op de website en vul aan: .

De codes in de ronde vormen verwijzen naar

.

De codes in de vierkante vormen verwijzen naar .

De codes in de ruitvormen verwijzen naar

Stel: jullie willen met het hele gezin naar de Ardennen. Geef drie transportmiddelen waarmee jullie daar kunnen geraken. Schrijf die in de linkerkolom en vul de tabel verder aan. transportmiddel

aandrijving

energiebron

reistijd

1 2 3

Stel: jullie willen met het hele gezin naar de Costa del Sol, in Spanje. Ga op dezelfde manier te werk. transportmiddel

aandrijving

energiebron

reistijd

1 2 3

Markeer in elk van de bovenstaande tabellen het snelste transportmiddel. Welk transportmiddel is het meest duurzaam om naar de Ardennen te gaan? Noteer.

Leg uit.

Welk transportmiddel is het meest duurzaam om naar Spanje te gaan? Noteer.

Leg uit.


54

Je kent zeker een viertal volwassenen die regelmatig hun voertuig moeten voltanken of opladen om van A naar B te geraken. Ga na welke energiebronnen ze gebruiken. Vul het overzicht aan. Wie?

voertuig

energiebron

E5 E10 B7 LPG elektrisch iets anders:

E5 E10 B7 LPG elektrisch iets anders:

E5 E10 B7 LPG elektrisch iets anders:

E5 E10 B7 LPG elektrisch iets anders:


55

Brandstoffen slaan we op in een tank die in of onder de auto wordt bevestigd. Tanks voor vloeibare brandstoffen hangen meestal onder de auto. Tanks voor gas vind je meestal ingebouwd in de bagageruimte. Als we het over brandstoffen hebben, in vloeibare vorm of gasvorm, dan hebben we het bijna altijd over fossiele brandstoffen. Je weet hoe die zijn ontstaan. Je kent de negatieve gevolgen van het verbranden ervan. Je weet echter ook dat we ze nodig hebben. De energie die vrijkomt bij het verbranden van de brandstoffen gebruiken we om mechanische bewegingen te creëren, om onder andere onze voertuigen ‘aan te drijven’.

2.2 Energieomzettingen De motor in een auto dient in de eerste plaats om de auto in beweging te brengen. Het enige doel is het omzetten van brandstof naar bewegingsenergie. Er wordt echter ook een andere energievorm opgewekt: warmte. Die gaat gewoon verloren. Meer zelfs, om de hitte in de motor te beperken, moet er een koelsysteem worden geïnstalleerd. Auto’s bestaan uit honderden onderdelen die langs elkaar heen bewegen en tegen elkaar wrijven. Denk maar aan de motor, het aandrijvingssysteem, de versnellingsbak … Die onderdelen worden daarom gesmeerd of voorzien van vetten. Dan loopt alles een beetje soepeler. Als je dat niet doet, dan wordt de wrijving groter en gaat er meer energie verloren.

We verliezen energie door: het omzetten van de ene energievorm naar de andere; wrijving.


56

2.3 Elektriciteit In elektrische voertuigen wordt de elektriciteit niet opgewekt, maar opgeslagen in een of meerdere batterijen. Benoem op onderstaande illustratie waar de elektriciteit vandaan komt.

In de meeste gevallen wekken we elektriciteit op door beweging. Daarvoor heb je een opgewikkelde koperdraad nodig, een spoel. Als je er een magneet langs beweegt, dan loopt er elektrische stroom door die spoel. Op een oudere fiets is het bijvoorbeeld waarschijnlijk dat je er aan de buitenkant een dynamo op aantreft. Die draait rond wanneer de fiets in beweging is en als die tegen het wiel leunt.

klassieke dynamo

naafdynamo


57

In een elektriciteitscentrale zit ook een dynamo, maar dan veel groter. Zet een pijl bij de dynamo in elk van onderstaande afbeeldingen. dynamo van een waterkrachtcentrale

dynamo in een windturbine

dynamo in een kern- of STEG-centrale (stoom en gas)


58

Hoe werkt een dynamo? Analyseer de tekening en bespreek de werking van een dynamo met behulp van de begrippen.

magneet

spoel

geleider

In een dynamo zetten we beweging om in elektrische energie door middel van een spoel en een magneet.


59

Hoe werkt een elektromotor? De structuur van een dynamo en die van een elektromotor zijn bijna identiek. Het verschil is dat bij een elektromotor het omgekeerde gebeurt. Elektriciteit wordt namelijk omgezet in beweging.

DOE DE TEST EXPERIMENT 1

Twee elektromotoren met wieken zijn met elkaar verbonden. Wat gebeurt er? Kruis aan. Ze draaien allebei.

Er gebeurt niets.

Breng de wieken van elektromotor 1 handmatig in beweging. Wat gebeurt er? Zet een pijl bij motor 2 om de draairichting van de wieken aan te duiden.

Motor 1

Motor 2

EĂŠn motor draait. Breng de wieken van elektromotor 2 in beweging. Wat gebeurt er? Zet een pijl bij motor 1 om de draairichting van de wieken aan te duiden.

Motor 1

Motor 2

Welke elektromotoren in bovenstaande tekeningen produceren stroom? Markeer ze. Vul in.

Een elektromotor kun je ook gebruiken als

.


60

EXPERIMENT 2

Wat gebeurt er wanneer je de wieken in de andere richting draait? Zet telkens een pijl bij motor 2.

Motor 1

Motor 2

Motor 1

Motor 2

Markeer wat juist is.

Het is mogelijk / onmogelijk om elektriciteit van richting te doen veranderen.

De stroombronnen die wij het vaakst gebruiken, zijn geen dynamo’s, maar stopcontacten en batterijen. De meeste motoren die wij dagelijks gebruiken, zijn zo ontworpen dat ze maar in één richting kunnen draaien. Het maakt niet uit hoe je de stekker in het stopcontact steekt, de haardroger zal altijd blazen, niet zuigen. De stofzuiger zal altijd zuigen, niet blazen. Bij motoren en batterijen werkt het iets anders. In de meeste toestellen is het meestal snel duidelijk hoe je de batterij moet installeren dankzij de aanduiding van de plus- en de minpool. In toestellen op batterijen is het dus belangrijk dat de stroomrichting van de elektriciteit meteen goed zit. De elektrische stroom gaat van het deeltje dat uitsteekt (de pluspool) via het toestel naar de andere kant van de batterij (de minpool). Duid de richting van de elektrische stroom aan op de tekening. Deze constructie noemen we een gesloten stroomkring: een stroombron (batterij) die via twee geleiders (stroomkabels) verbonden is met een verbruiker (lamp).


61

Van kleine horlogebatterijen tot zware autobatterijen, ze werken allemaal op dezelfde manier. Sommige toestellen gaan stuk als je de batterij verkeerd aansluit. Dat is bijvoorbeeld het geval bij autobatterijen. Bij kleine elektromotoren is dat gelukkig niet het geval. We kunnen er gerust mee experimenteren. EXPERIMENT 3

Duid de draairichting van de wieken aan bij de motoren met een gesloten stroomkring.

Markeer wat juist is.

De motor zal enkel draaien wanneer de stroomkring gesloten / open is. De draairichting van sommige motoren wordt bepaald door de polen van de batterij.

Stroomkringen worden nooit uitgetekend zoals hierboven. Dat is tijdrovend en niet overzichtelijk. Daarom werken we met schema’s.

stroombron (bv. batterij)

geleider

verbruiker (bv. motor)


62

3 Overbrengingen Uit het experiment op de vorige pagina leidden we af dat je de draairichting kunt veranderen door de geleiders in de gesloten stroomkring te wisselen. Je kunt de draairichting ook op andere manieren wijzigen. In de onderstaande toestellen verandert men de draairichting op een andere manier ĂŠn vergroot of verkleint men de kracht en de snelheid van de beweging.

3.1 Soorten overbrengingen Een cement- of betonmolen wordt aangedreven door een motor. De tanden dienen om de molen rond zijn as te doen draaien.

Een blikopener wordt met de hand aangedreven. De tanden dienen om het snijwiel te doen draaien.

De versnellingsbak van een auto zorgt ervoor dat we de snelheid van de auto kunnen regelen (eerste, tweede, derde ‌ versnelling). We kunnen er ook de rijrichting mee bepalen (voor- of achteruit).


63

Om de snelheid of de draairichting van een beweging aan te passen, gebruiken we meestal riemen en/of tandwielen. Die brengen de bewegingen over naar een andere schijf of een ander tandwiel. Als de draaiende delen tegen elkaar zitten, dan spreken we van tandwieloverbrenging. Als de draaiende delen niet tegen elkaar zitten, dan spreken we van riemoverbrenging. Noteer over welke soort overbrenging het hier gaat.

drijver (wordt aangedreven door een motor, spierkracht ‌) tussenwiel volger (laatste element)


64

3.2 Draairichtingen Draairichtingen bij riemoverbrenging

De drijver draait naar rechts. Het tussenwiel en de volger zijn op dezelfde manier verbonden en draaien dus in dezelfde richting.

Het tussenwiel draait in dezelfde richting van de drijver. De laatste riem is gekruist, waardoor de volger in de tegengestelde richting draait.

Draairichtingen bij tandwieloverbrenging Twee tandwielen draaien altijd in elkaars tegengestelde richting.

De drijver draait naar links, de volger naar rechts.

De drijver draait naar links, het tussenwiel draait naar rechts. De volger draait naar rechts.


65

3.3 Snelheden en krachten Als je een kleine drijver met een grote volger verbindt, dan heeft de volger meer kracht, maar minder snelheid. Als je een grote drijver met een kleine volger verbindt, dan heeft de volger meer snelheid, maar minder kracht.

De drijver en de volger zijn even groot. De snelheid en de kracht van de drijver en de volger zijn gelijk.

De drijver is drie keer groter dan de volger. De volger draait drie keer sneller, maar heeft drie keer minder kracht dan de drijver.

Tussentandwielen dienen enkel om het drijfwiel en het volgwiel in dezelfde richting te laten draaien. Hieronder draait de volger drie keer sneller dan de drijver, maar heeft het wel drie keer minder kracht dan de drijver.


66

Duid bij elke overbrenging de draairichtingen aan van de andere onderdelen.

drijver (wordt aangedreven door een motor, spierkracht ‌) tussenwiel volger (laatste element)


67

Oefeningen snelheden en krachten Snelheid drukken we uit in tpm (toeren per minuut). Kracht drukken we uit in N (Newton).

diameter 50 mm

diameter 10 mm

Vul bij elke overbrenging de kracht en de snelheid in van de volger.

10 N 10 tpm

10 N 30 tpm

10 N 20 tpm

20 N 50 tpm

10 N 20 tpm

drijver (wordt aangedreven door een motor, spierkracht ‌) tussenwiel volger (laatste element)

kracht: tpm:

kracht: tpm:

kracht: tpm:

kracht: tpm:

kracht: tpm:


68

50 tanden

10 tanden

10 N 10 tpm

kracht:

10 N 10 tpm

kracht:

30 N 20 tpm

kracht:

5N 50 tpm

40 N 20 tpm

drijver (wordt aangedreven door een motor, spierkracht ‌) tussenwiel volger (laatste element)

tpm:

tpm:

tpm:

kracht: tpm:

kracht: tpm:


69

WIST-JE-DAT

Isaac Newton, de inspiratie voor

is een van de bekendste wetenschappers ooit. Zijn naam is eeuwig verbonden met de eenheid van kracht: de newton.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Isaac - Te land, ter zee en in de lucht - Midden (Diabolo) by die Keure - Issuu