Skip to main content

Isaac-natuurwetenschappen 1 - Module 3 Biodiversiteit - proef - inkijk methode

Page 1

NATUURWETENSCHAPPEN 1 MODULE

3

Biodiversiteit


2

Inhoud Even rondkijken

3

1 Wat is biodiversiteit?

5

ISAAC-moment

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Biotopen en hun kenmerken Biodiversiteit Belang van biodiversiteit voor de biotoop Biodiversiteit en de mens Verder oefenen?

2 Aanpassingen van organismen aan de biotoop 2.1 Aanpassingen van organismen aan hun omgeving 2.2 Aanpassingen van planten aan hun omgeving 2.3 Aanpassingen van dieren aan hun omgeving

2.4

2.3.1 Stand van de ogen 2.3.2 Camouflage 2.3.3 Nabootsing Verder oefenen?

3 Voedselrelaties in de biotoop 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8

Relaties tussen organismen Wie eet wat? Voedselketen Voedselweb Voedselpiramide Voedselkringloop Biologisch evenwicht Verder oefenen?

5 7 8 9 13 16 16 16 18 18 19 20 23 26 26 27 28 29 30 31 32 36

WOORDENLIJST

43

STUDIEWIJZER

44

ISAAC-actie

Biotoopstudie


3

Even rondkijken …

ISAAC-moment

Oriëntatie

Onderzoeksvraag Welke natuurlijke en menselijke landschapselementen vind ik op het schooldomein? Hypothese Ik vind

terug op het schooldomein.

Voorbereiding

Materiaal • •

Bingokaart Smartphone of fototoestel

Uitvoering

Stappenplan 1 2 3

Ga op zoek naar zoveel mogelijk woorden van de bingokaart binnen het schooldomein. Neem een foto van elk gevonden element als bewijs. Markeer de woorden die je vond op het schooldomein.

Resultaten

boom

gras

regen

bank

vuilnisbak

paddenstoel

afval

blad

regenworm

bij

pissebed

klaver

mus

wesp

bloem

duif

auto

ekster

mos

struik

haag

plantenbak

vogelhuisje

bijenhotel


4

Reflectie

Besluit Welke levende wezens ben je tegenkomen? Welke niet-levende elementen ben je tegengekomen? Welke woorden behoren tot de natuurlijke landschapselementen? Welke woorden behoren tot de menselijke landschapselementen? Hoeveel verschillende levende wezens komen er voor op het schooldomein?

jouw school zich kan inzetten voor de biodiversiteit door zich in te schrijven als MOS-school? Zo kan je meehelpen aan de vergroening van de speelplaats.


5

1 Wat is biodiversiteit? 1.1 Biotopen en hun kenmerken Marie en Rik reizen graag. Ze hebben voor jou enkele plekken omschreven waar ze dit jaar zijn geweest. Ze vertellen ook over wat ze daar gezien en gehoord hebben. Probeer te raden op welke plaatsen Marie en Rik zijn geweest. Markeer de organismen die ze tegenkwamen of hoorden in het groen. Markeer de niet-levende elementen die ze tegenkwamen of hoorden in het blauw. omschrijving

waar zijn ze geweest?

Het was hier zeer warm en ook heel droog. We zagen enkele cactussen en ook wat kamelen voorbij lopen. We hebben genoten van het geluid van de golven van het water. We lagen op handdoeken in het zand en ging af en toe wat zwemmen. Tijdens het zwemmen zagen we enkele vissen en veel zeewier. We wandelden hier heel veel tussen de bomen. We hoorden eekhoorns, vogels en zagen een hert. Jammer genoeg hadden we wel wat last van de regen. Een biotoop is het leefgebied van een bepaalde groep organismen. Een biotoop herken je in het landschap als een geheel. Hieronder zie je drie afbeeldingen van heel verschillende biotopen. Markeer de onderstaande eigenschappen met de overeenkomstige kleur.

woestijn

tropisch regenwoud

duinen

In dit gebied heerst een heel droog klimaat.

In dit gebied ligt er een dunne humuslaag.

In dit gebied waait de wind vaak krachtiger.

In dit gebied is het overdag vaak ook donker op de grond.

In dit gebied bevat het water zo’n 3,5% zout.

In dit gebied heerst een warm en altijd nat klimaat.


6

Welke organismen komen voor in de biotopen op de vorige pagina? Markeer met dezelfde kleuren.

duindoorn

zeehond

kasjoeboom

ara

helmgras

kameel

schorpioen

lianen

kabeljauw

cactus

gifkikker

visdief

Noteer in de volgende tabel in welke biotoop de afgebeelde organismen voorkomen en geef twee redenen waarom ze voor deze biotoop kiezen. organisme

biotoop

waarom deze biotoop?

1

2

1

2


7

Een biotoop is een plaats waar verschillende organismen samenleven onder bepaalde omstandigheden. De biotoop wordt bepaald door invloeden die een biologische of een nietbiologische oorsprong hebben. Invloeden van biologische oorsprong, zoals andere levende organismen, uitwerpselen en kadavers, noem je biotische factoren. Invloeden van nietbiologische oorsprong zoals, lichtinval, temperatuur en wind, noem je abiotische factoren. De combinatie van die factoren bepaalt welke groepen organismen er in een bepaalde biotoop leven.

1.2 Biodiversiteit Noteer onder elke afbeelding de naam van de biotoop.

In welk van de twee biotopen leven de meeste verschillende soorten organismen? Geef een aantal voorbeelden van levende wezens die hier voorkomen. Welke abiotische factor zorgt ervoor dat in de andere biotoop weinig leven voorkomt?

Biodiversiteit staat voor alle verschillende vormen van leven in een biotoop. Bij een hoge biodiversiteit leven er veel verschillende organismen samen. Bij een lage biodiversiteit leven er weinig verschillende organismen samen.


8

Biodiversiteit kan zich op 3 niveaus bevinden. Verbind het niveau met de bijhorende afbeelding en uitleg. Diversiteit aan soorten Dit betekent dat er verschillende biotopen voorkomen met elk hun typerend klimaat en bijhorende organismen. Genetische diversiteit Dit betekent dat er verschillende soorten organismen samen leven.

Diversiteit aan ecosystemen Dit betekent dat er binnen eenzelfde soort organismen verschillende varianten voorkomen.

1.3 Belang van biodiversiteit voor de biotoop Bekijk de voedselketen hieronder.

bloemkool

rups

koolmees

Omcirkel wat de gevolgen zijn als het biologisch evenwicht verstoord wordt. Het aanleggen van een moestuin met bloemkool: het aantal rupsen zal STIJGEN / DALEN. het aantal koolmezen zal STIJGEN / DALEN. het aantal valken zal STIJGEN / DALEN. het aantal bloemkoolblaadjes zal STIJGEN / DALEN. Het besproeien van de bloemkool met gif: het aantal koolmezen zal STIJGEN / DALEN. het aantal valken zal STIJGEN / DALEN. het aantal rupsen zal STIJGEN / DALEN. het aantal bloemkoolblaadjes zal STIJGEN / DALEN. Wat zou er kunnen gebeuren met de valk als het aantal koolmezen blijft dalen?

valk


9

Wat zou de valk kunnen doen om toch te overleven?

Biodiversiteit is belangrijk voor het biologisch evenwicht. Biologisch evenwicht betekent dat er voldoende voedsel is voor elk organisme in de biotoop.

1.4 Biodiversiteit en de mens Plaats bij elke afbeelding het nummer dat hoort bij het juiste voordeel. Kies uit: economie (1) – ontspanning (2) – wetenschap (3) – milieu (4).

Biodiversiteit is belangrijk voor de ontspanning van de mens, de economie, de wetenschap en het behoud van het milieu.

Vul in voor welke sector de biodiversiteit van belang is. Kies uit: wetenschap – economie – ontspanning – milieu Vul zelf aan met nog 1 extra voorbeeld per sector. Biodiversiteit is van belang voor • Voedsel • Grondstoffen voor het maken van kledij •

Biodiversiteit is van belang voor • Duiken in de koraalriffen • Schilderen van de natuur •

Biodiversiteit is van belang voor • Bestuiving door bijen • Waterzuivering door rietplanten •

Biodiversiteit is van belang voor • Medicijnen ontwikkelen • Vliegtechniek van vogels nabootsen bij vliegtuigen •


10

Kruis aan of de mens een positieve of negatieve invloed heeft op de biodiversiteit. positief

Het gebruik van ecologische producten.

Het overbevangen van vis en andere zeedieren.

Het maken van ecoducten zodat dieren de weg niet over moeten steken.

Een insectenhotel in je tuin zetten.

Dieren die hier normaal niet leven, loslaten in de natuur.

Biodiversiteit helpen Hoe kan jij ervoor zorgen dat de biodiversiteit behouden blijft op school of thuis? Noteer drie tips.

negatief


11

CHECK-UP

Heb ik het begrepen?

Opdracht 1

In welke biotoop kom je volgende organismen tegen? Noteer ze in de passende kolom. Kies uit: eekhoorn – duingras – eikenboom – waterlelie – reiger – specht – konijn – karper bos

vijver

duinen

Opdracht 2

Markeer in het onderstaande schema de abiotische factoren met blauw en de biotische factoren met groen. wind

nestgelegenheid bescherming door vegetatie

voedselaanbod temperatuur

predatie grondsoort

lucht parasieten licht neerslag concurrentie


12

Opdracht 3

Op welk gebied van biodiversiteit bevinden zich volgende voorbeelden? Kies uit: diversiteit op soortniveau – diversiteit aan ecosystemen – genetische diversiteit a

Er bestaan veel verschillende soorten dieren, planten, schimmels, …

b

Je kan op reis genieten van de oceaan, de savanne, het grasland, de bossen, …

c

Doordat verschillende organismen binnen eenzelfde soort zich voortplanten ontstaan er vaak nieuwe ondersoorten.

Opdracht 4

Sorteer de locaties in plaatsen met hoge biodiversiteit en plaatsen met lage biodiversiteit. Kies uit: regenwoud - industrieparken – antarctica - koraalrif – gematigd loofbos – grootsteden hoge biodiversiteit

lage biodiversiteit


13

1.5 Verder oefenen? 1 Plaat bij elke afbeelding het nummer van de biotoop.

Kies uit: weide (1) – moeras (2) – wegberm (3) – duinen (4) – oceaan (5) – bos (6) – hooggebergte (7) – rivier (8)


14

2 In de woordzoeker zitten biotische en abiotische factoren verstopt. Markeer de levende

factoren in het groen en de niet-levende factoren in het oranje. X

E

J

W N

E

S

L

N

O W K

G

S

N

K

N

E

Y

I

S

E

C

O

G

D

U

S

N

L

L

A M

E

H

S

E

D

X

U

C

E

C

D

H

K

E

H

I

T

N

I

G

O

R

Z

N

D

U

S

Z

R

O

P

N

K W

S

E

N W R

R

E

G

N N M H

E

• • • • • •

cactus neushoorn geluid regen mensen wind

N

3 In het park komen er meer vogelsoorten voor dan op de speelplaats. Geef hiervoor 2 redenen.

4 Markeer de biotische factoren in het groen. Markeer de abiotische factoren in het oranje.

zonnebloem

tijger

afvalproducten

waterlelie

mensen

eik

temperatuur

geluid

bacterie

wind

5 Over welke factor gaat het in de onderstaande situaties? Markeer wat juist is: biotisch of

abiotisch. Noteer over welke factor het gaat. Maak gebruik van de factoren in de figuur op pagina 11. Mensen planten steeds vaker palmbomen in Vlaanderen. In harde winters moeten ze echter worden beschermd.

Dit gaat over een BIOTISCHE / ABIOTISCHE factor, namelijk:

De vegetatie in het Amazonegebied profiteert van mineraalrijk Saharastof dat via de wind de Atlantische Oceaan oversteekt.

Dit gaat over een BIOTISCHE / ABIOTISCHE factor, namelijk:

In Brussel leeft een kolonie halsbandparkieten. Leuk, denk je? Niet echt. Het zijn holenbroeders, net als onze spechten en uilen. Die vinden daar steeds moeilijker goede broedholtes.

Dit gaat over een BIOTISCHE / ABIOTISCHE factor, namelijk:

In regenwouden is de vruchtbare laag op de bodem erg dun. Dat komt doordat het organisch afval heel snel door insecten, bacteriën en schimmels wordt omgezet in voedingsstoffen. Die voedingsstoffen worden bijna onmiddellijk weer opgenomen door de planten en bomen.

Dit gaat over een BIOTISCHE / ABIOTISCHE factor, namelijk:


15

Woestijnsprinkhanen leven normaal solitair. Als het echter heel veel regent, dan neemt hun aantal heel snel toe. In de daaropvolgende droge periode verzamelen ze zich op de plaatsen waar er nog wat vegetatie is. Het gevolg: een sprinkhanenplaag.

Dit gaat over een BIOTISCHE / ABIOTISCHE factor, namelijk:

6 Hoe zou je de biodiversiteit in de woestijn omschrijven? Leg uit

en geef 2 voorbeelden van abiotische factoren die de biodiversiteit beïnvloeden.

7 Vossen vinden steeds meer en meer hun weg naar de steden en blijven vaak daar in de buurt

wonen. Geef 2 redenen waarom dit gebeurt.

8 Op de afbeelding zie je een wolf. Voor verschillende dieren

(zoals een hert) is de wolf een biotische factor. Wat wordt hier mee bedoelt? Leg uit.

9 Ga op het internet op zoek naar de betekenis van het woord ‘exoot’. Leg uit welk effect exoten

hebben op de biodiversiteit.


16

2 Aanpassingen van organismen aan de biotoop 2.1 Aanpassingen van organismen aan hun omgeving

Bekijk de afbeelding en zoek drie zaken die niet correct zijn op de afbeelding. Noteer ook wat wel correct zou zijn. 1

2

3

Organismen zijn aangepast aan hun omgeving om te kunnen overleven.

Niet elk organisme of elke soort is in staat om zich aan te passen aan zijn/haar omgeving. Een aanpassing gebeurt meestal niet zeer snel.

2.2 Aanpassingen van planten aan hun omgeving We bekijken enkele aanpassingen van planten aan hun omgeving. Beantwoord de vragen horende bij elke afbeelding. Waarom heeft een cactus stekels? Is dit een aanpassing voor een biotische of abiotische factor? Leg uit.


17

In welke biotoop bevindt deze plant zich? Bekijk het wortelstelsel op de afbeelding. Wat valt je op? Wat is het nut hiervan? Voor welke abiotische factor is dit een aanpassing? Welke plantensoort zie je op de afbeelding? Bekijk de bladeren op de afbeelding. Wat valt je op? Hoe komt dit? In welke biotoop bevindt deze plant zich? Hoe is deze plant aangepast aan zijn omgeving?

Is dit een aanpassing voor een biotische of abiotische factor? Leg uit.


18

Door hun speciale levenswijze of bouw zijn planten op verschillende manieren aangepast aan hun omgeving. Voorbeelden zijn: stekels (tegen vijanden), een uitgebreid wortelsysteem en wateropslag in de bladeren (tegen droogte), drijven op het water (voor lichtopvang) …

2.3 Aanpassingen van dieren aan hun omgeving We bekijken enkele aanpassingen van dieren aan hun omgeving.

2.3.1 Stand van de ogen 1 2 3

Sluit je linkeroog en kijk goed rond, zonder je hoofd te bewegen. Sluit je rechteroog en kijk opnieuw rond, zonder je hoofd te bewegen. Kijk nu goed rond zonder je ogen te sluiten en je hoofd te bewegen.

Wanneer zie je het meeste van de omgeving? 1 2 3

Neem in elke hand een potlood en steun niet op de bank! Probeer de punten van potloden in één beweging tegen elkaar te brengen. Doe dit opnieuw, maar nu met één oog gesloten.

Wanneer lukt dit het beste?

Wat je allemaal kan zien met je beide ogen, noemen we het gezichtsveld. Met twee ogen kan je goed de afstand inschatten tussen voorwerpen. Dit noemen we dieptezicht.

Bekijk het gezichtsveld van een vos en een kip.

buiten gezichtsveld binnen gezichtsveld zonder diepte binnen gezichtsveld met diepte

vos

kip

Welk voordeel heeft de kip met de stand van haar ogen?


19

Welk voordeel heeft de vos? Bekijk de stand van de ogen van de dieren hieronder. Markeer de roofdieren (= dieren die andere dieren opeten) in het blauw. Markeer de prooidieren (= dieren die opgegeten worden) in het groen.

vos

konijn

beer

gans

Hoe staan de ogen van roofdieren? Hoe staan de ogen van prooidieren?

Dieren kunnen overleven in hun omgeving door aanpassingen aan de stand van hun ogen. Bij roofdieren staan de ogen vooraan waardoor ze een beter dieptezicht hebben. Door dit dieptezicht kunnen ze makkelijk de afstand tot de prooi inschatten. Bij prooidieren staan de ogen aan de zijkant. Ze hebben een groter gezichtsveld en merken zo snel de vijanden op. 2.3.2 Camouflage Welke dieren kan je op onderstaande foto’s ontdekken? Noteer hun naam onder de foto.


20

Welke dieren zijn prooidieren? Waarom camoufleren prooidieren zich? Welke dieren zijn roofdieren? Waarom camoufleren roofdieren zich?

Door camouflage kunnen dieren zich verstoppen, beschermen en overleven in een biotoop. Camouflage- of schutkleuren zorgen ervoor dat een dier minder goed opvalt tegenover een bepaalde achtergrond. Schutkleuren zijn voor zowel roof- als prooidieren een voordeel om zich te verstoppen. 2.3.3 Nabootsing Hier zie je twee spinnen: de zwarte weduwe en de valse weduwe. Maar kun je ze uit elkaar houden? Dat is lastig! Beide hebben een zwart, bolvormig achterlijf. Toch is het belangrijk om te weten welke de ‘echte’ zwarte weduwe is, want deze spin is uiterst giftig. Welk voordeel heeft de valse zwarte weduwe om een echte zwarte weduwe na te doen?

Nabootsing of mimicry is het expres nabootsen van een andere dier- of plantensoort. Dit kan ervoor zorgen dat het dier of de plant niet opvalt voor vijanden of de vijanden juist afschrikt.


21

CHECK-UP

Heb ik het begrepen?

Opdracht 1

• •

Verbind de planten met de omgeving waarin ze voorkomen. Verbind de planten met hun aanpassingen. omgeving

plant

aanpassing

Droge omgeving

Zonnebloem

Drijvende bladeren

Schaduwrijke omgeving

Waterlelie

Dikke bladeren en wortels diep in de grond

Zonnige omgeving

Aloë vera

Grote bladeren om veel licht te vangen

Omgeving met veel water

Varens

Groeien naar de zon en draaien mee met de zon

Opdracht 2

• •

Verbind de dieren met de omgeving waarin ze voorkomen. Verbind de dieren met hun aanpassingen. Omgeving

Plant

Aanpassing

In het water

Vleermuis

Lange armen om te grijpen

Chimpansee

In de bomen

Graafpoten

In de lucht

Mol

Onder de grond

Zeehond

Vlieghuid tussen de vingers Vinnen


22

Opdracht 3

Vink aan of het dier zich camoufleert met een schutkleur of door nabootsing.

Amazonepapegaai Schutkleur

Nabootsing

Variabele spikkelspanner Schutkleur

Gekko Schutkleur

Roerdomp Nabootsing

Wandelend blad Schutkleur

Nabootsing

Nabootsing

Schutkleur

Nabootsing

Rups van de vlinder Papilio Troilus Schutkleur

Nabootsing


Naam:

ISAAC-actie

Klas:

Datum:

/

/

Biotoopstudie

Tijdens deze ISAAC-actie gaan we een vergelijkende biotoopstudie uitvoeren. Daarvoor steun je op de OVUR-methode zoals gezien in module 1.

Tijdens deze ISAAC-actie voer je een vergelijkende biotoopstudie uit. Door het meten en observeren kom je informatie te weten over zowel de biotische en abiotische factoren die de biotoop beïnvloeden. Wanneer je in groepjes werkt, verdeel je het werk over de verschillende groepsleden. Bepaalde leerlingen krijgen een specifieke taak toegedeeld die hieronder wordt beschreven. Noteer wie de taak zal uitvoeren. naam

taak manager

omschrijving 1 2

3

materiaalmeester

2

verslaggever

1

1

2

Je houdt de tijd in het oog. Je zorgt ervoor dat alle taken binnen de tijd klaar zijn. Je neemt de leiding binnen de groep. Je haalt het materiaal bij de leerkracht. Je zorgt ervoor dat iedereen voorzichtig omgaat met het materiaal.

Je gebruikt een potlood en schrijfplank om te schrijven. Je vult het verslag in tijdens de biotoopstudie.

Andere taken zoals: observeren, waarnemen, meten, actief meewerken, interesse vertonen en respect hebben voor de natuur worden door alle groepsleden uitgevoerd. Tijdens de biotoopstudie zal je verschillende zaken moeten onderzoeken waarvoor je een aantal hulpmiddelen nodig zal hebben. Deze hulpmiddelen worden verder in de tekst besproken.


Hulpmiddelen Er kan je gevraagd worden om een aantal planten- en diersoorten te determineren. Determineren wil zeggen dat je een schema, determineerkaart of een app (vb. Obsidentify) gebruikt om de soort plant of dier te weten te komen. Hieronder staat een determineerkaart om de boomsoort te bepalen. Van welke boom is dat blad?

HAZELAAR

NEE JA hebben de zijnerven onderaan bosjes haren?

LINDE

lopen NEE de zijnerven recht naar een tand in de bladrand? JA

IEP

is het blad NEE ongeveer driehoekig?

JA

JA

NEE

is de bladvoet ongelijk?

JA

is de bladsteel behaard?

JA NEE

lopen de zijnerven recht naar een tand in de bladrand? JA NEE

DOUGLAS

NEE

ZWARTE ELS

BERK NEE strijk eens tegen de JA naalden in, prikt het erg?

is het blad langwerpig?

NEE staan de bladeren 2 aan 2 JA tegenover elkaar?

FIJNSPAR

NEE

staan de naalden 2 aan 2 bij JA elkaar?

GROVE DEN zijn de NEE naalden langer dan 8 centimeter? JA

ZWARTE DEN

ZWARTE POPULIER

NEE zijn er naalden die in kransjes bij elkaar staan? JA

LARIKS

NEE

JA

heeft de boom naalden?

START


BEUK TAMME KASTANJE AMERIKAANSE VOGELKERS

is de bladrand NEE JA gezaagd (allemaal tandjes) ?

is de NEE bladrand diep ingesneden?JA (gelobd)

VUILBOOM JA lopen de nerven helemaal tot NEE aan de bladrand?

ZOMEREIK

NEE is de top van de lobben spits? JA

ESDOORN ES AMERIKAANSE EIK NEE is het blad samengesteld uit JA meerdere blaadjes?

heeft het blad 5 of 7 blaadjes die op 1 punt samenkomen? NEE JA

is de JA bladrand gezaagd?

JA zijn de knoppen zwart? NEE

NEE

LIJSTERBES

PAARDENKASTANJE

www.veldwerkwinkel.nl

ACACIA


Meettoestellen Abiotische factoren kan je meten met behulp van een meettoestel. Het is belangrijk om te weten welke toestellen wat meten en hoe ze gebruikt worden. Vul in de tabel de gegevens over de verschillende meettoestellen verder aan. Sommige meettoestellen (geluidsmeter, lichtmeter) kunnen vervangen worden door een app op je smartphone. Naam : Grootheid : Eenheid : Gebruiksaanwijzing: Houd het toestel op een afstand van jezelf. Wees stil. Naam : Grootheid : Eenheid : Gebruiksaanwijzing: Houd de thermometer omhoog in de lucht. Let op dat je niet het reservoir vasthoudt, anders bepaal je jouw eigen lichaamstemperatuur. Naam : Grootheid : Eenheid : Gebruiksaanwijzing: Hou de meter in de hoogte. Draai het toestel in de windrichting zodat de grootste windsnelheid gemeten wordt.


Naam : Grootheid : Eenheid : Gebruiksaanwijzing: Houd het toestel op een afstand van jezelf. Zorg ervoor dat je eigen schaduw niet op het toestel valt. Naam : Grootheid : Eenheid : Gebruiksaanwijzing: Houd het toestel op een afstand van jezelf. Adem NIET zelf op het toestel.


Gedragsregels Nu zijn jullie bijna klaar om op onderzoek te gaan in de verschillende biotopen. Maar naast het gebruik van de hulpmiddelen, is het ook belangrijk om even stil te staan bij welke regels er gevolgd moeten worden tijdens een biotoopstudie. In de cartoon zijn er foute en correcte gedragsregels voor een bezoek aan een biotoop te zien. Noteer bij elk nummer, in één zin, een correcte gedragsregel.

1

2

3

4

5

6

7

8

9


Biotoopstudie 1 Welk biotoop ga je bestuderen? Oriëntatie

Onderzoeksvraag Hoeveel vegetatielagen kan je onder scheiden in de biotoop en welke planten komen voor in de verschillende vegetatielagen? Hypothese Ik denk

tegen te komen in de te onderzoeken biotoop.

Voorbereiding

Materiaal •

Determineerkaart of app

Uitvoering

Stappenplan 1 2

3

Bepaal welke vegetatielagen er voorkomen in je biotoop. Gebruik de tekening om de lagen te herkennen. Je zoekt in elke laag van de biotoop een plant en je determineert ze. a Plant 1 moslaag b Plant 2 kruidlaag c Plant 3 struiklaag c Plant 4 bomenlaag Schrijf de naam van de plant op de juiste plaats in de tabel.

boomlaag

struiklaag kruidlaag moslaag of strooisel


Resultaten In mijn biotoop komen

vegetatielagen voor namelijk:

naam Moslaag Kruidachtige plant Struik

Loofbomen

Reflectie

Besluit Geef een antwoord op de onderzoeksvraag. Mijn hypothese is JUIST / FOUT. Welke laag vangt het meeste zonlicht op? In welke laag van de biotoop komen de schaduwplanten voor?

Biotoopstudie 2 Welk biotoop ga je bestuderen? Oriëntatie

Onderzoeksvraag Welke bodemdiertjes komen voor in de biotoop? Hypothese Ik denk

tegen te komen in de biotoop

Voorbereiding

Materiaal •

App Obsidentify


Uitvoering

Stappenplan 1 2 3 4

Je gaat op zoek naar zoveel mogelijk bodemdiertjes. Zoek onder bladeren, stenen, hout … verschillende bodemdiertjes Determineer het diertje en schrijf het op in de tabel. Noteer ook de plaats waar je het diertje vond.

Resultaten diertje

waar vond je het?

Reflectie

Besluit Mijn hypothese is JUIST / FOUT. Welke link is er tussen de plaats waar je bodemdiertjes vindt en de hoeveelheid licht?


Biotoopstudie 3 Welk biotoop ga je bestuderen? Oriëntatie

Onderzoeksvraag Is er een verschil tussen de niet levende factoren van een open plek en een gesloten plek? Hypothese Ik denk dat

verschil is tussen een open en een gesloten plek.

Voorbereiding

Materiaal Gebruikte meettoestellen: 1

2

3

4

5

Uitvoering

Stappenplan 1

Meet op een gesloten plek een abiotische factor. Noteer de waarden in de tabel.

2

Herhaal de metingen op een open plek. Noteer de waarden in de tabel, vergeet de eenheden niet te noteren!

3

Herhaal voor de verschillende meettoestellen.

Resultaten wat meet je?

toestel

open plek

gesloten plek


Reflectie

Besluit Zet een kruisje op de correcte plaats in de tabel. lager dan

hoger dan

gelijk aan

De temperatuur onder de bomen is … dan op de open plek De geluidssterkte onder de bomen is … dan op de open plek De geluidssterkte onder de bomen is … dan op de open plek De lichtsterkte onder de bomen is … dan op de open plek De vochtigheid onder de bomen is ... dan op de open plek Er is WEL / GEEN verschil tussen de abiotische factoren van een open en een gesloten plek. Mijn hypothese is JUIST / FOUT

Biotoopstudie 4 Welk biotoop ga je bestuderen? Oriëntatie

Onderzoeksvraag Welke invloed heeft de mens op de biotoop? Hypothese Ik denk dat de mens Voorbereiding

Materiaal •

Zintuigen

Uitvoering

Stappenplan Je gaat op zoek naar een aantal negatieve en positieve invloeden van de mens op deze biotoop. 1 2

Ga op zoek en geef twee voorbeelden van zowel negatieve als positieve invloeden van de mens in deze biotoop. Noteer ook de gevolgen voor de natuur in de biotoop.


Waarnemingen negatieve invloeden van de mens a

b

gevolg voor de natuur a

b

positieve invloeden van de mens a

b

gevolg voor de natuur a

b

Reflectie

Besluit Geef een antwoord op de onderzoeksvraag. Mijn hypothese is JUIST / FOUT


23

2.4 Verder oefenen? 10 Combineer de aanpassing van een plant met het voordeel ervan.

aanpassing

voordeel

1

doornen en stekels

a

verspreiding via de wind

2

verdikte stengel en bladeren

b

bescherming tegen vijanden

3

hoog groeien en veel bladeren

c

reservevoedsel en water opslaan

4

bloemen die sterk ruiken

d

voldoende licht opvangen

5

vruchten met vleugeltjes

e

lokken van insecten

6

wortels groeien ver en diep

f

plant stevig vastzetten in de bodem

1

2

3

4

5

6

11 Combineer de aanpassing van een dier met het voordeel ervan.

aanpassing

voordeel

1

bulten op de rug van een kameel

a

camouflage

2

klauwen aan de poten van gier

b

bescherming tegen vijanden

3

witte vacht van een ijsbeer

c

stevig vastnemen van prooi

4

zwemvliezen bij eenden

d

reservevoedsel en water

5

dikke vetlaag bij zeehonden

e

beschermen tegen koude

6

stekels bij een egel

f

bewegen in het water

1

2

3

4

5

6

12 Op welke manier is een wandelende tak aangepast aan zijn omgeving? Leg uit.


24

13 Op welke manier is een cactus aangepast aan:

•

Bescherming tegen vijanden:

•

De hoge temperatuur:

•

Voldoende licht opvangen:

14 Op welke manier is een ijsbeer aangepast aan:

•

Bescherming tegen vijanden:

•

De lage temperatuur:

•

Voldoende voedsel vangen:

15 Welk voordeel heeft de stand van de ogen bij een konijn? Leg uit.

16 Dieren zoals egels en vleermuizen houden een winterslaap.

Welke drie voordelen heeft dit voor hen?


25

17 Kruis aan of de volgende aanpassingen voor een biotische of abiotische factor zijn.

Noteer ook over welke biotische of abiotische factor het gaat. aanpassing

biotische

abiotisch

Zeehonden hebben een korte, vettige vacht die snel droogt. De haren van een konijn staan naar achteren ingeplant. Een specht heeft een snavel waarmee hij makkelijk gaten in de bomen kan maken. Een ijsbeer heeft een dikke onderhuidse vetlaag. Bomen in het regenwoud hebben zeer hoge stammen. 18 Hieronder zie je een afbeelding van een zweefvlieg en een wesp.

Welke vorm van aanpassing gebruikt de zweefvlieg en wat is het nut van deze aanpassing?


26

3 Voedselrelaties in de biotoop 3.1 Relaties tussen organismen Welke relatie bestaat er tussen volgende organismen? Verbind de foto met de overeenkomstige relatie.

vriendenrelatie

liefdesrelatie

voedselrelatie

Welke functie heeft de relatie tussen de organismen in volgende voorbeelden? Verbind de foto met de overeenkomstige relatie.

veiligheid

voortplanting

voedsel

Er zijn verschillende soorten relaties tussen organismen. In een voedselrelatie wordt het ene organisme gegeten door een ander organisme. In een vrienden- en liefdesrelatie voelen organismen zich verbonden met elkaar. Bij een liefdesrelatie is het doel zich voortplanten. Een relatie kan verschillende functies hebben zoals bijvoorbeeld veiligheid, voortplanting of voeding.


27

3.2 Wie eet wat? Stel een menukaart op voor volgende organismen.

Menu konijn

Menu vos

Menu mens

Menu paardenbloem

Welke van bovenstaande organismen voeden zich met andere organismen? Welk organisme doodt geen ander organisme?

Een producent kan zelf zijn voedsel aanmaken. Bijvoorbeeld planten. Een consument voedt zich met andere organismen. Een carnivoor eet alleen vlees. Een herbivoor eet alleen planten. Een omnivoor eet zowel vlees als planten.


28

3.3 Voedselketen

wordt gegeten door

Verbind de organismen die elkaar opeten. Maak gebruik van een

.

eikenblad

bladluis

lieveheersbeestje

koolmees

vos

Noteer bovenstaande organismen in het schema hieronder op basis van de pijlen die je tekende. Hoe noem je dit schema?

Wat is de betekenis van de pijl in het schema?

Wie is de producent in deze voedselketen?

Waar staat de producent in de voedselketen?

Wie zijn de consumenten?

Een voedselketen is een schema dat bestaat uit een aantal schakels waarbij het ene organisme opgegeten wordt door het andere. Een voedselketen begint met een producent en eindigt met consumenten in een bepaalde volgorde.


29

3.4 Voedselweb Bekijk onderstaand schema en voer de opdrachten uit.

slang

libelle

arend

lieveheersbeestje

vos

kikker muis

vlinder

koolmees

bladluis

konijn

sprinkhaan weegbree

vlierbes

Hoeveel producenten tel je? Wie zijn de producenten? Hoeveel consumenten tel je? Vul twee voedselketens in op basis van het bovenstaande schema. 1

2


30

Wat gebeurt er als er 1 schakel van de voedselketen verdwijnt? Welk effect zal dit hebben op de biodiversiteit?

Een voedselweb bestaat uit voedselketens die met elkaar verbonden zijn.

3.5 Voedselpiramide Bekijk de voorstelling van de voedselpiramide en duid het juiste antwoord aan bij de vragen

Van welk organisme zijn er het meeste in de natuur? BLAD / WESP / SPIN / MEES / UIL Tot welke groep behoort dit organisme? PRODUCENTEN / CONSUMENTEN Van welk organisme is het aantal het kleinste in de natuur? BLAD / WESP / SPIN / MEES / UIL Tot welke groep behoort dit organisme? PRODUCENTEN / CONSUMENTEN Wat gebeurt er met het aantal organismen van basis naar de top? STIJGT / DAALT

Een voedselpiramide bestaat uit de schakels van een voedselketen die op elkaar gestapeld zijn. Producenten staan onderaan de voedselpiramide. Het aantal organismen daalt van basis naar de top. Dit heeft te maken met het biologisch evenwicht waarbij er voldoende voedsel moet zijn voor ieder organisme.


31

3.6 Voedselkringloop Bekijk onderstaande voedselketen.

Welke organismen moeten wel organismen doden om voedsel te verkrijgen? BLAD / RUPS / MUIS / UIL / WORM Welke organismen moeten geen organismen doden om voedsel te verkrijgen? BLAD / RUPS / MUIS / UIL / WORM Wat is de taak van de worm in de natuur? Wat doen paddenstoelen en schimmels met de dode worm? Waarom stopt de voedselketen niet na de schimmels en paddenstoelen?

Een voedselkringloop is een voedselketen die blijft doorlopen omdat de opruimers (reducenten) ervoor zorgen dat dood materiaal opnieuw kan gebruikt worden als voedingsstof.

Een voedselkringloop toont de overdracht van energie in een biotoop. De reducenten sluiten de voedselkringloop. Naast reducenten zijn er ook andere organismen die dood materiaal verwerken. Denk maar aan regenwormen, kevers, … Dit noemen we de detrivoren. Ze eten de resten van dieren die al dood zijn verder op. Aaseters eten net als detrivoren dieren die ze zelf niet gedood hebben. Gieren en hyena’s zijn typische voorbeelden.


32

Vul het schema in. Gebruik de onderstaande begrippen. detrivoor - producent - consument - reducent

3.7 Biologisch evenwicht Tel het aantal soorten organismen in elk voedselweb.

Aantal soorten:

Aantal soorten:

Stel dat er een ziekte rondgaat bij de konijnen. Er blijft maar een kwart leven. Som twee van de vele gevolgen op voor deze biotoop.

Stel dat de eigenaar van een tuin slakken bestrijdt met een pesticide. Alle slakken sterven. Som twee van de vele gevolgen op voor deze biotoop.

Gevolg 1:

Gevolg 1:

Gevolg 2:

Gevolg 2:

In een voedselweb is er een dynamisch evenwicht. Het exacte aantal organismen van een bepaalde soort is niet belangrijk. De verhouding tussen de soorten die elkaar eten binnen het voedselweb is wel belangrijk. Die verhouding kan verstoord worden door natuurlijke of menselijke oorzaken. Zulke verstoringen hebben vrij snel gevolgen voor een of meer andere organismen.


33

Bekijk het filmpje en beantwoord de vragen. •

Welk organisme voegde de mens hier toe aan de biotoop?

•

Welke invloed had dat in deze biotoop ... >

op andere diersoorten?

>

op de vegetatie?

>

op het landschap?

Hoe meer soorten organismen in een biotoop aanwezig zijn, hoe weerbaarder die biotoop is tegen een verstoring. Biotopen met een hogere biodiversiteit hebben dus minder last van een verstoring van het ecologisch evenwicht. Vooral de verhoudingen tussen de soorten zijn belangrijk, niet zozeer de aantallen per organisme.


34

CHECK-UP

Heb ik het begrepen?

Opdracht 1

Schrijf het cijfer bij de juiste voorstelling. 1 voedselketen 2 voedselweb 3 voedselpiramide


35

Opdracht 2

Noteer het soort organisme dat hoort bij de beschrijving. Kies uit: producent – consument – carnivoor – herbivoor – omnivoor – detrivoor – aaseter – reducent.

soort organisme

beschrijving Groene planten die zelf hun voedsel maken. Organismen die zich enkel met dierlijke organismen voeden. Organismen die andere organismen opeten om zich te voeden. Organismen die zich met zowel planten als vlees voeden. Organismen die zich enkel met plantaardig materiaal voeden. Kleine dieren die dode dieren of planten eten.

Organismen die dood materiaal omvormen tot voedingsstoffen voor planten.

Dieren die zich voeden met andere dieren die ze niet zelf gedood hebben.

Opdracht 3

Lees onderstaande tekst en maak een voedselweb in het kader. De blaadjes van een eik worden gegeten door rupsen, eekhoorns en muizen. Koolmeesjes zijn dol op rupsen. Muizen en eekhoorns moeten oppassen voor de boommarters. De havik is de natuurlijke vijand van de muizen, koolmeesjes en eekhoorns. Rupsen worden soms ook gegeten door eekhoorns.


36

3.8 Verder oefenen? 19 Welke relatie tussen organismen wordt er afgebeeld?

Kies uit: voedsel – veiligheid – voortplanting.

20 a b

Maak een voedselketen met de gegeven organismen. Markeer de producenten in het groen en de consumenten in het geel. konijn / wortel / wolf

slak / merel / sla / kat

slang / muis / paardenbloem / buizerd

21 Kruis aan tot welke groep het organisme behoort.

producent tamme kastanjeboom leeuw paard roos

consument


37

22 Plaats de organismen uit de voedselketen op de juiste plaats in de voedselpiramide.

sla

slak

merel

23 Plaats de begrippen op een correcte plaats in de voedselkringloop.

Kies uit: producent – consument – opruimers.

wolf

voedselketen hert

composteerders

planten

kat


38

24 Wat zie je op elke afbeelding? Kruis aan wat juist is.

producent

producent

producent

consument

consument

consument

detrivoor

detrivoor

detrivoor

reducent

reducent

reducent

producent

producent

producent

consument

consument

consument

detrivoor

detrivoor

detrivoor

reducent

reducent

reducent

producent

producent

producent

consument

consument

consument

detrivoor

detrivoor

detrivoor

reducent

reducent

reducent

producent

producent

producent

consument

consument

consument

detrivoor

detrivoor

detrivoor

reducent

reducent

reducent


39

25 Plaats de organismen op een correcte plaats in de tabel.

Kies uit: giraf – hond – rozenstruik – aap – luipaard – rups – varken – paard – cactus – spin

producent

consument carnivoor

herbivoor

omnivoor

26 Welke relatie tussen organismen is van toepassing?

Kies uit: voedsel – veiligheid – voortplanting omschrijving

welke relatie?

Een beer maakt zijn woonplaats dichtbij de rivier waar zalmen leven. Een mannetjesfazant lokt een vrouwtje met zijn prachtige staartveren. Zebra’s verplaatsen zich steeds in een kudde. 27 Het biologisch evenwicht wordt vaak op natuurlijke wijze verstoord en weer hersteld. Nummer

de gebeurtenissen in de juiste volgorde.

Het biologisch evenwicht is hersteld. Het aantal vossen en konijnen is weer constant. In een biotoop is er biologisch evenwicht tussen het aantal vossen en konijnen. Het aantal konijn stijgt door gebrek aan vijanden. Planten nemen hierdoor af in de biotoop. Er is veel voedsel voor de vossen, waardoor het aantal vossen opnieuw stijgt. Door een ziekte sterven veel konijnen en is er te weinig voedsel voor de vossen. Het biologisch evenwicht raakt verstoord en de vossen trekken naar een ander gebied en het biologisch evenwicht raakt verstoord.


40

28 Gebruik de letters om het antwoord te vormen op de vraag.

•

Hoe noemen we organismen zoals planten die hun eigen voedsel maken? R

D

O

C

N

P

U

E

T

•

Hoe noemen we organismen die zowel vlees als plantaardig voedsel eten? O

N

M

I

V

R

O

O

•

Hoe noemen we het schema waarin verschillende voedselketens verbonden zijn? D

V

E

O

W

S

L

E

B

E

29 Bekijk het voedselweb.

arend slang

vos

uil

mus

kikker

muis

konijn

sprinkhaan wortel graan •

Noteer de langste voedselketen.

•

gras

Welk organisme komt in drie voedselketens voor?


41

30 Wat zijn de onmiddellijke gevolgen voor het voedselweb indien de uil zou verdwijnen uit het

bovenstaande web?

31 Wat is de invloed van het sproeien van insecticiden in een bepaald biotoop op het bestand

van carnivoren in dat biotoop?


42

Notities


43

WOORDENLIJST aaseter

een dier dat zich voedt met dode dieren die het niet zelf gedood heeft

abiotische factoren

niet-levende factoren binnen een biotoop

biodiversiteit

alle verschillende vormen van leven op aarde

biotische factoren

factoren van biologische afkomst

biotoop

plaats waar levende en niet-levende factoren samen voorkomen

biotoopstudie

onderzoek naar levende en niet-levende factoren in een biotoop

carnivoor

vleeseter

consument

voedt zich met andere organismen

determineren

bepalen tot welke soort een organisme behoort

detrivoor

diertje dat dood organisch materiaal eet van planten en dieren

herbivoor

planteneter

omnivoor

eet zowel planten als vlees

producent

kan zelf zijn voedings- en bouwstoffen aanmaken

reducent

opruimers en afvaleters, ze zetten dood organisch materiaal om tot voedingsstoffen voor planten

voedselketen

keten van organismen die elkaar opeten in een bepaalde volgorde

voedselweb

verzameling van verschillende voedselketens

voedselpiramide

voorstelling van voedselrelaties volgens dalend aantal

voedselkringloop

gesloten keten van producent, consumenten en reducenten


STUDIEWIJZER

ik ken het! 

paginanummer 

Ik kan voorbeelden geven van verschillende biotopen.

p. 5-7

Ik kan voorbeelden geven van biotische en abiotische factoren.

p. 7-11

Ik kan uitleggen waarom planten en dieren zich aanpassen aan hun omgeving.

p. 16-17

Ik kan voorbeelden geven van aanpassingen van planten en dieren aan hun omgeving.

p. 18-20

Ik kan voorbeelden geven van verschillende relaties tussen organismen.

p.27

Ik kan de begrippen producent, consument en opruimer uitleggen.

p. 28-29, p.31-32

Ik kan de begrippen herbivoor, carnivoor en omnivoor uitleggen.

p. 27

Ik kan een voedselketen opstellen.

p. 28

Ik kan een voedselweb begrijpen.

p. 29

Ik kan een voedselpiramide invullen op basis van een voedselketen.

p. 30

Ik kan uitleggen wat een voedselkringloop is.

p. 31

Ik kan uitleggen waarom biodiversiteit belangrijk is voor de natuur en de mens.

p. 8-10, p. 34

Colofon Auteur Tim Stoelen Illustrator Lieven Vandenberghe Eerste editie Bestelnummer 90 808 0520 ISBN 978 90 4865 151 1 KB D/2025/0147/084

NUR 126/128/129 Thema YPMP5 Verantwoordelijke uitgever die Keure, Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 - © die Keure, Brugge

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No parts of this book may be reproduced in any form by print, photoprint, microfilm or any other means without written permission from the publisher. De uitgever heeft naar best vermogen getracht de publicatierechten volgens de wettelijke bepalingen te regelen. Zij die niettemin menen nog aanspraken te kunnen doen gelden, kunnen dat aan de uitgever kenbaar maken. Die Keure wil het milieu beschermen. Daarom kiezen wij bewust voor papier dat het keurmerk van de Forest Stewardship Council® (FSC®) draagt. Dit product is gemaakt van materiaal afkomstig uit goed beheerde, FSC®-gecertificeerde bossen en andere gecontroleerde bronnen.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Isaac-natuurwetenschappen 1 - Module 3 Biodiversiteit - proef - inkijk methode by die Keure - Issuu