ucatieve uitgaven
De kinderen van Klavertje Vier
BIEB
Anna Coudenys
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 4
1
De kinderen van Klavertje Vier
1
Klavertje Vier Juf Roosje en Anders staan aan de schoolpoort te wachten. Maar goed ook! Ik zou voorbijgereden zijn. Is dit de school? Zo veel groen! Het lijkt hier wel een park. Er is een groot bord met een klavertje vier op. Ik parkeer mijn autootje eronder. Klavertje Vier. Zo heet de school van Anders. Anders rent naar me toe, juf Roosje achter hem aan. ‘Ben jij de mevrouw die een boek over mij zal schrijven?’ Anders pompt mijn hand op en neer. Mijn hand zwiert omhoog en weer naar beneden. Tjonge, die Anders is echt wel sterk. En hij blijft mijn hand maar schudden. Tot juf Roosje streng maar vriendelijk zegt dat het genoeg geweest is. Als hij dan plots mijn hand loslaat, zwiept1 die vanzelf weer de hoogte in. Anders lacht luid en springt op en neer. Hij krijgt er een erg rood hoofd van. Juf Roosje legt haar grote hand zachtjes op zijn krullen. ‘Haal jij nu eerst eens diep adem, Anders!’ zegt ze kordaat maar vriendelijk. Anders haalt zo diep adem dat zijn borstkas er helemaal van opzwelt. En dan zucht hij, een hele lange zucht.
2
‘Goed zo,’ knikt juf Roosje en ze lacht hem stralend toe. Anders lacht ook. Even is hij helemaal rustig. Daarna begint hij rond ons heen te dansen. ‘Kom! Ik zal je alles tonen! Kom!’ Hij holt weg, het grote park in.
3
Domoor is hier een ezel Hij rent voor ons uit, kijkt af en toe achterom, rent weer terug tot bij juf Roosje en mij. En hop, weer weg. Als een jong hondje dat nooit moe wordt. Langs het pad zie ik een weide met schapen, en wat verderop staan twee ezels te grazen2. ‘Dat zijn Langoor en Domoor,’ roept Anders. Langoor heeft inderdaad heel lange oren, en Domoor heeft een krom oor en kijkt een beetje zielig. ‘Allemaal dieren van onze boerderij,’ vertelt juf Roosje. ‘We hebben ook nog kippen en konijntjes. Er mag altijd een groepje kinderen hier komen spelen in de speeltijd. Daar hebben we een beurtrol voor.’ ‘Ik speel het liefst voetbal,’ zegt Anders. ‘Als ik in het doel sta, komt er geen bal voorbij …’ Hij heeft geen tijd om zijn zin af te maken. Hij gaat even in het doel op en neer springen en holt daarna naar ons terug. ‘Daar is het speeltuintje voor de kleuters, en daar mijn klas, en daar de groentetuin van meester Jo, en daar, daar slaap ik! Kom je naar mijn kamer kijken?’ ‘Laten we dat maar doen,’ zegt juf Roosje. ‘Wat vind je van Anders?’ ‘Hij is een beetje anders, maar wel heel lief. Hij heeft veel energie!’
4
‘Heel veel energie. Gelukkig kan hij het hier van zich af hollen. In een gewone school lukt dat niet voor hem.’ Klavertje Vier is geen gewone school. Het is een school voor kinderen die anders zijn. Die op een gewone school al gauw ‘dom’ of ‘gek’ zouden worden genoemd door andere kinderen. Maar hier wordt niemand een domoor genoemd, behalve de ezel.
5
De Boterbloem Van maandag tot vrijdag slaapt Anders in een huis naast de school, samen met nog acht kinderen. Zo’n groepje en hun twee begeleiders noemen ze een leefgroep. Er zijn tien leefgroepen en elke leefgroep heeft een naam. ‘Onze leefgroep heet De Boterbloem,’ zegt Anders trots. ‘En onze begeleiders zijn Jef en Mieke. Ze zijn de beste van de wereld!’ De begeleiders zorgen voor de kinderen. Een beetje zoals een oom of een tante dat zouden doen. Er mag veel gelachen worden en niemand doet streng of boos. Dat merk ik meteen als ik binnenkom. Er hangen vrolijke tekeningen aan de muur van de woonkamer. Twee kinderen zijn de ontbijtspullen aan het opruimen. Een klein meisje zit met een boekje op de sofa. Ze kijkt alsof ze elk moment kan beginnen huilen. Anders holt naar haar toe. ‘Dit is Ineke,’ roept hij. ‘Ineke is nieuw hier. Maar ik zal voor haar zorgen als mijn zusje!’ Hij legt zijn arm om haar heen en begint op en neer te wippen tot de sofa kraakt. Ineke schatert van het lachen. Ze kan niet goed spreken, maar lachen kan ze als de beste. ‘Rustig maar, Anders. De sofa is geen trampoline hoor!’
6
Jef geeft me een kopje thee en vertelt: ‘Veel kinderen moeten heel ver reizen om naar deze school te komen. Andere kinderen hebben een papa of een mama die niet voor hen kan zorgen. En dan komen ze hier slapen. Dat is makkelijk. Vijf minuutjes stappen en je zit op de schoolbanken.’
7
Wendy weent niet meer Ineke is de jongste van leefgroep De Boterbloem: zij is pas vier. Anders is met zijn elf jaar net niet de oudste. Het oudste meisje is dertien en heet Wendy. Volgend jaar gaat ze naar een ‘gewone’ school. Ze kijkt verlegen weg als ik haar vraag of ze dat leuk vindt. ‘In mijn vorige school moest ik altijd wenen. Daar werd ik heel erg gepest. Omdat ik zo traag ben. Omdat ik niet alles begrijp wat ze zeggen. Omdat ik niet goed kan lezen. Omdat …’ ‘Stop!’ zegt Mieke en ze komt dicht bij Wendy staan. ‘Vertel nu eens wat je wel goed kunt!’ ‘Cakes bakken!’ roept Anders. ‘Wendy bakt superlekkere cakes.’ ‘Volgend jaar ga ik naar een school om bakker te worden,’ fluistert Wendy. ‘Ik heb net appeltaart gebakken. Met appeltjes uit onze boomgaard3. Wil je een stukje proeven?’ Tjonge, dit is een smakelijke school!
8
Alleen voor wie anders is ‘Nee,’ schudt juf Roosje lachend het hoofd, ‘jij mag hier niet naar school komen! Alleen kinderen die anders zijn. Alle kinderen moeten eerst een heel pak testen doen voor ze toegelaten worden. Je moet naar een psycholoog4 en een orthopedagoog5 en nog een boel andere mensen met moeilijke titels. Die doen oefeningetjes met je, praten heel lang met je en vullen formulieren in. Ze gaan met je mama en papa praten, met je vorige school … En dan kom je nog eens op een wachtlijst te staan. Want er is maar plaats voor honderd kinderen.’ ‘Ik heb een ge-drags-stoor-nis,’ zegt Wendy. Ze spreekt het woord heel langzaam en trots uit. ‘Ik ook!’ schreeuwt Anders snel. ‘Ik heb ADHD!’ Een lekker kort woord is dat, voor iemand die niet kan stilzitten en het veel te druk heeft in zijn hoofd. ‘Ik heb een kronkel in mijn kop. En daardoor moet ik altijd bewegen. Als ik mijn pilletje niet neem, word ik helemaal wild. Dan moet ik alles vastpakken wat ik zie en kan ik niet stoppen met praten.’ Anders en Wendy kunnen er niets aan doen dat ze zo zijn. In een gewone school kunnen ze niet genoeg mee. Niet omdat ze niet willen. Maar omdat ze niet kunnen. Ze hebben veel meer tijd nodig. Ze hebben veel meer aandacht nodig. In een gewone school probeert de leerkracht dat wel, maar dat lukt niet altijd. Er zijn veel meer kinderen in een gewone school. Al die kinderen moeten leren. Dat lukt beter als de leerlingen stilzitten. En dat lukt niet voor Anders. Er gebeurt soms iets onverwachts in een gewone klas. En dat lukt niet voor Wendy. 9
Zo is het voor Anders en Wendy en de andere kinderen beter op Klavertje Vier. Soms wil niemand met je spelen. Wendy kruipt dan in een hoekje en begint te huilen. Anders wordt dan verschrikkelijk boos. Al de energie die hij heeft, gaat naar die boosheid. Hij pakt een stoel en gooit die stuk op de grond. Hij schreeuwt heel hard en wil slaan naar de juf die hem een lastpak heeft genoemd. Dat mag natuurlijk niet. Maar hoe moet het dan wel?
10
Witte muurtjes ‘Kom, ik zal het je tonen,’ zegt juf Roosje. Ze neemt me mee naar het schoolgebouw dat verstopt zit tussen de bomen en de struiken. Het geurt er lekker naar bos. In het klasje staan maar vijf tafeltjes. Tussen die tafeltjes staan witte muurtjes. ‘Ga zitten,’ wijst juf Roosje. Ze staat in het midden van de klas. Alleen haar kan ik zien. Links en rechts van mij staan witte muurtjes. ‘Zo kan iedereen zich beter concentreren,’ zegt de juf. ‘Als ik dat niet doe, dan zitten de kinderen de hele tijd naar elkaar te kijken en te praten. Of dan neemt Anders het potlood van Wendy af. En dan begint Wendy te mokken6. En zo komen we nooit aan rekenen toe. Maar als we een spelletje willen spelen …’ Ze pakt het muurtje vast, tilt het op en zet het opzij. ‘Het weegt niks hoor,’ glimlacht ze als ze me verbaasd ziet kijken. ‘Ik ben geen supervrouw!’ Maar wel een superjuf, lijkt me.
11
De potlodenvreter Anders houdt van potloden. Omdat zelfs gewoon vijf minuutjes stilzitten voor hem al moeilijk is, zit hij in de klas vaak op een potlood te knagen. Hij bijt dat potlood helemaal in stukjes. Juf Roosje trekt dan een vies gezicht, maar wordt niet boos. Ook niet als hij ondersteboven in zijn stoel gaat hangen. Zolang hij maar de anderen niet stoort en zijn best doet. Als hij de anderen stoort, moet hij even op de gang staan. Daar is het zo vreselijk saai dat hij al snel terug naar binnen wil. ‘Gaat het weer beter, Anders?’ ‘Ja juf.’ ‘Kom dan maar weer fijn bij ons zitten.’ Soms is Anders verdrietig omdat zijn mama ziek is en hij zich veel zorgen maakt. Dan lukken de sommen niet. ‘Dat geeft niet,’ zegt juf Roosje. ‘Iedereen werkt zo goed hij kan. Wendy doet er soms een uur over om een oefening helemaal goed in te vullen. Anders kan de oefening maken in een kwartiertje. En toch zijn ze allebei voor ons even goed. Ze hebben allebei hun best gedaan, en daar gaat het om.’ En dat Wendy samen met Anders in één klas zit, hoe komt dat? ‘Omdat we niet kijken hoe oud iemand is, maar wel wat ze al kunnen. Dat is het belangrijkste. En nee, we lachen nooit iemand uit. Geloof me maar. Nooit!’ Daarbij kijkt ze zo streng dat niemand het ooit zou durven proberen.
12
13
Zoals altijd We wandelen samen met Anders, Ineke en Wendy door het grote park op zoek naar nieuwe ontdekkingen. ‘Wanneer beginnen we te leren, juf Roosje?’ vraagt Anders ongeduldig. ‘Pas morgen. Vandaag is het de eerste schooldag, dan zijn er nog geen lessen.’ ‘Zoals altijd,’ zegt Wendy. ‘En we eten kroketjes met kip,’ vertelt ze aan Ineke. ‘Zoals altijd,’ zegt Anders. ‘Met appelmoes, je was de appelmoes vergeten.’ ‘Elke woensdag kip met kroketjes en appelmoes,’ zegt juf Roosje. ‘En op maandag puree met worst,’ zegt Anders tegen Ineke. ‘Kip met appelmoes en kroketjes.’ zegt Wendy weer. ‘Dan weet je dat het woensdag is.’ ‘Altijd?’ ‘Altijd!’ ‘We doen altijd hetzelfde,’ zegt juf Roosje. ‘Dat is heel belangrijk. Je zult zo meteen zien waarom.’ Wendy kijkt me giechelend aan. ‘De mevrouw van het boek begrijpt er niets van,’ zegt ze tegen Anders. Maar die laat haar hand los en schiet er als een pijl uit een boog vandoor, naar het voetbalveld. Daar zijn zijn vrienden druk in de weer met de bal. Ze roepen en rennen dat het een lieve lust is7.
14
15
Als een egeltje Er is nog een speelplaats achter de dikke beukenhaag. Daar zijn zeker dertig kinderen met de bal aan het spelen. ‘Ook pelen,’ roept Ineke vrolijk uit. En ze rent naar een bal die zomaar in het gras ligt. ‘Niet doen!’ roept juf Roosje. Maar het is al te laat. Een grote jongen duwt Ineke opzij en pakt ruw de bal weer af. Het kleine meisje heeft zich niet echt pijn gedaan in het malse gras, maar begint toch te huilen. Juf Roosje rent naar haar toe en neemt haar op de arm. De meester die de kinderen in de gaten houdt, haast zich naar hen toe. Het is meester Jo, die ook voor de groenten in de tuin zorgt. ‘Bram, kom eens hier?’ Bram hoort meester Jo niet. Hij schopt de bal voor zich uit, loopt ernaartoe, geeft er een nieuwe trap tegen, loopt ernaartoe … Meester Jo zucht. ‘Straks zal ik Bram even apart nemen. In al die drukte lukt het niet.’ Dan pas merk ik dat deze speelplaats een beetje vreemd is. Niet alle kinderen spelen met elkaar. Sommigen lopen rondjes, net als Bram. Of heen en weer als beertjes in een kooi. ‘Ze weten niet goed hoe ze met elkaar moeten spelen,’ zegt meester Jo. ‘Ze zijn autistisch.’
16
Hij geeft Ineke een kusje. ‘Zo, nu is de pijn helemaal weg.’ Juf Roosje zet Ineke weer op de grond, maar Ineke blijft haar hand stevig vasthouden. Au. Nu krijg ik een bal tegen mijn hoofd. Dat doet even pijn. Het kleine meisje dat de bal komt halen, kijkt langs me heen. Alsof ze me niet ziet. ‘Sout,’ sist Ineke. ‘Soute kindjes! Alle sout!’ ‘Zeg eens sorry tegen de mevrouw,’ vraagt meester Jo. ‘Je hebt haar pijn gedaan.’ ‘Sorry mevrouw,’ zegt het meisje op vlakke toon. En ze stapt weer weg met haar bal. ‘Dat is Emma,’ zegt meester Jo. ‘Emma is niet stout. Emma begrijpt alleen niet hoe andere mensen zich voelen. Ze kan dat niet zien aan je gezicht of horen in je stem. Ze weet niet wanneer ze iemand pijn doet. Dat moet ze allemaal leren. En wij weten niet wat er in haar hoofdje zit. Dat moeten wij van haar leren. Als er lawaai is, dan slaat ze haar handen tegen haar oren, en rolt ze zich op in een bolletje.’ ‘Een egeltje,’ zegt Wendy zacht. ‘Als een egeltje,’ knikt meester Jo. ‘En ze houdt niet van verrassingen. Daar wordt ze helemaal oetepetoet van. Dus doen we altijd hetzelfde.’
17
Op een vreemde planeet ‘Het is niet gemakkelijk om uit te leggen wat autisme is,’ weet meester Jo. ‘Want elk kind met autisme is anders. En het is hun fout niet. Ze kunnen er niets aan doen. Bram niet, want die wou enkel zijn bal terug. En toevallig stond Ineke in de weg. Emma niet, want die vindt niet dat ze sorry moet zeggen als ze iets niet opzettelijk doet.’ De meeste kinderen met autisme hebben heel veel moeite om de wereld en de mensen erin te begrijpen. Je kunt je voorstellen dat het is alsof je op een vreemde planeet terechtkomt, elke dag opnieuw. Je kunt de taal en de gewoontes van die planeet maar heel moeilijk leren. En de wezens op die planeet zijn al helemaal niet te verstaan. Net zoals Emma houden de meeste kinderen met autisme niet van drukte, lawaai en nieuwe dingen. Dat begrijpen ze helemaal niet. Dan worden ze boos of angstig of allebei. En ze kunnen niet uitleggen waarom. Dat is nog het ergste. ‘Verrassingen vinden ze maar niks,’ glimlacht meester Jo. ‘Dus als we iets speciaals gaan doen, dan moet ik dat vooraf heel goed uitleggen. Dan zeg ik: volgende week is er een verrassing. Dan gaan we naar de film. En ik zeg hoe de film heet en waarover ze gaat. En hoe laat we zullen vertrekken.
18
En dat we met de bus gaan. En hoe laat we terug zijn. Want anders maken veel kinderen zich zorgen. En zijn ze bang. Iets wat leuk zou moeten zijn, wordt dan een nachtmerrie.’ Zoals naar de bakker gaan. Niks leuks aan. Want hoe zal de winkel eruitzien? Hoe gaat de deur open? Waar liggen de chocoladekoeken? Hoeveel kosten ze? Is de bakker een mevrouw of een meneer? Wat voor stem heeft hij? En zegt hij goeiedag, of hallo? Het is altijd weer griezelig nieuw. ‘Dus oefenen we om naar de bakker te gaan. Eerst gaan we twintig keer naar dezelfde bakker. En daarna denken we over hoe het zou kunnen zijn bij een andere bakker. Bij die andere bakker om een chocoladekoek vragen, dat is een heel avontuur. Maar als beloning mogen ze natuurlijk wel hun koek opsmikkelen! Dat is al een reden om het te proberen.’ Nu begrijp ik waarom de kinderen van Klavertje Vier elke woensdag appelmoes eten.
19
Wat hier nog anders is ‘Iedereen is lief,’ zegt Wendy. ‘Als ik verdrietig ben, dan troost iemand me.’ ‘Ik krijg een cadeautje op mijn verjaardag,’ zegt Anders. ‘Ik mag potloden eten. Ik mag bewegen. Juf Roosje zegt: bravo goed gedaan.’ ‘Niet omdat je potloden eet,’ verbetert juf Roosje hem. ‘Wel omdat je zo flink je best doet. Potloden eten vind ik echt wel vies.’ ‘In Klavertje Vier ontdekken de kinderen dat ze geen slechte kinderen zijn,’ vertelt juf Roosje. ‘Ze zijn gewoon zichzelf, al is dat in de wereld hierbuiten niet zo gewoon. En vaak is de wereld waarin ze groot worden heel onprettig. Sommige papa’s en mama’s kunnen niet voor hun kinderen zorgen. Of ze zijn heel arm. Dat maakt het allemaal erg moeilijk.’ Wendy toont haar nieuwe pennenzak. Die is rood van kleur. Anders’ pennenzak is blauw. Maar voor de rest zijn ze precies hetzelfde. En ook hun balpennen zijn hetzelfde, alleen heeft Anders al snel aan de zijne geknabbeld. ‘Alle schoolspullen krijgen de kinderen op school. Zo hoeft niemand te weten dat je rijk of arm bent. Want dat is hier niet belangrijk.’
20
‘En we gaan fietsen.’ ‘En we zitten maar met vijf in een klas.’ ‘En woensdag doen we spelletjes.’ En, en, en! Er komt maar geen eind aan. Maar er is iets wat ze allebei helemaal niet prettig vinden. ‘Dat ik zo ver van mijn mama ben,’ zegt Anders. ‘Ik zou graag in mijn eigen bed slapen ’s nachts,’ zegt Wendy. ‘Niemand kan ooit je papa en je mama vervangen,’ knikt juf Roosje. ‘De meeste kinderen vinden het heel erg dat ze niet elke dag naar huis kunnen. En de kinderen die dat wel doen, zitten vaak uren op de bus. Ook dat is niet zo prettig.’
21
De wens van juf Roosje De bel rinkelt voor het middageten. Het is tijd om afscheid te nemen. Wendy en Ineke geven me een kus en Anders schudt me weer eens erg stevig de hand. Maar het mag allemaal niet te lang duren. De kroketjes, de appelmoes en de kip kunnen echt niet wachten. ‘Daag, tot ziens!’ Anders holt voorop naar de eetzaal. Wendy en Ineke huppelen achter hem aan. Juf Roosje loopt met me mee naar de uitgang. Ik vraag haar of ze nog iets wil vertellen aan alle kinderen die naar een gewone school gaan. Ze kijkt heel ernstig. ‘Wat ik zo graag zou willen … dat is dat jullie eerst eens nadenken als jullie een klasgenootje zien dat gek doet. Of iemand die altijd boos is. Of iemand die niets begrijpt. Er is altijd wel een reden: niet iedereen heeft een hoofd dat exact goed werkt, niet iedereen heeft een papa en een mama die goed voor hem kunnen zorgen. En als je weet waarom iemand gek doet, dan ga je er niet meer om lachen. Dan ga je niemand uitsluiten, of pesten.’ ‘De kinderen van Klavertje Vier zijn wel heel verdraagzaam,’ merk ik op. ‘Dat leren ze door hier te zijn. Iedereen in Klavertje Vier heeft wel iets wat niet helemaal klopt. En door elkaar te leren begrijpen, maken we er hier toch elke dag het beste van. Zet dat maar in je boekje!’
22
Slimme ezel Heel langzaam wandel ik het mooie park terug uit. Ik passeer de groentetuin waar de worteltjes nog stevig aan het groeien zijn en de boomgaard waar een appeltje net niet op mijn hoofd valt. Mmm, lekker, maar niet zo lekker als kroketjes met appelmoes. Ik zie het speeltuintje waar een schommel nog heen en weer zwiept. En daar zijn de konijntjes in hun hok. In de verte grazen de schapen. Langoor en Domoor staan aan de omheining op me te wachten. Wat willen jullie van mij? Een beetje van dat lekkere malse gras langs de kant van het pad? Langoor hapt het gras meteen uit mijn hand, maar Domoor wandelt weg. ‘Domoor! Domoor!’ roep ik. Hij kijkt naar me om met een verwijtende blik. Ik zie hem denken: ‘Alles wat je zegt, ben je zelf.’ Gelijk heeft hij! Slimme ezel.
23
Woorduitleg 1 2 3 4
zwiepen = heen en weer buigen grazen = gras afscheuren en opeten boomgaard = stuk grond met fruitbomen psycholoog = iemand die zich bezighoudt met het gedrag van mensen 5 orthopedagoog = iemand die zich bezighoudt met kinderen in probleemsituaties of met moeilijk opvoedbare kinderen 6 mokken = boos en verdrietig zijn 7 een lieve lust = met veel plezier
24
Klavertje Vier. Zo heet de school van Anders, de potlodenvreter. Een heel speciale school waar alleen de ezel Domoor heet. Een smakelijke school, waar Wendy appeltaarten bakt. Juf Roosje geeft er les tussen witte muurtjes. En elke woensdag eet je er appelmoes. Maar je mag er enkel naartoe als je anders bent dan de anderen.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Aaron Van Lierde Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622832
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.