Skip to main content

Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 2 - N2 – De overtocht van Paddy

Page 1

ucatieve uitgaven

De overtocht van Paddy

BIEB

Noëlla Elpers

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 4

2


De overtocht van Paddy

1


Voor het begint ‘De overtocht van Paddy’ is een toneelstuk. Je kunt het met de hele klas naspelen als je wilt! Als je gaat toneelspelen, heb je niet alleen acteurs nodig. Iemand moet het decor1 bouwen. Er zijn mensen die voor het licht en de muziek zorgen. En je hebt ook een regisseur2 nodig. Hij of zij doet niet mee, maar zegt hoe alles moet gebeuren. Tips voor de acteurs en de regisseur zijn schuin gedrukt en schrijf ik tussen haakjes. Die tips moet je niet hardop zeggen. Je moet ze stilletjes lezen. Voor ik aan het toneelstuk begin, zal ik vertellen hoe Halloween ontstaan is. De acteurs en de regisseur moeten immers weten waarover het stuk gaat. Zelfs de licht- of klankman moet het weten! Hij of zij moet voor de juiste sfeer zorgen. Halloween is de dag waarop de kinderen in Amerika zich als monsters verkleden. Zo gaan ze zingend van deur tot deur. De kinderen spelen trick-or-treat. Dat wil zeggen: als ze geen snoepje krijgen, halen ze kattenkwaad uit. In Amerika is Halloween een griezelfeest. Toch is dat spookachtige pompoenfeest niet afkomstig uit Amerika, maar uit Ierland.

2


Komt het feest van Allerheiligen3? Of is het een overblijfsel van het Keltische Nieuwjaar dat op 31 oktober gevierd werd? Halloween heeft iets van die twee feesten. Op 31 oktober staken de Kelten vreugdevuren aan om Nieuwjaar te vieren. De druïden4 brachten op die avond hun brandoffers5. Het wegjagen van de geesten is dan weer een overblijfsel van Allerheiligen. In Ierland holde men op 31 oktober knolrapen uit. De Ieren zetten er een kaars in en zo werd de knolraap een lampion. Het gebruik6 om Halloween te vieren werd door de Ieren meegenomen naar Amerika rond 1840. Daar ontdekten ze de fantastische pompoenen. Die gebruiken ze sinsdien in plaats van knolrapen.

3


De traditie om knolrapen of pompoenen uit te hollen vindt zijn oorsprong in de legende van Jack de Vrek of Lantaarn-Jack. Voor het toneelstuk begint, zal ik het verhaal van Jack de Vrek vertellen. Het komt niet voor in het stuk, maar het is goed om te weten. Het gebeurde op de avond van 31 oktober … Een kleine duivel klopte op de deur van Jack de Vrek. Jack deed open. Het duiveltje stond op zijn bokkenpootjes te dansen. Hij lachte zijn scherpe tanden bloot. Er kwam rook uit zijn neusgaten. ‘Jouw tijd is gekomen, Jack!’ kraaide het duiveltje. ‘Ik kom je halen. Er is plaats voor jou in de hel …’ Maar Jack de Vrek had geen tijd om te sterven. Hij had zijn geld nog niet geteld en opgepoetst. Jack de Vrek verzon een list7. Hij wees naar de glimmende appels aan de appelboom in zijn tuin. ‘Oh,’ zuchtte Jack, ‘ik had nog zo graag eens een appeltje geproefd voor ik met u meega. Maar ik ben te oud om in de boom te klimmen en er een te plukken.’ Het duiveltje was lang de kwaadste niet. ‘Ik klim wel in de boom,’ zei hij. ‘Ik zou ook wel een appel lusten onderweg.’ Het duiveltje klom in de boom. Maar Jack was nog verbazend kwiek voor zijn leeftijd. Hij pakte een krijtje en tekende snel een kruisteken op de stam.

4


5


Duivels zijn immers heel bang van het kruisteken. Dus als je ooit een duiveltje tegenkomt, moet je vlug een kruisteken slaan. Het duiveltje durfde niet naar beneden te komen. Het drukte zijn bokkenpoten tegen zijn rode ogen en jammerde: ‘Jack – o – Jack, veeg dat teken weg!’ ‘Laat me nog tien jaar leven, dan doe ik dat!’ ‘Tien jaar?’ zei de duivel. ‘Tien jaar betekent niks in de hel. Mijn baas Lucifer zal het mij wel vergeven.’ Jack de Vrek veegde het kruisteken weg en het duiveltje ging lopen. Tien jaar later stond Jack voor de brandende hellepoort. De kleine duivel deed dienst als poortwachter. Hij sprong op en neer van opwinding toen hij Jack herkende. ‘Jij mag de hel niet in van mijn baas Lucifer,’ schreeuwde hij. ‘Jij hebt de duivel zelf bedrogen!’ Jack de Vrek ging dan maar op weg naar de hemelpoort. Sint-Pieter wreef over zijn lange baard. Hij schudde het hoofd. ‘Jij mag de hemel niet in, Jack,’ bromde hij. ‘Je bent een akelige, gierige man.’ Voor Jack zat er niets anders op dan terug te gaan naar de hel. De kleine duivel zag hem al van ver. Toen Jack bij de hellepoort aankwam, gooide het duiveltje hem een gloeiend houtje toe. ‘Hier vind je de weg mee in de duisternis,’ zei hij.

6


Jack zette het houtje in een uitgeholde knolraap om het langer te laten branden. En als het houtje niet is uitgegaan, brandt het nu nog ... Aan Jack de Vrek hebben we dus de lichtgevende knolraap te danken en later de pompoen. Hoe de knolraap van Ierland naar Amerika verhuisde, lees je in dit toneelstuk! In dit toneelstuk komen Ierse spookfiguren voor: de Grijze Man, het dwaallicht en de Pooka. In de tekst wordt duidelijk wat ze doen en hoe ze eruitzien.

7


De overtocht van Paddy De spelers: verteller, Molly, Mary, Tom, Paddy, pa van Paddy, dokter, spoken, dwaallichten, Alice (speelt ook een dwaallicht en de Pooka), ma van Alice De regisseur: de leerkracht Decor: leerlingen van de klas Kostuums: een mama Licht: een papa Klank: een papa of een mama

Met dank aan een mama voor het maken van de lekkere pompoensoep!

8


Scene 1: Mary O'Hara en Molly O'Neill (het Ierse liedje ‘Molly Malone’ weerklinkt.) Verteller: (in het spotlicht) Ierland, 1838. Twee arme vrouwen, Mary O’Hara en Molly O’Neill, komen elkaar tegen op straat. Ze hebben een dikke buik want ze verwachten allebei een kindje … (De verteller wijst naar de twee vrouwen die opkomen. Muziek stopt.) Mary: (met de handen op haar pijnlijke rug) Is het geen schande, Molly? Onze kerels werken allebei voor een rijke Engelsman. Maar hoe hard ze ook werken, ze verdienen het zout in de pap niet. Molly: Straks ga ik zeewier en mosselen zoeken op het strand van Doolin. Ga je mee, Mary? Mary: Tja, alle beetjes helpen. Als de kinderen het zeewier niet lusten, kan ik het gebruiken als mest voor de tuin. Als je dat lapje grond dat we hebben al een tuin kunt noemen … Molly: (met een bitter lachje) Dat lapje grond is geen tuin. En de krotten waar we in wonen zijn geen huizen. Het zijn hutten. We mogen al van geluk spreken als het dak niet lekt. (kijkt uit over de velden) Kijk eens hoe mooi Ierland is … Toch erg dat we hier niet kunnen overleven.

9


Mary: Wij hebben vier kinderen, allemaal hongerlijders. (streelt over haar buik) En het vijfde broodje zit al in de oven. De enige die daar blij mee is, is meneer pastoor: weer een zondaartje8 erbij!

10


Molly: (dromerig) Dit is ons eerste kindje … Als het een jongen is, noemen we hem Patrick, naar de beschermheilige van Ierland. Mary: (rolt met haar ogen) Ah! Dan is Ierland alweer een Paddy rijker!

(twee vrouwen gaan samen af, verteller blijft staan)

Scene 2: De Grijze Man (spot aan boven de verteller) Verteller: Ierland, 1847. Paddy O’Neill is negen en hij is een echte deugniet. Zijn vader moet van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat werken. Hij heeft geen tijd voor zijn zoon. Grootmoeder O’Neill zorgt voor de kleine Paddy. Maar grootmoeder is bijna blind. Zij ziet niet wat die jongen uitspookt. Gelukkig is er nog de buurvrouw Mary O’Hara. Bij haar is Paddy altijd welkom. Haar kleine John werd op dezelfde dag geboren als Paddy.

(Licht aan boven een tafel, een houten bank en een kookpot boven de haard. Mary roert in de pot. Tom O’Hara zit op de bank aan tafel)

11


Mary: Je moet onze John nog eens aanpakken, Tom. Hij en Paddy O’Neill hebben appels gepikt in de tuin van meneer Smith. Tom: Het is Paddy zijn schuld! Hij stookt onze zoon op. Die jongen is een boefje. Mary: Och, dat valt wel mee. Paddy mist een moeder, daarom is hij zo wild. (kijkt dromerig voor zich uit) Ik denk nog vaak aan die mooie Molly O’Neill met haar rode haar ... Ze stierf bij de geboorte van haar tweede kindje. Sheila, zo heette het zusje van Paddy. Ze leefde maar één dag langer dan haar moeder. Ze hebben het kindje in de armen van Molly gelegd. Zo liggen die twee begraven op het kerkhof van Doolin … Tom: Jij doet alsof Paddy één van onze koters9 is. Hij mag hier altijd mee-eten! Mary: Waar eten genoeg is voor twaalf, is ook eten voor dertien.

12


Tom: Dat is niet zo, Mary. Met die ene pan op het vuur kun jij onze maag niet meer vullen! Er is iets mis in Ierland … Altijd die regen en mist. De laatste tijd zijn de akkers voortdurend bedekt met grijze wolken … De Grijze Man spookt weer over het land! Mary: (slaat een kruisteken en prevelt) God beware ons!

13


Tom: (grijpt naar zijn keel) Zijn klamme handen grijpen naar je keel als je door de mist loopt. Als zijn hand je aangeraakt, word je ziek, Mary! De Grijze Man is een oude schim zonder botten in zijn lijf. Zijn lange jas sleept over het veld en zo bederven de aardappelen. De aardappeloogst mislukt en verrot. De mensen in Ierland sterven van de honger ... Mary: (zwaait met haar houten lepel) Zie maar dat de kinderen je zo niet horen spreken, Tom O’Hara!

Scene 3: Naar Amerika (spot op de verteller, rest van de scène is donker) Verteller: (ogen dicht, handen gevouwen) Sint-Patrick, heb medelijden met ons, Sint-Patrick, bescherm onze kinderen, Sint-Patrick, bid voor ons ...

(opent de ogen) Zo bidden de mensen op het veld terwijl ze de zieke aardappelen rooien10. Ze smeken Sint-Patrick om bescherming. Drie jaar na elkaar is de aardappeloogst mislukt. De aardappelen veranderen in zwarte smurrie11. Graan is er genoeg, maar dat wordt weggehaald door de Engelsen.

14


De Ieren worden ziek van honger. Eén miljoen mensen zijn al gestorven. Duizenden Ieren verhuizen naar Amerika. Is Sint-Patrick doof voor de gebeden van de mensen? Heeft hij Ierland verlaten en is hij meegevaren met de grote Amerikavaarder? En hoe moet het verder met Paddy? Hij is tien jaar en zo klein en mager. Zijn rode haar springt alle kanten op. Zijn ogen zijn groen en te groot voor zijn smalle gezicht. Hoeveel mensen heeft Paddy al zien sterven? Eerst zijn moeder en zijn zusje Sheila. Dan zijn grootmoeder, maar zij was al oud. Het is normaal dat oude mensen sterven … Het meest van al mist hij Mary O’Hara en zijn vriend, kleine John. Die twee zijn deze winter gestorven. Tom O’Hara bleef achter met negen kinderen, negen hongerige monden. Paddy is bang dat zijn vader ook zal doodgaan. Als zijn vader sterft, heeft Paddy niemand meer ... Soms droomt Paddy van de hemel.

15


(Paddy komt op, blijft in het spotlicht staan) Paddy: Zal er in de hemel genoeg te eten zijn? Gebakken aardappelen met spekvet ... Mmm… (licht aan boven een tafel, een bank en een haard met pot, Paddy tilt het deksel van de pot op) Maar hier is het weer niks! Vader: (komt op, hij is moe van zijn werk) Dag Paddy. Paddy: (gretig) Heb je iets te eten bij je? Vader: Nee, en ik ben hondsmoe. Ik heb graan geoogst bij meneer Smith. Paddy: En heb je er niets van mee gekregen? Vader: Nog geen korreltje. De Engelsen eten hun graan liever zelf op. (gaat zitten, doet de tabakspot open die op tafel staat en begint zijn geld te tellen) Paddy: (kijkt vol spanning toe) Is het genoeg? Vader: (met een zucht:) Ja! Wie of wat houdt ons nog tegen, Paddy? We verkopen de boel en we vertrekken naar Amerika! (licht uit boven Paddy en zijn vader)

16


Scene 4: Dokter MacFergus Verteller: (in het spotlicht) Voor je naar Amerika mocht overvaren, werd je onderzocht door een dokter. Laten we eens kijken wat dokter MacFergus over Paddy denkt … Dokter: (in het spotlicht: hij draagt een witte jas en een stethoscoop12, hij spreekt tot het publiek) Ik ben dokter Mac Fergus, in dienst van de Scheepscompagnie13 die naar Amerika vaart. (streng) Ik zeg jullie: je kunt niet zomaar vertrekken! Iedereen moet eerst onderzocht worden. (Paddy stapt in het spotlicht, met ontbloot bovenlijf) Ik kijk keel en mond na. (Paddy doet zijn mond open, de dokter kijkt) Daarna de oren (de dokter kijkt) en de kleur van het oogwit (de dokter kijkt). Wie zwak is of ziek, mag de boot niet op! Te veel lijken14 op het schip kunnen we niet hebben. Dat maakt de bemanning en de passagiers onrustig. (legt zijn handen nu op de schouders van Paddy en spreekt over zijn hoofd heen) Neem nu deze jongen, Paddy O’Neill. Eerst kwam zijn vader binnen: een magere kerel. Die was sterk genoeg. Daarna kwam de jongen binnen. (wijst naar de wangen van Paddy die rood zien)

17


Hij bloost onnatuurlijk. Ik weet zeker dat de vader in de wangen van zijn zoon heeft geknepen. Mij kun je niet bedriegen.

18


(pakt een arm van Paddy beet) Zie die armpjes eens: veel te dun! (draait Paddy om en kijkt hem aan) Ben je bang, jongen? Paddy: (bibberend) Nee, dokter. Dokter: Heb je het koud? (kijkt naar het publiek) Ik zeg jullie, die jongen is zwak! Normaal zou ik hem niet laten overvaren. Maar het is een levenslustig joch. Dat zie ik ook wel. De wil om te overleven is er. Ik laat mij niet snel meeslepen door mijn gevoelens. Maar voor één keer geef ik eraan toe. Ik ben geen monster, ik ben een dokter. Een vader en een zoon mag je niet scheiden van elkaar. Ik wil de kleine Paddy O’Neill wel een kans geven. (strijkt wat bruut door het haar van Paddy en duwt hem ‘naar buiten’, uit het spotlicht, de jongen zet het op een drafje, op een lopen, hij is blij)

19


Scene 5: Het vertrek Verteller: (in het spotlicht) Het is 30 oktober 1848. Paddy staat met zijn vader aan de reling van de grote Amerika-vaarder. Op de kade troept het volk samen om familie en vrienden uit te wuiven. In de verte ziet Paddy de groene heuvels van Ierland. Ergens vlak bij de kust ligt het graf van Mary O’Neill en baby Sheila. Op de kade vechten de meeuwen om wat visafval.

(licht op Paddy en zijn vader aan de reling van het schip) Vader: Morgen is het Halloween. Dan kun je overal op die heuvels de vreugdevuren zien branden om de geesten te verjagen. Paddy: Komen we ooit nog terug, pa? Vader: Dat denk ik niet, jongen … Paddy: (wrijft in zijn ogen, vader kijkt hem aan) Mijn ogen prikken van de rook van het schip … (Paddy wijst) Daar … Een kraai tussen de meeuwen. Is dat een slecht voorteken?

20


Vader: Natuurlijk niet. Het is herfst en ook de kraaien hebben honger. Ze trekken de stad in, omdat er op het land niet veel te vreten valt. Paddy: Als kleine John nog leefde, was hij zeker meegegaan. Hij zou dit schip fantastisch gevonden hebben. Met John had ik het schip kunnen verkennen. Alleen durf ik dat niet. (de scheepshoorn loeit) Vader: Twaalf uur. We vertrekken. Zullen we zwaaien, Paddy? Paddy: Er staat niemand op de kade voor ons. Vader: Kom, we zwaaien toch. Dag Ierland … (Paddy en zijn vader zwaaien. Spot gaat uit.)

Scene 6: Nacht van de levende doden (Donker. Mist uit een rookmachine: op de scène staan verlichte koolrapen. Spot op de verteller) Verteller: (dreigende muziek op trom en fluit) Het is de avond van 31 oktober. Benedendeks en derdeklas hebben Paddy en zijn vader een hangmat gekregen tussen een lange rij hangmatten. Paddy wrijft over zijn holle maag.

21


Samen met zijn vader dwaalt hij over het dek, op zoek naar eten. In het schemerlicht ziet hij spookachtige vormen: de Ieren hebben zich met lakens verkleed. De uitgesneden gezichten van de knolrapen grijnzen. Het is ijskoud. Boven het water drijven mistsluiers. Een vrouw zingt een klaaglied. (klaaglied weerklinkt). Paddy: (wijst naar de mist en huivert) Zijn dat de geesten die ons achtervolgen? Vader: Laat ons hopen van niet. Hier, pak dit. (ze hangen een doek dat op de grond ligt over hun hoofd) Deze nacht keren de doden weer die tijdens het jaar gestorven zijn. We moeten ze afschrikken. Doe maar alsof je lelijk bent en zwak. Dan ben je een slechte prooi15. Maar pas op, Paddy, deze avond, als wij gaan eten, moeten we dubbel voorzichtig zijn. De doden schuiven mee aan tafel en proberen je ziel te stelen! (vader verdwijnt)

22


Paddy: (dwaalt rond tussen spoken die opkomen en is bang) Pa? Waar ben je … Wie is een spook en wie is mens? (een klein spook blijft voor Paddy staan) Ben jij soms de geest van kleine John? (De schim kluift zwijgend aan een bot.) Kleine John? Kunnen geesten ook eten? Hoe is het eigenlijk om dood te zijn? (de geest komt dichterbij en Paddy deinst terug) Je mag mijn ziel niet stelen!

23


(een andere geest komt op en strekt de armen uit) Paddy: Mary … Mary O’Hara? (De geest grijpt Paddy beet. Die gilt. De geest doet het laken af: het is zijn vader.) Vader: (lachend) Wat heb je? Heb je soms een spook gezien, Paddy? Paddy: (knikt heftig) Dat heb ik! Vader: Gekke jongen, spoken bestaan toch niet!

Scene 7: De dwaallichten Verteller: (de dreigende muziek klinkt nu zachter) Paddy gaat laat naar bed. De hangmat wiegt. Hij wordt misselijk. Het is jaren geleden dat hij zo veel gegeten heeft. Het eten ligt op zijn maag. De Ieren proberen nog steeds de geesten te verjagen. Paddy durft zijn ogen niet dicht te doen. Hij wacht tot zijn vader naast hem in de hangmat ligt. Hij wordt het beu en staat op. Kijk, daar is Paddy …

(In de verte klinkt nu Ierse dansmuziek. Het is heel donker op het podium. Er verschijnen flakkerende lichtjes: in het zwart geklede figuren die met een zaklamp bewegen op de maat van de muziek.)

24


Paddy: (wijst) Wat voor lichtjes zijn dat? (Er klinkt een ijselijke gil. Paddy schrikt.) Die lichtjes … Zijn dat soms krijsende dwaallichten? Zijn het de verloren zieltjes16 van ongedoopte kinderen? Die verschijnen soms op de nacht van Halloween … Ze knopen de levenden met een touw aan zich vast en sleuren ze mee!

(De dwaallichten zweven. Eentje zingt met ijle stem.) Dwaallicht: Doe open de poort! Ga voort, voort, voort. Ben jij het, Paddy, die ons nu hoort? Paddy, Paddy, kom met ons mee en pak nu die koord! Kom met ons mee en sluit nu de poort!

(de sprekende schim staat nu vlakbij) Paddy: (bang) Wie ben jij? Ben je een dwaallicht? Kom je me halen? Dwaallicht: (onder een doek, werpt een touw naar hem toe) Pak het dan! (Paddy deinst terug)

25


Scene 8: De Pooka (Paddy blijft stokstijf staan. Het ‘dwaallicht’ is op een afstand van een paar meter blijven staan.) Paddy: (bang) Ben jij soms het lichtje van mijn zusje Sheila? Ken je daarom mijn naam? Dwaallicht: (met een lage meisjesstem) Ik ben geen dwaallicht, ik ben de Pookààà! Ik kan elke gedaante17 aannemen. Paddy: (ongelovig) De Pooka? Dat kan niet! De Pooka verschijnt als een groot zwart paard met wapperende manen en lichtgevende ogen. Jij bent de Pooka niet!

26


Dwaallicht: (ongeduldig) Zo zie ik er soms ook uit! Ik heb het toch gezegd? De Pooka kan elke gedaante aannemen! Geloof je me niet? Paddy: (wijst naar de hand van het dwaallicht) Je hebt de hand van een mens! (Hij springt naar voren en trekt het doek weg) Dwaallicht: (gilt meisjesachtig) Idioot! Wat doe je! Paddy: (verbaasd) Ben jij het? Ik heb jou al eens gezien.

(licht uit boven Paddy en Alice)

Scene 9: Alice Verteller: (in spotlicht, op geheimzinnige toon) Wie is het? Een mens of een spook? Een vrouw of een man? Wil je het weten? Luister dan …

(licht weer aan boven Paddy en Alice) Paddy: Hoe weet jij dat ik Paddy heet? Alice: Dat heb ik gehoord. (wijst naar haar oren) Paddy: (boos) Vond je het fijn om mij bang te maken? Wie ben jij eigenlijk?

27


Alice: (springt op hem af en grijpt Paddy bij de mouw) Ik ben de Pookààà! Paddy: Hou op met die onzin!

(Alice strijkt door haar lange haren en lacht) Alice: Zie je niet dat ik de Pooka ben?

28


Paddy: Hoe heet jij? Alice: Mijn naam is Alice. Paddy: Waarom wilde je mij laten schrikken? Alice: Omdat jij hier toevallig bent. Het is Halloween en ik verveel me. Mijn moeder heeft geen tijd om op mij te letten. Ze heeft het te druk. (wijst) Kijk!

(muziek waar heimwee naar Ierland in doorklinkt. We zien de vader van Paddy dansen met een vrouw. Alice pakt Paddy bij de hand. Ze trekt hem mee, tot ze dicht bij het dansende paar staan.) Paddy: (verbaasd) Ik wist niet dat pa kon dansen … Alice: Dat kan hij ook niet, maar het houdt hem niet tegen om met mijn ma te dansen. Paddy: Is dat jouw moeder? Alice: Jep! Paddy: En waar is je vader? Alice: Die is in de hemel.

29


Paddy: Net als mijn moeder …

(spot aan boven de verteller terwijl de kinderen blijven kijken naar het dansende paar) Verteller: De volgende dagen trekken Paddy en Alice samen op. Ze verkennen het ruim van het schip. Ze komen op plekken waar niemand mag komen. In de scheepskeuken en in de stookkamer waar het zo warm is als de hel. Ze spelen verstoppertje en vervelen zich geen moment. De vader van Paddy en de moeder van Alice zijn ook vaak samen te vinden.

(vader en moeder stoppen met dansen en gaan arm in arm af, gevolgd door Alice en Paddy, hand in hand)

30


Verteller: Zie hoe ze van de boot stappen. Beginnen zij samen een nieuw leven in Amerika? Ik hoop het. En ik denk het wel … Alle spelers: (komen zingend op met een lichtje)

Ween, ween, ’t is Halloween! Ween, ween, ’t is Halloween! Ween, ween, ’t is Halloween! Appplaus en doek

31


Woorduitleg 1 decor = achtergrond bij een toneelstuk 2 regisseur = persoon die ervoor zorgt dat een toneelstuk goed uitgevoerd wordt 3 Allerheiligen = katholieke feestdag van de heiligen op 1 november 4 druïde = Keltische priester 5 brandoffer = offeren van bv. een dier door verbranding 6 een gebruik = gewoonte om iets te doen 7 list = slimme streek 8 zondaar = iemand die iets fout gedaan heeft 9 koter = kind (dialect) 10 rooien = uit de grond halen 11 smurrie = modderig vuil 12 stethoscoop = instrument waarmee de dokter je longen onderzoekt 13 scheepscompagnie = scheepsmaatschappij 14 lijk = dood lichaam 15 prooi = slachtoffer 16 verloren zieltjes = men geloofde dat als een ongedoopt kind stierf, het niet naar de hemel ging 17 gedaante = gestalte, vorm

32


Halloween is een een griezelfeest … In dit boek kom je te weten hoe het feest ontstaan is. Samen met Paddy steek je het grote water over, naar Amerika, op de nacht van Halloween. Het is alsof de geesten en spoken van Ierland meereizen op het schip … Tegelijk is ‘De overtocht van Paddy’ een toneelstuk dat je met de hele klas kunt naspelen!

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Hanne Holvoet Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622832

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 2 - N2 – De overtocht van Paddy by die Keure - Issuu