ucatieve uitgaven
BIEB
De ergste vijand Kristien Dieltiens
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 4
1
De ergste vijand
1
Een flits uit het verleden Filips bekeek zichzelf in de vergulde spiegel. Men zei dat hij mooi was. Men zei dat hij het gezicht van zijn mooie moeder had en de rijzige gestalte van zijn vader. Vandaag zou hij zijn toekomstige bruid zien. Vorige maand was hij zestien jaar geworden. Oud genoeg om te trouwen en oud genoeg om als een echte koning zijn land te regeren. Hoe zou zijn bruid eruitzien? Zou ze dik en rond zijn? Zoals een vetgemeste gans?
Of zou ze hoekig en dun zijn, als een wandelende tak? En hoe moest dit nu verder? Zij sprak Spaans en hij kende alleen maar Nederlands. Filips fronste zijn wenkbrauwen. In de spiegel zag hij zijn eigen bezorgde gezicht. Het enige wat hij wist, was haar naam: Johanna. En dat was alvast mooi. Hij fluisterde haar naam een paar keer tegen zijn spiegelbeeld. 2
Filips ging zitten op de rode fluwelen stoel voor de spiegel. Hij was nu een man en zo zag hij er ook uit. Hoe lang was het geleden dat hij hier zat? Er flitste een beeld door zijn hoofd en er ging een steek door zijn hart. En weer voelde hij het diepe verdriet. Hij dacht aan die ene dag. Twaalf jaren geleden. Die dag dat alles veranderde voor hem. De dag dat hij besefte wie zijn vijand was. Vier jaar was hij toen. Een kleine kleuter die nog niets wist van de wereld. 3
Hij zat op de kleine stoel naast zijn moeder en keek haar bewonderend aan. Wat was ze mooi! Zijn ogen ontmoetten haar ogen in de spiegel en ze glimlachte naar hem. Haar stoel was zo zacht als de huid van een perzik. De leuningen waren gemaakt van kersenhout. Filips keek naar de leeuwenkoppen aan de leuning. Hij was er nog steeds een beetje bang van. Ze leken zo griezelig echt. Hun muil was opengesperd, klaar om hem op te eten. Hij kon de scherpe tanden tellen. Was deze stoel echt door een beeldhouwer gemaakt? Voorzichtig raakte hij ze met één vinger aan. En trok vervolgens vlug zijn vinger weer terug. ‘Filips, ze bijten niet, hoor,’ lachte zijn moeder. Als ze lachte, werd ze nog mooier. Ze nam zijn kleine hand en legde die op de leuning. ‘Voel maar Filips, de leeuwen zijn van hout! Ze zijn gemaakt door een meubelmaker.’ Als zij het zei, was het zo. Zijn moeder sprak altijd de waarheid. Hij legde zijn hand op de leuning. De leeuw beet niet en weer keek Filips zijn moeder aan. Ze kamde haar zwarte haren, zodat haar hoge voorhoofd vrij kwam. Vervolgens maakte ze lange vlechten en wikkelde die in kleine rondjes tegen haar oren. Daarna speldde ze het hoge hoofddeksel vast. Het was niet gemakkelijk en Filips hielp haar om de puntige hoed vast te houden.
4
5
Haar huid was zo wit als room. Haar mond was rood en hartvormig. Filips zuchtte diep en glimlachte. ‘Mama, ik wil zo graag met je trouwen,’ zei hij. Zijn kleine hand aaide de zachte stof om haar arm. ‘Ik vind jou de mooiste vrouw ter wereld.’ Zijn moeder lachte haar witte tanden bloot, boog zich naar hem en kuste hem. Ze rook naar rozen en viooltjes uit de tuin. En naar een dag in de zomer. ‘Mijn kleine Filips, je moet nog wat geduld hebben. Zeker tien jaar. Dan zal je ontdekken hoeveel mooie vrouwen er op de wereld rondlopen.’ Ze trok hem op haar schoot. Ook al was hij al vier jaar, hij vond het nog steeds fijn. Heel even keek hij naar de deur. Gelukkig kwam zijn vader niet naar binnen. Hij zou vast en zeker morren en zeggen: ‘Filips, je bent geen baby meer. Je bent een prins. Als je later groot bent, word jij de nieuwe koning. Een prins zit niet meer op de schoot van zijn moeder. Dat doen alleen kleine ukjes.’ Filips vond het niet erg om een ukje te zijn. Op de schoot van mama was de allerfijnste plek. En om koning te worden, had hij helemaal geen zin. Het liefst van al wilde hij spelen in de tuin. Kikkers vangen in de slotgracht, of eieren zoeken in de mezennesten in het kreupelhout. Of in de keuken bij de keukenmeid de potten uitlikken. Of gewoon binnenblijven en op zijn hobbelpaard zitten.
6
Van zijn vader moest hij leren vechten en op een echt paard leren rijden. Het was gelukkig maar een klein paardje, niet groter dan een ezel. Maar toch was het hoog genoeg om lelijk te vallen. ‘Filips, een prins mag niet bang zijn,’ zei zijn vader. ‘Daarom moet je leren omgaan met zwaard en schild. Zodat je je altijd kunt verdedigen tegen de vijand.’ De smid van zijn vader smeedde in een hoog vuur een echt ijzeren schild. Daarop werd zijn naam en een kroon gegraveerd. Hij kreeg ook een houten zwaard, om te oefenen. ‘Nu zal ik je alles leren wat je moet kennen,’ sprak zijn vader. 7
8
Een vijand met vele gezichten Filips leerde vechten. Eerst moest hij oefenen met een schobbejak. Dat was een strooien pop met een doek eromheen. Hij was aan een paal vastgebonden. Er hing ook een houten vlegel aan die paal vast. Een ding dat gemeen pijn kon doen. Op zijn paardje moest hij naar de strooien pop galopperen, met een houten speer in zijn rechterhand. Met die speer moest hij de schobbejak raken. Als hij missloeg, draaide de strooien pop in het rond en klopte de houten vlegel tegen zijn achterwerk. Als hij met zijn zwaard de pop raakte, dan klapte zijn vader in zijn handen. ‘Flink zo, Filips, zo ga je de vijand te lijf!’ Filips wist niet wat een vijand was. Hij durfde het aan zijn vader niet te vragen. Dus vroeg hij het aan zijn moeder. Ze was net bezig haar armband van witte parels dicht te knopen. ‘Mama, wat is een vijand?’ Zijn moeder keek hem ernstig in de spiegel aan en antwoordde: ‘Een vijand kan zoveel zijn. Het kan alles of iedereen zijn. Het kan zelfs in een klein hoekje verscholen zitten.’ Ze zag zijn grote niet-begrijpende ogen en zei: ‘Als je een berg wilt beklimmen, is een loszittende steen je vijand. Als je op zee vaart met je boot, dan probeert de wind je vijand te zijn.
9
Als je iets gevaarlijks moet doen, dan kan de angst je vijand zijn. Zelfs een kleine muis of een loszittende tak op je weg, kan je vijand zijn. Zeker als je paard daardoor op hol slaat.’
‘Zo zie je maar, Filips, een vijand heeft vele gezichten. Maar jij bent nog te jong om een vijand te hebben.’ Filips begreep er nog steeds niet veel van. Zijn moeder trok haar rijmantel aan, nam hem bij de hand en samen liepen ze de binnenplaats op. Daar stonden meer dan twintig paarden gezadeld. Wat verder stonden de bleke windhonden ongeduldig te wachten. Ze blaften alsof ze wisten dat de jacht spoedig zou beginnen. Ze roken al het wild dat in het bos te vinden was.
10
De dag van de jacht Filips zag zijn vader staan bij de andere ruiters. Op zijn arm droeg hij een valk die geblinddoekt was. Zijn vader wenkte hem met zijn vrije hand. Met zijn korte beentjes snelde Filips naar zijn vader. ‘Filips,’ sprak zijn vader. ‘Vandaag mag je mee tot aan het bos. Dan keer je samen met Gerard terug. Jij zult bij hem op het paard zitten. Hij is de beste ruiter van mijn gezelschap.’ ‘Vader, waarom mag ik niet bij u op het paard?’ vroeg Filips. Hij hield niet zo van Gerard. Die man keek altijd nors. En hij rook niet lekker. Alsof hij niet één, maar tien glazen wijn had gedronken. Zijn vader schudde zijn hoofd. ‘Dat kan niet Filips, ik moet de jacht leiden. En dat gaat niet met een kind erbij.’ ‘Mag ik dan bij mama op het paard?’ jengelde hij. Zijn vader luisterde niet meer. Hij was druk bezig met de andere ruiters. Ze maakten grapjes en lachten hardop. Niemand die nog aandacht besteedde aan de kleine jongen. De hoorn schalde. En nog een keer. Iedereen was klaar om te vertrekken.
11
Twee grote handen tilden hem op. Het was Gerard. Filips schopte met zijn voeten. ‘Ik wil bij mama op het paard,’ riep hij. Gerard lachte. De punten van zijn zwarte snor krulden omhoog. ‘Jongens horen bij de mannen,’ zei hij. ‘Ik wil bij mama!’ zeurde Filips. ‘Laat me los!’ ‘We zullen vlak achter je moeder rijden,’ zei Gerard die genoeg kreeg van zijn gezeur. Filips zag hoe zijn moeder een leren handschoen kreeg omgegespt. Daarop droeg ze de valk met de blinddoek. Wat was zijn moeder mooi!
12
De jachthoorn schalde voor een derde keer. Een lange toon die een echo deed klinken in de verte. Vogels vlogen verschrikt op uit het struikgewas. De ruiters gaven hun paarden de sporen. Ook Gerard vertrok en Filips voelde twee sterke armen om hem heen. Daar vlak voor hem reed zijn moeder. Haar rijmantel was van kersenrood fluweel. Ze was als een rode bloem in het vele groen van het landschap. Ze had een bonten kraag van witte hermelijn. De sluier aan haar hoed wapperde. Ze was de mooiste van iedereen. Ze zat niet zoals de jagers schrijlings op het paard. Nee, haar beide benen hingen langs een zijde van de flank van het paard. Ze zat op een dameszadel. ‘Mama!’ riep Filips. Maar zijn moeder hoorde hem niet. Zijn stem verdween in het tumult van de geluiden van de jacht. De jachthoorn schalde, de honden draafden en de hoeven van de paarden klepperden op de aarden weg. Langs de weg bloeide het speenkruid en de bosviooltjes. ‘MAMAAA!’ riep hij nogmaals. Deze keer hoorde ze hem. Ze draaide zich om en lachte. Toen liet ze de valk op haar arm los. Hij schoot de hoogte in en vloog naar het diepblauw van de hemelse lucht. Ze keek hem na en toen de valk roerloos zweefde tussen de witte wolkjes door, riep ze: ‘Kijk Filips, de valk zweeft.’
13
Ze wees naar de vogel in de lucht. ‘Hij kan vliegen zonder zijn vleugels te bewegen. Het lijkt wel alsof hij aan het bidden is.’ Ze lachte zo lief naar hem. En zwaaide nog een keer naar hem. Die ene keer werd ook de laatste keer.
14
Een vreemd gevoel Ze kwamen aan de rand van het bos. Gerard draaide zijn paard en reed in de richting van het kasteel. Filips was nog altijd boos. ‘Ik wil bij de jagers blijven. En bij mijn moeder!’ riep hij opstandig. Maar Gerard luisterde niet naar hem. Hij had immers het bevel gekregen van de koning. Tot aan het bos en niet verder. In het kasteel werd Filips naar de grote zaal gebracht. Hij kreeg een bord voorgeschoteld met kip en druifjes. Zijn tinnen beker werd gevuld met bessensap.
Ook al was hij gek op kip, hij wilde niet eten. Bessensap wilde hij ook al niet. Ook zijn hobbelpaard bleef staan. Filips had in niets zin. Er knaagde iets in zijn buik. Alsof er een ratje in zat dat kleine gaatjes maakte. 15
‘Wat scheelt er?’ vroeg de kokkin die zijn lege bord wegnam. ‘Zal ik koekjes voor je bakken. Of roompudding maken?’ Filips schudde zijn hoofd. ‘Filips, wat is er?’ vroeg nu ook Gerard. Filips haalde zijn schouders op. Hij wist het niet en toch ook weer wel. Het had met zijn moeder te maken. Hij had opeens zo'n vreemd gevoel. Toen ze naar hem lachte en zwaaide. Er hing een donkere wolk boven zijn hoofd. Gerard kwam naast hem zitten en legde zijn handen op die van de jongen. ‘Zullen we een partijtje schaken?’ Hij zette het grote schaakbord op de tafel en Filips koos de zwarte schaakstukken.
Waarom wist hij zelf ook niet. Als hij met zijn vader schaakte, koos hij altijd de witte stukken. Was het vanwege de zwarte snor van Gerard? Of was het omdat hij een zwart gevoel had in zijn hart? 16
Ze speelden tot de zon onderging en Gerard liet Filips winnen. De knecht gooide verse houtblokken op het vuur. Even later hoorde Filips het geluid van paardenhoeven op het binnenplein. De jacht was voorbij, wist hij. Hij stoof naar het raam dat uitkeek op het plein. Het was er schemerig, bijna donker. Hij kon niet onderscheiden wie er allemaal binnenreed. Wat hij wel wist, was dat zijn moeder er niet bij was. Hij hoorde de drukte van de stemmen, de mannen riepen door elkaar. Enkele ruiters stormden het kasteel binnen. Even later sprongen ze weer op hun paard. Ze verdwenen in snelle galop weer in de richting van het bos. Filips hield zijn adem in en bleef door de groene rondjes van het venster naar buiten kijken. Ook Gerard was stil en keek door het raam naar buiten. Hij zuchtte. Opeens voelde Filips weer de hand van Gerard op zijn schouder. Een hand die iets probeerde te verbergen. Neen, een hand die iets vertelde. Iets ergs. ‘Het zal wel niet zo erg zijn,’ zei Gerard met een schorre stem. ‘Wat?’ fluisterde Filips zo stil dat Gerard het onmogelijk had kunnen horen. Toen werd er niets meer gezegd. De tijd ging tergend traag voorbij.
17
Het onheil De maan stond al boven het kasteel toen de ruiters stapvoets terugkwamen. Twee ruiters hielden de paarden bij de leiband. Vier ruiters droegen een zeil in hun midden. Er lag een gedaante in. Een blanke hand bungelde over de rand van het doek. Aan de pols was een armband van witte parels te zien. Ze blonken in het maanlicht. ‘Nee! Mama! Nee!’ krijste Filips. Hij schudde zich los en Gerard kon hem niet meer tegenhouden. Half struikelend liep Filips langs de wenteltrap van de toren naar beneden. 18
Door de grote zaal, door de grote marmeren gang, over de binnenplaats. Vlak voor hij de gedaante in het zeil bereikte, werd hij opgevangen door zijn vader. ‘Filips,’ zei zijn vader. Er was een snik in zijn stem. ‘Ik wil bij mama!’ riep Filips. ‘Laat me los! Ik wil haar zien!’ Opeens was hij zo sterk dat zelfs zijn vader hem niet kon tegenhouden. Hij rukte zich los en liep weg. Bij het zeil bleef hij staan. Daar lag ze. Mama. Zijn moeder was witter dan wit. Dit was niet meer de kleur van room. Dit was de kleur van zijn ergste vijand. Het was de kleur van de dood. Een van de ruiters had het paard van zijn moeder aan de leiband vast. Filips holde ernaartoe en legde zijn neus tegen de warme vacht van het paard. De merrie was gitzwart, net als de haren van zijn moeder. Ze hinnikte en schraapte met haar hoef tegen de kasseien. Filips snikte tegen haar vacht. Die avond hoorde Filips het droevige verhaal.
19
Hij was nog maar net teruggekeerd met Gerard, of het ongeluk gebeurde. De merrie van zijn moeder was opgeschrikt door een wild konijn dat het pad overstak. De merrie was gaan steigeren en had zijn moeder van zijn rug gesmeten. Ze viel met haar hoofd tegen een puntige steen. Ze was op slag dood. Niemand had het ongeluk kunnen tegenhouden. ‘Een ongeluk steekt soms in een klein hoekje,’ zei Gerard. Dezelfde woorden die zijn moeder die ochtend tegen hem had gezegd. Zijn moeder werd opgebaard in het kasteel.
20
De kamer geurde naar de bloemen die rond haar lichaam lagen. Filips was niet van haar bed weg te slaan. Overal brandden de waskaarsen. Na drie dagen werd ze naar de graftombe in de kapel overgebracht. Filips wist nu wie zijn ergste vijand was. Het was niet het wilde konijn dat plots de weg was overgestoken. Het was niet de merrie die plots steigerde. Het was niet zijn vader die de jacht had georganiseerd. Nee, het was de dood. Tegen de dood kun je niet vechten. De dood was een vreemde heer. Hij kwam ongevraagd naar binnen. Hij was de sterkste. Niemand kan de dood overwinnen.
21
Een koningin voor de koning Enkele dagen later werd de kleine Filips de nieuwe koning. De zon scheen uitbundig en de velden stonden vol met paardenbloemen en speenkruid. Hij werd gekroond in de ridderzaal. Alles leek te groot. De kroonzaal, de troon waarop hij moest zitten. Hij kon niet eens met zijn voeten op de grond. De kroon was te groot en veel te zwaar voor zijn kleine hoofd.
22
Iedereen knielde voor hem. Zelfs zijn vader. Het scheelde niet veel of Filips moest huilen. Was mama maar hier, dacht hij de hele tijd. Gelukkig zag zijn vader het. Na het grote kroningsfeest – toen iedereen weg was – nam zijn vader hem op de schoot. ‘Mijn lieve zoon, ik zal voor je zorgen.’ ‘Hoeft niet,’ zei Filips beslist terwijl hij zijn tranen droog veegde. ‘Op de schoot zitten is voor een ukje en dat ben ik niet meer.’ Hij sprong van zijn vaders schoot. Zijn vader glimlachte. ‘Ik zal je helpen, Filips,’ zei hij. ‘Ik zal je alles leren wat je moet weten om een goede koning te worden. Ondertussen zal ik in jouw plaats het land besturen tot je zestien jaar bent.’ Die herinneringen vlogen door Filips heen, terwijl hij in de spiegel keek. Nu moest hij het alleen doen. Zonder zijn vader. Nu moest hij alles alleen beslissen. Vandaag zou hij Johanna voor het eerst ontmoeten. Op de binnenplaats klonken de hoeven van een paard. Hij keek door het raam en schrok. De merrie van Johanna was inktzwart en leek als twee druppels water op de merrie van zijn moeder. Dit was een goed teken! Even later ging de deur open. Er kwam een vrouw binnen met ogen zo zwart als de nacht. En met een huid zo wit als room. Haar rode mond had de vorm van een hart. Ze rook naar rozen en viooltjes. Filips wist niet wat hem overkwam. Het was alsof zijn hart in vuur en vlam stond. 23
Hij begroette haar met de woorden: ‘Jij zult de liefste vrouw worden in mijn leven. Ik hou nu al zoveel van je.’ Hij kuste haar hand. Ook al verstond Johanna geen woord Nederlands, ze zag de liefde in zijn ogen en ze dacht: Filips is de schoonste man die ik ken. Ik wil hem liefhebben tot aan mijn dood. En zo gebeurde het.
Nawoord Filips de Schone werd op 4-jarige leeftijd koning (27 maart 1482). Zijn naam kreeg hij omdat hij een hele mooie man was. Hij erfde al de bezittingen van zijn moeder Maria van Bourgondië. Zijn vader, de Duitse keizer Maximiliaan van Oostenrijk, bestuurde het land in zijn plaats tot hij meerderjarig werd op 16 jaar. Hij trouwde met Johanna van Castilië en er werd gezegd dat ze allebei van de eerste seconde op elkaar verliefd werden. Ze konden niet wachten tot het grote huwelijksfeest werd voltrokken, daarom zochten ze diezelfde dag nog een gewone priester die hun huwelijk inzegende. Later werd het huwelijk nog eens met pracht en praal overgedaan. Ze kregen samen zes kinderen. Na de dood van Filips treurde Johanna zo erg dat ze er ziek van werd. Haar gedrag was vreemd en men noemde haar Johanna de Waanzinnige. Ze stierf in 1555. 24
De kleine Filips wordt door zijn vader opgeleid als ridder. Hij zal later koning worden en op een troon zitten, net als zijn moeder. Zijn moeder is de liefste en mooiste vrouw die hij kent. Op een dag gaan zijn ouders op jacht. Filips mag niet mee omdat hij nog te klein is. Die dag gebeurt er een vreselijk ongeluk.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Seppe Van den Berghe Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622832
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.