Skip to main content

Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 2 - N2 – Ik had het moeten zijn

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Ik had het moeten zijn! Kristien Dieltiens

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 4

2


Ik had het moeten zijn!

Gisteren was de vreselijkste dag uit mijn leven. Ik kan het nog steeds niet begrijpen. 1


Ik had het moeten zijn. Ik alleen! Iedereen zei dat ik het liefste en mooiste meisje was dat er in Antwerpen op twee benen rondliep. Nu ja, bijna iedereen. Ik ben enig kind, dus mijn ouders konden moeilijk zeggen dat mijn broer of zus mooier was dan ik. Maar ook de buren, mijn grootouders, mijn tantes en mijn ooms zeiden iedere keer weer hoe mooi en lief ik was. As ik voor de spiegel sta, moet ik toegeven dat ze gelijk hebben. Ik heb lange goudblonde krullen. Mijn grote ogen hebben de kleur van korenbloemen in de zomer. Mijn huid is zo wit als room en ik pas goed op dat het zo blijft. Van mijn grootmoeder heb ik een parasolletje gekregen. Er zijn roosjes op geborduurd. Als ik naar buiten ga, neem ik het altijd met me mee. Ik voel me al een hele dame, ook al ben ik nog maar negen jaar. De zon kan niet aan mijn gezicht. Door mijn zijden handschoenen blijven ook mijn fijne handen gespaard van de moordende stralen van de zon. Alles was in orde. En toch gebeurde er iets vreselijks. Laat ik bij het begin beginnen. Vorige week kwam meester Hendrik met een glimlach het klaslokaal binnen. Meester Hendrik glimlacht nooit! Nooit! Hij is een enge man die vooraan in de klas de hele tijd rondkijkt naar wie er oplet en wie niet.

2


3


O wee, als je niet aan het werk bent! Als je nog maar een vin verroert, haalt hij de berkentwijg uit zijn lessenaar. Dan mag je vooraan op de trede komen staan en dan geeft hij minstens vijf tikken van de tak. De tak voelt aan als een zweepslag, zeggen de kinderen. En ik geloof ze, want wie van de berkentwijg heeft gekregen, draagt voor drie dagen rode striemen op zijn hand. Mij is het nog nooit overkomen. Ik ben niet alleen lief en mooi, ik ben altijd braaf. In de klas let ik goed op en ik doe altijd wat de meester mij vraagt. Hij heeft me graag, ik voel het. Als hij als een brombeer voor het bord staat, glimlach ik als een engel naar hem. Hij glimlacht nooit terug, maar als hij tussen de banken loopt om te controleren of iedereen goed werkt, aait hij even mijn hoofd. Nee, die dag was anders. Hij stond vooraan en hij keek iedereen glimlachend aan. ‘Jongens en meisjes, gedraag jullie goed, want jullie krijgen hoog bezoek.’ We keken elkaar aan. Hoog bezoek? Wie zou het kunnen zijn? We kregen weinig kans om er ons hoofd over te breken. De deur ging open en de burgemeester kwam binnen. De burgemeester van Antwerpen? Hier in onze klas? Niemand verroerde een vin.

4


5


Wat kwam hij hier doen? Ik had hem nog nooit van dichtbij gezien. Hij woonde op het grote stadhuis op de Grote Markt en alleen op een feestdag kwam hij op het balkon staan om de mensen te groeten. ‘Jongens en meisjes. Ik heb een belangrijke mededeling voor jullie. Volgende week krijgt onze stad hoog bezoek. Keizer Napoleon Bonaparte komt helemaal vanuit Frankrijk naar onze stad. We willen hem welkom heten en hem een grote, gouden sleutel overhandigen. Zo weet hij dat Antwerpen ook zijn stad is. Hij heeft geweldige plannen om onze haven grootser te maken. Hij wil van Antwerpen een wereldhaven maken en ... bla, bla, bla ...’

6


Wat Napoleon van plan was, interesseerde me niet echt. Er was iets anders, ik voelde het en straks zou het komen. Ik bleef glimlachend naar hem kijken en streelde de plooien uit mijn jurk glad. ‘... en daarvoor heb ik drie kinderen nodig!’ Ik was opeens klaarwakker. ‘Drie kinderen uit deze klas. Deze school is de beste van de stad en jullie ouders zijn allen vooraanstaande mensen. Meester Hendrik heeft me gezegd dat in deze klas de slimste, braafste en mooiste kinderen zitten van de hele school. Daarom ben ik hier. Om de flinkste jongen en het mooiste meisje uit te kiezen.’ Had hij het over mij? Dat kon niet anders. Ik draaide mijn hoofd in alle richtingen en keek naar de anderen. Iedereen zat oplettend te luisteren, behalve Dries. Die zat in zijn neus te peuteren. Kon ook niet anders. Dries was een lompe boerenzoon op klompen. Zijn vader was wel de rijkste herenboer uit de hele streek. Maar een boer blijft een boer, vond ik. Niemand wilde naast Dries zitten, want hij stonk vreselijk naar de mest. En zijn huid was roodverbrand, omdat hij altijd moest helpen met de oogst.

7


De burgemeester haalde een witte zakdoek uit de zak van zijn paarse overjas en snoot drie keer. Daarna vouwde hij de zakdoek weer dicht. Op een knip van zijn vingers gaf een knecht hem een klein, rond zilveren doosje. Hij opende het, plukte er met twee vingers een snuifje tabak uit en snoof het op met zijn beide neusgaten. Vanwaar ik zat, kon ik de tabak ruiken. Hij kuchte luid. 8


‘De jongen die ik nu zal uitkiezen, mag samen met mij de eerste groet uitbrengen als keizer Napoleon aankomt met zijn sloep. Het moet iemand zijn die flink is en slim. Iemand die goed en mooi Frans praat en iemand die niet verlegen is. Meester Hendrik heeft me al toevertrouwd welke jongens mooi Frans praten. Ik kies voor …’ In de klas kon je bijna tromgeroffel horen. Alle jongens gingen rechter in hun bank zitten, behalve Dries. ‘... ik kies voor Albrecht van de dokter.’ Albrecht kreeg een vuurrode kleur. Enkele jongens klapten in hun handen, maar de meester vermaande hen streng tot stilte. ‘… en het meisje … Eh, ik bedoel de twee meisjes … want als Napoleon komt heb ik twee meisjes nodig …’ Nu zou het komen. Ik wachtte en ik keek de burgemeester met mijn allerliefste blikken aan. Hij moest mijn mooie blauwe ogen hebben gezien, want even glimlachte hij. ‘… Voor de keuze van de twee meisjes laat ik me leiden door wat meester Hendrik me heeft gezegd. Een meisje dat voor vlijt altijd 10 op 10 heeft. Het meisje dat het mooiste handschrift heeft, altijd in orde is met haar huiswerk, altijd vriendelijk is tegen iedereen, die krijgt de belangrijkste opdracht. Dat is de gouden sleutel overhandigen aan de keizer.’ Het werd stil in de klas. Ieder meisje droomde ervan uitverkoren te worden. Ieder meisje wilde de sleutel aan Napoleon overhandigen.

9


‘… Maar omdat bijna alle meisjes hier goed werken, en er allemaal zo flink uitzien, kies ik het mooiste en liefste meisje uit.’ Nu zou mijn naam klinken, wist ik. Hij liet zijn ogen dwalen over ons. Even zag ik zijn blikken op mij rustten en ik glimlachte hemels en onschuldig. Gelukkig had ik mijn lichtblauwe jurk aan. Die stond me beeldig en liet mijn ogen nog blauwer uitkomen. ‘Ik kies voor …’ Ik popelde en kon haast niet wachten tot mijn naam zou schallen door de klas. ‘Ik kies voor het mooie meisje achteraan. Louise.’ Ik had het eerst nog niet onmiddellijk door. Wat gebeurde er? Hij wees mij niet aan! Nochtans zat ik pal voor zijn neus, op de eerste rij. Ik draaide me om en zag hem wijzen naar Louise. Wat? Louise van de poorter? Dat stomme kind! Ze was niet eens mooi. Haar gezicht was bezaaid met sproeten. Alleen boerenkinderen hadden sproeten. Ze had gewone bruine haren, niet eens gekruld. En ze was zo klein! Ze leek wel een lilliputter! ‘Louise, jij mag het kussentje dragen waarop de gouden sleutel ligt. Besef goed dat dit een hele eer is! Alle inwoners van de stad zullen er ook zijn.’ Louise zag er knalrood uit. Vuurrood van trots! En ik? Ik kreeg ook een kleur op mijn wangen. Ik kookte van woede, maar dat liet ik niet merken.

10


De burgemeester was nog niet klaar. ‘En natuurlijk heb ik ook nog een meisje nodig dat bloemen afgeeft aan de vrouw van de keizer. En daarvoor kies ik Clara van de rentmeester.’ Hij keek me triomfantelijk aan en ik glimlachte fijntjes. Niemand mocht zien hoe woedend ik was. Ik wilde geen tweede keuze zijn. Ik wilde de sleutel aan de keizer geven. Ik had het moeten zijn! Ik!

11


‘Clara, dit is een hele eer voor jou!’ fluisterde hij me toe. Hij had nog altijd de walm van snuiftabak om zich heen. Ik moest er bijna van kotsen. De verdere middag ging aan mij voorbij. Een gedachte bleef steeds maar spoken door mijn hoofd: ik ben niet gekozen om de sleutel aan de keizer te geven! Toen ik na schooltijd naar huis liep, kwam Louise naast me lopen. ‘Wat zijn wij geluksvogels, hé Clara?’ Ik antwoordde er niet op, maar deed alsof ik nog een boodschap moest doen. Het waaide een beetje en de wind deed me goed. Normaal zou ik bang zijn dat de wind mijn krullen in de war zou brengen. Mijn krullen waren niet echt, maar dat is een geheim. Iedere avond kamde mijn moeder mijn haren met bier. Daarna draaide ze er haarkrullers in. Daar sliep ik mee. De volgende dag had ik krullen die net echt leken.

12


Terwijl ik langs de kade liep, had ik geen aandacht voor de vele schepen die lagen aangemeerd. Ik had maar één gedachte: ik moet ervoor zorgen dat Louise de sleutel niet kan afgeven. Er moet iets gebeuren met haar. Toen ik thuiskwam, was mijn woede over. 13


Ik was niet alleen ontzettend mooi en lief, ik was daarbij ook heel slim. Iedereen zei het en mijn punten op school waren uitstekend. Maar nu moest ik extra slim zijn. Mijn plannetje om Louise uit te schakelen mocht niemand weten. Het moest op een ongeluk lijken. Die avond kon ik moeilijk slapen. De hele nacht lag ik te woelen om toch maar een goed plan te verzinnen. Mijn moeder kwam zelfs de kamer binnen en vroeg me wat er scheelde. ‘Ik heb een beetje last van mijn maag,’ zei ik om van haar gezeur af te zijn. ‘Oh, Clara, misschien was de vis toch niet zo vers als de visvrouw had gezegd. Of misschien heb je iets te veel rijstpap gegeten. Zal ik voor je zorgen?’ Ik kon mama overtuigen om terug naar bed te gaan. En ik broedde verder op mijn plannetje. De volgende dag wist ik wat me te doen stond.

Het was donderdag en die middag kregen we ponyrijles van de rijmeester. 14


Alleen de meisjes moesten naar deze les. De jongens kregen op dat ogenblik les in rekenen. Rekenen was voor hen belangrijker dan voor ons. Zij moesten later een zaak leiden en het gezin onderhouden. De meisjes leerden hoe ze gasten moesten ontvangen, naaien, pianospelen en ponyrijden. We moesten later echte dames worden. Vanaf twaalf jaar leerden we een echt paard te berijden. Ik wist dat de pony van Louise een nukkig dier was. Ze was nog een jong dier en niet zo goed getemd als mijn pony.

Die ochtend stond ik vroeg op. Ik voelde me kiplekker. Mijn plan kon niet mislukken. Ik waste me met karnemelk, zodat mijn huid blank zou blijven. Ponyrijden met een parasolletje in de hand is nu eenmaal onmogelijk. 15


Ik at drie krentenbroodjes met roomboter en dronk kamillethee erbij. Ik zag op de grote slingerklok in de gang dat ik nog precies een half uur tijd had. Vlug haastte ik me naar de rijschool. Die lag niet zo ver van de kade en mijn huis. Naast de stalling groeiden er distels. Gelukkig had niemand ze weg geharkt. Ik had mijn dikke handschoenen mee en dat was nodig. De distels prikten door de stof van mijn handschoenen door. Met een klein keukenmes sneed ik enkele takken af en sloop naar de stal. Daar stonden tien meisjespony’s opgetuigd. De staljongens hadden al de meisjeszadels op hun rug vastgegespt. Ik keek goed om me heen. Nergens geen staljongen meer te zien. Vlug liep ik naar Ochtendbries, de pony van Louise. Het was erg wringen om het zadel weer los te maken en Ochtendbries boog steeds haar hoofd om me weg te duwen. Zou ze het ruiken dat ik iets van plan was?

16


Ik legde de vijf disteltakken voorzichtig op het deken onder het zadel. Daarna gespte ik het zadel weer vast. Nu zou de pony nog niets voelen, maar straks, als Louise op het zadel klom, zouden de distels diep in de huid van Ochtendbries dringen. De pony brieste en hapte naar mijn kanten mouw. Zij beet er zelfs in en ik moest me inhouden om niet te roepen. Ik was net op tijd klaar, toen de andere negen meisjes binnenrenden. Louise kwam onmiddellijk bij me staan. ‘Oh Clara, zo spannend, hé! Ik kon bijna niet slapen. Ik tel af tot het zondag is. Dan zullen we allebei als prinsessen behandeld worden. En hoe was jouw nacht?’ Ik antwoordde: ‘Ik heb ook de hele nacht wakker gelegen. Het zal zondag een prachtige dag worden. Jij en ik, samen met de keizer en zijn vrouw! Het lijkt me heerlijk!’ Ik glimlachte naar haar. Glimlachen kan ik heel goed, zelfs als het bliksemt in mijn hoofd. Louise knikte verrukt en fluisterde in mijn oor: ‘Ik mocht het eigenlijk aan niemand vertellen, maar jij bent nu mijn beste vriendin. Dus doe ik het toch. De burgemeester is naar mijn huis gekomen. Hij heeft aan mijn ouders gezegd dat ik naast keizer Napoleon aan tafel mag zitten. Tussen zijn vrouw en hem. Fantastisch, hé? Dan zal ik me helemaal een prinses voelen. En jij? Waar mag jij zitten?’

17


Er kwam een bittere smaak in mijn mond. En mijn hoofd bonkte. Voor zover ik wist, was de burgemeester niet naar ons huis gekomen. Hij had niet met mijn ouders gesproken. Dat betekende dat ik niet was uitgenodigd! En dat die stomme Louise als een prinses tussen de keizer en zijn vrouw mocht zitten! We namen de teugels vast van de pony en liepen naar buiten. De rijmeester stond al klaar. ‘Jonge dames, we houden een kleine wedstrijd. Om het eerst bij de berkenbomen en dan weer terug.’ We stegen in het zadel en toen de rijmeester met zijn zweep tegen zijn laarzen knalde, stoven we vooruit. De pony van Louise brieste. Het zou niet lang meer duren, wist ik. Ik reed met opzet achteraan, zo had ik een goed zicht op Louise en Ochtendbries. De distels deden hun werk, zag ik. Door het gewicht van Louise drongen ze in de huid van Ochtendbries. De pony begon te steigeren en te briesen. Ze deed alles om haar berijdster af te gooien. Honderd meter verder schopte ze zo heftig dat Louise met een hoge gil door de lucht vloog en met een smak op de grond terechtkwam.

18


19


De rijmeester – en ik uiteraard ook – snelden naar de snikkende Louise in het zand. Ze zag er niet uit. Vuile vegen op haar gezicht en een rode vlek op haar wang. Ze kon niet meer opstaan. Bij iedere poging jankte ze het uit. Ook haar hand had een rare hoek. De rijmeester liet een koets komen en ze werd met spoed naar de dokter gebracht. Louise had haar voet gekneusd en haar hand was verstuikt. Iedereen wist dat ze vanwege het dikke verband niet in staat zou zijn om het kussentje met de grote sleutel te dragen. Ik juichte in stilte en zei: ‘Hoe jammer, Louise. Zo erg voor je!’ De burgemeester werd er bijgehaald. Hij had de ideale oplossing. De rollen moesten worden omgedraaid. Ik mocht het kussentje met de zware sleutel dragen. En Louise kon met haar gezonde linkerhand het boeketje bloemen overhandigen aan de vrouw van de keizer. Mijn plan was gelukt. Louise huilde van teleurstelling. Ik troostte haar door te zeggen: ‘Huil niet zo! Je mag nog steeds iets doen! Stel je voor dat ze een ander meisje hadden gekozen. Iemand zonder verband aan haar hand.’ Louise knikte en droogde haar tranen. Die zondag zou ik nooit vergeten. Alle mensen van de stad stonden op de kade. De muziekkapel speelde een mars. De klokken van de kathedraal beierden en iedereen wuifde met Franse vlaggetjes. De burgemeester stond er in zijn mooiste fluwelen kostuum. Naast hem stond Albrecht. Hij was zenuwachtig, zag ik. Ik droeg mijn mooiste satijnen jurk.

20


Op mijn haren droeg ik een hoed en de strik was zijdelings geknoopt. Mijn handen droegen het kussentje met de sleutel. De sleutel glansde in het zonlicht. Net als ik. Daar kwam de keizerlijke sloep al aan. De keizer was kleiner dan ik dacht.

21


22


Napoleon kwam aan land en wandelde als een echte generaal naar de tribune. Naast hem liep de mooiste vrouw die ik ooit had gezien. Toen de muziek stopte, mocht Albrecht zijn welkomstwoordje in het Frans uitspreken. Toen was het mijn grote moment. Heel Antwerpen zou zien hoe ik, het mooiste meisje van de stad, de sleutel zou overhandigen. En toen gebeurde er iets onbegrijpelijks. De burgemeester klapte van verrukking in zijn handen, nam zomaar mijn sleutel van mijn kussentje en gaf die aan Napoleon. Napoleon zag mij niet eens staan. Niemand zag me staan. Want toen ik een stapje naar voren zetten, trok de vrouw van de burgemeester mij snel naar achteren. Zodat zij meer naast haar man kon staan. Tussen hun twee dikke lijven door, zag ik hoe Louise de bloemetjes overhandigde aan Joséphine, de vrouw van Napoleon.

23


Louise lachte engelachtig en maakte een buiging. Joséphine aaide haar wang en ook Napoleon keek naar dat stomme kind. Hij vroeg aan Louise wat er met haar pols was gebeurd. Ze vertelde over haar pony en over de distels die ze had gevonden onder het zadel. Iemand moest ze daar hebben gelegd. Napoleon glimlachte meelevend. Hij tilde haar – die stomme, lelijke lilliputter! – van de grond. IK HAD HET MOETEN ZIJN! IK! Met Louise op zijn arm zwaaide hij naar de meer dan duizend mensen op de kade. De mensen zwaaiden terug. Ze waren opgelucht, want een man die lief was voor een kind, kon geen tiran zijn. Louise mocht tussen hen beiden aan tafel zitten. Ik ging weer naar huis. Die avond huilde ik mezelf in slaap.

Napoleon Bonaparte (1769-1821), een Franse generaal, wilde de baas zijn in heel Europa. In 1804 werd hij tot keizer gekroond. Hij liet in ons land grote werken uitvoeren. In Antwerpen werden veel huizen afgebroken, want hij wilde van de stad een oorlogshaven maken. Hij voerde vele oorlogen. De laatste verloor hij in ons land: de slag bij Waterloo. Door hem hebben wij voor het eerst een achternaam gekregen. Ook de inhoudsmaten zoals we die nu kennen, kwamen toen in gebruik: liter, kilogram, meter enz.

24


Clara heeft prachtige gouden krullen en mooie blauwe ogen. Ze vindt zichzelf het mooiste meisje van haar klas. Als keizer Napoleon naar Antwerpen komt, is ze ervan overtuigd dat zij zal uitgekozen worden om aan hem de gouden sleutel te overhandigen. Niet zij, maar een ander meisje wordt uitgekozen.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Seppe Van den Berghe Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622832

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 2 - N2 – Ik had het moeten zijn by die Keure - Issuu