ucatieve uitgaven
Een kleine, rode kat met laarzen
BIEB
Aag Vernelen
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 4
2
Een kleine, rode kat met laarzen
1
Toen mijn oude baas stierf, was ik niet verdrietig. De molenaar had een goed leven gehad. Hij had hard gewerkt, maar was gelukkig geweest. Hij liet drie zoons, een molen en een ezel na. En mij. De oudste zoon kreeg de molen. De middelste zoon kreeg de ezel. De jongste zoon moest tevreden zijn met mij. Dat is niet veel. Ik ben maar een kleine, rode kater. De jongste zoon had liever de molen of de ezel gekregen. Niet dat hij mij niet graag had. Integendeel. Hij hield ontzettend veel van dieren, en hij was altijd aardig voor me geweest. Maar hij was bang. Bang dat hij van de honger zou omkomen. ‘Mijn broers hebben geluk,’ zei hij tegen mij. ‘Ze kunnen samenwerken. Met de molen en de ezel kunnen ze hun eigen brood maken. En ik? Wat moet ik doen? Ga jij soms muizen voor me vangen?’ Dat vond ik geen slecht idee. Elke nacht ving ik een muis en legde ze op het nachtkastje van de jongste zoon. Maar hoeveel honger hij ook had, een dode muis, daar bedankte1 hij voor. Hij aaide me en zei: ‘Je bent heel lief. Maar een jongen eet toch geen muizen?’ Ondertussen bleef hij maar zeuren. ‘Wat moet ik beginnen? Ik sterf nog van de honger!’ Dus ik dacht na en bedacht een plan.
2
Ik zei tegen de jongste zoon: ‘Ach. Maak je geen zorgen. Geef me een zak en een paar laarzen, en alles komt in orde.’ De jongste zoon keek me ongelovig aan. Maar hij gaf me wat ik vroeg.
3
De laarzen trok ik aan, en de zak hing ik rond mijn nek. Ik stopte de zak vol heerlijk fris geurend gras. Zo ging ik op pad. Door de grote laarzen kon ik heel ver en heel snel lopen. Ik liep naar de hei 2 en ging liggen, met mijn poten in de lucht. Ik hield me muisstil en deed alsof ik dood was. Al gauw kwam er een jong konijn aan het gras snuffelen. Ik wachtte geduldig. Het konijn kroop dieper in de zak om het malse gras op te eten. Vliegensvlug trok ik de zak dicht. In één tel doodde ik het konijn. Met het konijn in de zak, ging ik naar het koninklijk paleis. Aan de poort stonden twee wachters. Een grote en een kleine. ‘Ik wil de koning spreken,’ zei ik. De wachters keken elkaar verbaasd aan. ‘Een sprekende kat,’ bromde de grootste wachter door zijn baard heen. ‘Waarom moet jij de koning spreken?’ ‘Ik kom hem een geschenk brengen,’ zei ik. Ik opende de zak en liet het dode, nog warme konijn zien. De grootste wachter knikte. De kleinste wachter bracht me bij de koning. De koning zat achteraan in een grote, zilveren zaal. Op een prachtige, gouden troon.
4
Ik maakte een diepe buiging, met mijn neus tot op de tippen van mijn laarzen. ‘Sire, ik bied u een nederig3 geschenk aan. Uit naam van mijn meester, de Markies4 van Carabas.’ Die naam had ik voor de jongste zoon verzonnen. De koning lachte vriendelijk. ‘Dank u wel, beste kat,’ zei hij. ‘Zeg aan uw meester dat dit geschenk mij heel blij maakt.’ De volgende dag ving ik twee sappige patrijzen in mijn zak. Ook die bracht ik naar de koning met de groeten van de Markies van Carabas. Vele weken lang ving ik elke dag een lekker stukje wild en bracht het naar de koning. Elke keer was de koning verheugd5 met het geschenk van mijn meester.
5
Op een dag hoorde ik dat de koning met zijn dochter op uitstap zou gaan. Ze zouden samen een tocht maken langs de rivier, met de koninklijke koets. De dochter van de koning was de mooiste prinses op aarde. En ze was lief. Bijna net zo lief als mijn meester. Ik kreeg een geniaal6 plan. Ik ging naar mijn meester en zei: ‘Doe wat ik zeg, en je zult een rijk man worden. Ga morgen in de rivier baden. Precies op de plek die ik je zal aanwijzen.’ De jongste zoon geloofde me niet. Dat zag ik in zijn ogen. Maar hij hield veel van mij, en daarom deed hij wat ik vroeg. De volgende dag dook hij in het water, precies daar waar ik hem had gewezen. Hij was nog maar net kopje onder, toen de koninklijke koets kwam aangereden. Ik sprong voor de grote wielen en schreeuwde: ‘Stop! De Markies van Carabas verdrinkt!’ ‘Ho!’ riep de koetsier. De prinses gilde. De koets stopte vlak voor mijn neus. De koning stapte uit en herkende me meteen. ‘Dienaren!’ zei hij. ‘Vlug! Haal deze man uit het water!’
6
De dienaren sprongen met kleren en al in de rivier, en zwommen naar mijn meester toe. Mijn meester liet zich verbaasd uit het water halen. De koning en ik keken ernaar. ‘Sire,’ zei ik vlug. ‘Mijn meester is bestolen. Dieven hebben zijn kleren meegenomen terwijl hij aan het baden was. Ik heb geschreeuwd, maar het hielp niet. Wat kan een kleine kat als ik beginnen tegen stoere rovers? Mijn meester zag het gebeuren en zette een stap verkeerd. Hij kan niet zwemmen, de goede man!’ Ik sloeg mijn poten voor mijn gezicht en deed alsof ik huilde. ‘Kom, kom,’ suste de koning. ‘Uw meester is al gered. En ik zal hem nieuwe kleren geven.’ Ik had de kleren van de jongste zoon stiekem onder een grote steen verborgen. Maar dat wist de koning niet.
7
Met de kleren die hij van de koning kreeg, zag mijn meester er vorstelijk7 en knap uit. Ja, hij leek werkelijk een nobele8 edelman. De prinses had de hele tijd zonder iets te zeggen toegekeken. En nu bloosde ze als een rijpe tomaat. Ze glimlachte verlegen naar mijn meester, en mijn meester lachte verlegen terug. ‘Kom, heer Carabas, stap in en rijd met ons mee,’ zei de koning vriendelijk. Ik was blij dat mijn plan zo goed verliep. Maar ik was nog lang niet klaar. Ik snelde voor de koets uit. Met mijn grote laarzen kon ik veel sneller lopen dan de paarden die de koets trokken. Wat verderop waren boeren het land aan het maaien. Ik riep luid: ‘Hé boeren! Daar komt de koning aan. Als jullie zeggen dat dit land aan de Markies van Carabas behoort, zal ik jullie stinkend rijk maken!’ De koets hield halt bij de hardwerkende boeren. De koning stapte uit en vroeg vriendelijk: ‘Beste mensen, aan wie behoort dit land toe?’ ‘Aan de Markies van Carabas,’ zeiden de boeren in koor. ‘En is hij een goede heer?’ vroeg de koning. ‘Hij is de beste heer van allemaal,’ zeiden de boeren. Tevreden stapte de koning weer in de koets. Ik reed een eindje mee.
8
‘Een mooi stuk land hebt u daar,’ zei hij tegen de jongste zoon. De jongste zoon knikte, maar durfde niets te zeggen. Hij hield niet van liegen, maar hij wilde ook niet mijn plan verpesten. Ik knipoogde naar hem. ‘En de boeren zijn vol lof9 over u,’ zei de koning. ‘U moet een goed mens zijn.’ Nu begon de jongste zoon te blozen, en hij zweeg. De prinses keek de jongste zoon vol bewondering aan. Toen ik zag dat mijn plan werkte, sprong ik van de koets en liep weer verder.
9
Ondertussen was ik verder gelopen. Ik kwam een paar houthakkers tegen. Aan de rand van een enorm woud waren ze een dikke eik aan het omhakken. ‘Hé houthakkers!’ riep ik. ‘Daar komt de koning aan. Als jullie zeggen dat dit woud aan de Markies van Carabas behoort, zal ik jullie oppermachtig maken!’ De koets hield halt bij de zwoegende houthakkers. De koning stapte uit. Hij vroeg: ‘Beste mannen, aan wie behoort dit reusachtige woud toe?’ ‘Aan de Markies van Carabas,’ zeiden de houthakkers tegelijk. ‘En is hij een goede heer?’ vroeg de koning. ‘Hij is de beste heer van allemaal,’ zeiden de houthakkers. ‘Een mooi woud hebt u daar,’ zei de koning tegen de jongste zoon. De jongste zoon knikte, maar weer durfde hij niets te zeggen. ‘En de houthakkers zijn vol lof over u,’ zei de koning. ‘U moet werkelijk een goed mens zijn.’ De jongste zoon bloosde weer, en hij zweeg. De ogen van de prinses blonken als ze naar hem keek. Ik sprong van de koets en liep vooruit.
10
Wat verderop kwam ik een paar herders tegen. Ze staken de weg over met een enorme kudde schapen. ‘Hé jongens!’ riep ik. ‘Daar komt de koning aan. Als jullie zeggen dat deze kudde aan de Markies van Carabas behoort, zal ik jullie oppermachtig maken!’
11
De koets stopte om de kudde schapen door te laten. De koning stapte uit en vroeg aan de herders: ‘Beste herders, aan wie behoort deze enorme kudde toe?’ ‘Aan de Markies van Carabas,’ zeiden de herders tegelijk. ‘En is hij een goede heer?’ vroeg de koning. ‘Hij is de beste heer van allemaal,’ zeiden de herders. De koning stapte tevreden weer in de koets. Ik reed ook mee. ‘Een mooie kudde hebt u daar,’ zei hij tegen de jongste zoon. De jongste zoon knikte, maar durfde nu helemaal niets meer te zeggen. Hoe kon hij zulke leugens ooit weer goedmaken? ‘En de herders zijn vol lof over u,’ zei de koning. ‘U bent werkelijk een goed mens. En u bent nog bescheiden10 ook.’ De jongste zoon werd steeds roder en stiller. En de prinses dacht: o, wat houd ik van deze man! Zo ging het nog een tijdje door. Aan iedereen die ik onderweg tegenkwam, vroeg ik hetzelfde: te vertellen aan de koning dat alle rijkdommen van het land aan mijn meester toebehoorden. Dat was natuurlijk een leugen.
12
Al het land, het woud en het vee waren van een verschrikkelijke reus. Al jaren regeerde hij met harde hand over dit land. Iedereen was bang van de reus. Iedereen, behalve ik. Ik liep zo snel ik kon naar zijn kasteel.
13
Het kasteel werd zwaar bewaakt. Op elke uitkijktoren stonden wachters met pijl en boog en scherpe zwaarden. Niemand kwam er levend in of uit. Maar op een kleine, rode kater lette geen mens. Ik glipte langs een kerkerraam naar binnen en doorzocht het enorme kasteel. Ik vond de reus in een donkere, reusachtige kamer waar een haardvuur brandde. Ondanks het vuur was het er vochtig. De reus zat aan een grote, houten tafel en schrokte wel dertig gebraden kippen naar binnen. Zijn kin droop van het vet. De kippen leken piepkleine vogeltjes in zijn enorme handen. Zijn kaken maalden als molenstenen. Ik ben er zeker van dat ze zelfs steen konden fijnmalen. Ik rilde. Ik hoopte maar dat ik niet tussen die tanden zou belanden. Heel voorzichtig kuchte ik. Met een ruk keek de reus op. Hij spiedde11 met zijn varkensogen de donkere zaal af. ‘Hier ben ik,’ zei ik. De reus keek omhoog. Ik zat op een hoge kast, maar de reus was zo groot dat hij me makkelijk kon pakken. Hij veerde op.
14
15
‘Hoe durf je me te storen!’ brieste hij. ‘Ik wilde u niet storen, o, heer,’ zei ik. ‘Maar ik had over uw grootsheid gehoord. Over uw moed en kracht. Over uw pracht en uw schoonheid. En wat men vertelde was zo fantastisch dat ik het niet kon geloven.’ De reus stak fier zijn kin in de lucht. ‘Nu je mij ziet,’ zei hij, ‘zul je het wel moeten geloven.’ ‘Ik geloof het nu helemaal, heer,’ zei ik, zo nederig als ik maar kon. ‘Als ik uw sterke handen zie, uw gespierde schouders, uw nobele gezicht, weet ik meteen dat u een dappere krijger bent.’ ‘Je smeert me stroop om de mond12,’ zei de reus. Maar hij was duidelijk gevleid. ‘Zeg me, waarom zou ik je niet meteen opeten?’ Hij kwam dreigend op me af. ‘O,’ zei ik doodkalm. ‘Doe gerust. Ik sta mijn leven met plezier aan u af.’ De reus tilde me op aan mijn staart. Hij bracht me naar zijn gezicht en deed zijn mond wagenwijd open. Ik rook de vreselijke geur van rotte tanden. ‘Wacht even,’ zei ik. ‘Wilt u me nog één plezier doen voor ik sterf?’ De reus klapte zijn mond weer dicht en keek me vragend aan. ‘Wat dan?’ bromde hij ongeduldig.
16
‘Wel,’ zei ik, ‘ik zie uw grootsheid en uw moed. En uw schoonheid niet te vergeten. Maar één ding kan ik niet geloven.’ ‘En dat is?’ ‘Men vertelde mij dat u zich in één oogwenk kunt veranderen in eender welk dier. U zou me heel gelukkig maken als ik dat nog mocht aanschouwen13 voor ik sterf.’ De reus zuchtte. ‘Wel, goed dan.’ Hij zette me op de grond. ‘Kijk en geniet,’ zei hij.
17
Opeens stond vlak voor mijn neus een enorme olifant. Met zijn slurf tilde hij me op en keek me in de ogen. ‘Wauw!’ zei ik ademloos. ‘Wat kunt u nog meer?’ Met een smak viel ik op de grond. Duizelig van de klap schudde ik mijn kop. Voor me zat een machtige leeuw. Hij brulde zo luid dat de kasteelmuren ervan daverden. Ik schoot als een raket op de kast en keek bang naar beneden. Maar twee tellen later stond daar opnieuw de reus. Zijn buik schudde van het lachen. ‘Haha! Wat ben jij een malle kat!’ ‘Mal ben ik misschien ook,’ zei ik, ‘maar ik was vooral bang. Ik ben werkelijk onder de indruk.’ En dat was waar. ‘Heel goed,’ zei de reus. ‘Dan kan ik je nu rustig opeten.’ Hij tilde me op aan mijn nekvel en likte met zijn tong zijn lippen af. ‘Wacht nog heel even!’ riep ik. ‘Wat nu weer?’ zei de reus geërgerd. ‘Ik heb nu gezien dat u zich in grote, machtige dieren kunt veranderen. Maar de gedaante aannemen van een klein dier, dat lukt u vast niet.’ ‘Wacht maar!’ zei de reus beledigd. Hij liet me opnieuw met een smak vallen.
18
Even later stond ik naast een kleine, sierlijke vos, met een prachtige, pluizige staart. ‘Zie je wel,’ bromde de reus even later. ‘Ongelovig dier.’ ‘Ja,’ zei ik uitdagend. Ik keek hem strak aan met mijn groene ogen. ‘Ik zie het. Een vos, dat lukt u nog wel. Maar een piepkleine muis, dat is vast onmogelijk. Zelfs voor u.’ Het hoofd van de reus werd rood van woede. Hij sloeg zijn vuist met een harde klap op tafel. ‘Niets is onmogelijk voor mij!’ bulderde hij. En in één, twee, drie trippelde er een piepkleine muis over de vloer. Ik hapte toe, en nog geen tel later had ik de muis van kop tot staart opgegeten. Weg was de reus. Ik waste mijn snuit en likte mijn poten af.
19
Toen rende ik als een gek door het kasteel. ‘De reus is dood! De reus is dood!’ schreeuwde ik tegen iedereen die het wilde horen. Alle mensen in het kasteel begonnen te juichen. Ze dansten wild in het rond. Hun hele leven lang waren ze doodsbang voor de reus geweest. Eindelijk waren ze van hem verlost. ‘Maak een feestmaal klaar,’ zei ik tegen hen. ‘Steek alle vuren en fakkels aan. Rol de rode loper uit14. Jullie nieuwe meester, de goede Markies van Carabas komt eraan met de koning. Geef hen een warm welkom.’ Terwijl de dienaren vol blijdschap aan de slag gingen, rende ik terug naar de koets. ‘Sire!’ gilde ik van ver. ‘Meester! Men wacht op u in het kasteel. De dienaren bereiden een groot feest voor. Voor de koning!’ De jongste zoon snapte er niets van. Maar hij wist ondertussen dat al wat ik voorspelde, waar was. Dus hij maakte een groot gebaar met zijn arm en zei: ‘Beste majesteit. Liefste prinses. Mag ik jullie welkom heten in mijn kasteel?’
20
De ophaalbrug ratelde open. De koets reed binnen. De koning en de prinses staken hun hoofden door de ramen van de koets naar buiten. Ze keken met open mond naar alle pracht en praal. ‘Is dit wonderlijke kasteel van u?’ vroeg de koning. ‘O, en welke prachtige tuinen! Wat een rijkdom!’ De jongste zoon kon het nauwelijks zelf geloven. Hij knikte steeds maar met zijn hoofd en herhaalde: ‘Ja. Ja. Ja! Dit kasteel is van mij! Dit kasteel is van mij!’ Ik beet in zijn been, zodat hij zou voelen dat hij niet aan het dromen was. De jongen schrok op en zei: ‘Laten we uitstappen, dan kunt u van de tuinen genieten.’ Hij stapte eerst zelf uit. Toen gaf hij de prinses een hand en hielp haar naar buiten. Ze bloosden allebei. Na een wandeling door de kasteeltuinen, gingen ze aan tafel. De dienaren hadden een heerlijk feestmaal bereid, waar geen einde aan kwam. Tot laat in de nacht dronken ze en aten ze. En ze dansten en lachten. En de koning dacht de hele tijd: wat een bovenste beste kerel! En de prinses dacht: o, wat houd ik van hem!
21
Toen het buiten al weer licht begon te worden, zei de koning: ‘Beste Markies. Als u wil, mag u de hand van mijn dochter hebben15.’ De Markies keek de prinses in de ogen en lachte. Ze lachte terug. Toen zei hij: ‘Heel graag, Sire.’ Hij maakte een diepe buiging voor de prinses. Hij pakte haar hand en kuste ze heel zacht. Alle mensen in het kasteel begonnen te juichen en te klappen voor het nieuwe paar. ‘Maak alles klaar voor een nieuw feest!’ zei de Markies. ‘Vandaag nog trouw ik met deze prachtige prinses!’ En zo gebeurde het.
22
Ik vertelde de Markies dat hij niet mocht vergeten de boeren, de houthakkers en de herders te bedanken. En verder bemoeide ik me niet meer met hen. Nog steeds hang ik gewoon wat rond in het kasteel van de Markies. Meestal slaap ik, languit in het gras, in de prachtige kasteeltuinen. Soms jaag ik op muizen, alleen maar voor mijn plezier. En de laarzen? Die heb ik voorlopig niet meer nodig.
23
Woorduitleg 1 ervoor bedanken = zeggen dat je iets niet wilt 2 hei = zandvlakte waar paarse en witte planten op groeien 3 nederig = met veel respect 4 Markies = een soort edelman 5 verheugd = blij 6 geniaal = heel slim 7 vorstelijk = rijk en groots 8 nobel = met goede bedoelingen 9 lof = wat je zegt of schrijft om iemand te prijzen 10 bescheiden = niet over iets opscheppen 11 spieden = gluren 12 stroop om de mond = vleien, goeie dingen zeggen 13 aanschouwen = bekijken 14 de rode loper uitrollen = met veel eerbetoon ontvangen 15 U mag de hand van mijn dochter hebben = u mag met mijn dochter trouwen
24
Toen de oude molenaar stierf, liet hij zijn jongste zoon alleen maar mij na, een kleine, rode kat. De jongen was niet blij. Hij wist zeker dat hij van honger zou sterven. Maar daar stak ik een stokje voor …
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Chris Vosters Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622832
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.