Skip to main content

Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 1 - Alles gaat voorbij

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Alles gaat voorbij Kolet Janssen

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 4

1


Alles gaat voorbij

Robin zit in de tuin op de schommel. Hij wiegt heel zachtjes heen en weer. Meestal speelt hij voetbal of bouwt hij een kamp, maar daar heeft hij vandaag geen zin in. Hij kijkt naar een hoek van de tuin. Daar liggen afgeplukte bloemen op de grond. Iemand heeft er met steentjes een letter ‘M’ in de aarde gelegd. De ‘M’ van Mies. ‘Hé Robin, kom je spelen?’ roept een stem uit de tuin van de buren. Het is Fien. Ze springt over het lage hekje en geeft de schommel van Robin een duw. Maar Robin zet zijn hielen schrap in het gras. Hij wil niet schommelen. Hij wil niet spelen. Hij wil helemaal niets.

1


‘Mies is dood,’ zegt hij zomaar. ‘Onze poes.’ Fien schrikt ervan. Ze gaat in het gras zitten, naast de schommel. ‘Hoe kan dat?’ vraagt ze. ‘Ik heb haar zondag nog gezien. Ze kroop in onze boom om een vogeltje te vangen. Maar het vogeltje was sneller dan Mies. Was ze ziek? Of … is ze overreden?’ Robin schudt zijn hoofd. ‘Mies was thuis. Ze at opeens niet meer en ze maakte rare geluiden. En even later was ze dood. Papa zegt dat Mies al oud was …’ Robin schopt tegen een graspol. Fien zwijgt. Maar dat houdt ze niet lang vol. ‘Wat hebben jullie met Mies gedaan, toen ze dood was?’ wil ze weten. ‘We hebben haar nog even geaaid,’ zegt Robin. ‘En toen heeft mama haar in een doek gewikkeld. En papa had nog een kartonnen doos waar ze in paste.’

2


Robin snuift even. Het blijft moeilijk om eraan terug te denken: hoe ze het deksel van de doos dicht hebben gedaan. ‘Toen heeft papa een diepe kuil gegraven, daar in de hoek van onze tuin. We hebben de doos erin gelegd en weer toegedekt met aarde.’ Robin en Fien lopen samen naar het grafje van Mies. ‘Heb jij die bloemen erop gelegd?’ vraagt Fien. ‘Dat hebben mama en Lisa gedaan,’ zegt Robin. ‘Ik heb met steentjes die ‘M’ gemaakt.’ ‘Dat is mooi,’ zegt Fien. ‘Als we nog steentjes zoeken, kunnen we haar naam verder afmaken.’ Dat vindt Robin een goed idee. ‘Het kan ook met stokjes en blaadjes,’ zegt hij. ‘Die gaan sneller kapot dan stenen,’ meent Fien. ‘Dat is niet erg,’ zegt Robin. ‘Dan maak ik het gewoon opnieuw.’ Hij plukt twee kleine struikjes mos van de schutting en legt ze onder elkaar voor de ‘I’. Fien legt er een eikel bij voor de punt bovenaan.

3


‘Ik vind doodgaan maar iets raars,’ zegt Fien. ‘Het ene moment ben je levend, en het volgende ben je zo dood als een pier. Wie snapt zoiets?’ Dat is Robin helemaal met haar eens.

4


Doodgaan, een teken van leven? Als je om je heen kijkt, zie je een heleboel verschillende dingen en wezens. Binnen zie je vooral muren en meubels. In de klas zijn er banken en stoelen. Er staat een computer en er is een bord. Er zijn ramen en deuren, boeken en schriften. Misschien staan er kamerplanten of is er een vis in een aquarium1. Je klasgenoten zijn er en ook je juf of meester. Thuis zie je de tv, je speelgoed, je bed en je kleren. In de keuken zijn er borden en pannen. Je ziet er je papa of je mama en misschien een broer of een zus. En wie weet ook nog een hond of een kat. Op straat, in de wei of in het bos zie je weer andere dingen en wezens: auto’s en fietsen, voorbijgangers, vogels en eekhoorns, misschien koeien en paarden. Niet alles wat je ziet, kan doodgaan. Je stoel, de tv of je fiets gaan niet dood. Misschien gaan ze ooit kapot. Op een kapotte stoel kun je niet meer zitten en een kapotte tv zendt geen programma’s meer uit. Dingen verslijten als je ze vaak of verkeerd gebruikt. Als je een bord laat vallen, ligt het in vijf stukken op de grond en kun je het meestal niet meer lijmen.

5


Een steen die in weer en wind buiten ligt, gaat beetje bij beetje afbrokkelen en verpulveren. Dat kan lang duren, maar ook dingen blijven niet eeuwig bestaan. Een auto met een deuk erin kun je vaak nog wel laten repareren. Maar levende wezens worden het nooit. En doodgaan kunnen ze dus niet.

6


Groeien en bewegen Dat is heel anders met planten, dieren en mensen. De kamerplanten in je klas gaan dood als ze de hele zomervakantie lang geen water krijgen. Levende wezens hebben van alles nodig om te kunnen bestaan, groeien of bewegen. Planten hebben meestal zonlicht en water nodig. Ze groeien in aarde en hebben ook graag af en toe een beetje mest. Planten krijgen dan nieuwe scheutjes of bloemen. Een boom krijgt na de winter nieuwe blaadjes. Zijn takken groeien en elk jaar wordt zijn stam een beetje dikker. Planten en bomen kunnen niet echt bewegen: ze staan gewoon waar ze geplant zijn of waar het zaadje waaruit ze gekiemd2 zijn, is gevallen. Maar planten en bomen groeien vaak wel naar het licht. Daarom moet je kamerplanten die bij het raam staan, regelmatig draaien zodat ze niet helemaal scheef gaan groeien. Als een plant te weinig water of te weinig licht krijgt, ziet hij er ongezond en raar uit. Zijn groene blaadjes kunnen geel worden, of ze kunnen afvallen. De stengels kunnen lang en spichtig 3 worden. Planten kunnen niet blaffen of praten, en dus kunnen ze niet laten merken dat er iets scheelt. Daarom is het fijn als mensen er zelf op letten dat het goed gaat met hun planten.

7


Want planten kunnen echt doodgaan. Dan worden ze bruin en hun blaadjes verdorren. Wie goed voor zijn planten zorgt, merkt wanneer ze alles krijgen wat ze nodig hebben. Dan groeien ze en krijgen ze nieuwe scheutjes of bloemen. Een plant die zich goed in zijn vel voelt, is een plezier om naar te kijken. Daar kun je als mens echt vrolijk van worden.

8


Bij dieren merk je nog veel duidelijker dat ze leven. Ze kruipen of rennen. Ze snuffelen, blaffen, miauwen of grommen. Sommige dieren kun je aaien of ze komen op je schoot zitten. Andere dieren blijven wild: ze verstoppen zich voor mensen of ze vallen je aan. Veel dieren kunnen zien, horen en voelen. Of ze nu veel of weinig bewegen, alle dieren leven. Sommige dieren leven maar kort, andere worden nog ouder dan de mens. Dieren lijken meer op mensen dan planten. Daarom heb je bij een huisdier meer dan bij een kamerplant het gevoel dat je een levend wezen in huis hebt. Vroeg of laat kan het gebeuren dat je huisdier doodgaat. Misschien heeft je hond al een lang leven achter de rug. Of misschien werd je kat aangereden door een auto … Sommige verwondingen of ziektes zijn niet meer te genezen. Dan sterft je huisdier. Dat kan heel verdrietig zijn! Mensen leven ook. Ze lachen en huilen, roepen en lopen, zwijgen en denken na. Als je ze iets vraagt, geven ze antwoord. Behalve als ze slapen! Dan weten ze even niet wat er om hen heen gebeurt. Slapen lijkt wel een klein beetje op dood zijn, maar het is toch nog iets helemaal anders. Want als je dood bent, word je niet meer wakker.

9


Alle mensen gaan ooit dood. Meestal na een lang leven, maar soms ook veel vroeger. Er blijven bijna altijd andere mensen over die er verdriet om hebben. Toch hoort de dood gewoon bij het leven. Want alles wat leeft, gaat ooit dood.

10


Waarom bestaat de dood? Zou het leven niet veel leuker zijn als er nooit iemand zou doodgaan? Stel je voor, dan zou je nog cadeautjes kunnen krijgen van de oma van je oma! Maar helaas wordt bijna niemand 100 jaar of ouder. Als mensen een jaar of 80 worden, beginnen ze langzaam maar zeker te verslijten. Hun gewrichten werken niet meer zo goed of hun hart slaat al eens een slag over. Hun ogen en oren hebben hulp nodig van brillen en hoorapparaten, en zelfs dat helpt vaak niet meer genoeg. Ze krijgen pijn in hun rug of ze moeten heel veel pillen slikken om alles nog een beetje behoorlijk te laten werken. En vroeg of laat zijn ze niet meer te genezen en gaan ze dood. ‘Het is mooi geweest,’ zeggen heel oude mensen soms. Dan bedoelen ze dat hun leven fijn was, en dat ze het niet zo erg vinden om dood te gaan. Ze hebben een plezierig leven gehad en daar zijn ze blij om.

11


Te vol? Misschien is het goed dat oude mensen doodgaan, want het zou veel te vol worden op onze wereld als iedereen altijd maar zou blijven leven. Oude mensen maken nu plaats voor jonge mensen. Zo kan het leven blijven veranderen. Misschien helpt het feit dat we doodgaan ook om onze tijd op aarde zo goed mogelijk te gebruiken. We weten dat er een einde aan komt, dus als we iets willen bereiken, moeten we daar op tijd aan beginnen. Als je zou weten dat je eeuwig blijft leven, heb je minder zin om echt iets aan te pakken. Dan kun je alles gerust nog even 100 jaar uitstellen. We weten niet echt waarom alle mensen doodgaan. Het heeft ook niet veel zin om er ons hoofd over te breken. Het is nu eenmaal zo en daar is niets aan te doen!

12


Dood, wat is dat? Hoe weet je dat iemand dood is? Als hij niet meer ademt, niet meer beweegt, niet meer praat of reageert. Als zijn hart niet meer klopt en je dus geen polsslag4 meer voelt. Als mensen oud zijn en gaan sterven, begint hun bloed vaak trager en trager te stromen. Dat komt omdat hun hart niet meer zo goed werkt. Ze krijgen koude handen en voeten. Ook hun ademhaling begint te haperen. Opeens stopt hun hart helemaal. Dan stroomt hun bloed niet meer en kunnen ze ook niet meer ademhalen. Ze bewegen niet meer en weten niet meer wat er gebeurt. Dokters zeggen dan dat iemand klinisch dood is. Wie plots een hartstilstand krijgt, kan ook klinisch dood zijn. Met een hartmassage kunnen dokters of verplegers of gewone mensen die een EHBO-opleiding5 hebben gevolgd, soms het hart weer op gang brengen. Dat doen ze door met hun handen hard op de borstkas te drukken, op de plaats waar het hart zit. Ze houden daarbij een vast ritme aan. Als het lukt, is de patiënt gered! Zo’n hartmassage moet wel snel gebeuren. Want als de hersenen van de persoon met de hartstilstand ook niet meer werken, is er niets meer aan te doen.

13


Door een zware klap op je hoofd (bij een ongeval bijvoorbeeld) of door een bloeding binnen in je hoofd kunnen je hersenen stoppen met werken. Dan ben je hersendood. Je hersenen zorgen onder meer voor het op peil houden van je bloeddruk en je temperatuur. Ze regelen ook je ademhaling. Als je hersendood bent, lukt dat dus allemaal niet meer.

14


In het ziekenhuis kan men iemand die hersendood is, kunstmatig beademen. Dan blijven zijn organen (zijn hart, zijn nieren …) nog helemaal in orde. Maar iemand die hersendood is, kan niet meer genezen. Zijn hersenen zijn immers dood en dat komt niet meer goed. Alleen kunnen zijn organen nog gebruikt worden om iemand te helpen die dringend een nieuw hart of nieuwe nieren nodig heeft … Voor de familie van de persoon die hersendood is, is dat niet altijd gemakkelijk. Maar de persoon die een nieuw orgaan krijgt, krijgt door zo’n transplantatie6 weer een kans op een betere toekomst!

15


Afscheid nemen Als iemand heel ziek is en gaat sterven, is het goed om afscheid te nemen. Alle mensen van wie de zieke houdt, komen nog even langs. Meestal wordt er niet meer zo veel gezegd. Maar het is fijn om nog even bij elkaar te zijn. Als de zieke gelovig is, organiseert de pastor soms een samenkomst van de familie rondom de ziekenzalving. Dan bidden de familieleden samen en vertellen ze elkaar waar ze spijt van hebben en waar ze blij om zijn. Dokters en verplegers zorgen ervoor dat de zieke zo weinig mogelijk pijn heeft. In de laatste dagen en nachten proberen familieleden om de beurt bij de zieke te blijven. De meeste mensen vinden het fijn om niet alleen te zijn als ze doodgaan. Soms willen mensen graag thuis sterven. Dan krijgen zij en hun familie hulp van de vrijwilligers van palliatieve zorgen7. Die helpen hen bij alles wat ze nodig hebben. Ze zorgen ervoor dat deze periode zo rustig en gelukkig mogelijk kan verlopen voor iedereen.

16


Niet iedereen kan afscheid nemen. Als iemand plots overlijdt, lukt dat niet meer. Dan kunnen alleen de fijne herinneringen aan de dode een troost zijn voor wie achterblijft.

17


Zorgen voor de dode Als iemand gestorven is, zorgen mensen goed voor het dode lichaam. In het ziekenhuis gebeurt dat door verplegers. Als iemand thuis sterft, wordt het lichaam vaak naar een uitvaartcentrum gebracht. Daar wordt het verder verzorgd. Af en toe blijft de dode ook thuis en helpen familieleden mee met de verzorging. Familie en vrienden komen meestal afscheid nemen van het dode lichaam. Daarom wordt ervoor gezorgd dat de dode er zo mooi mogelijk bij ligt en dat hij eruitziet zoals iedereen hem gekend heeft. Eerst wordt het dode lichaam gewassen. Als het een man is, wordt hij ook geschoren. Zijn nagels worden geknipt en zijn haren gekamd. Ze trekken hem mooie kleren aan, zijn horloge en zijn bril. Alles om hem zo gewoon mogelijk te laten lijken. Soms wordt het dode lichaam een beetje geschminkt. Wie dood is, heeft geen bloedsomloop meer. Daardoor wordt je huid veel bleker dan gewoonlijk. Dan kan een beetje schmink8 helpen. Zo krijgt iedereen toch een mooi beeld van de overledene en is het minder akelig om naar hem of haar te kijken.

18


Een lichaam dat niet meer leeft, blijft niet goed. Het gaat ontbinden en dat ruikt niet lekker. Daarom wordt het gekoeld bewaard. Vroeger waren de huizen niet in alle kamers verwarmd en was het makkelijker om het dode lichaam enkele dagen in een koele kamer te laten liggen. Nu brengt men het meestal naar een funerarium9. Op de bezoekmomenten wordt het dan mooi klaargelegd. Er bestaan ook koelbedden voor wie toch graag het dode lichaam tot de uitvaart thuis laat liggen. Daarvoor zorgt de begrafenisondernemer.

19


De begrafenisondernemer Als iemand van de familie overleden is, zijn de mensen die achterblijven vaak erg verdrietig. En toch moet er meteen van alles geregeld worden, ook al staat hun hoofd daar helemaal niet naar! Gelukkig is er dan de begrafenisondernemer. Die neemt een heleboel praktische dingen over. Hij komt met de familie praten om te horen hoe ze het verdere afscheid graag geregeld willen zien. Willen ze de dode thuis houden tot de uitvaart of brengen ze hem naar het funerarium? Kiezen ze voor een begrafenis of voor een crematie? Welke kleren trekken ze de dode aan? Hoe moet hij of zij verder verzorgd worden? De dokter moet een attest10 van overlijden opmaken. Dat heeft de begrafenisondernemer nodig om aangifte van het overlijden te doen bij de gemeente. Verder regelt de begrafenisondernemer ook de uitvaart. Hij overlegt met de familie wat er op de rouwbrief of de advertentie moet staan. Hij neemt contact op met de kerk, het crematorium en de begraafplaats. Hij organiseert ook een koffietafel na de uitvaartdienst. Alles volgens de wensen van de overledene en zijn familie. Begrafenisondernemers zijn gewend om mensen te helpen op moeilijke momenten. Ze blijven altijd rustig en proberen het afscheid zo mooi mogelijk te laten verlopen.

20


Als een kind doodgaat Soms sterven er ook kinderen: omdat ze erg ziek zijn of omdat ze een ongeluk hebben gehad. Het is altijd erg als er een kind sterft. Bij veel begrafenisondernemers worden baby’s opgebaard in een wiegje. Ook de doodskist voor kinderen is vaak anders: klein en wit. Soms worden er bij de uitvaart ballonnen opgelaten als teken van verbondenheid11 en hoop.

21


Op rouwbezoek Als iemand dood is, stuurt de familie vaak rouwbrieven rond. Soms komt er ook een advertentie in de krant. Zo weten vrienden en kennissen wie er gestorven is en wanneer ze hem of haar nog kunnen groeten. Ook de dag en het uur van de afscheidsdienst staan erbij. Vrienden en kennissen gaan de dode soms even groeten als hij ligt opgebaard. Ze condoleren12 dan ook de familie: ze zeggen dat ze meeleven met hun verdriet. Soms sturen ze een kaartje of een brief waarin ze zeggen wat de dode voor hen betekend heeft. Veel mensen vinden het moeilijk om op rouwbezoek te gaan. Wat moet je zeggen? Wat moet je doen? Het doet je pijn om te zien hoeveel verdriet de familie heeft. Toch is het belangrijk om ernaartoe te gaan. Je hoeft niet veel te zeggen. Je geeft een hand of een kus of een omhelzing. Je zegt dat je met hen meeleeft. En je luistert naar wat de familie jou wil vertellen. Voor veel familieleden is het een echte troost als andere mensen naar hen toe komen.

22


Misschien ben je een beetje bang om een dode te gaan groeten. Misschien heb je nog nooit een dode persoon van dichtbij gezien en weet je niet goed wat je kunt verwachten. Meestal valt het erg mee, omdat de dode er heel mooi en stil bij ligt. Als er iemand dood is die je goed hebt gekend, bijvoorbeeld je opa of je oma, kan het goed zijn om het dode lichaam te gaan groeten. Zo dringt het beter tot je door dat hij of zij echt dood is en kun je nog even afscheid nemen.

Begraven Dode mensen worden begraven of gecremeerd. Bij een begrafenis wordt het dode lichaam in een houten kist in een groot gat in de grond van de begraafplaats gelegd. De familie en de vrienden mogen soms met een schopje wat aarde op de kist gooien. Achteraf wordt er bij het graf een bord of een steen geplaatst met de naam van de dode erop en de datum van zijn geboorte en zijn overlijden. Vaak planten mensen ook bloemen op het graf. De graven van kinderen liggen vaak samen op een speciale plek van de begraafplaats.

23


En wat gebeurt er intussen onder de aarde? Het lichaam van de dode ontbindt. Dat gaat zo met alles wat doodgaat. De kist wordt minstens een halve meter onder de grond begraven. Mensen zeggen wel eens dat je als je dood bent, door de wormen wordt opgegeten. Maar dat klopt niet. Want zo diep onder de grond zitten er geen wormen meer. De ontbinding van het dode lichaam gebeurt door de zuurstof in de grond en de bacteriën13 die in het lichaam en in de aarde zitten. Het duurt ongeveer tien jaar voordat een lichaam helemaal ontbonden is. In de eerste weken gaat het heel snel. De organen en de huid gaan kapot en vergaan. De kist is vaak al na een jaar ontbonden. De botjes blijven het langst over, tot ook die ten slotte verdwijnen.

24


Cremeren14 In onze tijd kiezen veel mensen ervoor om gecremeerd te worden en niet begraven. Het lichaam wordt dan in de kist naar het crematorium gebracht. Daar wordt het met kist en al in de oven geschoven. Het verbranden van de kist en het dode lichaam gebeurt met de computer. Met elektriciteit wordt de temperatuur tot 1100° gebracht. Er komt dus geen vuur aan te pas. Het verbranden duurt ongeveer vijf kwartier. Om de as zeker niet te verwisselen met die van iemand anders, wordt er een speciaal onbrandbaar steentje op de kist gelegd met een nummer. Dat hoort bij de gegevens van de dode. Na de verbranding wordt de as gemalen in een speciale molen. Dan wordt de as verzameld met het steentje in een asbus. De as weegt 2 tot 4,5 kg. De familie mag de as thuis bewaren of bijzetten op een begraafplaats. Dat kan in een urnenwand of in een speciaal klein grafje. Soms wordt de as ook uitgestrooid op een strooiweide. Wie graag een eigen plekje heeft om aan zijn dode familielid te denken, kiest voor een graf of een vak in de urnenmuur. Daar kun je dan bloemen of kaarsjes bij plaatsen.

25


Verdriet Als er iemand doodgaat van wie je veel hebt gehouden, heb je verdriet. Sommige kinderen huilen dan. Maar je kunt niet de hele tijd blijven huilen. En toch is je verdriet niet over. Soms worden kinderen heel stil als ze verdrietig zijn. Andere kinderen worden juist boos. Of ze worden slordig en werken niet meer voor school, omdat ze vinden dat het toch allemaal geen zin heeft. Het doet nu eenmaal pijn om iemand te missen. Dat is heel normaal. Volwassen mensen willen vaak graag praten over de dode of over hun verdriet. Maar kinderen houden daar niet altijd van, of toch niet te lang. Zij gaan gewoon spelen, ook al denken ze vaak aan de dode. Af en toe wordt hun verdriet opeens even heel sterk. Bijvoorbeeld als ze iets zien of iets doen, waardoor ze aan hun dode familielid moeten denken. Meestal wordt het verdriet na verloop van tijd minder. Maar ook jaren later kan het opeens weer even opduiken. Dat is de prijs die we betalen als we van mensen houden. Iemand missen gaat nooit helemaal voorbij. En dat is ook een beetje fijn, want zo horen jullie toch nog bij elkaar.

26


Herinneringen Vaak bewaren mensen een paar herinneringen aan hun lieve dode. Ze zetten een foto op de kast, met daarbij een bloemetje en een kaarsje. Zo kunnen ze blijven denken aan de persoon die ze missen. Je kunt ook een herinneringsdoosje maken. Daarin stop je dan dingen die je van je overleden familielid gekregen hebt, zoals een pen of een kaartje. Er kunnen ook dingen in die je aan hem of haar doen denken, zoals een foto of iets wat nog van hem of haar is geweest. Dat doosje kun je dan mooi versieren. Als je er zin in hebt, kun je het doosje openmaken en ernaar kijken.

27


Na de dood Leef je nog verder na je dood of niet? Heel wat mensen denken dat de dood het einde van het leven is. Je lichaam vergaat en er blijft niets meer van je over. Toch leeft iedereen verder in de herinneringen van wie hem gekend heeft. Jij denkt nog aan je dode oma. Maar als jij dood bent, zijn die herinneringen ook weg. Beroemde mensen leven langer verder, omdat meer mensen hen gekend hebben en over hen vertellen aan de mensen die na hen komen. Oude mensen vinden het vaak fijn dat ze kinderen, kleinkinderen en soms zelfs achterkleinkinderen hebben. Want op die manier leeft er een klein stukje van hen nog verder na hun dood. Misschien heb jij wel dezelfde ogen als je opa. Of je kunt net zo goed zingen als je oma. Als je opa of oma dan sterft, zijn ze toch niet helemaal dood. Mensen leven soms ook verder in hun werk. Als ze een bedrijf hebben opgericht. Of als ze boeken hebben geschreven of schilderijen hebben gemaakt. Waar ze ook gewerkt hebben, vaak blijft er daarin iets van hun inzet over.

28


Gelovige mensen denken dat er na de dood nog een ander leven komt. Hindoes en boeddhisten denken dat je na dit leven opnieuw geboren wordt en aan een ander leven begint. Dat heet wedergeboorte of reïncarnatie. Pas na heel veel mensenlevens kun je samensmelten met het Al. Joden, christenen en moslims geloven dat je na je dood naar God gaat, meteen of aan het einde der tijden. Over hoe dat leven bij God eruitziet, worden heel wat verhalen verteld. Maar natuurlijk is er niemand die het echt kan weten. Vroeger vertelde men over de christelijke hemel dat je er rijstpap met gouden lepeltjes mocht eten. Dat was toen iets heel bijzonders!

29


Engelen In veel verhalen over het leven na de dood in de verschillende godsdiensten komen engelen voor. Bij de moslims komt ‘de engel van de dood’ de ziel ophalen uit het dode lichaam en brengt hem dicht bij Allah. De engel Djibriel (Gabriël) brengt de ziel daarna door de zeven lagen van de hemel tot bij twee engelen die de ziel ondervragen. Als de antwoorden goed zijn, mag de ziel verder naar het paradijs, op het einde van de tijden. In het christendom heeft elke mens volgens de oude verhalen een ‘beschermengel’ die hem helpt om goed te leven en hem behoedt15 voor gevaren. Verder zijn engelen er vooral boodschappers van God. Als een engel iets komt vertellen, komt dat altijd rechtstreeks van God. Op heel wat oude grafmonumenten zie je engelen afgebeeld.

30


Speciale gebruiken In de meeste godsdiensten zijn er speciale gewoontes rond de dood. Zo worden moslims zorgvuldig gewassen om rein voor Allah te kunnen verschijnen. Ze worden ook altijd begraven met hun gezicht in de richting van de stad Mekka, de belangrijkste stad in de islam. Bij de joden wordt het dode lichaam op de grond gelegd en bedekt met een witte doek. Naast het hoofd wordt een kaarsje aangestoken, om te herinneren aan de ziel van de overledene. Tot aan de begrafenis wordt het lichaam onder de witte doek nooit alleen gelaten. Meteen na de begrafenis begint de rouwperiode van zeven dagen voor de familie. Zij blijven dan in het huis van de overledene en gaan een week lang niet naar buiten. Ze werken ook niet in die periode. Daarna begint het gewone leven weer. Wie een graf op de begraafplaats bezoekt, neemt meestal een steentje mee om op het graf te leggen, als teken dat hij aan de dode heeft gedacht. Daarom zie je op joodse graven vaak een heleboel steentjes liggen. Christenen gedenken hun dode familieleden op Allerzielen, op 2 november. Ze brengen dan een bezoek aan het graf, dat ze versieren met bloemen.

31


Woorduitleg 1 aquarium 2 3 4 5 6 7

8 9 10 11 12 13

14 15

32

bak met water waarin vissen kunnen leven kiemen een kiem vormen, beginnen te groeien spichtig mager en lang polsslag hoe je iemands hartslag aan zijn pols kunt voelen EHBO-opleiding waarin je leert hoe je iemand de eerste hulp kunt geven bij ongevallen transplantatie het overbrengen van levende organen naar een ander lichaam palliatieve zorgen alles wat helpt om de pijn en het verdriet van heel zieke mensen te verzachten schmink kleurstof voor het gezicht funerarium rouwcentrum attest verklaring als bewijs verbondenheid samenhorigheid condoleren zeggen dat je meeleeft met iemands verdriet bacteriën piepkleine eencelligen die bv. in ons lichaam meewerken aan de verwerking van het voedsel in onze darmen cremeren een dood lichaam verbranden behoeden beschermen


Alles wat leeft, gaat dood. Maar wat is dat precies, doodgaan? Hoe weet je dat iemand dood is? Wat gebeurt er met het dode lichaam? Wat doe je als je verdriet hebt? Hoe kun je een beetje aan de dode blijven denken? En is er nog iets na de dood?

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties/foto’s: Stijn Claes, Shutterstock Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622832

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 1 - Alles gaat voorbij by die Keure - Issuu