ucatieve uitgaven
BIEB
Dikke zwarte Finn Donna Van Riet
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 4
2
Dikke zwarte Finn
1
2
1 Vanuit zijn hoekje bij het raam gluurt Finn naar buiten. Zijn ogen volgen het meisje dat haar egel voedert. Mocht hij niet beter weten, zou hij denken dat ze lief was. Maar niets is minder waar. IJskoud is ze. Een moordenaar. Toch blijft het moeilijk te geloven. Zelfs voor Finn. Hij, die met eigen ogen moest zien hoe zijn papa werd doodgeslagen. Wanneer hij nu naar haar kijkt, lijkt ze zo aardig. Ze streelt het buikje van de egel. Het dier geniet duidelijk. Verderop beginnen de vogels aan hun dagelijkse concert. Zo lokken ze het meisje. Ook hen behandelt ze als prinsen. Elke dag vers water en het beste zangzaad. Ze komen ervoor op haar hand zitten. En dan is er nog koning kat. Die heeft het helemaal voor elkaar. Hij mag binnen op een kussen liggen. De hele dag lang. Hij verroert zich enkel als er wat te eten valt. ‘Emma!’ Emma zet de egel weer op de grond en komt naar binnen. ‘Ja, mama?’ roept ze, de deurklink nog in haar hand. ‘We eten over vijf minuutjes. Was jij je handen?’ ‘Goed, mama,’ zegt Emma en ze stroopt haar mouwen op. Dan glijdt haar blik langs het raam. Emma’s ogen blijven steken bij de plek waar Finn zit. Het is alsof elk spiertje in haar lichaam verstijft. ‘Papa, kom snel,’ roept ze. ‘Een dikke, vette!’ Haar schreeuw geeft Finn koude rillingen.
3
Dik? Vet? Ik? denkt Finn. Zijn ogen wippen naar zijn spiegelbeeld in het raam. Hij bekijkt zichzelf vluchtig. Ik ben toch niet dik? Potig en gespierd, dat wel. Maar dik? Nee. Wanneer Emma’s papa komt aanhollen met zijn schoen in de hand, weet Finn hoe laat het is. Hij laat zich zakken en propt zich door de spleet in het raamkozijn. ‘Sla hem dood!’ hoort hij Emma nog zeggen. Met moeite geraakt hij door de enge kier naar buiten. Misschien had hij die laatste bromvlieg toch maar beter niet gegeten …
4
5
2 Bijna onderging Finn hetzelfde lot als zijn papa. Hij kan maar beter weggaan. De volgende keer zal het misschien niet zo goed aflopen. Het is jammer, want dit is zijn thuis. De plek waar hij als uk is komen aanwaaien. Daar heb je Marie. Finn heeft tientallen zussen. Marie is de kleinste van de hoop. Misschien net daarom is ze zijn favoriete zus. ‘Hey Finn, alles oké?’ vraagt ze. ‘Ja hoor,’ liegt Finn. Als grote broer zal hij niet toegeven dat hij staat te rillen van angst. Marie sluipt voort in de richting van het huis. ‘Zus, waar ga je heen?’ ‘Waar denk je? Naar een plaats waar het windstil is, natuurlijk.’ ‘Blijf hier, Marie. Het is daar gevaarlijk. Dat weet je.’ ‘Begin je nu weer met die verhalen over die mensen,’ zucht Marie. ‘Het zijn geen verhalen. Het is de waarheid. Onze papa …’ ‘Ja, ja …’ En weg is ze. Finns hart gaat wild tekeer. Hij moet zijn zus achterna. Ze loopt gevaar! Maar wat dan? Als hij haar volgt, loopt hij zelf gevaar. Het kan zijn dood betekenen. Marie verliezen lijkt hem nog erger. Hij kan niet anders dan haar volgen. Bevend kruipt hij naar binnen. Marie is nergens meer te bespeuren. Als een gek gaat Finn op zoek. Hij hoort geschreeuw. ‘Nee, niet weer één!’
6
Emma ziet Marie. Marie kan geen kant meer op. Dan hoort Finn plots een akelig geluid. De moordmachine, flitst het door zijn kop. Meteen blijft Finn stokstijf staan. Wat hij ziet, doet zijn hart bijna overslaan van angst. Marie verdwijnt in een lange, glanzende buis …
7
3 Hoewel het hem bijna zijn leven heeft gekost, is Finn erin geslaagd Marie te redden. Ze heeft er niets aan overgehouden. Al loopt ze wat vreemd op dit moment. Voor Finn is het genoeg geweest. Het moorden moet stoppen. Iemand moet het doen ophouden. Die iemand ben ik, denkt Finn. Maar hoe kan hij, kleine onbenullige Finn, nu voor vrede zorgen? Hij woelt, draait en keert, maar van slapen komt niets in huis. Er moet een manier zijn, denkt Finn. Als Emma van egels, vogels en katten houdt, waarom dan niet van ons? We hebben het meisje toch niets misdaan? Hij moet uitzoeken waarom Emma hen zo haat. Finn zal het slim moeten aanpakken. Langsgaan wanneer ze alleen is. Zo kan niemand haar helpen. Dan loopt hij geen gevaar. Op een afstand houdt hij het huis in de gaten. Zodra Emma’s mama en papa vertrekken, grijpt hij zijn kans. Finn sluipt moedig naar binnen, op zoek naar Emma. Ze zit in een hoekje op de grond. Ze speelt met haar pop. Haar vrolijke stem stokt wanneer ze Finn opmerkt. Het is alsof ze ter plekke bevriest.
8
Nog voor Finn een woord kan uitbrengen, begint ze weer te gillen. ‘Hey,’ roept Finn uit volle borst. Maar zijn stemmetje verdrinkt in haar schreeuw. Nooit eerder was hij zo bang. Hij wil weg! Maar als hij nu vertrekt, zal hij nooit weten waarom Emma hem zo haat. Haar grote ogen prikken Finn aan de grond. Hij krijgt geen woord gezegd. Dan klimt Emma op een stoel en begint te huilen. ‘W … waarom huil je nu?’ vraagt Finn moedig. ‘Ga weg, eng schepsel,’ snikt ze. ‘Eng? Ik?’ ‘Waarom gaat hij nu niet weg?’ ‘Ik wil gewoon met je praten,’ zegt Finn. Maar Emma hoort niet wat Finn zegt. ‘Waarom weer zo’n dikke, zwarte …’ Daar begint ze weer over dat dik zijn, denkt Finn. Hij weet genoeg. Vanaf nu gaat hij op dieet. ‘Harige, vieze …’ gaat Emma voort. ‘Hoor eens,’ zegt Finn boos. ‘Dat ik vies ben, is jouw schuld. Ik moest mijn zusje uit de moordmachine redden.’ ‘Mama,’ snottert Emma, ‘waar ben je? Ik ben zo bang.’ ‘Waarom ben jij bang? Wij zijn doodsbang van jou. Je papa mept ons dood en je mama zuigt ons op in de moordmachine. Als er iemand bang moet zijn, ben ik het.’
9
Emma huilt zachtjes verder. Finn merkt niet dat ze hem niet kan horen. ‘Ik ga pas weg als je belooft ons niet meer dood te maken,’ probeert hij. Maar Emma antwoordt niet. ‘Waarom kunnen we geen vrienden worden?’ Emma snikt. Finn wordt er zelf verdrietig van. ‘Ik weet dat je heel lief kunt zijn,’ zegt hij. ‘Ma …ma … B …ang …’ jammert Emma hees. Finn krijgt er een krop van in de keel. ‘Is er iets wat ik kan doen om je minder bang te maken?’ vraagt hij hoopvol. Maar opnieuw krijgt hij geen antwoord. Treurig trippelt Finn weer naar buiten. Het gesprek liep helemaal niet zoals hij het zich had voorgesteld. Helemaal van streek trekt hij zich terug in de tuin.
10
4 Onder een grote berg herfstbladeren hoort Finn geritsel. Het is de egel. Hij maakt zich klaar om een lange slaap te doen. Dat doet hij elk jaar rond deze tijd. Hij noemt het een winterslaap. Finn schrikt wanneer de egelsnuit tevoorschijn komt. ‘Bah, wat ruik jij muf,’ snuft de egel. ‘Dat komt door een bezoek aan de binnenkant van de moordmachine,’ zegt Finn. ‘Moordmachine? Welke moordmachine?’ vraagt de egel verward. ‘Wees blij dat jij die niet kent,’ zegt Finn een tikkeltje jaloers. ‘Ben ik,’ zegt de egel. ‘Klinkt eng.’ ‘Dat is het ook, geloof me.’ De egel rilt en kruipt weer onder zijn deken van bladeren. ‘Wacht even, mag ik je wat vragen?’ roept Finn. ‘Vraag maar,’ zegt de egel. ‘Hoe komt het dat Emma jou zo leuk vindt?’ De egel kijkt Finn verwonderd aan.
11
‘Wat een domme vraag,’ zegt hij. ‘Dat zie je toch. Dat komt door mijn mooie stekels, natuurlijk.’ Finns ogen glijden over de glanzende prikkers op de rug van de egel. Ze zijn inderdaad indrukwekkend. ‘Zou je me een paar van je mooie stekels kunnen geven?’ ‘Wat moet jij met mijn stekels?’ vraagt de egel. ‘Misschien kan ik Emma …’ De egel schudt zijn kop. ‘Emma houdt niet van jullie.’ ‘Dat wil ik net veranderen.’ ‘Met mijn stekels?’ ‘Alsjeblieft,’ smeekt Finn. ‘Het hoeven niet je mooiste te zijn.’ ‘Dat zou er nog moeten bijkomen,’ zegt de egel nors. ‘Alleen een paar korte stekels?’ vraagt Finn zeemzoet. ‘Mij best,’ zucht de egel uiteindelijk. Hij krult zich op tot bol en rolt over de grond. Zo lossen enkele sjofele stekels. ‘Dank je, dank je, dank je,’ zegt Finn. ‘Als ik ooit iets voor jou kan doen, laat je het maar weten.‘ ‘Hopelijk wordt het wat,’ bromt de egel. ‘Wat deed je daarnet?’ vraagt Finn.
12
‘Me in een bolletje rollen. Dat is wat egels doen bij gevaar. Maar het is ook handig om wat losse stekels af te schudden.’ ‘Wauw!’ De egel glundert. ‘Kun je me dat ook leren?’ ‘Beslist niet.’ ‘Ach toe,’ smeekt Finn. ‘Daarna laat ik je met rust. Slapen kun je nog lang genoeg.’ De egel aarzelt. Hij heeft het koud en wil eigenlijk zo snel mogelijk weer in zijn warme nest duiken. ‘Kan een stukje zacht mos je overtuigen?’ vraagt Finn ten einde raad. ‘Dat noem ik nou eens een goed idee,’ knikt de egel. In Finns hoofd groeit er lichte paniek. Waar moet hij in hemelsnaam mos vandaan halen? Hij en zijn grote mond altijd …
13
5 Finn bindt de stekels op zijn rug. Hij wil graag op de egel lijken. Misschien zal Emma dan minder bang zijn. Hoopvol trippelt hij naar haar toe. Ze schrikt wanneer ze hem ziet. En gilt. Luid. Finn probeert zich met veel moeite in een bolletje te rollen. Maar de stekels zitten in de weg. Hij slaagt er niet in een mooi rondje te maken en tuimelt op zijn rug. De stekels schieten als pijltjes alle kanten op. Emma kijkt het gedoe verbaasd aan. Ze gilt niet meer. Ze giechelt. Even lijkt Finns plannetje te lukken. Tot hij weer recht krabbelt. Zonder stekels. Dan wipt Emma krijsend op het bed. ‘Ga weg, eng ding!’ brult ze. Haastig raapt Finn de stekels op en probeert ze opnieuw aan zijn lijf te binden. Sommige zijn doormidden gekrakt. Andere zitten een beetje scheef. Het geheel ziet er erg slordig uit. Emma kijkt verschrikt toe. ‘Zo eng,’ mompelt ze. ‘Eng?!’ zegt Finn. ‘Bij de egel vind je dat toch schattig?’ Emma antwoordt niet. Ze is met haar knuffelbeer in een hoekje van het bed gekropen. Droevig wandelt Finn weg. Hij is boos op zichzelf. Hij had beter zijn best moeten doen. De egel had het hem nog zo goed uitgelegd. Allemaal voor niets. En nu is hij hem nog mos schuldig ook …
14
15
6 ‘Je pakt dat verkeerd aan,’ hoort Finn iemand zeggen. Wanneer hij opkijkt, ziet hij een knalgele kanarie. ‘O ja?’ vraagt Finn triest. ‘Die stekels zijn veel te saai. Kleur, dat zou helpen. Kijk maar naar mij. Ik ben prachtig. Toch?!’ ‘Eh, ja. Ja,’ zegt Finn. ‘Je bent werkelijk heel mooi!’
‘Wat jij nodig hebt zijn veren, net als die van mij.’ Er stroomt nieuwe hoop bij Finn binnen. ‘Zou je enkele veren kunnen missen?’ vraagt hij. ‘Zeker. Wij vogels verliezen er af en toe wat. Kijk daar op de grond. Kies maar.’ ‘Oh, dank je, dank je, dank je,’ glimlacht Finn. ‘Weet je wat Emma nog leuk aan me vindt?’ Finn schudt zijn kop. ‘Luister.’ De kanarie begint uit volle borst te zingen. ‘Wauw!’ 16
De vogel glundert. ‘Kun je me dat leren?’ vraagt Finn. De kanarie begint hard te lachen. Zó hard, dat hij bijna van zijn stokje valt. ‘Die is goed,’ proest hij. Finn krimpt in elkaar. Hij voelt zich nog kleiner dan hij al is. ‘Kan een stukje fruit je overtuigen?’ vraagt Finn wanhopig. ‘Dat verandert de zaak natuurlijk,’ kirt de kanarie. Het zweet breekt Finn uit. Zijn tong leidt een eigen leventje. Die belooft mos en fruit. Dingen die Finn niet heeft.
17
7 Deze keer is Finn er zeker van dat het zal lukken. Hij heeft de veren stevig vastgeplakt. En de zangles was een succes. De kanarie zelf was onder de indruk. Al wou hij dat niet meteen toegeven. Finn huppelt opnieuw Emma’s kamer binnen. Ze schrikt wanneer ze hem ziet. Maar ze gilt niet. Ze lacht. Het plan lijkt te lukken. ‘Grappig,’ zegt Emma. Finn begint te zingen. Jammer genoeg kan Emma zijn gezang niet horen. ‘Best mooi,’ zegt ze. Emma bedoelt de gele veertjes. Ze vindt mijn lied mooi, denkt Finn. Ondertussen komt hij ietsje dichter. En nog iets dichter. Plots is het alsof Emma wakker schiet en beseft hoe dicht Finn zit. Ze deinst achteruit en gilt. ‘Ga weg! Je bent en blijft eng.’ Finns hartje breekt. Wenend loopt hij weg. Hij snapt het niet. Nu was er niets misgelopen. Hij had prachtig gezongen. Uitgeput en leeg is hij. En dat allemaal voor niets. Tot overmaat van ramp heeft hij de kanarie fruit beloofd.
18
8 Hoewel hij zich rot voelt, is Finn niet van plan op te geven. Hij denkt na. Alles ging goed. Emma lachte zelfs. Ze vond hem grappig. Daar ligt vast het probleem, bedenkt Finn. Hij wil niet grappig zijn. Hij wil schattig zijn. Ze moet hem graag zien. Plots krijgt hij opnieuw een idee: de kat. De kat is Emma’s lieveling. Zou die de oplossing zijn? Hij ziet er zacht en donzig uit. Hem vindt Emma schattig. Dat weet Finn. Gevaarlijk wordt het alleszins. De kat durft wel eens naar hem te happen. Finn twijfelt. Zal de kat hem wel willen helpen? Elk dier wou al iets in de plaats. Wat zal de kat willen? Wat heeft Finn hem te bieden? 19
Finn besluit te wachten tot de kat gegeten heeft. Zo vermijdt hij per ongeluk opgepeuzeld te worden. ‘Goedemiddag, hoogheid,’ vleit Finn. Slaperig rekt de kat zich uit. ‘Ja,’ antwoordt hij droog. ‘Mag ik je iets vragen?’ ‘Wat dan?’ vraagt de kat geeuwend. De kat begint zichzelf uitgebreid te likken. ‘Krijg ik een klein beetje van je prachtige pels?’ ‘Mijn pels?!’ schrikt hij. De kat verslikt zich bij het wassen. Hij is nu klaarwakker. ‘Wat moet jij met mijn pels?’ ‘Ik probeer er schattig uit te zien. Voor Emma.’ ‘Ik zie niet in waarom ik jou zou helpen,’ antwoordt de kat bits. ‘Als jij me helpt, zorg ik ervoor dat je ongestoord kunt slapen.’ ‘Hoezo?’ De kat is nu één en al oor. ‘Hou je ervan dat ze je van dat zachte kussen haalt?’ ‘Nee,’ geeft de kat toe. ‘Ik heb er een hekel aan. Dat ze me steeds wekt, is inderdaad heel vervelend. Miauw. Ik wil zelf beslissen wanneer ik geaaid word.’ ‘Wel,’ zegt Finn. ‘Als mijn plan lukt, zal je minder vaak gestoord worden.’ ‘Leg uit,’ zegt de kat, terwijl hij zichzelf alweer aan het likken is. ‘Zodra Emma me schattig vindt, kan ik bij haar zijn als jij met rust gelaten wil worden. En als je geaaid wil worden, ga ik weg.’ ‘Mij best,’ zegt de kat en hij trekt een paar plukken vacht uit.
20
Finn is blij. Blij dat de kat wil meewerken. En blij dat hij niets beloofd heeft wat hij niet kan geven.
‘Heb je nog een bijzonder trekje?’ vraagt Finn. ‘Als je me nu met rust wil laten,’ snauwt de kat. Zijn oren liggen plat op zijn kop. ‘Dadelijk ben ik weg,’ sust Finn. ‘Ik wil alleen nog weten of je iets kattigs doet waar Emma van houdt.’ ‘Ik spin,’ murmelt de kat. ‘Je wát?’ ‘Ik spin,’ herhaalt de kat. ‘Luister.’ De kat maakt een schattig ronkend geluid. ‘Wauw!’ De kat glundert. ‘Zou je me dat ook kunnen leren?’ ‘Echt niet,’ gromt de kat. Zijn staart zwiept hevig heen en weer. ‘Kan een kommetje melk je overtuigen?’ Finn wil de woorden weer inslikken, maar het is te laat. Ze zijn eruit. En de kat zegt meteen ja. 21
9 Deze keer voelt Finn dat het goed komt. Hij heeft de pels netjes omgedaan. Hij lijkt net een schattige pluizenbol. Even zacht als de kat. Dapper wipt Finn Emma’s kamer binnen. Ze glimlacht wanneer ze hem ziet. ‘Hoe schattig is dat!’ zegt ze. Heeft Finn dat goed gehoord? Zei ze schattig? Finn trippelt voorzichtig iets dichterbij. Dan ziet Finn Emma’s gezicht weer veranderen. Een donkere schaduw glijdt boven Finns kop. Finn is zo met Emma bezig, dat hij niet merkt dat Emma’s papa achter hem staat. Hij houdt zijn schoen in de hand. ‘Nee, papa!’ gilt Emma. Maar het is te laat. De schoen haalt zoevend uit. Met een harde smak komt hij neer. Finn wist net op tijd weg te springen. De kracht van de slag blaast zijn bontjas een eind verder. Dit is het dan, denkt Finn. Weglopen heeft geen zin meer. Niets heeft nog zin. Ik heb weer gefaald. Nooit zal Emma mij graag zien. Als een grote roofvogel draait de schoen weer boven Finns kop. ‘Doe maar,’ roept Finn. ‘Maak me maar dood.’ Hij sluit zijn ogen. En geeft zich over. Boven hem klinken de stemmen van Emma en haar papa. ‘Niet doen, papa. Ik ben niet bang meer. Deze is lief. Ik wil niet dat hij doodgaat.’ ‘Emma, kindje, je weet niet hoe blij ik ben dat je eindelijk van die stomme angst af bent. Zulke nuttige beestjes. Ik vond het zonde ze telkens te moeten doodmaken.’
22
23
Finn gelooft niet wat hij hoort. Langzaam doet hij één oog open. Hij ziet hoe Emma’s papa zijn schoen neerzet en die weer aantrekt. Dan kust hij zijn dochter en gaat de kamer uit. Finns andere ogen springen spontaan open. Emma knielt neer naast hem. ‘Kom maar, lief spinnetje. Ik ben niet bang meer.’ Buiten aan het raam kijken de egel en de kanarie tevreden naar wat er binnen gebeurt. De kat volgt vanaf de deuropening mee. Finn ziet hen en knipoogt. Zijn beloften komt hij nu maar al te graag na. De egel droomt al van zijn zachte bedje van mos. De kanarie van zijn stuk fruit. En de kat likt zijn snorharen al bij de gedachte aan de romige melk. Wat verderop ziet Finn de pels liggen. Hij kruipt erheen. Hij wil hem omdoen. Voor de zekerheid. Maar Emma’s hand komt tussen Finn en het plukje haar. ‘Hoeft niet,’ zegt Emma vriendelijk. ‘Ik vind je leuk zoals je bent. Kom maar.’ Emma steekt haar hand uit en wenkt. Finn denkt dat hij droomt. Voorzichtig kruipt hij op Emma’s hand. ‘Dat kriebelt,’ lacht Emma. ‘Leuk!’ Finn is zó gelukkig, dat hij spint.
24
Emma lijkt een lief meisje. Ze is gehoorzaam en is dol op dieren. Maar … niets is wat het lijkt. Ze is helemaal niet lief. IJskoud is ze. Een moordenaar.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Rosemarie de Vos Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622832
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.