Skip to main content

Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 1 - Pluk

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Pluk Noëlla Elpers

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 4

1


Pluk

Helemaal alleen In een groot bos loopt een hondje. Het jankt droevig, want het is helemaal alleen. Het hondje zoekt zijn baasje. Het zoekt zijn baas achter struiken en boomstammen. Daarbij raakt de hond verstrikt in een braamstruik. Zijn haar is veel te lang. Het moet dringend geknipt worden. Met veel moeite rukt het hondje zich los. Ai! Dat doet pijn … ‘Rosa-lie,’ jammert het. ‘Rosa-lie!’ Als jij dat hondje hoorde janken, had je het niet verstaan. Het jankt immers in hondentaal en die taal verstaan de meeste mensen niet. En toch is het dat wat het hondje roept: ‘Rosa-lie’ en daarna roept het heel luid: ‘Ti-mo-tie!’

1


Waar komt die arme hond vandaan die nu zo eenzaam en verlaten is? Jij denkt misschien dat Rosalie en Timothy hun hond hebben achtergelaten. Je hebt waarschijnlijk gehoord dat mensen dat soms doen.

Ze kopen een kleine hond, maar die hond wordt groter. Misschien doet hij wel ondeugende dingen. Als de mensen hem beu worden, brengen ze hun hond naar het asiel. Dat is niet verkeerd. Als hij geluk heeft, vindt die hond wel een ander en beter baasje. Maar soms gooien ze de hond gewoon weg! Ze gooien hem natuurlijk niet bij het restafval. Nee, ze laten de hond achter in een bos en binden hem

2


vast aan een boom. Of ze zetten de lastige hond af langs een onbekende straat. Soms is de hond niet eens lastig. Het gebeurt dat mensen op vakantie vertrekken. De kleine hond is ondertussen groot geworden. De kinderen vergeten hem uit te laten en papa moet het zelf doen. Mama is het beu om de hond eten te geven. Brokjes voor honden zijn duurder dan je denkt. Dat zijn allemaal redenen die de mensen uitvinden als ze hun hond weg willen doen. Ze laten die brave hond achter in een bos of op straat. Die mensen vertrekken gewoon op vakantie! Zonder hun hond. Misschien is dit wel een stoute hond, zul je denken. Misschien heeft hij de taart opgegeten die stond af te koelen op het aanrecht. Of heeft hij een rare gewoonte? Eet die hond soms kiezelsteentjes? Dat doen sommige honden, echt waar! Of is het een bijtertje? Of een in-huis-plasser? Misschien hebben Timothy en Rosalie hun hond daarom achtergelaten in dat grote bos. Is het dat wat jullie denken? Wel, het is niets van dat alles. Ik zal jullie vertellen wat er gebeurd is. Pluk is een circushond en Rosalie is haar baasje. Ik zeg ‘haar’, want Pluk is een meisjeshond. En Timothy? Dat is de broer van Rosalie! Rosalie en Timothy zijn stapeldol op Pluk. Die hond is braaf, mooi, slim en nog zoveel meer: Pluk is hun liefste vriendinnetje. Hoe komt Pluk dan in dat enorme bos terecht?

3


Verloren Het is een droevig verhaal. Pluk is een heel brave hond. Ze is slechts één keer in haar leven een beetje stout geweest en dat moet ze nu duur betalen … Ik zal je vertellen hoe dat komt. Elk weekend en elke vakantie gaan Timothy en Rosalie mee met het circus. Hun ouders zijn acrobaten. In de schooltijd zitten ze op kostschool. Dat is een school waar je gedurende de week moet blijven slapen. Let wel: het is een fijne kostschool, geen gevangenis. Ze hebben er veel vrienden. Toch vinden ze één ding erg: ze missen Pluk. En Pluk mist Timothy en Rosalie. Het is elke vrijdag een blij weerzien. Pluk mag niet likken, maar op dat moment kan ze zich niet inhouden. Ze likt het gezicht van Rosalie en Timothy.

4


Op het einde van de zomervakantie gebeurde dit: De circusartiesten hadden de tent afgebroken en alles ingepakt. Ze waren klaar om op weg te gaan naar een andere stad. Rosalie en Timothy vonden dat altijd spannend. Waar zouden ze dit keer terechtkomen? Meestal zat Pluk bij Rosalie en Timothy in de auto. Maar die keer niet. Er was een nieuwe koorddanseres bij het circus. Haar naam was Deleila. Ze was mooi en zag er geheimzinnig uit. Rosalie vond haar prachtig en Timothy stiekem ook. Ze besloten allebei om mee te

5


rijden in de auto van Deleila. Ze wilden haar beter leren kennen. Maar Deleila was een pietje-precies1: zij wilde geen hondenhaar in haar auto. ‘Een poedel verliest geen haar,’ zei Rosalie. ‘Is dat een poedel?’ zei Deleila. ‘Dat zie je niet.’ ‘Het haar van Pluk moet dringend geknipt worden,’ zei Rosalie. ‘Dan zie je het wel.’ Maar Deleila wilde er niet van horen. Pluk kwam haar auto niet in. Daarom had Rosalie Pluk in hun woonwagen gezet. Dat vond het hondje niet erg. Als Rosalie en Timothy op school waren, reisde ze altijd mee in de woonwagen. Ze lag dan rustig in haar mand. Wat wel erg was: de karavaan2 raakte de weg kwijt. Midden in een groot bos hielden ze halt op een veldweg. De papa van Timothy en Rosalie stopte bruusk. Toen de jeep stopte, ging de deur van de woonwagen open op een kier. Rosalie was vergeten om de deur op slot te doen … Papa overlegde met de andere chauffeurs. Moesten ze nu links afslaan of rechts? ‘We zijn er! We zijn er!’ blafte Pluk blij. Niemand die op haar lette. Met haar neus duwde ze de deur van de woonwagen verder open.

6


Met een soepele sprong hupte ze de woonwagen uit. Pluk begon naar de auto van Deleila te rennen. Ondertussen vertrok de karavaan. En niemand die op Pluk lette … Het hondje rende nog een hele tijd achter de circuswagens aan. Toen ze de wagens niet meer zag, volgde ze hun spoor op de veldwegen. Maar op de grote baan die dwars door het bos liep, raakte ze het spoor bijster. Hoe het hondje ook jankte en jammerde: ze vond de circusstoet niet meer terug. Pluk bleef helemaal alleen achter in een groot bos. Toen ze in de volgende stad aankwamen, merkte Rosalie dat Pluk weg was. Ze huilde tranen met tuiten. Ze voelde zich vreselijk schuldig. Zij had de deur niet op slot gedaan. Timothy was niet kwaad op haar. Hij was boos op Deleila. Het was haar schuld! Zij wilde Pluk niet in haar auto hebben. Ach, het had geen zin om te bedenken wiens schuld het was. Pluk was verdwenen en dat was vreselijk. De papa van Rosalie en Timothy reed onmiddellijk terug met de auto. Maar de plek waar ze de weg waren kwijtgeraakt, vonden ze niet meer.

7


Gevonden Vier dagen loopt Pluk nu al door het bos. Haar vacht hangt vol met takjes. Ze heeft van de beek gedronken, maar bijna niets gegeten. En ze is doodongelukkig. ‘Rosa-lie,’ jammert ze zachtjes. ‘Ti-mo-tie…’ Alleen de vogels antwoorden. Zij zijn al gewend aan die kleine ragebol3. Ha, een nieuwe bosbewoner, denken ze vast. Ze hebben al gemerkt dat Pluk niemand kwaad doet. Ze probeert geen vogel of kikker te vangen. Ze is het gewend van lekkere hapjes te krijgen. In een bakje. Als het donker wordt, verstopt Pluk zich in een droge sloot. Ze graaft zich in tussen de bladeren. Ze ligt met haar snuitje op haar voorpoten en zucht. Het mos is vochtig. Pluk rilt van de kou. Die nacht droomt Pluk. Pluk droomt niet van de jacht, ze droomt over Rosalie en Timothy. Ze ziet het rood-wit gestreepte zeil van de circustent. Pluk stapt weer als een circuspaard de piste in. Ze heeft een zadeltje op haar rug en een tuig met een pluim op haar kop. Ze doet alle kunstjes die de circuspaarden daarnet hebben gedaan. Rosalie is de paardentemmer. Ze draagt een stoer pak en een cowboyhoed.

8


9


Rosalie heeft een kleine zweep in de hand. Die laat ze knallen. Natuurlijk slaat ze Pluk nooit met die zweep. Zelfs niet per ongeluk. Ze is altijd heel voorzichtig. Pluk galoppeert en steigert als een echt paard. Ze loopt op haar achterpoten en gaat dood liggen met haar poten omhoog. De kinderen lachen en klappen heel hard in hun handen. Maar wat nu? Is het dak van de tent soms lek? Pluk doet haar ogen open en kijkt omhoog. Het is donker. Het is nat en koud. Het regent … Pluk ligt buiten in een sloot die zich langzaam vult met water. Ze is te moe om hardop te janken. Pluk staat op en geeft geen kik. Maar in haar binnenste huilt ze. Pluk loopt nog drie dagen door het bos. Ze knabbelt aan gras en takjes. Tegen haar zin eet ze een dode muis. Ze heeft ontzettende honger en ze is moe. Ze beweegt bijna niet meer. Zelfs overdag verstopt ze zich in holen en onder de struiken. Ze slaapt veel. Op de zevende dag hoort ze stemmen! Pluk probeert haar oren te spitsen, maar die hangen vol doornige takjes. Het doet pijn. ‘Rosa- lie… Ti-mo-tie?’ zegt ze zacht.

10


Maar al wat Dirk en Minneke horen is een zwak gejank. ‘Wat is dat?’ zegt Minneke. ‘Heb jij dat ook gehoord, Dirk?’ Nu horen Dirk en Minneke het duidelijk: het gejank van een dier. Met zijn stok duwt Dirk de takken van een struik opzij. Die hangen over een sloot die gevuld is met dorre bladeren. ‘Wat ligt daar?’ zegt Minneke. ‘Een grijze dot wol?’ ‘Een bibberende dot wol …’ zegt Dirk. ‘Ik kan niet goed zien wat voor dier het is, maar ik denk dat het een hond is.’ ‘Zal ik hem oppakken?’ vraagt Minneke. ‘Voorzichtig,’ zegt Dirk. ‘Misschien bijt hij.’ Maar Pluk bijt niet. Ze kijkt bang omhoog. Dat zijn Rosalie en Timothy toch niet, denkt ze. Die twee zijn veel te oud. Ze zijn even groot als de mama en de papa van Timothy en Rosalie … ‘Och, kijk eens … Je kunt zijn kraaloogjes nauwelijks zien,’ zegt Minneke. ‘Zijn haar zit helemaal in de war en het hangt voor zijn ogen.’ Minneke weet nog niet dat Pluk een zij is. Pluk piept. ‘Zal ik hem pakken? Misschien bijt hij. Stil maar, hondje,’ bromt Dirk met zijn zware stem. Wat een vreemde man, denkt Pluk. Hij ziet eruit als een boom.

11


Dan ziet ze twee grote handen die haar willen grijpen. ‘Niet doen!’ jankt Pluk. ‘Niet doen …’ ‘Dat arme hondje is bang,’ zegt Minneke. ‘Ik zal het wel pakken!’ Twee fijne, smalle handen komen dichterbij. Handen die niet veel groter zijn dan de handen van Rosalie … Stil maar, hondje, ik doe je geen kwaad, sjjjt,’ zegt Minneke. Pluk probeert verder weg te kruipen onder de bladeren. 12


Dan zweeft ze plots door de lucht. De smalle handen hebben haar opgetild. ‘Die hond is zo licht als een veertje,’ zegt Minneke. ‘Het beestje moet bijna dood zijn van de honger.’ ‘Niet bang zijn, beestje,’ zegt Dirk. ‘Je bent veilig nu. Wij hebben je gevonden.’ Minneke en Dirk gaan naar hun woonwagen. Die staat vlakbij in het bos. Minneke draagt Pluk. De hele tijd houdt Pluk haar snoetje verborgen in de holte van Minnekes arm. 13


Wat voor hond is dat? Minneke geeft Pluk kattenbrokken. Na enige aarzeling begint ze te eten. Best lekker, denkt ze. En dan begint ze te schrokken. ‘Hoho, niet te veel!’ zegt Dirk en hij neemt het bakje af. ‘Zo schrokken is niet goed voor een hond die al lang niets meer gegeten heeft.’ ‘Waar moet dat beestje slapen?’ zegt Minneke. ‘We hebben een probleem,’ zegt Dirk. ‘Pol zal vreselijk jaloers zijn als die hond in de woonwagen slaapt. Je weet toch wat voor een monster hij kan zijn? Straks rukt hij dat arme dier nog aan flarden.’ ‘Dan zetten we Pol voorlopig toch buiten?’ zegt Minneke. ‘Dat vindt hij heus niet erg. Hij is een jager. Hij brengt wel vaker buiten de nacht door. Maar wat doen we met die hond als hij beter is?’ ‘Mmm, dat weet ik nog niet,’ bromt Dirk. ‘Het bos is eigenlijk geen plek voor een hond. Hij zal de vogels wegjagen.’ ‘Dat doet Pol toch ook?’ zegt Minneke. ‘Ja,’ zegt Dirk, ‘en hij is hier ook dik tegen mijn zin. Maar het is zo’n sufferd, daarom mag hij blijven.’ Pluk zit stilletjes op de schoot van Minneke. Ze laat haar kop hangen. ‘Wat voor een hond is dit eigenlijk?’ vraagt Minneke. ‘Geen idee,’ zegt Dirk. ‘Zijn haar zit vol met klitten.’ Pluk houdt zich muisstil terwijl Minneke de takjes en blaadjes uit haar vacht plukt. Min-ne-ke, denkt ze. Min-ne-ke … Haar handen zijn zacht en klein. Net zoals de handen van Rosalie.

14


Bij de gedachte aan haar baasje begint ze weer zacht te janken. ‘Ocharme …’ zegt Minneke. ‘Weet je wat ik ga doen? Ik ga morgen met die hond naar de hondenkapper in het dorp. Wie weet wat er onder die grijze wol zit.’ ‘Het is vast een mormeltje,’ zegt Dirk. ‘Ik wil het eigenlijk niet weten.’ De grote hand komt weer op Pluk af. Ze krimpt ineen. ‘Niet bang zijn, mormeltje,’ zegt hij vriendelijk. Dirk legt zijn hand op de rug van Pluk en drukt haar haren plat.

15


Die nacht slaapt Pluk voor het eerst in de woonwagen van Dirk en Minneke. Een woonwagen is voor haar heel gewoon. Maar een woonwagen die in een bos staat, is toch anders. Ook de geuren zijn anders. Het ruikt er naar aarde en naar onbekende mensen. Midden in de nacht wordt Pluk wakker van een vreemd geluid. Iets of iemand krabt aan de deur. Het voorspelt niet veel goeds … ‘Nee, Pol, jij moet buiten blijven!’ roept Minneke vanuit haar mand. Die mand noemen mensen natuurlijk een bed. Maar voor een hond is een bed net een enorme slaapmand. Deze twee mensen slapen samen in één mand, denkt Pluk. Net zoals de mama en papa van Rosalie en Timothy. Bij de gedachte aan haar baasje, begint Pluk weer zachtjes te janken. Buiten, bij de deur, klinkt geblaas en geschreeuw. Het krabben wordt heftiger. Een kattig monster, denkt Pluk bibberend.

16


Bij de kapper en de dierenarts ‘Wat een zielig hoopje ellende is dit,’ zegt Lies. Lies is hondenkapster en ze pakt de trillende Pluk op en tilt hem op de kapperstafel. ‘Ik weet het,’ zucht Minneke. ‘Hij lijkt niet eens op een hond. We hebben hem gevonden in het bos.’ ‘Wat erg,’ zegt Lies. ‘Mensen die honden op die manier achterlaten, zouden ze zwaar moeten straffen.’ ‘Alleen zie je die mensen nooit,’ zegt Minneke. ‘Je vindt alleen de hond.’ ‘Misschien heeft hij een elektronische chip4 in zijn oor,’ zegt Lies. ‘De dierenarts kan zo’n chip lezen met een apparaat. Dan kun je zien waar die hond vandaan komt. Op die manier kunnen ze zijn baasje opsporen.’ ‘Ik durf niet aan zijn oren te komen,’ zegt Minneke. ‘Hij begint vreselijk te janken als ik er aan kom. Zijn haar is daar helemaal bij elkaar geklit. Ik denk dat hij een oorontsteking heeft. Als je zijn haar geknipt hebt, kunnen we kijken of hij een chip heeft. Straks ga ik toch met die hond naar de dierenarts.’ Pluk zit rustig op de kapperstafel. Ze is het gewend om haar vacht te laten knippen. Ze laat haar traanogen schoonwassen. Dat doet deugd. Maar als Lies het haar bij haar oren begint schoon te vegen met lauw water, jankt ze.

17


‘Er is een stukje uit haar oor,’ zegt Lies. ‘Misschien hebben die mensen de chip eruit geknipt voor ze de hond in de steek lieten?’ Pluk weet wat er met haar oor gebeurd is. Ze is verstrikt geraakt in een braamstruik en raakte bijna niet los. Haar lange kruloren zaten muurvast. Ze heeft zich moeten losrukken en dat deed vreselijk pijn. Weg stukje oor, en weg chip! ‘Zat vast in de doorns!’ blaft ze. Maar Minneke en Lies verstaan haar niet. ‘Er zit toch nog wat leven in,’ zegt Lies.

18


‘Soms lijkt het alsof die hond iets wil zeggen,’ zegt Minneke peinzend. Na de wasbeurt scheert Lies het haar weg op de rug van Pluk. Daarna scheert ze haar achterpoten en staartje. ‘Ze staat mooi stil,’ zegt Lies. ‘Ze is het vast gewend.’ ‘Ze?’ zegt Minneke verbaasd. ‘Weet je het dan niet?’ zegt Lies. ‘Het is een teefje.’ ‘Daar had ik geen idee van,’ zegt Minneke. ‘Ze is heel mager, ik kan haar ribbetjes tellen ...’ ‘Weet je al wat voor een ras het is?’ vraagt Minneke. ‘Zie je dat dan niet?’ vraagt Lies. ‘Het is een poedel.’ ‘Een poedel,’ zegt Minneke verbluft. ‘Ik hou niet zo van poedels. Het zijn hondjes met streken. Juffershondjes5!’ ‘Daar is niets van aan!’ blaft Pluk. ‘Ik denk dat je haar beledigd hebt,’ giechelt Lies. Minneke staat met grote ogen naar het magere scharminkel6 op de kapperstafel te kijken. ‘Wat zal Dirk daar van zeggen …’ mompelt ze. ‘De wonde aan dat oor ziet er lelijk uit,’ zegt de dierenarts. ‘Er is een stukje uit gescheurd. Het beestje is te mager, maar voor de rest is ze gezond. Ik denk dat er goed voor dit hondje gezorgd werd.’

19


‘Heeft ze geen chip of een tatoeage7?’ ‘Ik heb nergens iets kunnen vinden.’ ‘Dan hebben die onmensen de chip uit haar oor geknipt!’ zegt Minneke verontwaardigd. ‘De wonde kan ze ook op een andere manier opgelopen hebben,’ zegt de dierenarts. ‘Misschien bleef ze met dat oor ergens achter haken?’ ‘Ze hing vol takjes en doorns,’ zegt Minneke. ‘Dit is geen bang hondje,’ zegt de dierenarts. ‘Ze laat zich braaf onderzoeken.’ ‘Ze jankt nochtans veel,’ zegt Minneke. ‘Dat kan zijn omdat ze haar baasje mist,’ zegt de dierenarts. ‘Ik denk dat ze verloren gelopen is.’ ‘Ja, ja!’ blaft Pluk. ‘Soms lijkt het alsof die hond kan praten …’ zegt Minneke. ‘Sommige mensen kunnen hun hond verstaan. Dat zie ik wel vaker gebeuren in mijn praktijk8. Weet je dat poedels heel slim zijn?’ ‘Ik hou niet zo van poedels,’ zegt Minneke. ‘Het zijn flauwe hondjes.’ Pluk kijkt Minneke smekend aan. ‘Min-ne-ke, Minne-ke,’ jankt ze zacht. En ze kwispelt met haar dunne staart. ‘Maar deze heeft wel iets …’ Pluk knuppelt met haar staartje op de onderzoekstafel.

20


‘Het lijkt wel of ze me verstaat,’ zegt Minneke. ‘Maar wat zal Dirk zeggen?’ ‘Wat ga je met die hond doen? Zul je haar naar het asiel brengen?’ vraagt de dierenarts. ‘Dat weet ik nog niet,’ zegt Minneke. ‘Het hangt er maar van af …’ ‘Eerst maar eens zien wat Dirk zegt,’ vult de dierenarts aan.

Wat Dirk zegt Dirk kijkt bedenkelijk9 naar Pluk die pas terug is van de dierenarts. ‘Wat een lelijk mormel,’ zegt hij. ‘Het is precies een gestroopt10 konijn.’ Pluk zit op haar kontje op de vloer van de woonwagen. Ze jankt, met haar snuit omhoog: ‘Ro-sa-lie, Ti-motie… Waar zijn jul-lie?’ ‘Shtt, ik heb de hele tijd het gevoel dat ze ons verstaat,’ zegt Minneke. ‘We moeten opletten met wat we zeggen …’ ‘Nu breekt mijn klomp11,’ zegt Dirk. Hij zet zijn dophoed af en krabt eens in zijn lange haar. ‘Als je al op je woorden moet letten voor een hond …’

21


Pluk kijkt Dirk droevig aan. Met haar staart tussen de poten sluipt ze naar haar mand. ‘Kijk, nu heb je haar beledigd,’ zegt Minneke. Dirk zet een paar stappen. Met zijn handen in zijn zij kijkt hij naar de mand. Pluk kijkt omhoog. Ze is een beetje bang. Die man is een wandelende boom, denkt ze. En hij ruikt ook naar boom. ‘Mmm,’ zegt Dirk. ‘Ze heeft wel slimme oogjes. En het is een poedel, verdorie! Wie had dat nu gedacht.’ Hij gaat op zijn hukken zitten.

22


Pluk ziet de grote hand boven haar kop zweven. De hand komt neer op haar rug en knijpt er even in. Niet hard, wel vriendelijk. ‘We zullen zorgen dat je wat meer vlees op je botten krijgt, beestje,’ zegt hij. ‘Wat zullen we met haar doen?’ zegt Minneke. ‘Ze heeft geen chip,’ zegt Dirk. ‘En volgens de dierenarts is ze verloren gelopen … Dan is er maar één ding dat we kunnen doen.’ ‘Wat dan?’ ‘We hangen posters uit in de omringende dorpen.’ ‘We brengen haar dus niet naar het asiel?’ zegt Minneke opgelucht. ‘Nee,’ zegt Dirk. ‘Die hond mag hier blijven tot haar baasje haar komt ophalen.’ En weer geeft die grote hand een kneepje in de rug van Pluk. Die kwispelt met haar staartje. Ze begint het plezierig te vinden. Minneke neemt een foto van Pluk en laat die zien aan Dirk. ‘Wat een zielig dier,’ zegt hij. Daarna maakt Minneke posters en flyers12 op de computer en drukt die af. Met die posters stappen Dirk en Minneke in de auto. Pluk zit op de achterbank, op een dekentje. Dirk en Minneke hangen de posters op in de winkels van de dorpen in de buurt. Op het prikbord in alle

23


kerken. Ze leggen flyers op cafétafels en in de bibliotheek. Denk je dat er iemand op afkomt? Nee, Rosalie en Timothy zijn terug op kostschool. Hun ouders zijn ver weg van het bos waar Pluk nu woont. In een andere stad. Niemand van hen die een poster of een flyer ziet met het magere kopje van Pluk erop. Elke avond denken Rosalie en Timothy aan Pluk. Ze missen haar. En Pluk? Die mist hen ook. Weet je wat ze zou doen als die twee nu door de deur van de woonwagen zouden stappen? Ze zou recht in hun armen springen! Ze zou hun gezicht likken en er nooit meer mee ophouden. Het leven bij Dirk en Minneke valt best mee. Na het ontbijt vraagt Dirk: ‘Ga je mee, beestje?’ Dan mag Pluk mee met Minneke en Dirk. Zonder leiband. Ze draaft met gestrekte voorpootjes door het bos. Alsof ze nog steeds in de piste paradeert13. Ze springt sierlijk over de sloten. ‘Het is net een circushond,’ zegt Minneke. Pluk schiet soms achter een haas of een vogel aan. Dat is niet naar de zin van Dirk. Zijn stem klinkt streng als hij roept: ‘Hier, beest!’ Pluk luistert, maar als ze een ander konijn ruikt, is

24


ze weer weg. Meestal komt ze snel terug. Maar soms niet. Dan blijft ze een tijdje achter. ‘Die hond jaagt,’ klaagt Dirk. ‘Dat heb ik niet graag.’ ‘Het zit in haar natuur,’ zegt Minneke. ‘Wil je haar liever aan de lijn houden dan? Dat kan ook.’ ‘Nee,’ zegt Dirk. ‘Ik vind het juist fantastisch dat het beestje hier vrij kan rondlopen. Hier in het bos kan dat tenminste nog. Ze mag op hazen en konijnen jagen. Die krijgt ze waarschijnlijk toch niet te pakken. Maar van de kikkers en de salamanders moet ze afblijven!’

Pol Pluk is dol op eten. Vooral spaghetti lust ze graag. Ze kan niet wachten tot haar etensbakje klaar is. Minneke maakt met zorg haar eten. Dat is goed, maar het duurt wel lang. Pluk wordt daar ongeduldig van. Ze springt als een springbal op vier poten tegelijk omhoog. ‘Sneller, maak eens voort!’ blaft ze. Als Minneke een elastiek rondom haar twee flaporen doet, is dat een teken. Het eten is klaar! Haar oren zitten zo in een dot bij elkaar op haar kop. Dan hangen haar flappers niet in haar bakje terwijl ze eet. Het enige minpunt 14 in het leventje van Pluk is Pol.

25


Pol is een grote, witte kater, met lichtgrijze vlekken. Die Pol is helemaal geen kattig monster, het is een watje15 met gele ogen. Al van in het begin probeert Pol goede maatjes te worden met Pluk. Hij spint en fleemt en probeert met zijn rug tegen haar flank16 te wrijven. Meestal gromt Pluk naar hem om hem weg te jagen. Maar Pol houdt vol, het is een echte slijmbal. Soms laat Pluk hem dan maar doen. Ze staat stil en laat het gebeuren.

26


Wrijf, wrijf … Miauw, miauw … Nog even wachten en het is over. Dan springt Pol weer op de vensterbank en gaat hij naar de vogeltjes kijken. ‘Pol!’ bromt Dirk dreigend. ‘Waag het niet, jongen.’ Dirk maakt zich zorgen om de vogels. Hij houdt van alle dieren in het bos. Pluk is tevreden. Tegen haar is Dirk nooit zo streng. Die kater moet zijn plaats kennen. Zeker rond etenstijd. Dan probeert hij op een slinkse17 manier bij het etensbakje van Pluk te geraken. ‘Afblijven, kat!’ snauwt Pluk dan. Je zou het moeten zien. Pol krimpt ineen en gaat op de sofa zitten. Hij kijkt een beetje beledigd en likt dan zijn poot. ‘Jij krijgt je eten straks, Polleke,’ zegt Minneke. ‘Als dit beestje klaar is.’ Die kater moet weten dat ik de baas ben in huis, denkt Pluk. ‘Het beestje verdedigt haar plaats goed,’ zegt Dirk. ‘Daar hoefden we dus niet bang voor te zijn.’ ‘Arme Pol,’ zegt Minneke, ‘het is zo’n pantoffelheld18. In het vervolg krijgt hij zijn eten in de veranda, nadat dit beestje gegeten heeft.’ ‘Het is een slim dier,’ zegt Dirk en hij kijkt tevreden naar Pluk. ‘En ze ziet er al wat beter uit. Ze heeft al wat vlees gekregen op haar botten.’ ‘Dat zal wel,’ zegt Minneke. ‘Ze eet de oren van onze kop.’ ‘Toch zullen we haar missen als haar baasje haar komt halen,’ zegt Dirk.

27


Hond zonder naam Bij het bos waar de woonwagen van Dirk en Minneke staat, is een dorp. Elke dag gaat Dirk daar boodschappen doen. ‘Ga je mee?’ vraagt hij op een ochtend aan Pluk. ‘Ja, ja!’ blaft Pluk. Van puur plezier springt ze omhoog, op vier poten tegelijk. ‘Zou je dat wel doen, Dirk?’ zegt Minneke bezorgd. ‘Dan moet dat arme beestje een leiband aan doen!’ ‘Volgens mij kan ze dat heel goed,’ zegt Dirk. En dat is ook zo. Pluk kan heel netjes aan de leiband lopen. Met gestrekte pootjes marcheert ze fier naast Dirk. Eerst gaan ze naar de bakker. ‘Wel, Dirk,’ zegt de bakker. ‘Wie had ooit gedacht dat jij hier met een poedel zou rondlopen?’ ‘Een poedel is heel slim,’ zegt Dirk fier. ‘De dierenarts heeft het ook al gezegd.’ ‘Het is een schatje,’ zegt de bakkersvrouw en ze komt achter de toog uit. Ze krabbelt Pluk op zijn kruin. Pluk snuffelt aan haar mollige handen. Die ruiken lekker zoet. ‘Mag ze een koekje?’ vraagt de bakkersvrouw. ‘Ja, ja!’ blaft Pluk en ze gaat braaf op haar kontje zitten.

28


‘Nee,’ zegt Dirk streng. ‘Dat is niet goed voor dat beestje haar tanden.’ Daarna gaan ze naar de kruidenier voor kaas en 200 gram worst. ‘Zo, Dirk,’ zegt de kruidenier, ‘hou jij tegenwoordig van juffershondjes?’ ‘Dit is geen juffershondje,’ zegt Dirk verontwaardigd. ‘Dat beestje is helemaal niet flauw!’ De vrouw van de kruidenier is klaar met worst snijden. Ze komt achter de toog uit en houdt een plakje worst omhoog. ‘Mag ik dit geven?’ vraagt ze aan Dirk. ‘Ja, ja!’ blaft Pluk en ze danst op haar achterpoten. ‘Vooruit dan maar,’ zegt Dirk. Pluk danst nog een rondje en krijgt haar plakje worst. De kruidenier krabt eens in zijn haar. ‘Nee maar… Het is geen juffershondje, maar een circushond!’ zegt hij verbaasd. Vanaf dan mag Pluk elke ochtend mee als Dirk boodschappen gaat doen in het dorp. Je zou die twee eens moeten zien! De dagen worden weken en de weken worden maanden. Het is al november en het baasje van Pluk heeft nog steeds niet van zich laten horen. Pluk mag zonder leiband rennen in het bos, slapen voor de houtkachel en ze krijgt lekker eten. Ze hoeft geen kunstjes te doen. Die doet ze nu enkel als ze dat zelf wil.

29


Toch is Pluk Rosalie en Timothy nog niet vergeten. Soms staart ze voor zich uit en jankt zacht. Minneke begrijpt het. ‘Beestje denkt aan haar vorige baasje,’ zegt ze. Dirk en Minneke hopen stiekem dat het baasje van Pluk niet meer komt. Ze zijn op haar gesteld geraakt. Op een zonnige herfstdag wandelen Minneke en Dirk met Pluk door het bos. Dat vindt Pluk heerlijk. Ze rent haar neus achterna. Wij mensen vinden ook dat het lekker ruikt in een bos, maar voor een hond is het toch nog anders. Het bos is als een vuurwerk van geurtjes voor een hond. Pluk rent door de dorre bladeren en laat ze stuiven. ‘Het beestje is gelukkig,’ zegt Dirk. ‘Beestje …’ zegt Minneke. ‘Zo kunnen we haar toch niet blijven noemen? Een mier is ook een beestje. En een spin en een kikker ook.’ ‘Reken maar dat kikkers ook beestjes zijn,’ zegt Dirk. ‘Ik hou van kikkers.’ Minneke wijst naar Pluk die als een dolle naar een afvallend blad hapt. ‘En je houdt ook van dat beestje,’ zegt Minneke. ‘Reken maar,’ zegt Dirk. ‘Haar baasje komt haar niet meer halen …’ ‘Nee,’ zegt Dirk. ‘Brengen we haar dan naar het asiel?’ ‘Ben je gek,’ zegt Dirk verontwaardigd. ‘Dat beestje blijft bij ons!’ Minneke lacht blij. ‘Kom eens hier, beestje!’ roept ze.

30


Maar Pluk luistert niet, ‘beestje’ is haar naam niet. ‘Jammer dat we niet weten hoe ze vroeger heette.’ ‘Dat is niet erg,’ zegt Dirk. ‘Het hondje begint bij ons een nieuw hoofdstuk in haar leven. Daar hoort ook een nieuwe naam bij.’ ‘Een naam geef je niet zomaar,’ zegt Minneke peinzend. ‘We moeten er goed over nadenken.’ ‘Welke naam past goed bij een zilveren poedel?’ zegt Dirk. Pluk dolt met de bladeren. Ze lijkt het niet erg te vinden dat ze een hond zonder naam is. Op een mooie dag zal Pluk haar naam zelf wel kiezen!

31


Woorduitleg 1 pietje-precies 2 karavaan 3 ragebol 4 elektronische chip 5 juffershondje 6 scharminkel 7 tatoeage 8 9 10 11 12

praktijk bedenkelijk gestroopt konijn nu breekt mijn klomp flyer

13 paraderen 14 minpunt 15 watje 16 flank 17 slinks 18 pantoffelheld

iemand die alles heel juist wil doen stoet verwilderd, niet verzorgd haar plaatje onder de huid met alle gegevens van de hond klein, flauw hondje mager dier met inkt in de huid gebrande tekening werkplek van de (dieren)arts zorgelijk konijn zonder vel uitroep van verbazing geplooid briefje met informatie erop fier en sierlijk lopen iets wat in het nadeel spreekt doetje, slap persoon (hier: dier) zijde van een dier vals iemand die moet luisteren

Lees ook het vervolg: ‘Frotje’ in Kijker 5

32


In een groot bos loopt een hondje. Het jankt droevig want het is helemaal alleen … Pluk is een circushondje. Op een dag loopt ze verloren in een groot bos. Het hondje mist haar baasje Rosalie. Wat gaat er nu gebeuren met Pluk? Zal ze haar baasje terugvinden of niet?

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Sanne Vanderkrieken Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622832

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 1 - Pluk by die Keure - Issuu