Page 1

de puur muziek

10.12.2011 | 20:00 | CONCERTZAAL

BRUSSELS PHILHARMONIC VAN FINSE NAALDWOUDEN EN RIJNLANDSCHAPPEN


PROGRAMMA

UITVOERDERS

Béla Bartók (1881-1945) Suite uit ‘De wonderbaarlijke mandarijn’, opus 19

Brussels Philharmonic Otto Derolez | concertmeester Michel Tabachnik | dirigent

Jean Sibelius (1865-1957) Vioolconcerto in d, opus 47 I. Allegro moderato II. Adagio di molto III. Allegro, ma non tanto

Eugene Ugorski | viool

PAUZE

Robert Schumann (1810-1856) Symfonie nr. 3 in Es, opus 97 ‘Rheinische’ I. Lebhaft II. Scherzo: sehr mäßig II. Nicht schnell III. Feierlich IV. Lebhaft

2


VAN FINSE NAALDWOUDEN EN RIJNLANDSCHAPPEN Muzikaal nationalisme is een fenomeen van alle tijden. Het ontstaat wanneer een samenleving en zijn cultuur gedomineerd worden door een vreemde, niet-eigen invloed. Als reactie creëren componisten muziek met elementen die eigen zijn aan de onderdrukte natie en die als herkenningspunt kunnen dienen. In de negentiende eeuw kent de nationalistische stijl een hoogtepunt wanneer componisten van de kleinere staten reageren tegen de gevestigde internationale stijl van de Duitse hegemonie.

verder en slaagt erin het Italiaanse monopolie in de opera definitief te verdrijven. Van dan af is het overwicht van de Duitse muziek in de Westerse muziekcultuur een feit. Ook Schumanns muziek klinkt door en door Duits. Hij laat zich dan wel niet in met politieke gebeurtenissen of sociaal engagement, maar vindt wel inspiratie in de Duitse filosofie en literatuur van zijn tijd. In de lijn van de romantische geest verheerlijkt de componist ook de pracht van het Duitse platteland en de natuur. Schumanns ‘Symfonie nr. 3 in Es , op.97’ (de Rheinische) is een lofzang op het Rijnland, een streek die al generaties Duitse componisten inspireert en die al decennialang symbool staat voor soevereiniteit als gevolg van een aanslepend geschil tussen Frankrijk en Duitsland.

Nationalisme van een hegemonie: nationaal idioom wordt muziek van de mensheid Ondanks een sterk Duits cultureel bewustzijn is er in de achttiende eeuw geen sprake van een Duitse natie. De voertaal is Frans, de muziektaal Italiaans. Het Duitse volk kampt bovendien met een enorm minderwaardigheidscomplex sinds de talrijke nederlagen tegen Napoleon. De drang om zich te profileren groeit gestaag, ook op muzikaal vlak. Mozart doet een eerste poging om aan de Italiaanse dominantie te ontsnappen, maar het is Beethoven die erin slaagt de Duitse trots leven in te blazen. Geïnspireerd door de politiek-maatschappelijke gebeurtenissen van zijn tijd (de Franse revolutie en de val van Napoleon) creëert hij een nieuw heroïsch idioom waarmee hij zich als grondlegger van het Duitse idealisme profileert. Weber is de eerste componist die een bewust nationalisme nastreeft. In zijn opera ‘Der Freischutz’ klinken niet alleen Duitse walsen en volksmelodieën, maar ook voor het eerst uitsluitend Duitse libretto’s. Wagner zet deze tendens

Nationalisme van een onderdrukt volk In navolging van de nationale revoluties tegen de ‘Grote Alliantie’ (na 1830) reageren ook componisten tegen de normatieve Duitse stijl. Ze transformeren traditie en volkscultuur tot nationale symbolen en laten ze samengaan met klassieke vormen, harmonieën en compositorische technieken. In een later stadium streven componisten een meer experimentele muziek na en integreren ze nationale elementen in functie van innovatie en vernieuwing. Bartók neemt daar een sleutelpositie in. Samen met zijn collega Kodály doet hij significant pionierswerk op het vlak van de etnomusicologie: de musici verzamelen authentieke muziek van Hongarije en de Balkan en nemen de typische kenmerken onder de loep. Het grootschalige onderzoek

3


leidt tot de ontdekking van onbekende ritmes, maatsoorten, toonsoorten (pentatonische) en klankkleuren. Bartók laat dat materiaal samengaan met moderne, experimentele compositietechnieken en vertrouwde klassieke structuren en creëert daarmee een nooit eerder gehoorde muziektaal. In zijn ‘De Wonderbaarlijke Mandarijn’ drijft hij die manier van componeren bijzonder ver.

nadat Bartók het in 1924 herschrijft. De première vindt plaats in Keulen, maar de reacties zijn vernietigend en de Keulse burgemeester – wiens politieke carrière op het spel staat – beveelt het werk in te trekken. Of hoe politieke voorzichtigheid het wint van artistiek avontuur. Het libretto van ‘De Wonderbaarlijke Mandarijn’ (van Menyhért Lengyel) is bijzonder gewelddadig en heeft een luguber zwarterotisch thema. Drie zwervers dwingen een meisje om voorbijgangers te lokken naar haar ‘bordeel’ zodat ze de mannen daar kunnen beroven. De eerste, een wat oudere man, heeft geen cent op zak en wordt op straat gesmeten. De tweede, een verlegen jongeman, ondergaat hetzelfde lot. Dan verschijnt het derde personage: de Mandarijn. Na een helse achtervolging van de gast op het meisje, weten de zwervers de Mandarijn te overmeesteren, te beroven en vervolgens te vermoorden. Maar de Mandarijn sterft niet. Tot drie keer toe proberen de zwervers hem te doden, maar de Mandarijn geeft de strijd pas op op het moment dat het meisje de man omhelst en zijn passie beantwoordt. Het verhaal en de protagonisten staan duidelijk symbool voor de politieke en morele waarden die het naoorlogse Europa markeren. En dat wordt niet door iedereen geapprecieerd.

In Finland is het Sibelius die als pleitbezorger van het nationalisme geldt. Zijn muziek wordt beschouwd als de perfecte uiting van de Finse cultuur en natuur. Daar hebben zijn liefde voor het nationale epos ‘Kalevala’ en zijn magistrale werken met hun atmosferische klankvelden, hun onorthodoxe harmonieën en vernieuwende melodieën zeker mee te maken. De van oorsprong Zweedse componist heeft echter nooit de intentie een nationale muziek te creëren. Met zijn ‘Vioolconcerto in d, opus 47’ probeert hij te ontsnappen aan het beeld dat de buitenwereld hem opdringt. Béla Bartók - Suite uit ‘De Wonderbaarlijke Mandarijn’, opus 19 De ballet-pantomime ‘De Wonderbaarlijke Mandarijn, op. 19’ is een van de meest aanstootgevende composities die Béla Bartók (1881-1945) ooit verwezenlijkt. Hij creëert het werk in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, een tijd van ontbering, chaos en politieke onrust waarin het OostenrijksHongaarse Rijk uiteenvalt. Bartók, die op dat moment een slechte gezondheid heeft, wordt er bovendien van verdacht heimelijk een Roemeens nationalist te zijn. Zijn etnomusicologisch werk wordt beschouwd als verraad aan Hongarije. Een première van zijn ‘Mandarijn’ zit er in die omstandigheden niet in. Het werk wordt pas in 1926 voor het eerst uitgevoerd,

Niet alleen het thema van ‘De Wonderbaarlijke Mandarijn’ is uitdagend, ook de muzikale zetting wijkt behoorlijk af van de normen. De harmonieën, de behandeling van het ritme en de orkestratie waren nog nooit zo experimenteel als in dit werk. De opening is hectisch en verwijst naar de dynamiek en de drukte van een moderne stad. Wanneer het meisje verschijnt, speelt de klarinet een smachtende melodie die na elke verleiding steeds opge-

4


wondener klinkt. De eerste bezoeker, de struikelende oude man, wordt gekarakteriseerd door stotterende, stijgende glissando’s in de trombones. De jongeman wordt vervolgens verklankt door een dromerige hobo. Als de zwervers de oude man en de jongeling buitenzetten, spelen de trompetten een vivacefiguur van herhalende noten. De komst van de Mandarijn wordt aangekondigd met een dreigend thema van dalende tertsen in de trombones en de tuba. Dat motief ontwikkelt zich tegen tremolo’s in de houtblazers en dalende glissando’s in de harp- en pianopartij. Het meisje tracht de Mandarijn te verleiden in een wals waar het onheilspellende thema blijft opduiken. De wals ontwikkelt zich gaandeweg tot een wilde erotische dans. Als de Mandarijn de achtervolging op het meisje inzet, zet het orkest een wilde fugato in die begeleid wordt door een bonkend ritme bij de blaasinstrumenten en de percussie. De suiteversie (die Bartók in 1927 schrijft) eindigt hier, op het moment dat de Mandarijn het meisje vangt. Bartók laat de moordsectie en de uiteindelijke catharsis bewust weg, wat toelaat dat het concert eindigt in een overweldigende climax.

riete bar te frequenteren. (Naar het schijnt is de trage beweging ontstaan tijdens een drie dagen durende kater.) Sibelius geeft zelf toe dat hij te zwak is: “Als ik voor een groot orkest sta en een halve fles champagne heb gedronken, dan pas dirigeer ik als een jonge god. Anders ben ik nerveus en beef ik, voel ik me onzeker over mezelf, en dan is alles verloren. Hetzelfde geldt voor mijn bezoeken aan de bankdirecteur.” Maar er is ook de historie ‘Willy Burmester’. Het vioolconcerto is opgedragen aan die sterviolist, die de première ervan had moeten uitvoeren. Maar problemen met de planning maken dat Burmester niet beschikbaar is voor de eerste uitvoering in Helsinki. Viktor Novacek neemt de zwaar onderschatte taak van solist op zich, en dat draait uit op een fiasco. Sibelius trekt het werk in en bewerkt het vervolgens in 1905. De première van die versie vindt plaats in Berlijn, maar ook deze keer zonder Burmester, die nochtans popelt om het concerto samen met de Berliner Philharmoniker onder leiding van Richard Strauss te brengen. Sibelius geeft de opdracht aan de eerste violist van het orkest, Karl Halír. Burmester is zo beledigd dat hij zweert het werk nooit te zullen uitvoeren.

Jean Sibelius - Vioolconcerto in d, opus 47 Lange tijd lijkt het alsof er voor Jean Sibelius (1865–1957) een loopbaan als vioolvirtuoos is weggelegd, maar een mislukte auditie beslist er anders over. Componeren mag dan wel een tweede keuze zijn, toch weet Sibelius een internationaal gerenommeerde carrière uit te bouwen. Zijn enige ‘Vioolconcerto in d, op. 47’ uit 1903 is het bewijs van zijn genialiteit. Het concerto ontstaat nochtans in erg moeilijke omstandigheden. Sibelius is een overmatig alcoholgebruiker en zijn vrouw moet hem meermaals overtuigen om zijn werk te voltooien in plaats van zijn favo-

In de bewerking van het vioolconcerto schrapt Sibelius de meest schreeuwerige passages waardoor de compositie verfijnder klinkt. Toch blijft deze vereenvoudigde versie een hele uitdaging voor de solist. Hoewel sommige delen van de solopartij razend moeilijk zijn (en dat geldt zelfs voor passages die gemakkelijk klinken), lijken de uitdagingen in de partituur vrijwel elke violist te prikkelen. De vioolpartij is meesterlijk en bewijst hoe goed de componist het instrument kent en beheerst. Toch ligt het werk niet in de lijn van Sibelius’ eerdere successen, wat wellicht verklaart waarom het werk slechts stapvoets

5


de weg tot de concertzaal vindt. Het markeert veeleer een nieuwe periode in zijn carrière. Sibelius is de associatie met het Finse nationalisme, folklore en mythologie immers moe en zoekt nieuwe artistieke uitdagingen. Toch blijft de muziek doordrongen van noordelijk temperament en zijn vergelijkingen met het Finse natuurschoon nooit veraf. Dat bewijst de uitspraak van Sir Donald Tovey die de finale van het werk afschildert als een “polonaise voor ijsberen”. Maar er is ook een andere reden voor de compositorische ommezwaai: in 1902 krijgt Sibelius een pijnlijke oorontsteking die niet te behandelen is. Bang om dezelfde lijdensweg als Beethoven en Smetana te moeten gaan, vindt de componist een uitweg in een voor hem nieuw genre: het vioolconcerto. Het werk lijkt wel een therapie, want hij vindt een gepaste manier om zijn verdriet te kanaliseren, namelijk door Sibelius de violist eindelijk een ereplaats te geven.

die Schumann in het Rijnland moet ervaren hebben en geldt zo als een eerbetoon aan de schoonheid van de streek. Dat blijkt ook uit elk van de vijf delen van de symfonie (in plaats van de gebruikelijke vier delen voegt Schumann een extra beweging toe). Het scherzo geeft hij aanvankelijk de titel ‘Ochtend aan de Rijn’ en is in wezen een langzame Ländler. De finale lijkt op een typisch Rijnlands karnaval en kent her en der motiefjes die geplukt zijn uit de typische volksmuziek van de regio. Maar het meest karakteristiek is het vierde deel dat oorspronkelijk de ondertitel ‘In de stijl van een begeleiding bij een plechtige ceremonie’ draagt. Het is de enige compositie waarin Schumann extramuzikale beelden en ervaringen een rol laat spelen: de beweging is geïnspireerd door een processie die de componist en zijn vrouw aan de dom van Keulen bijwonen. Dat maakt van de derde symfonie echter geen programmamuziek, want Schumann maakt de verbinding met zijn buitenmuzikale inspiratiebron niet expliciet bekend in zijn partituur.

Robert Schumann - Symfonie nr. 3 in Es, opus 97 ‘Rheinische’ In 1850 wordt Robert Schumann (18101856) benoemd tot vast dirigent van het orkest van Düsseldorf. Die aanstelling betekent een nieuwe start voor de 40-jarige componist. Hij lijkt eindelijk te herstellen van zijn slechte gezondheid en ziet in zijn benoeming een kans om nieuwe artistieke activiteiten te ontwikkelen, zonder daarbij de hete adem van zijn concurrent Wagner te voelen. Een van zijn eerste verwezenlijkingen na zijn aankomst in de stad is de ‘Symfonie nr. 3 in Es groot, op. 97’ (1850). In een brief aan zijn uitgever Simrock in 1851 zegt Schumann dat de geschiedenis en de geest van de Rijn en zijn omwonenden een houvast waren tijdens het schrijven van dit werk. De symfonie, die de gepaste bijnaam de ‘Rheinische’ krijgt, ademt inderdaad de gemoedelijke, onstuimige sfeer

De ‘Rheinische Symfonie’ is Schumanns derde en laatste symfonie. De vierde had hij al negen jaar daarvoor gecomponeerd, maar werd pas na de derde uitgegeven. Voor het model haalt de componist de mosterd bij Beethoven. Maar ook Schuberts en Mendelssohns symfonieën fungeren als een referentiepunt. De muzieksleutel van het werk verwijst dan weer naar Bach en de Heilige Drie-eenheid: de drie mol-tolkens staan voor de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Het Rijnverhaal kent helaas een bitter einde. De eens zo beloftevolle loopbaan in Düsseldorf mondt na twee seizoenen uit in een vertroebelde relatie met het orkest. Schumann zinkt weg in een depressie en doet in 1845

6


een zelfmoordpoging in zijn zo geliefde rivier de Rijn. Een visser redt de componist van de dood, maar Schumann belandt vanaf dan voor de rest van zijn leven in een psychiatrische instelling.

uitnodigingen van de festivals in Besançon en Strasbourg, bevestigt Michel Tabachnik samen met het orkest de sterke internationale reputatie die sinds enkele jaren werd opgebouwd. Eugene Ugorski Talrijke musici dromen ervan om binnen hun domein uit te groeien tot de absolute wereldtop, maar slechts weinigen van hen beschikken over het talent en het doorzettingsvermogen om die ambitie ook waar te maken. Als er één jonge violist is die hierin lijkt te slagen, dan is het wel Eugene Ugorski. Ugorski werd in 1989 geboren in Sint-Petersburg, maar verhuisde al snel met zijn ouders naar de VS. Toen hij als zesjarige viool begon te studeren, bleek al gauw dat hij over een fenomenaal talent beschikte. Als kind van acht trad hij voor het eerst op met het San Diego Symphony, het orkest van zijn nieuwe thuisstad. Een dergelijk talent kon niet lang onder de radar blijven, en het was niemand minder dan Valery Gergiev die Ugorski uitnodigde om zijn kunnen te demonstreren op het paasfestival van Moskou – een hele eer voor een violist van vijftien. Gergiev was zo onder de indruk van zijn optreden, dat hij Ugorski vroeg voor ‘zijn’ Rotterdams Philharmonisch Orkest. Dat betekende het begin van een succesvolle carrière als solist. Daarnaast is Ugorski ook actief in het meer intieme genre van de kamermuziek, waarvoor hij samenwerkt met pianist Konstantin Lifschitz. Ondanks zijn vroege vertrek uit Rusland klinkt de traditie van de grote Russische school nog steeds door in het spel van Ugorski. Zijn vioolspel valt immers op door een karakteristieke donkere en warme klank die doet denken aan Heifetz, waarmee hij zich onderscheidt van de meeste jonge violisten van zijn generatie.

BIO Brussels Philharmonic werd opgericht in 1935 onder de vleugels van de openbare omroep (NIR). Het orkest concerteerde met grote dirigenten en solisten, en creëerde in de loop van zijn bestaan nieuwe werken van wereldvermaarde componisten als Stravinsky, Messiaen en Francesconi. De werking van Brussels Philharmonic vertrekt vanuit verschillende reeksen in Brussel, zowel in Flagey, waar het repeteert in de akoestisch tot de wereldtop behorende Studio 4, als in Bozar. Daarnaast is het orkest thuis op de grote podia in Vlaanderen (Concertgebouw Brugge, deSingel, Koningin Elisabethzaal, Muziekcentrum De Bijloke, Kursaal Oostende) en in belangrijke culturele centra als Hasselt, Leuven, Roeselare, Turnhout. Michel Tabachnik is sinds 2008 als muziekdirecteur een sleutelfiguur in de werking van Brussels Philharmonic. Zijn eigenzinnige maar tegelijk erg toegankelijke programma’s, waarin het grote orkestrepertoire gecombineerd wordt met de muziek van de 20ste eeuw, bereiken een steeds groter en breder publiek. Zijn credo: “We zijn geen museum, maar een platform voor levende muziek.” Met een vaste afspraak in het Concertgebouw van Amsterdam, een residentie in Cité de la musique in Parijs, regelmatig concerten in het Grosses Festspielhaus in Salzburg en

7


BINNENKORT WO | 14.12.11 | 20:00 Ricercar Consort, Oltremontano Schütz, Scheidt

ZA | 21.01.12 | 14:00 & 16:00 Michiel Hendryckx Muzikale vertelling voor kinderen

DO | 15.12.11 | 20:00 | MIRYZAAL Leipziger Streichquartett, Pianoduo Tal & Groethuysen Mendelssohn

ZA | 21.01.12 | 20:00 | MAETERLINCK Brussels Philharmonic Schönberg: Pelléas et Mélisande

ZA | 17.12.11 | 20:00 Moneim Adwan Ensemble Arabische soefimystiek

ZO | 22.01.12 | 16:00 Marc Mauillon Mon chant vous envoy

ZO | 18.12.11 | 15:00 Jakob Lindberg Bach, Weiss

VR | 27.01.12 | 20:00 Cantus Cölln Kuhnau, J.S. Bach

WO | 11.01.12 20:00 | Christian Mendoza Group 22:00 | Marius Neset Quartet Jazz

WO | 01.02.12 | 15:00 Ronald Brautigam Van Beethoven, Mendelssohn, Satie, Debussy

VR | 13.01.12 | 20:00 | MIRYZAAL Jan Kobow, Kristian Bezuidenhout Schubert, Die schöne Müllerin ZA | 14.01.12 | 20:00 Ensemble Zefiro Albinoni, Vivaldi, Haendel

DO | 02.02.12 | 20:00 | MAETERLINCK Maeterlinck Kwartet Milhaud, Lekeu, Debussy VR | 03.02.12 | 20:00 Brussels Philharmonic, Vlaams Radio Koor, Octopus Symfonisch Koor, Michel Tabachnik (dirigent), Vadim Repin (viool) Berg, Debussy

DO | 19.01.12 | 20:00 The Harp Consort, Andrew Lawrence-King (dirigent) Juan Gutiérrez de Padilla, Missa Mexicana Bespreekbureau Muziekcentrum De Bijloke Gent J. Kluyskensstraat 2, 9000 Gent Di - vr 10:00 - 12:00 & 13:00 - 17:00 | za 13:00 - 17:00 09 269 92 92 | tickets@debijloke.be | www.debijloke.be

v.u. | Daan Bauwens • tekst | Kathleen Snyers © | Muziekcentrum De Bijloke Gent info@debijloke.be Muziekcentrum De Bijloke is mobiel dankzij het partnership met Gent Motors (www.gentmotors.be)

Brussels Philharmonic 10.12.2011  

Het programmaboekje bij het concert van Brussels Philharmonic, op zaterdag 10 december in Muziekcentrum De Bijloke Gent.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you