BelgiĂŤ - Belgique PB Gent X 3/8812
thema's van kinderen en jongeren in perspectief
September 2014 3e jaargang / nummer 2 Verschijnt tweemaal in 2014 Afgiftekantoor Gent X
E SPECIAL EDITIE
leren
kinderarmoede
10 18 34 50
ruimte
werk
Vier jaar jeugdwerk op school bracht leerlingen in contact met cultuur Stijgende kinderarmoedecijfers schreeuwen om beter beleid Creatief aan de slag tijdens inspraaksessies met kinderen Jonge werkzoekenden verdrinken in informatiestroom
Krax+, expertiseblad over thema’s die essentieel zijn voor kinderen, jongeren en hun organisaties. Krax+ is een initiatief van De Ambrassade. De kernredactie bestaat uit experten binnen en buiten het jeugdwerk. — ANNELEEN OPHOFF Hoofdredactie JAN DE RYCK Eindredactie LEEN VAN BOCKSTAL (JINT), JOHAN MEIRE (Kind & Samenleving), GIL KEPPENS (JOP), DOMINIQUE VERSCHUREN, ROBERT CRIVIT (Uit de Marge), KATRIEN CRISPYN (De Ambrassade) Kernredactie
+ INHOUDELIJK KOMPAS WIJST DE WEG Kiezen is niet altijd verliezen. Door inhoudelijke keuzes te maken, kan je net naar diepang streven. Dat is wat De Ambrassade het afgelopen jaar deed – kernmissies verwoorden rond vier thema’s. Kinderarmoede, leren, ruimte en werk zijn voor de komende acht jaar dé focusthema’s bij De Ambrassade. Het is onze oriëntatie om keuzes te maken in de thema’s, projecten en acties die we willen uitwerken. In deze extra dikke kompaseditie van Krax+ geven we elke kernmissie een uitgebreid dossier met expertise én de stem van jongeren. Want De Ambrassade zet zich in een duurzame, solidaire en participatieve samenleving waar kinderen en jongeren gelukkig zijn. We doen dit door in te zetten op publiek, open debat en experiment. Ook voor de beelden deden we beroep op heel wat jongeren die de wereld en de mensen rondom hen ongedwongen vastlegden. Zoek dus wat rust op en duik in deze editie vol onderzoek, opinie en boeiende cases. Laat je inspireren door onze selectie van good practices en uitgebreide waaier van meningen. Experimenteer zelf met wat je opsteekt en ga het gesprek aan met je netwerk. En zet je samen met ons in voor het geluk van alle kinderen en jongeren in Vlaanderen. Anneleen Ophoff Hoofdredacteur Wil je een reactie of suggestie kwijt, oudere artikels opzoeken of je persoonsgegevens corrigeren? Surf dan naar www.kraxplus.be
PETER CASTEELS, SOFIE ISERBYT, IKRAME KASTIT, FRÉDERIQUE LOONES, REINHARD HAUDENHUYSE, KURT JACOBS, PATRICK MANGHELINCKX, KARIN NELISSEN, MIET NEYENS, CAROLIEN PATYN, RIK PINXTEN, JOCHEN SMETS, ELINE VANDER MEIREN, WOUT VAN CAIMERE, JO VAN DE WALLE, JASMIN VAN SAN, RAF VERBRUGGEN, BRAM VERMEIREN Medewerkers RAISA VANDAMME, LAUREN RUSHING, DRIES CELIS, MICHAEL LOMBARTS, KWINTEN VERSPEURT, RACHEL ADAMS (cover), ANNELEEN OPHOFF, FIRESAM, JES, MIJNGOESTING, FABOTA Fotografie — Redactieadres De Ambrassade – Krax+ Leopoldstraat 25, 1000 Brussel T 025511350 www.ambrassade.be info@ambrassade.be EVA VEREECKE Verantwoordelijk uitgever — EMMA THYSSEN Vormgeving DRUK IN DE WEER, GENT, Druk
8 IN DIT NUMMER...
21 41
4
GELUK: BEGINPUNT VOOR JEUGDWERKORGANISATIES!
6
DE AMBRASSADE STELT INHOUDELIJK KOMPAS VOOR AAN JEUGDSECTOR
8
“OOK DOCENTEN MOETEN PERSOONLIJKE ERVARINGEN DELEN”
10
MIJNGOESTING: VIER JAAR JEUGDWERK OP SCHOOL BRACHT LEERLINGEN IN CONTACT MET CULTUUR
14
“IK GA OP REIS EN IK NEEM MEE... EEN RUGZAK VOL TAAL”
17
STEM VAN DE JONGERE: EWOUT (18)
18
STIJGENDE KINDERARMOEDECIJFERS SCHREEUWEN OM BETER BELEID
21
JONGEREN IN ARMOEDE RICHTEN ZICH TOT BELEIDSMAKERS
24
ARMOEDE DOOR DE LENS VAN JONGEREN
27
ARMOEDE-EXPERTS ZIJN MEERWAARDE VOOR HET JEUGDWERK
30
STEM VAN DE JONGERE: MEHRIA (23)
31
MEER EN BETERE RUIMTE VOOR KINDEREN EN JONGEREN
34
CREATIEF AAN DE SLAG TIJDENS EEN INSPRAAKSESSIE MET KINDEREN
38
NAAR EEN POLITIE VOOR IEDEREEN, OOK IN DE OPENBARE RUIMTE!
41
JEUGDHUISBEZOEKERS: EEN PROFIELSCHETS
45
STEM VAN DE JONGERE: NATALLIA (15)
46
ONGEKWALIFICEERDE UITSTROOM IN STEDEN BLIJFT HOOG
50
“JONGEREN VERDRINKEN IN INFORMATIESTROOM OVER DE ARBEIDSMARKT”
52
BRUSSELSE JONGEREN LEVEN ZONDER WERK
54
STEM VAN DE JONGERE: LOTTA (20)
46
+ opi
ni
e +
GELUK: BEGINPUNT VOOR JEUGDWERKORGANISATIES! Bram Vermeiren “Zeven op de tien jongeren noemen zich best wel gelukkig. Dat kwam uitgebreid aan bod bij de voorstelling van de resultaten van de JOP-monitor. Ook in het World Happiness Report scoort België goed. Volgens Leo Bormans zijn alle basisvoorwaarden voor ons geluk dan ook ruimschoots aanwezig. En toch wringt volgens hem het schoentje bij ons sociaal gedrag: een grote uitdaging is niet zozeer ‘onveiligheid’ of ‘angst’, maar ‘eenzaamheid’. Vele jongeren voelen zich niet goed in hun vel.”
“Er moet dus nog gewerkt worden aan geluk, ook voor kinderen en jongeren. Het is niet enkel een vaststelling, het is onze beste stimulans en missie. Wij dromen van een samenleving waarin kinderen en jongeren zelf de definitie van hun geluk mogen en kunnen bepalen. Een samenleving die zichzelf serieus neemt en de ruimte creëert waarin iedereen zijn geluk optimaal kan nastreven, en kinderen en jongeren daarbij ondersteunt. Gelukkige kinderen en jongeren zullen er maar zijn dankzij gelukkige volwassenen in een gelukkige omgeving. We moeten bouwen aan het geluk van kinderen en jongeren door onder andere in te zetten op kwalitatief onderwijs, een goede gezondheidszorg, betekenisvol werk, stevige familiale en vriendschappelijke contacten, de tijd om tot rust te komen, veel erkenning, waardering, en nog heel veel meer. En dat is nu net ook waar jeugdwerk, jeugdinformatiespelers, de jeugdraad, talloze organisaties, initiatieven en vrijwilligers elke dag fameus sterk werk van maken, vanuit de praktijk en op basis van de uitspraken en beleving van kinderen en jongeren zelf.”
Zijn wie ik ben “Vorige maand stelde De Ambrassade het inhoudelijk kompas voor: een kader om dromen en langetermijnuitdagingen in de samenleving te prioriteren en in overeenstemming te brengen met het realiseren van onze missie, functies en opdrachten. Het biedt de kans om intern en extern de violen gelijk te stemmen. We dromen er namelijk van dat kinderen en jongeren hun versie van geluk volop kunnen en mogen bepalen. Want geluk wordt gekenmerkt door positief te antwoorden op volgende vragen: Mag en kan ik zijn wie ik ben? Mag en kan ik worden wie ik wil? Mag en kan ik samenwerken met anderen? Dragen mijn werk en engagement bij tot een groter, zinvol geheel? De Ambrassade is ervan overtuigd dat de meningen en ideeën van kinderen en jongeren heel wat in beweging zetten. Deze positieve krachten moeten we voluit tot hun recht laten komen. Dit betekent een samenleving waaraan kinderen en jongeren willen, kunnen en mogen participeren.
Jongeren moeten de ruimte hebben om rebels en creatief zichzelf te ontdekken. Jongeren moeten de ruimte hebben om rebels en creatief zichzelf te ontdekken, te aanvaarden en te zijn. We staan voor een samenleving waarin kinderen en jongeren mogen vallen en opstaan, waarin ze mogen proberen en waarin ze mogen rebelleren. Het is een ongeziene bron van creativiteit, innovatie en frisse antwoorden. Heel wat jongeren doen straffe uitspraken over de dingen waarvan ze wakker liggen, over wat hen raakt en waar ze aan willen bijdragen. Zo ook bijvoorbeeld de jongeren van De Schoonmoeder aller Verkiezingen. Zo wil Lora een actie organiseren voor maatschappijleer in het onderwijs, wil Stijn het statuut en de rol van de leraar opwaarderen, Nozizwe de kansarmoede bij kinderen en jongeren wegwerken en Asher een actie organiseren voor minder grijs en meer groen op straat.”
Strijd voor geluk “Jongeren en andere experten zijn verontwaardigd en geven aan dat kinderen en jongeren uit de boot vallen, en er een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid bestaat om de situatie te verbeteren. Dat zien we in onderzoeken, bevragingen bij jongeren die plaatsvonden voor het Jongerenpact, het grote prioriteitendebat, resultaten uit participatieve trajecten van vele organisaties, en in de praktijk van elke dag in het werk voor, door en met kinderen en jongeren. Jongeren zelf geven prioritair aan dat de thema’s ‘ruimte’,
‘leren’, ‘kinderarmoede’ en ‘werk’ hen vandaag zeer sterk bezighouden. Rond die thema’s formuleert De Ambrassade telkens kernmissies die ze de komende acht jaar zal nastreven. Praktijkervaringen, expertise, bagage en competenties van een groot netwerk van organisaties en beleidsmakers zijn absoluut noodzakelijk om de strijdpunten waar te maken in de komende acht jaar. Strijd met ons of naast ons voor het geluk van kinderen en jongeren. Door zelf en als jeugdsector onze opdrachten, kracht en ervaringen in het werken met, voor en door jongeren te versterken en in de verf te zetten en nog meer uit te dragen. Door strijdpunten op de maatschappelijke agenda te plaatsen en door met beleidsmakers ook nu in dialoog te gaan om ze hoog op de agenda te houden. Neem geluk als uitgangspunt van je werking. Onze eigen pistes en projectvoorstellen zijn nog niet af, maar wel een vertrekpunt om met elkaar de dialoog aan te gaan. Om er bestaande praktijken en inzichten aan te koppelen. Want om de kernmissies en strijdpunten te realiseren, is een netwerk nodig dat de ervaring en het engagement van diverse organisaties en competenties en expertise combineert. Een netwerk dat het geluk van kinderen en jongeren als centraal doel stelt.” ×
DE AMBRASSADE STELT INHOUDELIJK KOMPAS VOOR AAN JEUGDSECTOR Eline Vander meiren
Op 4 april stelde De Ambrassade haar nieuwe langetermijnvisie voor aan een full house in het Vlaams-Marokkaans Culturenhuis Daarkom in Brussel. Met het evenement zette ze de eerste stappen op een lange weg richting een duurzame, participatieve en solidaire samenleving waarin kinderen en jongeren in Vlaanderen de kans krijgen om gelukkig te zijn, te experimenteren en open het publieke debat te voeren. Jonge kunstenaars en interessante experts vertelden wat de nieuwe visie van De Ambrassade voor hen betekent.
Kunstenares Tine Van Kerckhove (23) bracht een kastje vol ontdekkingen mee. “Ik experimenteer met woorden en foto’s. Door de lens van mijn fototoestel leg ik de wereld vast met een kwinkslag. Die speelse en oprechte kijk op de samenleving is typisch voor kinderen en jongeren. Maar ook volwassenen kunnen die blik gebruiken. We stoppen niet met spelen omdat we ouder worden, maar we worden ouder omdat we stoppen met spelen. Blijven ontdekken: daar geloof ik in.” Je kan de wereld volgens Tine bekijken op Twitter @koffiebijtine
Woordenkunstenares Anissa Boujdaini (24) eiste tussen koffie en gekeuvel de aandacht van aanwezigen op met krachtige teksten. Ze schrijft sinds de lagere school over gevoelens en gedachten, het goddelijke, de samenleving en politiek. “Ik ben heel onrustig van aard – dat is het goede woord. Wanneer ik op de trein zit en de tijd voorbijgaat, word ik pas kalm. De dingen die me frustreren kan ik dan op papier omvormen tot iets moois. Tijdens een interview dat ik voor jongerenpersagentschap StampMedia deed, raakte ik in gesprek met de organisatrice van een aantal Open Micavonden. Zij heeft me gepusht om mijn teksten daar voor te dragen. Sindsdien treed ik af en toe op en blijf ik werken aan mijn woorden. Ik wil geen wegwerpteksten schrijven. Ik wilde niet meer horen hoe anderen zeiden dat ik moest leven of denken: dat heeft me ook overtuigd om op te treden. Ik ben geen vertegenwoordiger van een groep uit de etnische minderheden: ik spreek gewoon voor mezelf.”
De 25-jarige Tuur Viaene schreef een boek over zijn moeilijke zoektocht naar werk en lanceert van op het sprekersgestoelte een oproep voor duurzaam en kwalitatief werk voor jongeren. “Negen maanden, negen jobs. Bandwerk, pestende collega’s, weer een interim Verschrikkelijk. Ik voelde me een personage uit een Kafkaroman. Wanneer gaat het in het nieuws eens over de duizenden jongeren die op vrijdag van het interimkantoor te horen krijgen dat ze maandag niet moeten terugkeren? Een slechte start werpt een schaduw over de rest van je carrière. Jobs moeten terug duurzaam worden.”
De mondige Nozizwe Dube (18) herinnert mensen aan het belang van ‘open publiek debat’ in onze maatschappij. “In België wordt er naar mensen geluisterd. Ik hoef je niet te vertellen hoe publiek debat werkt. Maar we zien het belang er niet altijd van in – en daarom wil ik mensen even doen bezinnen. Hoe zou je leven eruitzien als er niet naar je geluisterd wordt? Ik kom uit Zimbabwe: ik weet wat het gebrek aan open publiek debat met mensen kan doen. Ik heb de expertise niet om het allemaal beter te maken, maar als jongere kan ik wel mijn verhaal vertellen. Dat we niet altijd beseffen hoeveel geluk we hebben, is menselijk. Maar ik vind het belangrijk om te luisteren, en om tot compromissen te komen. We zijn niet één stem, maar verschillende stemmen. We moeten allemaal gehoord worden. Ik wil geen monoloog voeren, maar een dialoog.”
Gaëlle Buysschaert, pleitbezorger voor de rechten van het kind, schoolanimaties en onderwijs van UNICEF, werd als keynote speaker uitgenodigd om over optimale leeromgevingen te vertellen. “In geen enkel ander land laten we de zwakste leerlingen zo achterophinken als in België. Een moeilijk schoolparcours met weinig succeservaringen heeft grote gevolgen voor die kinderen en jongeren: hun persoonlijkheid lijdt eronder. Nochtans lukt het in andere landen wel om een evenwicht te vinden en daalt het niveau helemaal niet. Kinderen en jongeren zitten boordevol creatieve oplossingen voor zittenblijven. Waarom betrekken we hen niet meer? We moeten het huidige systeem veranderen in een onderwijsvorm waarin iedereen meekan.”
Lia Karsten, experte op het gebied van de dagelijkse leefomgeving van kinderen en het tijdruimtelijk gedrag van stadsgezinnen, zakte uit Amsterdam af om het op het podium over kwalitatieve ruimte voor kinderen en jongeren te hebben. “Gezinnen blijven meer dan vroeger in de stad wonen. Ruimte om te spelen wordt almaar schaarser, en dus worden parken druk bezocht. Wij vinden dat jammer, maar vinden kinderen dat ook? Vraag het hen. Een grotere dichtheid betekent net kortere afstanden tot de speelplekken en de vriendjes. Buitenspelen in de stad is ontmoeten. Het is fysiek en mentaal belangrijk. Maak de stad dan ook kindvriendelijk!”
Keynote speaker Danielle Dierckx, coördinator van het Vlaams Armoede-steunpunt en lector en onderzoeksleidster in OASeS (Universiteit Antwerpen), ziet net als De Ambrassade kinderarmoede liever de wereld uit. “Het woord ‘kinderarmoede’ is een verkooptruc. Geen enkel kind is schuldig aan armoede. Iedereen verdient een goed leven. Toch zijn de armoedecijfers in Vlaanderen dramatisch: er leven meer kinderen in armoede dan er leden zijn bij de Chiro, FOS en KLJ samen. Niemand is tegen structurele oplossingen, maar we slagen er niet in om iets te veranderen. Meer organisaties en beleidsactoren moeten aandacht voor het probleem vragen – en de draagkracht voor goede oplossingen zoeken.”
+ leren +
“OOK DOCENTEN MOETEN PERSOONLIJKE ERVARINGEN DELEN” Dominique Verschuren Het non-formele leren lijkt steeds meer in opmars - zelfs vanuit het beleid wordt dit type van leren steeds meer omarmd. Krax+ onderzoekt praat met twee stemmen uit de jeugdsector, vormingsmedewerker Bart Vandenbussche en leerkracht Ann Gallet, over de drempels en meerwaarde van non-formele leermethodes. Bart Vandenbussche is werkzaam als vormingsmedewerker voor de jongerenorganisatie Jong & Van Zin. Hij is ook docent voor de lerarenopleiding in het Centrum voor Volwassenonderwijs in Gent. Ann Gallet is lerares in het deeltijds onderwijs aan de Vesten in Turnhout. Voordien was ze vormingsmedewerker bij het JAC. Krax • Bart Vandenbussche, jij bevindt je zowel in de K R AX + I 8
+
formele als in non-formele leeromgeving. Hoe “schizofreen” is dat voor jou? Bart Vandenbussche • “Eigenlijk past dit geschipper tussen
de twee leervormen perfect bij mijn eigen leven. In de lerarenopleiding waar ik lesgeef wordt een heel duidelijk competentieprofiel uitgewerkt. Deze theorie proberen we zoveel mogelijk terug te koppelen aan onze cursisten. Aan de andere kant werk ik voor Jong & Van Zin, een organisatie die heel uitgesproken inzet op non-formeel leren, mensen laten groeien en dingen laten ontdekken. Uiteindelijk komt er bij onze coaching wel een toets kijken, maar één ding is zeker: het pad bij Jong & Van Zin is niet lineair.” “Mijn werk is een perfecte reflectie van mijn karakter. ik kan mijn nood aan structuur vinden in het formele leren en mijn ongestructureerde zelf laten domineren in het non-formele leren.” Krax+ • Is er dan een gebrek aan structuur in het niet-formele leren? Vandenbussche • “Ik dacht vroeger vaak ‘men doet maar wat’. Maar alles is voorhanden om ook in niet-formele leermomenten structuur te brengen. We hebben bij Jong & Van Zin trajecten die nauwgezet worden gevolgd en coaches
Krax+ • Is de huidige lading leerkrachten al klaar voor het niet-formele leren? Ann Gallet • “Ik vind het non-formele leren persoonlijk heel interessant, omdat je de leerlingen op een andere manier ziet. Je stimuleert interactie met je studenten. Dit is niet altijd gemakkelijk, maar wel de meerwaarde van het non-formele leren. Ook mijn collega’s zijn over het algemeen erg positief. Leerlingen zijn aandachtiger en enthousiaster. Ze onthouden ook meer omdat er veel uit zichzelf moeten komen. Uiteindelijk zijn leerkrachten vooral tevreden als de doelstellingen van de eindtermen worden gehaald.” Vandenbussche • “Er zijn inderdaad leraren die het niet-formele leren de max vinden, maar anderen staan er sceptisch tegenover. De formele context van een klas nodigt niet altijd uit tot het beter leren kennen van de persoon ‘achter de leerkracht’ of ‘achter de leerling’. Daarom zijn groepsdynamische dagen zo waardevol; door een externe begeleider kan een leerkracht ook eens uit de rol van ‘behoeder van de klas’ stappen en kan hij of zij deelnemen. Sommige docenten hebben vaak moeite met deza methode omdat ze zelf nog nooit zo dicht bij hun leerlingen hebben gestaan. Ze moeten met andere woorden hun eigen grenzen aftasten.
Wij gebruiken vaak werkvormen waarbij leerlingen en leerkrachten dingen met elkaar delen. Dan ontmoet je leerkrachten die op voorhand vragen: ‘Moeten wij nu meedoen?’. We nodigen juist die twijfelende docenten uit om mee te doen, zodat de groep elkaar op een andere manier leert kennen. En het werkt in twee richtingen; waar leerkrachten op voorhand aangeven dat ze vermoeden dat de klas wel eens vervelend zou kunnen zijn, zien we dat de groep net beter functioneert in een minder formele omgeving. En dat de leerkracht dus eerder een ‘waw-effect’ krijgt en denkt ‘Tiens, dat had ik niet in hen gezien’. Het is vooral belangrijk om de methode heel transparant uit te leggen.” Krax+ • De non-formele context kan soms confronterend zijn voor docenten. Hoe is dat voor de jongeren? Gallet • “De reactie van jongeren is wisselend omdat ze ver uit hun comfort zone worden getrokken. Ze weten niet altijd wat ze kunnen verwachten, dat belemmert. Voor sommige leerlingen is het soms moeilijk om in te gaan op het onverwachte en te vertrouwen op het proces. Maar achteraf zie je dat het ervaringsleren een veel diepere impact maakt. Je studenten onthouden de dingen beter als ze zelf tot conclusies komen.” Vandenbussche • “Niet elke jongere praat vlot over zijn eigen emoties, over wat hij van de groep vindt of over hoe hij tegenover verliefdheid staat. Ze hebben geen natuurlijke aanleg tot het delen van gevoelens en worden hier thuis niet in gestimuleerd. Dat maakt hen eerder introvert. Onze begeleiders
Krax+ • Hoe kiezen leerkrachten en begeleiders tussen een formele en non-formele methodieken? Vandenbussche • “Grote clusters zoals meerdaagse trainingen zijn groepsdynamisch. Hierbij werk je beter met een non-formele structuur. Andere vormingen met een hoog informatiegehalte, zoals over relaties en seksualiteit, gaan veel verder dan kennisoverdracht. Als je bijvoorbeeld over condooms praat, heb je het ook over de attitudes (wat is seksuele verantwoordelijkheid), vaardigheden (hoe breng je een condoom aan), emoties (wat doe je als iemand geen condoom wilt gebruiken) en steun (bij wie kan je met gênante vragen terecht?).” Moeten alle leerkrachten hun leermethodes aanpassen aan het non-formele leren? Gallet • “Er zijn idealisten die zeggen dat je alles niet-formeel kunt aanbrengen. Ik zou niet weten hoe je dat moet doen. Misschien zijn er leerkrachten die wiskunde anders weten te verpakken, maar voor mij is dat niet gemakkelijk. Ik leg wiskunde op een formele manier uit en probeer wel oefeningen te bedenken die dicht bij hun belevingswereld ligt. Bijvoorbeeld een formule om te berekenen hoeveel korting je tijdens de solden krijgt.” Vandenbussche • “Het non-formele leren is slechts een marge uit van het totale onderwijs en vindt moeilijk geldingskracht op de arbeidsmarkt. Formele les blijft zeker belangrijk. Voor vele jobs heb je een bewijs van competenties nodig, daar kun je niet omheen. Maar het formele en non-formele leren maken elkaar sterker, daar ben ik absoluut van overtuigd. Ik werd zelf voor mijn eerste job werd aangenomen omdat ik zelf ervaring had opgebouwd, niet omdat ik goede punten haalde.” ×
9 I K RAX +
Het ervaringsleren heeft een veel diepere impact. Studenten onthouden dingen beter als ze zelf tot conclusies komen.
zijn echter getraind om met die interne verschillen om te gaan. Zo hangt veel af van hoe je een gesprek inricht. Niet alles hoeft in een kring besproken teworden. Laat onze begeleiders aan de slag gaan met hun werkvormen, in grote of kleine groep, via actieve reviewing etc.Het is ook een kwestie van inschatten waar je de lat moet leggen.”
+ leren +
die de trainers intensief begeleiden. Niet iedereen heeft immers baat bij een afgelijnde en formele leeromgeving. Veel jongeren en volwassenen functioneren beter met minder structuur. Hun talenten komen pas tot hun recht bij het non-formele leren.”
+ leren + K R AX + I 1 0
MIJNGOESTING: VIER JAAR JEUGDWERK OP SCHOOL BRACHT LEERLINGEN IN CONTACT MET CULTUUR Jochen Smets
Na vier jaar is het project ten einde. Hans Dockx, jeugdwerker op school en spilfiguur vanuit mijnLeuven blikt samen met enkele deelnemers terug op het project. “In het begin dacht ik: ‘Gratis cultuur voor jongeren en gratis workshops op hun school, dat gaan ze allemaal willen.’ Opnieuw het bewijs dat we maar al te vaak naar anderen kijken vanuit onze eigen achtergrond. mijnGoesting gaf me de kans om aan den lijve te ondervinden hoe ver cultuur van de meeste jongeren hun bed staat, en hoe belangrijk het is om écht vanuit hun leefwereld te vertrekken.”
Uitwisseling tussen school en jeugdwerk
Geen informalisering Toch pleit Hans niet voor een volledige informalisering van het onderwijs. “Wel moet er een beter evenwicht komen tussen formeel en informeel leren,” zegt de jeugdwerker op school. “Het jeugdwerk kan op zijn beurt weer heel wat leren van de continuïteit en de degelijke structuur in het onderwijs. Meer samenwerking zou een duidelijke win-winsituatie voor beide partijen kunnen opleveren.” Hans meent een modernisering in de arbeidsmarkt te zien. “Termen als talentontwikkeling, competentieverhoging en levenslang leren zijn niet meer weg te denken als je wil blijven meedraaien.” Net daarom is het volgens de jeugdwerker belangrijk je eigen mogelijkheden en interesses goed te leren kennen. “Het vergroot eenvoudigweg je mogelijkheden en de kans tot slagen in het leven,” meent hij. Ook komen tijdens informele momenten vaak vakoverschrijdende eindtermen naar boven, met daarin competenties als creatief denken, samenwerken, leren organiseren. “Deze eindtermen zijn veel moeilijker te halen op een formele manier,” zegt Hans. “Daarvoor moet men over de vakgebieden heen durven kijken.”
Er moet een beter evenwicht komen tussen formeel en informeel leren. Van experiment tot succes “Jongeren weten vaak zelf nog niet goed wat ze interessant vinden, waar hun ware kwaliteiten liggen en waartoe ze in staat zijn. Net daarom is het zo belangrijk om jongeren van heel verschillende dingen te laten proeven en hen de mogelijkheid te bieden om te experimenteren. Ik heb gedurende mijnGoesting een aantal leerlingen volledig zien openbloeien, ze hebben bij dit project zelfs een trekkende rol gespeeld. Via het project werden ze aangesproken op talenten die op school nooit aan bod kwamen. Door het project kregen zij het gevoel ook iets te kunnen betekenen en te kunnen bijdragen aan iets moois.” “De belangrijkste succesfactor van mijnGoesting was dat we altijd vertrokken vanuit hun interesses, hun bezigheden en hun ‘goestingen’. Hierdoor stelden ze zich veel meer open op voor iets nieuws. Zo lieten we jongeren uit het hout- en metaalatelier zelf de drums voor de percussieworkshop bouwen. Door die binding gingen ze makkelijker participeren! Ik heb onthouden dat het essentieel is om een ‘bekende toegangspoort’ te vinden als je jongeren een nieuw pad wil laten verkennen.” >
11 I K RA X +
Op school leer je heel nuttige en belangrijke dingen, maar de manier van leren is op de meeste scholen vaak heel eenzijdig. Sommige leerlingen leren beter op een informele, meer ervaringsgerichte manier waarbij redelijk veel vrijheid wordt gegeven – en het hele spectrum tussen deze twee uitersten, uiteraard. Nochtans is de non-formele methode binnen het onderwijs nog niet helemaal ingeburgerd. In het Vlaamse jeugdwerk is dat net omgekeerd. Hier vertrekt men net vanuit de jongeren zelf, hun interesses en talenten. Er wordt meer verantwoordelijkheid bij hen gelegd en er
wordt gerekend op hun participatie in elke fase van een traject. Deze ervaringsgerichte manier van werken laat hen toe te ontdekken waar ze werkelijk goed in zijn en wat ze werkelijk graag (willen) doen – niet wat ze moeten doen. Ze krijgen de kans om zichzelf en hun passies of aversies beter te leren kennen. Dat is onontbeerlijk geworden in onze huidige, snel veranderende maatschappij. Door het bewust inbreken van artiesten in de schoolstructuur en het uitwisselen van culturele projecten binnen en buiten de school(m)uren veranderde mijnGoesting de deelnemende scholen in ‘brede scholen’. Meer scholen zouden zich dan ook moeten openstellen voor samenwerkingen met nietconventionele partners, meent Hans. “Daar ben ik absoluut van overtuigd,” herhaalt hij nog eens.
+ leren +
In 2010 kreeg mijnLeuven de kans om samen met 30CC en MAGDA het project mijnGoesting uit te werken. In verschillende middelbare scholen werd de verbinding tussen jongeren en cultuur succesvol gemaakt. Leuvense kunstenaars en kunstenorganisaties werkten samen cultuurprojecten uit met leerlingengroepjes met de meest spitsvondige namen. Samen organiseerden ze workshops, gingen ze naar musea, bezochten ze cultuurhuizen en beleefden ze naast cultuur ook veel plezier. De conclusie na vier jaar mijnGoesting? Dat jeugdwerk op school best kan. En dat jeugdwerk en cultuur eigenlijk niet zo’n vreemde combinatie is. mijnGoesting is niet toevallig een ‘voorbeeld’ bredeschoolproject.
+ leren + K R AX + I 1 2
Cultuurbeleid op maat van de school Op elke school bracht Hans een groepje leerkrachten bij elkaar die van hun directie het mandaat kregen om samen een goed cultuurbeleid op maat van de school uit te werken. Als cultuureducatieve partner werd Mooss vzw hierbij betrokken, die samen met de leerkrachten de huidige culturele activiteiten van de school analyseerde, een beleid uitwerkte en een actieplan opstelde. Zo probeerden ze ook dit project op lange termijn te verankeren in de deelnemende scholen. Op elke school stelde Hans een kerngroepje van een 15-tal leerlingen samen door hen persoonlijk aan te spreken. Zij gaven tijdens de middagpauzes of na school een concrete invulling aan het project. De leerlingen kozen rond welke voorstelling ze wilden werken, welke culturele teasers ze op school zouden organiseren en welke workshops en/of artiesten ze daaraan zouden koppelen en welke acties ze uit hun mouw zouden schudden om ook de andere leerlingen aan te zetten om deel te nemen. Hans stemde de ongeleide projectielen die de cultuurgroepjes soms waren af op de mogelijkheden van de school. Zelf getuigt hij dat dit niet altijd evident was. “Het kwam er vaak op neer de grenzen van de school af te tasten, daar net binnen te blijven of soms een enkele keer de grens een klein beetje proberen te verleggen.” ×
Andrea Leerling van het Miniemeninstituut, werkte mee aan het Smokey Color Box-project met kunstenaar Ief Spincemaille. “Bij het begin van het project wist ik niet precies wat ik moest verwachten. Maar het was wel snel duidelijk dat je bij mijnLeuven je eigen mening mocht zeggen en dat de kans heel groot was dat je idee ook echt meetelde. Zo konden we onze droom in realiteit veranderen. Ik werkte samen met mensen die ik niet altijd kende en maakte nieuwe vrienden op school. Het project zat vol met creativiteit, leuke mensen en leuke activiteiten. Toen alles klaar was en ik zag hoe blij de andere deelnemers waren – en hoe enthousiast het publiek reageerde – wist ik het wel: mijnLeuven helpt ons, de jongeren, onze stem te laten horen!”
Het is essentieel om een ‘bekende toegangspoort’ te vinden als je jongeren een nieuw pad wil laten verkennen.
Ief Spincemaille Kunstenaar, werkte samen met leerlingen van het Miniemeninstituut aan het Smokey Color Box-project. “Ook als kunstenaar was het in het begin heel erg spannend. Er was nog geen groepsgevoel, de deelnemers kenden elkaar niet en wisten niet waar het project zou eindigen. Op een bepaald moment gebeurde er iets magisch: al onze voorbereidingen werden per vergissing weggegooid door de kuisploeg van de school. We moesten op één week tijd van nul herbeginnen. Dat maakte van de verschillende jongeren, Hans en mezelf als kunstenaar dadelijk een groep. We wandelden door de gangen op zoek naar de juiste locatie en plotseling leek het gebouw niet meer de school, maar werd het onze speelruimte, onze gezamenlijke creatieve uitlaatklep. Dat moment zorgde ervoor dat we op korte tijd een mooi resultaat boekten.” Dat resultaat was de Smokey Color Box. “Mijn samenwerking met de school en mijnLeuven was een unieke ervaring waar ik samen met jongeren ‘mocht’ creëren. In onze tijdelijke driehoeksverhouding kon ik op hen terugvallen om te leren welke elementen werkten voor de jongeren, hoe we samen een goede relatie konden opbouwen en hoe we echt vanuit hen konden werken zonder alles in een strikte schoolstructuur te gieten.”
+ leren +
Fernande Stas Productiemedewerkster van 30CC, staat in voor samenwerking met middelbare scholen.
Sammy Ben Yakoub Kunstenaar, werkte samen met leerlingen van het Miniemeninstituut en K.A.2 de Ring rond Artefact 2013.
Jo Zanders Muzikant, werkte op K.A. Redingenhof een project uit rond percussie.
“We wilden, in plaats van actieve, creatieve jongeren naar statische cultuurhuizen te lokken, de beweging in de tegenovergestelde richting maken. ‘Cultuur’ ging als het ware op pad en op zoek naar jongeren. Zo kwamen we al snel uit op school: de plek waar jongeren sowieso moeten zijn. Maar niet het onderwijs of cultuur was het doel: de wetten van de jongeren waren de belangrijkste, maar broze pijlers om contact te zoeken met de grote en de kleine kunsten.”
“De jongeren kregen echt de kans om het project zelf in handen te nemen – en dit over de schoolmuren heen of in het algemeen veel verder dan ze voordien gewend waren. We zagen de jongeren op een bepaald moment ‘ontwaken’, aansluiting vinden en begrijpen dat de wereld ‘maakbaar’ kan zijn – dat ze zichzelf kunnen verwezenlijken.”
“Na afloop van het project bleven de gasten mij contacteren met de vraag waar ze kunnen leren drummen. Het heeft dus wel degelijk ‘goesting’ opgewekt.” Niet alleen voor de leerlingen, zo blijkt: ook de artiesten en de scholen blijven inzetten op samenwerking. “Na het spelen van een teaser voor mijnGoesting met Velotronix stonden we zo versteld van de respons van de leerlingen dat wij er goesting van kregen en er een schoolvoorstelling van maakten. Die werd het afgelopen seizoen voor het eerst heeft gespeeld in voornamelijk Brusselse scholen. Leerlingen kunnen door hun enthousiasme ook ‘kunstenaars’ goesting geven om iets te maken.” Jongeren werden ook actief voorbereid om van een voorstelling te genieten. Adriaan Van Aken van Braakland/Zhebilding zag jongeren van mijnGoesting bij de voorstelling Dansen Drinken Betalen. “De doortocht van de gasten van mijnGoesting was deugddoend voor de hele ploeg van Dansen Drinken Betalen. Je voelde goed dat ze op een allesbehalve klassieke manier voorbereid waren op de voorstelling. Het maakte hen niet alleen tot fijne toeschouwers, maar ook tot collega-makers in de dop.”
“Geen oplettend vingertje, geen competitie, geen opgelegde stukjes… Ieder zijn zin en geen zin was ook oké. En dat is wat mij betreft toch wel het belangrijkste en unieke aan mijnGoesting. Goesting krijgen, goesting hebben en ‘mijn’ goesting kunnen doen, desnoods met een vettige hamburger erbij. En het werkte… tot opeens de bron (de centen) opdroogde. Jammer, te vroeg en te snel. We hadden nog veel van mekaar kunnen leren: onderwijs, jongeren, school en jeugdwerk.” Lies Defever leerling van KA2 de Ring “Door het project heb ik nieuwe mensen leren kennen en kreeg ik meer zin om naar school te gaan. Ik vind het fantastisch, al het plezier dat we hadden.”
Edelhard Moens Leerkracht van het Miniemeninstituut, was er vanaf de prille opstart van het project bij. “In het begin ging het allemaal moeizaam, de leerlingen kenden het concept niet, en het was een zoeken en aftasten van de school, leerlingen en mijnLeuven. Maar toen iedereen de ‘wie-wat-hoe’ begreep, werd het voor de leerlingen iets echt plezants. mijnLeuven en 30CC boden iets wat leerkrachten er anders bovenop moeten doen, en ze brachten een netwerk van kunstenaars en organisaties aan. De leerlingen vonden het wild en zot, en wilden meer!” “Er is in onze school nu meer goesting in cultuur, zowel bij leerkrachten als leerlingen. De beslissing om dit project stop te zetten is waanzinnig dom. De kiempjes werden gezaaid, maar nu er eindelijk kan geoogst worden, stopt het.”
13 I K RA X +
+ leren + K R AX + I 1 4
“IK GA OP REIS EN IK NEEM MEE... EEN RUGZAK VOL TAAL”
KINDERWERKING FABOTA HELPT ALLOCHTONE EN KANSARME KINDEREN DE ZOMER TE OVERBRUGGEN Lieven Verlinde & Karin Nelissen
In juli en augustus genieten duizenden kinderen van een boeiende vakantie: via speelpleinwerking, op sportkamp, met het gezin of gewoonweg in de tuin een kamp bouwen. Een periode om stoom af te blazen na een druk schooljaar. Maar wat met de kennis die kinderen tien maanden lang hebben opgebouwd? Uit onderzoek blijkt dat veel kinderen uit kansarme gezinnen in de vakantieperiode kampen met ‘zomerverlies’ (zie kaderstuk). Twee maanden lang vallen ze terug op een taalarm milieu, waar ze soms weinig of geen Nederlands spreken. Allochtone en kansarme kinderen dreigen zo te verliezen wat ze net op school hebben geleerd. Bij de start van het nieuwe schooljaar in september kampen ze met een (nog) grotere achterstand. Om de lees- en taalontwikkeling van deze groep kinderen tijdens de zomermaanden te bevorderen, ontwikkelde Fabota twee unieke projecten: de Rugzak en Leesmaatjes.
Met boekjes op reis
In september blikt de begeleider samen met het kind terug op zijn ervaringen. Ook hierbij gebruiken ze het werkboekje en werken ze samen met de school. De Rugzak biedt kinderen tegelijk de kans om het stuk Belgische identiteit mee te nemen naar hun land van oorsprong en trots aan hun familie te tonen hoe ze hier wonen en leven. In hun werkboekje zitten foto’s die op een visuele manier net dat stuk leven in België vertellen dat de familie er nog niet kent: de juf of meester van de klas, een klasfoto, de vrienden in de kinderwerking, de speelplaats, een optreden met de circusgroep …
kleine groepjes of met één kind samen te genieten van een boekje. Ouders worden extra gestimuleerd om te komen voorlezen en deze ervaring thuis te herhalen. Op vrijdagavond is er een bibliotheekmoment en kunnen kinderen en ouders boekjes meenemen naar huis. Op dagen zonder voorlezers kunnen kinderen en hun ouders terecht in de mobiele leeshoek. Met een zelfgekozen boekje liggen de kinderen dan lekker lui in het gras onder een parasol. Het boekenpakket verandert in samenspraak met de kinderen. Fabota wil vooral die kinderen betrekken die geen zin hebben om te lezen. ‘Als ik zelf een plekje zou mogen kiezen, dan wil ik lezen in een hotel, met een zwempak aan, in een lange stoel in het zonnetje en met een zonnebril op, en obers brengen dan een boek op een bordje, en ik mag zoveel boeken kiezen als ik wil’ (Zia, 9 jaar) Als werking wil Fabota op een ‘brede’ manier kijken naar en omgaan met taalstimulering. Integratie bevorder je niet alleen door Nederlands te spreken, maar jammer genoeg gaat het debat vooral daarover. Ze onderschrijven zeker het belang van een goede taalkennis, maar het is maar een deel van de oplossing. Hoe verklaar je anders de sociale uitsluiting van alle autochtone en allochtone gezinnen die wel Nederlands spreken? Ik houd het meest van stripverhalen en voetbal. Een leesboek vind ik niet fijn, maar ik wil wel alles over boeken weten’ (Pieter, 11 jaar) ‘Boeken moeten in je broekzak passen. Dan kun je lezen waar je ook bent en dan hoef je niet naar de leeshoek of de leeskoffer.’ (Andara, 10 jaar) >
Taal en uitsluiting
Meer weten?
Met het project ‘Leesmaatjes’ gaat Fabota actief aan de slag tijdens de reguliere speelpleinwerking. Tweemaal per week komen vrijwillige voorlezers over de middag om in
Kinderwerking Fabota, 016/22.89.79 fabota@lampeke.be www.lampeke.be
15 I K RA X +
‘Birat (5) vertrok voor drie weken naar Nepal om er samen met zijn mama en papa familie te bezoeken. Voor hun vertrek kregen ze een rugzakje mee met aangepast kleutermateriaal. Na drie weken kwam Birat terug in ons klasje. Ik was wat bang voor het taalverlies dat hij waarschijnlijk had opgelopen, maar dat viel gelukkig heel goed mee. Dankzij het rugzakje kon Birat snel weer mee in de klas.’
Met project ‘de Rugzak’ richt Fabota zich naar allochtone kinderen, die op reis gaan naar hun land van oorsprong en daar geen Nederlands spreken. Ze krijgen een rugzak mee met kinderboeken, een mp3-speler met verhaaltjes, een reisdagboek, een ruilzakje met Belgische spulletjes, stickerboekjes, schrijfgerei en knutselspulletjes. Elk kind dat kiest voor de Rugzak, ondertekent een contract van Fabota, samen met zijn ouders. Een begeleider bereidt vanaf april samen met het kind alles voor. Ze gebruiken hiervoor samen het werkboekje. Er is er één op kleuter- en één op lagereschoolniveau. De begeleider vult de rugzak met materiaal dat aangepast is aan het niveau en de interesses van elk kind. Dit gebeurt in nauw overleg met kind en ouders. Ook de scholen worden bij dit project betrokken. Dat is een belangrijk element voor het slagen van ’de Rugzak’. De school zoekt mee voor welke kinderen het project het meest zinvol is en helpt de werkboekjes mee in te vullen. De school en de kinderwerking overleggen samen over elk kind dat meestapt in dit project. Zo kan de school mee inschatten hoe sterk het effect van ‘zomerverlies’ is voor het kind.
+ leren +
32 graden, zomer 2014. De komkommertijd maakt plaats voor een stroom aan negatieve berichtgeving: oorlog in Gaza met honderden onschuldige (kinder) slachtoffers en een neergeschoten vliegtuig in Oekraïne vol gezinnen. Op het speelplein van kinderwerking Fabota, een deelwerking van Buurtwerk ’t Lampeke in Leuven, klinken intussen opgewekte kinderstemmen. Stemmen van over de hele wereld. Kinderen die hier in België een veilige plek zoeken of al gevonden hebben - een plek om een waardevol leven uit te bouwen.
+ leren +
Taalstimulering tegen sociale uitsluiting: drie pijlers 1. De relatie of band of hechting tussen ouder en kind versterken Als je met kansarme doelgroepen werkt, werk je met gekwetste gezinnen. Dan is het cruciaal om de band tussen ouders en kinderen te bevestigen en te versterken. Binnen het project de Rugzak stellen kinderen met hun ouders de rugzak samen. In een kleine zomerbibliotheek kiezen kinderen en ouders samen leuke boekjes. Sommige ouders volgen samen met hun kind een vorming rond voorlezen en proberen dit thuis opnieuw uit voor het slapengaan. Andere ouders worden voorleesvrijwilliger voor hun eigen en andere kinderen. Telkens opnieuw zijn dit momenten om de relatie ouder-kind een duw in de rug te geven. 2. De betrokkenheid en participatie van de ouders binnen de werking vergroten Ouders moeten een duidelijke plek hebben binnen je werking. Ze moeten zich thuis en welkom voelen, als ouder én als volwassene. Ze moeten hun hart kunnen luchten, gesprekken kunnen voeren of gewoon even op adem komen. Daardoor versterken ze trouwens hun sociale netwerk, zowel binnen als buitende werking. Zo bestrijd je sociale uitsluiting. De Rugzak/Leesmaatjes geeft ouders de kans om zich betrokken en gewaardeerd te voelen. Het samenstellen van de rugzakken, het ondertekenen van een contract, het voorlezen als Leesmaatje, de vorming rond voorlezen, het zijn allemaal ingrediënten van een waardevolle ‘betrokkenheidscocktail’. Met het contract tussen ouders en werking spreekt Fabota de ouders aan op hun verantwoordelijkheid voor het materiaal en hun deelname aan het project. Ook dit versterkt de betrokkenheid.
K R AX + I 1 6
3. Ervoor zorgen dat kinderen zich goed in hun vel voelen Zowat elke werking die met kansarme kinderen werkt, onderstreept in haar visie de keuze en het zoekproces om elk kind zoveel mogelijk kansen te geven en het belang van positieve bevestiging. Gelukkig maar, want dat is nodig, maar niet altijd evident. Met hun projecten biedt Fabota kapstokken aan om dit te realiseren. Het feit dat een kind het vertrouwen krijgt om een rugzak mee te nemen met kostbaar materiaal, werkt bijna onmiddellijk. Persoonlijke aandacht krijgen van de begeleider terwijl hij samen met het kind het werkboekje invult, een foto maken met zijn beste vriend of vriendin of met de juf én die kunnen tonen aan oma in het land van oorsprong, samen met een vrijwilliger een boekje op maat kunnen lezen, de zorg en de waardering ervaren vanuit de school die in september poolshoogte neemt; het zijn stuk voor stuk acties die duidelijk maken aan het kind dat hij er mag zijn. De brochure ‘Lezen in de zomer is leuk’ van Fabota geeft jeugdwerk en andere organisaties informatie en inspiratie om dergelijke projecten op te starten. Contacteer de kinderwerking voor meer info of vormingen.
Wat is zomerverlies ? (door Ignace Glorieux, Vakgroep Sociologie V.U.B. - Onderzoeksgroep T.O.R.)
De manier waarop de schooltijd georganiseerd wordt, heeft effecten op de leerprestaties en het welzijn van de leerlingen. Eén van de best gedocumenteerde effecten heeft betrekking op de invloed van de duur van schoolvakanties op de studieprestaties. Dit heet zomerverlies. Hierbij werd vastgesteld dat kinderen uit kansarme gezinnen - vooral kinderen van laaggeschoolde ouders en allochtone kinderen - meer nadeel ondervinden van (lange) schoolvakanties. Kinderen uit de hogere sociale klassen brengen deze tijd door in een omgeving die stimulerend is voor hun algemene ontwikkeling. Voor hen is de vakantieperiode vaak zelfs een verrijking voor of een aanvulling op wat ze op school geleerd hebben. Kansarme kinderen krijgen deze stimuli beduidend minder. In het algemeen sluit het buitenschoolse milieu van de hogere en middenklasse beter aan bij de schoolcultuur, terwijl de buitenschoolse omgeving van maatschappelijk kwetsbare groepen in sommige gevallen zelfs negatief staat tegenover de zaken die op school aan bod komen en belangrijk geacht worden. Deze kinderen verliezen tijdens de lange zomeronderbreking dan ook veel van de kennis, de vaardigheden en de attitudes die ze op school hebben verworven. Daardoor zijn de niveauverschillen tussen kinderen met een verschillende sociale achtergrond bij het begin van het nieuwe schooljaar groter geworden in vergelijking met vlak vóór de zomervakantie. Het differentiële effect van de sociale achtergrond wordt natuurlijk sterker naarmate de schoolonderbreking langer duurt. In het algemeen blijkt ook dat hoe langer de kinderen onder invloed staan van het schoolmilieu, hoe kleiner de ongelijkheid tussen leerlingen uit verschillende sociale klassen wordt. Het is belangrijk dat kansarme kinderen de nodige stimulansen en ondersteuning krijgen buiten de schooltijd. Zo wordt het verschil tussen de verschillende sociale klassen kleiner. Kinderwerkingen met een naschoolse werking, met bijvoorbeeld huiswerkbegeleiding, en een uitgebreid vakantieaanbod zijn een belangrijke partner in het realiseren van deze doelstellingen. ×
stem van
+ leren +
re
de jonge
EWOUT WIL BETERE ALTERNATIEVEN VOOR ONDERWIJS. Ewout De Cat (18) loopt vrijwillig stage bij de Vlaamse Scholierenkoepel, zou in de bibliotheek wonen als hij kon en zetelde in de Vlaamse Jeugdraad, waar hij mee aan de wieg stond van adviezen rond de onderwijshervorming. Maar hij is geen studiebol: hij liet de door hem zo gehate schoolbanken drie jaar geleden achter zich en besloot dat zelfstandig leven belangrijker is dan het kunnen uitvoeren van moeilijke berekeningen zonder rekenmachine.
17 I K RA X +
“Vanaf mijn eerste schooldag had ik een hekel aan school. De eng afgelijnde structuur, de hiërarchie, de lange uren op kleine stoeltjes en het gedwongen sociaal zijn: het eiste te veel van mij. De eerste leerjaren zijn nog interessant: je leert lezen, schrijven en rekenen. De andere jaren leken een eindeloze stroom van nonsens die over me heen kwam en weer van me afgleed. Tegen het einde van de lagere school kwam ik thuis, tokkelde wat op de computer, at en ging naar bed. Ik was ongelukkig en had geen energie meer voor sport, bezoekjes aan de bib of hobby’s.” “Toen ik vijftien was, besloot ik te stoppen met school. Het was al mijn derde school op twee jaar tijd en zelfs deze studierichting viel tegen. Na zes maanden nietsdoen begon ik aan een vervangschoolproject. De begeleiders overtuigden me met veel beloftes om naar het deeltijds onderwijs te gaan. ‘We helpen je aan een baan en een eigen appartement’, zeiden ze. De combinatie van werk en studeren leek een vrijgeleide naar zelfstandig wonen. Maar vanaf het moment dat ik het klas-lokaal weer binnenstapte, vergaten ze hun afspraak.” “Zonder diploma is het uiteraard moeilijker om werk te vinden Als ik per mail op een vacature reageer, wordt er nooit op mijn cv geantwoord. Maar als ik de kans krijg om mezelf te presenteren, volgen er alleen maar positieve reacties.” “Ik heb mezelf leren verkopen toen ik de schooldeur achter
me dichttrok. Ik heb in het algemeen geen weerslag gevoeld van niet-opgedane kennis, integendeel. Door te stoppen met school sta ik sterker in mijn schoenen: ik heb zelfvertrouwen en schat goed in wat ik kan en wat niet. Ik maak dt-fouten, maar kan voor de rest foutloos schrijven, lezen en rekenen. Ik volg de actualiteit en begrijp ze. Ik kan koken, reizen en zelfstandig wonen. Veel mensen studeren af met een diploma, maar zijn op geen enkel vlak zelfstandig. Andere hoogopgeleiden vinden dan net geen werk of missen de vrijheid die ik heb. Dat toont alleen maar aan dat het huidige onderwijssysteem te ver van de dagelijkse realiteit af staat.” “Het schoolsysteem moet veranderen – en dan bedoel ik niet dat het een speeltuin moet worden. Kennisoverdracht is en blijft de belangrijkste functie van een school. De manier waarop de kennis wordt overgedragen, is echter achterhaald. Er zijn zoveel verbeterpunten. Het gebouw kan er anders uitzien, de mensen die je begeleiden kunnen anders zijn, leerlingenrelaties kunnen aangepast worden. Laat leerlingen bijvoorbeeld zelf mee hun leertraject kiezen op basis van hun eigen interesses focus je minder op het huidige puntensysteem. Als leerling heb je niets aan een acht op tien als er geen commentaar bij staat. Situeer je lesinhoud in een context: leg uit waarom het relevant is dat je de geschiedenis van WOI kent, of wat je met wiskunde kan doen.” “Jongeren zoals ik hebben geen mentale, fysieke of gedragsproblemen die ons een goede schoolgang beletten, maar zijn niet voldaan in het onderwijssysteem. Zij hebben persoonlijke begeleiding nodig. Motiveer hen en begeleid hen, zodat ze zelf stappen zetten en zichzelf uitdagen. Nu wordt deze minderheid vergeten. Grof gesteld denk ik dat het gemakkelijker was geweest als ik een politieagent had geslagen – dan was ik pas begeleid geweest! Maar ik ben geen probleemkind, dan kan ik toch ook geen problemen uitvinden? Ik wil alleen maar gelukkig zijn, en acht uur per dag in de schoolbanken stond dat in de weg.” ×
+ opi
+ kinderarmoede + K R AX + I 1 8
ni
e +
STIJGENDE KINDERARMOEDECIJFERS SCHREEUWEN OM BETER BELEID Rein Haudenhuyse
Een gezinsinkomen onder de armoedegrens heeft een enorm negatieve impact op de gezondheid, de schoolloopbaan, de kwaliteit van de leef- en woonomgeving, ontplooiingskansen in de vrije tijd en de (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt van kinderen en jongeren. Met andere woorden: als samenleving zorgen we ervoor dat kinderen en jongeren in armoede op zowat alle levensdomeinen steeds aan het kortste eind moeten trekken. Omdat het gaat over een patroon is dit geen kwestie van toeval, maar wel van keuzes die we als samenleving maken, of juist niet maken. Wanneer een beleidsfocus op kinderarmoede niet bijdraagt tot een tastbare verbetering van de sociaaleconomische omstandigheden waarin kinderen, jongeren en hun gezinnen leven en opgroeien, moeten we dan niet het concept kinderarmoede en al die “toffe initiatieven” die we eraan vasthaken naar de prullenmand verwijzen? Niemand is ermee geholpen, en zeker niet onze kinderen. Want wat zien we? De armoedecijfers in België en Vlaanderen stagneren weliswaar, maar de kinderarmoedecijfers stijgen.
Armoe troef
Opvoeden die armen! De term kinderarmoede heeft als voordeel dat hij de aandacht trekt. En dit juist omdat kinderen, in tegenstelling tot volwassenen, niet verantwoordelijk geacht worden voor hun (armoede-)situatie. Hoewel we met bijvoorbeeld de gemeentelijke administratieve sancties (GAS) een trend zien om kinderen vanaf 14 jaar wel verantwoordelijk te stellen. Maar goed, die 0- tot 3-jarige baby’s die krijsen voor het Armoedefonds zijn toch niet verantwoordelijk voor de situatie waarin ze geboren worden? Maar er schuilt een donker kantje aan die ‘kinderarmoede’. En wel omdat we de situatie van kinderen en jongeren die in armoede leven uit zijn maatschappelijke context dreigen te halen. Er leven namelijk wonderbaarlijk genoeg geen arme kinderen in rijke gezinnen. Beleidsmaatregelen en -plannen kaderen dan vaak in een soort van pedagogisch beschavingsoffensief dat kinderen via onderwijs gelijke kansen willen geven zodat ze later (dus niet nu) niet in armoede zouden moeten leven. Of ze zijn gericht op ouders via allerlei gezinsonder-
De term kinderarmoede heeft als voordeel dat hij de aandacht trekt.
steunende en opvoedinggerelateerde maatregelen, zodat zij hun kinderen in armoede beter kunnen opvoeden. Ingrijpen om erger te voorkomen. En dit allemaal vanuit de veronderstelling dat deze ouders pedagogisch minder bekwaam zijn. En als die ouders geen competente opvoeders worden, dan plaatsen we die kinderen wel. Bij voorkeur in een pleeggezin, als het kan. Het is dan toch onze taak als samenleving om deze kinderen te redden als de ouders hen niet goed opvoeden. Niet?
Geen werk en een huis vol schimmel Op de resultaten van een onderzoek van Test-Aankoop, dat rapporteerde over een gezin op de vijf dat de eindjes niet aan elkaar geknoopt krijgt, reageerde Ingrid Lieten, Vlaams
19 I K RA X +
In Vlaanderen gaat het over 10,4% één op de tien. Op basis van recente bevolkingscijfers (2012) leven in Vlaanderen 123.844,5 kinderen (-18 jaar) in armoede. Armoedecijfers zijn gemiddelden die regionale en lokale verschillen maskeren. Zo is de situatie in Antwerpen, waar een op de vier van de kinderen in armoede opgroeit, veel dramatischer. De armoede in Brussel
is het dramatische stadium zelfs voorbij. Daar sprak het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van Brussel-Hoofdstad in 2010 over 33% van de gezinnen die in armoede leven. En vandaag horen we dat dit cijfer naar de 40% evolueert. De verarmingsprocessen in Brussel zijn aan het verbreden en verdiepen. Terug naar Vlaanderen. Als de armoede in Vlaanderen niet stijgt of daalt, dan is dat toch goed nieuws? We hadden toch die economische crisis? Neen dus. We zien dat bij sommige groepen de armoede ook hier verdiept en verbreedt. Het gaat over gezinnen waarin geen van beide ouders werkt, personen met een handicap, gezinnen die een huis huren, eenoudergezinnen, senioren en mensen van niet-Europese afkomst. Deze groepen vloeien ook meer en meer in elkaar over: bijvoorbeeld een alleenstaande mama van niet-Europese afkomst met een zoontje dat een fysieke beperking heeft, die samen in een huurhuis wonen. Wat ze wel allemaal gemeen hebben is een gebrek aan inkomen om op een menswaardige manier te leven.
+ kinderarmoede +
In het regeerakkoord 2014-2019 van de Vlaamse Regering ‘Vertrouwen, Verbinden, Vooruitgaan’, toont de nieuwe Vlaamse regering weinig ambitie, noch engagement in het effectief bestrijden van armoede. Volgens het Netwerk tegen Armoede, een verzameling van 59 verenigingen waar armen het woord nemen, zal dit ervoor zorgen dat armoedecijfers verder zullen stijgen. We moeten van een achterhaald ondersteuningsbeleid naar een solidair herverdelingsbeleid in het bestrijden van armoede. Ook het jeugdwerk speelt hierin een rol.
+ kinderarmoede +
coördinerend minister voor Armoede, als volgt: “We hebben 4.5 miljoen euro extra vrijgemaakt om lokale initiatieven te verbreden tot heel Vlaanderen. Dat gaat onder meer over opvoeding, waarbij laaggeschoolde moeders elkaar bijstaan om hun kinderen groot te brengen.” In het Jongerenpact 2020 lezen we dan weer de oproep voor een gezinscoach voor gezinnen in armoede. Is positief opvoeden dan niet belangrijk? Ja natuurlijk, dat zal zo goed als elke ouder beamen. Maar zoals een jongerenbegeleidster van Recht-Op een jongerenwerking waar armen het woord nemen, het treffend zegt: “Natuurlijk is positief opvoeden belangrijk. Maar probeer dat maar eens als je huis vol schimmel zit en je geen deftig werk hebt.” Mensen in armoede zijn niet altijd opgezet met de focus op kinderarmoede, want ze weten maar al te goed dat dit kan leiden: van dwingende, soms weinig ondersteunende, hulpverlening tot plaatsing van hun kinderen. We mogen ook niet vergeten dat beleidsplannen, definities van armoede, armoedefondsen, innovatiefabrieken en zelfs concepten zoals ‘kinderarmoede’ het werk zijn van niet-armen. Dat verklaart wellicht waarom deze niet echt effectief zijn.
K R AX + I 2 0
Optrekken tot armoedegrens Waarom herleiden we een in essentie inkomengerelateerd probleem tot een opvoedings- en leerprobleem? Zonder het optrekken
van de laagste uitkeringen tot boven de armoedegrens is elke vorm van armoedebestrijding rommelen in de marge. Dat schrijft het Netwerk tegen Armoede. De beleidsinspanningen op Vlaams en federaal niveau, de innovatieve projecten en campagnes illustreren heel mooi hoe dat gerommel er kan uitzien. Maar als die arme mensen voldoende middelen krijgen, blijven ze dan gewoon niet in hun zetel? Kunnen we hen dan nog wel activeren? Al wie de realiteit van mensen in armoede kent, weet dat een waardig minimuminkomen geen ‘hangmat’ is, maar juist de voorwaarde om uit armoede te geraken. Het Netwerk tegen Armoede trok dan ook naar de verkiezingen met de slogan: ‘Geen federale regering zonder optrekken van uitkeringen en inkomens tot de armoedegrens’.
Herverdeling en solidariteit Het fundamenteel bestrijden van armoede betekent niet louter het werken aan arme mensen zodat ze hun kinderen beter kunnen opvoeden. Het verzachten van de nefaste effecten van armoede, zoals we dat soms ook horen. Het betekent niet het empoweren of versterken van jongeren via de jeugdbeweging of de sportvereniging, zodat ze zichzelf uit de armoede kunnen trekken. De plicht om op te staan, en dat soort onzin. Vrijetijdsorganisaties springen al te graag op de boot van
‘empowerment’. Maar geen van hen kan uitleggen of aantonen hoe kinderen en jongeren zich dan uit hun armoede ‘empoweren’. Laat staan dat we een heldere definitie krijgen van wat empowerment is. Het bestrijden van armoede is een zaak van de hele samenleving. Van jou en mij. Het wordt hoog tijd dat we uit het achterhaalde verhaaltje van het ‘ondersteunen en opvoeden van de armen’ geraken, en evolueren naar een verhaal van herverdeling en solidariteit. Indien we geen sociale huisvesting hadden, dan zouden deze huurders (en hun kinderen) een armoederisico hebben van 41.8% in plaats van 29,9%. Herverdeling werkt dus.
Solidair Jeugdwerk Waar mensen spontane solidariteit beoefenen, moeten de heersers niet aan herverdeling doen, leert ons een boeddhistische wijsheid. Ook het jeugdwerk en jeugdinformatieactoren kunnen een actieve rol spelen in het stimuleren van solidariteit. Alsook het gericht informeren over het herverdelend potentieel van bijvoorbeeld werkloosheidsuitkeringen, huursubsidies en de kinderbijslag. Niet enkel solidariteit naar kinderen en jongeren in armoede, maar ook solidariteit en waar nodig herverdeling naar deze vrijetijdsinitiatieven die een grote groep kinderen, jongeren en ouders in armoede bereiken. De omstandigheden waarin deze werkingen aan de slag gaan, zijn vaak even precair als de situaties van de gezinnen die ze bereiken: projectmatige en onzekere financiering, slechte infrastructuur, verouderd (spel-)materiaal, afhankelijkheid van lokale en/of bovenlokale besturen, hoge administratieve last met weinig tot geen administratief personeel... Moeten we ons op basis van een grondige maatschappelijke analyse ook niet meer durven afvragen of het huidige landschap van het jeugdwerk in het licht van de hoge armoedecijfers en een steeds diverser wordende groep van kinderen en jongeren nog wel relevant is anno 2014? En dit vanuit een versterkt armoedeperspectief. Of houdt het jeugdwerk zich stevig en stug vast aan de vertrouwde riemen wanneer het over het woelige water van armoede roeit?
+ kinderarmoede +
JONGEREN IN ARMOEDE RICHTEN ZICH TOT BELEIDSMAKERS Carolien Patyn
21 I K RA X +
+ kinderarmoede +
Naar aanloop van de verkiezingen in mei 2014 stelden jongeren in armoede in een videoboodschap en een jongerenmemorandum hun zeventien eisen aan de nieuwe regering voor. Ze vroegen om betere begeleiding van onderwijs en werktrajecten, meer aandacht voor het perspectief van jongeren in armoede en meer doelgroepgerichte jongerenwerkingen. Nu de uitslag van de verkiezingen bekend is, herhalen ze die eisen.
Structureel onrecht 11% van de kinderen in Vlaanderen groeit op in een situatie van inkomensarmoede. Jongeren in armoede, maatschappelijk kwetsbaren, kans-armen: de noemers en cijfers zijn bekend. Maar hoe ervaren die jongeren hun leven, wat doet armoede met hen en hoe kunnen zij hun stem laten gelden in de maatschappij en bij het beleid? Jongeren in armoede worden dagelijks geconfronteerd met uitsluiting, onbegrip, absurde administratie en inefficiënte dienstverlening. Nog meer dan hun jongeren zelf worden jongerenwerkers overspoeld met de alomtegenwoordigheid van deze problemen: bijna ál hun jongeren belanden in het bijzonder onderwijs, vaak onterecht. Ze verlaten de school zonder diploma, vinden geen werk en hebben moeite met het opbouwen van een netwerk. De veelheid van deze verhalen wijst op een structurele vorm van onrecht en deed de nood groeien om jongeren een stem te geven over de zaken die zij echt belangrijk vinden. De jongerenwerkingen van het Netwerk tegen Armoede en vzw Uit De Marge bundelden hun krachten en zetten samen met een groep jongeren een beleidsparticipatietraject op.
Bijna alle jongeren legden namelijk een zeer negatief onderwijsparcours af, met pesterijen en onbegrip van leerkrachten, vele doorverwijzingen en richting- of schoolveranderingen, en dit alles met geen of een onbruikbaar diploma als resultaat. Zelf hadden de jongeren heel concrete ideeën over hoe het beter kon. Vanuit deze suggesties gingen ze in gesprek met minister van Jeugd en Onderwijs Pascal Smet en de hoofden van de drie grote onderwijskoepels. Samen kwamen ze tot maar liefst zes eisen. Zo moet er veel meer aandacht komen voor pesten en het welzijn van alle kinderen op school. Pesten moet bespreekbaar worden gemaakt mét participatie van kinderen en jongeren. Kinderen mogen volgens hen ook niet meer naar het BUSO worden doorverwezen omwille van aan armoede gerelateerde factoren. Het reguliere onderwijs moet zo lang mogelijk de nodige zorg bieden. En er moet meer en bewust werk worden gemaakt van een terugkeer van het BUSO naar een gepast opleidingsniveau en een gepaste richting. Bovendien vragen de jongeren een vertrouwenspersoon op school. Ook leerkrachten moeten meer inzicht krijgen in de leefwereld van kinderen in armoede. Jongeren willen beter geïnformeerd worden over de keuzes binnen hun opleiding en de gevolgen hiervan. Het lessenpakket zou ook plaats moeten bieden voor informatie over hulpverlening, fiscaliteit, zelfstandig wonen enzovoort – de ‘echte’ wereld op maat van jongeren met vragen. Ten slotte vragen ze meer aandacht voor het zoeken naar werk- of stageplaatsen, solliciteren en keuzes maken. De scholen moeten werkgerichte en relevante stageplaatsen aanbieden.
De shit waar je in zit Na verloop van tijd sloten andere werkingen en jongeren zich aan bij het traject, namen de ‘anciens’ onder de jongeren veel meer het woord en werd de groep een hecht en stevig gegeven. Jongeren die vaak bestempeld werden als moeilijk en ongeïnteresseerd beten zich vast in het bedenken van methodieken, metaforen en theorieën. De succesfactoren die beleidsmatig en inhoudelijk werk met jongeren in armoede tot een goed einde kunnen brengen? Een veilige groep, een stevige omkadering, een langdurig traject en het vertrekken vanuit de leefwereld en de bezorgdheden van de jongeren zelf. Een van de beelden die uit de gesprekken over armoede in de groep kwam, was dat van ‘de bril, de pot goud en de shit waar je in zit’; een metafoor voor de haakse houding van de huidige dienstverlening op de complexe situaties van jongeren in armoede. Jongeren in armoede bevinden zich vaak in een onontwarbaar kluwen van problemen, waarbij het heel moeilijk is om er één punt uit te halen. De dienstverlening is dan weer zeer categoriaal georganiseerd, waardoor er aan één eind wordt getrokken en de knoop alleen maar strakker komt te zitten. Een jongere die bijvoorbeeld niet meer bij zijn ouders terecht kan of ruzie krijgt met wie hij samenwoont, daardoor op straat komt te staan en geen adres meer heeft, niet verzekerd of ingeschreven is bij het ziekenfonds en plots gezondheidsproblemen krijgt, heeft iemand nodig die dit kluwen begrijpt. Op zo’n moment heeft hij heel weinig aan een trajectbegeleider die hem de volgende dag in een werkervaringstraject wil activeren, omdat dat nu eenmaal zijn opdracht is. Als zo’n jongere dat aanbod dan afslaat, wordt
K R AX + I 2 2
Onderwijs in armoede In september 2011 ontmoetten zo’n 25 jongeren uit Leuven, Eeklo, Roeselare, Gent en Antwerpen elkaar voor het eerst. Een maand later vroegen ze minister van Jeugd Pascal Smet om een structurele dialoog met jongeren in armoede. Hiervoor bepaalden ze de domeinen die voor hén echt belangrijk waren. Algauw kregen zes grote clusters vorm, met onderwijs als koploper.
Jongeren willen beter geïnformeerd worden over de keuzes binnen hun opleiding en de gevolgen hiervan.
+ kinderarmoede +
hij als werkonwillig of ongeïnteresseerd aanzien. De hulpverlener ziet immers slechts één probleem en een zee van kansen. De jongere kijkt vanuit zijn perspectief, vanuit een kluwen van problemen en geen kansen. De eis is duidelijk: meer diensten en instanties moeten denken vanuit het perspectief van de jongeren. Ze willen hierbij beroep kunnen doen op een brugfiguur die ze vertrouwen en die met hen op weg gaat.
Neerwaartse spiraal doorbreken Volgens jongeren in armoede moet er veel meer worden ingezet op outreachend werken naar jongeren toe vanuit jeugdhulpverlening, jeugdwerk en -instellingen, onderwijs en diensten. Zo moeten ze bijvoorbeeld jongeren beter voorbereiden op de overgang naar meerderjarigheid. Informatie en hulp moeten op hun maat gemaakt worden. Werk zien jongeren in armoede als een mogelijkheid om uit de neerwaartse spiraal te ontsnappen. Daarom vragen ze meer en betere jobs voor jongeren met een lager of geen diploma. Er moet iets gedaan worden aan de werkloosheidsval, waarbij jongeren slechter af zijn wanneer ze interims en korte jobs wél aannemen, dan wanneer ze dit niet zouden doen. Speciale statuten moeten in het voordeel zijn van de jongeren, niet alleen van de werkgever. Ze willen ook betere begeleiding op de werkvloer, zodat ze fouten kunnen maken, daaruit leren en groeien. Maar werktrajecten moeten ook aandacht schenken aan het welzijn en aan andere obstakels die het voor jongeren moeilijk maken om een job te vinden, zoals familiale problemen of het vinden van een woning. Bij de zoektocht naar een woning ondervinden nog veel jongeren discriminatie op basis van inkomen. Hun eis? Maak dit onmogelijk! Jongeren in armoede vragen om een dienst die zich specifiek richt op jongeren op de woonmarkt. Er moeten meer goedkope startersstudio’s beschikbaar zijn voor jongeren in armoede door het invoeren van huursubsidies of een verbreding van het aanbod. Maar jongeren willen ook verkrotting en leegstand aangepakt zien, en vragen om strengere regels voor het verhuren van studio’s, appartementen en woningen. × Bronnen:
Artikel ‘Aan de praat met de minister. Jongeren in armoede experimenteren met beleidsbeïnvloeding’, J.Deduytsche en C. Patyn, in het boek‘Kwetsbare vrije tijd’, bij Uit de Marge vzw: http://www. uitdemarge.be/p527 23 I K RA X +
‘Wij tellen mee; leren uit de werkingen voor kinderen en jongeren in armoede’, bij Uit de Marge vzw: http://www.uitdemarge.be/wijtellenmee!
+ kinderarmoede +
ARMOEDE DOOR DE LENS VAN JONGEREN In een debat dat meestal gevoerd word door volwassenen, laten drie projecten kinderen en jongeren aan het woord over kinderarmoede. Samen met een jonge filmmaker een documentaire maken over je leven of een reizende fototentoonstelling in elkaar boksen – de resultaten mogen er zijn. Maar hoe pak je zo’n project het beste aan? De Agorakring, Recht-Op en Betonne Jeugd leiden Krax+ door het proces.
K R AX + I 2 4
Debat voeren met beelden Als kleine, humanistische burgergroep kan de Agorakring het probleem van de armoede in de wereld niet oplossen - ook niet dat van de armoede van kinderen. Maar ze meenden dat ze wel iéts kunnen doen. Doorheen het hele jaar bedenkt de Agorakring activiteiten rond participatief burgerschap. “Als
vele mensen iets doen, wordt de wereld langzaam maar zeker toch beter,” zegt Rik Pinxten, medeorganisator van de reizende tentoonstelling Armoede door Kinderogen en onderzoeker in de culturele antropologie aan de Universiteit Gent. Al enkele jaren brengt de Agorakring onder de leiding van fotograaf Theo Beck kinderen en professionele fotografen bij elkaar. “De kinderen wordt gevraagd hun wereld te tonen zoals zij dat willen of belangrijk achten,” vertelt Rik. “De fotograaf vertaalt dit in een foto. Soms trekken de jongeren er zelf op uit met fototoestellen die we hen ter beschikking stellen. De boodschappen van de kinderen winnen zo aan kracht en worden indringende, beklijvende beelden.” De burgers van Agora willen leerkrachten en scholen zo inwijden in de situatie van kinderen in armoede, zodat signalen beter opgevangen kunnen worden. De Agorakring bundelt de foto’s daarom in een tentoonstelling, die in Vlaamse cultuurcentra en onderwijskringen te zien is. “Arme kinderen zijn niet
+ kinderarmoede +
zomaar een schandaal in onze overvloedmaatschappij,” meent Rik. “Ze zijn een groeiend schandaal, elk jaar zijn er meer. Nog voor er een breuk ontstaat tussen de jongere in armoede en de goed doorvoede maatschappij, kan en moet een verantwoordelijke burger veel doen,” zegt Rik. “Maar hij moet eerst in staat zijn om te zien.” Op beelden uit de reizende tentoonstelling spelen mensen van vlees en bloed de hoofdrol. Lachend, gelukkig, gretig, enthousiast, fier en uitdagend: zo staan de kinderen op de foto. Weg met stereotypes, en ook van meewarigheid wil de Agorakring niets horen. “Kinderen zijn vaak onbevangen en in staat om van het moment te genieten. ‘Wat kunnen jullie me maken?’, schijnen ze te zeggen. ‘Ik weet wie ik ben, hier in mijn wereld.’ Deze menselijke fierheid moeten we erkennen en koesteren.” Maar ook leed en uitzichtloosheid krijgen een plaats. Of, wanneer de vernedering als een veel te ruime jas is aangemeten, de uitzichtloosheid. Een meisje met een afgeknapte zonnebloem, een groep spelende kinderen met geweren. Humanisme is ook vandaag een cultuur van respect en medemenselijkheid. In deze beeldcultuur gebruikt de Agorakring visuele media zoals de fotografie om de discussie over armoede aan te gaan.
Openhartige vertelling
25 I K RA X +
Bij jongerenorganisatie Recht-Op, die zich specifiek richt op jongeren in armoede, werden vijf jongeren van dichtbij gevolgd en vertelden ze hun persoonlijke verhaal. Een verhaal over het dagelijkse gevecht dat armoede is. Een verhaal over vooroordelen, weinig kansen en ook dromen. De documentaire Vechten voor Morgen is het resultaat van een intensieve samenwerking met ANDERE WERELD Films, leggen jeugdwerkers Lene Keersmaekers en Laura Pyl uit. “Maandenlang werd het reilen en zeilen in de jongerenwerking gefilmd,” vertellen ze. “Hierdoor ontstond er een vertrouwensband tussen de reportagemaker en de jongeren.“ De intensieve aanwezigheid van de reportagemaker in de dagelijkse werking is volgens Lene en Laura onontbeerlijk. “Buiten die essentiële vertrouwensband krijgt de reportagemaker zo ook een zicht op de werking zelf,” zegt Pyl. De makers gaven de jongeren van Recht-Op niet alleen de hoofdrol in de documentaire, de jongeren beslisten zelf over de vorm en de inhoud. Ze waren hoofdpersonen doorheen het hele creatieve proces. In de documentaire vertellen ze openhartig over de impact die armoede heeft op de verschillende domeinen in hun leven, zoals huisvesting, onderwijs, werk, hulpverlening en hun gezin. De theorie en de beleving van armoede worden zo verenigd in deze film. Dé sleutel tot succes is volgens de twee jeugdwerkers het aangaan van de juiste samenwerkingen. “Het is heel belangrijk om een artistieke partner te vinden die dezelfde visie heeft,” zegt Laura. “Eentje die respect voor de jongeren belangrijker vindt dan scoren met zijn eigen product,” vult Lene aan. Ook voor Recht-Op was het soms aanpassen. “Je moet durven het proces het proces te laten zijn en niet te veel bezig zijn met het product,” getuigt Lene. “Zo kan je op maat en gaandeweg werken. We leerden met deze documentaire zeker het noodzakelijke belang van het denken op lange termijn kennen.“ Met Vechten voor Morgen hoopt Recht-Op de individuele schuldvraag ter discussie te stellen, waar de
+ kinderarmoede +
jongeren in armoede vaak mee te maken krijgen. “Door de individuele verhalen hopen we dat de kijker meer inzicht krijgt in de complexe problematiek van jongerenarmoede vandaag,” vertelt Laura. Om die boodschap over te brengen, werd de documentaire op verschillende manieren ontsloten. Een dvd is te verkrijgen bij Recht-Op en werd ook opgenomen in een lespakket over armoede voor het secundair onderwijs, Heb jij ze wel alle vijf? Recht-Op biedt ook een vorming aan, met daarin het samen bekijken van de film en een interactief gesprek met jongeren in armoede over hun kijk op leven in armoede.
K R AX + I 2 6
Hopen op een betere toekomst De A van Antwerpen werd de laatste jaren dé merknaam die de stad Antwerpen promootte in een positieve campagne. ‘Er zit sport in A’, ‘Ik werk voor A’ of ‘Ik ben zot van A’: de positieve en grappige slogans doken op in bushokjes, op stickers en op vlaggen. Jongerenwerking Betonne Jeugd liet zich inspireren door de campagne om iets rond de minder positieve aspecten van Antwerpen te doen. “Mensen in armoede zitten ook bij A op den tram, wonen ook bij A in de buurt en hebben soms wel een ander verhaal aan en over A te vertellen,” zegt Thomas Neefs, vrijwilliger bij Betonne Jeugd. De jongerenwerking besloot een film te maken en gaf deze eerst de werktitel ‘De wereld rondom A’. “We wilden jongeren in armoede zelf hun kijk op het leven laten geven,” vertelt Thomas. “We lieten ze vertellen wat het is om in armoede op te groeien. Kennis over armoede is in het algemeen zeer pover – daar wilden we met de film wel iets aan veranderen.” De makers wilden met de film bepaalde thema’s bespreekbaar maken: opgroeien in armoede, het niet krijgen van eerlijke kansen, vastzitten in of de angst om te belanden in generatiearmoede… Filmregisseuse Joke Nyssen praatte met verschillende jongeren van de werking, waarna drie jongens zich kandidaat stelden om mee opnames te maken. “Het is belangrijk dat dit vrijwillig gebeurt,” zegt Thomas. “Je kan het raar vinden dat bijvoorbeeld geen van de meisjes zich heeft opgegeven, maar die keuze moet je als werking respecteren.” Ook bij Betonne Jeugd werden de makers nauw betrokken bij de dagelijkse werking. “Joke kwam bijna een heel jaar geregeld, en heeft daardoor ook goed de sfeer kunnen weergeven,” legt Thomas uit. Hoe hij die sfeer zelf zou omschrijven? “We hebben allemaal al wel iets meegemaakt maar – ook al slaat het geregeld fameus tegen – toch blijven we hopen op en dromen van een betere toekomst. En als we aan die toekomst iets willen veranderen, moet er iets fundamenteel veranderen in de maatschappij en in de wereld, zodat we er ons van bewust zijn dat armoede een onrecht is en dat armoede vaak nog heel wat andere vormen van onrecht met zich meebrengt.” Uiteindelijk werd de film naar de jongerenwerking vernoemd, maar dat betekent niet dat deze een totaalbeeld geeft van de werking, licht Thomas toe. “De film vormt voor de jongeren in de film een bindmiddel, een gemeengoed, een gedeelde hobby en een vriendenkring.” Op 17 oktober, de dag van wereldwijd verzet tegen armoede, vertonen de jongeren Betonne Jeugd in Turnhout. Wie er niet bij kan zijn, kan de dvd ook zelf in huis halen. ×
+ kinderarmoede +
ARMOEDE-EXPERTS ZIJN MEERWAARDE VOOR HET JEUGDWERK Vira Bennekens
“Betrek arme mensen zo veel mogelijk bij je werking,” adviseert Anna de Laat in een interview aan Krax+. En zij kan het weten. Ze is immers opgeleid als ervaringsdeskundige in armoede en sociale uitsluiting. Door hun eigen bagage vier jaar onder de loep te nemen zijn specialisten zoals Anna het best geplaatst om de harde realiteit van jongeren in armoede te belichten. Bovendien kunnen ze jeugdorganisaties met raad en daad bijstaan.
27 I K RA X +
“Als deskundigen hebben we allemaal onze ervaring met kansarmoede in het gezin mee,” licht Anna enthousiast toe. “De opleiding die we via vzw De Link (nvdr: de coördinator van de opleiding en tewerkstelling van ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting) volgen,
bestaat uit een voortraject van een jaar en een beroepsopleiding van drie jaar. Tijdens die vier jaar gaan we met onze ervaring aan de slag. We leren die plaatsen, pluizen die uit en maken een proces door. Daarnaast doen we kennis op over psychologie, communicatietechnieken en de relevante netwerken in België. En natuurlijk doe je de laatste twee jaar stages. Als ervaringsdeskundige moet je bruggen bouwen tussen de mensen in armoede, de hulpvragers en de hulpverleners of organisaties die met hen in contact komen.” “Hulpverleners doen hun job goed en met heel veel goede bedoelingen, maar vaak missen ze de ervaring. Als je armoede zelf niet meegemaakt hebt, kan je soms echt niet begrijpen hoe het voelt.”
+ kinderarmoede + K R AX + I 2 8
Erkenning geven “Mijn job bestaat erin om de patronen die ik zie zichtbaar te maken,” vervolgt de expert. “Wat ik observeer, breng ik in gesprek. Ik heb stage gelopen bij Betonne Jeugd, een werking voor jongeren uit kansarmoede, waar er veel ruimte is voor persoonlijke problemen. Er was één persoon die regel-matig met iedereen botste. Ik zag duidelijk een jarenlang patroon tussen die jongere en de begeleiding waardoor de situatie in stand werd gehouden. Als buitenstaander en ervaringsdeskundige zie je dat beter. Ik heb er een gesprek over geopend, wat heel confronterend was. Maar zo heeft die jongere wel iets kunnen veranderen. We maken ook de missing link duidelijk: we verhelderen het beeld van de kansarme. En we proberen te empoweren. Met empoweren moet je oppassen dat je het niet overneemt. Je mag niet te ver gaan in het willen redden. Het gaat om mensen in hun kracht brengen zodat ze zelf dingen aanpakken. Daarvoor is eerst veel erkenning nodig. Luister naar de verhalen: wat heeft de persoon te vertellen, wat heeft die meegemaakt, hoe voelt hij zich? Empathie is heel belangrijk. Zie als begeleider de kleine moeite die jongeren doen, zoals gewoon eens uit bed komen, en geef daar erkenning voor. Gaandeweg kan die persoon dan groeien. Eigenlijk wil iedereen gewoon gezien worden Voor ons lijkt het evident om ’s morgens op te staan, ons aan te kleden en naar het werk te gaan. Voor mij is dat bij momenten ook verschrikkelijk
geweest. Opstaan en vertrekken, het was een hel. Geef dus vertrouwen door te luisteren en pijn en verdriet te erkennen, en neem je tijd ervoor. Organisaties horen dat niet graag. Vaak is er geen tijd en geen geld. Dat maakt het voor ons best wel moeilijk.” Anna betreurt het dan ook dat ervaringsdeskundigen doorgaans tijdelijk worden ingeschakeld. “Ze vragen ons vaak om projecten op te starten en voor slechts een beperkte periode rond armoedebestrijding te werken. Dat is jammer. Het loont om langer met ervaringsdeskundigen te werken en ze zelfs in dienst te nemen. Ik geloof heel erg in de kracht van ervaringsdeskundigen maar we zijn geen wondermensen. Op een jaar tijd kunnen we niet ineens de wereld veranderen.”
In de spiegel kijken De opleiding is niet voor iedereen een haalbare kaart. Sommigen moeten er vroegtijdig de brui aan geven. Anna: “We zijn gestart met zeventien maar geleidelijk aan zijn er collega’s gestopt. Als je die opleiding volgt, wordt je rugzak opengedaan en wordt er verwacht dat je erin gaat kijken. Je wordt voortdurend geconfronteerd met jezelf en dat valt echt niet te onderschatten. Je moet constant aan zelfreflectie doen, in de spiegel kijken. Doe je het zelf niet, dan zal iemand anders van de klas je wel een spiegel voorhouden. We oefenen namelijk altijd in groep met de eigen bagage. Indien er zich een storing of conflict voordoet in de klas dan pakken we die eerst aan. We hebben geleerd om
Mijn job bestaat erin om de patronen die ik zie, zichtbaar te maken.
daarmee om te gaan en te bekijken wat ieders aandeel is. Je bent altijd in communicatie, zeker omdat iedereen zijn kwetsuren heeft. Het hele systeem van de opleiding werkt echt wel. Je leert van elkaar en uiteindelijk creëer je een band met je klasgenoten. We zijn nu met vijf afgestudeerd. Je merkt wat je aan elkaar hebt. Het is een band voor het leven.”
Middenklasse En hoe staat Anna tegenover het jeugdwerk? “Ik zat bij de scouts maar ben vrij snel weggegaan omdat ik me er niet heel gelukkig voelde. De scouts richt zich op de middenklasse. Wie niet meekan, moet maar thuis blijven. Het scoutsuniform, de reisjes en kampen, dat kost allemaal geld. Je moet er bovendien ook geraken, die uitstappen zijn niet altijd bij de deur. En je voelt je soms wat anders. Als je uit een bepaalde situatie of context komt dan is je zelfbeeld vaak heel laag. Kinderen kunnen heel hard zijn voor elkaar. Als ze aanvoelen dat je anders bent of wat onzekerder, maken ze er vaak misbruik van. Ik had het geluk dat ik niet echt gepest werd, maar ik had ook niet veel vriendjes. Ik werd een beetje gemeden. Of ik maakte mezelf onzichtbaar.”
Een hand toereiken Als Anna als ervaringsdeskundige in een jeugdbeweging zou terechtkomen, zou ze eerst kijken naar wat de organisatie al doet. “Ik zou aan de jeugdwerkers vragen hoe ze potentiële ouders bereiken. Zijn er folders? Hoe zien die eruit? Zijn ze opgesteld in een verstaanbare taal? Wat kan ik daar eventueel nog in aanpassen? Spreken ze mensen aan of steken ze alleen wat folders in de brievenbus? Die belanden meestal samen met de reclame in de vuilnisbak, want zo’n jeugdbeweging is toch te duur. Een organisatie kan vooraf bekijken welke drempels er zijn voor ouders. Zo kan je hun op voorhand een hand toereiken. Gesprekken aangaan met ouders is hierbij cruciaal. Betrek mensen in armoede zo veel mogelijk bij alles wat je doet. Spreek ze gerust aan. Je zou weleens verrast kunnen zijn over hun inbreng. Als ik raad geef aan de jeugdwerkers, wil ik ze niet terechtwijzen. Trouwens, ik
Tandem Organisaties staan overigens nogal wantrouwig tegenover de komst van deze experten. Anna: “Ik merk dat ze ons een beetje als een bedreiging zien. Organisaties zijn bang dat wij hen op de vingers gaan tikken. Maar dat is helemaal het geval niet. Wij willen alleen maar samen tot oplossingen komen, wat voor mij ook een leerrijk proces is. Ik denk dat het vooral moeilijk is om efficiënt samen te werken: hoeveel ruimte neem ik, hoeveel ruimte geef ik? Hoe pakken we het samen aan? In het begin is dat zoeken. Bovendien vind ik zelfreflectie als ervaringsdeskundige heel belangrijk. Ik verwacht van mijn collega dat die dat ook kan of probeert. Ik zal af en toe vragen naar zijn gevoel of naar zijn manier van beleving. Als je in welke werking dan ook met mensen bezig bent, moet je heel bewust zijn van jezelf. Hoe alles effect heeft op jou en waarom, zodat je de verantwoordelijkheid niet bij iemand anders legt. Openheid is essentieel. Je moet bereid zijn om naar jezelf te kijken. Als die bereidheid niet aanwezig is, verloopt de samenwerking moeizamer. Werken in een tandem is ideaal. Je werkt dan met een hulpverlener of een jeugdwerker samen. Als ervaringsdeskundige ga je mee naar de ouders of naar de jongere. Je moet dus in alles een beetje mee zijn en doet volledig dezelfde job als de jeugdwerker. Met dat verschil dat je een andere insteek hebt.”
Buikgevoel
vastzitten in een soort patroon. Bovendien heb ik zeven jaar in een kribbe gewerkt. Daar botste ik heel hard met mezelf en mijn lage zelfbeeld. Als mijn bazin nog maar vroeg of ze met mij kon praten, was ik al bang. En dat straal je uit. Aan andere kant merkte ik dat ik met sommige kindjes veel sneller een klik had. Het waren meestal de kindjes bij wie ik het gevoel had dat ze uit kansarmoede kwamen. En die ouders kwamen bij mij sneller hun verhaal doen. Ik wou dan ook op een ander niveau met hen werken. De opleiding kende ik niet maar een aangetrouwde nicht die ermee bezig was, vertelde me erover. Toen ik de bezieling hoorde, dacht ik meteen ‘dit is het’.”
Mooiste cadeau “Voor mij is de opleiding het beste geweest in mijn leven,” geeft de expert nog mee. “In het begin vertrek je voor dat diploma om te kunnen werken als ervaringsdeskundige. Je wil heel de wereld redden maar eigenlijk wil je vooral jezelf redden. Dat besef je op dat moment nog niet. Ik kom zelf uit een arm gezin. We waren normaal gezien met zes kinderen maar mijn broer is nog voor
mijn geboorte gestorven. Buiten de armoede waren er nog andere problemen. Dat was niet altijd even gemakkelijk. Ik heb vijf jaar in een pleeggezin gewoond en dat heeft een impact gehad. Ik was tenslotte maar twee jaar toen ik werd geplaatst. Daardoor was mijn zelfbeeld heel laag. Dankzij de opleiding ben ik beginnen te groeien en kreeg ik meer zelfvertrouwen. Mijn zelfbewustzijn is nu veel groter. Vroeger dacht ik: ik ben een slachtoffer van alles en iedereen. Maar nu weet ik dat ik slachtoffer was van mezelf, van hoe ik met de dingen omging omdat ik de juiste manier niet geleerd had. Nu ben ik gelukkig met mezelf, met wie ik ben en waar ik voor sta. En dat is zo wezenlijk. Ik heb mezelf bestaansrecht gegeven. Dat is mijn grootste overwinning, mijn grootste winst uit de opleiding. Dat ik mezelf heb mogen ontdekken, echt tot in de kern, is het mooiste cadeau dat ik heb gekregen, én gratis.” ×
29 I K RA X +
Groeien was voor Anna de drijfveer om de opleiding te starten en het heeft haar geen windeieren gelegd. “Ik voelde dat ik nog niet genoeg voldoening had in mijn leven. Ik wilde groeien als persoon. Ik wilde niet verbitterd geraken en mijn hele leven
Ze vragen ons vaak om projecten op te starten en voor slechts een beperkte periode rond armoedebestrijding te werken. Dat is jammer.
+ kinderarmoede +
maak ook fouten. Ik zeg niet dat onze ideeën altijd juist zijn. Als ervaringsdeskundige ben je een heel zorgende persoon. Je geeft ook zorg naar hulpverleners toe. We gaan niet gewoon zeggen ‘je doet dat verkeerd’. Ik weet ook niet alles, maar het is belangrijk dat wij vanuit onze ervaring werken.”
stem van
+ kinderarmoede +
MEHRIA WIL ARMOEDE BESPREEKBAAR MAKEN Mehria Eshaghzey (23) werkte in het voorjaar samen met meer dan vijftig andere jongeren aan een eigen campagnebeeld. Niet om écht stemmen mee te ronselen, maar om haar eigen gedacht te zeggen over actuele thema’s. Ze schreef zich lukraak en zonder bijzondere verwachtingen in voor het verkiezingsproject De Schoonmoeder aller Verkiezingen. Haar campagnebeeld siert nu de hallen van het Vlaams Parlement. Een campagnebeeld over het taboe rond armoede.
K R AX + I 3 0
re
de jonge
“Armoede is een belangrijk thema. Zeker nu het crisis is en er enorm veel besparingen zijn, leek het me een onderwerp dat in de aanloop naar de verkiezingen voldoende aandacht moest krijgen. Politici zouden dan ook meer bewust met armoede bezig moeten zijn. ‘Stop het taboe rond armoe’, zo luidde mijn slogan. Mijn campagnebeeld? Een jongen met een brede band tape over zijn lippen, een verwijzing naar het taboe, de onbespreekbaarheid van het onderwerp. Armoede wordt niet alleen nog steeds gestigmatiseerd, veel mensen hebben er ook een veel te beperkt beeld van. Er zijn nog steeds mensen die vinden dat arme mensen simpelweg lui zijn. Ik wilde met mijn campagne mensen wakker schudden en hen aansporen om over zulke zaken te praten. We hebben nood aan constructieve oplossingen. Het moet eens gedaan zijn met armoede weg te moffelen of er een oppervlakkig beeld over na te houden!” “Zelf heb ik het geluk dat ik niet arm ben, maar ik ken wel mensen die het zijn. Ook word ik ermee geconfronteerd in onze samenleving, mijn buurt of in het globale nieuws. Het wekt bij mij een groot onrechtvaardigheidsgevoel op. Je wil er wel iets aan doen, maar hoe? Mijn campagne is een eerste stapje in de goede richting: bewustwording. Ik kreeg dan ook al veel lovende reacties. Veel van mijn leeftijdsgenoten en de politici die we tijdens het project ontmoetten vonden het interessant, nuttig en zelfs leuk. Dat laatste is natuurlijk
dankzij het sprekende beeld. Maar ook het engagement van jongeren wordt door de oudere generatie als ‘leuk’ aanzien. Dat is natuurlijk niet genoeg: er is ook écht actie nodig. Sociale minderheden, waar ze zich ook bevinden in de samenleving, moeten actief gestimuleerd worden door allerlei projecten of opleidingen om hen (terug) een menswaardig leven te bezorgen. Autochtoon, illegaal of ‘allochtoon’: deze mensen horen ook in onze samenleving en hebben het recht om er mee van te genieten.” “Ik studeer nu voor leerkracht secundair onderwijs. In onze opleiding krijgen we les over de bewustwording rond arm en rijk, maar ik vind dat ze best wat dieper en breder over zulke onderwerpen mogen praten. Als toekomstige leerkracht geef ik graag alle leerlingen gelijke kansen, zodat iedereen kan slagen. Armere kinderen hebben minder slaagkansen door hun leef- en woonsituatie, maar ik wil de leerlingen ook genoeg zelfvertrouwen aanleren, zodat zij zelfstandig over hun problemen kunnen nadenken en oplossingen bedenken of tijdig hulp inroepen.” “Ik weet nog niet zo goed wat ik nu, na de verkiezingen, verder met mijn campagne doe. In mijn vrije tijd ben ik ook lid van Comac, de jongerenbeweging van de PVDA. Wij organiseren samen met andere studenten geregeld dingen rond zo’n thema’s. Maar de strijd tegen armoede kan iedereen voeren: ook het jeugdwerk. Graag zie ik jeugdwerkers meewerken aan meer bewustwording in de media en via projecten. Zij kunnen als eerstelijnscontacten ook verder constructieve oplossingen bedenken die armoede op lange termijn hopelijk kunnen bestrijden. Ook het politieke veld moet aan zo’n bewustmaking werken. Door de beleidsmakers worden zulke onderwerpen nog veel te veel gestigmatiseerd, en ze denken er heel stereotiep over na. Geen enkele politieke partij zou de schuld op individuen mogen steken, maar het onderwerp als een maatschappelijk probleem moeten zien waar je samen wel degelijk iets aan kan doen.” ×
+ opi
e +
Raf Verbruggen
31 I K RA X +
MEER EN BETERE RUIMTE VOOR KINDEREN EN JONGEREN
+ ruimte +
ni
+ ruimte +
Tegen 2050 komen er volgens prognoses één miljoen Vlamingen bij – en deze moeten allemaal ergens wonen, werken en recreëren. Heel wat typerend jongerengedrag wordt nu door de GASwetgeving gecriminaliseerd. We moeten een jeugdreflex creëren bij het ruimtelijk beleid en een ruimtereflex bij jeugd. Kinderen en jongeren hebben nood aan ruimte: om kampen te bouwen, met hun fiets te rijden, te ravotten of te sporten – en als ze wat ouder zijn om te fuiven en rond te hangen. Kortom: kinderen en jongeren hebben nood aan ruimte om jong te zijn. Ruimte en het beleid dat daar rond gevoerd wordt – niet enkel op het vlak van ruimtelijke ordening, maar ook wat betreft mobiliteit, leefmilieu, wonen en het stedenbeleid – heeft dan ook een grote impact op de jonge bevolking. En toch is er in het dichtbebouwde Vlaanderen steeds minder ruimte voor kinderen en jongeren. Een meer jeugdvriendelijk ruimtebeleid in Vlaanderen dringt zich dus op.
Sociale ontwikkeling
K R AX + I 3 2
Kinderen en jongeren spelen buiten, hangen rond of verkennen de buurt. Deze ruimtelijke gedragingen zijn eigen aan het kind of jong zijn en hebben dus geen verantwoording
nodig. Daarnaast bevordert de ruimte als speelruimte ook de fysieke, mentale en sociale ontwikkeling en is publieke ruimte een belangrijke mede-opvoeder waarin kinderen en jongeren leren omgaan met diversiteit en anders-zijn, waarin ze een eigen identiteit ontwikkelen, en waarin ze worden opgevoed tot burgerzin. Het is dan ook belangrijk dat we ervoor zorgen dat kinderen en jongeren voldoende kwaliteitsvolle ruimte hebben om jong te kunnen zijn. In ons dichtbevolkte en verstedelijkte Vlaanderen staat de ruimte voor kinderen en jongeren echter onder toenemende druk. Ze stoten op barrières, fysiek en mentaal, die hen verhinderen om volwaardig gebruik te kunnen maken van de beschikbare ruimte.
Ruimte onder druk Een eerste barrière die kinderen en jongeren tegenkomen is het verdwijnen van open ruimte, zoals onbestemde veldjes of stukjes bos dichtbij de woning, waardoor ze meer en meer verbannen worden naar zogenaamde jeugdreservaten zoals speelpleinen of speelzones in bossen. Het verdwijnen van onze open ruimte is in de eerste plaats een gevolg van de toenemende verstedelijking, gekoppeld aan een gebrekkige ruimtelijke ordening in Vlaanderen. Het ziet ernaar uit dat dit probleem in de toekomst nog acuter wordt: tegen 2050 komen er volgens
Een eerste barrière die kinderen en jongeren tegenkomen is het verdwijnen van open ruimte.
prognoses één miljoen Vlamingen bij – en deze moeten allemaal ergens wonen, werken en recreëren. Een tweede fysieke barrière is de enorme toename van het autogebruik in de laatste halve eeuw. Onze publieke ruimte is daardoor geëvolueerd van een verblijfsruimte naar een vervoersruimte, waardoor spelen op straat nu vaak niet meer mogelijk is. Door de toename van de verkeersonveiligheid is het voor kinderen veel moeilijker geworden om zich zelfstandig te verplaatsen. Kinderen van vier generaties terug begaven zich ook zonder begeleiding gemakkelijk ettelijke kilometers van huis, terwijl een kind vandaag vaak nauwelijks nog alleen tot het einde van de eigen straat mag. Ook mentale barrières verhinderen het volwaardige gebruik van de ruimte door kinderen en jongeren. Een toenemende intolerantie ten opzichte van het geluid van spelende kinderen of ten opzichte van rondhangende jongeren is niet alleen merkbaar bij de bevolking, maar ook bij het beleid. Zo wordt heel wat typerend jongerengedrag nu door de GAS-wetgeving gecriminaliseerd. De publieke ruimte is steeds minder toegankelijk voor bepaalde groepen kinderen en jongeren of voor activiteiten zoals skaten of spelen, en wordt steeds meer gecontroleerd en gereguleerd door camera’s of afsluitingen. Binnen de huidige evolutie naar een risicomaatschappij met een obsessie voor ‘health & safety’ wordt het maken van kampvuren of het klimmen in bomen meer en meer als onverantwoord gepercipieerd. Om risico’s te vermijden voeren overheden – vaak met goede bedoelingen – meer en meer regelgeving in, waardoor op kamp gaan tegenwoordig heel wat administratieve rompslomp met zich meebrengt.
Jeugdig experiment Het gevolg van deze fysieke en mentale barrières is dat kinderen en jongeren steeds minder gebruik (kunnen) maken van de ruimte. Een ruimtelijk beleid dat actief inzet op een meer jeugdgeörienteerde inrichting en organisatie van de
+ ruimte +
ruimte in Vlaanderen is dus dringend nodig. Maar wat betekent dat? Een goed ruimtelijk beleid moet er mee voor zorgen dat kinderen en jongeren in de toekomst voldoende fysieke ruimte hebben om volop jong te zijn. Bovendien moet die ruimte zo georganiseerd zijn dat kinderen en jongeren, ook zij in maatschappelijk kwetsbare situaties, er volwaardig gebruik van kunnen maken. En ten slotte moeten kinderen en jongeren de ruimte zelf mee willen, kunnen en mogen vorm geven. Dit kan enkel door op een duurzame en efficiënte manier om te springen met de beperkte ruimte die we ter beschikking hebben. Daartoe zullen we als Vlamingen compacter moeten gaan wonen, op duurzaam bereikbare plekken en met een grote mix aan voorzieningen. Een goed ruimtelijk beleid en een drastische mentaliteitswijziging zijn hiervoor de noodzakelijke voorwaarden. Tegelijkertijd biedt het delen van en het tijdelijk openstellen van ruimte en infrastructuur voor kinderen, jongeren en hun organisaties heel wat mogelijkheden om plaats te geven aan jeugdig experiment.
Slachtoffers van intolerantie
Jeugdreflex in het beleid Kinderen, jongeren en het jeugdwerk moeten als gebruikers van de ruimte ook worden geraadpleegd over hun
wensen en behoeften. Er wordt vandaag nog te weinig rekening gehouden met hun noden, en jongeren en jeugdorganisaties zijn niet op de hoogte van de ontwikkelingen in planningsprocessen en het ruimtelijk beleid, hoewel deze voor hen van belang zijn. We moeten dus een jeugdreflex creëren bij het ruimtelijk beleid en een ruimtereflex bij jeugd. Een participatief ruimtelijk beleid is daarom van uiterst groot belang. We moeten ervoor zorgen dat kinderen en jongeren kunnen, willen en mogen meepraten over ruimte. Meer zelfs: kinderen en jongeren moeten de ruimte kunnen, willen en mogen mee vorm geven. Dit veronderstelt niet enkel een participatieve aanpak op maat die kinderen en jongeren zin geeft om mee te denken en te ontwerpen, maar ook een omkaderend beleid dat jeugdig initiatief stimuleert in plaats van het te beknotten door een overmaat aan regelgeving of een obsessie voor ‘health & safety’. ×
33 I K RA X +
Een interdisciplinaire, gebiedsgerichte en integrale aanpak is noodzakelijk om de kwaliteit van ruimte op maat van kinderen en jongeren te verhogen. Ruimte op maat van kinderen en jongeren betekent ruimte die compact en kleinschalig is, met een grote mix aan voorzieningen in de onmiddellijke woonomgeving. Groene en speelse ruimte waarin steeds iets te beleven valt. Ruimte waarnaar je je gemakkelijk en veilig te voet, met de fiets en het openbaar vervoer kan verplaatsen. De overheid moet met haar partners ook werken aan een betere sociale organisatie van onze publieke ruimte, zodat kinderen en jongeren volwaardig gebruik kunnen maken van deze publieke ruimte. Vooral jongeren in maatschappelijk kwetsbare situaties, die een belangrijk deel van hun vrije tijd in de openbare ruimte doorbrengen,
zijn het slachtoffer van de toenemende intolerantie. Daarom moeten overheid en burgers bouwen aan een solidaire samenleving waarin de dialoog tussen de verschillende gebruikers versterkt wordt. Dat kan gebeuren door het inzetten van sociale professionals zoals straathoekwerkers of het inrichten van speel- of leefstraten. Bovendien verwachten we van de overheid dat zij investeert in het versterken van het sociale weefsel en de dialoog tussen burgers, in plaats van steeds regulerend of zelfs repressief op te treden bij samenlevingsconflicten in de publieke ruimte – denk maar aan de GAS-boetes. Tegelijkertijd moeten vooroordelen ten opzichte van jongeren (in maatschappelijk kwetsbare situaties) in de publieke ruimte ontkracht worden en moeten zij op een positieve manier in beeld gebracht worden.
+ ruimte + K R AX + I 3 4
“EN MIJN LANG GRAS DAN?”
CREATIEF AAN DE SLAG TIJDENS INSPRAAKSESSIES MET KINDEREN Kaat Schaubroeck, Jorieke Vyncke en Wouter Vanderstede
“Zie, we hebben nog juist genoeg over voor die boomstamschijven!” “En mijn lang gras dan?” “Gras? Gaat gij nu echt uw geld verspillen aan gras?” “Maar daar kunt ge dus wel verstoppertje in spelen!”
Knippen & keuzes maken “Maar Jonas, waarom moeten er nu twéé picknickbanken zijn? Op hoeveel banken kunt ge tegelijk zitten?” “Ah maar ja, da’s een bank om te eten en een om te babbelen.” “Maar dan kunnen we geen eilandje meer kopen. Allez, wie legt er allemaal bij voor een eiland?” “O ja, een eiland, en dan kunnen we daar met een vlot naartoe varen…” “Of over het water slingeren met een slingerboom!” Er gebeurt iets met kinderen – zelfs met die grote van het zesde leerjaar – zodra ze scharen, stiften en lijm in handen krijgen. De hoofden buigen, de concentratie stijgt en tegelijk begint de fantasie op te borrelen. Hoe maak je een donker bos nog donkerder? Hoe geraak je van op een eiland weer aan land? Picto-play maakt net gebruik van die creativiteit: kinderen “knutselen” hun speelweefsel aan de hand van eenvoudige tekeningen, de iconen. Daarvoor gaan ze in groepjes aan de slag met een luchtfoto van de ruimte die aangepakt wordt en met een blad met icoontjes die ze naar hartenlust mogen uitknippen. Bij die icoontjes zitten wat speeltuigen, maar vooral veel landschapselementen. Er zijn speelse dingen als boomstamschijven en beklimbare kunst, waterelementen als plassen en modder, klimbomen, heuvels, wilgenhutten De mogelijkheden zijn divers, maar er is een beperking: aan de toestellen en ingrepen wordt een prijs toegekend, in de vorm van symbolische
muntjes. Modder heb je al voor één muntje, voor een donker bos moet je drie munten neertellen. En als kinderen bijvoorbeeld echt een eiland willen, of bespeelbare kunst, dan kost dat vier muntjes, terwijl ze er elk maar drie hebben gekregen. Dus zullen ze moeten samenleggen voor een gemeenschappelijke droom. Op die manier worden kinderen uitgedaagd om scherpere keuzes te maken, prioriteiten te stellen en zich bewust te worden van de kostprijs van bepaalde ingrepen. Uit hun onderlinge discussies valt veel te leren over de achterliggende ideeën die kinderen laten meespelen in hun keuzes; daar kan je ook zelf op doorvragen. De begeleiders moeten ontgoocheling wel proberen te vermijden. Afhankelijk van de gemeente waar je met picto-play aan de slag gaat, en de pijnpunten en mogelijkheden daar, maak je vooraf al een bewuste selectie in de icoontjes. Wat echt onmogelijk is, wordt niet gebruikt. Maar wat kan helpen om de blik wat te verruimen, hoef je niet a priori te censureren. Dat niet alle dromen in vervulling zullen gaan, is belangrijk om weten voor de deelnemende kinderen. Vertel hen dat dit een aanzet is om met het gemeentebestuur te spreken, en nog geen vast plan. In Bel Air bijvoorbeeld, moet de gemeente op zoek naar een evenwicht tussen cultuur, natuur en spelen, en dat maakt bepaalde ingrepen mogelijk moeilijker. En niet alle gemeenten staan te popelen om een eiland aan te leggen waar je met een vlot naartoe kan…
Tip! Voorzie voldoende tijd voor de verwerking. De picto-play-werkstukken zeggen veel, maar niet alles. Ze hebben duiding nodig en moeten worden aangevuld met wat tijdens het maken gezegd is. Zoek naar overeenkomsten en patronen, zodat je met stevige conclusies naar het beleid kan stappen. Maak eventueel een syntheseschets en zoek naar referentiebeelden die het idee van de iconen concreter maken voor de specifieke ruimte. Probeer bovendien met andere technieken zicht te krijgen op de huidige betekenis van plekken en het huidige ruimtegebruik.
35 I K RA X +
Het is dinsdagochtend, de zon beukt op de ruiten, maar van indommelen is geen sprake in het zesde leerjaar van de basisschool Sint-Joris in Blaasveld. In de klassen van juf Vanessa en meester Michel worden de meningen te vuur en te zwaard verdedigd: over de waarde van gras, maar ook over het nut van twéé klimbomen, over de vraag hoe diep een plas moet zijn, en of beklimbare kunst wel een goede investering is. Nu er een nieuw beheersplan in de steigers staat voor het domein achter het Blaasveldse kasteel Bel Air, is dit hét moment om er ook de speel- en belevingskansen van kinderen te bekijken. In zo’n beheersplan proberen de beleidsverantwoordelijken tot een gezamenlijke ruimtelijke visie op het domein te komen. Daarbij zoeken ze naar evenwichten tussen natuur en recreatie en kunnen ze bijvoorbeeld ook formele speelzones afbakenen. Tijdens een inspraaksessie op school krijgen kinderen daarom de kans om hun mening te geven over hun dorp, over de plekken waar ze het liefst zitten, hoe autonoom ze daar naartoe kunnen, en van welke nieuwe speelplekken ze nog dromen. Zo verwerven de verantwoordelijken een algemeen inzicht in hoe kinderen een dorp ervaren dat aan de
rand van verstedelijkt gebied ligt (“de nevelstad”). Daarnaast moeten de inspraaksessies ook leiden tot concrete beleidsvoorstellen voor het gemeentebestuur. De vraag is dan: hoe loods je kinderen voorbij de clichés? Als ze over speelruimte nadenken, zijn ze “net als volwassenen” al snel gefocust op toestellen. Toch weten we uit onderzoek en ervaring dat een kwaliteitsvolle en speelse publieke ruimte vooral bestaat uit uitdagende landschapselementen. Precies om kinderen voorbij dat klimrek-glijbaandenken te helpen, ontwikkelde Kind & Samenleving picto-play, een methode waarmee kinderen een plek ontwerpen waar ze kunnen klauteren, griezelen, chillen
+ ruimte +
Hoe zorg je ervoor dat een nieuwe speelplek meer wordt dan een verzameling speeltoestellen? En hoe geef je kinderen en jongeren een stem in een nieuw beleidsplan voor speelruimte? Voor de hertekening van een domein in Blaasveld (Willebroek) maakten leerlingen uit de basisschool gebruik van picto-play. De eenvoudige methode, ontwikkeld door Kind & Samenleving, helpt kinderen om hun ruimte vorm te geven én port hen aan tot een stevige discussie over prioriteiten.
+ ruimte +
Alles op z’n plaats
7 gouden tips bij inspraak!
K R AX + I 3 6
Zodra de icoontjes zijn gekozen, moeten ze ook een vaste plaats krijgen op de luchtfoto. Een groepje kinderen beslist om de grasveldjes uit elkaar te leggen (“want dan moeten we niet altijd allemaal samen spelen”), en om de wilgenhut naar diep in het donkere bos te verhuizen (“want beter een donker bos dan een saai bos”). Daarna kunnen de kinderen er van alles en nog wat bij schrijven. Dat maakt de interpretatie achteraf makkelijker en biedt een ontwerper extra informatie. Die kan zich nu laten inspireren door de veelheid van ideeën, maar hij kan ook de meest gekozen iconen selecteren, of de patronen blootleggen (avontuurlijke zone, veel water, chill-hoekjes ). Net die flexibiliteit maakt van picto-play een inspraakinstrument dat kinderen en volwassenen aanport om realistisch te denken, maar tegelijk volop ruimte laat voor fantasie. Kun je zwemmen in een
plas? En kun je eigenlijk een lamp installeren in een wilgenhut? Na een halfuurtje knippen en plakken is het tijd voor de laatste onderhandelingen. Sommige groepjes zitten allang door hun voorraad muntjes heen, andere moeten nog knopen doorhakken. “We nemen er nog een klimboom bij!” “Oesje, dan is er geen geld meer voor een rots.” “Mevrouw, mevrouw, toe, mogen we misschien nog twee muntjes van u?”
Interesse? Je kan de catalogus met picto-playicoontjes en de handleiding gratis downloaden op de website van Kind & Samenleving: www.k-s.be. Picto-play en het project Kinderen en tieners in de nevelstad kwamen tot stand met de steun van de Vlaamse overheid. ----------------------------------------
Kinderen worden uitgedaagd om scherpere keuzes te maken, prioriteiten te stellen en zich bewust te worden van de kostprijs van bepaalde ingrepen.
Bij ontwerpen worden kinderen steeds vaker aan het woord gelaten: dat is belangrijk om een plek te doen wérken, maar het vraagt wel wat oefening. Hoe geef je ze een stem zonder ze te beïnvloeden? Dit zijn alvast een paar tips en tricks.
1 > Kies je moment In een ideaal scenario worden kinderen continu betrokken bij de besluitvorming. Om praktische redenen is dit niet altijd mogelijk, maar twee momenten zijn wel heel belangrijk. Het eerste is helemaal in het begin van het proces, wanneer de ruimte nog wordt geëvalueerd en de noden en behoeften in kaart worden gebracht. Het tweede moment is bij de toetsing van ontwerpschetsen of een eerste echt voorontwerp.
2 > Creëer geen valse hoop Elke bevraging heeft een duidelijke in- en uitleiding nodig, zodat kinderen een goed beeld hebben van de doelstellingen van het project. Schep geen verwachtingen die niet nagekomen kunnen worden. Maak de kinderen duidelijk dat sommige plannen veel tijd vragen, maar dat ze ook hun mening mogen geven voor de kinderen die nu jonger zijn dan zij, kleine broertjes of zusjes, jongere buurkinderen…
3 > Combineer meerdere technieken Elke inspraaktechniek vraagt bepaalde vaardigheden van de deelnemers: bij
+ ruimte +
een kaartoefening moet je goed kunnen ruimtelijk denken, bij groepsgesprekken moet je verbaal sterk zijn, bij een teken- of collage-oefening moet je overweg kunnen (en durven) met teken- en knutselmateriaal. Bouw dus voldoende variatie in, zodat iedereen aan bod kan komen.
4 > Stel jezelf in vraag Het is niet fout om zelf inzichten en ontwerpideeën te ontwikkelen of oplossingen te bedenken waarvan je vermoedt dat ze voor kinderen zinvol kunnen zijn. Beschouw ze wel altijd als hypothetisch: ze moeten de toets bij kinderen kunnen doorstaan. Hypotheses toetsen kan zowel impliciet (bijvoorbeeld: reageren ze er spontaan op of niet?) als expliciet (is dit eigenlijk een goed idee of niet?). Vraag jezelf bij de opbouw van een inspraaksessie voortdurend af of je de kinderen niet in een bepaalde denkrichting stuurt. Stel daarom eerst zo open mogelijke vragen, waarna je verder kan concretiseren.
5 > Let niet alleen op wat ze zeggen
Het gaat over speelweefsel, dus reflecteer niet enkel over plekken. Vergeet de verbindingen, hangplekken en afspreekplaatsen niet! Pols ook eens naar het groter geheel: in welke stad gaan ze winkelen, gaan ze weleens ergens alleen naartoe met de trein…? Dit plaatst de plekken in perspectief.
7 > Breng er sfeer in Als je in een klascontext werkt, maak dan van bij het begin duidelijk dat je er bent om naar hen te luisteren en niet andersom. Creëer een sfeertje waarbij ze luisteren naar elkaar, maar dat spontane reacties zeker toelaat. Hier kan je immers veel uit leren. × ----------------------------------------
De flexibiliteit maakt van picto-play een inspraakinstrument dat kinderen en volwassenen aanport om realistisch te denken, maar tegelijk volop ruimte laat voor fantasie.
37 I K RA X +
Ook non-verbale communicatie kan boekdelen speken. Kinderen reageren vaak direct en heel spontaan wanneer je iets voorstelt: hun enthousiasme, stilzwijgen of gelatenheid vormen een eerste goede indicatie. Grijp die eerste spontane reacties aan om door te vragen. Beperk jouw observaties ook niet alleen tot de formele spreekmomenten. In het onderlinge gefluister van kinderen tijdens de sessie kan je heel wat waardevols horen.
6 > Denk aan de verbindingen
+ opi
+ ruimte +
ni
e +
K R AX + I 3 8
UW AGENT, UW VRIEND?
NAAR EEN POLITIE VOOR IEDEREEN, OOK IN DE OPENBARE RUIMTE!
wetenschappelijk onderzoek. Ze brengen immers geen oplossingen, maar leiden tot nieuwe problemen. Hoe ziet die kwetsende aanpak er dan concreet uit? De politie zoekt naar een groepje jongeren die op enkele pleintjes de openbare orde verstoren. Maar vaak confronteert ze daarbij ook jongeren die de pleintjes gebruiken om te spelenn te sporten of elkaar te ontmoeten. Die jongeren verstoren geenszins de openbare orde. Toch vraagt de politie ook aan hen zich te identificeren. Ze worden in groep met hun handen tegen de muur gezet en vaak ook gefouilleerd. De politie vraagt hun identiteitskaart om na te gaan of de gezochte jongeren zich onder hen bevinden. Hebben ze die niet bij, neemt de politie hen mee naar het politiebureau. De wet op het politieambt staat die aanpak toe. Maar draagt ze echt bij tot een betere ordehandhaving en een aangenamer samenleven? Welke impact heeft zo’n actie op het beeld van de jongeren over de politie? Als de politie zo optreedt, voelen jongeren zich vaak vernederd. Op sommige plaatsen in de stad wordt dit soort acties wekenlang herhaald. Zo stijgt de spanning. Jongeren verafschuwen de gedachte dat de politie hen nog maar eens zal fouilleren, voor het oog van de hele buurt, of dat de politie hen tot in de nachtelijke uurtjes zal vasthouden terwijl ze de volgende dag naar school moeten.
De wet op het politieambt staat die aanpak toe. Maar draagt ze echt bij tot een betere ordehandhaving en aangenamer samenleven?
39 I K RA X +
Die kunnen er van meespreken. Want aan hen vertellen jongeren uit etnisch-culturele minderheden of achtergestelde buurten over hun vaak negatieve contacten met de politie. Op basis van die ervaringen verwijten de jongeren de politie vaak een gebrek aan respect. Ze voelen zich vernederd en dat leidt tot wantrouwen in de politie. Maar het gaat verder: die ervaringen geven hen vaak het gevoel dat ze eigenlijk niet volwaardig deel uitmaken van de bredere samenleving. Dit soort verbanden en de gevolgen van kwetsende ervaringen met politiemensen werd onlangs nog eens onderstreept door de Genste proffen Lieven Pauwels en Brice De Ruyver in hun onderzoek naar de relatie tussen sociale media en extremisme1. Zijn die storende optredens tegen jongeren op publieke plaatsen geĂŻsoleerde acties van enkele politieagenten? Misschien. Maar het is nodig om het debat te verbreden: welke context laat toe dat die agenten niet worden teruggefloten? De keuzes die de politie bij haar beleid maakt of niet maakt in de omgang met jongeren uit minderheidsgroepen, werken averechts, zo bevestigt
+ ruimte +
Na herhaalde klachten van verschillende politieagenten van allochtone afkomst erkende de Antwerpse politietop begin juni 2014 dat er in haar organisatie sprake is van racisme. Eindelijk! Het erkennen van het probleem is de eerste stap naar een adequate aanpak. Goed dat racisme in het korps aandacht krijgt, maar als er al sprake is van interne discriminatie van allochtone collega’s, hoe gaat het politiekorps dan om met de allochtone burger die geen collega is? Stof tot nadenken, ook voor de Antwerpse jeugdwelzijnswerkers.
+ ruimte + K R AX + I 4 0
Het is belangrijk dat er bij de politie meer allochtone agenten komen. Maar dat volstaat niet.
Wat met de aanvankelijke overlast? De enkelingen die daarvoor verantwoordelijk zijn, spelen gretig in op de aandacht die ze krijgen. Politieagenten, die het soms ook niet meer weten, reageren op hun beurt feller dan nodig, en grijpen dan maar naar hun autoriteit om de bovenhand te krijgen, vaak los van vooroordelen of racisme. Of de politie stuurt er een interventieteam op af. En agenten van die interventieteams zijn in de regel niet betrokken bij een buurt en haar sociaal weefsel. Jongeren die geen criminele feiten pleegden, worden uiteindelijk geverbaliseerd of geviseerd omwille van politieacties die niet op hen gericht waren. Die ervaringen delen ze dan met vrienden, broers of zussen. Resultaat: in plaats van tien herrieschoppers zijn er nu als het ware honderd jongeren die een grondige hekel krijgen aan de Antwerpse politie. En bij de politie ontstaat een vertekend beeld over de buurt en de jongeren die er wonen. Gelukkig zien we ook alternatieven. Binnen het Antwerpse politiekorps zijn er agenten en teams die gespecialiseerd zijn in bemiddeling en preventie. Teams die de tijd krijgen om netwerken uit te bouwen in moeilijke buurten en handig optreden als zaken dreigen mis te lopen. Die mensen zijn er op sommige plaatsen in geslaagd het
vertrouwen te winnen van bewoners, jongeren en professionelen op het terrein. Maar hoeveel ruimte krijgen ze binnen het korps? Houdt het korps ook rekening met hun ervaringen en inzichten? Want deze teams bestaan hoofdzakelijk uit agenten van allochtone origine. Het is belangrijk dat er bij de politie meer allochtone agenten komen. Maar dat volstaat niet. Minstens even belangrijk is de manier waarop de politie haar opdracht invult. We hebben geen politie nodig die optreedt zoals in Amerikaanse televisieseries, we hebben politiemensen nodig die tussen de mensen staan. Waarom kan de politie niet wat meer rekening houden met andere actoren die actief zijn op de pleintjes, zoals jeugdwerkers? Waarom brengt het politiekorps de buurtregisseurs van die wijken n op de hoogte van mogelijke spanningen, zodat ook zij de kans krijgen om hun rol te spelen? In het verleden zagen we al dat een samenwerking, waarbij elk handelt vanuit zijn expertise, tot positieve resultaten kan leiden, ook in moeilijke omstandigheden. Je zou politieagenten moeten uitnodigen om in gesprek te gaan met jongeren, weg van de machtsverhoudingen en stress van de straat. Dan geef je beide partijen de kans om met elkaar kennis te maken: met de mens achter het uniform of met de jongens met de schijnbaar grote mond. Langzaam maar zeker, soms met vallen en opstaan, verdwijnen dan de poses aan beide zijden. De jeugdwelzijnswerkers in Antwerpen en elders hopen dat de politie een weloverwogen aanpak kiest om met jongeren om te gaan, jongeren die de openbare ruimte nodig hebben en gebruiken. Ă— 1 http://www.belspo.be/belspo/fedra/ TA/synTA043_nl.pdf.
+ ruimte +
JEUGDHUISBEZOEKERS: EEN PROFIELSCHETS 41 I K RA X +
Wendy Smits, Pieter De Pauw, Bram Spruyt en Hans Vermeersch
+ ruimte +
Jeugdhuizen blijken hun bezoekers vooral te rekruteren bij middenklassejongeren. Dat is slechts een van de conclusies uit een grootschalig onderzoek naar jeugdhuizen in Vlaanderen (De Pauw et al., 2014). Jeugdhuisbezoekers houden minder van de populaire media en hebben een voorkeur voor alternatieve muziek. Hun vrije tijd is sterk georganiseerd en gericht op de publieke ruimte. Hun meer diverse en ruimere sociale netwerken bevorderen burgerschapshoudingen. Hoe verschillen deze jeugdhuisbezoekers van nietjeugdhuisbezoekers in termen van socio-demografische kenmerken, smaken en socio-politieke opvattingen?
Homogene jeugdhuizen
K R AX + I 4 2
Volgens de meest recente cijfers van het JeugdOnderzoeksPlatform bezoekt 8,5 van de jongeren tussen 14 en 30 jaar een jeugdhuis (www.jeugdonderzoeksplatform.be). Nog eens 10,8 procent geeft aan vroeger lid te zijn geweest. Jeugdhuizen bereiken dus ongeveer 20 procent van de Vlaamse jongeren. Verwacht wordt dat jeugdhuisbezoekers geen afspiegeling vormen van de Vlaamse jeugd. Jeugdhuizen zijn
immers verenigingen en onderzoek toont dat nagenoeg bijna alle verenigingen selectief rekruteren. Die tendens heeft verschillende oorzaken. In het algemeen is het zo dat mensen zich vooral goed voelen in situaties met mensen die gelijkenissen vertonen met hun eigen opvattingen, smaken en houdingen. Mensen met dezelfde sociaaldemografische kenmerken leggen, volgens dit principe, dus makkelijker contact met elkaar dan mensen die meer van elkaar verschillen. Daardoor ontwikkelen zij gelijkaardige culturele smaken en voorkeuren en hebben ze ook meer kans om in eenzelfde soort vereniging te belanden. De homogeniteit binnen verenigingen kan zelfversterkend werken en resulteren in boundary work, in cultuuruitingen waardoor ze zich onderscheiden van anderen. Daardoor verhoogt de homogeniteit van verenigingen verder. Anderzijds biedt de specifieke methodische eigenheid van jeugdhuizen, waarbij jongeren zelf het initiatief nemen zonder veel bemoeienissen van volwassenen, toch potentieel om juist een minder selectief publiek aan te trekken. Het is in ieder geval de moeite te onderzoeken welke doelgroepen jeugdhuizen rekruteren, en welke niet. Als sociaal kapitaal wordt beschouwd als een hulpbron, hebben mensen te winnen bij een heterogeen netwerk. Heterogene contacten met anderen via het georganiseerde vrijetijdsaanbod kunnen, ook voor
kwetsbare jongeren, de sociale afstanden tussen verschillende sociale groepen verkleinen. De heterogeniteit van de mensen waarmee je je vrije tijd doorbrengt is hierbij doorslaggevend. Een divers sociaal netwerk zorgt voor ‘overbruggend’ sociaal kapitaal door mensen hulpbronnen aan te reiken waarover zij of hun omgeving niet beschikken. Een sterke culturele identiteit die ingebed is in een ruimere context kan zo bijdragen aan het emotionele en psychische welzijn. Het georganiseerde vrijetijdsaanbod kan op deze manier zo voor kwetsbare jongeren zowel een sociale bekabeling met hulpbronnen als een mobiliteitskanaal zijn. Homogeen samengestelde jeugdhuizen hoeven op zich geen probleem te zijn, maar hun overbruggend potentieel is wel lager dan heterogeen samengestelde netwerken.
Socio-demografisch profiel Jeugdhuizen bereiken vooral jongeren uit de middenklasse, die bij beide ouders wonen en onderwijs volgen in het hoger onderwijs. Jongeren uit het BSO daarentegen zijn sterk ondervertegenwoordigd binnen jeugdhuizen. De niet-schoolgaande jeugdhuisbezoekers hebben vaker een diploma van het hogeschoolonderwijs of zijn op zoek naar werk – ook werkende jongeren zijn ondervertegenwoordigd. Jeugdhuisbezoekers groeien vaker op in een klassiek tweeoudergezin met twee werkende, hogeropgeleide ouders waar men makkelijk rondkomt met het beschikbare inkomen. Ook beschouwen ze zichzelf vaker dan gemiddeld als vrijzinnig of ongelovig en minder vaak als christelijk of katholiek. Jongeren met minstens één ouder van nietBelgische afkomst zijn duidelijk ondervertegenwoordigd, zowel allochtone moslim- als nietmoslimjongeren. Hoe komt het dat jeugdhuizen zo’n selectieve groep van jongeren bereiken? Onder meer de kostprijs en openingsuren vormen drempels.. Het beleid heeft de laatste jaren geprobeerd om die drempels gevoelig te verlagen. Belangrijker wellicht is dat bepaalde jongeren zich niet of minder aangesproken voelen door de jeugdhuiscultuur. Het
+ ruimte +
De media- en muziek voorkeur van jeugdhuisbezoekers vs. gemiddelde Vlaamse jongeren
27% 10% Humo
66% 30% Studio Brussel
5% 13% tv-bladen
JEUGDHUISBEZOEKERS
jeugdhuisgebeuren sluit niet of minder aan bij hun eigen interesses, voorkeuren en smaken. Dat kan de heterogeniteit van jeugdhuizen in de weg staan. De zelfselectiemechanismen en het inspelen van jeugdhuizen op een select publiek leidt op deze manier naar een differentiatie van jeugdhuizen. Dit blijkt ook uit de meer complexe analyses (De Pauw et al., 2014). Die tonen dat de bezoekers van muzikaal homogenere jeugdhuizen tevredener zijn dan bezoekers van jeugdhuizen met een meer diverse muziekvoorkeur. Bovendien blijkt dat als een jongere afwijkt van de gemiddelde muziekvoorkeur, zijn tevredenheid met het jeugdhuis afneemt. Zo krijgt men niet alleen een selecte en muzikaal homogene groep jongeren die heel tevreden is met het jeugdhuis.De kans is ook groot dat nieuwe jeugdhuisactiviteiten, georganiseerd door deze jongeren, overeenstemmen met de smaak van de huidige jeugdhuisbezoekers en minder met die van potentieel nieuwe leden. Muziek is voor vele jeugdhuizen een belangrijke spil om een eigen identiteit rond te bouwen. Precies daardoor wordt vaak ook een culturele drempel gecreëerd ten aanzien van voor jongeren met andere (muziek)smaken.
Minder familietijd
11% 37% Q-music
76% 64% Rock
56% 48% Reggaemuziek
54% 68% Rap/hiphop
56% 60% Popmuziek
GEMIDDELDE VLAAMSE JONGEREN
door een sterke organisatiegraad. Jeugdhuisbezoekers zijn op dit moment gemiddeld van twee verenigingen lid. Dat is dubbel zoveel als het aantal huidige lidmaatschappen van Vlaamse jongeren in het algemeen. Het is waarschijnlijk dat jeugdhuizen jongeren ertoe aanzetten zich te engageren in andere soorten verenigingen. Het hogere engagement van jeugdhuisbezoekers in jeugdwerken sportverenigingen daarentegen is toe te schrijven aan hun gemeenschappelijke typische middenklasse-achtergrondkenmerken. Ook hun vrije tijd buiten het verenigingsleven wordt anders ingevuld in vergelijking met nietjeugdhuisbezoekers. Jeugdhuisbezoekers gaan vaker uit, brengen meer tijd door met vrienden, sms’en vaker met vrienden, doen vaker culturele en creatieve activiteiten en gamen vaker. Gezins- en familiaal gerichte activiteiten en buiten sporten of spelen staan veel minder op hun vrijetijdsagenda. Deze verschillen
blijven bovendien grotendeels bestaan wanneer we rekening houden met de specifieke achtergrondkenmerken van de jeugdhuisbezoekers. Dit maakt het waarschijnlijker dat jeugdhuizen er effectief in slagen jongeren in de publieke ruimte te krijgen en hun sociaal netwerk te vergroten en te diversifiëren. In tegenstelling tot jongeren uit de lagere sociale milieus, zijn jeugdhuisbezoekers veel minder (of niet alleen) aangewezen op hun primaire sociale netwerk. Jeugdhuisbezoekers hebben naast het bindend sociaal kapitaal, dat wordt gegenereerd door het primaire sociale netwerk, ook toegang tot overbruggend sociaal kapitaal, wat de burgerschapsvorming kan bevorderen.
Meer meisjes alsjeblief Jongeren die zich engageren in het jeugdwerk hebben volgens onderzoek sterkere burgerschapshoudingen dan jongeren die geen lid zijn van jeugdwerkverenigingen. Dit geldt ook voor de jeugdhuisbezoekers. Ook na
De vrijetijdsbesteding van jeugdhuisbezoekers vs. gemiddelde Vlaamse jongeren
98% 91% Lid (geweest) van jeugdwerk- en sportverenigingen
68% 34% Lid (geweest) van verenigingen die feesten en festivals organiseren
JEUGDHUISBEZOEKERS
63% 51% Lid (geweest) van hobby-, culturele en sociale verenigingen
19% 14% Lid (geweest) van religieuze verenigingen en verenigingen voor maatschappelijk kwetsbare jongeren
GEMIDDELDE VLAAMSE JONGEREN
43 I K RA X +
Ook de vrijetijdsbesteding van jeugdhuisbezoekers verschilt aanzienlijk van deze van Vlaamse jongeren, ook na controle voor achtergrondkenmerken. De vrijetijdsbesteding van jeugdhuisbezoekers kenmerkt zich
11% 37% tv-bladen
+ ruimte + K R AX + I 4 4
Volgens de meest recente cijfers van het JeugdOnderzoeksPlatform bezoekt 8,5 van de jongeren tussen 14 en 30 jaar een jeugdhuis
controle voor diverse achtergrondkenmerken blijven jeugdhuisbezoekers minder etnocentrisch, minder autoritair, minder voorstander van harde repressie en politiek sterker geĂŻnteresseerd dan Vlaamse jongeren. Vooral hun hogere opleidingsniveau en het culturele kapitaal van de jongeren (opgroeien in een gezin met hogeropgeleide ouders, aantal boeken in huis, tijdschriftenvoorkeur) verklaren deels hun sterkere burgerschapshoudingen. Mochten meisjes en allochtone jongeren beter vertegenwoordigd zijn bij de jeugdhuisbezoekers, dan zouden de burgerschapshoudingen van jeugdhuisbezoekers bovendien nog sterker zijn. Meisjes en allochtone jongeren zijn immers grotere voorstanders van burgerschapshoudingen dan respectievelijk jongens en autochtone jongeren. Het socio-demografische profiel, de vrijetijdsbesteding, smaken en opvattingen tonen overduidelijk dat jeugdhuizen een selectief publiek rekruteren. De centraliteit van muziek, en vooral de voorkeur voor een bepaald genre, speelt daarbij een cruciale rol. Het selectieve publiek van jeugdhuizen is op zichzelf geen probleem, maar het beperkt wel de pedagogische en emanciperende werking van jeugdhuizen. Ă—
Data De profielvergelijking voor dit artikel gebeurde op basis van een onderzoek bij jeugdhuisbezoekers in Vlaanderen en Brussel (De Pauw et al., 2014) en op basis van de JOP-monitor 3 (Bradt et al., 2014), waarin een aselecte steekproef van 14- tot 30-jarige Vlaamse jongeren werd bevraagd (JOP-monitor 3; N=3108). In totaal beschikken we dus over de gegevens van 991 jeugdhuisbezoekers tussen 14 en 30 jaar en 2732 jongeren die niet naar een jeugdhuis gaan.
Bibliografie Bradt, L. et al. (2014). Jongeren in Cijfers en Letters. Bevindingen uit de JOP-monitor 3 en de JOP-schoolmonitor 2013. Leuven: Acco. De Pauw, P. et al. (2014). Jeugdhuizen in Vlaanderen. Een onderzoek bij jeugdhuizen, vrijwilligers en bezoekers. Brussel: Agentschap SociaalCultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen.
stem van
+ ruimte +
re
de jonge
NATALLIA WIL OUDEREN EN JONGEREN LATEN SAMENWONEN Natallia Mastsepan (15) werd in mei verkozen tot ‘Heldin van Later’. De titel werd haar toegekend door jeugdwerkorganisatie Karuur, die meer dan een maand lang jongeren online ideeën liet delen. Om politici te inspireren in de aanloop naar de verkiezingen van 25 mei, en om het Jongerenpact een boost te geven. Toen Natallia het idee van een vriend op Facebook zag passeren, dacht ze: ‘Ha, dat kan ik beter.’ Haar leeftijdsgenoten en de professionele jury waren snel overtuigd. Politici verkozen op 30 april tijdens het slotevent Jong Gewild drie ideeën die politici van alle partijen echt gerealiseerd willen zien. Natallia’s idee ‘retrowonen’ was er één van. “Met ‘retrowonen’ trek ik ten strijde tegen eenzaamheid. Dat is zeker geen gemakkelijk onderwerp, maar ik botste bijna vanzelf op het probleem. Mijn moeder is huisdokter en komt met veel mensen in contact. Van haar hoorde ik dat veel mensen in eenzaamheid leven. Sommige patiënten komen zelfs een uur op voorhand naar hun afspraak om in de wachtzaal met mensen te praten. Op huisbezoek ziet ze vaak oudere mensen in enorme huizen wonen, die voor een groot deel onbewoond geraken. Dat is jammer, zeker omdat er al zo weinig vrije ruimte is in Vlaanderen.”
“Zelf ga ik binnen twee jaar op kot. Dat kost al snel 350 euro, evenveel als wat ik met een studentenjob in de avonden zou verdienen. Door jongeren in ongebruikte delen van iemands huis te laten wonen, blijven de huurprijzen betaalbaar. Maar zo komt er ook meer woonruimte vrij, worden lege panden onderhouden, geraken ouderen uit hun isolement en leren beide generaties van elkaar.” “Voor veel studenten is hun kotleven een tijd van uit de bol gaan en tot de late uurtjes op café hangen. Maar heel wat jongeren zijn ook eenzaam. Ze zitten veel achter hun computer, gaan niet naar de jeugdbeweging. En ze beseffen vaak te laat dat hun eenzaamheid een probleem is. Zelf ben ik niet bang om eenzaam te zijn: je maakt snel vrienden en vindt altijd wel iemand om mee te praten. Maar na een jaar feesten mag het wel weer wat kalmer aan. Bovendien vind ik het gezelliger om met oudere mensen te praten. Je klasgenoten gaan vaak door dezelfde problemen als jij, maar ouderen hebben al veel meer meegemaakt. Daar kan je van leren.” “Toen ik mijn vrienden over retrowonen vertelde, vonden ze het leuk. Ergens tot rust kunnen komen in familiaal verband spreekt hen aan. Op Jong Gewild kreeg Mieke Vogels de kans om ook te reageren. Ze was heel positief en beloofde dat als ze minister zou worden, ze het concept in uitvoering zou brengen. Nu zijn er veel wetten die samenhuizen en onderverhuren tegenwerken. Deze zou zij aanpassen.” “Als een van de winnaars van Helden Van Later kreeg ik een treinticket door Europa. Deze zomer reis ik ermee naar Parijs. Daar bezoek ik een project dat jongeren en ouderen samenbrengt en doe er een interview met de oprichter. Ook in Brussel ga ik bij een gelijkaardig project op bezoek. Hopelijk worden zij mee geïnspireerd door mijn mening.” ×
45 I K RA X +
“Met mijn idee wil ik niet alleen eenzaamheid tegengaan, maar ook het taboe doorbreken. Wie eenzaam is, kan dat vaak niet zelf oplossen. Ik bedacht verschillende ideeën om eenzaamheid te voorkomen, en stopte ze in één ‘plan tegen eenzaamheid’. De overheid zou oudere mensen moeten aansporen om jongeren met hen te laten samenwonen, bijvoorbeeld door ze een kleine geldsom te geven. Ik doopte dit idee ‘retrowonen’. Ook kunnen we naar Scandinavisch model burenetentjes organiseren. ‘Neighbour dining’ lijkt op Komen Eten, maar dan zonder geldprijzen: mensen uit de buurt spreken af om voor elkaar te koken en samen te eten. Ook kinderen moeten al in de lagere school meer met elkaar in contact komen, bijvoorbeeld door wekelijks een spel te spelen met alle klassen door
elkaar. En een cursus internetgebruik voor oudere mensen kan het contact met verre familieleden ook verbeteren.”
+ werk +
ONGEKWALIFICEERDE UITSTROOM IN STEDEN BLIJFT HOOG K R AX + I 4 6
Patrick Manghelinckx
de studiedag (Om)wegen naar Werk de koppen bij mekaar om het te hebben over de stedelijke jeugdwerkloosheid. De dag leek wel een crossoverfestival. Professionals uit diverse sectoren namen deel aan 28 workshops, sofagesprekken, presentaties van een kwartier en debatten. Vooral mensen uit de opleidingssector, arbeidsbemiddelingsdiensten (waaronder ruim 30 VDABmedewerkers), steden en gemeenten en het onderwijs brachten verschillende inzichten en invalshoeken bij elkaar.
De stad wordt groter, groen en gekleurder
Structurele jeugdwerkloosheid in Vlaamse steden en mijnstreek Tussen 26 en 29% van de jongeren1 is werkloos in onze steden. Vooral in Gent en Antwerpen zijn de werkloosheidscijfers de laatste jaren fors gestegen als gevolg van de crisis, sinds 2008 respectievelijk van 18% naar 26% en van 19% naar 28%. Brussel kent al jaren een historisch hoge werkloosheid onder jongeren, maar het cijfer zakte in 2014 – gedeeltelijk dankzij de activeringspolitiek van Actiris – onder de dertig procent2. De jongeren uit de statistieken zijn laaggeschoold, vaak van allochtone afkomst en langdurig werkloos. In een notendop blijkt de jeugdwerkloosheid in Vlaanderen een structureel fenomeen in de steden, het Brussels Gewest en de Limburgse mijnstreek. Een van de voornaamste oorzaken is de mismatch tussen vraag en aanbod. Te veel jongeren beschikken niet over de juiste competenties en kwalificaties om te voldoen aan de verwachtingen van een veeleisende arbeidsmarkt. Onderwijscijfers laten niets aan onduidelijkheid over. De schoolse vertraging in de steden is hoog. In Antwerpen heeft meer dan de helft van de jongeren een jaar of meer schoolse vertraging in het eerste jaar van het secundair onderwijs. 1 op de 5 jongeren (1 op de 4 jongens) verlaat in Brussel het onderwijs zonder diploma, tegenover respectievelijk 1 op de 11 (en 1 op de 10) in Vlaanderen. Andere cijfers tonen aan dat vooral in de steden de schoolloopbaan van jongeren grondig verkeerd loopt. Het is niet verwonderlijk dat deze jongeren – vaak van allochtone afkomst – in een precaire positie op de arbeidsmarkt komen. Het is dan ook van het allergrootste belang dat de ongekwalificeerde uitstroom daalt. Volgens een recent rapport van de VDAB is dit voor de eerste keer gebeurd, maar het is nog te vroeg om te kunnen spreken van een tendens.3 De jeugdwerkloosheid gaat over de leeftijdscategorie 18-25 jaar. 2 In juni 2014 is de jeugdwerkloosheid gezakt tot 26,6%. 3 27ste studie over werkzoekende schoolverlaters in Vlaanderen, 2014 (VDAB). 1
Vooral in Gent en Antwerpen zijn de werkloosheidcijfers de laatste jaren fors gestegen als gevolg van de crisis. Ondanks deze positieve signalen moeten we alert blijven. De cijfers met betrekking tot ongekwalificeerde uitstroom en jeugdwerkloosheid in de steden blijven hoog – en beide zijn gerelateerd. Als men bovendien deze cijfers tegen het licht van een groeiende en verjongende stad houdt, weten we dat er in de eerste plaats voor het onderwijs een gigantische uitdaging ligt te wachten.
Wat hebben we geleerd? Organisaties zoals JES zijn actief in het begeleiden, coachen, vormen en opleiden van de jonge stedelijke werklozen. Inzichten en ervaringen werden vanuit deze praktijken op de studiedag toegelicht en besproken. Uit de analyses en reflecties kwamen enkele conclusies en tendensen naar boven.
47 I K RA X +
We weten al een aantal jaren dat onze steden groeien. In 2020 zal Brussel ongeveer 1,2 miljoen inwoners tellen. Maar gelijkaardige groeiperspectieven dienen zich ook aan in Antwerpen en – in mindere mate – Gent. Een van de segmenten waarbinnen de huidige groei zich situeert is dat van de -11-jarigen. We zien in de drie steden een behoorlijke toename van deze bevolkingsgroep. We horen de echo’s van deze groei in het kleuteren lager onderwijs en in de (buitenschoolse) kinderopvang. Deze groei zal zich de komende tien jaar doorzetten in het secundair onderwijs. Het grootste aandeel van de groei van deze steden situeert zich bij de allochtone bevolking. Dat stelt ons als samenleving voor heel wat uitdagingen. Hoe geven we al die referentiekaders een plaats in onze samenleving? En hoe laten we toe dat deze referentiekaders het onze mee beïnvloeden en bepalen? Hoe verhouden superdiversiteit en pluralisme zich tot elkaar? Het debat staat voor alle actoren in ons land voor de deur.
+ werk +
370 aanwezigen staken tijdens
+ werk +
1 Geef laaggeschoolde jongeren tijd
K R AX + I 4 8
IPOP, een coachingproject van jongeren in het deeltijds onderwijs, heeft aangetoond dat samenwerking mogelijk is.
Het lijkt, althans voor ons, een open deur intrappen. Kwetsbare jongeren die laag of ongeschoold zijn, vragen tijd, zorg en ondersteuning. En op het gepaste moment een duw in de rug. Voor sommige jongeren is het een lange weg vooraleer ze op een duurzame manier kunnen deelnemen aan het arbeidsproces. Het vraagt van de begeleiding veel inzet om een vertrouwensrelatie op te bouwen, jongeren te motiveren, met hen op zoek te gaan naar talenten waarover ze ongetwijfeld beschikken, hen die talenten en competenties doen inzien, en er vervolgens mee aan de slag te gaan. Sommige jongeren, zo blijkt uit de ACB-publicatie4 van JES, worden vijf jaar begeleid. Zelfs eens ze aan de slag zijn, vallen sommigen terug op hun coach of begeleider. Activering zonder lange en intensieve begeleiding is in dit geval zinloos.
2 Omarm ook de restgroep Sommige jongeren met een zeer problematische achtergrond zullen andere modellen en initiatieven nodig hebben dan de begeleiding naar de reguliere arbeidsmarkt. Sommigen zullen er nog moeilijk een plaats in kunnen verwerven. Andere vormen van 4 Tussen straat en loket, een publicatie over vijf jaar arbeidscompetentiebegeleiding in Antwerpse jongerencompetentiecentra, JES vzw 2014.
arbeidsorganisatie zijn (meer) nodig: tewerk-stelling met omkadering, met zorg, coaching en begeleiding, waar productiviteit niet voorop staat. Van arbeidsmarkt tot arbeidszorg, niet lineair maar in een en/en-benadering.
3 Op het ronde punt van informeel, non-formeel en formeel leren Werken op het kruispunt van vrije tijd en arbeidsmarkt/onderwijs, waarbij competentieherkenning en -ontwikkeling centraal staat, is zeer doeltreffend voor jongeren. Het geeft ze ontwikkelingskansen die ze elders niet kregen of waarvan ze geen gebruik hebben gemaakt. Voorwaarde is wel dat informeel, non-formeel en formeel leren daar waar het kan en het wenselijk is op elkaar aansluiten.
En wat met het jeugdwerk? Laat in de eerste plaats jeugdwerk goed jeugdwerk zijn: interessante, informele ontmoetingsplaatsen waar een divers jong publiek, meer dan vandaag, met elkaar in dialoog en in relatie gaat, waar jongeren samen hun dromen en projecten realiseren. En op deze wijze veel leren door ervaring en van elkaar. Enkele door de Vlaamse Overheid erkende jeugdorganisaties hebben een ge誰ntegreerde werking, waarbij domeinen als onderwijs en arbeidsmarkt onderdeel uitmaken van hun werking. Naast JES gaat het onder
+ werk +
meer om Groep Intro, Arktos, en LEJO. Het project IPOP, een coachingproject van jongeren in het deeltijds onderwijs, heeft aangetoond dat samenwerking mogelijk is. Laten we dat onthouden. De sector van de WMKJ’s zal wel zijn eigen weg zoeken. De verscheidenheid is er groot, wat een troef is, en de ene organisatie zal al meer met deze thematiek bezig zijn dan de andere. We komen elkaar wel eens tegen om gezamenlijke posities in te nemen (zie de onderwijsnota) of samenwerkingen aan te gaan. Deze kunnen de positie van het jeugdwerk in het debat over werk en onderwijs verbeteren.
Geen eindpunt, maar een ijkpunt
Een – onvolledige – lijst van aanbevelingen: > Er moet absoluut werk worden gemaakt van ondersteuning, coaching en intervisie van werkgevers die kort- of ongeschoolde jongeren (willen) tewerkstellen. Dit is een vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen die meer waardering en ondersteuning verdient. > Er wordt veel gemeten, soms te veel. Maar vooral: er wordt te beperkt en te eenzijdig op kwantitatieve gegevens gemeten. Willen we meer leren, dan zullen we anders moeten meten. Er is nood aan meer inzicht in de profielen van de ongekwalificeerde jongeren, en in de verscheidenheid ervan. JES begon reeds met een interne oefening, en we willen erop verder werken met behulp van anderen. > Er is nood aan verdere evaluatie van de begeleidingsaanpak binnen bestaande projecten (zoals de werkinlevingsateliers) en van 5 De externe reflectiegroep bestond uit JES-medewerkers en vertegenwoordigers van de VDAB, Actiris, de steden Gent en Antwerpen, Tracé Brussel, het ESF-agentschap en de Europese Commissie, ABVV en ACV, Unizo en Voka, de Stichting P&V en De Ambrassade.
criteria waarop deze aanbestedingen worden uitgeschreven. JES reikt hier de hand aan het ESFagentschap, dat al met deze oefening, of althans een gedeelte ervan, is begonnen. We moeten echter ook grondig nadenken over de evaluatie van de verschillende projecten, maar gekoppeld aan de profielen die organisaties en/of projecten doorgestuurd krijgen van de VDAB. > We zullen moeten blijven inzetten op experimenten en projecten die dicht in de leefwereld van jongeren kruipen. Dit gecombineerd met alternatieve vormen van leren die zich meer in het jeugdwerk hebben ontwikkeld. En omwille van de krachtige uitkomst van informeel en non-formeel leren dit leren inzetten in formele leercontexten. ×
49 I K RA X +
Het is ook voor JES duidelijk dat de voorbije studiedag geen eindpunt maar een ijkpunt is in een langer traject. Gezien de groei en verjonging van de steden, en de kwetsbare positie van laag- en ongeschoolde jongeren op de arbeidsmarkt, zal de structurele jeugdwerkloosheid een uitdaging zijn voor minstens de komende tien jaar. De opkomst tijdens de studiedag, de interesse en de positieve reacties van het publiek versterken onze ambitie om er een langdurig traject van te maken. Ook uitspraken van beleidsmensen getuigen van interesse over de uitkomst van de studiedag en de toekomst van het traject. In het najaar van 2014 komt de reflectiegroep5 opnieuw samen.
Naast een terugblik en een evaluatie kijken we toch vooral uit naar de toekomst en mogelijke werven om aan te pakken.
+ werk +
“JONGEREN VERDRINKEN IN INFORMATIESTROOM OVER DE ARBEIDSMARKT”
K R AX + I 5 0
Vier kernmissies, acht projecten en dat voor acht jaar. Sinds 2014 werkt De Ambrassade met een inhoudelijk kompas dat de organisatie oriënteert in het maken van keuzes in de thema’s, projecten en acties die ze uitdiept. Een van de gekozen kernmissies van het kompas is ‘duurzaam en kwaliteitsvol werk’. Een van de projecten richt zich specifiek op jongereninformatie over de arbeidsmarkt. Krax+ sprak met projectmedewerker Jo Van de Walle. Krax+ • De Ambrassade kiest voor het eerst voor het thema ‘werk’. Kunnen we dit wijten aan de huidige werkloosheidscrisis bij jongeren? Jo Van de Walle • Ons inhoudelijk kader werd mee bepaald door onze doelgroepen. Uit verschillende participatieve trajecten van de Vlaamse Jeugdraad en uit signalen van de
jeugdsector blijkt dat jongeren zich onvoldoende geïnformeerd voelen over het thema werk. Dat is nochtans een belangrijke voorwaarde in tijden waar jobs niet voor het rapen liggen en jongeren zich al vroeg moeten voorbereiden op hun sprong van de schoolbank naar de arbeidsmarkt. Krax+ • Bestaan er dan niet genoeg andere informatiebronnen over het onderwerp? Jo • Er zijn er net ontzettend veel! Maar vaak zijn deze te weinig gekend bij jongeren. Werkzoekende jongeren geven aan soms te verdrinken in de informatiestroom die ze moeten verwerken. Er is een overload aan info die vaak niet overzichtelijk en niet op elkaar afgestemd is. Een betere informatiearchitectuur en samenwerking is broodnodig om te komen tot een kwaliteitsvol informatieaanbod. Nu zijn er ook nog te grote verschillen in kwaliteit, inhoud en toegankelijkheid van informatieproducten.
+ werk +
Krax+ • Voorlichting over de arbeidsmarkt kan nochtans al deels binnen de schooltijd gegeven worden. Jo • Hoe jongeren op school geïnformeerd worden, hangt vaak af van de goodwill van de leerkracht. Er is geen structurele inbedding van vorming en info over de arbeidsmarkt. Toch zien jongeren het als zinvol om reeds vanop de schoolbank in contact te komen met diensten als VDAB, vakbonden of werkgevers. Krax+ • Willen jullie hier als organisatie zelf verandering in brengen? Jo • Met dit project neemt De Ambrassade mee de verantwoordelijkheid op om jeugdwerkloosheid aan te pakken. We vertrekken vanuit onze kernmissies en doen waar we goed in zijn. De Ambrassade wil in de eerste plaats de toegang van jongeren tot duurzaam en kwaliteitsvol werk vergroten. Dit doen we door hen inspraak te geven in het informatieaanbod rond werk en door kwaliteitsvolle informatie te bundelen over alle aspecten van de arbeidsmarkt. Maar we kunnen dit niet alleen. We streven naar een platform dat het onderwijs, organisaties uit het jeugdwerk, informatieverstrekkers en arbeidsmarktactoren met elkaar kan verbinden in het bereiken van een gezamenlijke doelstelling. Het mandaat ligt volledig bij dit netwerk, terwijl De Ambrassade het proces faciliteert en in goede banen leidt. Krax+ • Hoe ziet die samenwerking met het onderwijs er volgens jou uit? Jo • Binnen de schoolse context geloven we in een duidelijk onderwijspakket over het thema werk. Wij spelen hierbij graag in op de initiatieven die reeds genomen worden door de verschillende arbeidsmarktactoren. Zelf zijn we geen expert in de arbeidsmarkt. We hebben een luik ‘werk’ op onze website jongerengids.be en een geven enkele folders uit rond het thema werk, maar ook daar dienen we voor onze input te rekenen op vruchtbare samenwerkingen met expertorganisaties. Wel kunnen wij als bovenbouworganisatie bijvoorbeeld diensten voor arbeidsbemiddeling begeleiden bij het ontwikkelen van hun informatieproducten en opzetten van participatieprocessen. Krax+ • Kan jeugdwerk ook een rol spelen in het informeren van jongeren over werk? Jo • Zeker! We merken dat vooral maatschappelijk kwetsbare doelgroepen verloren lopen op de arbeidsmarkt. Voor hen is een job zoeken slechts een onderdeel van een complexere problematiek. Toegankelijke, op maat gemaakte en gerichte informatie is dus een must. Hierbij mogen we de informatierol van jeugdwerkers niet onderschatten. Zij hebben vaak een andere band met de jongeren en kunnen zo een waardevolle intermediair zijn. Jeugdwerkers moeten dan ook de nodige ondersteuning en informatietools aangereikt krijgen om hiermee aan de slag te gaan.
51 I K RA X +
Krax+ • Kwaliteitsvolle informatie over de arbeidsmarkt aanbieden, is dus niet vanzelfsprekend. De veelheid aan betrokken partners, de diversiteit aan informatienoden, de complexiteit van verschillende organisaties en de abstractie van het woord ‘kwaliteitsvolle informatie’, maken het voor ons niet gemakkelijk. Een constante zoektocht naar een zinvolle en gerichte manier om partners bijeen te brengen is een heuse uitdaging. Want iedereen voelt dat er dringend iets moet gebeuren. Wat en met wie, is moeilijker te bepalen. We omringen ons graag met partners die enthousiast en gedreven zijn om samen te komen tot concreet resultaat. ×
Jeugdwerkers kunnen maatschappelijk kwetsbare jongeren beter informeren.
+ werk + K R AX + I 5 2
BRUSSELSE JONGEREN LEVEN ZONDER WERK Peter Casteels (Apache)
Het Brusselse gewest heeft al jaren te kampen met de hoogste werkloosheidscijfers in België. Bij Actiris, de Brusselse pendant van de VDAB, stonden eind april 124.000 werkzoekenden ingeschreven, voor iets meer dan 5.000 vacatures. Voor jongeren lopen de werkloosheidscijfers, zoals overal in Europa sinds de economische crisis in 2008 uitbrak, nog hoger op: in mei was 27 procent van de Brusselse jeugd op zoek naar werk. Dat is al heel wat minder dan een jaar geleden, maar het cijfer ligt nog steeds bijna 20 procent hoger dan het gemiddelde voor alle Belgen. Dat is des te pijnlijker omdat jongeren die na hun schooljaren een lange periode zonder werk zitten, de gevolgen daarvan voor de rest van hun carrière zullen blijven voelen.
Wanhopige verhalen
Krax+ • Wat zijn de grootste hindernissen? Coopman • “Er is gewoon geen werk. Als er zich voor één jobaanbieding honderden mensen aanbieden, worden er heel veel hindernissen opgeworpen vooraleer iemand zelf nog maar in aanmerking komt om een sollicitatiegesprek te krijgen. Iedereen die een kans wil maken moet in Brussel tweetalig zijn, er wordt bijna altijd om ervaring gevraagd – wat voor veel jongeren uiteraard onmogelijk is – en vaak verlangt men ook een universitair bachelordiploma. Zo raken jongeren niet aan de bak: er is altijd wel iemand anders met tien jaar ervaring.” Krax+ • Kwam discriminatie ook terug in de gesprekken? Coopman • “Daar is moeilijk de vinger op te leggen. Er zijn jongeren die aangeven dat ze daardoor niet vooruit geraken op de arbeidsmarkt, maar er zijn er evengoed die het beschouwen als de zoveelste drempel voor een baan. Naast al die andere criteria, komt dat er ook nog eens bij.”
Tien jaar crisis Krax+ • Jullie beweerden dat stages en opleidingen weinig zoden aan de dijk zetten. Helpt dat dan helemaal niets? Coopman • “Het helpt jongeren individueel vooruit. Met een stage doen ze ervaring op, maar uiteindelijk is dat maar één lijntje dat ze op hun cv kunnen bijschrijven. Na zo een periode ziet de arbeidsmarkt er nog helemaal hetzelfde uit, en moeten ze het opnemen tegen duizenden andere gegadigden.” Krax+ • De programma’s die de overheid opzet om jongeren te begeleiden zijn zinloos? Coopman • “Als het echt over intensieve begeleiding gaat, wat ervoor
We zullen echt met andere oplossingen moeten komen. zorgt dat jongeren ook effectief aan een job geraken, is het uiteraard niet zinloos. Daarmee raken ze vooruit. Maar al bij al gaat dat vaak maar om enkele honderden plaatsen. Het zijn altijd kleinschalige initiatieven die veel te weinig jongeren helpen. Dat is geen oplossing voor het probleem.” “Jongeren activeren als er helemaal geen werk is, heeft weinig zin” Krax+ • Is er eigenlijk een oplossing? Zolang de crisis blijft duren, komen er geen banen bij. Coopman • “Arbeidsmarktspecialist Jan Denys beweert dat de crisis nog tien jaar kan duren. Moeten we echt nog zo lang wachten tot jongeren weer kans maken op een job?” Krax+ • Zeg het maar. Coopman • “Het is net die vraag die we willen opwerpen met deze enquête. Zelfs als er tienduizend jobs in Brussel worden gecreëerd, is het probleem niet opgelost. En toch willen veel jongeren vandaag een stabiel leven opbouwen. Hoe kan dat zonder de garantie op een vast arbeidscontract. Is het mogelijk om een goed leven te leiden zonder een goede baan? Dat bleek een heel moeilijke discussie te zijn, maar die moeten we aangaan. En liefst ook zonder opgejaagd te worden door de samenleving. Jongeren gaan op zoek naar alternatieven. Ze trekken soms terug in bij hun ouders omdat ze niet alleen kunnen wonen, maar dat kan niet het enige perspectief zijn.” Krax+ • Het korten van de uitkeringen is in jullie ogen misschien geen goed idee. Coopman • “Ik krijg daar rillingen van. Het gaat altijd over activeren: werklozen en jongeren moeten worden geactiveerd tot ze werk vinden. Maar er is helemaal geen werk. Ze houden daar jongeren gewoon mee bezig om ze bezig te houden. Dat heeft weinig zin. We zullen echt met andere oplossingen moeten komen.” ×
53 I K RA X +
De KAj sprak de afgelopen twee jaar met ongeveer vijfhonderd jongeren die ze troffen aan interim-kantoren en Actiris, en noteerde hun getuigenissen. Ze wilden een beeld krijgen van hoe jeugdwerkloosheid aanvoelt, en wat de grootste moeilijkheden zijn waar jongeren zonder werk mee te maken krijgen. “We hebben veel wanhopige verhalen gehoord,” vertelt Joke Coopman van de KAJ. “Jongeren solliciteren en solliciteren maar, en krijgen vaak zelfs geen antwoord meer. We spraken met mensen die na een jaar nog geen enkel sollicitatiegesprek hadden gekregen. Ze gaan langs interim-kantoren, en krijgen daar vaak te horen dat er geen enkele vacature voor hen is.” “Maar zelfs wie het geluk heeft werk te vinden, moet blijven uitkijken. Tegenwoordig gaat het heel vaak over vervangingscontracten voor een korte
tijd, of interim-contracten. We hoorden verhalen van mensen die worden ontslagen, net voor de proeftijd is afgelopen. En dat geldt niet enkel voor laagopgeleiden. Zelfs jongeren met een opleiding waarvan je zou denken dat ze er snel werk mee vinden, zoals elektriciens, moeten eindeloos op zoek.” “Uiteindelijk is een stage ook maar één lijntje dat jongeren aan hun cv kunnen toevoegen.”
+ werk +
De voorbije twee jaar sprak de Brusselse afdeling van de Katholieke Arbeidersjongeren met meer dan vijfhonderd jongeren die op zoek zijn naar een baan. De resultaten daarvan werden recent voorgesteld. “Jongeren moeten een toekomst opbouwen zonder de zekerheid van een vaste baan,” is de sombere conclusie.
stem van
+ werk +
re
de jonge
K R AX + I 5 4
LOTTA WIL EEN ARBEIDSMARKT OP MENSENMAAT
“Werkloosheid is meer dan geen werk hebben, het heeft ook een enorme invloed op je gezondheid. Het heeft een heel psychologische weerslag en kost ook de staat en de Europese instanties bakken geld. Mijn werkzoekende vrienden horen steeds het verwijt dat jongeren niet willen werken. We zouden niets liever doen! We willen graag werken, maar niet op eender welke voorwaarde. Om de juiste keuzes te kunnen maken, willen we meer informatie over alle mogelijkheden na én tijdens het middelbaar. Informatie over de verschillende soorten schoolloopbanen, buitenlandse ervaringen, verder studeren en overleven op de arbeidsmarkt moeten we krijgen vanaf het vierde middelbaar. Niemand kan ontkennen dat de keuze van je opleiding en van job belangrijk is, toch? Geef deze keuze dan ook de tijd en de kwaliteit die ze verdient – ook hokjesdenken helpt ons niet vooruit. Geef aandacht aan wat de jongere denkt en voelt.”
Feedback na sollicitatie
dat je op elke job binnen de vijftig kilometer zou moeten reageren. Ik heb zelf ook geen rijbewijs en zou er waarschijnlijk al niet geraken. De wetgeving zou aangepast moeten worden. Denk aan de werknemer, aan zíjn leven en zijn gezondheid, wanneer de lobbygroepen om een versoepeling van regels voor werkgevers vragen. Wat mensen zoeken in werk is niet hun maandelijkse loonbrief, maar voldoening, het gevoel dat je iets kan betekenen in de maatschappij. De arbeidsmarkt moet op mensenmaat worden ontworpen, of je kan die meerwaarde nooit creëren. Werknemers en werkzoekenden moeten ondersteund worden in hun groei in deze bizarre wereld, door feedback na elke sollicitatie, opties om ieders talent en potentieel volledig te benutten en duurzame, kwaliteitsvolle jobs.”
Opgedane competenties “Ja, jongeren kunnen ook wat. We hebben nieuwe, toffe ideeën en willen die tot uitvoer brengen. We communiceren doelgroepgericht, zijn technologische duizendpoten, multitasken en organiseren goed. Maar werkgevers kijken nog te veel naar de papiertjes die we verzameld hebben of net niet; iemand die zich keihard als vrijwilliger heeft ingezet in een rusthuis wordt niet erkend. Toch kan je de meeste van de vaardigheden die je op de werkvloer nodig hebt gewoonweg niet op papier schrijven en al zeker niet op school leren. Ook grote instanties als de Vlaamse Overheid denken nog in
“Wat mensen zoeken in werk is niet hun maandelijkse loonbrief, maar voldoening, het gevoel dat je iets kan betekenen in de maatschappij.” hokjes. Heb je een middelbaar diploma? Dan verdien je zoveel. Heb je een hoger diploma? Dan krijg je net iets meer. In zo’n systemen is er geen millimeter ruimte voor een bijkomende opleiding die niet officieel geregistreerd staat of voor opgedane competenties. In modernere sectoren als ICT wordt er wel met ervaring rekening gehouden. Belangrijke instanties mogen deze vernieuwing niet aan zich voorbij laten gaan, maar moeten net een trekkende rol spelen in de mentaliteitswijziging.” ×
55 I K RA X +
“Veel mensen studeren af en weten absoluut niet hoe de arbeidsmarkt in elkaar zit. Je moet soms wekenlang wachten op antwoorden of raakt verzeild in een spiraal van slechte interimjobs. Wie kan er nog een kwaliteitsvol leven leiden als je plots telefoon krijgt dat je een uur later toch moet gaan werken? Het is niet redelijk
+ werk +
Lotta Coenen (20) sprak op 30 april voor een overvol halfrond in het Vlaams Parlement. Haar speech was de apotheose van drie maanden lang nadenken over actuele (jongeren)thema’s in het verkiezingstraject De Schoonmoeder aller Verkiezingen. Zelf studeert ze geneeskunde, een opleiding met mooie vooruitzichten op een stabiele baan, maar toch ging haar pleidooi over duurzame jobs voor jongeren. Want iedereen heeft Recht-Op een arbeidsmarkt op mensenmaat, vindt ze.
V.U.: Eva Vereecke | Leopoldstraat 25 | 1000 Brussel
ABONNEMENTEN Krax+ verschijnt drie maal per jaar. Een abonnement op Krax+ is gratis. Wil je het magazine ontvangen, je abonnement stopzetten of je persoonsgegevens wijzigen? Surf naar www.kraxplus.be voor meer informatie. Het overnemen van artikels uit Krax+ is toegelaten mits de bron volledig wordt vermeld. Krax+ is solventvrij gedrukt op 100% gerecycleerd papier, met inkten op vegetale basis.