Skip to main content

PM_Magazine_2026_2

Page 1

En hoe blijft de onderneming ook op langere termijn financieel gezond? Pas wanneer deze vragen zijn beantwoord, krijgt de financiering de plaats die zij verdient: als onderdeel van het totaalplan. Leren van ondernemers die dezelfde route al hebben afgelegd Misschien wel de meest waardevolle lessen komen niet uit bouwtekeningen of begrotingen, maar uit gesprekken met collega’s. Vrijwel iedere praktijkhouder die een praktijk heeft ontwikkeld, kijkt achteraf met nieuwe inzichten naar het proces. Niet omdat keuzes verkeerd waren, maar omdat ervaring nu eenmaal nieuwe perspectieven biedt. Juist die praktijkervaring helpt andere ondernemers om beter voorbereid aan hun eigen traject te beginnen. Daarom groeit ook de behoefte aan bijeenkomsten waarin praktijkhouders niet alleen eindresultaten laten zien, maar vooral vertellen welke afwegingen zij onderweg hebben gemaakt. Vooruitkijken loont Een praktijk ontwikkelen behoort voor veel tandartsen en orthodontisten tot de grootste ondernemingsbeslissingen in hun loopbaan. Het is een investering die verder reikt dan stenen, installaties of behandelkamers. De keuzes die vandaag worden gemaakt, bepalen jarenlang hoe prettig een team samenwerkt, hoe efficiënt processen verlopen en hoe patiënten de praktijk ervaren. Wie de tijd neemt om eerst de juiste vragen te stellen, verschillende deskundigheden samenbrengt en leert van de ervaringen van collega’s, vergroot de kans op een praktijk die niet alleen voldoet aan de wensen van vandaag, maar ook klaar is voor de toekomst. Daarmee is praktijkontwikkeling uiteindelijk geen bouwproject. Het is een investering in de praktijk van morgen.

De praktijkmanager wordt volwassen Valesca Nederlof 6 vragen vóór de eerste schets

Arjan Wijnands CFP® is sectorspecialist Mondzorg bij ABN AMRO. Hij begeleidt tandartsen, orthodontisten en andere mondzorgondernemers bij vraagstukken rondom praktijkovername, financiering, groei en praktijkontwikkeling. Vanuit zijn dagelijkse praktijk spreekt hij met ondernemers in verschillende fasen van hun ondernemerschap en ziet hij welke keuzes bijdragen aan een toekomstbestendige praktijk.

Praktijkontwikkeling; investeren in de praktijk van morgen

6

verrassende voordelen van ergonomietraining

september | 2026

Vakblad voor praktijkmanagers in de mondzorg

No13

Voordat de eerste bouwtekening wordt gemaakt, is het verstandig stil te staan bij de volgende vragen: • Past de huidige locatie nog bij de ambities van de praktijk? • Ontwerp ik een praktijk voor vandaag of voor de komende tien tot vijftien jaar? • Is de routing logisch voor zowel patiënten als medewerkers? • Biedt de praktijk voldoende ruimte voor toekomstige groei? Arjan Wijnands • Sluit de investering aan bij de langetermijnstrategie van de onderneming? • Welke expertise heb ik nodig om alle aspecten van het traject goed te beoordelen?


Hét Event voor de Praktijkmanager 9 april 2027 R-code Scan de Q informatie voor meer en en aanmeld

www.dentalbestpractice.nl


Blijven bewegen Een praktijk staat nooit stil. Patiënten veranderen, teams ontwikkelen zich, nieuwe technieken vinden hun weg naar de behandelkamer en ook de rol van de praktijkmanager blijft groeien. Wat ooit vooral een organiserende functie was, is inmiddels uitgegroeid tot een belangrijke spil binnen de praktijk. En juist daarom is het soms goed om even uit de waan van de dag te stappen. Om niet alleen te kijken naar wat er vandaag geregeld moet worden, maar ook naar wat de praktijk van morgen nodig heeft. In deze editie nemen verschillende experts je daarin mee. Dyonne Broers vertelt over lachgassedatie in de mondzorg, terwijl Fridus van der Weijden en Davy Chong ingaan op het belang van patiëntgerapporteerde uitkomsten binnen de parodontale en implantologische zorg.

“Een sterke praktijk ontstaat niet vanzelf. Het vraagt om aandacht voor mensen, ontwikkeling, keuzes en soms ook de moed om dingen anders te doen.”

Ook de praktijk zelf is volop in ontwikkeling. Valesca Nederlof laat zien hoe de rol van de praktijkmanager steeds volwassener wordt en Matthijs Luitjes belicht zes verrassende voordelen van ergonomietraining voor duurzame inzetbaarheid.

Ondernemen en vooruitkijken krijgen eveneens volop aandacht. Onno Karssen laat zien dat je bij het starten van een eigen praktijk het wiel gelukkig niet helemaal zelf hoeft uit te vinden. Arjan Wijnands richt de blik op praktijkontwikkeling en investeren in de praktijk van morgen. En Sjoerd Kuiken staat stil bij een kant van het praktijkhouderschap waar misschien minder vaak over wordt gesproken: de uitdagingen én de eenzaamheid die het ondernemerschap soms met zich mee kan brengen. Verschillende onderwerpen en verschillende perspectieven, met één duidelijke rode draad: een sterke praktijk ontstaat niet vanzelf. Het vraagt om aandacht voor mensen, ontwikkeling, keuzes en soms ook de moed om dingen anders te doen. Hopelijk geeft deze editie je nieuwe inzichten, herkenning en vooral inspiratie om mee te nemen naar je eigen praktijk. Veel leesplezier! Lies Ligtvoet IlkoAlink


Redactieadres Koggeschip 212 | 7429 BG Deventer Contact: Ilko Alink, ilko@dentista-magazine.nl Aan dit nummer werkten mee Davy Chong, Fridus van der Weijden, Dyonne Broers, Matthijs Luitjes, Onno Karssen, Karim Ahabri, Arjan Wijnands, Sjoerd Kuiken, Valesca Nederlof Vormgeving Kim van de Vooren Adreswijzigingen Per e-mail: pm@dentalbestpractice.nl Vermeld zowel je oude als nieuwe adres. Adverteren en marketing Concetta Scibona; pm@dentalbestpractice.nl, Ilko Alink; ilko@dentista-magazine.nl Volg ons ook op Facebook en Instagram @Praktijkmanager_magazine

Copyright © 2026 Dental Best Practice. Niets in deze uitgave mag worden overgenomen, vermenigvuldigd of gereproduceerd zonder schriftelijke toestemming van Dental Best Practice of andere auteursrechthebbenden. Dental Best Practice kan geen aansprakelijkheid aanvaarden voor de juistheid en volledigheid van alle in deze uitgave opgenomen teksten en beelden.

Inhoudsopgave

Redactie Ilko Alink en Lies Ligtvoet

05 23 Davy Chong & Fridus van der Weijden Patiëntgerapporteerde uitkomsten in de parodontale en implantolosche zorg

06 Arjan Wijnands Praktijkontwikkeling: investeren in de praktijk van morgen


16 Dyonne Broers Lachgassedatie in de mondzorg

12 Het is eenzaam aan de top Over de uitdagingen van het praktijkhouderschap

14 Een eigen praktijk starten? Je hoeft het wiel niet zelf uit te vinden!

20 Duurzame inzetbaarheid verbeteren 6 verrassende voordelen van ergonomietraining

08 Valesca Nederlof De praktijkmanager wordt volwassen


ONDER NARCOSE BEHANDELEN IN UW EIGEN PRAKTIJK?

Anesthesia & Intensive Care Services B.V.: AIC is gespecialiseerd in het verzorgen van hoogwaardige medische zorg binnen de anesthesiologie en intensive care geneeskunde. Met ons VOLWAARDIG MOBIEL ANESTHESIETEAM inclusief apparatuur, monitoring, medicatie, gasvoorziening, disposables en al het nodige personeel kunnen wij op een voor u wenselijke locatie op 4 behandelkamers tegelijk algehele anesthesie toedienen aan uw cliënten, zonder dat u ook maar iets hoeft aan te passen aan de inrichting van uw kliniek. Tandheelkundige klinieken die behandelingen onder algehele anesthesie willen aanbieden: Als u aan uw cliënten behandelingen onder algehele anesthesie wilt aanbieden zonder dat u dure investeringen hoeft te doen in uw kliniek, dan bent u bij ons aan het juiste adres. Wij kunnen met ons MOBIEL ANESTHESIETEAM in elke kliniek op 4 behandelkamers tegelijk volledig de anesthesie verzorgen zonder dat u daar naar hoeft om te kijken. Wij zijn volledig selfsupporting. Wij kunnen in elke tandartspraktijk de anesthesie verzorgen. Uw praktijk hoeft dus niet aan speciale voorwaarden te voldoen!! Bel voor een gratis en vrijblijvende offerte: Schroom niet om te bellen of te emailen voor een gratis en vrijblijvende offerte. Zonder enige verplichting komen wij graag bij u langs om de situatie in uw kliniek te beoordelen en de wensen en mogelijkheden met elkaar te bespreken.

Weena 1197 3013 AL Rotterdam Tel: + 316 247 257 37 www.aicservices.nl info@aicservices.nl


‘s Werelds eerste Ergo-loepbril met

verstelbare vergroting

+31 23 200 14 10

info@admetec.nl

admetec.nl


Een praktijkontwikkelen is meer dan bouwen

Praktijkontwikkeling: investeren in de praktijk van morgen Arjan Wijnands

Een praktijk ontwikkelen is meer dan bouwen. Het vraagt om strategische keuzes die bepalend zijn voor de kwaliteit van zorg, de bedrijfsvoering én de toekomst van de onderneming. De mondzorg is voortdurend in beweging. Praktijken groeien, behandelconcepten ontwikkelen zich en de verwachtingen van patiënten veranderen. Tegelijkertijd neemt de druk op de beschikbare ruimte toe. Een extra behandelkamer, een grotere sterilisatieruimte of een ruimere personeelsvoorziening lijken vaak de directe aanleiding om na te denken over uitbreiding of nieuwbouw. Toch leert de praktijk dat succesvolle praktijkontwikkeling zelden begint met een bouwtekening. De meest succesvolle projecten beginnen met een andere vraag: welke praktijk wil ik over tien of vijftien jaar hebben? Die vraag lijkt eenvoudig, maar vormt vaak het verschil tussen een praktijk die alleen groter wordt en een praktijk die daadwerkelijk klaar is voor de toekomst. De aanleiding is zelden alleen ruimtegebrek Veel praktijkhouders herkennen het moment waarop de praktijk begint te knellen. De agenda is goed gevuld, het team groeit en de wens ontstaat om extra behandelcapaciteit te creëren. Op het eerste gezicht lijkt de oplossing voor de hand te liggen. Een aanbouw, een extra verdieping of een verhuizing naar een groter pand. In de praktijk blijkt de aanleiding echter vaak complexer. Niet alleen de beschikbare ruimte speelt een rol, maar ook de logistiek binnen de praktijk, de bereikbaarheid, de personeelsontwikkeling, de technische voorzieningen en de mogelijkheden om in de toekomst verder te groeien. Juist daarom verdient praktijkontwikkeling een bredere benadering dan alleen huisvesting. Een praktijk uit de dagelijkse praktijk Recent begeleidde ik een praktijkhouder die ervan overtuigd was dat één extra behandelkamer voldoende zou zijn om de komende jaren verder te kunnen groeien. Tijdens de voorbereiding bleek echter dat niet de behandelcapaciteit het grootste knelpunt vormde. De sterilisatieruimte was inmiddels te klein geworden, medewerkers liepen onnodig veel tussen behandelkamers, parkeergelegenheid begon een beperking te vormen en uitbreiding op de bestaande locatie bood nauwelijks mogelijkheden voor verdere groei. De oorspronkelijke vraag veranderde daardoor volledig. Niet langer stond de vraag centraal hoe er uitgebreid moest worden, maar welke praktijk de ondernemer over tien jaar wilde hebben. Na verschillende scenario’s te hebben onderzocht, viel de keuze uiteindelijk niet op een aanbouw, maar op een nieuwe locatie. De

investering was groter, maar leverde een praktijk op die ruimte bood voor verdere groei, efficiëntere werkprocessen en een betere patiëntbeleving. Deze casus staat niet op zichzelf. Juist dit soort afwegingen komen in de praktijk regelmatig terug. Begin bij de strategie, niet bij de stenen Een praktijk ontwikkelen is in essentie een ondernemersvraag. Welke positie wil de praktijk innemen? Hoe ontwikkelt het team zich? Welke rol spelen digitalisering en nieuwe behandeltechnieken? Welke patiëntengroep wil de praktijk bedienen? En hoeveel flexibiliteit is nodig om toekomstige ontwikkelingen op te vangen? Pas wanneer deze vragen zijn beantwoord, ontstaat een goed beeld van de huisvestingsbehoefte. Een bouwtekening is daarmee niet het vertrekpunt, maar het resultaat van een zorgvuldig doordachte strategie. Ontwerpen voor de praktijk van morgen De meeste praktijkontwikkelingen zijn bedoeld voor een periode van tien tot vijftien jaar. Dat vraagt om keuzes die verder kijken dan de situatie van vandaag. Een toekomstbestendig ontwerp houdt rekening met efficiëntie, flexibiliteit en veranderende zorgprocessen. Daarbij spelen onder andere de routing van patiënten en medewerkers, de positionering van ondersteunende ruimtes, uitbreidingsmogelijkheden, duurzaamheid en de inzet van nieuwe technologie een belangrijke rol. Het zijn keuzes die tijdens de dagelijkse praktijkvoering nauwelijks opvallen, maar jarenlang bepalend zijn voor het functioneren van de praktijk. De kracht van een integrale aanpak Een praktijkontwikkeling raakt verschillende disciplines tegelijk. Architecten kijken naar het ontwerp. Aannemers naar de uitvoering. Installateurs naar techniek. Leveranciers naar inrichting. Fiscalisten en accountants naar de financiële structuur. Financiers beoordelen de haalbaarheid van de investering. Juist wanneer deze disciplines vanaf het begin met elkaar samenwerken, ontstaat een beter eindresultaat. Niet omdat iedereen dezelfde belangen heeft, maar omdat verschillende invalshoeken leiden tot betere besluiten. Steeds vaker kiezen praktijkhouders daarom voor een integrale aanpak waarin alle betrokken partijen al in de ontwerpfase met elkaar aan tafel zitten. Financiering is onderdeel van het plan, niet het begin ervan Een veelgestelde vraag is of een praktijkontwikkeling financieel haalbaar is. Hoewel financiering vanzelfsprekend belangrijk is, blijkt in de praktijk dat succesvolle investeringen vrijwel altijd beginnen met een goed onderbouwd ondernemingsplan. Hoe ontwikkelt de praktijk zich? Welke groei is realistisch? Welke investeringen zijn noodzakelijk? Welke risico’s zijn beheersbaar?


En hoe blijft de onderneming ook op langere termijn financieel gezond? Pas wanneer deze vragen zijn beantwoord, krijgt de financiering de plaats die zij verdient: als onderdeel van het totaalplan. Leren van ondernemers die dezelfde route al hebben afgelegd Misschien wel de meest waardevolle lessen komen niet uit bouwtekeningen of begrotingen, maar uit gesprekken met collega’s. Vrijwel iedere praktijkhouder die een praktijk heeft ontwikkeld, kijkt achteraf met nieuwe inzichten naar het proces. Niet omdat keuzes verkeerd waren, maar omdat ervaring nu eenmaal nieuwe perspectieven biedt. Juist die praktijkervaring helpt andere ondernemers om beter voorbereid aan hun eigen traject te beginnen. Daarom groeit ook de behoefte aan bijeenkomsten waarin praktijkhouders niet alleen eindresultaten laten zien, maar vooral vertellen welke afwegingen zij onderweg hebben gemaakt. Vooruitkijken loont Een praktijk ontwikkelen behoort voor veel tandartsen en orthodontisten tot de grootste ondernemingsbeslissingen in hun loopbaan. Het is een investering die verder reikt dan stenen, installaties of behandelkamers. De keuzes die vandaag worden gemaakt, bepalen jarenlang hoe prettig een team samenwerkt, hoe efficiënt processen verlopen en hoe patiënten de praktijk ervaren. Wie de tijd neemt om eerst de juiste vragen te stellen, verschillende deskundigheden samenbrengt en leert van de ervaringen van collega’s, vergroot de kans op een praktijk die niet alleen voldoet aan de wensen van vandaag, maar ook klaar is voor de toekomst. Daarmee is praktijkontwikkeling uiteindelijk geen bouwproject. Het is een investering in de praktijk van morgen.

6 vragen vóór de eerste schets

Voordat de eerste bouwtekening wordt gemaakt, is het verstandig stil te staan bij de volgende vragen: • Past de huidige locatie nog bij de ambities van de praktijk? • Ontwerp ik een praktijk voor vandaag of voor de komende tien tot vijftien jaar? • Is de routing logisch voor zowel patiënten als medewerkers? • Biedt de praktijk voldoende ruimte voor toekomstige groei? • Sluit de investering aan bij de langetermijnstrategie van de onderneming? • Welke expertise heb ik nodig om alle aspecten van het traject goed te beoordelen?

Arjan Wijnands CFP® is sectorspecialist Mondzorg bij ABN AMRO. Hij begeleidt tandartsen, orthodontisten en andere mondzorgondernemers bij vraagstukken rondom praktijkovername, financiering, groei en praktijkontwikkeling. Vanuit zijn dagelijkse praktijk spreekt hij met ondernemers in verschillende fasen van hun ondernemerschap en ziet hij welke keuzes bijdragen aan een toekomstbestendige praktijk.


De praktijkmanager wordt volwassen Valesca Nederlof De mondzorg heeft zich de afgelopen twintig jaar in hoog tempo ontwikkeld. Praktijken zijn groter geworden, teams omvangrijker, regelgeving complexer en de verwachtingen van medewerkers hoger. Toch wordt één ontwikkeling nog regelmatig onderschat: de professionalisering van het praktijkmanagement

Waar de praktijkmanager vroeger vaak werd gezien als een ervaren medewerker die “er wat managementtaken bij doet”, ontstaat steeds duidelijker een zelfstandig vakgebied. Dat is geen toevallige ontwikkeling. Het is het logische gevolg van de steeds hogere eisen die worden gesteld aan ondernemerschap, werkgeverschap en organisatiekracht binnen een mondzorgpraktijk.

Voor een gemiddelde mondzorgpraktijk vertegenwoordigt zo’n sanctie een bedrag dat aanzienlijk hoger kan liggen dan de investering die nodig is om een praktijkmanager goed op te leiden of deskundig te begeleiden. Toch wordt die investering nog geregeld als luxe gezien, terwijl de risico’s van onvoldoende werkgeverschap steeds concreter worden.

De vraag is dan ook niet langer of een praktijk een praktijkmanager nodig heeft. De vraag is welke verwachtingen een praktijkhouder mag stellen aan die functie, en welke investeringen daarvoor noodzakelijk zijn.

Hier raakt de discussie over praktijkmanagement aan een fundamentelere vraag: hoe organiseert een praktijkhouder zijn ondernemerschap?

Veel praktijkhouders zijn opgeleid tot zorgverlener. Zij zijn deskundig in diagnostiek, behandeling en patiëntenzorg. Ondernemerschap hebben zij zich vaak gaandeweg eigen gemaakt. Dat geldt nog sterker voor werkgeverschap. Vrijwel geen enkele tandarts heeft tijdens zijn opleiding geleerd hoe een verbetertraject moet worden opgebouwd, welke verplichtingen gelden bij langdurige arbeidsongeschiktheid of hoe een zorgvuldig personeelsdossier eruitziet. Werkgeverschap in de mondzorgpraktijk Toch verwacht de wetgever inmiddels dat werkgevers deze kennis wel hebben. Neem de aanzegplicht. Werkgevers zijn verplicht werknemers met een tijdelijk contract schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van het dienstverband. Een verplichting die in de praktijk regelmatig wordt vergeten. Met elke keer de consequentie dat de werknemer een volledig bruto maandsalaris van de werkgever mag vorderen. De relevante vraag is daarbij niet alleen of de praktijkhouder deze regel kent. De relevante vraag is vooral: wie bewaakt dit binnen de praktijk? Staat er ergens een signaal in het systeem? Weet de praktijkmanager wanneer en hoe er moet worden aangezegd? Is duidelijk wie de brief opstelt, wie deze controleert en wie ervoor zorgt dat de aanzegging aantoonbaar op tijd wordt gedaan en bewaard wordt in het personeelsdossier? Hetzelfde geldt voor de Wet verbetering poortwachter. Veel praktijkhouders weten dat ziekteverzuim verplichtingen met zich meebrengt. Minder bekend is hoeveel financiële gevolgen een onjuist uitgevoerd re-integratietraject kan hebben. Wanneer het UWV oordeelt dat de werkgever of werknemer onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, kan een loonsanctie worden opgelegd. Dat betekent dat de werkgever tot een jaar langer loon moet doorbetalen, zonder dat daar arbeid tegenover staat. En nee, dit wordt niet vergoed door een verzekeraar.

Want werkgeverschap is niet iets wat “erbij” komt. Het is een structureel onderdeel van het voeren van een praktijk. Medewerkers aannemen, contracten beheren, functioneren bespreken, verzuim begeleiden, conflicten voorkomen, dossiers opbouwen en arbeidsvoorwaarden toepassen: het zijn geen administratieve randzaken, maar kerntaken van professioneel werkgeverschap. Daar komt bij dat de praktijkhouder juridisch eindverantwoordelijk blijft. Ook wanneer taken worden gedelegeerd aan een praktijkmanager. Delegatie ontslaat de werkgever niet van verantwoordelijkheid. Het vraagt juist om heldere afspraken, voldoende instructie en de bereidheid om te investeren in kennis. Compliance in de mondzorgpraktijk Dat zie ik ook bij bredere complianceverplichtingen. In iedere mondzorgpraktijk spelen regels rond kwaliteit, klachten, privacy en veiligheid. De Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) verplicht zorgaanbieders onder meer om een laagdrempelige klachtenfunctionaris te hebben. De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) stelt eisen aan de omgang met persoonsgegevens, waaronder personeelsgegevens en patiëntgegevens, en wil ook dat er een functionaris gegevensbescherming wordt aangewezen. Is dat de praktijkmanager of -houder? Bij verzuim moet iemand de rol van casemanager vervullen en het proces bewaken. Wie is die casemanager in de praktijk? Ook rondom arbeidsomstandigheden, dossiervorming en interne procedures liggen verplichtingen die niet vanzelf worden nageleefd.


De vragen zijn steeds dezelfde: wie houdt hier het overzicht over? En wie weet welke regels in de praktijk moeten worden toegepast? Doet de praktijkhouder dat zelf, naast de patiëntenzorg, de behandelagenda, investeringsbeslissingen en dagelijkse aansturing? Of wordt deze verantwoordelijkheid belegd bij een praktijkmanager die daarvoor voldoende is toegerust? Een talentvolle praktijkmanager kan hierin van grote waarde zijn, maar talent alleen is onvoldoende. Praktijkmanagement vraagt vakkennis. Een praktijkmanager moet niet alles zelf juridisch kunnen oplossen, maar moet wel weten wanneer er risico’s ontstaan, welke vragen moeten worden gesteld, hoe dossiers moeten worden opgebouwd en wanneer externe deskundigheid nodig is. Dat onderscheidt de vakvolwassen praktijkmanager van de goedwillende regelaar. En dat verschil kan veel gedoe, stress en dure fouten voorkomen. Arbeidsvoorwaarden in de mondzorg Ook de actuele discussie over arbeidsvoorwaarden laat zien hoe belangrijk de ontwikkeling van de praktijkmanager is. Nieuwe regels rondom loontransparantie zullen werkgevers dwingen om bewuster na te denken over beloning, inschaling en salarisverschillen. Waarom verdient de ene werknemer meer dan de andere? Welke objectieve criteria worden gehanteerd? Hoe wordt voorkomen dat beloning vooral het resultaat is van onderhandelingsvaardigheid, schaarste of toevallige afspraken uit het verleden? Is dit alles uitgewerkt en gedocumenteerd? Of er in de mondzorg een cao komt of niet, doet aan die ontwikkeling weinig af. Zonder cao wordt de verantwoordelijkheid van de individuele praktijkhouder misschien zelfs groter. Dan zal iedere praktijk immers zelf moeten nadenken over een passend salarishuis, inschalingscriteria en consistente toepassing daarvan. Voor kleine werkgevers is dat geen eenvoudige opgave. Wie houdt dat bij? Ook hierin kan een goed opgeleide praktijkmanager het verschil maken. Niet door op de stoel van de praktijkhouder te gaan zitten, maar door structuur aan te brengen. Door signalen op te vangen. Door processen te bewaken. Door beleid uit te werken, te documenteren en uitvoerbaar te maken. En door hierover de lastige gesprekken te voeren met werknemers. Samenwerking PM en PH Dat vraagt ook iets van de houding van praktijkhouders. Wie een praktijkmanager wil inzetten als volwassen gesprekspartner, zal die rol ook als zodanig moeten positioneren. Dat betekent ruimte geven, echt delegeren, kennisontwikkeling mogelijk maken, verantwoordelijkheden helder beleggen en de praktijkmanager betrekken bij beleidskeuzes. Niet pas wanneer er gedoe is, maar juist daarvoor. En dit alles kan niet pas worden opgepakt, als er verder geen brandjes te blussen zijn. In veel praktijken wordt zonder aarzeling geïnvesteerd in nieuwe apparatuur, een verbouwing of digitale techniek. Dat zijn zichtbare investeringen. Investeren in managementkennis is minder zichtbaar, maar minstens zo bepalend voor de continuïteit van de praktijk. Een goed functionerende organisatie voorkomt fouten, beperkt risico’s en creëert rust. En zorgt voor een team dat gesmeerd, efficiënt en met plezier samenwerkt. Rust Rust is misschien wel één van de meest onderschatte opbrengsten van vakvolwassen praktijkmanagement. Praktijkhouders liggen zelden wakker van een technische behandeling. Zij liggen wakker van personeelsconflicten, langdurig verzuim, onduidelijke afspraken, onrust in het team of angst voor juridische gevolgen. Een sterke praktijkmanager kan daarin bescherming bieden. Niet door alles over te nemen, maar door vroegtijdig te signaleren en door zorg te dragen voor teamleden, dossiers en wettelijke plichten.

Rendement Daarmee is de praktijkmanager niet alleen belangrijk voor compliance en personeelsbeleid, maar ook voor de economische gezondheid van de praktijk. Een goed georganiseerde praktijk heeft betere processen, duidelijkere communicatie, efficiëntere agenda’s en minder verstoringen. Een praktijkmanager die leert kijken naar bezetting, werk- en geldstromen, patiëntbeleving en teamontwikkeling, draagt direct bij aan kwaliteit én rendement. Hij of zij leert baliepersoneel goed te selecteren en coachen, en is zich ervan bewust dat bij de balie de agenda én dus de omzet grotendeels wordt bepaald. De ontwikkeling van het praktijkmanagement is daarom geen modieuze trend. Het is een noodzakelijke professionaliseringsslag binnen de mondzorg. De praktijkmanager wordt volwassen, omdat de praktijk zelf ook volwassen is geworden. Voor praktijkhouders ligt daar een uitnodiging, maar ook een spiegel. Wie verwacht dat een praktijkmanager verantwoordelijkheid neemt voor personeel, processen, compliance en organisatieontwikkeling, moet die professional ook in staat stellen om dat werk goed te doen. Met opleiding, vertrouwen, duidelijke bevoegdheden en een serieuze plek aan tafel. De praktijkhouder hoeft niet alles zelf te kunnen. Maar hij moet wel zorgen dat het binnen de praktijk goed geregeld is. En precies daar ligt de waarde van een vakvolwassen praktijkmanager.

Valesca Nederlof is jurist, mediator en trainer binnen de mondzorg en werkzaam bij Dental Care Professionals. Ze combineert juridische expertise met ervaring in HR, verzuimbegeleiding en praktijkmanagement. Haar specialisatie ligt in arbeidsconflicten en vastgelopen samenwerkingen, met een scherp oog voor de dynamiek in mondzorgpraktijken. Daarbij beoogt zij werkgevers, werknemers, teams en


TRIOS 6 – De nieuwe standaard in digitale tandheelkunde Revolutionaire scanervaring. Maximale precisie. Ongekend gebruiksgemak. • • • • •

Haarscherpe beelden – tot 110% hogere scanresolutie voor natuurgetrouwe 3D scans. Hyperspectraal scannen – wit, fluorescerend en near-infrared data in één vloeiende scan. Draadloos & kalibratievrij –direct klaar voor gebruik. ScanAssist – AI scan-ondersteuning voor snelle, consistente resultaten. Dx Plus compatibel – AI ondersteunde detectie en visualisatie van o.a. cariës, slijtage, plaque en recessie.

Great patient care starts here!

VRAAG EEN GRATIS PRODUCTDEMO AAN


Over de uitdagingen van het praktijkhouderschap

Het is eenzaam aan de top Sjoerd Kuiken

De tandarts-pratijkhouder vervult gedurende een willekeurige werkdag verschillende rollen. Je wisselt continu tussen de ‘petten’ van tandarts, manager en leider. Waarschijnlijk wil je het liefst de hele dag de ‘pet’ van tandarts op. De ‘petten’ van manager en leider komen daarentegen regelmatig tussendoor en vragen dan om jouw aandacht. Dit kan zorgen voor extra druk op je schouders en vormt zodoende een grote uitdaging voor veel tandarts-praktijkhouders. Daarnaast zijn er nog andere uitdagingen, die in dit artikel worden besproken. Waarom? Het praktijkhouderschap kan eenzaam zijn, waarvoor het helpt om te reflecteren op de ervaringen van collega-praktijkhouders en tips uit dit artikel. Het kan eenzaam voelen aan de top. Daarin sta je niet alleen, want dit is een vaker voorkomend gevoel onder praktijkhouders. Vier praktijkvoorbeelden die wellicht voor herkenning zorgen. Voorbeeld 1. “Ik ben geen onderdeel van het team” De tandheelkundige zorg lever je niet alleen, maar met je hele team. Dit gaat niet alleen over de samenwerking in de behandelkamer, maar veel meer ook over de wisselwerking met de collega’s aan de balie, met de collega tandartsen, met de preventie-assistenten, etc. Als tandarts ben je dan ook een teamspeler, wat inhoudt dat je ook graag deel wilt uitmaken van het team. Wanneer je daarentegen wisselt naar de ‘pet’ van manager of leider, stap je figuurlijk direct uit dit team. Je komt automatisch in de positie boven het team, doordat de medewerkers je dan benaderen als baas of werkgever. Kortom, je maakt dus niet 100% deel uit van het team. Iets wat je misschien ook niet wilt, maar wat wel een gevoel van eenzaamheid kan geven. Voorbeeld 2. “Ik geef meer dan ik terugkrijg” Uit gesprekken met tandarts-praktijkhouders komt heel vaak naar voren, dat zij voor hun gevoel meer geven dan zij terugkrijgen. Het betreft hier dan vooral het ‘geven’ naar de praktijk en het team. Overigens wordt vaak hetzelfde gevoel benoemd vanuit medewerkers, dat ook zij ervaren ‘meer te geven dan terug te krijgen’. Ik denk dat dit gevoel te verklaren is vanuit de volgende twee punten:


• •

Het perspectief van de praktijkhouder is altijd anders – met ook andere belangen – dan die van de medewerkers. Het persoonlijke perspectief is niet objectief. We beoordelen onszelf altijd positiever dan hoe anderen je beoordelen.

Mijn advies is dan ook om – als je dit gevoel ervaart – los te laten. Leg jezelf en het team vooral niet het uitgangspunt op, dat jouw inspanning voor de praktijk in gelijke mate moet worden terugverwacht van al jouw medewerkers. Voorbeeld 3. “Ik voel mij persoonlijk aangevallen” In praktijken loopt – uiteraard – niet altijd alles op rolletjes. Waar gewerkt wordt, worden fouten gemaakt. Vervolgens is het prima dit te benoemen met als doelstelling het te verbeteren. Ik merk regelmatig, dat het door medewerkers benoemen van ‘wat gaat er niet goed in de praktijk’ als zeer persoonlijk wordt opgevat door de praktijkhouder. De praktijkhouder doet alles om de praktijk goed te laten draaien en verbeterpunten worden dan als persoonlijke kritiek of als persoonlijk falen opgevat. Dit is uiteraard vanuit de medewerkers niet de insteek, maar is vanuit de praktijkhouder soms wel het gevoel. Het is hierin prettig als je als praktijkhouder jouw inzet voor de praktijk en het functioneren van de praktijk los kunt trekken van jou als persoon. Dit is echter heel lastig, want jouw inzet als praktijkhouder, als tandarts en jouw persoonlijke betrokkenheid lopen heel erg in elkaar over. Wees je ervan bewust dat de ‘oplossing’ in deze dus vooral bij jezelf als praktijkhouder ligt en niet bij je medewerkers (zij doen namelijk niks verkeerds wanneer zij zich – gevraagd – uiten over wat er kan verbeteren binnen de praktijk). Voorbeeld 4. “Ik ben bang dat medewerkers anders vertrekken” Hierboven heb ik al benoemd, dat jouw rol als praktijkhouder en jouw persoonlijke betrokkenheid heel erg in elkaar overlopen. Zo heb je als praktijkhouder altijd het praktijkbelang te dienen. En ja, het praktijkbelang is soms strijdig met persoonlijke wensen of verzoeken van medewerkers. Ik ervaar regelmatig, dat praktijkhouders niet durven om tegen verzoeken van medewerkers in te gaan. In dat geval overheerst de angst voor onrust binnen het team of de angst voor het vertrek van de medewerker. Angst is altijd een slechte raadgever. Primair heb je als praktijkhouder het belang van de praktijk te dienen. Uitgezonderd uiteraard de bijzondere of specifieke situaties, waarin je kiest om het persoonlijke belang van de medewerker voorrang te geven boven het praktijkbelang. De intrinsieke behoefte van medewerkers is ook dat zij duidelijkheid willen. Dit pleit er dus voor dat je je bij het nemen van beslissingen niet laat leiden door angst, maar vooral laat leiden door: • Het praktijkbelang boven het persoonlijke belang van medewerkers; • Duidelijkheid te creëren voor het hele team; • Consequent te zijn in je beslissingen en keuzes. Cirkel van invloed In bovenstaande voorbeelden wordt door praktijkhouders vaak een machteloos gevoel ervaren. Het gevoel dat je wordt geleefd door je praktijk en het team. Wat is de cirkel van invloed? De Amerikaanse organisatiepsycholoog Stephen Covey introduceerde de theorie van de cirkel van invloed en betrokkenheid. In de cirkel van betrokkenheid zitten alle dingen waar je mee te maken hebt, iets van vindt of je druk om maakt. Denk bijvoorbeeld aan de onvrede bij collega’s, de eisen vanuit wet- en regelgeving en de mondigheid van patiënten. De cirkel van invloed ligt binnen de cirkel van betrokkenheid. Hierin staan alle zaken waar je bij betrokken bent én waar je invloed op hebt.

Hoe zet je de cirkel van invloed in? Als je je druk maakt over zaken waar je geen invloed op hebt, kost dit veel (negatieve) energie en het levert weinig op. Als dat te vaak gebeurt of te lang duurt, kunnen irritatie en frustratie de overhand krijgen. Covey stelt dat iemand zich het beste alleen druk kan maken over dat waar hij daadwerkelijk invloed op heeft en het andere moet loslaten. Het is belangrijk dat je je cirkel van invloed groter maakt en zorgt dat je weer energie van je werk krijgt. Dit vraagt om proactief gedrag (zie de linker cirkel in bovenstaande illustratie). Hoe vergroot je je cirkel van invloed? Daarvoor maak je eerst onderscheid tussen: • Cirkel van directe invloed: de dingen waar je zelf iets aan kunt doen. Je moet je gedrag veranderen. • Cirkel van indirecte invloed: de dingen waar anderen iets aan moeten doen. Je kunt invloed uitoefenen op het gedrag van anderen. • Cirkel van betrokkenheid: de dingen waar je geen invloed op hebt. Je moet dit loslaten. Belangrijkste lessen Bovengenoemde voorbeelden zijn een samenvoeging van de vele ervaringen van praktijkhouders die ik te horen krijg tijdens mijn coaching trajecten. Praktijkhouders hebben dus grotendeels dezelfde uitdagingen om te overwinnen. Tegelijkertijd weet je nu ook, dat proactief gedrag vanuit de cirkel van invloed je kan helpen om hierin te veranderen. Het gaat dus om – en begint met – het veranderen van je eigen gedrag. Iedereen zal hier een persoonlijke invulling aan geven, waarin je de volgende lessen kunt meenemen: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Zorg allereerst voor jezelf. Focus op waar je invloed WEL ligt (en niet op wat je NIET kunt veranderen of beïnvloeden). Handel vanuit het belang van de praktijk (en niet vanuit angst). Je kunt niet alles oplossen (en zeker niet de problemen van een ander). Accepteer fouten (en dat het nooit 100% goed loopt). Zoek waardering en ondersteuning buiten de praktijk (want die krijg je niet automatisch vanuit je team).

Sjoerd Kuiken is eigenaar van Kuiken Praktijkmanagement (www. kuikenpraktijkmanagement.nl). Voor objectieve praktijkanalyses, strategiesessies en coaching van praktijkhouders en -managers. Daarnaast verzorgt hij opleidingen voor praktijkhouders en is hij dagvoorzitter bij evenementen en congressen.


Een eigen praktijk starten? Je hoeft het wiel niet zelf uit te vinden Onno Karssen & Karim Ahabri

Het starten of overnemen van een tandartspraktijk is een geweldige mijlpaal. Wellicht komt er een droom uit, maar feit is dat je van de één op de andere dag niet meer alleen tandarts bent, maar ook ondernemer, manager en werkgever. Dat is best een omschakeling. Gelukkig hoef je dit avontuur niet alleen aan te gaan. Er zijn verschillende adviseurs, websites, instanties, workshops en masterclasses waar je terechtkunt voor informatie en ondersteuning, zodat je met een vliegende start kunt beginnen. Pijlers van een gezonde praktijk Als startende praktijkhouder krijg je een hoop vragen op je af. Start je een compleet nieuwe praktijk of neem je een bestaande praktijk over? Hoe ga je je positioneren en hoe zit het met de financiën en verzekeringen? Met welke wet- en regelgeving krijg je te maken? Kortgezegd moet een gezonde praktijk rusten op twee belangrijke pijlers: een goede financiële basis en de juiste patiënten. Het financiële fundament moet goed zijn. Bij het opstarten van een nieuwe praktijk krijg je bijvoorbeeld al snel te maken met zaken als goodwill, investeringen, financieringen, investeringen en fiscale voordelen. Maak voor jezelf een lijstje van financiële zaken die moeten worden geregeld: • Businessplan • Financiële haalbaarheid • Nul praktijk of overname • Financieringen, begroting • Apparatuur, inventaris en eventuele verbowuing • Verzekeringen Vervolgens krijg je te maken met de locatie van je nieuwe praktijk: • Welke gemeente / wijk • Doelgroep • Concurrentie • Bereikbaarheid • Totaal aantal m2 • Parkeergelegenheid Om een gezond patiëntenbestand op te bouwen heb je ook een marketingplan nodig: • Uitstraling / huisstijl • Een goede domeinnaam en website • Naamsbekendheid opbouwen • Officiële opening • Patiënten aantrekken én binden

Tot slot, geen praktijk kan zonder goed personeel: • Hoeveel personeel heb je nodig en hoe ga je werven? • Taakverdeling en verantwoordelijkheid • Opleidingen / bijscholing • Evaluatiegesprekken • Overlegstructuur • Binding / tevreden houden Samen sterker starten Kortom, het opzetten van een praktijk is een prachtig avontuur, zolang de basis maar goed staat. Door gebruik te maken van de kennis van specialisten die de dentale markt door en door kennen, bespaar je jezelf een hoop uitzoekwerk. Zo zijn er bijvoorbeeld cijfers beschikbaar waarmee je je eigen tandheelkundige verrichtingen kunt vergelijken met collega’s in het land. Denk aan zaken als: controle en diagnostiek, wortelkanaalbehandelingen, vullingen, kronen en bruggen, kunstgebitten, preventief (met name M-codes) en tandvlees (paro). Als je vooraf alle (rand)zaken goed regelt, kun je je focussen op wat je het liefste doet: het leveren van topzorg! Onno Karssen (financieel adviseur) en Karim Ahabri (marketingspecialist). Naast het runnen van hun eigen bedrijf geven zij gezamenlijk masterclasses voor startende ondernemers.


Stap over op Alles-in-één praktijksoftware voor de mondzorg.

Plan uw gratis demo Benieuwd wat Odontium voor uw praktijk kan betekenen? Odontium

053 - 477 7786 Wat krijgt u met Odontium? Alles-in-één

lle belangrijke praktijkprocessen in één teem.

A

Wat is Odontium?

s s

De complete praktijksoftware voor de mondzorg. Van agenda en patiëntendossier tot facturatie, administratie en beveiliging: alles wat u nodig heeft voor uw praktijk, samengebracht in één s steem.

M

inder administratie

utomatiseer terugkerende werkzaamheden en bespaar tijd. A

M

obiele apps voor flexibel werken

rijg eenvoudig toegang tot belangrijke praktijkinformatie, ook buiten de werkplek K

Waarom praktijken kiezen voor Odontium? 100+ praktijken stapten dit jaar al over naar Odontium

Lokaal of in de cloud

ies de werkomgeving die bij uw praktijk past.

K

Persoonlijke support

Direct contact met on e upport onder z

35+ jaar

500+

AoS-256

ISO 27001

Ervaring

Praktijken

Beveiliging

Gecertificeerd

s

, z

tickets steem.

Veilig en etrouw aar b

b

Data staat op eigen servers binnen Nederland. Datacenter is ook ISO gecer tiAiceerd

Overstappen? Zo eenvoudig kan het. an eerste kennismaking tot volledig werken met Odontium,wij begeleiden u.

V

1 ratis Demo

G

Ontdek Odontium en bespreek uw wensen. We maken een persoonlijk voorstel.

2

3

Data migratie

Aan de slag

w gegevens worden zorgvuldig overgezet voor een soepele overstap.

U

w team krijgt begeleiding bij de start. Ook daarna staan we voor u klaar. U

Scan voor meer informatie Tel: 053 - 477 7786 inAo?odontium.nl www.odontium.nl


Zoeken naar de juiste balans

Lachgassedatie in de mondzorg Dyonne Broers Iedere behandelaar kent ze: patiënten voor wie een behandeling niet vanzelfsprekend verloopt. Angst, een beperking, een sterke kokhalsreflex of eerdere negatieve ervaringen kunnen maken dat zelfs relatief eenvoudige medische of tandheelkundige zorg een grote uitdaging wordt. Op zulke momenten draait goede zorg niet alleen meer om techniek, maar vooral om de vraag: wat heeft deze patiënt nodig om zich veilig en behandelbaar te voelen?

Dit artikel bespreekt hoe basistechnieken, communicatie en sedatiemogelijkheden — waaronder lachgassedatie — kunnen bijdragen aan patiëntgerichte zorg. Niet als doel op zich, maar als hulpmiddelen om behandelingen beter hanteerbaar te maken voor zowel patiënt als behandelaar. Voor veel patiënten is een bezoek aan de tandarts of mondhygiënist al lang prima te doen. De nare verhalen over de schooltandarts van vroeger lijken steeds verder weg te staan van de dagelijkse praktijk. Pijnbestrijding en patiëntgericht werken zijn vanzelfsprekend geworden. En toch kent iedere tandarts en mondhygiënist ze: patiënten voor wie de behandeling enorm lastig is. Dit geldt voor kinderen en volwassenen. Naast tandheelkundige behandelingen geldt dit ook voor veel medische behandelingen. Menigeen stelt een bloedonderzoek of andere medische behandeling uit. Soms met grote gevolgen. Soms zit dat in angst. Soms in een verstandelijke of lichamelijke beperking of een sterke kokhalsneiging. Vaak is het een combinatie van factoren, die maakt dat een behandeling moeilijk uit te voeren is. Op dat moment verschuift het accent van ‘hoe voer ik deze behandeling uit’ naar ‘wat heeft deze patiënt nodig om prettig behandeld te kunnen worden’. Meer dan techniek Bij medische en tandheelkundige opleidingen wordt steeds beter aangeleerd hoe je met angst van patiënten omgaat. Of beter nog: hoe je het voorkomt. Belangrijke ingrediënten hierbij zijn het creëren van voorspelbaarheid voor de patiënt, het geven van de regie aan de patiënt en de behandeling beheersbaar maken. Uiteraard is een zo’n pijnloos mogelijke behandeling daarbij essentieel. Ook zijn er nog relatief eenvoudige technieken, zoals graduele exposure in vivo en bij kinderen de tell-show-(feel-) do methode die aanvullend kunnen worden gebruikt. Voor veel patiënten is dit genoeg om een behandeling beter hanteerbaar te maken. Tegelijkertijd zijn er ook patiënten waarbij deze basistechnieken niet voldoende zijn. Wie regelmatig angstige patiënten behandelt of mensen met een beperking of extreme kokhalsneiging, weet dat er een grens is aan wat je met deze standaardtechnieken kunt bereiken. Zeker bij een acute behandelnoodzaak en een beperkte belastbaarheid van de patiënt kunnen extra middelen wenselijk zijn. Daarbij is het belangrijk een evenwicht te zoeken tussen een middel dat zo licht mogelijk is en tegelijkertijd afdoende om een behandeling goed te kunnen uitvoeren.

Een extra mogelijkheid Sedatie bevindt zich in dat gebied. Je zet het in als aanvulling op de basistechnieken, en alleen in situaties waarin dat nodig is. In de praktijk helpt het om sedatie te zien als onderdeel van een continuüm. Je start in principe altijd, op heel uitzonderlijke situaties na, met de basistechnieken. Pas als dat niet afdoende werkt, kan sedatie worden ingezet. Hiervoor kan verwezen worden naar een specialistische behandelsetting zoals een centrum voor bijzondere tandheelkunde. Heel vaak is dat niet nodig. Neem bijvoorbeeld lachgassedatie. Voor veel artsen, tandartsen en mondhygiënisten is dat iets waar ze niet mee werken, terwijl het een verrassend effectief hulpmiddel kan zijn. Het kan voor de patiënt net genoeg ruimte geven om te ontspannen en voor de behandelaar om de behandeling goed uit te voeren. Wat bij lachgassedatie helpt, is de flexibiliteit. De snelle in- en uitwerking, het feit dat de patiënt aanspreekbaar is en de mogelijkheid om de dosering stap voor stap aan te passen. Het maakt dat je voortdurend kunt afstemmen op wat de patiënt op dat moment nodig heeft. Lachgassedatie kent maar een paar contra-indicaties. Er is scholing nodig en de juiste apparatuur is essentieel. Lachgassedatie werkt bij de meeste patiënten. Het beeld van lachgas wordt de laatste jaren helaas sterk beïnvloed door het recreatieve gebruik ervan. Daarbij wordt lachgas puur ingeademd. Dit in tegenstelling tot het gebruik in de zorg en mondzorg waar een patiënt maximaal 50% lachgas toegediend krijgt, en minimaal 100% zuurstof. Ook is er bij recreatief gebruik geen medische controle en wordt het vaak in combinatie met alcohol of andere middelen gebruikt. Dat is wezenlijk anders dan lachgassedatie, waarbij continue monitoring van de patiënt plaatsvindt. De risico’s van recreatief, zoals verkeersongelukken en neurologische schade, hebben geleid tot veel negatieve publiciteit en aangescherpte wetgeving. Dat is begrijpelijk, en tegelijkertijd jammer omdat bij een goede indicatiestelling en toepassing van lachgas het een veilig en nuttig middel is. Laten we dus het kind niet met het badwater weggooien. Wat je soms pas achteraf ziet Wat mij in de praktijk steeds weer opviel, is dat je soms pas achteraf ziet dat je een patiënt hebt overschat. Dat iemand ogenschijnlijk ‘redelijk behandelbaar’ was, en tegelijkertijd voortdurend over zijn of haar grens ging. Ik kan mij nog goed een patiënt met een lichte verstandelijke beperking herinneren die ik jarenlang met alleen basistechnieken behandelde. De behandeling lukte altijd net. Het was een stille jongen.


die ik jarenlang met alleen basistechnieken behandelde. De behandeling lukte altijd net. Het was een stille jongen. Op een gegeven moment stelde ik hem en zijn moeder voor een keer lachgas toe te passen. Dat wilde hij wel. De behandeling verliep prima. Vanaf dat moment behandelde ik hem een tijd met lachgas. Hij praatte inmiddels honderduit met me. En ook bleek hij voor een bezoek aan mij beter te slapen dan voor ik lachgas gebruikte. Later nam zijn angst af. Toen paste ik alleen nog lachgas toe bij extra spannende behandelingen, zoals een extractie. Het was een leerzame patiënt voor mij. Op het moment zelf leek de behandeling zonder lachgas misschien te gaan. Alleen is de vraag: tegen welke prijs? En deze jongen had me niet durven zeggen hoe moeilijk het voor hem was, ook al vroeg ik er steeds naar. Realiseer je dat je niet altijd het echte antwoord krijgt als je vraagt naar hoe spannend een behandeling is. De verleiding van het uiterste Tegelijkertijd is er een andere beweging zichtbaar. Patiënten, en soms ook behandelaars, die neigen naar het uiterste: een behandeling onder algehele anesthesie. Begrijpelijk, want het lijkt een goed oplossing. Geen angst, geen herinnering, geen gedoe. Tegelijkertijd is het ook een zwaar middel met duidelijke nadelen. Zowel medisch als organisatorisch levert dit niets op. Ook voor de patiënt heeft het geen meerwaarde, omdat het niet bijdraagt aan het leren omgaan met de situatie.

Angstige patiënten? Jij kunt het verschil maken! Tijdens het congres Angst onder controle op vrijdag 27 november 2026 leer je als tandarts, mondhygiënist of assistent hoe je angstige patiënten beter herkent, begrijpt en behandelt. Van kinderangsten en fobieën tot (lachgas) sedatie, hypnose en lokale anesthesie: een inspirerende dag vol praktische handvatten die direct toepasbaar zijn in de praktijk. Het congres vindt plaats in de Prodentfabriek in Amersfoort. Sprekers: Dyonne Broers (regiomanager ouderenzorg), Caroline Pieterse (tandarts angstbegeleiding), Bernadet Spaan (tandarts pedodontoloog), Jean-Pierre Ho (MKA-chirurg) en Tooke Lardenoy-Kleindop (anesthesiemedewerker en hypnose therapeut). Scan de QR-code voor meer informatie en om je aan te melden of ga naar de website: dentalproductpromotions.nl.

Juist daarom is het belangrijk om het gebied daartussen goed te benutten. In plaats van te denken in alles-of-niets oplossingen, is het belangrijk te blijven zoeken naar een goede middenweg. En als je het hebt over sedatie, dan zijn er naast lachgas ook andere middelen beschikbaar. Te denken valt aan orale en nasale sedativa die in allerlei soorten beschikbaar zijn. Ook daar is een indicatiegebied voor. Een belangrijk verschil met lachgas is dat deze middelen niet te titreren zijn (tenzij je het intraveneus toedient, zoals in de zorg gebeurt). De dosering is dus lastig af te stemmen op de behoeften van de patiënt. Een voordeel is dat het goedkope en eenvoudige middelen zijn. Leren en blijven leren Deze zoektocht vraagt iets van ons als behandelaars, in houding, in kennis en in vaardigheden. Sedatie is geen knop die je aanzet. Het is een interventie die je moet begrijpen, beheersen en regelmatig moet toepassen om er vaardig in te blijven. In de basisopleiding tot arts, tandarts en mondhygiënist is er nog niet veel aandacht voor sedatiemogelijkheden. Dat is jammer, omdat je graag als behandelaar een breed palet aan behandelmogelijkheden hebt. Daar hoort sedatie bij. Gelukkig zijn er steeds meer mogelijkheden voor nascholing en groeit de aandacht voor dit onderwerp. Het voordeel van zelf kunnen toepassen van sedatie is dat de patiënt in zijn eigen vertrouwde praktijk kan blijven, omdat je niet hoeft te verwijzen. Terug naar de patiënt Uiteindelijk gaat het daar natuurlijk om. Niet om de techniek, niet om de voorkeur van de behandelaar, maar om wat de patiënt nodig heeft. Soms zijn het de basistechnieken. Soms is het een stap terug doen. En soms is het juist een stap extra zetten, door een vorm van sedatie toe te passen. De kunst is om onderscheid te blijven maken. Steeds opnieuw te kijken wat deze patiënt op dit moment helpt. Zou dat niet de kern van goede zorg en mondzorg zijn? Niet dat we alles kunnen, maar dat we weten wanneer we wat inzetten.

Dyonne Broers is een ervaren professional binnen de mondzorg met een sterke focus op patiëntcommunicatie, angstbegeleiding, sedatie en de praktische toepasbaarheid ervan. Ze is onlangs gepromoveerd op onderzoek naar de redenen waarom patiënten tanden en kiezen laten trekken, ook wanneer daar tandheelkundig geen noodzaak voor bestaat. Ze is regiomanager woonzorg bij ViVa! Zorggroep, een zorginstelling voor ouderen. Zij combineert klinische kennis met een scherp oog voor gedrag en interactie, en weet complexe onderwerpen toegankelijk te maken voor de dagelijkse praktijk. Bij Dyonne staat de vraag centraal: hoe help je patiënten zo, dat ze zelf weer regie ervaren?


ROGEN P

E

ER

P

TE C HNO LOGY

IOR

EEN STRALENDE GLIMLACH KAN ZO EENVOUDIG ZIJN

XIDE SU

HPS

RO

H

YD

Wilt u uw patiënten een mild en gebruiksvriendelijk Whitening systeem bieden dat bij kamertemperatuur kan worden bewaard? De Kulzer Vivida Home Kit biedt een praktische oplossing voor uw praktijk en sluit tegelijkertijd aan op de behoeften van uw patiënten. ■ Ontdek de effectiviteit van de gepatenteerde HPS‑formule: voor een betere stabiliteit, viscositeit en zelfactivatie. ■ Een milde behandelingservaring voor uw patiënten, waarbij gevoeligheid tot een minumum beperkt wordt. ■ Slechts 15–30 minuten behandeltijd per dag – zonder het ongemak van nachtbehandelingen. ■ Bewaren op kamertemperatuur en een houdbaarheid van 36 maanden voor een geoptimaliseerd voorraadbeheer.

De reis naar een stralendere glimlach begint hier: kulzer.nl/vivida-home

HOME KIT

WHITENING 6% HYDROGEN PEROXIDE SUPERIOR


6 verrassende voordelen van ergonomietraining

Duurzame inzetbaarheid verbeteren Matthijs Luitjes

Dat ergonomische optimalisatie de duurzame inzetbaarheid van je team verbetert, wordt wel als logisch gezien. Maar er zijn nog vijf andere voordelen die de meeste praktijkhouders oprecht verrassen. Ik heb ze voor je op een rijtje gezet. 1. Professionelere uitstraling: een observatie uit de praktijk Dit eerste punt is wat ik in de praktijk steeds weer terugzie, eerder dan een directe onderzoeksconclusie. Een professional die gestructureerd en beheerst beweegt, straalt iets uit dat patiënten oppikken, ook al kunnen ze niet altijd benoemen waarom. Het zit in kleine dingen: rust in de handelingen, een houding die controle uitstraalt, geen onnodige spanning of haastige bewegingen. Onderzoek naar professionaliteit in de mondzorg laat zien dat patiënten hun beeld van een behandelaar vormen op basis van waarneembaar gedrag, gegroepeerd in vier factoren: vakkundigheid en communicatie, menselijkheid en betrokkenheid, klinische competentie, en management en taakvervulling (Taibah, 2018). Van alle onderzochte elementen werden hygiëne en infectiepreventie, professionele kleding en uitstraling, en goede communicatie door patiënten als de drie belangrijkste benoemd. Houding en beweging tijdens het werk zijn in dit onderzoek niet apart bevraagd, maar passen mijns inziens naadloos in diezelfde categorie van waarneembaar gedrag waarop patiënten hun oordeel baseren. Wat ik in de praktijk zie, is dat teams die ergonomisch bewuster werken, ook rustiger en zekerder overkomen aan de stoel, en dat patiënten dat als professioneel en geruststellend ervaren. 2. Minder procedurele fouten Een van de meest onderschatte effecten van ergonomietraining is de directe invloed op behandelkwaliteit. Recent onderzoek onder tandartsen toont aan dat optimale positionering en uitlijning tijdens tandheelkundige procedures significant bijdragen aan een vermindering van procedurele fouten (Ratushnyi & Stakhanska, 2024). In die studie werden onder meer onvolledige vullingen, iatrogene perforaties, gemiste kanalen en instrumentbreuk bij wortelkanaalbehandelingen in verband gebracht met de werkhouding van de behandelaar. Interessant genoeg verliep dat verband niet helemaal zoals je zou verwachten: een hogere score op de gebruikte ergonomische risicoschalen hing in deze studie juist samen met minder fouten, niet met meer. Dat laat zien dat ergonomie geen rigide checklist is die je altijd letterlijk moet volgen. Een ervaren behandelaar wijkt soms bewust af van het ‘ideale’ plaatje, omdat dat in een specifieke situatie nodig kan zijn om precisiewerk te kunnen leveren. Goede ergonomische scholing leert je dus niet alleen de juiste houding aan, maar ook het vermogen om aan te voelen wanneer bewust afwijken van het ideaal de uitkomst juist verbetert. Een aanvullende studie bij endodontologen specifiek, bevestigt waar het risico het grootst is: bewegingsanalyse liet zien dat de ergonomische belasting van het hele lichaam bij 80 tot 87% van de behandelaars hoger was tijdens het werken in het vierde kwadrant dan bij werk in met name het eerste of tweede kwadrant (Feige et al., 2024). Vooral de rechterarm en nek bleken daar extra belast. 3. Duurzame inzetbaarheid Dit is het voordeel dat de meeste praktijkhouders natuurlijk wel kennen, maar waarvan ze de omvang zelden goed inschatten. Goede ergonomische kennis en toepassing daarvan, wordt in de vakliteratuur gezien als een voorwaarde voor een gezonde, productieve loopbaan in de tandheelkunde, en het ontbreken daarvan als een directe oorzaak van musculoskeletale klachten (Gupta et al., 2014). Door ergonomische principes vroeg in hun carrière toe te passen, vergroten tandartsen en mondhygiënisten (en assistenten) de kans dat ze hun gezondheid behouden en hun professionele loopbaan kunnen voortzetten tot aan hun pensioen. Wat dat concreet betekent voor een praktijk: minder uitstroom van teamleden als gevolg van klachten, minder verzuim, minder kosten voor vervanging en inwerktrajecten. Onderzoek onder Britse tandartsen die voortijdig met pensioen gingen op medische gronden laat zien hoe groot dat probleem kan zijn: musculoskeletale aandoeningen waren de meest genoemde oorzaak, verantwoordelijk voor 55% van het voortijdig afzwaaien, en 90% van de betrokkenen beschouwde hun gezondheidsklachten als werkgerelateerd (Brown et al., 2010). Een tandarts die een maand thuis zit vertegenwoordigt al snel een omzetderving van rond de 20.000 euro, op basis van de gemiddelde jaaromzet per tandartsstoel (Rabobank, 2016). Structurele ergonomische begeleiding is daarmee geen kostenpost, maar een investering met een meetbaar rendement.


6 voordelen van ergonomietraining

4. Gemeenschappelijk referentiekader Dit voordeel wordt niet vaak benoemd, maar is in de praktijk een van de meest waardevolle effecten van teamtraining. Wanneer een heel team dezelfde ergonomische basisprincipes leert, ontstaat er een gedeelde taal. Dat klinkt mogelijk abstract, totdat je merkt wat het oplevert: snellere afstemming, minder miscommunicatie en een team dat als eenheid functioneert in plaats van als verzameling individuen. Onderzoek bij traumateams in ziekenhuizen bevestigde dit mechanisme: gedeelde referentiepunten helpen teams om hun individuele mentale modellen efficiënter op elkaar af te stemmen, coördinatie te verbeteren en misverstanden te verminderen (Westli et al., 2010). Dat onderzoek vond plaats in een acute crisissetting, wezenlijk anders dan de stabiele, herhalende samenwerking in een tandartspraktijk, dus directe conclusies over de mondzorg zijn op basis hiervan niet te trekken. Wel is het aannemelijk dat de voordelen van een gedeeld referentiekader, verbeterde onderlingen coördinatie en een verminderd aantal misverstanden, ook opgaat in een rustiger samenwerkingsverband zoals dat van behandelaar en assistent. Een gedeeld referentiekader wordt ook gezien als één van de kritische drivers voor hoogwaardige teamprestaties in de zorg, naast zaken als duidelijke communicatie en onderling vertrouwen (Greilich et al., 2023). In een tandartspraktijk, waar assistent en behandelaar in een kleine ruimte nauw samenwerken, is dat referentiekader geen luxe maar een functionele noodzaak. 5. Teamverbinding en praktijksfeer Wanneer een team samen traint, ontstaat er dus meer dan alleen technische verbetering. Het creëert een gezamenlijke ervaring, een moment van investering in elkaar en in de praktijk. Onderzoek onder 124 zorgteams, waarbij een mondzorgcomponent een vast onderdeel vormde, bevestigt dat dit een reële associa-

Wat is de balans tussen inspanning en beloning? Het idee is simpel maar krachtig: mensen ervaren stress op het werk niet zozeer door hard werken op zich, maar door een disbalans tussen wat ze investeren (inspanning: tijd, energie, concentratie, emotionele belasting) en wat ze daarvoor terugkrijgen (beloning: salaris, waardering, erkenning, kansen op ontwikkeling, zekerheid). Dit staat bekend als het ERI-model (Effort-Reward Imbalance) uit de arbeidspsychologie. Concreet voor een tandartspraktijk: iemand die avond aan avond uitloopt, fysiek zwaar werk verzet en zich voortdurend moet concentreren (hoge inspanning), maar weinig waardering, geen doorgroeimogelijkheden of onvoldoende salaris ervaart (lage beloning), loopt een verhoogd risico op stressklachten, burn-out en depressieve klachten, ook al is de werkdruk op papier niet hoger dan bij een collega die zich wel beloond voelt.

tie oplevert: er werd een direct proportioneel verband gevonden tussen teamklimaat en werktevredenheid (Peduzzi et al., 2021). Onderzoek naar een meetinstrument voor teamcohesie in de zorg bevestigt bovendien een samenhang tussen teamcohesie en mentale gezondheid: een hogere teamcohesie ging samen met minder depressieve klachten en een betere balans tussen inspanning en beloning (Lieb et al., 2024). Wat die balans precies inhoudt en waarom dat zo herkenbaar is voor praktijkhouders, staat toegelicht in het kader hieronder. Voor een praktijkhouder die nadenkt over personeelsbehoud is dit een relevant gegeven: investeren in ergonomie is ook investeren in de verbinding binnen het team.


6. Hogere productiviteit van het team De literatuur hier vraagt om een belangrijke nuance, die ook relevant is voor de Nederlandse situatie waar vier-handig werken met een assistent al de norm is. Onderzoek dat ergonomie en vier-handig werken vergelijkt met solo werken zonder assistent laat weliswaar grote productiviteitsverschillen zien, maar dat zegt vooral iets over het verschil tussen wel of niet met een assistent werken, niet over het effect van ergonomie binnen een team dat al vier-handig werkt. Voor de vraag die hier centraal staat, levert ergonomie zelf nog winst op binnen een team dat al goed georganiseerd is, is een andere bron relevanter. Een recente overzichtsstudie bracht specifiek in kaart wat ergonomische interventies (zoals loupes, fysieke trainingsprogramma’s en aangepaste instrumenten) doen met zowel musculoskeletale klachten als prestatie-uitkomsten bij tandartsen en tandheelkundestudenten (Sandoval-Alarcón et al., 2025). Van de 51 geïncludeerde studies keken 10 specifiek naar prestatie-uitkomsten zoals werkefficiëntie, duur van de procedure, instrumentpositionering, en de kwaliteit van het uitgevoerde werk. In 38 van de 51 studies werden positieve effecten van ergonomische interventies gerapporteerd, in 13 studies was het resultaat niet overtuigend, en in geen enkele studie werd een negatief effect gevonden. Dat is een voorzichtig maar consistent positief signaal: ergonomie zelf, los van hoe een team is georganiseerd, draagt bij aan betere prestaties. Carr (2010) beschrijft op basis van uitgebreide praktijkervaring een productiviteitsstijging van circa 20% bij optimaal ergonomisch werken. Het is eerlijk om te vermelden dat dit een klinische observatie is van een gezaghebbend clinicus, geen uitkomst van een gerandomiseerd onderzoek. Een Cochrane-review naar ergonomische interventies bij tandheelkundige beroepsbeoefenaars vond voor de onderzochte uitkomsten slechts bewijs van zeer lage kwaliteit, en concludeerde dat er te weinig goed opgezet onderzoek is om harde conclusies te trekken (Mulimani et al., 2018). De richting van de bevindingen is desondanks consistent: ergonomisch werken kost minder energie en levert meer op. Er is voor tandheelkunde specifiek inmiddels best veel onderzoek naar gedaan, alleen is dat onderzoek nog niet allemaal van het hoogste bewijsniveau. Tot slot Ergonomietraining wordt in de meeste praktijken nog steeds gezien als iets voor wie klachten heeft. Maar de combinatie van voordelen die hierboven beschreven staat, laat zien dat dat beeld te klein is. Duurzame inzetbaarheid is het voordeel dat voor de hand ligt, maar de vijf andere voordelen raken aan iets breders: hoe een praktijk overkomt op patiënten, hoe een team samenwerkt, de mate van vakbekwaamheid, hoe productief en efficiënt het team is, en daarmee dus ook hoeveel de tandheelkundige zorg oplevert. Ergonomie optimaliseren is dus niet alleen een kwestie van klachten verlichten en voorkomen, maar ook een wezenlijk onderdeel van verdere professionalisering van de tandartspraktijk.

Matthijs Luitjes is fysiotherapeut en ergonoom, gespecialiseerd in mondzorgprofessionals. Met zijn bedrijf Ergonomic Solutions (www.ergonomicsolutions.nl) en via LinkedIn helpt hij professionals in Nederland en daarbuiten met het verlichten en voorkomen van werkgerelateerde pijn. info@ergonomicsolutions.nl.

Opleiding Management & leidinggeven 8 december 2026 | Nijkerk Hoe geef je feedback zonder weerstand? Hoe krijg je je team mee in veranderingen? En hoe zorg je ervoor dat niet álles op jouw bordje belandt? Tijdens de 8-daagse opleiding Management & Leidinggeven ga je praktisch aan de slag met meer dan 20 herkenbare managementvraagstukken. Je ontdekt waarom een aanpak werkt, wat het effect is én vooral hoe je dit zelf succesvol toepast.

www.dentalbestpractice.nl

Er zijn nog ple kken vrij! Meld je sn el aan via:


“De behandelaar meet wat er met de mond gebeurt. De patiënt vertelt wat de behandeling met hem of haar doet.”

Benieuwd naar het hele verhaal? Lees verder op de volgende pagina →


Patiëntgerapporteerde uitkomsten in de parodontale en implantologische zorg Davy Chong & Fridus van der Weijden

Een pocketdiepte kan afnemen, een botniveau kan stabiel blijven en een bloeding bij sonderen kan verdwijnen. Op papier is de behandeling geslaagd. Maar hoe weet je of de patiënt dat ook zo heeft ervaren? De behandeling van parodontitis is de afgelopen decennia sterk ontwikkeld. Naast niet-chirurgische behandeling zijn verschillende chirurgische technieken beschikbaar, waaronder resectieve, regeneratieve en mucogingivale chirurgie. Ook implantologische behandelingen kunnen onderdeel zijn van het herstel van de orale functie (Herrera et al., 2022). In de dagelijkse praktijk worden het resultaat en de stabiliteit van deze behandelingen vooral beoordeeld aan de hand van klinische parameters zoals pocketdiepte, klinisch aanhechtingsniveau, bloeding bij sonderen en radiologische botniveaus. Deze parameters zijn onmisbaar voor het beoordelen van ziekteactiviteit en behandelresultaat, maar voor de patiënt vertellen ze niet het hele verhaal. Een behandeling kan vanuit klinisch perspectief succesvol zijn, terwijl de patiënt deze toch als belastend of teleurstellend ervaart vanwege pijn, zwelling, angst, esthetische bezwaren, kosten of een langdurig herstel. Omgekeerd kan een patiënt een behandeling als zeer succesvol ervaren wanneer klachten zoals pijn, spontane bloedingen of hinder duidelijk zijn verminderd, ook wanneer de klinische verbetering beperkt is. Het perspectief van de behandelaar en dat van de patiënt hoeven dus niet altijd overeen te komen (Cairo et al., 2025). Van ziekte naar patiënt Deze constatering past binnen de bredere ontwikkeling van ziektegerichte naar patiëntgerichte zorg. Bij patiëntgerichte zorg wordt niet alleen gekeken naar wat er objectief met de ziekte gebeurt, maar ook naar wat de behandeling voor de patiënt betekent. ‘Patient-reported outcomes’ (patiëntgerapporteerde uitkomsten) zijn uitkomsten die de patiënt zelf rapporteert, zonder interpretatie door de behandelaar. Zij kunnen betrekking hebben op pijn, ongemak, functioneren, psychologisch welzijn en gezondheid gerelateerde kwaliteit van leven (Weldring et al., 2013). De behandelaar meet wat er met de mond gebeurt en de patiënt vertelt wat de behandeling met hem of haar doet. Een geslaagde parodontale behandeling betekent daarom niet alleen dat de ontsteking onder controle is, maar ook dat de patiënt daadwerkelijk verbetering ervaart. Beide perspectieven zijn relevant voor goede zorg.

Dit geldt overigens niet alleen voor parodontale en implantologische behandelingen. Ook bij alledaagse tandheelkundige behandelingen wordt het succes van een behandeling niet uitsluitend bepaald door het technische resultaat, maar ook door de manier waarop de patiënt dit resultaat ervaart. Dat wordt des te belangrijker wanneer er verschillende behandelopties beschikbaar zijn. Een niet-chirurgische en chirurgische behandeling kunnen bijvoorbeeld verschillen in invasiviteit, hersteltijd, postoperatieve klachten, kosten en esthetische gevolgen. Het bespreken van deze aspecten met de patiënt kan helpen om behandelkeuzes beter af te stemmen op diens verwachtingen en voorkeuren. Daarmee sluiten patiëntgerapporteerde uitkomsten aan bij gezamenlijke besluitvorming (“shared decision-making”) en patiëntgerichte zorg (Bonsel et al., 2024). Ook in richtlijnen, wetenschappelijk onderzoek en gezondheidsbeleid groeit de aandacht voor patiëntgerapporteerde uitkomsten. Het meenemen van het patiëntperspectief is daarbij niet alleen wetenschappelijk relevant, maar past ook bij het uitgangspunt dat het uiteindelijke doel van behandeling niet uitsluitend technisch succes is, maar het verbeteren en behouden van gezondheid en functioneren vanuit het perspectief van de patiënt. Patiëntgerapporteerde uitkomsten in de praktijk Het belang van patiëntgerapporteerde uitkomsten is binnen de parodontologie bijzonder duidelijk. Parodontitis zelf verloopt vaak grotendeels asymptomatisch, terwijl de behandeling, met name chirurgische behandeling, juist gepaard kan gaan met pijn, zwelling, bloeding en tijdelijke beperkingen in het dagelijks functioneren. Deze aspecten worden niet of nauwelijks zichtbaar in traditionele parodontale indices. Een succesvolle parodontale behandeling betekent daarom niet alleen dat ontsteking en pockets worden gereduceerd, maar ook dat de patiënt zo snel mogelijk zijn of haar normale functioneren kan hervatten met zo min mogelijk hinder. Dit is bijvoorbeeld relevant bij minimaal invasieve chirurgie, waarbij een belangrijk voordeel juist kan liggen in een geringere postoperatieve morbiditeit en een sneller herstel. Zulke voordelen kunnen echter niet uitsluitend met pocketdiepte, klinisch aanhechtingsniveau of radiologische parameters worden aangetoond. Een recente consensus benadrukt het belang van het combineren van patiëntgerapporteerde en klinische uitkomsten bij de beoordeling van parodontale en implantologische behandelingen (Tonetti et al., 2025). Het meenemen van de patiëntbeleving


kan bovendien van invloed zijn op acceptatie van de behandeling, therapietrouw en het langdurig volgen van ondersteunende parodontale zorg (Baiju et al., 2017). Psychologische factoren spelen hierbij een rol. De patiënttevredenheid kan ook beïnvloed worden door verwachtingen voorafgaand aan de behandeling. Tandheelkundige angst, angst voor pijn en eerdere negatieve ervaringen kunnen de beleving van de behandeling beïnvloeden en samenhangen met de ervaren pijn (Zhang et al., 2019). Goede voorlichting en het bespreken van realistische verwachtingen zijn daarom geen bijzaak, maar een integraal onderdeel van de behandeling. Voor de algemeen practicus betekent dit dat het soms zinvol is om niet alleen te vragen “Hoe ziet het er klinisch uit?”, maar ook “Hoe heeft u de behandeling ervaren?”, “Heeft u ergens last van gehad?” en “Kunt u weer normaal functioneren?”. Juist in de algemene tandheelkundige praktijk kunnen dergelijke eenvoudige vragen waardevolle informatie opleveren. Een restauratie kan technisch perfect zijn, maar als de patiënt bang blijft om erop te kauwen, is het verhaal nog niet helemaal af. Een extractie kan zonder complicaties verlopen, maar als de patiënt dagenlang nauwelijks kan eten of slapen, zegt het klinische dossier daar maar weinig over. Deze informatie vervangt de klinische beoordeling niet, maar laat zien hoe het behandelresultaat er vanuit het perspectief van de patiënt uitziet. Zijn patiëntgerapporteerde uitkomsten relevant voor de algemeen practicus? Patiëntgerapporteerde uitkomsten worden in onderzoek naar parodontale en implantologische behandelingen nog steeds relatief weinig meegenomen. Hierdoor is er weinig informatie beschikbaar over hoe patiënten verschillende behandelingen ervaren en welke factoren hun herstel en tevredenheid beïnvloeden. Voor de algemeen practicus ligt hier echter een belangrijke praktische meerwaarde. De patiëntbeleving kan inzicht geven in aspecten van de behandeling die met een pocketmeting of röntgenfoto niet zichtbaar worden. Denk bijvoorbeeld aan pijn na een chirurgische ingreep, problemen met eten of spreken, onzekerheid over het uiterlijk, angst voor een vervolgbehandeling of juist een onverwacht snel herstel. Het systematisch uitvragen en registreren van deze aspecten kan bijdragen aan betere voorlichting en verwachtingsmanagement, maar ook aan het tijdig herkennen van problemen. Wanneer een patiënt bijvoorbeeld aanzienlijk meer pijn of hinder ervaart dan verwacht, kan dit aanleiding zijn om de nazorg of communicatie aan te passen. Patiëntgerapporteerde uitkomsten kunnen daarmee bijdragen aan kwaliteitsverbetering en aan een meer patiëntgerichte benadering van de gehele tandheelkundige zorg. Uiteindelijk gaat het immers niet alleen om de vraag of een behandeling technisch succesvol is uitgevoerd, maar ook om wat de patiënt eraan heeft gehad. Hoe kunnen patiëntgerapporteerde uitkomsten worden gemeten? Er bestaan verschillende instrumenten om patiëntgerapporteerde uitkomsten vast te leggen, waaronder de Oral Health Impact Profile (OHIP), visueel-analoge schalen (VAS) en Likert-schalen. De keuze voor een instrument hangt af van de vraag die men wil beantwoorden. Een VAS wordt bijvoorbeeld veel gebruikt voor het meten van pijn en ongemak. De patiënt geeft de ervaren intensiteit aan op een schaal van doorgaans 100 mm. Het voordeel hiervan is dat ook relatief kleine veranderingen in klachten kunnen worden geregistreerd (Hawker et al., 2011). Voor de dagelijkse praktijk is

een dergelijke schaal echter niet altijd noodzakelijk. Een eenvoudige, systematische vraag naar pijn, hinder, functioneren en tevredenheid kan al belangrijke informatie opleveren die niet uit de klinische metingen naar voren komt. Bij de interpretatie van patiëntgerapporteerde uitkomsten is verder een belangrijk onderscheid nodig tussen statistische en klinische relevantie. Een statistisch significant verschil betekent niet automatisch dat een patiënt dit verschil ook daadwerkelijk als verbetering ervaart. De “minimally clinically important difference” (MCID) geeft een indicatie van de kleinste verandering die voor een patiënt als betekenisvol wordt ervaren (La Rosa et al., 2024). Voor pijn gemeten met een 100-mm Visual Analogue Scale wordt bijvoorbeeld een verschil van ongeveer 10 mm vaak genoemd als grens voor een klinisch relevante verandering (Myles et al., 2017). Ook moeten patiëntgerapporteerde uitkomsten altijd in de juiste context worden geïnterpreteerd. Leeftijd, psychologische factoren, verwachtingen, eerdere behandelervaringen en sociaal-economische omstandigheden kunnen invloed hebben op hoe patiënten dezelfde behandeling ervaren. Twee patiënten met een vergelijkbaar klinisch resultaat kunnen daarom een heel verschillende beoordeling van hun behandeling geven. Dit benadrukt het belang van een gestandaardiseerde manier van meten wanneer patiëntgerapporteerde uitkomsten voor onderzoek of kwaliteitsverbetering worden gebruikt (Mercieca-Bebber et al., 2018). Uiteindelijk vullen klinische en patiëntgerapporteerde uitkomsten elkaar aan. Een pocketmeting vertelt ons hoe het tandvlees ervoor staat. Een röntgenfoto laat zien wat er met het bot gebeurt. Alleen de patiënt kan ons vertellen wat de behandeling voor hem of haar heeft betekend. Davy Chong en Fridus van der Weijden, Proclin Utrecht


Na het succes van afgelopen editie komt Event Samen Sterk terug! Zien we jou én jouw praktijkhouder daar?

www.eventsamensterk.nl


praktijkmanager_magazine


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
PM_Magazine_2026_2 by Dental Best Practice - Issuu