codex
Historiae
Jaargang 38 | Nummer 4 | 2017
TAAL
2
Redactioneel Met een neerlandica als hoofdredacteur kon het niet uitblijven: een themanummer over Taal. Zij haalde haar hart op bij de Bijzondere Collecties van de Vrije Universiteit, waar studenten zich kunnen vergapen aan eeuwenoude handschriften. Daarover lees je meer op pagina 22. Taal is echter vanuit veel meer invalshoeken historisch interessant; communicatie is immers altijd al een wezenlijk onderdeel van de samenleving en van de identiteit geweest. En dat geldt niet alleen voor gesproken taal, zo lees je op pagina 12. Taal geeft bovendien vorm aan een cultuur. Zo verbeeldt de ontwikkeling van en omgang met African American English de strijd tussen verschillende groepen binnen een cultuur. Meer daarover lees je op pagina 16. Ook kan een machtsstrijd om grondgebied invloed hebben op de taal die in een land gesproken wordt. Hoe dat mogelijk in zijn werk gaat, lees je op pagina 28. Meer weten over het thema? Kijk dan even op onze website, codexhistoriae.nl/themas/taal.
When the editor-in-chief studied Dutch language and culture, you know there has to be an edition on Language someday. Old Dutch language can best be studied at the university’s ‘Bijzondere Collecties’ (Special Collections), which contain centuries-old manuscripts, as you can see on page 22. But there are more historical ways to look at language. After all, language has always been a central part of communities and identities. The article on page 12 shows that it is not only written language that characterizes a society. Furthermore, language shapes a culture, which is demonstrated by the way African American English developed and was treated in society. You can read more about this process in the Dutch article on page 16. The Dutch article on page 28 is about how the expanding of territories can influence the language in the countries concerned. On our website, codexhistoriae.nl, you can find more information about the magazine and about this edition’s theme.
Colofon
Hoofdredactie Berith van Pelt
Gastschrijver
Redactie Berend Mul Bob Vek Jasmijn Groot Jedidja Stikkelorum
Eindredactie Julia Steiner Sanne Lammers Sophia Busselaar Vormgeving Birgit Vredenburg Coverfoto
Financieel mogelijk gemaakt door de Vrije Universiteit Amsterdam. Amsterdam, september 2017. Mail voor vragen naar info@codexhistoriae.nl
Rients de Boer
Lysander Yuen via Unsplash
3
Pagina 6
Pagina 12
Pagina 16
Pagina 22
T.S. Kuhns The structure of scientific revolutions - Berend Mul
Vallen en opstaan
When writing is gone.. Language remains - Jasmijn Groot
Column: Tastbare geschiedenis - Bob Vek
Pagina 24
De taalkundige verovering van Engeland - Jedidja Stikkelorum
Pagina 28
Na de Babylonische spraakverwarring
- Berith van Pelt
Pagina 27
Merlijnpagina - Het Merlijn-bestuuur
Pagina 32
- Rients de Groot
Recensie: Linguistic and Cultural Foreign Policies of European States - Jasmijn Groot
4
Actualiteiten Over oude talen
Vanaf januari 2018 biedt Taalhuis Amsterdam een collegereeks ‘Over oude talen’ aan. In zeven colleges komen verschillende klassieke talen aan bod: het Koptisch, Aramees, Elamitisch, Etruskisch, Sanskriet en Indo-Europees. Je kunt de hele reeks volgen of je inschrijven voor losse colleges. Meer informatie over deze collegereeks vind je op codexhistoriae.nl/themas/taal. Het artikel op pagina 28 geeft een beknopt overzicht van de verscheidenheid aan talen die ooit in het Midden-Oosten werden gesproken. In dit artikel kun je alvast kennismaken met enkele talen die in de collegereeks van Taalhuis Amsterdam worden aangeboden.
Getijdenboek, navolger van Willem Vrelant, ca. 1480, uit Brugge. Detail van een eenhoorn. In bezit van: Museum Catharijneconvent.
Tentoonstelling
Op 23 februari 2018 opent in Museum Catherijneconvent in Utrecht de tentoonstelling Magische Miniaturen. Samen met de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag verzamelde het museum de mooiste miniaturen uit middeleeuwse handschriften; het geeft de bezoekers daarmee een uniek kijkje in de wonderlijke wereld van deze kwetsbare stukken. Bovendien verbeelden de miniaturen niet alleen de middeleeuwse cultuur in Bijbelse taferelen, maar ook afbeeldingen van het dagelijks leven. Meer informatie over de tentoonstelling vind je op codexhistoriae.nl/ themas/taal.
Dietse Doctrinale, ca. 1374, uit Brabant. In bezit van: Koninklijke Bibliotheek Den Haag.
5
6
T.S. Kuhns The Structure of Scientific Revolutions Over wetenschap en de veranderlijke betekenis van woorden
Het jaar 1962 kan worden beschouwd als een mijlpaal in de wetenschapsgeschiedenis en -filosofie. In dat jaar werd The Structure of Scientific Revolutions van Thomas S. Kuhn gepubliceerd, eerst als onderdeel van de International Encyclopedia of Unified Science, en daarna als zelfstandige uitgave. De ideeën die Kuhn uiteenzette in The Structure hebben een onuitwisbare invloed gehad op de wijze waarop wetenschappers en filosofen sindsdien naar de wetenschap kijken. Sommige begrippen die centraal stonden in The Structure zoals ‘paradigm’ en ‘paradigm shift’, zijn inmiddels gemeengoed geworden in academisch taalgebruik en zelfs daarbuiten. Hoewel Kuhns naam wellicht niet zo bekend is onder historici als, bijvoorbeeld, Fernand Braudel (1902-1985) of Michel Foucault (1926-1984), wordt The Structure beschouwd als een van de meest invloedrijke werken uit de twintigste eeuw (Hacking, 2012; Naughton, 2012). Onbedoeld bracht Kuhns boek ook een nieuwe scepsis jegens de wetenschap op gang, die met name terug te zien is in het relativisme en het sociaal constructivisme in veel postmoderne studies op dit gebied (Golinski, 1998). Hoewel The Structure als een van de meest invloedrijke moderne historische studies kan worden beschouwd, was het boek ook bijzonder controversieel toen het uitkwam – een controverse die eigenlijk nog steeds niet helemaal verdwenen is. De kern van dit debat draaide om het
begrip incommensurability, hier vrij vertaald: onderling onvergelijkbaar. Omdat incommensurabiliteit nauw samenhangt met de betekenis van woorden en de rol die taal speelt in de wetenschapsgeschiedenis, zal ik verderop in dit artikel op dit begrip terugkomen. In het kort wilde Kuhn met deze term aanduiden dat er bij een wetenschappelijke revolutie, wanneer twee wetenschappelijke theorieën in concurrentie zijn om de vraag welke theorie als beste door de wetenschappelijke gemeenschap wordt beoordeeld, er geen logisch dwingende reden is om de ene theorie boven de andere te verkiezen. De reden hiervoor is volgens Kuhn dat nieuwe theorieën niet simpelweg voortbouwen op voorgaande theorieën, maar een geheel nieuw denkkader en zelfs een heel andere kijk op de wereld met zich meebrengen. Er zijn buiten de theorieën zelf geen objectieve maatstaven waarlangs zij gelegd kunnen worden ter vergelijking. Omdat het ook niet mogelijk is om de ene theorie te ontkrachten binnen het kader van de andere theorie (omdat beiden fundamenteel verschillende blik op de werkelijkheid veronderstellen), wordt het onmogelijk om te stellen dat de nieuwe theorie een dichtere benadering tot de werkelijkheid biedt dan de voorgaande theorie. De nieuwe theorie biedt alleen een andere benadering. Het is niet verrassend dat juist dit idee insloeg als een bom en voor zoveel controverse zorgde, zeker als we de periode beschouwen waarin het boek is geschreven.
Portret T.S. Kuhn. Bron: Publiek Domein
7 Berend Mul
Landing a man on the Moon and returning him safely to the Earth
Thomas Kuhn (1922-1996) begon zijn carrière aanvankelijk als theoretisch natuurkundige aan de Harvard-universiteit, waar hij daarvoor tevens had gestudeerd en zijn PhD had behaald. Al gedurende zijn promotieonderzoek raakte Kuhn geïnteresseerd in de filosofie en geschiedenis van de wetenschap toen hij in aanraking kwam met verschillende wetenschappelijke theorieën uit het verleden. Tijdens zijn eerste aanstelling als junior fellow aan Harvard besloot hij dan ook om zijn carrière te verschuiven van de natuurkunde naar geschiedschrijving. The Structure was Kuhns tweede boek en legde de basis voor zijn verdere carrière. Overigens stond de geschiedenis van de wetenschap op dat moment al langer in de belangstelling van wetenschappers. Volgens de wetenschapsfilosoof Ian Hacking werd deze interesse in het eigen verleden binnen de wetenschappelijke gemeenschap mogelijk aangewakkerd door de grote doorbraken van de kwantummechanica en Einsteins speciale en algemene relativiteitstheorie in de eerste decennia van de twintigste eeuw (2012). De historische ontwikkeling van de wetenschap werd in deze tijd gezien als een proces van vooruitgang, waarbij wetenschappelijke kennis een steeds betere afspiegeling van de werkelijkheid vormde. Door de eeuwen heen bouwden opvolgende generaties van wetenschappers continu voort op eerdere kennis door middel van
nauwkeurige observatie, rationeel handelen en succesvolle toepassing van de wetenschappelijke methode (en niet zelden individuele genialiteit en een heroïsch doorzettingsvermogen).
Op een gegeven moment hopen de anomalieën echter in zulke mate op dat wetenschappers de heersende theorie zelf in twijfel gaan trekken. In de jaren 1950 en 1960, de periode waarin Kuhn aan zijn historisch onderzoek begon, kreeg de wetenschap en in het bijzonder de natuurkunde een steeds grotere zichtbaarheid in de samenleving (Hacking, 2012). Deze zichtbaarheid werd niet in de minste plaats veroorzaakt door de toenemende dreiging van een allesvernietigende nucleaire oorlog. Desondanks stond het idee dat de wetenschap zelf steeds aan vooruitgang onderhevig was buiten kijf. De kop hierboven is een citaat uit een toespraak van John F. Kennedy op 25 mei 1961 voor het Amerikaanse congres, waarin het plan
8
9 Berend Mul
bekend werd gemaakt om nog voor het einde van het decennium succesvol een bemande vlucht naar de maan en terug te maken (NASA). Het is een voorbeeld van het bijna onbegrensde optimisme en vertrouwen in de wetenschappelijke vooruitgang van deze periode: de sky was al niet langer meer de limit. Of dit algemene maatschappelijke vertrouwen en optimisme in de wetenschap inmiddels is afgevlakt – denk bijvoorbeeld aan de discussies rondom klimaatverandering en vaccinaties – laat ik in dit artikel in het midden, maar dat historici sinds The Structure de geschiedenis van de wetenschap niet langer alleen als een lineaire en cumulatieve vooruitgang tot de staat van kennis in het heden zien, is zonder twijfel.
De structuur van wetenschappelijke revoluties
De titel van de The Structure of Scientific Revolutions maakt duidelijk dat Kuhn meende dat er zoiets als wetenschappelijke revoluties zijn en dat deze een bepaalde structuur hebben die in het boek blootgelegd wordt. Met deze wetenschappelijke revoluties doelde Kuhn overigens niet op de Wetenschappelijke Revolutie van de zeventiende eeuw of op de industrialisering van Europa en NoordAmerika in de negentiende eeuw. Hij beoogde specifieke wetenschappelijke doorbraken die een nieuwe periode inluiden voor het betreffende vakgebied, zoals Newtons mathematische beschrijving van de zwaartekracht, Darwins evolutietheorie of de ontwikkeling van kwantummechanica. Volgens Kuhn was er een structuur te herkennen binnen dergelijke ontwikkelingen. Wat was deze structuur? In kader 1 van dit artikel staat deze structuur schematisch weergegeven. De alledaagse normale wetenschap (normal science), zo stelde Kuhn, houdt zich in tegenstelling tot wat algemeen verondersteld wordt niet bezig met het ontdekken van nieuwe fenomenen of het formuleren van nieuwe theorieën. In plaats daarvan houden wetenschappers zich over het algemeen juist bezig met het oplossen van bekende problemen binnen een bepaald ‘paradigma’. Kuhns gebruik van deze term in The Structure was helaas niet bepaald consistent, zo onderscheidde een auteur eenentwintig verschillende betekenissen in het boek
Voorblad van Atomic War! nummer 4, Ace Magazines, 1953. De Atomic War! stripboekenserie moest lezers overtuigen dat alleen de afschrikkende werking van een sterke en geavanceerde krijgsmacht Amerika kon beschermen tegen een nucleaire oorlog. Bron: wikipedia.org.
(Hacking, 2012). Voor een algemeen begrip kan een paradigma desondanks worden gedefinieerd als een algemeen geaccepteerde theorie en een conceptueel kader op basis waarvan een gemeenschap van wetenschappers impliciet en expliciet haar vraagstellingen en onderzoeksmethoden definieert en bovendien haar observaties van duiding voorziet. Een paradigma is dus tegelijk een verzameling van wetenschappelijke kennis (in de vorm van een wetenschappelijke theorie), maar omvat daarnaast ook vraagstukken die wel door de theorie opgeroepen maar nog niet verklaard worden, en de bewuste en onbewuste denkpatronen of regels aangaande hoe dergelijke vraagstukken gedefinieerd en benaderd moeten worden. Omdat wetenschappers hierbinnen over het algemeen juist toewerken naar een voorspelde uitkomst (die is voorspeld door de theorie) en dit doen binnen een aantal impliciete en expliciete regels, karakteriseerde Kuhn normale wetenschap ook wel als het oplossen van puzzels. Binnen een paradigma voorspelt een theorie bepaalde fenomenen, en wetenschappers proberen door middel van experimenten en observaties de fenomenen in deze voorspellingen empirisch te bevestigen. Tijdens dit proces worden er ook observaties gedaan die eigenlijk niet rijmen met wat de theorie voorspelt. Deze afwijkingen duidde Kuhn aan als anamolies, anomalieën. Soms kan de theorie op basis van deze nieuwe waarnemingen nog preciezer worden afgesteld, maar doorgaans worden dergelijke afwijkingen afgedaan als het gevolg van een verkeerd opgezet experiment, een fout in de observatie zelf, statistische uitschieters, abnormale situaties, interessante maar onbeduidende fenomenen, enzovoorts. Als een paradigma al langere tijd gevestigd is, zijn wetenschappers zich minder bewust van het feit dat zij binnen een specifiek paradigma werken, omdat hun collectieve blik op de werkelijkheid erdoor bepaald wordt. Op een gegeven moment hopen de anomalieën zich echter in zulke mate op dat wetenschappers de heersende theorie zelf in twijfel gaan trekken. Omdat er echter niet gelijk een alternatieve verklaring voor de bestaande problemen voorhanden ligt, ontstaat er volgens Kuhn een periode van grote onzekerheid en crisis binnen het vakgebied. Binnen deze crisis worden oude veronderstellingen in twijfel getrokken en er worden nieuwe ideeën, methoden, en uiteindelijk theorieën voorgesteld. Tenslotte slaagt één theorie erin om genoeg aanhangers binnen de wetenschappelijke gemeenschap te verzamelen om de voorgaande theorie te vervangen. Er voltrekt zich een wetenschappelijke revolutie. Omdat de vervanging van de oude theorie tegelijk een nieuw paradigma meebrengt worden deze revoluties door Kuhn ook wel anders verwoord als paradigm shifts, paradigmaverschuivingen. De nieuwe theorie is erin geslaagd
10
om de meest prangende problemen die tijdens de periode van crisis onbeantwoord bleven te verklaren, maar roept tegelijk ook weer nieuwe vragen op. Het puzzelen kan weer beginnen en normale wetenschap maakt een doorstart. Het nieuwe paradigma wordt verankerd in nieuwe studieboeken en raakt verspreid door middel van onderwijs en tijdschriftartikelen. Tot de volgende anomalieën zich ophopen …
The Structure geeft als metafoor voor deze omslag de gestalt switch uit de psychologie. Incommensurability
Na het onderscheid tussen normale wetenschap en crises en het begrip van heersende paradigma’s vormt incommensurabiliteit het derde hoofdthema in The Structure. Hoewel de karakterisering van alledaagse wetenschap als ‘puzzelen’ niet meteen op een warm onthaal hoefde te rekenen onder praktiserende wetenschappers, lag de bron van de werkelijke controverse bij Kuhns ideeën over incommensurabiliteit tussen opeenvolgende paradigma’s (Hacking, 2013; Devlin & Bokulich, 2015). Met zijn incommensurabiliteitsthese wilde Kuhn duidelijk maken dat er strikt genomen geen logische reden was om het nieuwe paradigma boven het voorgaande paradigma te verkiezen. Dit betekende overigens niet dat er verder geen goede redenen kunnen zijn om deze keuze te maken: zo kan een nieuwe theorie oplossingen op prangende vragen bieden en reikt het in een tijd van crisis weer nieuwe onderzoeksmogelijkheden aan. Daarnaast hoeft de ‘keuze’ voor het nieuwe paradigma ook lang niet altijd een bewuste keuze te zijn. Waarom was er volgens Kuhn echter geen logische reden om de nieuwe theorie of paradigma te verkiezen boven de oude theorie? De verklaring ligt in het feit dat elk paradigma een fundamenteel andere kijk op de werkelijkheid biedt. Ondanks dat het taalgebruik tussen paradigma’s dikwijls onveranderd blijft, is de betekenis van woorden en van fenomenen elementair veranderd. En buiten de theorieën zelf zijn er geen objectieve maatstaven waarlangs zij gelegd kunnen worden ter vergelijking: elk experiment en elke observatie kan alleen betekenis krijgen binnen het kader van een paradigma, en binnen elk paradigma krijgen deze observaties een andere betekenis toegekend. De zon was voor Ptolemaeus een planeet die
Dubbelzinnige afbeelding van een eend en een konijn die T.S. Kuhn gebruikte ter illustratie van een gestalt switch. Bron: wikimedia.org.
rond de aarde cirkelde, terwijl voor Copernicus de aarde om de zon draait. Beiden keken naar dezelfde fysieke objecten en toch zagen zij en leefden zij in een compleet verschillende werkelijk heid. De begrippen ruimte en tijd hebben een verschillende betekenis voor Newton en Einstein, en hoewel Newtons mechanica in dit voorbeeld wel verklaard kan worden in termen van Einsteins algemene relativiteitstheorie zou dit historisch gezien anachronistisch zijn. Het brengt ons namelijk niet dichter bij de ervaring en het wereldbeeld van Newton, omdat we in het heden (althans, de wetenschappers die zich in deze materie verdiept hebben) kijken door de ogen van Einstein. Volgens Kuhn was de succesvolle introductie van een nieuw paradigma eigenlijk ook niet zozeer de bewuste keuze van de wetenschappelijke gemeenschap, maar worden oude fenomenen opeens anders gezien wanneer de knop om is. The Structure geeft als metafoor voor deze omslag de gestalt-switch uit de psychologie: zodra men de wereld door de bril van het nieuwe paradigma heeft gezien, is het nooit meer mogelijk om dit bewustzijn ongedaan te maken en helemaal terug te keren naar het oude paradigma. De incommensurabiliteitsthese had twee bijzonder controversiële implicaties, namelijk dat de keuze voor een nieuwe theorie of paradigma strikt genomen niet zozeer een logische keuze was die automatisch voortvloeide uit het feit dat de nieuwe theorie een betere afspiegeling van de werkelijkheid biedt, en in de tweede plaats de implicatie dat de paradigma-verschuivingen steeds een radicale breuk met het verleden markeren. De ontwikkeling van wetenschappelijke kennis door de eeuwen heen is, anders dan gedacht, dus geen cumulatief proces geweest. Het idee dat de aarde om de zon draait is immers niet gestoeld op het idee dat de zon ook om de aarde draait!
Besluit
Met name Kuhns ideeën over incommensurabiliteit doen wellicht vermoeden dat hij een wetenschapsscepticus was die de notie van waarheid of vooruitgang afwees. Zo hebben veel latere auteurs, met name binnen de sociologie en antropologie van de wetenschap, The Structure inderdaad geïnterpreteerd. Toch was dit allerminst
11 Berend Mul
Kuhns intentie (Hacking, 2012; Pinnick, 2003). Hij was van mening dat het onmogelijk was om de geschiedenis van de wetenschap te beschouwen als een ontwikkeling waarbij onze opeenvolgende wetenschappelijke theorieën een steeds betere afspiegeling van de werkelijkheid boden. In plaats daarvan stelde Kuhn een alternatieve notie van vooruitgang voor waarbij hij Darwins evolutietheorie als metafoor gebruikte. De geschiedenis van de wetenschap wordt in deze visie wel gekenmerkt door vooruitgang, maar dit is net als evolutie altijd een ontwikkeling van het voorgaande af, en niet een ontwikkeling naar een bepaald doel. Specialisatie is daarbij in beide gevallen het sleutelbegrip. Sinds de publicatie van The Structure 55 jaar geleden zijn er vele commentaren, bewerkingen en kritieken verschenen op Kuhns theorie over het verloop van wetenschappelijke ontwikkeling. Zo heeft de medisch historicus Thomas Fuchs in zijn studie naar vroegmoderne ideeën over de functie van het hart het idee geopperd dat nieuwe paradigma’s onder de oppervlakte ook altijd latente concepties meedragen van voorgaande of rivaliserende paradigma’s, die onder bepaalde omstandigheden weer naar boven kunnen komen (Fuchs, 2001). Fuchs bewerking kan worden beschouwd als een verdere nuancering van het idee dat de wetenschapsgeschiedenis niet gekenmerkt wordt door een eenduidige ontwikkeling, zonder de notie van vooruitgang in zijn geheel te hoeven opgeven. Voor veel andere historici zal Kuhns model misschien wel per definitie (te) schematisch en ahistorisch overkomen. Toch zullen ook zij de invloed van The Structure of Scientific Revolutions niet kunnen ontkennen. 55 jaar na dato zou men zelfs kunnen stellen dat de impact van het boek een voorbeeld is dat ook de geschiedschrijving onderhevig is aan de paradigm shifts die erin worden beschreven.
Verantwoording
Devlin,W. J., & Bokulich, A. (2015). Kuhn's Structure of Scientific Revolutions - 50 Years On. Boston Studies in the Philosphy of Science, 311, 1-4. Fuchs, T. (2001). The Mechanization of the heart: Harvey and Descartes (M. Grene, Vert.). Rochester en Suffolk, Verenigde Staten en Verenigd Koninkrijk: University of Rochester Press. Golinski, J. (1998). Making Natural Knowledge: Constructivism and the History of Science. Cambridge, Verenigd Koninkrijk: Cambridge University Press. Hacking, I. (2012). Introductory Essay in The Structure of Scientific Revolutions 50th Anniversary Edition (4e ed.) (pp. vii-xxxvii). Chicago en Londen, Verenigde Staten en Verenigd Koninkrijk: The University of Chicago Press. Kuhn, K. S. (2012). The Structure of Scientific Revolutions, 50th Anniversary Edition (4e ed.). Chicago en Londen, Verenigde Staten en Verenigd Koninkrijk: The University of Chicago Press. NASA (2004, 24 mei). Excerpt from the 'Special Message to the Congress on Urgent National Needs'. Geraadpleegd van https://www.nasa.gov/vision/space/features/jfk_speech_text. html Naughton, J. (2012, 19 augustus).Thomas Kuhn: the man who changed the way the world looked at science. Geraadpleegd van https://www.theguardian.com/science/2012/aug/19/ thomas-kuhn-structure-scientific-revolutions Pinnick, C. L. (2003). Feminist Epistemology: Implications for Philosophy of Science. In K. Parsons (Red.), The Science Wars: Debating Scientific Knowledge and Technology (pp. 125-140). New York,Verenigde Staten: Prometheus Books.
12
When writing is gone … language remains The case of the Homeric epics There are many misconceptions and prejudices about language (R.L.G., 2011). The necessity of historians to call societies ‘civilized’ when writing is present, for example, unintentionally imparts the vision that societies without writing are societies not worth researching. The Homeric epics prove the contrary. The Homeric epics are generally perceived as the oldest preserved texts in Greek and European history. Its early provenance and its general esteem over the nearly three millennia since its genesis have led to its status as the beginning of Western literature (Graf, 1993; Rutherford, 2005). Famously, the Iliad tells us about specific events taking place over the course of 52 days during the last year of the Trojan War: it centres on the dispute between the king Agamemnon and the hero Achilles, the latter refusing to fight his king’s battles after Agamemnon had taken the slave girl Briseis from him. The Odyssey on the other hand is a nostos (νόστος, a story about a Homeric king’s journey home), the tale of king Odysseus’ adventures on his way back to his beloved island of Ithaca after the Trojan War. The journey is not without its woes: Odysseus has angered Poseidon, the god of the sea, who raises obstacles for him which in the end cause the trip to take about ten years (Iliad & Odyssey). The Homeric epics are attributed to Homer, an elusive author we hardly know anything about. Some accounts about his life used to circulate during ancient times: according to some of these reports, Homer was supposedly blind, for example, or the son of a nymph. But modern scholars say that these stories are mostly legends. Yet, due to the lack of evidence, Homer’s entire existence is taken into question. Consequently, the question has risen amongst modern scholars from different
disciplines whether Homer is the true author of the Iliad and the Odyssey at all. Was Homer a poetic genius? Or could ‘Homer’ be the name of a cultural tradition at the time? These kinds of inquiries are all part of the Homeric Question: the issue concerning, amongst other things, the identity of Homer and the circumstances under which he wrote his works (Finely, 1954; Raaflaub, 1998).
The Homeric Question
The Homeric Question came into existence around the turn of the twentieth century. By then, Homer’s epics already had a phenomenal Nachleben (the afterlife of an author or his/her work in the sense of posthumous adaptations) and were staple curriculum to classicists and historians alike. The epics had not really been challenged, until relatively recently. At the end of the nineteenth century, a major breakthrough had been achieved by a German businessman with a lifelong passion for the Homeric epics. After he had become wealthy with ventures in trading and banking, Heinrich Schliemann (1822-1890) was able to retire at the age of 36. An idle life, however, was not for him. His father had read him the tales of the Iliad and the Odyssey as a child and he would later claim that he had made a vow to excavate Troy when he was only eight years old. That statement indicates in what way he differed from his contemporaries: up until that point, it was generally believed that the Homeric epics were just stories, but Schliemann was convinced that the places mentioned by Homer were
Marble Buste of Homer. Roman Copy of a Greek original (2nd-1st century BCE). British Museum, London.
13 Jasmijn Groot
14
real. In 1871 he travelled to the Mediterranean with a copy of Homer’s works in his hand in search of them. He conducted excavations in Asia Minor, for example, where he found ancient Troy. In his excitement and his inexperience, however, he started digging right away, damaging many of the remains for later generations of archaeologists (Finley, 1954; Morris, 2001). At the end of the nineteenth century, this was not the issue. What was more important was that Troy had been found. Schliemann had unearthed the remnants of the city that – according to his calculations – dated back to the time of Achilles, Agamemnon and Odysseus, which would have been the Mycenaean time. This meant that it was safe to assume that there was some truth to the epics. From that time onwards, it was fervently believed that Homer had written about events that had actually taken place during Mycenaean times (1600-1200 BCE) (Finley, 1954). But was this really true?
Oral tradition
A more convincing theory soon followed. During the beginning of the twentieth century, American linguist Milman Parry (1902-1935) had specialized in Homer’s epics too. His career took an important turn when he met someone who studied in a completely different field. After obtaining a PhD in Classics from the University of Paris, his supervisor Antoine Meillet (1866-1936) introduced Parry to Matjia Murko (1861-1952). Murko was a Slovene scholar who was working on oral epic traditions in Bosnia, a practice in which epic tales were orally transmitted to audiences and from generation to generation. Undoubtedly inspired by Murko’s work, Parry went on to conduct several field studies of his own. Between 1933 and 1935 he made various trips to the former state of Yugoslavia with Albert Lord (1912 -1991). On their trips they studied the Slavic oral tradition that was still very much alive in less literate places. These people had a language, but not the skills to write (Finley, 1954; Raaflaub, 1998). So what happened to their stories, tales and poetry if they could not write them down? According to Parry and Lord, poets have a lot of formulas at their disposal when they perform within an oral tradition: these can range from themes to rhythm, rhyme and rhetorical figures. Poets who have worked extensively with these formulas are able to link them in conventionalized ways and can thus rapidly compose verses on the spot, even performing them for people. Parry saw a link here with his initial field of interest. In the dissertation he wrote in 1928, Parry had already
assessed that the Homeric style is characterized by the use of the same kind of formulas. Consequently, before Homer wrote them down, the stories of the Homeric epics must have been part of a long oral tradition, just like the kind Parry and Lord witnessed in Yugoslavia (Finely, 1954; Morris, 2001; Raaflaub, 1998). Considering the ancient Greek history, this is very plausible. Despite having little evidence to work with, it is generally accepted that the Homeric epics were written down between 800 and 700 BCE (Morris, 2001). It was this particular century that saw a true revolution: it was an era of significant changes, ranging from agricultural to social, political and economic changes. One of the most significant changes of this epoch was the reappearance of writing. Four hundred years before it, around 1200 BCE, the Mycenaean civilization that dominated central Greece had collapsed. Modern historians dub the four centuries that followed the ‘Dark Ages’, as it was thought for a long time that they were a period of stagnation, decline even. Along with the art, culture and palaces of the Mycenaean, scripture disappeared (Morris, 2005). The tales of Troy and Odysseus, which most likely originated during the Early Dark Ages, were not written down for a long time, but transmitted orally by many people over the course of many generations – just like in early twentieth century Yugoslavia (Morris, 2001). It is very likely that Homer and his peers were active during a time of transition: a time when bards were still performing their tales, while others had started to write their material down (Morris 2001). And this material was the accumulation of 400 years of traditional tales that must have been constantly changing, adapting to new realities and new audiences, depending on time or region. It is quite certain that there were dozens of different tales about the Trojan Wars. Likewise, there must have been dozens of them that made it onto paper. Academics believe that an entire Epic Cycle has been written down, consisting of at least ten epic tales about the Trojan War and its heroes and kings, and that the Homeric ones are the only ones that have been preserved (Finley, 1954; Raaflaub, 1998). It is believed by many that times in history have less value when there was no writing, which is one of the reasons why the period from 1200
Heinrich Schliemann in his younger years. Source: wikimedia.org
15 Jasmijn Groot
until 800 BCE in Greece is named the Dark Ages. However, language remained. And since the beginning of the twentieth century, studies have shown that, despite the absence of scripture, the Dark Ages were still a very dynamic epoch in terms of epic storytelling and poetry.
Morris, I. (2001). The use and abuse of Homer. In D. Cairns (Red.), Oxford readings on Homer (Herz. ed., pp. 57-91). Oxford: Oxford University Press. Morris, I. (2005). The Eighth-Century Revolution. Princeton/Stanford Working Papers in Classics, 120507, 1-19.
Finley, M. I. (2009). De wereld van Odysseus [The world of Odysseus] (B. BommeljĂŠ, Vert.). Utrecht: Erven J. Bijleveld.
Raaflaub, K. (1998). A historian's headache: how to read 'Homeric society'? In N. Fischer, & H. van Wees (Red.), Archaic Greece: new approaches and new evidence (pp. 169-193). Londen: Duckworth.
Graf, F. (1993). Griechische Mythologie [Greek mythology. An Introduction] (T. Marier, Vert.). Baltimore, ML: The John Hopkins University Press.
R.L.G. (2011, 15 november). Language is not writing [Blogpost]. Geraadpleegd 28 september 2017, van https:// www.economist.com/blogs/johnson/2011/11/myths
Homer, Ilias & Odyssea [Iliad & Odyssey] (F. Van Oldenburg Ermke, Vert., 1959). Retie: Kempische Boekhandel.
Rutherford, R. (2005). Classical literature. A concise history. Malden, MA: Blackwell Publishing.
Bibliography
16
Vallen en opstaan De ontstaansgeschiedenis van African-American English
“Head Negro In Charge” (HNIC), zo verwees Boston Magazine in april 1998 op de cover naar het hoofd van Harvard University’s Departement van Afro-American Studies. Het verweer van de verantwoordelijke witte redacteur dat zwarte mensen de term ook gebruikten, maakte duidelijk dat hem de gevoeligheid van dergelijk taalgebruik ontging. De toe-eigening van HNIC en de omgang met African American English (AAE) in het algemeen is vanwege het roerige verleden niet meer dan een mijnenveld te noemen. Discussies hadden onder meer betrekking op de legitimiteit van AAE als taalvariant, maar zeker ook op de sociale afwaardering waar haar sprekers mee te maken krijgen. Afro-Amerikanen gebruiken de benaming HNIC doorgaans om kritiek te leveren op het white privilege, maar de verwijzing kan zowel een positieve als een negatieve lading hebben. In het eerste geval heeft het betrekking op AfroAmerikanen die zich hebben weten op te werken tot een positie die voorheen onbereikbaar was voor zwarte personen. HNIC is dan in zekere zin een compliment. Aan de andere kant kan het ook verwijzen naar een persoon van AfroAmerikaanse komaf in een leidende positie die naar de pijpen danst van blanken en zo medeplichtig is aan het in stand houden van white privilege. Zulke voorbeelden van het gebruik van AAE buiten de Afro-Amerikaanse gemeenschap hebben volgens hoogleraar African & African American Studies Marcyliena Morgan (2002) gevolgen voor de identiteit van de groep, aangezien met deze uit de context gerukte taalstijlen normaliter vorm wordt gegeven aan een cultuur. Dergelijke incidenten tonen aan dat
“taal en verbale stijl als producten en instrumenten van culturele praktijken (...) zonder hun culturele kader en sociale context (...) vatbaar zijn voor de interpretatieve mechanismen van een andere cultuur” (Morgan, 2002, p. 6).
De omgang met African American English is vanwege het roerige verleden niet meer dan een mijnenveld te noemen. Kenmerken
Aanvankelijk waren wetenschappers het zelfs niet met elkaar eens of AAE überhaupt als taal op zich mocht worden aangemerkt met een eigen systeem van regels of dat het slechts een dialect is dat de Engelse taal verbastert (Green, 2002). AAE verwijst volgens linguïste Lisa Green echter wel degelijk naar “een taalkundig systeem van communicatie dat wordt gestuurd door goed gedefinieerde regels en wordt gebruikt door sommige Afrikaanse Amerikanen (hoewel niet door allemaal) in verschillende geografische regio’s van de Verenigde Staten en in alle leeftijdsgroepen” (Green, 2004, p. 77). Green (2002; 2004) stelt dat AAE veel kenmerken gemeenschappelijk heeft met Standaardengels en andere varianten, maar hier ook op systematische wijze van verschilt, zowel in klanken, betekenissen
17 Bob Vek
en woord- en zinsstructuren. De beschrijving van de eigenschappen van AAE die nu volgt, is bij lange na niet uitputtend en doet wellicht geen recht aan de taalvariant, maar licht wel de kenmerken uit die voor de leek herkenbaar zullen zijn. AAE roept vaak associaties op met slechte grammatica. In werkelijkheid kent AAE haar eigen grammaticale regels, die afwijken van de norm en daarom op buitenstaanders vreemd overkomen. Green (2004) neemt de zin “Didn’t nobody ask me do I be late for class” als voorbeeld. Aan het begin van de zin is direct de voor AAE kenmerkende vorm van dubbele ontkenning te zien die bekendstaat als negative inversion, waarbij niet alleen twee ontkenningen achter elkaar worden gezet, maar ook in omgedraaide volgorde. Ook het gebruik van ‘be’ valt op. Habitual be wordt vaak aangezien voor incorrect Engels, aangezien ‘be’ lijkt te worden geplaatst op een positie waar één van haar vervoegingen ‘is’, ‘am’ of ‘are’ hoort te staan. Integendeel, de regels van AAE stellen gebruikers in staat met habitual be uitdrukking te geven aan een gewoonte. Alleen dan is dergelijk gebruik van ‘be’ toegestaan. Een laatste vormafwijking is de inbedding van de vraag in de zin. In Standaard engels zou deze er namelijk zo uitzien: “Nobody asked me if I am usually late for class”.
Aanvankelijk waren wetenschappers het bij lange na niet met elkaar eens over de vraag of AAE überhaupt als taal op zich mocht worden aangemerkt of dat het slechts een dialect is dat de Engelse taal verbastert. Ook in de uitspraak zijn enkele herkenbare elementen terug te vinden. Het opvallendst is de beperkte uitspraak van medeklinkers, met name aan het einde van een zin, maar soms ook wanneer de combinatie midden in een woord voorkomt. Dit is bijvoorbeeld het geval voor woorden die eindigen op ‘nd’. Zo wordt ‘spend’ uitgesproken als ‘spen’ en ‘kindness’ als ‘kiness’. Of de inkorting is toegestaan, is afhankelijk van allerlei regels. Niet alleen voor enkele combinaties van medeklinkers bestaan deze richtlijnen, ook hele lettergrepen, woorden, zinsdelen en zinnen zijn hieraan onderhevig. Green (2004) benadrukt dat
Negro dialect Negro English American Negro speech Black communications Black dialect Black street speech
Black English Black Vernacular English African American language African American English African American Vernacular English
Door de afgelopen vijftig jaar heen zijn verschillende termen gebruikt voor ruwweg hetzelfde verschijnsel. Green (2002) wijst op de samenhang van het gebruikte begrip met het sociale klimaat. De benamingen met ‘negro’, ‘black’ en ‘African American’ waren ieder in zwang in de periode dat ook de Afro-Amerikanen zelf als zodanig werden omschreven. dergelijke gebruikspatronen in AAE volledig systematisch zijn en dus niet het gevolg van een slechte grammaticale ontwikkeling van de spreker. De manier van spreken van Afro-Amerikanen wordt volgens Green niet voor niets soms aangeduid als ritmisch, waarmee de luisteraar in werkelijkheid de structurering van AAE aan het werk hoort.
Betwiste oorsprong
Over het ontstaan van AAE bestaat veel onzekerheid. Wel is het een en ander bekend over het ontstaan van de zwarte gemeenschappen in de Verenigde Staten. Hoewel slavernij al veel eerder haar intrede deed in het huishouden en de nijverheid in de Noordelijke koloniën en in de (plantage) landbouw in het Zuiden, nam het aantal slaven een hoge vlucht na de introductie van de cotton gin in de eerste helft van de jaren 90 van de achttiende eeuw. Aangezien het met uitvindingen als deze mogelijk werd op een hoger tempo agrarische producten te verwerken en in het decennium daarop de intercontinentale slavenhandel werd verboden, kwam er met name in de Zuidelijke staten een massale interne handel tot stand. Tussen 1830 en 1840 werden maar liefst 250.000 slaven van de ene naar de andere staat vervoerd. Tussen 1850 en 1860 waren dit er nog steeds ruim 190.000 en had de slavenpopulatie een omvang aangenomen van meer dan vier miljoen personen (Morgan, 2002). Ook na de officiële afschaffing van de slavernij bleef een groot aantal Afro-Amerikanen nog lange tijd in het Zuiden wonen, ondanks de voortgaande repressie onder de Jim Crow-wetten. Pas in de eerste helft van de vorige eeuw vluchtten meer dan een miljoen mensen naar het Noorden in een volksverhuizing die bekend is komen te staan
18
als de Great Migration (1900-1960). Wat dit alles echter voor effect heeft gehad op de taalkundige ontwikkeling van AAE blijft volgens Morgan (2002) onzeker.
Over het ontstaan van AAE bestaat veel onzekerheid. Zo is over de taal waarmee de eerste Afrikanen in de koloniën op het Noord-Amerikaanse continent met elkaar en met anderen communiceerden weinig bekend. Dit geldt zowel voor de oorspronkelijke taal die zij meenamen uit Afrika of het Engels dat zij zich in de loop der tijd al dan niet noodgedwongen aanleerden (Bailey, 2004). Wetenschappers zijn daarom aangewezen op overgebleven getuigenissen van voormalige slaven en vergelijkingen met andere taalvarianten, maar doen ook onderzoek naar “de sociaal-culturele omstandigheden van het slavenleven op plantages in het Zuiden [van de Verenigde Staten], om zo conclusies te trekken over factoren en taalkundige situaties die mogelijk de ontwikkeling van taal onder de slaven hebben beïnvloed”, aldus Green (2004, p. 78). Volgens haar zijn er minstens vijf verschillende zienswijzen op de totstandkoming van het AAE te ontwaren, waarover het debat nog volop woedt en nog steeds geen overeenstemming is bereikt. Zo is er de substraathypothese. Deze gaat ervan
uit dat AAE slechts oppervlakkige kenmerken deelt met Standaardengels en dat het qua zins- en klankstructuren juist veel beter te vergelijken is met de West-Afrikaanse talen van de slaven, die als substraat worden aangemerkt vanwege de ondergeschikte sociale status van haar sprekers. Een andere visie is de creoolse hypothese, die stelt dat AAE van oorsprong een creoolse taal is. Een dergelijk systeem ontstaat wanneer personen zonder gedeelde taal een gesimplificeerde vorm van communicatie ontwikkelen, een pidgin genaamd. Een creooltaal is een doorontwikkelde pidgin met een uitgebreidere woordenschat en grammatica,die voor haar sprekers de moedertaal is. AAE zou in deze benadering een door de slaven meegebrachte creooltaal zijn. Ook met dergelijke varianten vallen namelijk gelijkenissen te ontdekken. Daar tegenover staat juist de opvatting dat AAE wel degelijk is voortgekomen uit het Engels, de anglicistische of dialectologische hypothese. De verwantschap met het Engels is het sterkst en verklaart waarom AAE zoveel gemeenschappelijk heeft met andere varianten van deze taal, met name die uit het Zuiden van de Verenigde Staten en vroegere vormen van Engels. Verder neemt de founder principle-hypothese als uitgangspunt dat de Afrikaanse slaven en hun nakomelingen zich wilden en moesten aanpassen aan de norm in de koloniën, met als gevolg dat het Engels van de grondleggers van Amerika haar invloed kon doen gelden op de taal van de nieuwelingen. Ten slotte is er nog de settler principle-hypothese, die stelt
19 Bob Vek
dat AAE de creatie is van Afrikaanse slaven die in de zeventiende eeuw in contact kwamen met Europeanen.
Maatschappelijke verdeeldheid
Niet alleen in de wetenschappen woedt het debat over de aard en legitimiteit van AAE als variant van het Engels. Morgan (2002) vindt de houding van de Amerikanen tegenover AAE hypocriet en stelt dat deze vol tegenstrijdigheden zit. Tegenover de alomtegenwoordigheid in de moderne popcultuur staat een even wijdverbreide animositeit. Met name in het onderwijs uitte deze problematiek zich. Alle ambiguïteit kwam volgens Morgan in 1996 tot uitbarsting in de discussie rond het besluit van de Unified School District Board of Education van Oakland, Californië, om een speciaal lesprogramma voor sprekers van AAE goed te keuren. AAE werd erkend als primaire taal van Afro-Amerikaanse leerlingen en het idee was om de kinderen het Standaardengels aan te leren door de verschillen met AAE te benadrukken (Green, 2002). Hiermee moest de ontwikkeling van het Standaardengels worden ondersteund, terwijl tegelijkertijd de geschiedenis, cultuur en taal van de Afro-Amerikaanse leerlingen gerespecteerd bleef. Het plan werd echter direct van alle kanten aangevallen, onder meer door conservatieve politici die het als doordravende politieke correctheid van de liberalen zagen. Maar ook vanuit het progressieve Afro-Amerikaanse kamp klonk gemor. Critici lazen er onder meer een poging in om AfroAmerikanen wederom weg te zetten als een groep apart, met een taal die op zijn minst afwijkt en in het slechtste geval zelfs als inferieur wordt bestempeld. Onder de Amerikaanse bevolking waart namelijk het beeld rond van AAE als een “teken van achterstand – cultureel, verbaal en intellectueel [gezien]”, aldus Green (2002, p. 221). Verder dan de vaststelling dat AAE afwijkt van Standaardengels gaan veel alledaagse discussies helaas niet. Morgan (2002) plaatst deze uitspatting in één lijn met twee eerdere gevallen die tot veel ophef hadden geleid: de Ann Arbor-rechtszaak in 1979 en een onderzoek van William Labov in 1985. In de eerstgenoemde rechtszaak klaagden ouders het Ann Arbor-schooldistrict aan omdat deze op structurele basis Afro-Amerikaanse kinderen plaatste in klassen voor zwakke leerlingen. De rechter schaarde zich achter de claim dat de school onvoldoende rekening hield met het
De zogenaamde Black Belt van districten waar in het jaar 2000 Afro-Amerikanen de grootste bevolkingsgroep vormden, tekent zich duidelijk af in het zuidoosten van de Verenigde Staten. Bron: publiek domein.
AAE dat de kinderen van thuis uit meekregen. Labov trok in zijn onderzoek de conclusie dat de taalvarianten van zwarte en witte kinderen steeds verder uit elkaar liepen en dat dit voor de zwarte leerlingen problemen ging opleveren op school. In al deze gevallen wees een aanzienlijk gedeelte van de Afro-Amerikaanse gemeenschap de plannen die uit deze discussies voortkwamen af, terwijl AAE toch op verschillende wijzen en in meer of mindere mate in het beleid werd ingebed.
Tegenover de alomtegenwoordigheid in de moderne popcultuur staat een evenwijdverbreide animositeit. Een van de oorzaken hiervan is dat de consternatie die de gebeurtenissen opleverden volgens Morgan (2002) verder gaat dan zorgen over het onderwijs. Centraal stond het belang van “taal als een symbool van cultuur, politiek, nationalisme, identiteit en macht” (Morgan, 2002, p. 5). De ontwikkelingen wierpen de vraag op wat AAE inhoudt, wie het spreekt en waarom het bestaat. Het werd bovendien een politiek beladen kwestie. “De reactie van de Afro-Amerikaanse gemeenschap op de verschillende plannen en voorstellen legde het bestaan bloot van een sterk geïntegreerde ideologie met betrekking tot taal, cultuur en onderwijs” (Morgan, 2002, p. 5).
Taal van de machthebbers
Schrijfster en taalkundige Rosina Lippi-Green (2004) stelt dat het hele proces van oordelen op basis van taaleigenschappen juist niet meer dan menselijk is. Volgens haar is taal een flexibel middel voor de “emblematische markering van sociale verbanden” (Lippi-Green, 2004, p. 291). Door variatie in de gebezigde taal zijn mensen in staat zichzelf als sociale wezens neer te zetten en aan te geven wie zij zijn en wie zij niet zijn. Volgens LippiGreen wordt het echter problematisch wanneer “mensen foutieve aannames over taal aangrijpen om oordelen te rechtvaardigen die meer van doen hebben met ras, land van herkomst, regionale binding, etniciteit en religie dan met menselijke taal en communicatie” (2004, p. 292). De nodige negatieve geluiden over AAE, nu en in het verleden, zijn hier een gevolg van. Linguïst Salikoko Mufwene (2001) haakt hierbij aan en constateert dat het stigma niet op de taal ligt, maar op haar sprekers.
20
Hij is van mening dat “de stigmatisering van AAE een verlenging was van de verdere segregatie van de Afro-Amerikaanse bevolking na de invoering van de Jim Crow-wetten in 1877” (p. 23). De afwijzing van het AAE lijkt het resultaat te zijn van wat in de taalkunde bekendstaat als standard language ideology. Dit behelst een vooringenomenheid ten faveure van “een geabstraheerde, geïdealiseerde, onveranderlijke gesproken taal die door dominante instituten wordt opgelegd en in stand gehouden” (Lippi-Green, 2004, p. 293).Ten onrechte claimen deze instituten de superioriteit van deze taalvariant en de standaardisering gaat dan ook samen met het wegzetten als minderwaardig van alles wat niet in het plaatje past, en tegelijkertijd met een opwaardering van de uitgedragen standaardvorm. Aangezien de blanke midden- en bovenklasse van oudsher een sociaal en politiek overwicht kennen, is het Engels dat zij spreken tegenwoordig de standaardtaal in de Verenigde Staten. Wanneer zij in aanraking komen met een taalvariant die afwijkt van de norm, weigeren zij mogelijk de verantwoordelijkheid die beide partijen in het communicatieproces dragen om elkaar te begrijpen. In dat geval worden sprekers van de afwijkende taalvariant onevenredig zwaar belast in hun poging te worden gehoord (Lippi-Green, 2004).
Mufwene constateert dat het stigma niet op de taal ligt, maar op haar sprekers. Indien er sprake is van contact tussen twee of meer talen betekent dit dat twee of meer volkeren in contact zijn gekomen en wat hieruit voortkomt heeft altijd te maken met macht en identiteit, stelt Morgan (2002). “Als het resultaat is dat één taal de lingua franca wordt, wil dat zeggen dat de ideologie van een dominante taal of volk de anderen talen of volkeren heeft overweldigd en dat de overwonnenen met deze marginalisering moeten leven” (Morgan, 2002, p. 12). Onderzoek naar AAE is dan ook ten dele een zoektocht naar het vroege contact tussen concurrerende taalgemeenschappen van Noord-Amerika en “de overstijging van individuele gevangenschap tot collectieve identiteit” (Morgan, 2002, p. 13).
The Negro Worker was de krant van de internationale vakbond voor zwarte werknemers. Bron: publiek domein.
Verantwoording
Bailey, R. W. (2004). American English: Its origins and history. In E. Finegan, & J. R. Rickford (Red.), Language in the USA: Themes for the Twenty-first Century (pp. 3-17). Cambridge, Groot-Brittannië: Cambridge University Press. Green, L. (2002). African American English: a linguistic introduction. Cambridge, Groot-Brittannië: Cambridge University Press. Green, L. (2004). African American English. In E. Finegan, & J. R. Rickford (Red.), Language in the USA:Themes for the Twenty-first Century (pp. 76-91). Cambridge, Groot-Brittannië: Cambridge University Press. Lippi-Green, R. (2004). Language ideology and language prejudice. In E. Finegan, & J. R. Rickford (Red.), Language in the USA:Themes for the Twenty-first Century (pp. 289-304). Cambridge, Groot-Brittannië: Cambridge University Press. Morgan, M. (2002). Language, Discourse and Power in African American Culture. Cambridge, Groot-Brittannië: Cambridge University Press. Mufwene, S. S. (2001). What Is African American English?. In S. L. Lanehart (Red.), Sociocultural and Historical Contexts of African American English (pp. 21-52). Amsterdam: John Benjamins Publishing.
‘‘
21
Een heerlijk blad over de meest uiteenlopende onderwerpen die allemaal met taal te maken hebben.
’’
(Sylvia Witteman, VK Magazine)
Word lid van Onze Taal, dan ontvang je 10 x per jaar het tijdschrift Onze Taal plus gratis taaladvies per e-mail. Meld je aan via www.onzetaalwebwinkel.nl. advOnzeTaal_Meertaal_7dec2017_ZW.indd 1
07-12-17 15:46
22
Column: Tastbare geschiedenis
De Bijzondere Collecties van de Vrije Universiteit Met de gezonde spanning van een kind in een snoepwinkel betreed ik de studiezaal. Daar ligt het, op een donkerblauw kussen op tafel: een gedrukt werk uit 1587. Als neerlandica en geschiedenisliefhebber is dit een droom die in vervulling gaat: een boek vasthouden dat eeuwen oud is. Dit prachtstuk is onderdeel van de collectie die je niet zelf van de planken in de universiteitsbibliotheek kunt pakken. In het magazijn, dat voor veel studenten een mysterie blijft, bevinden zich deze prachtstukken. Tastbare overblijfselen uit een vervlogen verleden. Maak kennis met de Bijzondere Collecties, dé plek waar liefhebbers van historische letterkunde hun hart kunnen ophalen.
lige handschrift is prachtig versierd met kleurige tekeningetjes in de marge.
De Bijzondere Collecties zijn onderdeel van de universiteitsbibliotheek en bevatten archiefmateriaal, kaarten, academisch erfgoed, kunst, handschriften en oude drukken. Willemien van Dijk, conservator Oude Drukken, wijdde mij in in de wondere wereld van historische geschreven taal. Als conservator heeft zij de taak om op het behoud van de collectiestukken toe te zien en tegelijkertijd te zorgen dat de collectie optimaal gebruikt wordt. En dat is wel eens lastig, want de oude werken zijn kwetsbaar. Daarom gelden er regels in de studiezaal waar studenten en onderzoekers de handschriften en gedrukte werken kunnen inzien: eten, drinken en pennen komen de drempel niet over.
De Delftse Bijbel is het oudste gedrukte werk dat de Bijzondere Collecties in bezit hebben, maar de geschiedenis van de taal op papier gaat nog veel verder terug. Het oudste handschriftfragment in bezit van de Bijzondere Collecties stamt bijvoorbeeld uit de tiende eeuw. Nog ouder zijn de kleitabletten, waarvan de oudste afkomstig is uit de tempel van Nebukadnezar II, de koning van het Nieuw-Babylonische Rijk die zijn meeste bekendheid verkregen heeft door zijn optreden in de Bijbelboeken Daniël en Jeremia.
Op een tafel waar verder alleen papier en een potlood liggen, vormt het historische werk het absolute middelpunt. Als je door een handschrift bladert, waan je je even een zeventiende-eeuwse schrijver of lezer. Je maakt op deze manier een speurtocht door het verleden. Een ‘historische sensatie’ noemt Van Dijk dat. Zij ervoer zo’n historische sensatie bij een gebedenboek uit 1520 waarnaar ze onderzoek deed. Dit Nederlandsta-
“Unieke werken, zoals de Delftse Bijbel, zijn indrukwekkend,” vindt Van Dijk. Wereldwijd zijn er nog slechts vijftig exemplaren van de Delftse Bijbel in omloop en eentje daarvan is onderdeel van de collectie. Deze druk is daarnaast uniek omdat er na elke druk correcties werden doorgevoerd en omdat decoraties met de hand werden ingekleurd. Bovendien is dit de eerste Nederlandstalige bijbel na een periode waarin alleen in het Latijn gedrukt werd. Hiermee is deze druk representatief voor de ontwikkelingen aan het eind van de vijftiende eeuw.
In de studiezaal, met slechts een potlood en een oud handschrift, beleef je de échte historische Het gebedenboek van Van sensatie. Hooff, ca. 1520. De illustraties
zijn van Cornelia van Wulfschkercke. Bron: Beeldbank Bijzondere Collecties.
23 Berith van Pelt
Alle fasen van de geschreven taal, van de kleitabletten tot de moderne boekdrukkunst, worden vertegenwoordigd in de Bijzondere Collecties. In totaal zijn er ongeveer 80.000 oude drukken in de catalogus te vinden. Toch is de collectie relatief klein, doordat de VU een jonge universiteit is. Pas in de jaren 70 van de vorige eeuw is de universiteit serieus gestart met bibliotheekvorming. “Het voordeel daarvan is dat er altijd gewetensvol verzameld is,” vertelt Van Dijk. “We hebben een smal collectieprofiel.” Dat wil zeggen dat er alleen oude drukken worden aangekocht die betrekking hebben op het Nederlands protestantisme. Dat houdt echter niet in dat alle boeken die inhoudelijk aan deze eis voldoen, worden aangekocht. Van Dijk bekijkt ook of een exemplaar nog niet aanwezig is in een andere openbare bibliotheek. Zo werken andere universiteiten en bibliotheken in het land samen aan een zo compleet mogelijke Nederlandse verzameling oude drukken. En hoewel de meeste aankopen gedaan worden bij
handelaren en verzamelaars die kijk hebben op de waarde van de werken, doet er zich geregeld een Tussen Kunst en Kitsch-achtige situatie voor waarbij zeldzame werken opduiken in privébezit. De collectie van de VU is overigens niet geheel aangekocht; vooral in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw werden er veel grote schenkingen gedaan, waarmee gehele bibliotheken aan de collectie werden toegevoegd. Zo is de bibliotheek van Abraham Kuyper (1837-1920), de stichter van de Vrije Universiteit, onderdeel van de collectie. De verzamelingen die door de jaren heen de Bijzondere Collecties hebben gevormd, zijn ook online in te zien via de Beeldbank. De Beeldbank geeft een mooi inkijkje in de diversiteit van de collectie en de indrukwekkende werken die ze bevat. Een nog mooiere ervaring beleef je echter in de studiezaal. Met slechts een potlood en een oud handschrift. Dat is de échte historische sensatie.
24
De taalkundige verovering van Engeland? Hoe William the Conqueror niet alleen een land overmeesterde Na een onrustige periode vol aanvallen door de gewelddadige Vikingen, staat het Engelse volk in 1066 opnieuw een overzeese aanval te wachten. Het is William I (1028-1087), hertog van Normandië en later bekend als William the Conqueror, die het ditmaal op de Engelse troon heeft gemunt. Na de dood van de kinderloze koning Edward the Confessor (1003-1066) is het voor William duidelijk dat zijn eigen regeringstijd aangebroken is. De Engelse adel en geestelijken kunnen de opvolgingscrisis niet afwenden (Adams, 1905). William, ook wel ‘the Bastard’ genoemd, is de illegitieme zoon van de beruchte Robert I (1000-1035), ook wel geïdentificeerd met de legendarische Robert the Devil, die zijn weinig flatteuze bijnaam kreeg wegens de vermoedelijke vergiftiging van zijn broer. Daarnaast stamt William af van Rollo (ca. 860-933), een Deense krijgsheer die zich na zijn overwinning op de koning van Frankrijk in het keurslijf van feodale leenman liet dwingen en daarmee de eerste hertog van Normandië werd (Pyles, 1964).
Tijdens de slag om Hastings op 14 oktober 1066 behaalt William een grote overwinning en vindt Harold de dood. Maar zelfs na deze succesvolle slag is Engeland niet bereid zich over te geven. De Kerk draagt een nieuwe kandidaat voor, Edgar Ætheling (ca. 1051-1126). Ondertussen weet William steeds meer gebieden te veroveren, waaronder Dover en Canterbury. Wanneer hij zijn oog laat vallen op Winchester, het financiële centrum van de staat en de oude koninklijke residentie, wordt duidelijk dat de opmars van William niet te stoppen is. Na de inname van Winchester vervolgt hij zijn weg naar Londen, maar de stad geeft zich over nog voordat hij daar aangekomen is. De gezanten uit Londen, Edgar, de aartsbisschop van York, bisschoppen en andere belangrijke staatsmannen geven zich over en bezorgen William de kroon. Op Kerstdag 1066 bestijgt William de troon van Engeland (Adams, 1905).
William ziet zichzelf als de rechtmatige opvolger van Edward the Confessor, omdat Edwards grootvader, Richard I, Williams overgrootvader was. Dit maakte Edward tot Williams ‘first cousin once removed’. Hij is echter niet de enige die het op de troon heeft voorzien. Op de dag van Edward’s begrafenis laat Harold Godwineson (ca. 1022-1066), graaf van Wessex en de zwager van Edward, zich tot koning kronen. William ziet de troonbestijging van Harold als een politieke uitdaging en stuurt onmiddellijk een protestbrief naar het Engelse hof. In werkelijkheid weet hij dat dit niet een zuiver diplomatieke kwestie kan blijven. William vormt zo snel mogelijk een groep bondgenoten om zich heen om hem te steunen in zijn militaire strijd tegen Harold (Douglas, 1964).
Nu William koning van Engeland is, heeft hij, zoals Amerikaans kinderboekenschrijver Jacob Abbott het zo gevat verwoordde, “a Herculean task to perform – a double task – viz., to amalgate two nations, and also to fuse and merge two languages into one” (Abbott, 1902, p. 178). Natuurlijk bestaan naties in de tijd van William nog niet zoals wij die vandaag de dag kennen. Engeland en Normandië blijven echter wel twee grote gebiedsdelen met verschillende politieke tradities en uitdagingen die William moet zien te combineren. Hij begint al snel de mannen van Engelse afkomst in zijn huishouden
Het bestuur vanWilliam the Conqueror
Portret van koning William I The Conqueror, onbekende schilder, ca. 1620. Olie op doek. In bezit van: National Portrait Gallery, Londen.
25 Jedidja Stikkelorum
te vervangen door Normandische aristocraten die waren opgeklommen als hertog tijdens zijn regering. Deze aristocraten nemen uiteraard hun eigen tradities en gewoontes mee naar het hof van William. Hierdoor gaat Williams koninklijke huishouden steeds meer lijken op zijn hertogelijke huishouden in Normandië. De bestaande Engelse tradities verdwijnen echter niet, maar vermengen zich met de nieuwe tradities. Op die manier weet William door middel van innovatie en adaptatie een succesvol en stabiel koninklijk bestuur te creëren (Douglas, 1964). Is deze vermenging ook terug te zien in de linguïstische ontwikkelingen na de komst van
William? Christiane Dalton-Puffer (1996), professor aan het departement anglistiek en amerikanistiek aan de Universiteit van Wenen, stelt dat er waarschijnlijk geen sprake is geweest van massale tweetaligheid. In plaats daarvan gebruikt ze de term ‘diglossie’, waarbij twee talen in duidelijk afgebakende leefwerelden gebruikt worden. Dit is volgens Dalton-Puffer in principe geen uitzonderlijke en unieke gebeurtenis, aangezien het Frans in veel Europese landen steeds meer gezien werd als de taal van de aristocratie. Dit betekent niet dat de talen zo strikt van elkaar gescheiden waren dat beïnvloeding in zijn geheel uitbleef. Zo stelde Thomas Pyles (1964), verbonden aan de Universiteit van Florida, dat het Frans vooral uitwerking had
26
op het Engelse vocabulaire. Zo werden er veel nieuwe Franse woorden geïntroduceerd die in de loop van de tijd Engelse equivalenten zouden vervangen. Dit wordt door Dalton-Puffer ook wel ‘Wortschwund’ genoemd, ofwel de vervanging van oude Germaanse woorden door Romaanse leenwoorden tijdens de Middelengelse periode (1100 – 1500).
Door middel van innovatie en adaptatie weet William een stabiele koninklijke administratie te creëren. Ook in de spelling zijn verschillende taalkundige veranderingen aan te wijzen. In het Oudengels werd de zogenaamde letter ‘yogh’ (ȝ) gebruikt om de uitspraak ‘gh’ als die in het woord ‘knight’ en ‘y’ in ‘yield’ weer te geven. Na de Normandische verovering werd de ȝ vervangen door de Franse g. Ook de het gebruik van de v in plaats van de daarvoor gebruikelijke f in woorden als ‘driven’ werd mede door de Fransen gemeengoed in Engeland. Daarnaast is de invloed van het Frans nog steeds zichtbaar in woorden als ‘honor’, ‘honest’ en ‘hour’, waar de h, net als in de Franse taal, onuitgesproken blijft. Een laatste verandering is zichtbaar in de komst van de w. Het gebruik van de u en uu voor de w-klank, zoals dit bekend was geweest in het Oudengels, had in de tussentijd plaatsgemaakt voor een ander symbool. De Normandiërs brachten het Oudengelse gebruik, dat zich inmiddels over het hele continent had verspreid, weer terug in een nieuwe vorm: de letter w (Pyles, 1964).
Williams nalatenschap
Of deze ingrijpende veranderingen enkel het gevolg zijn van de Normandische verovering, is maar de vraag. Zo concludeerde de Duitse wetenschapper R. Mettig, die in 1910 onderzoek deed naar de Franse elementen in het Middelengels, dat de Franse invloed in de periode na 1066 nauwelijks voelbaar was. Pas na 1258 begon er volgens hem daadwerkelijk een toestroom van Franse woorden in het Engelse taalgebruik op gang te komen (Dalton-Puffer, 1996). Hoewel het Frans na de komst van William de taal van de heersende stand werd, bleef het merendeel van de bevolking altijd Engels spreken. Bovendien verzwakten de banden tussen Engeland en Frankrijk in de loop van de tijd, waardoor ook de invloed van het Frans
afnam (Pyles, 1964). Tijdens de Honderdjarige Oorlog stonden de twee landen zelfs als aartsvijanden recht tegenover elkaar. Desondanks is de invloed van William the Conqueror op bestuurlijk gebied groot geweest. Hoewel het grootste deel van de bevolking toentertijd weinig zag veranderen in het dagelijkse leven, werd de Normandische verovering in de twintigste eeuw door Brits historicus David C. Douglas omschreven als “the most revolutionary event in English history between the Conversion and the Reformation” (Douglas, 1964, p. 367). Door oude en nieuwe elementen te combineren, creëerde William een stabiele monarchie die enerzijds de continuïteit bevorderde en anderzijds vernieuwingen garandeerde. Op deze manier klinkt de nalatenschap van William the Conqueror nog steeds door in de Engelse taal.
Verantwoording
Abbott, J. (1902). History of William the Conqueror. New York en Londen: Harper & Brothers Publishers. Adams, G. B. (1905). The History of England: From the Norman Conquest to the Death of John (1066-1216). New York en Bombay: Longmans, Green, and Co. Dalton-Puffer, C. (1996). The French Influence on Middle English Morphology: A Corpus-Based Study of Derivation. Berlijn: Mouton de Gruyter. Douglas, D. C. (1964). William the Conqueror:The Norman Impact Upon England. Berkeley en Los Angeles: University of California Press. Pyles, T. (1964). The Origins and Development of the English Language. New York, Chicago en Burlingame: Harcourt, Brace & World, Inc.
27
Merlijnpagina In het najaarsnummer van CODEX hebben wij, het bestuur van VSGVU Merlijn, ons voorgesteld en hebben we verteld wat onze plannen voor het collegejaar zijn. Inmiddels zijn er een aantal maanden verstreken en hebben wij, samen met onze leden, al flink wat leuke en leerzame activiteiten achter de rug! Zo zijn we met het introductieweekend naar het afgelegen Driebergen gereisd, hebben we de Pyramide (ja, met een i-grec) van Austerlitz bezocht en hebben we, niet geheel onbelangrijk, de Oktoberrevolutie van honderd jaar geleden herdacht. Ook op de verschillende borrels die wij op de VU of in hartje Amsterdam hebben gegeven, is het weer reuzegezellig geweest. En we zijn nog lang niet klaar! Voor het komende academisch jaar staan onder andere nog de grote buitenlandse reis op het programma, de SGN-dag en natuurlijk ons jubileum, dat we groots gaan aanpakken; wij bestaan tenslotte al zestig jaar. In het kader van de feestdagen organiseren wij de Christmas Cocktail Party op vrijdag 22 december en na de kerstvakantie gaan wij een heuse Vestingtour doen in het historische Naarden, onder begeleiding van Erika Kuijpers! Via e-mail en sociale media zullen wij jullie op de hoogte blijven houden van al onze activiteiten en festiviteiten. Wil je dit jaar nog lid worden van Merlijn? Dat is altijd mogelijk. Stuur een mail naar merlijn.fgw@vu.nl of kom even langs in de Sociale Ruimte op de 12e verdieping. Wij hopen jullie te zien tijdens onze activiteiten! Het Merlijn-bestuur 2017–2018 Sean Clark, voorzitter Larissa de Looper, secretaris Tim Jaakke, penningmeester Max Broekhuizen, coördinator extern Tirza Westland, coördinator intern
28
Na de Babylonische spraakverwarring De talen van het MiddenOosten in de Oudheid Het Bijbelboek Genesis verhaalt in vers 11 over de hoogmoed van de mensheid. Door de bouw van de Toren van Babel wilde men de hemel bereiken, maar God strafte de mensen met de Babylonische spraakverwarring en verstrooiing over de gehele aarde. In deze bijdrage wordt een beknopt overzicht gegeven van de verscheidenheid aan talen die ooit in het Midden-Oosten werden gesproken tussen 3300 v.Chr. en 661 n.Chr. Onze kennis van deze talen is gekoppeld aan het geschreven woord: een taal die niet werd geschreven,, heeft vaak ook geen sporen achtergelaten. Daarnaast is de opkomst, verspreiding en ondergang van talen vaak verweven met historische ontwikkelingen zoals de opkomst van nieuwe volkeren, religies en rijken.
De vroegst bekende talen
Het is niet precies bekend wanneer de mensheid voor het eerst taal ging gebruiken om te communiceren. Het is zeker dat dit al tienduizenden jaren gebeurde, vóórdat we voor het eerst bewijs hebben van een gesproken taal. Dit eerste bewijs komt uit Zuid-Irak. In de stad Uruk werd rond 3300 v.Chr. het schrift voor het eerst ontwikkeld voor het Sumerisch. Daarmee is deze taal de oudste die aan ons bekend is. Als gesproken taal was het Sumerisch echter rond 1900 v.Chr. al uitgestorven. Ongeveer tegelijkertijd met het spijkerschrift ontwikkelde zich in Egypte het hiërogliefenschrift voor het Oud-Egyptisch. Na de introductie van het christendom ontwikkelde zich uit het Egyptisch het zogenaamde Koptisch, dat werd geschreven met
een aangepast Grieks alfabet. Als gesproken taal stierf het Koptisch ergens in de late Middeleeuwen uit, hoewel het nu nog steeds als liturgische taal in de Egyptisch-orthodoxe kerk wordt gebruikt. De derde vroegst bekende taal komt uit ZuidwestIran. Dit werd geschreven met het proto-Elamitische schrift dat werd uitgevonden rond 3200 v.Chr. De taal achter dit nog niet ontcijferde schrift is waarschijnlijk het Oud-Elamitisch.
Het spijkerschrift en zijn talen
Het spijkerschrift dat de Sumeriërs rond 3300 v.Chr. ontwikkelden, is een schriftsysteem zoals bijvoorbeeld het Chinese schrift of ons Latijnse alfabet. Het Sumerische spijkerschrift werd uiteindelijk aangepast voor een tiental talen uit het oude Midden-Oosten, waaronder het Akkadisch, Hettitisch, Hurritisch, Elamitisch en Urartees. De belangrijkste spijkerschrifttaal was het Akkadisch, dat werd gesproken en geschreven van ca. 2600 v.Chr. tot aan ca. 300 n.Chr. Het Akkadisch behoort tot de Semitische taalfamilie en lijkt daardoor op het
De belangrijkste processieweg die Babylon inleidde bezien vanuit de stad. Op de plek van het ijzeren hek stond de bekende ‘Ishtar poort’ die zich nu in Berlijn bevindt. Foto: R. de Boer.
29 Rients de Boer
Arabisch, Hebreeuws en Aramees. Het Akkadisch had twee hoofddialecten, het Assyrisch en het Babylonisch, en werd voornamelijk gesproken in Irak. Akkadisch had echter ook zo’n duizend jaar lang (tussen 2000 en 1200 v.Chr.) de status van lingua franca in het gehele Midden-Oosten, waaronder Egypte. Diplomatie en handel werden gedaan in het Akkadisch en daarmee was het feitelijk de eerste wereldtaal.
Een revolutie van onderop: het alfabet
Een nadeel van het spijker- en hiërogliefenschrift is het feit dat men vele honderden, zo niet duizenden tekens en hun verschillende lezingen moest kennen om zich uit te kunnen drukken. De ontwikkeling van het alfabet was daarom een revolutie op het gebied van het schrift. Het alfabet stelde de mensen in staat om alles op te schrijven met een basaal repertoire van slechts twintig à dertig tekens. Het eerste alfabet ontstond rond 1600 v.Chr. op het Sinaï schiereiland, waar arbeiders uit het huidige Israël/Palestina werkten in de mijnen van de farao’s. Zij namen een handgeschreven vorm van het hiërogliefenschrift (genaamd ‘hiëratisch’) over en pasten dit aan om hun eigen
Semitische taal (het Kanaänitisch) mee te schrijven. Dit vormt ook nog steeds de verre basis voor ons huidige alfabet. Een kenmerk van deze en andere vroege alfabetten was dat men van rechts naar links schreef en dat men meestal alleen medeklinkers schreef. Dit laatste is waarschijnlijk een erfenis van het hiërogliefenschrift. Het moderne Hebreeuwse en Arabische alfabet gebruiken overigens nog steeds bijna alleen maar medeklinkers. Ht s lsf w dz tkst lln z zdn schrvn: het is alsof we deze tekst alleen zo zouden schrijven. Het alfabet werd een enorm succes en over de eeuwen ontstonden er talloze varianten om de talen van het Midden-Oosten – en daarbuiten – mee te schrijven. Vanaf 1000 v.Chr. zien we dat er alfabetten waren om de volgende talen mee te schrijven: Hebreeuws en verwante talen(Israël/ Palestina), Aramees (Syrië en Irak), diverse Anatolische talen (Turkije), Oud Zuid-Arabisch (Yemen) en Fenicisch (Libanon). Het Fenicische alfabet heeft een speciale rol: door handelscontacten met de Feniciërs namen de Grieken het Fenicisch alfabet over en pasten dit aan om het Oud-Grieks mee te schrijven. Een belangrijke innovatie hierbij was dat de Grieken ook consequent de
30
klinkers tussen de medeklinkers gingen schrijven. Uiteindelijk zou het Griekse alfabet de inspiratie vormen voor ‘ons’ Latijnse alfabet. Tegelijkertijd met de diverse talen die met alfabetten of spijkerschrift werden geschreven, zien we vanaf 1000 v.Chr. nog een aantal andere talen in het Midden-Oosten: in het noorden van Syrië en Zuid-Turkije werd Luwisch gesproken, een taal verwant aan het Hettitisch dat werd geschreven in zijn eigen unieke hiërogliefenschrift. In Iran werden vanaf 800 v.Chr. diverse Indo-Arische talen gesproken waaronder het Avestisch, Medisch, Oud-Perzisch en Parthisch. Deze talen werden later vaak geschreven met een aangepast Aramees alfabet.
Het Sumerische spijkerschrift werd uiteindelijk aangepast voor een tiental talen uit het oude Midden-Oosten. Tot aan de islam: Aramees en Grieks
Het Aramees werd aanvankelijk alleen gesproken door een lappendeken aan Aramese en Chaldese stammen tussen 1000 en 700 v.Chr. in Syrië en Irak. Mede dankzij deportaties van deze stammen door het Nieuw-Assyrische Rijk over het gehele Midden-Oosten, wist het Aramees zich te verspreiden. Geleidelijk werd het Aramees, dat ook nog eens handig met een alfabet werd geschreven, de dominante taal in het gehele Midden-Oosten. Zo gebruikte het Perzisch-Achaemenidische Rijk (559-333 v.Chr.) het Aramees als rijkstaal en daarmee was het, na het Akkadisch eerder, de tweede ‘wereldtaal’ in het Midden-Oosten. De oosterse orthodoxe kerk maakt nog steeds gebruik van het Syrisch-Aramees als liturgische taal. Deze dominantie van het Aramees zou aanhouden tot aan de islamitische veroveringen. Een andere cruciale gebeurtenis aangaande de talen van het Midden-Oosten in de Oudheid zijn
de veroveringen van Alexander de Grote. Hij wist tussen 333 en 323 v.Chr. het gehele Perzisch-Achaemenidische Rijk op zijn knieën te dwingen. Na Alexander’s dood werd het door hem veroverde rijk verdeeld tussen zijn generaals. Het resultaat was dat de taal van deze heersers, het Grieks, de taal van de elite werd. Hierdoor ontstond de situatie dat de elite in steden als Alexandrië, Jeruzalem, Damascus en Antiochië Grieks spraken, terwijl het gewone volk nog steeds voornamelijk Aramees sprak. Dit verklaart ook waarom het Nieuwe Testament in het Grieks is geschreven. De uitzondering hierop was Iran, waar Indo-Arische talen zoals het Middel-Perzisch en Parthisch zich bleven handhaven. Het Romeinse (en later Byzantijnse) Rijk heeft het westelijk deel van het Midden-Oosten gedurende zo’n zes eeuwen beheerst (van ca. 64 v.Chr. tot aan de komst van de islam), maar het Latijn heeft nooit een rol van betekenis gespeeld: de bovenlaag bleef Grieks spreken en de onderlaag Aramees.
Het einde van de Oudheid: de opkomst van de Islam
Na de islamitische veroveringen van het Perzisch-Sassanidische Rijk (224-652 n.Chr.) en delen van het Byzantijnse Rijk (330-1452 n.Chr.) onder de vier ‘rechtgeleide kaliefen’ (Abu Bakr, Omar, Othman en Ali) tussen 632 en 661 n.Chr. kreeg het Arabisch een permanente voet aan de grond in het Midden-Oosten. Het Grieks als taal van de elite werd al snel verdrongen door het Arabisch en – in een proces van eeuwen – schakelden ook de lagere bevolkingsklassen over op het Arabisch., Griekstalige mensen zouden zich echter tot aan het uiteenvallen van het Ottomaanse Rijk na de Eerste Wereldoorlog handhaven in belangrijke plaatsen zoals Alexandrië en Izmir. Tot aan zéér recentelijk wist ook het Aramees zich nog te handhaven als taal van christelijke minderheden in Zuid-Turkije, Oost-Syrië en Noord-Irak. Dit zogenaamde Neo-Aramees wordt gesproken door de Assyrische christenen. Helaas is deze bevolkingsgroep bijna in zijn geheel door de terreur van IS en andere ontwikkelingen uit het Midden Oosten verdreven.
31 Rients de Boer
De evolutie van het teken SAG “hoofd”, 3000-1000 v.Chr.
Balans: de talen van het huidige Midden-Oosten
Het bovenstaande verhaal is natuurlijk gesimplificeerd, maar het raakt wel de kern van de taalkundige situatie in het Midden-Oosten van de ontwikkeling van het schrift rond 3300 v.Chr. tot aan de islamitische veroveringen vanaf 632 n.Chr.: een periode van 4000 jaar(!). Als direct resultaat van de islamitische veroveringen spreekt bijna het gehele Midden-Oosten tegenwoordig (een dialect van) het Arabisch, Perzisch of Turks (de introductie van het Turks is weer een ander verhaal). Echter, de dominante talen in het Midden-Oosten hiervoor, het Grieks en Aramees, drukken nog steeds hun stempel op deze gebieden.
Als direct resultaat van de islamitische veroveringen spreekt bijna het gehele MiddenOosten tegenwoordig (een dialect van) het Arabisch, Perzisch of Turks. Ook opmerkenswaardig is de onverzettelijk heid van de Indo-Arische talen in Iran en aangrenzende gebieden: vanaf ca. 800 v.Chr. spreekt men hier – ondanks de islamitische veroveringen – een vorm van Perzisch zoals het hedendaagse Farsi of Koerdisch. Zoals in de inleiding gesteld werd, is de taalkundige situatie van het Midden-Oosten voor een groot deel het resultaat van politiek-sociale historische gebeurtenissen. Ook in het huidige Midden-Oosten zijn de processen van taalkundige veranderingen nog steeds aan het werk. Het Engels heeft ook op het Arabisch,Turks en Perzisch een aanzienlijke invloed, maar het valt te bezien wat men over twee of drie eeuwen spreekt in het Midden-Oosten.
Meer weten?
Gzella, H. (2017). De eerste wereldtaal. De geschiedenis van het Aramees. Amsterdam: Athenaeum & Polak. Mieroop, M. van de. (2016). A History of the Ancient Near East ca. 3000-323 BC, 3rd ed. Chichester: Wiley-Blackwell. Loose, A.A. (ed.). (1998). De Talen van het Oude Nabije Oosten. Phoenix, 44(2-3). Leiden: Ex Oriente Lux. Check
Een spijkerschrifttablet, ca. 1850 v.Chr uit Midden-Irak. Foto: R. de Boer.
32
Recensie
Linguistic and cultural foreign policies of European states. 18th-20th centuries Sinds het ontstaan van het concept ‘natiestaat’ worden taal en cultuur gebruikt als cement voor het vormen van een moderne natie: het biedt enerzijds verbintenis tussen haar onderdanen onderling en anderzijds autoriteit aan haar regering. Verschillende Europese landen voeren al vanaf de opkomst van de Romantiek een actief binnenlands beleid met zulke culturele middelen. Zo hebben de meeste moderne westerse staten bijvoorbeeld een algemene taal geformeerd, ter bevordering van een nationale identiteit en politieke stabiliteit. Dit soort voorbeelden van een binnenlands taal- en cultuurbeleid wordt al langer onder de loep genomen. Er is daarentegen minder bekend over buitenlandse beleidsvormen. Een buitenlands taal- en cultuurbeleid is dan ook wat moeilijker te duiden. Dit neemt niet weg dat er concrete signalen aan te wijzen zijn. Na de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld verlangden een aantal westerse Europese naties naar een duidelijkere pan-Europese identiteit, wat leidde tot de oprichting van de European Economic Community (EEC), de voorloper van de EU. Tegelijkertijd nam het ontspruiten van taalinstituten op het continent, dat in de voorgaande eeuw al van start was gegaan, een nog grotere vaart na 1945. Het waren van de bijbehorende landen overduidelijke signalen dat zij hun talen aan de man wilden brengen in andere landen – en dat de ontvangende landen hierin geïnteresseerd waren. Maar hoe ging het er daarvoor aan toe? Voor de twintigste eeuw had de buitenlandse politiek op cultureel vlak een heel geheimzinnige en vaak zelfs onofficiële dimensie: er zijn vaak geen bewijzen van uit politieke sferen. Des te meer moeten historici het hebben van andere soorten bronnen. Maar er is daarnaast nog rekening te houden met andere factoren – intentionaliteit,
de actieve participanten, het verschil tussen het creëren van een nationale taal en de menselijke dimensie van een gesproken taal. Dit zijn slechts een aantal factoren. Het duiden van een buitenlands beleid blijft daardoor complex. Ondanks – of juist vanwege – deze moeilijkheden, hebben een tiental academici een succesvolle poging gewaagd om de geïnteresseerde lezer hier meer over te vertellen. In hun bundel Linguistic and cultural foreign policies of European states. 18th-20th centuries vertellen zij over een aantal casestudies van taal- en cultuurbeleid in Europa, voornamelijk in de achttiende, negentiende en twintigste eeuwen – vanaf het Verdrag van Utrecht en Rastatt (1713 en 1714) tot en met de Eerste Wereldoorlog. Het onderwerp vraagt om een interdisciplinaire benadering. Dit reflecteert zich in de bijdragende auteurs: zij zijn ofwel taalkundigen ofwel geschiedkundigen – of allebei. Hun eindproduct geeft aan dat met de bundeling van deze twee disciplines getoond kan worden welke veranderingen er plaatsvonden in het positioneren en exporteren van talen en culturen. Bovendien wordt constant gedemonstreerd op welke vele verschillende manieren dit gebeurde in de uithoeken van het Europese continent, in een tijd waarin er belangrijke politieke, religieuze en culturele veranderingen plaatsvonden. Konrad Schröder en Nicolla McLelland bijten het spits af met het Duits. En in tegenstelling tot het in deze bundel dominerende Frans was het Duits maar een weinig populaire taal in Europa. Omringd door andere landen waar al lang al een nationale taal kon worden gevormd – Engeland, Frankrijk en zelfs Nederland – kregen de Duitse staten hier pas kans toe na de Napoleontische oorlogen. Wanneer Duitsland zich in 1871 verenigt, zien ze meteen ook de kans schoon om die taal te promoten in later verworven koloniën en op het Europese toneel. Het beleid is helaas
33 Jasmijn Groot
geen lang leven beschoren: al na de Eerste Wereldoorlog neemt de internationale interesse in het Duits af en mogen de Duitsers opnieuw beginnen. Frans is daarentegen een immens populaire taal. De meeste bijdragen in deze bundel gaan dan ook over deze taal. Henri Besse stelt de vraag of de populariteit van het Frans te maken had met een buitenlands beleid of met een zeker prestige. Hij ontleedt de vroeg twintigste-eeuwse theorie van Ferdinand Brunot, die stelde dat de Franse elite in Versailles “une culture consciente” creëerden en dat zij zelf een actieve rol speelden bij de verspreiding van de Franse taal en cultuur op het Europese continent. Besse toont primaire bronnen die deze theorie ondersteunen, maar zet Brunot’s theorie ook tegenover recentere publicaties die het tegendeel bewijzen. Lucien Bély keert terug naar de zeventiende eeuw, naar de regering van Louis XIV. Bély beargumenteert dat het Frans tijdens deze eeuw het algemene Europese medium van diplomatieke communicatie werd, vanwege de macht van de Zonnekoning en door de verspreiding van hugenoten in Europa. Om hun passie voor de Franse taal compleet te maken, schreven beide auteurs hun bijdrage in het Frans. Niet alleen in het Westen van Europa was Frans populair, ook in het Oosten. Derek Offord en Vladislav Rjéoutski beschrijven waarom de Russen het Frans gebruikten. Vanaf de achttiende eeuw werden Russische werken naar het Frans vertaald. In de negentiende eeuw schreven Russische auteurs zelf in het Frans. In beide gevallen werd hetzelfde doel nagestreefd: ze probeerden Europa te informeren over hun land, zodat het onderdeel kon worden van de Europese sfeer. Wellicht schrikt de specificiteit van het thema menig lezer bij voorbaat af, maar daar is eigenlijk geen reden toe. De geschiedenis van taal- en cultuurbeleid is een zeer rijke en is verbonden met vele verschillende aspecten van de Europese geschiedenis, die menig bachelorstudent Geschiedenis zal zijn tegengekomen in de inleidingsboeken van het propedeusejaar. De bronnen voor de meeste theorieën zijn niet enkel van strikt politieke aard, maar bewijzen een zeer dynamische en menselijke omgang met taal en cultuur. De bundel biedt daarmee zeker voor studenten een interessant perspectief naast de vrij algemene lijnen waarmee de achttiende, negentiende en twintigste-eeuwse geschiedenis veelal wordt geschetst. Maar hoe vernieuwend is deze publicatie? In de
inleiding wordt zoals eerder beschreven een wel heel revolutionair nieuw thema beloofd: het zou nog niet vaak onder de loep zijn genomen, er komt veel geheimzinnigheid bij kijken, etc. Dat wekt toch heel wat belangstelling op. Maar dit effect wordt afgebot door de dominantie van het Frans in deze bundel. Menig lezer zal al op de hoogte zijn van de reikwijdte van deze taal op internationaal gebied, zeker in de (pre-)moderne tijd. Daarnaast gaan de meeste bijdragen over de populariteit van de taal, wat niet heel origineel is. Zeker niet in één bundel. Het heeft mede een overschaduwend effect op het artikel van Paolo Pieraccini, die zich als enige niet stort op het Duits of het Frans, maar op het Italiaans: hij achterhaalt het succesverhaal van de door Ernesto Schiaparelli opgerichte organisatie genaamd Associazione Nazionale per Soccorrere i Missionari Cattolici Italiani, die in de twintigste eeuw een flinke vinger in de pap kreeg binnen het Italiaanse koloniale beleid. Ongetwijfeld zal een groot aantal lezers zich afvragen hoe het dan zit met andere onderbelichte Europese talen. Dat betekent zeker niet dat Linguistic and cultural foreign policies geen bijdrage kan leveren aan het geschiedkundige debat over de export van taal en cultuur. Het boek toont een effectieve methode om taal- en cultuurbeleid te identificeren, zelfs wanneer de drijvende kracht erachter bij voorbaat niet helemaal duidelijk is. De bundel maakt echter ook duidelijk dat er op dit gebied nog heel veel mooie vraagstukken en nieuwe uitdagingen in het verschiet liggen. Karène Sanchez-Summerer & Willem Frijhoff (eds.), Linguistic and cultural foreign policies of European states. 18th-20th centuries, Amsterdam University Press, 2017; ISBN: 9789462980600; hardcover; 204 pagina’s; €89,00.
34
codexhistoriae.nl