codex
Historiae
Jaargang 38 | Nummer 3 | 2017
Geluk
2
Redactioneel ‘Wat kun je doen om gelukkiger te worden?’ ‘De gelukkigste mensen zijn te vinden in een middelgrote stad.’ Dit zijn zomaar twee resultaten van een online zoekopdracht naar geluk. In onze huidige samenleving lijkt geluk steeds meer centraal te staan: we moeten ernaar streven om gelukkig te zijn en online lijstjes met tips zijn er genoeg. Geluk is echter een lastig begrip. Want wat is het eigenlijk? En is geluk voor iedereen hetzelfde? Ook historisch gezien is geluk interessant. Daarom bekijken we in deze editie het thema vanuit verschillende oogpunten. Gastschrijver Wouter de Vries laat zien dat geluk niet alleen iets van nu is, maar dat deze complexe emotie ook de historici bezighoudt. Je leest zijn artikel op pagina 6. Het bestaan van geluk houdt echter ook in dat er een tegenovergesteld gevoel moet zijn. Hoe ziet ongeluk eruit en hoe voorkom je dat? Fundamentalistische christenen in Amerika, zoals de leden van de Westboro Baptist Church, hebben daar een duidelijk idee over. Daarover lees je meer op pagina 16. Meer weten over het thema? Kijk dan even op onze website, codexhistoriae.nl/themas/geluk. Hier vind je ook meer informatie over de Maand van de Geschiedenis, die hetzelfde thema heeft.
‘What can you do to become happier?’ ‘The happiest people live in medium-sized cities.’ These are just two results from an online search for happiness. Happiness seems to be an important theme in our society today: we have to search for happiness and online you can find many lists with advice. But happiness is a complex concept. What is it exactly and does it mean the same to everyone? In this CODEX Historiae we look at happiness from different viewpoints. The article written by guest writer Wouter the Vries on page 6 reviews the way historians look at this complex emotion. However, the fact that there is happiness does mean that there is an opposite side of things. Fundamental Christians have a specific idea about unhappiness and how to prevent it. You can read more about that in the article on page 16. In this edition you will only find Dutch articles, but from here on out we will publish at least one English article in every magazine. On our website, codexhistoriae.nl, you can find more information about the magazine and about this edition’s theme.
Colofon Hoofdredactie Berith van Pelt Redactie Berend Mul Bob Vek Jasmijn Groot Jedidja Stikkelorum Roos van Strien
Gastschrijver
Wouter de Vries
Eindredactie Julia Steiner Sanne Lammers Sophia Busselaar Vormgeving Birgit Vredenburg Coverfoto
Financieel mogelijk gemaakt door de Vrije Universiteit Amsterdam. Amsterdam, september 2017. Mail voor vragen naar info@codexhistoriae.nl
Summer of Love, Jim Marshall
3
Pagina 6
Pagina 14
De geschiedenis van geluk
Geluk in de chaos
- Wouter de Vries
Pagina 16
- Berith van Pelt
Pagina 23
God is dead, right?
Merlijnpagina - Bob Vek
Pagina 24
Historische geluksbrengers
- Het Merlijn-bestuur
Pagina 30
Sleutelen aan geluk
- Jedidja Stikkelorum
Pagina 33
Het geluk van in Amsterdam te leven. - Berith van Pelt
- Roos van Strien
Pagina 34
Een tragedie voor gelukszoekers - Jasmijn Groot
4
Actualiteiten Tentoonstelling Als voorwaarde voor een gelukkig leven wordt vaak een goede gezondheid genoemd. De redenen om stadsparken aan te leggen waren dan ook het genieten van de natuur ĂŠn de positieve effecten op de gezondheid. Meer daarover lees je op pagina 14. De tentoonstelling Gelukkig Gezond in het Universiteitsmuseum in Groningen gaat in op de hedendaagse gezondheidsadviezen en de adviezen uit de periode voor 1800. Meer informatie over de tentoonstelling vind je op codexhistoriae.nl/themas/geluk.
Maand van de Geschiedenis Tijdens de Maand van de Geschiedenis worden er door het gehele land allerlei activiteiten georganiseerd die in het teken staan van geluk. We hebben een overzicht gemaakt van de leukste, interessantste en meest bijzondere activiteiten in Amsterdam en omstreken. Je vindt de lijst op onze website, codexhistoriae. nl/themas/geluk.
Geschiedenis goes international Misschien was het je al opgevallen: in deze editie van CODEX vind je zowel een Nederlandstalig als een Engelstalig redactioneel. De VU wordt namelijk steeds internationaler. Daarom wordt er vanaf academisch jaar 2018-2019 ook een Engelstalig studieprogramma Geschiedenis aangeboden. Omdat wij deze studenten ook graag blij maken met CODEX, vind je vanaf het volgende nummer ook een Engelstalig artikel in iedere editie.
Promovendi Het onderzoek aan de Faculteit der Geesteswetenschappen staat niet stil. In elk nieuw nummer van CODEX vind je een overzicht van recent gepromoveerden aan deze faculteit van de Vrije Universiteit Amsterdam. Meer informatie over de proefschriften vind je op codexhistoriae.nl/themas/geluk. u
u
Een van de gezondsheidsadviezen: genoeg beweging. Washington, D.C., circa 1911. “Georgetown basketball.� Georgetown Preparatory School junior varsity.
u
5
Painting of Augustine of Hippo and his mother Monica of Hippo Date 1846
J.M.J. Bouma Epistemic Nostalgia. Associations of Former GDR Cadres in Post-Socialist Germany. M.H.J.G. Osseforth Friendship in Saint Augustine’s Confessions: Between social convention and Christian morals.
6
De geschiedenis van geluk
Hoe historici omgaan met complexe emoties Geluk is overal. Van zelfhulpboeken en boeddhistische leefwijzen tot barometers die het geluk van de wereldbevolking meten. “Doe waar je gelukkig van wordt” is het motto van vrijwel elke millennial. Dat is op zich een heel nobel streven, maar voor zo’n centraal en belangrijk begrip heeft het tot nu toe weinig aandacht genoten van historici. Toegegeven, we kunnen in onze boeken vinden dat de Grieken het eudaimonia of eutychia noemden, maar wat betekent het nou voor ons? Wij historici hebben daar (nog) geen goed antwoord op, en daarom is het mooi dat in oktober het thema van de Maand van de Geschiedenis aan geluk is gewijd. Het lijkt erop dat geluk, en in bredere zin de geschiedenis van ideeën en emoties, in de lift zit en door jonge historici op een frisse manier wordt onderzocht, in binnen- en buitenland. Er is echter één ding dat vrijwel geen enkele historicus betwijfelt: dat geluk een universeel streven is. Op verschillende punten en plaatsen in de geschiedenis kende het misschien verschillende verschijningsvormen, maar het lijkt in de kern van ons wezen te liggen om het te willen hebben. Maar wie beter naar de geschiedenis kijkt, merkt dat daar nog wel wat tegenin te brengen is. Daarom nemen we in het kader van de Maand van de Geschiedenis een duik in de gereedschapskist van de emotiehistoricus. Hoe moet je als historicus omgaan met dit soort complexe concepten en emoties? Hoe universeel is dat streven naar geluk eigenlijk? En is het idee geluk überhaupt wel een tijdloos en eeuwig fenomeen?
Geluk: een tijdloos ideaal?
Volgens historicus Jim Holt valt de geschiedenis van geluk samen te vatten in een aantal kernwoorden: voor de oude Grieken was dit geluk, voor de Romeinen deugd, in de middeleeuwen draaide het om devotie, tijdens de Verlichting om genoegen, en tegenwoordig is geluk een warme, zachte puppy (Holt, 2006). Dit idee is niet nieuw: de afgelopen decennia – eeuwen zelfs – hebben historici het herhaald en uitgebouwd. Er zijn zoveel pagina’s over geluk geschreven dat je er ongelukkig van zou worden. Eén ding hebben deze geschiedenissen gemeen: ze zijn op zoek naar een universeel concept, een tijdloos begrip dat in verschillende perioden de kern bepaalt van het menselijk doen en laten. Om te kijken wat zo’n aanpak kan brengen, volgt hier een korte bespreking van dit grand narrative of happiness. Dit is geen overzicht van de gehele geschiedenis van geluk, maar van slechts een aantal proefboringen. Hoe hebben historici de geschiedenis van geluk teruggevoerd, en blijft er in dat geval nog wel iets van het concept over? Volgens sommige historici is de zoektocht naar geluk zo oud als de geschiedenis zelf. Is het epos van Gilgamesj, een millennia oud verhaal over de Su-
Die Jagd nach dem Glück. Is het streven naar geluk zo oud als de mens? Rudolf Friedrich August Henneberg (1866).
7 Wouter de Vries
merische koning die zijn vriend Enkidu moet verliezen om op zoek te gaan naar onsterfelijkheid, niet een verhaal over de zoektocht naar geluk? Aanhangers van deze opvatting kunnen bijvoorbeeld ook wijzen op de Oudgriekse filosofische stromingen van de Stoïci of de Epicureërs, of de filosofen Plato en Aristoteles, of het feit dat ook een van de eerste grote Westerse geschiedschrijvers, Herodotus (485-425/20 v.Chr.), een van de eerste verhalen uit zijn Historiën aan het begrip wijdt. Wanneer de rijke Lydische koning Croesus de wijze dichter Solon door zijn paleis rondleidt, laat hij zich ontvallen dat hij toch wel de gelukkigste man op aarde moet zijn. Solon verrast de vorst echter door niet hem, maar de inmiddels overleden Tellus van Athene als de gelukkigste man aan te wijzen. Immers, Croesus was dan wel rijk, maar Tellus heeft een goed en vol leven gehad, heeft twee schone zoons, zijn volk had het goed en zijn leven heeft een mooi einde gekend. (Herodotus, Historiën) Het is verleidelijk hier een les in te lezen: niet rijkdom maakt een mens gelukkig, maar het leiden van een goed leven, het doen van goede daden en het hebben van een mooie nalatenschap. Herodotus maakt natuurlijk geen gebruik van het woord ‘geluk’ om aan te duiden wat hij bedoelt. In plaats daarvan maakt
Emoties bevinden zich op het snijvlak van lichaam en geest, van nature en nurture, van biologie en cultuur. hij gebruik van meerdere termen, zoals olbios (gezegend), makarios (gezegend), eutychia (geluk, fortuinlijkheid) en eudaimonia (het hebben van een goed leven). Als we het begrip geluk los zien van het woord geluk, dan geven de woorden die Herodotus gebruikt ons enig inzicht in wat hij precies bedoelt. Geluk, zo vat historicus Darrin McMahon samen, is voor Herodotus en zijn tijdgenoten geen gevoel, geen geestesgesteldheid, maar een eigenschap die we slechts toe kunnen kennen aan een mensenleven. Croesus meent gelukkig te zijn, maar Solon houdt hem voor dat geluk slechts betekent gelukkig te zijn geweest (McMahon, 2006). Herodotus en McMahon wijzen ons daarmee op een tegenstelling die de geschiedenis van geluk
8
lijkt te kenmerken. Enerzijds is geluk iets heel wereldlijks: rijkdom, bezit, het voldoen in onze lusten. Anderzijds draagt de term ook een meer transcendentale betekenis met zich mee: zoals Croesus werd voorgehouden, kan geluk ook het hoogste doel in het leven zijn en draaien om nalatenschap, het goede. Het is deze laatste betekenis die lange tijd dominant lijkt te zijn in de eeuwen die volgen op de opkomst van het christendom. Met name in het vroege begin van de Kerk wordt de weg naar geluk gelopen door te leven in navolging van Christus. Martelaren en kerkvaders als Perpetua, Felicitas en Augustinus, en veel later ook theologen, humanisten en reformisten als Marsilio Ficino, Maarten Luther en Johannes Calvijn zien God als het hoogste goed, en vereenzelvigen hem met zaken die wij misschien als geluk zouden kunnen zien. Ieder op hun eigen manier lijken zij de zoektocht naar God te zien als een zoektocht naar geluk, of in ieder geval naar liefde, waarheid en een voldoening van de ziel (McMahon, 2006). Opvallend genoeg betekenen het humanisme en de renaissance geen verandering voor deze manier van denken. Zelfs in de vijftiende eeuw lijkt men het eeuwige geluk van de dood te verkiezen boven het tijdelijke geluk van het leven. Weinigen hebben deze opvatting duidelijker verwoord dan Marsilio Ficino (1433-1499), een middeleeuwse volger van Plato: “De onsterfelijke ziel is in het sterfelijke lichaam altijd ongelukkig” (Marsilio Ficino, Inleiding tot de Platonische Theologie, V, 10).
Hoe universeel is dat streven naar geluk eigenlijk? Een van de meest kenmerkende periodes uit de geschiedenis van geluk kenmerkt zich door de verschuiving die het geluksbegrip in de zeventiende en achttiende eeuw doormaakt. Waar geluk in de christelijke wereld met name iets voor het leven na deze wereld was, wordt het in deze periode iets waar men vooral in dit leven naar lijkt te moeten streven. Deze opvatting wordt misschien het mooist samengevat door Thomas Jefferson (17431826) in de Declaration of Independence: “We hold these truths to be self-evident: that all men are created equal; that they are endowed by their creator with unalienable rights; that among these are life, liberty & the pursuit of happiness”. Het streven naar geluk – of misschien de jacht op geluk, zoals pursuit zich beter laat vertalen – is niet langer iets dat men moet onderdrukken. In tegendeel: het is iets waar we allen naar moeten streven, en wel hier en nu! Daarmee is geluk de eerste emotie
waarop men wettelijk gezien recht heeft. Belangrijk is dat historici in dit narratief vaak benadrukken dat geluk op dit punt in de geschiedenis een streven werd, maar dat geluk hier niet ontstond. Het werd simpelweg mogelijk gemaakt na een lange tijd van onderdrukking. Deze opvatting van geluk komt al meer overeen met het geluk van onze eigen tijd: dat van zelfhulpboeken, verre reizen en rijke pensioenen. Voor we deze stap zetten, van de achttiende naar de eenentwintigste eeuw, is het goed om te reflecteren op wat deze ‘geschiedenis’ ons heeft gebracht. Want hoewel deze geschiedenis in vogelvlucht een beeld geeft van hoe wij in verschillende perioden over geluk en het leven hebben gedacht, is zij tegelijkertijd niet zonder problemen. Tot nu toe hebben we ons met name beperkt tot een deel van de geschiedenis van geluk in Europa. Betekent dit alles dat geluk bij uitstek iets westers is? Dit is een interessante vraag, die ons voor een veel groter probleem stelt: is geluk wel zo universeel als we tot nu toe hebben aangenomen? Onze eerste reactie zou kunnen zijn: zeker wel! Immers, wie verlangt er nou niet naar een gezond, lang en gelukkig leven? Daarmee doen we echter meteen al een aantal gevaarlijke aannames: we gaan ervan uit dat geluk iets individueels is, iets dat te maken heeft met lichaam én geest en, bovendien, dat geluk het hoogste goed is dat we ons maar kunnen voorstellen. Dit zijn echter allemaal zaken die zowel in geografische als in historische zin nogal veranderlijk zijn. In plaats van ons af te vragen wat geluk is, is het misschien wijzer om ons af te vragen hoeveel soorten geluk er wel niet bestaan! En als de ‘grote denkers’ zoals Plato en Aristoteles ons niet verder kunnen helpen, wie dan wel? Emoties en geschiedenis: geluk als complex begrip Met andere woorden: een geschiedenis van geluk is niet zo simpel als het lijkt. Naast het feit dat zo’n geschiedenis nooit volledig kan zijn, zien we ook dat het meteen veel schade aanricht: om een begrip zo complex als geluk te begrijpen, volstaat het niet om de geschiedenis af te struinen op zoek naar voor ons vergelijkbare zaken. Zoiets wordt al sinds de negentiende eeuw geprobeerd door historici en filosofen, wat tot niets anders leidt dan veel te dikke overzichtswerken die geen recht doen aan de ideeën die zij beschrijven.
De Rede houdt de passies in bedwang: de juiste verhouding tussen gevoel en verstand. Titelplaat van J. F. Senault,The Use Of the Passions.
9 Wouter de Vries
10
Het probleem is namelijk dat dit resulteert in een soortement ideeënhistorisch kolonialisme, waarbij ons eigen eenentwintigste-eeuwse begrip van het fenomeen ‘geluk’ een blauwdruk wordt waar eerdere en andere concepten als eudaimonia en happiness slechts onvolkomen versies van zijn. Maar het grootste bezwaar is misschien nog wel dat geluk hier wordt gereduceerd tot een idee. Geluk is toch iets dat gevoeld wordt? Tegelijkertijd zal geen enkele historicus ontkennen dat onze huidige opvattingen wel degelijk in verband staan met – en zelfs bepaald worden door – het verleden. Geluk speelt in ons leven een grote rol, en als we willen begrijpen hoe en waarom, kunnen we niet alleen naar onszelf kijken. Maar de traditionele geschiedenis van het idee ‘geluk’ volstaat hier niet; het doet niet meer dan het bevredigen van onze nieuwsgierigheid naar ‘hoe het vroeger was’. Hoe pakken we dit aan? Enter emotiegeschiedenis. Het zijn dit soort vragen, over hoe we historische emoties moeten begrijpen, waar emotiehistorici zich de afgelopen decennia mee bezig hebben gehouden. Het idee dat emoties, net als concepten, tijdloze categorieën zijn die iedereen, ongeacht waar of wanneer zij geboren is, kan ervaren, heeft plaats moeten maken voor het idee dat emoties juist tijdsgebonden en veranderlijk zijn. Dat besef begint bij de term ‘emoties’ zelf, die in de kern problematisch is en pas in de negentiende eeuw in zwang raakte. Voorheen maakte men gebruik van termen als ‘passies’, ‘sentimenten’ of ‘lusten’. Dit verschil in terminologie ging gepaard met een verschil in het begrijpen van emoties, hun oorsprong, hun nut en de rol die zij spelen in het menselijk handelen (Dixon, 2005, p. 2; Rosenwein, 2002). Maar ook de manier waarop we met emoties omgaan, of welke emoties we überhaupt voelen, is historisch bepaald. Tegenwoordig zouden wij ‘eergevoel’ niet als een emotie zien, maar zoals de naam al aangeeft, was dit in de negentiende eeuw wel degelijk het geval. Ook emoties die wij al honderden jaren menen te kennen en ervaren, zoals pijn, verdriet en woede, zijn niet in al hun aspecten universeel. Ze hebben dan wel te maken met oerinstincten, maar de manier waarop we ze uiten, evenals de manier waarop we ze ervaren, inzetten en waarderen, is historisch veranderlijk. Wat dit alles zo lastig maakt, is dat de historische verschuivingen waar we het over hebben vaak schuilgaan achter een continuïteit van terminologie. De termen ‘angst’ en ‘woede’ waren in de zestiende eeuw ook in gebruik, en de verschillen tussen het zestiende-eeuwse en het eenentwintigste-eeuwse concept zijn subtiel.
Emoties bevinden zich daarmee op het snijvlak van lichaam en geest, van nature en nurture, van biologie en cultuur. Het zijn complexe fenomenen die een samenspel vormen van processen in onze hersenen, lichamen en onze aangeleerde opvattingen, ideeën en gewoontes. Dat laatste ligt enerzijds in wat emoties opwekt: welke gebeurtenissen zien wij als aanleiding om geëmotioneerd te raken? Wanneer is onze trots gekrenkt, wanneer zijn wij bang? Daarnaast ligt het ook in hoe we met onze emoties omgaan: is angst iets dat onderdrukt moet worden en blijdschap iets dat nagestreefd moet worden?
In plaats van ons af te vragen wat geluk is, is het misschien wijzer om ons af te vragen hoeveel soorten geluk er wel niet bestaan! Een aspect dat met name onderbelicht blijft, is de lichamelijkheid van emoties. Tegenwoordig zijn we geneigd emoties te zien als iets geestelijks en kunnen zij hoogstens een lichamelijke reactie teweegbrengen. In de vroegmoderne periode verwoordde men dat echter anders en waren ‘passies’ onlosmakelijk met het lichaam verbonden. Veel uitdrukkingen, zoals ‘het hart zakt me in de schoenen’, komen voort uit een zeer werkelijke associatie van lichaam en emotie. In het geval van geluk is deze relatie nog vele malen interessanter. Humanisten als Ficino maakten onderscheid tussen de zintuigen (die niet tot begrip van het goede of het eeuwige kunnen leiden) en de geest (die dat wel kan). Hiertegenover stond het humorisch systeem, waarbij de vier lichaamssappen of humoren onze gemoedstoestand bepalen, dat juist blijk gaf van het feit dat emoties in de vroegmoderne periode als tot in de kern lichamelijk werden beschouwd (Arikha, 2007; Gaukroger, 1998). Dit laat al wel zien dat bij geluk de complexiteit nog meer naar voren komt dan bij sommige andere emoties. Naast een gevoel kan het ook een manier zijn om je leven te leiden, een doel waar
Vreugde (gaudium) als goddellijke inspiratie. Heinrich Aldegrever, naar Cornelis Anthonisz (1545). Collectie Rijksmuseum.
11 Wouter de Vries
12
ieder naar streeft. Het is niet alleen een staat van blijdschap of voldoening, maar ook het idee een rijk, goed en mooi leven te hebben. Een geschiedenis van angst zou kunnen beschrijven hoe verschillende culturen of groepen mensen het hebben gedefinieerd, gewaardeerd, er mee om zijn gegaan en wat niet meer. In het geval van geluk kunnen we zelfs daar niet van uitgaan: immers, het verschil tussen wat de oude Grieken als eudaimonia beschreven en wat wij onder geluk verstaan is veel groter. Kortom: geluk als emotie leidt tot een beter begrip dan geluk als idee. Hoewel een emotiegeschiedenis van geluk ons dus kan helpen het fenomeen te begrijpen, zijn we er nog niet. Het is een essentiële aanpak, maar zij kan niet los staan van de context waarin we geluk ervaren. Op welke punten moeten we letten bij het bestuderen van geluk?
Geluk: vijf vertrekpunten
In een artikel dat hij schrijft ter ere van de Maand van de Geschiedenis, maakt historicus Thomas von der Dunk onderscheid tussen twee perioden in de geschiedenis van geluk: vóór en na de Verlichting. In dit verhaal is het christendom de schurk: sinds haar opkomst in de vierde eeuw heeft zij gelovigen voorgehouden om het geluk slechts in het hiernamaals te zoeken, en daar in het ‘voorhiernamaals’ niet te veel over te zeuren. Dat was immers de kern van de verlossing, en deze houding zou de Kerk (en haar al-dan-niet protestante afsplitsingen) tot in de achttiende eeuw volhouden. De achttiende eeuw betekende een breuk: “geluk, of tenminste het nastreven van geluk, werd voortaan een onvervreemdbaar mensenrecht” (von der Dunk, z.j.). Het verhaal van Von der Dunk doet denken aan de traditionele ideeënhistorische overzichten: tot de Verlichting mocht men geen geluk nastreven, daarna wel. Hij neemt daarbij maar aan dat het concept ‘geluk’ tweeduizend jaar lang hetzelfde is gebleven. Zijn betoog laat daarmee precies zien waarom emotiegeschiedenis zo interessant en belangrijk is. Het laat tegelijkertijd zien dat een complex begrip als geluk nu juist schreeuwt om een alternatief historisch perspectief. Van Herodotus tot de Dalai Lama, van Aristoteles tot Von der Dunk, allen nemen zij één ding aan: geluk is iets waar ieder mens naar streeft, en dat streven behoeft nauwelijks toelichting. Maar als we geluk willen begrijpen, moeten we het niet zien als een tijdloos fenomeen waar mensen in verschillende historische perioden een andere invulling aan hebben gegeven. In plaats daarvan wil ik voorstellen dat we de geschiedenis van geluk niet als een geheel zien, maar als een contemporain thema. Het beste kunnen we haar geschiedenis bestuderen aan de hand van
Tot de Verlichting mocht men geen geluk nastreven, daarna wel. allerlei andere ontwikkelingen, zoals toenemende individualisering, economisering en de verinnerlijking van emoties. Als we de geschiedenis van geluk, en daarmee de wortels van onze zoektocht naar een gelukkig leven willen begrijpen, moeten we dat zien in de context van dit soort ontwikkelingen. Niet alleen de vorm, maar ook het streven zelf verandert. Geen invulonderzoek, maar een verkenning van onszelf in relatie tot ons verleden. Hoewel het te ver zou voeren hier tot een volledig historisch begrip van geluk te komen, doe ik wel een aanzet: stof tot nadenken en misschien tot verdere studie. Hier een vijftal punten.
1. Lichaam en geest, hemel en aarde
Een eerste aspect is de dualiteit tussen het aardse en het hemelse karakter van geluk. Tegenwoordig zijn we sterk geneigd om emoties als mentale processen te zien, maar geluk vraagt, zoals we hebben gezien, om een bredere blik. Is geluk iets dat we voelen, of iets dat we nastreven? Het lichaam speelt ook op andere manieren een rol. Opvallend is dat onze huidige geluksopvatting een soortement ‘corporeal turn’ door lijkt te maken – hernieuwde aandacht voor het fysieke lichaam. Onderdeel van een stereotypisch gelukkig leven is niet alleen het hebben van een goed huwelijk, drie kinderen en een afbetaalde hypotheek, maar juist ook het hebben van een gezond lichaam: sport, goed eten en gezond leven voelen goed en leiden uiteindelijk naar geluk. Dit is misschien een andere opvatting van lichamelijkheid dan het geval is bij de humorische opvatting van hoe emoties werken, maar het is wel een nieuw hoofdstuk in de verhouding tussen geluk, lichaam en geest.
2. De economie van geluk
Een tweede aspect waar we rekening mee moeten houden is de economisering van ons geluk. Van verre reizen, cursussen mindfulness en levensverlengende gezondheidszorg: geluk is iets dat we kunnen kopen, of zelfs maken. Deze economisering heeft in zichzelf een lange geschiedenis, een die je misschien zou kunnen doortrekken tot de industriële revolutie, of toch in ieder geval tot het einde van de Tweede Wereldoorlog. Toen transport, communicatie, technologie en zorg voor steeds grotere groepen mensen beschikbaar kwamen, werd ook the pursuit of happiness voor steeds meer mensen mogelijk. Of misschien is het net andersom, en scheppen deze mogelijkheden het idee van geluk zoals wij dat nu ervaren. Hoe dan ook:
13 Wouter de Vries
geluk heeft in onze tijd een ware economie om zich heen gecreëerd, en het is een waardevol product geworden dat we kunnen kopen, verkopen en consumeren (Frey, 2001).
3.The Pursuit of Happiness
Het idee dat geluk iets is dat we na moeten streven, is eveneens iets dat zich heeft vastgezet in onze eenentwintigste-eeuwse geest. Dit heeft natuurlijk te maken met de toegenomen beschikbaarheid van dingen waarmee we gelukkig denken te kunnen worden, maar ook met ons idee van wat geluk dan moet zijn. Het is geen hoger doel waar we in het hiernamaals van kunnen genieten, maar iets waar we hier en nu aan kunnen en moeten voldoen. Wat we daarmee bij voorbaat aannemen is dat het najagen van geluk iets goeds is, en dat het mogelijk is. De Duitse filosoof Schopenauer (1788-1860) stelt bijvoorbeeld dat geluk bij uitstek iets is dat niet gevonden wordt, maar zichzelf aandient (Schopenhauer, 1890). Ook psychologische studies komen zo nu en dan tot de conclusie dat het nastreven van geluk vaak alleen maar leidt tot ongeluk: tegenvallende resultaten leiden dan juist tot ongeluk (Schooler et al., 2003; Grubner, 2011).
4. Individu en democratisering
Om onze huidige obsessie met geluk te willen snappen, moeten we het zien binnen een langere ontwikkeling van individualisering en democratisering. Wat met bovengenoemde derde dimensie samenhangt, is het besef dat wij allen individuen zijn, en dat we vooral naar ons eigen geluk moeten streven. Belangrijker nog: ons ‘recht’ op geluk is democratisch, en jong en oud, arm en rijk verdienen het. In de decennia nadat Thomas Jefferson het recht op het nastreven van geluk in de Declaration of Independence op had genomen, werd de Amerikaanse overheid overspoeld door aanklachten van burgers die meenden dat de regering niet genoeg deed om hen gelukkig te laten zijn. Maar de connectie tussen geluk en individu is op andere punten nog sterker: als we ons leven zien als een project, een levensloop die ons geheel eigen is, dan is geluk misschien wel het enige nastrevenswaardige doel (McMahon, 2006; Hunt, 2014).
5. Man vs. vrouw, Oost vs. West
Een aspect dat vrijwel elke geschiedenis van geluk over het hoofd ziet, is dat het niet alleen per periode verschilt, maar ook per plaats, geslacht of sociale status. Tegenwoordig leven wij West-Europeanen in een redelijk egalitaire samenleving, waarin zowel mannen als vrouwen geluk na kunnen streven. Maar dat was niet altijd het geval. Een geschiedenis van geluk zou op zijn minst aandacht moeten besteden aan het feit dat verschillende mensen niet alleen verschillende kansen op geluk hebben, maar misschien ook wel een heel ander idee van waar
geluk uit moet bestaan! Een soortgelijk probleem vinden we wanneer het gaat om het geografische bereik van de term. Geluk is een heel westers begrip. Betekent dit dat men in China niet gelukkig kan zijn, of alleen op westerse voorwaarden? Duidelijk wordt dit vooral in wetenschappelijke studies: hoe kun je het geluk van westerse mannen ten opzichte van Japanse vrouwen meten, zonder je af te vragen of zij geluk niet heel anders ervaren (if at all) (Creighton-Zollar, 1987; Kaufman, 2009)? Op deze manier wordt duidelijk hoe belangrijk het is dat we een kritische én actuele blik op het verleden werpen. Het begrijpen van waarom we gelukkig willen zijn, dient er niet alleen toe onze nieuwsgierigheid te bevredigen. Het houdt ons ook een spiegel voor die onze tijd laat zien voor wat hij is, en doet ons afvragen of gelukkig zijn wel datgene is wat ons gelukkig maakt.
Meer weten? s Arikha, N. (2007). Passions and Tempers, a History of the Humours. New York: HarperCollins. s Creighton-Zollar, A. (1987). The Contribution of Marriage to the Life Satisfaction of Black Adults. Journal of Marriage and Family, 49(1), 87-92. s Dixon, T. (2005). From Passions to Emotions: The Creation of a Secular Psychological Category. Cambridge: Camridge University Press. s Dunk, T. von der. (z.j.). Pas de Verlichting ontdekte het recht op geluk. Geraadpleegd op 23 mei 2017 van http:// www.maandvandegeschiedenis.nl/page/6380/pas-de-verlichting-ontdekte-het-recht-op-geluk. s Frey, B.S. (2001). Happiness and Economics: How the Economy and Institituions Affect Human Well-Being. Princeton: Princeton University Press. s Gaukroger, S. (Red.). (1998). The Soft Underbelly of Reason: The Passions in the Seventeenth Century. Londen. s Grubner, J. (2011). A Dark Side of Happiness? How, When and Why Happiness Is Not Always Good. Perspectives on Psychological Science, 6(3), 222-233. s Holt, J. (2006, 12 februari). Oh, Joy. The New York Times, p. 20. s Hunt, L. (2014). Writing History in the Global Era. New York: W.W. Norton. s Kaufman, G. (2009). Gender and Marital Happiness in Japan. International Journal of Sociology of the Family, 35(1), 6987. s McMahon, D. (2006). Happiness, a History. New York: Atlantic Monthly Press. s Rosenwein, B. (2002). Worrying about Emotions in History. The American Historical Review, 107(3), 821-845. s Schooler, J.W., Ariely, D., & Loewenstein, G. (2003). The pursuit and assessment of happiness may be self-defeating. In I. Brocas & J.D. Carillo (Red.), The psychology of economic decisions (pp. 41-70). New York. s Schopenhauer, A. (1890). Parerga and Paralipomena: Kleine Philosophische Schriften. Halle: Hendel.
14
Geluk in de chaos Over de Amsterdamse stadsparken
15 Berith van Pelt
In de drukte van een grote stad als Amsterdam vinden inwoners en toeristen dagelijks even rust in de vele stadsparken. Natuurlijk is het Vondelpark het meest bekend, maar ook andere parken binnen en buiten de ring worden steeds populairder. Bijna iedere Amsterdammer bezoekt wel eens een park in de stad. Sommigen om er rust te zoeken, anderen juist om er actief te zijn: het aantal bootcamp-groepjes in de parken neemt alleen maar toe (Van Kempen & Smeets, 2013). Blijkbaar voelen we ons goed in het groen. Maar hoe komt dat? De eerste stadsparken werden in Nederland in de negentiende eeuw aangelegd en waren geïnspireerd op Engelse parken. Zo is het monumentale Vondelpark, toen nog het Nieuwe Park, in 1865 aangelegd in de Engelse landschapsstijl. Deze stijl werd onder meer beïnvloed door de eindeloze rust die de landschapsschilderijen van Rembrandt uitstraalden (Buis, 1985). Een park in deze stijl gaf de bezoekers de illusie dat ze zich in het perfecte natuurlijke landschap bevonden, waar zij rustig konden wandelen (Kurstjens, 1990). Ook nu bezoeken Amsterdammers de stadsparken om er te genieten van de natuur, het landschap en de rust. Kenmerkend voor de Engelse landschapsstijl zijn ‘parksieraden’, gebouwen en decoratieve elementen die in de architectuur van het park zijn opgenomen (Gemeente Amsterdam, z.d.). Deze elementen, die ook in het Vondelpark te vinden zijn, moesten verschillende stemmingen bij de bezoekers oproepen; ze moesten er romantisch, melancholisch of juist vrolijk van worden (Buis, 1985). Het park moest de bezoekers dus een bredere ervaring bieden dan alleen het genieten van de rust. De stadsparken vervullen al sinds hun aanleg meerdere functies dan alleen amusement. Zo werd de frisse lucht in de natuur na de Industriële Revolutie gezien als heilzaam voor de arbeiders, omdat men in de parken zowel lichamelijk als geestelijk kon bijkomen van het zware werk. Het is niet ondenkbaar dat ook nu bezoekers van het
Landschap met stenen brug, Rembrandt Harmensz. van Rijn, ca. 1638, Rijksmuseum.
park de voordelen zien van de frisse natuurlucht (Kurstjens, 1990); in 2013 gaf meer dan de helft van de parkbezoekers aan het park om gezondheidsredenen te bezoeken (Gemeente Amsterdam, z.d.).
Stadsparken vervullen al sinds hun aanleg meerdere functies dan alleen amusement. Daarnaast vervullen stadsparken al decennialang een sociale rol. In de negentiende eeuw kwamen er de maatschappelijke normen en waarden en de verschillen in sociale klasse tot uitdrukking. Zo golden er regels in de parken die door parkwachters werden gehandhaafd. Men mocht bijvoorbeeld het gras niet betreden en het park was zeker niet bedoeld als speelparadijs voor kinderen (Kurstjens, 1990). Tegenwoordig zijn alle lagen van de bevolking welkom in de parken en is het spelen met de kinderen juist een van de redenen om de parken te bezoeken (Van Kempen & Smeets, 2013).
Meer weten? s Buis, J. (1985). Historia forestis: Nederlandse bosgeschiedenis deel 1. Wageningen: Drukkerij Veenman B.V. s Gemeente Amsterdam. (z.d.). Geschiedenis Vondelpark 1864-1996. Geraadpleegd op 28 juni 2017 van https:// www.amsterdam.nl/toerisme-vrije-tijd/parken/vondelpark/ geschiedenis/. s Kempen, H. van, & Smeets, H. (2013). Het Grote Groenonderzoek 2013. Het bezoek aan en gebruik van parken, recreatiegebieden en groen in de woonomgeving van Amsterdam. Gemeente Amsterdam, Bureau Onderzoek en Statistiek. s Kurstjens, P. (1990). Het stadspark als sociaal erfgoed. Groen, 3, 9-12.
16
GOD IS DEAD... RIGHT?
17 Bob Vek
Christelijk fundamentalisme vastgebeten in de Amerikaanse samenleving Van zijn Left Behind-boekenreeks verkocht de Amerikaanse evangelicale predikant Tim LaHaye (1926-2016) meer dan zestig miljoen exemplaren. De boodschap van de met religieuze doemscenario’s doorspekte christelijke semi-fictie is onheilspellend: na de Opname van de ware gelovigen in de hemel, wacht de overgeblevenen hel en verdoemenis op aarde. De hoofdpersoon in Left Behind is piloot Rayford Steele, die tijdens een routinevlucht met zijn gedachten bij een van de stewardessen zit in plaats van bij zijn vrouw en familie. Wanneer plots een deel van de passagiers verdwijnt, slechts een hoop wereldse bezittingen achterlatend, vreest Steele dat zijn vrome echtgenote al die tijd gelijk heeft gehad: in tegenstelling tot haar behoort hij niet tot de uitverkorenen die Verlossing ten deel valt (LaHaye & Jenkins, 2011). Wat volgt is een op Bijbelse profetieën geïnspireerde reeks avonturen, die eindigt in de slag bij Armageddon. Na het verschijnen in 1995 van Left Behind, het eerste deel van een reeks van zestien boeken, werden er binnen tien jaar maar liefst meer dan zestig miljoen exemplaren verkocht. Voornamelijk onder de grote groep evangelicalen in de Verenigde Staten vonden de boeken gretig aftrek, waarmee het andermaal aantoonde dat religie nog steeds een belangrijke kracht is in de Amerikaanse samenleving. De boekenserie past in een lange evangelicale traditie in het Amerikaanse protestantisme, die heden, verleden en toekomst in duidelijk te onderscheiden fasen opdeelt en waaraan door fundamentalisten bijzonder streng wordt vastgehouden. Hieraan ten grondslag ligt een ontkenning van “het progressieve karakter van de moderne geschiedenis en van de impliciete aanname dat de menselijke aard goed en te verbeteren is”, aldus antropologe Harding (1994). Veel fundamentalistische christenen zien de geschiedenis dan ook als “onomkeerbaar regressief, juist omdat mensen van nature zondig zijn” (p. 24).
Fundamentalisme in moderne tijden
Het gedachtegoed waar de fundamentalistische christenen die in de laatste decennia van de twintigste eeuw uit een “ogenschijnlijke winterslaap” leken te ontwaken op teruggrepen, stamt uit het eind van de eeuw daarvoor (Ammerman, 1991, p. 1). Conservatieve krachten verzetten zich toen tegen het aanpassen van de christelijke geloofsleer aan de moderne ontwikkelingen van die tijd, zoals de bredere acceptatie van de evolutietheorie. Zij hielden vast aan de traditionele opvattingen en zagen afwijking hiervan als niets minder dan ketterij. Hun naam ontleenden zij aan enkele conservatieve essays die tussen 1910 en 1915 verschenen onder de naam The Fundamentals. In de eerste twee decennia van de twintigste eeuw bestreden zij voornamelijk het doordringen van moderne ideeën in kerken en scholen, een strijd die zij verloren. Sindsdien hebben zij zich teruggetrokken in hun eigen organisaties (Ammerman, 1991).
Veel fundamentalistische christenen zien de geschiedenis als “onomkeerbaar regressief, juist omdat mensen van nature zondig zijn”. Lange tijd werden benamingen als ‘fundamentalistisch’ en ‘conservatief ’ met een grote mate van willekeur gebruikt als het op religie aankwam. Religiewetenschapper Ammerman (1991) benadrukt echter het verschil tussen deze twee termen. Hoewel ze de traditionele uitleg van de geloofsleer gemeenschappelijk hebben, zijn de
18
fundamentalisten slechts een deel van de grotere groep conservatieven. Deze conservatieve bevolkingsgroep is sterk vertegenwoordigd in de Verenigde Staten. Een belangrijke stroming is die van de evangelische christenen. Zij geloven dat voor Verlossing alleen een bewuste keuze om het voorbeeld van Jezus te volgen volstaat, een moment dat zij zien als een ‘wedergeboorte’ en dat vaak het begin is van een vroom leven. Nadat zij zelf dit pad hebben gekozen, zien zij het bovendien als hun taak om zo veel mogelijk mensen te overtuigen van hun gelijk, om letterlijk zieltjes te winnen (Ammerman, 1991). In deze hoek zijn ook de meeste fundamentalisten te vinden, maar het onderscheid is niet eenduidig. Zonder de opvattingen van buitenstaanders over te nemen, was een groep conservatieve gelovigen vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw steeds meer geneigd om overweg te kunnen met mensen die er een andere levensovertuiging op na hielden. Zij claimden de benaming ‘evangelicalen’ geleidelijk voor zichzelf. De fundamentalisten hadden echter niks met deze manier van samenleven en zwoeren bij de actieve bestrijding van de moderne ideeën (Ammerman, 1991). De moderne sociale en culturele ontwikkelingen in de late twintigste eeuw bleken volgens religiewetenschap-
per Ter Haar (2003) een vruchtbare voedingsbodem voor fundamentalistische bewegingen. Het lange tijd heersende idee dat religie onderdeel is van het verleden en in moderne samenlevingen steeds minder belangrijk zou worden, moest enigszins worden bijgesteld.
Gradueel onderscheid
Het onderscheid tussen fundamentalisten en evangelicale protestanten is vaag en er bestaat veel overlap. Van een harde scheidslijn is dan ook zeker geen sprake. Bovenal is het een kwestie van hoe ver de verschillende kenmerken worden doorgedreven. Ter Haar (2003) stelt dat fundamentalistische bewegingen zoeken naar een nieuwe identiteit in een moderne wereld, terugvallen op traditionele waarden, focussen op morele kwesties en een militante opstelling tentoonspreiden, hoewel slechts een klein deel overgaat tot geweldpleging. “Aangezien hun sociale en religieuze identiteit op het spel lijkt te staan, kijken zij naar het verleden om een oplossing te vinden voor het heden en de toekomst” (Ter Haar, 2003, p. 5). Volgens Ammerman (1991) worden fundamentalisten gekenmerkt door een evangelische opvatting van Verlossing, een rotsvast geloof in de onfeilbaarheid van de Bijbel, een separatistische le-
19 Bob Vek
venswijze en overtuigd premillenialisme. Hoewel ook niet-fundamentalistische gelovigen aan deze criteria kunnen voldoen, zijn deze overtuigingen in fundamentalistische kringen dominanter en kennen zij een strengere naleving.
“Aangezien hun sociale en religieuze identiteit op het spel lijkt te staan, kijken fundamentalisten naar het verleden om een oplossing te vinden voor het heden en de toekomst.”
Evangelisme heeft betrekking op het bekeren van ongelovigen. Door bewust te kiezen voor een leven als volgeling van Jezus, wacht fundamentalisten de Verlossing. Het is vervolgens aan hen om zo veel mogelijk anderen te bekeren. Degenen aan wie deze Verlossing voorbijgaat, wacht namelijk eeuwige doem. Belangrijk is ook het geloof in een onfeilbare Bijbel. Het boek vormt de gids tot Verlossing en is de enige juiste bron voor de wetenschap, geschiedenis en moraliteit. De ware christen dient de Bijbel in zijn geheel te geloven, aangezien de erkenning van iedere fout zou betekenen dat het waarheidsgehalte van de volledige inhoud van dit heilige boek in het geding zou komen. Daarnaast is het leven van de fundamentalist te omschrijven als geïsoleerd. De ware gelovigen dienen de gelederen te sluiten en een eenheid te vormen. In het dagelijks leven gaat de fundamentalist ongelovigen en verlokkingen zoveel mogelijk uit de weg, maar weegt tegelijkertijd voortdurend af of het de moeite waard is anderen voor het zondigen te behoeden. Eenvoudigweg accepteren van het doen en laten van de wereld zit er voor de fundamentalist niet in, aldus Ammerman (1991). Ten slotte hangen fundamentalisten vaak het premillennialisme aan, een overtuiging die er kortweg op neerkomt dat Jezus met zijn Wederkomst aan het Einde der Tijden het Duizendjarig Rijk inluidt, maar die iets meer uitleg verdient.
Spandoek bij het befaamde Scopes Trial in 1925, waar evolutionair lesmateriaal op scholen centraal stond in “de rechtszaak van de eeuw”. Bron: Chicago Tribune
De Laatste Dagen
De Bijbel levert volgens de fundamentalisten aanwijzingen voor het verloop van het Einde der Tijden. Hiertoe wenden zij zich voornamelijk tot de Bijbelboeken van Daniël en van Openbaring uit respectievelijk het Oude en het Nieuwe Testament. Deze apocalyptische periode vangt aan met de Opname van de ware gelovigen in de hemel door Jezus Christus, waarop voor de overgeblevenen de Grote Verdrukking aanbreekt. Deze periode mondt na de opkomst van de Antichrist uit in de laatste ultieme veldslag bij Armageddon, waar Jezus met zijn legers op aarde zal terugkeren, het Kwaad zal overwinnen en zijn Duizendjarige Rijk zal stichten (Ammerman, 1991). Een groot deel van de fundamentalisten die in de vervulling van deze profetieën geloven, is te omschrijven met de technische term ‘pretribulationistisch dispensationalistisch premillannialist’, een ingewikkelde benaming die in drieën valt te ontleden. Dispensationalisme houdt in dat de geschiedenis is op te delen in duidelijk afgebakende perioden, die worden onderbroken door goddelijke inmenging met de wereldse gebeurtenissen. Onderdeel van deze geschiedenis is ook de Opname. Volgens Ammerman (1991) geloven de meeste fundamentalisten dat zij gered zullen worden nog voordat de Grote Verdrukking, de Tribulation in het Engels, aanbreekt.
De Opname
Bij het aanbreken van het Einde der Tijden worden de ware gelovigen door Jezus Christus opgenomen in de hemel. Dit staat in christelijke kringen bekend als de Opname en is gebaseerd op een combinatie van Bijbelverzen. Centraal staat Jezus’ beschrijving van de komst van de Mensenzoon. “Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken, ook de hemelse engelen en de Zoon niet, alleen de Vader weet het” (Matteüs 24:36 De Nieuwe Bijbelvertaling). Deze Zoon, Jezus, zal de ware gelovigen meevoeren. “Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd en gaan we in de lucht de Heer tegemoet. Dan zullen we altijd bij hem zijn” (1 Tessalonicenzen 4:16-17). Dit alles zal plaatsvinden “in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, wanneer de bazuin het einde inluidt” (1 Korintiërs 15:52). “Dan zullen er twee op het land aan het werk zijn, van wie de een zal worden meegenomen en de ander achtergelaten” (Matteüs 24:40).
20
Hen die de Verlossing niet ten deel valt, wacht zeven zware jaren waarin alle onvervulde BijbelprofetieĂŤn verwerkelijken. Aan het eind van de Grote Verdrukking vindt de Wederkomst van Jezus Christus plaats, als deze met zijn leger van ware christenen terugkeert op aarde om in de slag bij Armageddon (Megiddo in het huidige IsraĂŤl) de Antichrist te verslaan. Dit vormt het begin van het Duizendjarige Rijk. In de benaming van pretribulationistisch dispensationalistisch premillannialist worden al deze overtuigingen gecombineerd (Ammerman, 1991).
Deze fundamentalisten aanschouwen heden, verleden en toekomst op bijzondere wijze. Daarbij is het niet zo dat de ene gebeurtenis verantwoordelijk is voor het plaatsvinden van de andere. In plaats daarvan onthullen zij als het ware wat aanstaande is, welke gebeurtenissen zullen volgen. De gelovigen kunnen Gods plan niet veranderen: zij kunnen slechts in afwachting leven. Vaststaande en bekend veronderstelde toekomstige gebeurtenissen bepalen hoe vorm en betekenis wordt gegeven aan de hedendaagse werkelijkheid.
21 Bob Vek
De geschiedenis wordt dus als het ware van achter naar voor gelezen (Harding, 1994).
die hun absolute waarheid afwijst” (Harding, 1994, p. 24).
Bijbelse werkelijkheid
Een bekend maar extreem voorbeeld van een fundamentalistische christelijke groepering is de Westboro Baptist Church (WBC) uit Topeka, Kansas, grotendeels bestaande uit de kinderen en kleinkinderen van predikant en, ironisch genoeg, mensenrechtenadvocaat Fred Phelps (19292014). Hoewel zij niet evangelicaal zijn - de Verlossing is namelijk voorbestemd en niets kan hier verandering in brengen - dragen zij met hun protestacties een visie uit die voor Amerika neerkomt op totale hel en verdoemenis (Southern Poverty Law Center, z.j.). Sinds het begin van de jaren 90 vergaart de WBC bekendheid door op luidruchtige wijze predikend te protesteren bij onder meer begrafenissen, gewapend met vaak kleurrijke borden waarop teksten zijn te lezen als ‘God hates fags’, ‘Fags doom nations’, ‘AIDS cures fags’, ‘Planes crash God laughs’, ‘Thank God for 9/11’, ‘Pray for more dead soldiers’ en ‘God hates the U.S.A.’. Tragedies als de terreuraanslagen van 11 september 2001, bermbommen in Irak en Afghanistan en mass shootings zien zij als het werk van God, die Amerika straft voor haar tolerantie jegens homoseksualiteit (Williamson, z.j.).
Gebeurtenissen in de hedendaagse wereld vormen voor de fundamentalistische christenen aanwijzingen voor het aanstaande zijnde Einde der Tijden, een verschijnsel dat overigens wel vaker terugkeert in de christelijke traditie. Profetieën zullen echter pas in vervulling gaan ten tijde van de Grote Verdrukking. Voor de ware gelovigen is hierin dan ook geen rol weggelegd, aangezien zij dan al zijn opgenomen in de hemel. Toch weerhoudt dit fundamentalisten er niet van om in het dagelijkse nieuws te speuren naar signalen die wijzen op het aanbreken van het Einde der Tijden, aldus Harding (1994). Zij schat in dat tien tot vijftien miljoen Amerikanen op dogmatische wijze geloven in het dispensationalistisch premillennialisme. Daarmee vormt het voor dit deel van de bevolking de basis voor het begrip van het verleden, maar zeker ook van hedendaagse ontwikkelingen. Door heden, verleden en toekomst op dergelijke wijze te scheiden, hoeven pretribulationistisch dispensationalistisch premillannialisten bovendien niet te bewijzen dat de Bijbelse voorspellingen uitkomen of al zijn uitgekomen. Dit ligt namelijk in de toekomst, wanneer zij, de zelfverklaard ware gelovigen, in de hemel zijn opgenomen. Hier zijn aanwijzingen voor te vinden in hedendaagse gebeurtenissen, maar niet meer dan dat. Over wat in het verschiet ligt, kan slechts gespeculeerd worden, aangezien alleen God weet wanneer het Einde der Tijden aanbreekt (Harding, 1994).
Militante toepassing
Volgens Ammerman (1991) vergt de interpretatie van de Bijbelse teksten dan ook een “zorgvuldige balancering van feiten over de wereld die in moderne kringen voor waar worden aangenomen met de veronderstelling dat de Bijbel geen feitelijke onjuistheden bevat” (p. 5). De strategieën waarmee fundamentalisten deze taak volbrengen, zoals de inconsequente behandeling van verschillende Bijbeldelen, kunnen tegenwoordig op de nodige kritiek rekenen. Dit geldt met name voor de letterlijke interpretatie van “de Bijbelse teksten die moderne lezers het meest verontrustend vinden – de ongelooflijkste en gewelddadigste – namelijk de apocalyptische teksten, die steevast een verschrikkelijke dood voorspellen voor iedereen
Pre-, mid- en posttribulationalistische visies op het Einde der Tijden. Bron: Lamorak
De interpretatie van de Bijbelse teksten vergt een “zorgvuldige balancering van feiten over de wereld die in moderne kringen voor waar worden aangenomen met de veronderstelling dat de Bijbel geen feitelijke onjuistheden bevat”. Hoe bevlogen de leden van de WBC hun boodschap ook verkondigen, populair zal het hen niet maken. De Britse documentairemaker Louis Theroux stelde de familie Phelps centraal in twee van zijn producties, niet voor niets getiteld The Most Hated Family in America (2007) en America’s Most
22
Hated Family In Crisis (2011). Desondanks lijkt er vooralsnog geen einde te komen aan hun activiteiten. Hoewel zij tot de extremen behoren, zijn zij met hun militante houding en strenge naleving van de Bijbelse voorschriften niettemin onderdeel van de groep fundamentalisten die de strijd tegen de moderniteit nog lang niet lijkt op te geven, wat anderen ook van hen vinden.
Meer weten? s Ammerman, N. T. (1991). North American Protestant fundamentalism. In M. E. Marty, & R. S. Appleby (Red.), Fundamentalisms Observed (pp. 1-65). Chicago: University of Chicago Press. s Haar, G. ter. (2003). Religious Fundamentalism and Social Change. A Comparative Inquiry. In G. ter Haar, & J. Busuttil (Red.), The freedom to do God’s will. Religious fundamentalism and social change (pp. 1-23). Londen: Routledge. s Harding, S. (1994). Imagining the Last Days: The Politics of Apocalyptic Language. In M. E. Marty, & R. S. Appleby (Red.), Accounting for Fundamentalisms.The Dynamic Character of Movements (pp. 57-78). Chicago: University of Chicago Press.
s LaHaye, T., & Jenkins, J. B. (2011). Left Behind: A Novel of the Earth’s Last Days (Vol. I). Carol Stream: Tyndale House Publishers. s Southern Poverty Law Center (z.j.). Westboro Baptist Church. Geraadpleegd 27 mei 2017 van https://www. splcenter.org/fighting-hate/extremist-files/group/westboro-baptist-church. s Theroux, L. (Producent) & O’Connor, G. (Regisseur). (2007). The Most Hated Family in America [Documentaire]. Londen: BBC. s Theroux, L. (Producent) & Cooper, E. (Regisseur). (2011). America’s Most Hated Family in Crisis [Documentaire]. Londen: BBC. s Williamson, B. (z.j.).Westboro Baptist Church (Profiel door Watchman Fellowship). Geraadpleegd 27 mei 2017 van http://www.watchman.org/ProfileWestboro.pdf.
Demonstranten van WBC bij een Holocaustmuseum in Virginia in maart 2010. Bron: JCWilmore
23
Merlijnpagina Iedere zomer wisselt het bestuur van studievereniging Merlijn. Het bestuur 2017-2018 vertelt haar plannen voor het aankomende studiejaar. Merlijn is dé studievereniging voor alle studenten geschiedenis aan de VU! Wij, als bestuur, willen jullie kennis laten maken met de gezellige en sociale kant van het studeren – het gaat tenslotte niet alléén maar over boeken. Desalniettemin zijn wij een studievereniging, wat inhoudt dat de gezelligheid wordt afgewisseld en gecombineerd met studie-inhoudelijke tips en activiteiten met betrekking tot de studie zelf en het studeren in het algemeen. Wij streven ernaar om zo veel mogelijk met de andere opleidingen en studieverenigingen binnen de faculteit samen te werken. Om de dagelijkse sleur van het studeren zo af en toe te onderbreken, zijn er regelmatig gezellige activiteiten en evenementen. Zo worden er borrels zowel op de VU als in hartje Amsterdam georganiseerd, houden we historische filmavonden samen met docenten die gespecialiseerd zijn in de onderwerpen van de films, en heb je de mogelijkheid om mee te gaan op fantastische en leerzame studiereizen en excursies! Hier komt bij dat er allerlei praktische voordelen zijn van een Merlijn-lidmaatschap; denk bijvoorbeeld aan 10 procent (!) korting op de kostprijs van je studieboeken bij de universiteitsboekhandel van de VU – een korting die al gauw oploopt tot tientallen euro’s. Gedurende het komende studiejaar willen wij jullie ook introduceren tot het leven na de universiteit (de vraag ‘Wil je docent worden?’ zal jullie vast niet onbekend zijn …). Houd onze Facebookpagina (@vsgvumerlijn) in de gaten voor updates over activiteiten binnen en buiten de VU en om meer te weten te komen over de vereniging en het bestuur. We willen jullie laten zien dat er met een diploma geschiedenis op zak een wereld voor je opengaat! Mocht je nog verdere vragen hebben over de vereniging of het lidmaatschap, schroom dan niet om contact met ons op te nemen via e-mail (merlijn.fgw@vu.nl) of op Facebook! We hopen op een succesvol en leerzaam studiejaar! Groetjes, Het Merlijn-bestuur 2017–2018
24
Historische geluksbrengers
Relikwieënverering in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd Relikwieënverering en de daarbij behorende aflaathandel hadden in de late middeleeuwen een hoge vlucht genomen in Europa en hoorden ook in de vroegmoderne tijd nog bij de dagelijkse gang van zaken. Maarten Luther (1483-1546) schilderde deze twee praktijken echter af as pure afgoderij en veroorzaakte met zijn 95 kritische stellingen een schokgolf in de christelijke wereld. Frederik de Wijze (1463-1525), keurvorst van de Saksen en uitgerekend de voornaamste beschermheer van Luther, hield er een flinke verzameling relikwieën op na. De tentoonstelling van deze ruim 18.000 objecten zorgde op Allerheiligen elk jaar voor een grote toestroom van pelgrims naar de slotkerk in Wittenberg (Pettegree, 2016). Waar kwam deze relikwieënverering vandaan? En waarom hadden mensen er zo’n behoefte aan? Hoewel relikwieënverering in de late middeleeuwen in opmars was, was het in geen geval een nieuw fenomeen. Sterker nog, de eerste relieken stamden uit de eerste eeuwen voor Christus en waren gericht op de verering van mythische helden als Achilles. De eerste christelijke herdenkingsrituelen hadden veel weg van die van hun tijdgenoten, wat opmerkelijk was omdat zij in de ogen van de christenen ‘heidenen’ waren. Na verloop van tijd traden er echter enkele ontwikkelingen op waardoor de christelijke gebruiken zich meer van
de heidense gingen onderscheiden. Ten eerste verwierpen de christenen de opvatting dat rampen een natuurlijke oorzaak hadden, zoals Aristoteles (384-322 v.Chr.) als een van de eersten durfde te beweren. Ook verwierpen zij de opvatting dat wonderen wellicht helemaal niet bestonden. De gelovigen zetten zich in het geheel af tegen het rationele gedachtegoed dat in de vierde eeuw v.Chr. circuleerde en bleven voet bij stuk houden dat God direct ingreep in de materiële wereld en dat wonderen ‘de wereld nog niet uit waren’. Daarnaast geloofden ze dat God het kaf van het koren, dat wil zeggen de ongelovigen van de gelovigen, zou scheiden. Door tot heiligen en martelaren, die al in de hemel aan de zijde van God vertoefden, te bidden, hoopten de christenen dat deze voor hen bij God wilden pleiten, zodat ze gered zouden worden. Christenen geloofden dat ze via de verering van botresten, kledingstukken en andere objecten, die op de een of andere manier met deze heiligen in aanraking zouden zijn gekomen, verlossing konden ontvangen (Freeman, 2011).
Portret van Frederik de Wijze, geschilderd door Albrecht Dürer in 1524, Metropolitan Museum of Art in New York.
25
26
Martelaarschap
Tijdens de regeringsperioden van de Romeinse keizers Decius (249-251 n.Chr.), Valerianus (253260 n.Chr.) en Diocletianus (284-305 n.Chr.) behoorden grootschalige christenvervolgingen nog tot de orde van de dag in het Romeinse Rijk. Onder het keizerschap van Constantijn de Grote (306-337) en zijn opvolgers won het christendom echter aan belang en in 380 werd het officieel uitgeroepen tot staatsgodsdienst (Blois en van der Spek, 2012). Toch was het aantal christelijke martelaren in de vierde eeuw na Christus nog altijd groot door de gewelddadige onderdrukking van ‘verkeerde’ geloofsvormen.
De tentoonstelling van ruim 18.000 objecten zorgde op Allerheiligen elk jaar voor een grote toestroom van pelgrims naar de slotkerk in Wittenberg. Toen het christendom eenmaal een geaccepteerde religie was geworden, verloor het iets van zijn voormalige vurigheid. Om de sleur van het alledaagse geloof te doorbreken, gingen sommigen op zoek naar een ander soort ‘martelaarschap’, waarbij ze zich terugtrokken in de woestijn en afstand deden van alle menselijke basisbehoeften – waaronder slaap, voedsel en seks – en bezit. Het lichaam werd als zondig beschouwd, omdat het mensen afhield van God, en moest daarom gestraft worden. Antonius van Egypte (251-356) was een van deze ascetische christenen. Hoewel hij bij leven de verering van martelaren volkomen verafschuwde en daarom opdracht gaf zijn lichaam op een geheime plek te begraven, kon hij niet voorkomen dat zijn kledingstukken na zijn dood als relieken werden tentoongesteld. Er waren meer christenen die Antonius’ wantrouwen tegenover de reliekencultus deelden en het zagen als een vorm van heidendom, maar de aantrekkingskracht van relikwieën bleek te sterk. De graven van mensen als Antonius, wiens leven in het teken had gestaan van geloofsijver en opoffering, en van martelaren die waren gestorven voor hun geloof, werden omgetoverd in heiligdommen. Pelgrims stroomden hier in grote groepen naar-
toe om de heiligen om een gunst te vragen of hun genezende krachten te ondervinden. Rond 400 werd op een concilie in Carthago zelfs besloten dat een kerk vernietigd moest worden als het geen relieken bezat (Bornstein, 2009).
Karel de Grote
De Frankische koning Karel de Grote (768814), bekend om zijn vele veroveringstochten, vergaande kerstening en unificerende cultuurpolitiek, ook wel de ‘Karolingische Renaissance’ genoemd, was een groot voorvechter van de relikwieënverering. Hij gebruikte het als een middel om zich te onderscheiden van het Byzantijnse Rijk, waar, naar men ten onrechte dacht, enkel beeltenissen van heiligen werden vereerd. Botten en andere overblijfselen waren volgens Karel veel krachtiger dan afbeeldingen. De heiligdommen waar de relieken waren uitgestald, vormden echter een bedreiging voor Karels autoriteit, omdat ze door hun populariteit ook veel macht naar zich toe konden trekken. Daarom besloot hij strengere wetgeving door te voeren. Zo verklaarde hij in 794 dat kerken alleen nieuwe heiligdommen mochten creëren om een overleden persoon te herdenken die gedurende zijn leven voorbeeldig gedrag had vertoond. Karel gebruikte relikwieën als geschenk aan gepensioneerde hovelingen om ze op die manier aan zich te binden. Tijdens zijn regeringsperiode groeide het aantal rijke kloosters enorm. Hun rijkdom en prestige ontleenden ze aan de heilige wiens lichaam ze eer toekenden (Freeman, 2011).
De gewone burger
Het wordt vaak aangenomen dat de Europese samenleving in de middeleeuwen doordrongen was van het christendom, maar het geloof werd door de gewone burger vaak opgevat als iets heel onbereikbaars. Alleen de hoge geestelijken die de positie van kardinaal en bisschop vervulden, konden door hun goede beheersing van het Latijn de Bijbel lezen en uitleggen, waardoor er een grote kloof bestond tussen hen en de rest van het volk. De meeste lage geestelijken, die dienstdeden als priester, monnik of non, waren van eenvoudigere afkomst en stonden daardoor dichter bij het volk. Waar deze nabijheid enerzijds zorgde voor een nauwere betrokkenheid bij volkse activiteiten, vergemakkelijkte zij anderzijds de beïnvloeding van het gewone volk. Het is goed mogelijk dat de lage geestelijken op deze manier ook de relikwieëncultus hebben begeleid en gestimuleerd. Zij begrepen immers dat de gelovigen behoefte hadden aan iets concreets als relikwieën om hun houvast te bieden in het geloof (Nijsten, 1994).
27 Bob Vek
Gouden reliekbeeld van de heilige Fides in de abdijkerk van Sainte-Foy in Conques.
Heiligen konden de gewone gelovige redding bieden, hoewel de Kerk hem wel aanmoedigde hier ook zelf voor te werken. Daarnaast bezaten heiligen de wonderlijke kracht mensen te genezen. Toch werden ze niet alleen aangeroepen om redding en genezing te bewerkstelligen; ze lieten het ook regenen, zorgden voor een rijke oogst en maakten het leven dragelijk. Kortom, heiligen brachten geluk. Dit betekende niet dat de gewone boer niets hoefde te doen en alles zomaar aan zijn weldoeners over kon laten. Hij moest hard werken, maar kon wel altijd in zijn achterhoofd houden dat hij daarin gesteund werd. Heiligen maakten deel uit van het leven in de lokale gemeenschap en konden door hun aanwezigheid, in de vorm van relieken die in de plaatselijke kathedraal of kerk werden uitgestald, hun weldadigheid tonen en bijvoorbeeld voor goede oogsten en rijke visvangsten te zorgen.
Waar in de vroege middeleeuwen nog voornamelijk de botresten en andere overblijfselen van heiligen werden aanbeden, kwam hier rond het jaar 1000 verandering in. Er werden beeltenissen gemaakt van de heiligen, waar de relikwieĂŤn ook een plaats in kregen. Deze beelden werden vaak gecreĂŤerd uit kostbare materialen en rijkelijk versierd, zoals het reliekbeeld van de heilige martelares Fides in het Franse dorp Conques. Haar beeld werd beladen met goud, zilver en edelstenen en werd het centrum van een belangrijke bedevaart. In de twaalfde en dertiende eeuw nam de verering van driedimensionale beelden in omvang toe (Arnold, 2005; Schmitt, 1995). Naast de bovennatuurlijke inmenging van heiligen, geloofde de gewone gelovige echter ook in magische praktijken als het gebruik van liefdesdrankjes en waarzeggerij (Arnold, 2005). De Kerk was hier fel op tegen, maar nam door de aanmoediging van relikwieĂŤnverering een uiterst ambivalente houding aan. De grens tussen door de Kerk geaccepteerde heiligenverering en streng veroordeelde magie was in veel gevallen dun. Zo werden de planten die op de graven van heiligen groeiden bewonderd om
28
hun miraculeuze krachten. Het was voor de Kerk soms ook lastig te bepalen welke rituelen en praktijken tot ‘geloof ’ en welke tot ‘bijgeloof ’ behoorden. Een kloosterceremonie die bekend stond als de ‘vernedering der heiligen’, waarbij getracht werd een heilige over te halen bij God te pleiten voor de bestrijding van een vijand van de monniken, werd in de dertiende eeuw in twijfel getrokken door de gewelddadigheid ervan en uiteindelijk tot bijgeloof verklaard (Schmitt, 1995).
voorbehouden aan de bovenklasse, maar een persoonlijke overtuiging die voort moest komen uit bestudering van de Bijbel en waarbij de tussenkomst van priesters en bisschoppen niet meer noodzakelijk was. Door zijn vertaling van de Bijbel in het Duits werd Gods woord bereikbaar voor gewone gelovigen. Ondanks de vele oorlogen die de Reformatie zou aanwakkeren, bracht Luther op deze manier iets dat uitsteeg boven de zekerheid van relikwieën: een tastbaar geloof.
Maarten Luther
Meer weten?
De oude praktijk van relikwieënverering was volgens Maarten Luther geheel tegenstrijdig met het ware geloof. Het was dan ook niet verwonderlijk dat hij in 1517 zijn 95 stellingen bij de slotkerk van Wittenberg ophing, waar Frederik de Wijze een van de grootste relikwieënverzamelingen van Europa had uitgestald. De collectie varieerde van de appel waar Adam en Eva een hap van hadden genomen in de Hof van Eden tot een stukje van de in een kistje gevangen ‘duisternis van Egypte’, één van de tien plagen waar God Egypte mee trof. Ook was er een flesje met moedermelk van de maagd Maria en lagen er vier stukjes van haar haar.
Het geloof werd door de gewone burger vaak opgevat als iets heel onbereikbaars. Terwijl Luthers kritiek zich als een lopend vuurtje eerst door het Duitstalige gebied en daarna door heel West-Europa verspreidde, bleef Frederik zijn verzameling uitbreiden. Toch zou Frederik een van de belangrijkste figuren in Luthers leven blijken toen de laatstgenoemde eenmaal door de Kerk verafschuwd en dood gewenst werd. Door te weigeren een pauselijke bul tegen Luther uit te voeren en door hem te verwelkomen in kasteel Wartburg in het Duitse Thüringen, stimuleerde Frederik de Reformatie die de legitimiteit van zijn eigen relikwieënverzameling in twijfel trok. Terwijl Luther de gewone gelovigen het geluk dat de heiligenverering hun gaf ontnam, bracht hij hun echter ook iets nieuws. Geloof behoorde niet langer een onbereikbare aangelegenheid te zijn die was
s
s Arnold, J. H. (2005). Belief and Unbelief in Medieval Europe. Londen: Hodder Arnold. s De Blois, L. en van der Spek, R.J. (2012). Een kennismaking met de Oude Wereld (6e ed.). Bussum: Coutinho. s Boer, F. (2016). In de sporen van Luther: de slotkerk in Wittenberg. Geraadpleegd op 5 juni 2017 van http:// www.isgeschiedenis.nl/luther-500-jaar-reformatie/sporen-luther-slotkerk-wittenberg/. s Bornstein, D. E. (ed.). (2009). Medieval Christianity: A People’s History of Christianity,Volume 4. Minneapolis: Fortress Press. s Encyclopaedia Britannica. (1998). Frederick III: Elector of Saxony. Geraadpleegd op 5 juni 2017 van https://www. britannica.com/biography/Frederick-III-elector-of-Saxony. s Freeman, C. (2011). Holy Bones, Holy Dust: How Relics Shaped the History of Medieval Europe. New Haven & Londen:Yale University Press. s Nijsten, G. (1994). Volkscultuur in de late middeleeuwen: Feesten, processies en (bij)geloof. Utrecht/Antwerpen: Kosmos-Z&K Uitgevers. s Pettegree, A. (2016). Het merk Luther: Hoe een monnik vanuit het niets zijn stadje tot het centrum van de boekdrukkunst maakte en zichzelf tot de beroemdste man van Europa – en de Reformatie aanzwengelde (F. van der Waa, vert.). Amsterdam/Antwerpen: Atlas Contact. s Schmitt, J. (1995). Bijgeloof in de middeleeuwen (R. de Roo-Raymakers, vert.). Nijmegen: SUN.
Deur van de slotkerk in Wittenberg, het huidige Lutherstadt, waar Luthers 95 stellingen in gegraveerd zijn.
29 Jedidja Stikkelorum
30
Sleutelen aan geluk
Zoektocht naar een definitie Wat is geluk? Deze simpele vraag kent geen kort of eenvoudig antwoord. Sterker nog, het is een vraag die filosofen al eeuwenlang bezighoudt en waar waarschijnlijk nooit een universeel antwoord op gegeven zal worden. Toch zal het merendeel van de mensen instemmend knikken wanneer iemand aangeeft dat gelukkig zijn het voornaamste streven in zijn of haar leven is. We hebben nog geen idee wat dit voor deze persoon betekent, maar toch begrijpen we exact wat er met deze uitspraak bedoeld wordt. Het klassieke einde van een sprookje, een lang en gelukkig leven, is wat men verwacht wanneer het over geluk gaat. In de realiteit is dit echter niet altijd het geval. Het begrip ‘geluk’ is dus zo eenvoudig nog niet en de complexiteit ervan is intrigerend. Op 18 april 2017 publiceerde Nikhil Sonnad, verslaggever voor de Amerikaanse nieuwswebsite Quartz een online artikel waarin hij de bewerkingsgeschiedenis van de Wikipediapagina van het Engelse happiness analyseerde. Volgens Sonnad toont de veertienjarige bewerkingsgeschiedenis, die bijna zesduizend bewerkingen omvat door meer dan drieduizend gebruikers, dat het proces van het definiëren van een begrip als happiness belangrijker is dan de definitie zelf. Instemmend met zijn conclusie en geïnspireerd door zijn unieke gebruik van deze bron, besloot ik om voor CODEX Historiae in de bewerkingsgeschiedenis van de Nederlandse Wikipediapagina over geluk te duiken. Zoals Sonnad beargumenteert in zijn conclusie, is het niet mogelijk om een abstracte definitie te geven die perfect weergeeft wat geluk is voor iedereen en voor altijd. Volgens hem komt de bewerkings-
geschiedenis van de Wikipediapagina het dichtst in de buurt om al deze verschillende betekenissen van geluk te vangen. Door bloot te leggen hoe de verschillende gebruikers zich door de jaren heen het hoofd gebroken hebben om tot een zo volmaakt mogelijke Wikipediapagina te komen over geluk, tracht ik te achterhalen of eenzelfde conclusie getrokken kan worden uit de Nederlandse variant.
Geluk (emotie)
Ondanks dat het in dit artikel niet gaat om de definitie van geluk maar om de zoektocht naar de definitie, wil ik toch beginnen met wat er vandaag de dag op de Wikipediapagina als definitie wordt gegeven: “Geluk (of gelukkig zijn) kan worden omschreven als het tevreden zijn met de huidige levensomstandigheden. Hierbij kunnen er verschillende positieve emoties aanwezig zijn, zoals vreugde, vredigheid, ontspannenheid en vrolijkheid. Gelukkig zijn is het tegengestelde van ongelukkig zijn, wat bestaat uit een gevoel van ontevredenheid en vaak samengaat met depressie, overspannenheid, woede of verdriet. Onderzoek duidt er op dat geluk voor ongeveer de helft erfelijk bepaald is. De rest van de verschillen wordt veroorzaakt door invloeden uit de omgeving” (Wikipedia z.d.). Wat allereerst opvalt is dat deze definitie vrij nietszeggend is. Hoe is men na een jarenlange bewerkingsgeschiedenis tot deze definitie gekomen? De Nederlandse pagina is enkele maanden na de Engelse online gezet, in mei 2003. Interessant is dat deze pagina begon onder de term ‘genot’
31 Roos van Strien
en dat deze later veranderd is naar ‘geluk (emotie)’. De pagina kent een aanzienlijk minder aantal bewerkingen, zo’n 995 door meer dan 100 gebruikers, of ‘Wikipedianen’ zoals ze zichzelf noemen. De huidige pagina is tevens een stuk kariger en minder omvattend dan de Engelse variant. Aan de logboekgegevens van de eerste versie is al duidelijk merkbaar dat het definiëren van het woord ‘geluk’ een lastige opgave zou worden. Zoals gebruiker Rob Hooft grappend, maar wellicht ook bloedserieus, opmerkt: “beginnetje. Is er een psycholoog in de zaal?” (zie afbeelding 1). Zoals in het screenshot ook al te zien is, wordt er allereerst een poging gedaan om een definitie van genot te geven, om zo tot de definitie van geluk te komen. ‘Genot’, ‘plezier’ en ‘geluk’ worden hier als synoniemen beschouwd. In augustus 2003 wordt deze zoekende definitie aangevuld met de eerste wetenschappelijke toevoeging: een gebruiker genaamd Qantum voegt enkele zinnen toe over de zogeheten pleziercentra in de hersenen die een gevoel van genot teweegbrengen. Ondanks dat dit een vrij magere toevoeging is, wordt hier wel een poging gedaan om de definitie een eerste wetenschappelijke ondersteuning te geven.
Formulering van een definitie
Een jaar na het ontstaan van de pagina is er nog maar weinig aangepast. De definitie is nog steeds nietszeggend en er zijn geen significante toevoegingen gedaan. Naast het feit dat het begrip lastig te definiëren is, kan dit gebrek aan activiteit ook te verklaren zijn doordat de Nederlandse Wikipedia nog in haar beginfase zat. Zoals in de verschillende statistieken van de site te lezen is, heeft de Nederlandse pagina relatief weinig gebruikers en artikelen in deze periode. Een jaar later wordt door gebruiker DhJ nog een kleine toevoeging gedaan met betrekking tot geluk in het boeddhisme. In 2005, wanneer in de statistieken van de Nederlandse Wikipedia tevens een stijgende lijn te zien is, wordt een eerste uitgebreide poging gedaan om het begrip te vatten door gebruiker Gid. Zoals eerder genoemd, bewerkte hij de pagina toen het nog bestond onder de term ‘genot’. Gid geeft aan in het logboek dat hij geprobeerd heeft het onderscheid te maken tussen genot en geluk. Dit doet hij aan de hand van biologie. Het geluksgevoel en genot worden allebei door andere stoffen in de hersenen geproduceerd en zijn dus, volgens Gid, verschillende emoties. Naast dit biologische verschil komt ook deze gebruiker niet met een duidelijke beschrijving van de term ‘geluk’. Hij benadrukt enkel hoe “de moeilijkheid in het geven van een definitie van geluk is, dat deze voor elk persoon verschillend is […] geluk is sterk onderhevig aan het subject” (zie afbeelding 2). Vervolgens komt Gid nog met een korte beschrijving
van de betekenis van geluk in verschillende spirituele stromingen, waar al eerder een kleine aanzet toe was gedaan. Ook maakt de gebruiker een indeling voor de pagina met de titels: ‘definitie’, ‘in de biologie’, ‘boeddhisme’ en ‘hedonisme’.
Geluk lijkt gewoonweg niet gedefinieerd te kunnen worden. Wat opvalt in de bewerkingsgeschiedenis van deze twee gebruikers, is dat beide, en tevens enkele andere gebruikers, erg zoekende zijn naar een manier om de definitie van geluk te formuleren, en de verschillende opvattingen te ordenen. Dit is al te zien aan de eerste poging tot het maken van een indeling, maar komt nog duidelijker terug in het grote aantal kleine bewerkingen die worden gemaakt in de tekst. Zo zijn beide gebruikers het erover eens dat er een negatieve en positieve kant aan geluk moet zitten, maar het blijkt een heuse opgave om hier de juiste bewoording voor te vinden (zie afbeelding 3). Toch worden er enkele stappen gemaakt. Zo worden de woorden ‘genot’, ‘plezier’ en ‘geluk’ vervangen door enkel het woord ‘geluk’ en worden de drie dus niet meer als synoniemen beschouwd. Ook wordt de officiële titel van de pagina gewijzigd van ‘genot’ naar ‘geluk (emotie)’. Een belangrijke herformulering is die van het kopje definitie. In de strijd om tot een juiste formulering te komen voor de positieve en
32
gebruiker met het commentaar: “‘Hoe gelukkig worden’ verwijderd, onderbouwing is noodzakelijk maar ontbreekt.” Ook de alinea ‘afhankelijk van de persoon’ wordt herhaaldelijk verwijderd en weer toegevoegd, overigens zonder commentaar.
negatieve kant van geluk wordt het kopje eerst gewijzigd naar ‘positieve en negatieve definitie’, om enkele uren later aangepast te worden naar ‘positieve en negatieve aanpak’ (zie afbeelding 4). Later doet een anonieme gebruiker een poging om geheel van de term ‘definiëren’ af te komen door dit te vervangen door het woord ‘beschreven’. Dit wordt echter niet in dank afgenomen, en wordt enkele dagen later dan ook weer terug veranderd.
Vandalisme
Naast de grote hoeveelheid formuleringswijzigingen en spellingcontroles, wordt de bewerkingsgeschiedenis ook gekenmerkt door vandalisme. In sommige gevallen is dit pure onzin (zie afbeelding 5 en 6), maar soms heeft het wel degelijk met het onderwerp te maken (zie afbeelding 7). Ook zijn er interessante onenigheden over de definitie van geluk terug te zien. Zo voegt een gebruiker een kleine alinea toe over geluk in het christendom, dat volgens hem wordt gedefinieerd als “God zien van aangezicht tot aangezicht”, iets wat alleen mogelijk is in de hemel. Dit wordt kort daarna weer verwijderd door een actieve gebruiker. De toevoegingen met betrekking tot het boeddhisme zijn echter, met uitzondering van het vandalisme, nooit verwijderd. Hierin staat beschreven wat aanhangers van het boeddhisme verstaan onder geluk en hoe men volgens de leer van het boeddhisme gelukkig kan worden. Wellicht werd de toevoeging met betrekking tot het christendom als te subjectief gezien in vergelijking met de informatie onder het kopje boeddhisme. Interessant is ook de bewerkingsgeschiedenis onder het kopje ‘Hoe gelukkig worden?’ die door de maanden heen beetje bij beetje wordt aangevuld, om in januari 2008 te worden verwijderd door een anonieme
De Nederlandse Wikipediapagina over geluk is een voorbeeld van een pagina waar je op het eerste gezicht niet veel wijzer uit lijkt te worden. Er worden interessante dingen genoemd, maar deze kunnen nog veel verder uitgewerkt worden (iets wat overigens wel gebeurd is op de Engelse pagina). Echter, wanneer je als het ware backstage gaat bij Wikipedia en de bewerkingsgeschiedenis induikt, komt daaruit naar voren hoe de verschillende gebruikers worstelen met de juiste formulering en dat ze moeite hebben om tot een universele definitie te komen. Tevens laat het commentaar en het bewerkgedrag van prominente gebruikers zien hoe de Wikipedianen deze pagina als een objectieve bron willen presenteren, iets wat gemakkelijker gezegd is dan gedaan met zo’n toegankelijke internetbron. Zoals gebleken is uit het onderzoek van Sonnad, is de Engelstalige Wikipediapagina veel vaker bewerkt door een groter aantal gebruikers. Het voornaamste verschil tussen de bewerkingsgeschiedenis van de Engelse en Nederlandse pagina’s is dat er aan de Engelstalige pagina veel meer serieuze toevoegingen worden gedaan die vanuit persoonlijke ervaringen komen. Daarnaast is de Engelstalige pagina veel uitgebreider en gaat het inhoudelijker dieper in op wat geluk betekent in verschillende contexten. Desalniettemin laat de bewerkingsgeschiedenis van de Nederlandse pagina mooi zien hoe in de loop der jaren het woord ‘definitie’ geheel verdwenen is van de pagina, alsof men zich heeft gerealiseerd dat de pagina het dichtstbij een objectief en universeel geheel komt door dit te door dit te schrappen. Geluk lijkt gewoon weg niet gedefinieerd te kunnen worden en alle pogingen daartoe hebben geleid tot de pagina zoals deze nu is: een introductie op geluk vanuit verschillende invalshoeken belicht en zo objectief mogelijk weergegeven.
Meer weten? s Sonnad, N. (18 april 2017). Wikipedia’s great experiment: Finding a definition of “happiness” we can all agree on. Geraadpleegd op 27 mei 2017 van https://qz.com/912028/whyhappiness-is-difficult-to-define-wikipedias-answer-is-the-result-of-6000-edits-by-over-3000-users/. s Wikipedia. (z.j.). Geluk (emotie) bewerkingsgeschiedenis. Geraadpleegd op 27 mei 2017 van https://nl.wikipedia. org/w/index.php?diff=48876517&oldid=48876516&title=Geluk_%28emotie%29&type=revision.
33 Berith van Pelt
Het geluk van in Amsterdam te leven boekrecensie
“Jongens waren we, maar aardige jongens. Al zeg ik het zelf.” Dit zijn de welbekende openingszinnen van Nescio's Titaantjes, onderdeel van zijn debuut. Het verhaal speelt zich af in Amsterdam, de stad waar de auteur graag omzwervingen maakte met zijn vrouw en observeerde. Na de Tweede Wereldoorlog hield Nescio een dagboek bij, dat later is uitgegeven als Natuurdagboek. Een selectie fragmenten uit dit dagboek die zich in Amsterdam afspelen, zijn gebundeld en van aantekeningen voorzien in Het geluk van in Amsterdam te leven. Zakenman J.H.F. Grönloh (1882-1961), die schuilging achter het pseudoniem Nescio – wat letterlijk ik weet niet betekent, woonde in Amsterdam. Tijdens zijn pensioen had hij de tijd voor wandelingen en fietstochten door zijn geliefde stad. In Het geluk van in Amsterdam te leven maakt Grönloh aantekeningen van wat hij onderneemt, de straten die hij doorkruist, de vogels die hij ziet en de uitzichten over de grachten. De eerste fragmenten doen vermoeden dat Grönloh niets dan lof kent over de stad, en dat terwijl hij in schetsen van voor de Tweede Wereldoorlog juist zijn kritiek op de ‘moderne tijd’ uitte. De technologische ontwikkelingen van na de Eerste Wereldoorlog veranderden het dagelijks leven. De rust rondom Amsterdam, die Grönloh in zijn dagboek veelvuldig prijst, werd door de nieuwe technologie verstoord: “Er was Zondags buiten Amsterdam geen stilte meer en geen eenzaamheid” (Van Boven & Kemperink, 2006). Het boek is geen roman en leest dan ook niet zo, maar de geduldige lezer kan zich wanen in het Amsterdam van de jaren 50 van de vorige eeuw. De systematische beschrijvingen van de routes die Grönloh aflegde en het weer en de sfeer in de stad, maken het voor bekenden met Amsterdam zelfs mogelijk om zijn tochten voor zich te zien. De bijgevoegde aantekeningen van Nesciokenner Lieneke Frerichs maken het beeld compleet en lichten bovendien een tipje van de sluier op van het literaire klimaat waarin Grönloh zich bevond; regelmatig wordt verwezen naar het werk van andere auteurs. Ook Grönloh zelf biedt de lezer een
klein inkijkje in zijn literaire wereld. Zo geeft hij te kennen dat zijn wandelingen door Amsterdam “de geboorte van Titaantjes” (Frerichs, 2017, p. 36) vormden. Ook op andere plekken in zijn dagboek komen de Titaantjes om de hoek kijken: “Bekker en Bavink schoten net het Oosterpark in bij de van Swindenstraat, [...]” (Frerichs, 2017, p. 44). De ironische houding die Grönloh in zijn prozaïsche teksten, zoals Titaantjes, aanneemt, is niet terug te lezen in zijn dagboek. Waar hij zich als Nescio bezighoudt met het najagen van idealen en vooral met het falen daarin, lijken die idealen in Het geluk van in Amsterdam te wonen geen grote rol te spelen (Van Boven & Kemperink, 2006). Wat uit het boekje vooral naar voren komt, is hoe de zakenman en schrijver zich voelde in de grote stad. Hoe hij geniet van de eerste krokussen in de lente, de fluitende merel in het park en de weerspiegeling van de zon op het water van de grachten. Hoe hij het gevoel had “dat Amsterdam van [hem] was en dat [hij] 't zelf had gemaakt (wat ook waar is, want niemand ziet 't zoo)” (Frerichs, 2017, p. 69). Wellicht is dat wat een mens gelukkig maakt.
Meer weten? s Boven, E. van, & Kemperink, M. (2006). Literatuur van de moderne tijd. Nederlandse en Vlaamse letterkunde in de negentiende en twintigste eeuw. Bussum: Uitgeverij Coutinho. s Frerichs, L. (red.) (2017). Nescio. Het geluk van in Amsterdam te leven. Een keuze uit het Natuurdagboek. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar.
Nescio. Het geluk van in Amsterdam te leven. Een keuze uit het Natuurdagboek. Samenstelling en toelichting door Lieneke Frerichs. Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam Jaar van uitgave: 2017 ISBN: 978 90 388 0389 0
34
Een tragedie voor gelukszoekers
De ramp met de Titanic Dit jaar is het twintig jaar geleden dat het blockbuster spektakel Titanic uitkwam (Cameron & Landau, 1997). In 1997 leek de hele wereld in de ban van deze film. Dit kwam niet alleen door de nog steeds bestaande fascinatie voor het historische schip van dezelfde naam en haar tragische ondergang, maar zeker ook door de verdiensten van regisseur James Cameron. Met het destijds grootste filmbudget aller tijden, was hij in staat een megaspektakel in beeld te brengen waarmee hij nieuwe standaarden zette voor de gehele filmindustrie. Titanic werd daarmee een ongeĂŤvenaard financieel succes. De film was daarnaast ook een kritisch succes dankzij de getrouwe verbeelding van de historische context, waarvoor Cameron uitvoerig historisch onderzoek had gedaan. Hij koos er echter voor om het verhaal van het schip te vertellen aan de hand van twee fictieve hoofdpersonages, vertolkt door Leonardo DiCaprio en Kate Winslet. Daarmee heeft het publiek echter niet alles gezien.
Designed to be unsinkable
Door de grote technologische vooruitgang gedurende de voorgaande decennia, heersten er aan het begin van de twintigste eeuw gevoelens van optimisme: men dacht dat de westerse mens zich alleen maar in stijgende lijn zou ontwikkelen en dat alles mogelijk was (Mak, 2004). In de scheepvaartindustrie was dit ook het geval. Aan het begin van de twintigste eeuw emigreerden steeds meer Europeanen naar Noord-Amerika. Om hier op in te spelen werden schepen enorm vergroot om het groeiende aantal emigranten op te kunnen vangen. Om mee te concurreren bouwde de White Star Line de Olympic en de Titanic, destijds de grootste door de mens gemaakte vervoersmiddelen ooit. De Titanic onderscheidde zich
daarbovenop door haar immense luxe (Bartlett, 2011) en technologische hoogstandjes, zoals een hypermodern radiotelegrafiestation waarmee berichten van en voor passagiers konden worden uitgezonden en weerberichten konden worden ontvangen (Coughlan, 2012). Met het toenemende volume en de bijkomende bouwkundige inventies was men er in de scheepvaartindustrie (ook bij de White Star Line) van overtuigd dat moderne stalen schepen niet meer konden zinken (Bartlett, 2011).
De derde klas passagiers van de Titanic belichaamden de optimistische mentaliteit van het begin van de twintigste eeuw. Aan boord van de Titanic werden de passagiers in drie klassen gedeeld. De eerste en de tweede klassen bestonden voornamelijk uit reizigers die ofwel terugkeerden
De laatste bekende foto van de Titanic bij haar vertrek uit Queenstown, Ierland, op weg naar New York (12 april 1912).
35 Jasmijn Groot
naar huis of een trip maakten naar Amerika. Deze passagiers achtten zich maar wat gelukkig om in ongekende luxe te kunnen reizen. Het was echter de derde klasse die de optimistische mentaliteit van het begin van de twintigste eeuw het meest belichaamde. De meesten van hen waren immigranten uit Ierland, Groot-BrittanniĂŤ, ScandinaviĂŤ en andere delen van Europa die het continent voorgoed achter zich zouden laten om hun geluk te beproeven in Amerika of Canada. Zij waren veelal vertrokken in navolging van vrienden of familie die zich er al hadden gevestigd. Het verhaal van Katie Peters en Roger Tobin doet daarbij het meest denken aan het fictionele verhaal in Camerons verfilming: Katie en Roger waren elkaars sweethearts en trokken samen naar New York, waar Katies zus al woonde, om daar werk te zoe-
ken en een beter leven op te bouwen. Er waren echter ook derde klas passagiers die niet permanent in Amerika zouden blijven: David Bowen en Leslie Williams waren bijvoorbeeld professionele boksers die aan een aantal wedstrijden zouden gaan meedoen (Encyclopedia Titanica, 2013).
Iceberg, right ahead!
De Titanic vertrok op 10 april 1912 vanuit Southampton, Engeland, voor haar eerste reis. Ze maakte twee stops in Cherbourg, Frankrijk, en Queenstown, Ierland, waarna ze koers zette richting New York waar ze op 17 april zou arriveren. De Titanic was reeds vier dagen onderweg toen uitkijkposten Frederick Fleet en Reginald Lee op 14 april 1912 omstreeks 23:40 uur een ijsberg zagen die recht op het pad van het schip lag.
36
Fleet luidde de alarmbel en nam telefonisch contact op met de bestuurskamer (Lord, 1955). Volgens getuigenissen probeerde eerste officier William Murdoch vanaf daar de koers van het schip aan te passen om zo de ijsberg te ontwijken. Bij het passeren werd de stuurboordzijde van de kiel echter geraakt door de onderkant van de ijsberg (Barczewski, 2006; Brown, 2000). Kapitein E.J. Smith werd gewekt door de bijkomende schok en keerde terug naar de bestuurskamer. Geïnformeerd over de ijsberg riep hij de ontwerper van het schip, de Ierse Thomas Andrews, bij zich om met hem de schade te inspecteren. Ze concludeerden dat die te groot was en dat het schip gedoemd was te vergaan (Butler, 1998).
De reis die voor zovelen geluk had moeten brengen, eindige in een grote tragedie. De boeg van de Titanic zonk door het gewicht van het binnenlopende water steeds verder en steeds sneller in zee, wat ervoor zorgde dat het achtersteven uit het water begon te steken. De structuur van het schip was niet berekend op het enorme gewicht dat hierbij op de romp kwam te staan. Omstreeks 02:15 uur, met nog honderden passagiers aan boord, brak het schip in tweeën. De boeg raakte los en zonk naar de diepte. Het achtersteven viel terug in het water, steeg enigszins omhoog en zonk uiteindelijk ook om 2:20 uur. Van alle opvarenden bevonden zevenhonderd mensen zich in een reddingsboot. Vele honderden anderen waren terechtgekomen in het gevaarlijk koude water. Binnen een tijdspanne van ongeveer dertig minuten overleden zij allemaal – op vier na, die werden gered door twee terugkerende reddingboten onder leiding van commandeur Harold Lowe – aan de gevolgen van onderkoeling of door verdrinking. Het dichtstbijzijnde schip, de Carpathia, arriveerde een kleine twee uur later om de overlevenden uit de reddingsboten op te vangen (Barczewski, 2006; Brown, 2000; Butler, 1998; Lord, 1955). De reis die voor zovelen geluk had moeten brengen, eindigde in een grote tragedie. Van de ruim 2200 opvarenden vonden zeker 1500 mensen de dood, wat het één van de ergste maritieme rampen in vredestijd maakt. De desastreuze omvang van de ramp had veel verschillende oorzaken, waarvan er meerdere te maken hadden met het
intense geloof in de moderne technologie in het algemeen en het optimisme over de Titanic in het bijzonder. Ten eerste was het personeel aan boord van het schip geheel niet voorbereid op een ramp, zelfs een bekwame kapitein als E.J. Smith niet. In de hectiek die bij de ramp kwam kijken, gaf hij geen heldere instructies, waardoor een groot gedeelte van het personeel en de passagiers lange tijd niet besefte dat het schip daadwerkelijk aan het zinken was. Tegelijkertijd hadden veel van de officiers geen idee dat er te weinig reddingsboten waren voor iedereen aan boord. Ze twijfelden bovendien aan de kwaliteit van de sloepen en vulden ze ver onder de capaciteit (Barczewski, 2006; Butler, 1998; Lord, 1955). Ten slotte werd het gevaar op zee onderschat. Op 14 april hadden de twee telegrafen van de Titanic, Jack Philips en Harold Bride, van nabijgelegen schepen zes waarschuwingsberichten ontvangen over ijsbergen in het gebied, waarvan er vier niet werden doorgegeven aan de bestuurskamer. Toen Philips omstreeks 22:30 uur een laatste waarschuwing ontving van het nabijgelegen schip Californian, antwoordde hij zelfs met “Shut up! Shut up!” (Coughlan, 2012).
Great loss of life
Uiteraard vielen er in elke klasse verliezen te betreuren, maar van alle opvarenden werden de derde klasse en het personeel het hardst getroffen. Binnen de derde klasse zijn gehele families omgekomen; de Engelse familie Sage bijvoorbeeld, bestaande uit een echtpaar met maar liefst negen kinderen, de familie Goodwin uit Fulham met zes kinderen en de Ierse weduwe Margaret Rice met haar vijf kinderen. Ook vele vrouwen die met hun kinderen onderweg waren om zich te scharen aan de zijde van hun echtgenoot, die al vooruit was gereisd, zouden de kust van Noord-Amerika nooit bereiken: de Finse Maija Panula en haar vijf kinderen vormen slechts één voorbeeld. Andere families werden uiteengerukt: zo verloor Rhoda Abbott allebei haar zoons. Ze belandde zelf in het ijskoude water, maar was één van de vier passagiers die werden gered door commandeur Harold Lowe. De meeste families verloren echter hun patriarch: de vaders en echtgenoten (Encyclopedia Titanica, 2013). Officier William Murdoch en commandeur Charles Lightoller overzagen het vullen van de reddingsboten. Murdoch liet eerst vrouwen en kinderen aan boord, waarna hij overging tot de mannen. Lightoller liet echter alleen vrouwen en kinderen toe, waardoor mannen bij voorbaat geen schijn van kans maakten en er aanzienlijk meer vrouwen en kinderen zijn gered (Barczewski, 2006).
Der Untergang der Titanic door Willy Stöwer voor Die Gartenlaube (1912).
37 Jasmijn Groot
Ten slotte kwamen ook de eerder genoemde passagiers, Katie Peters, Roger Tobin, David Bowen en Leslie Williams, allemaal om het leven. Over de omstandigheden van Bowens en Williams’ dood is niks bekend. Wel zijn er brieven bewaard gebleven die Bowen aan zijn moeder schreef aan boord van de Titanic. Van Williams is het verder bekend dat hij getrouwd was en vader van een zoon. Ten tijde van zijn overlijden was zijn vrouw zwanger van de tweede. Volgens Kate McCarthy, die bevriend was met Katie Peters en Roger Tobin, kwam de laatste langs haar cabine om te vertellen dat ze haar reddingsvest aan moest doen, al zei hij dat er geen gevaar was. McCarthy had een voorgevoel dat er iets mis was en trok samen met Peters en Tobin naar het dek. Op de één of andere manier bleef ze alleen over. Ze heeft Peters en Tobin nooit meer gezien (Encyclopedia Titanica, 2013). Veel personeelsleden kregen geen mogelijkheid om plaats te nemen in een reddingsboot: het gehele orkest, dat volgens één van de bekendste mythen omtrent de ramp door bleef spelen tot het schip ten onder ging, kwam om. Zeker drie van de orkestleden, waaronder leider Wallace
Hartley, hadden zich recentelijk verloofd. Anderen gingen tot het einde door om hulp te bieden, waarmee ze uiteindelijk hun eigen lot bezegelden, of ze leken voor de dood te kiezen. Kapitein E.J. Smith, die na de eerste tocht met de Titanic met pensioen zou gaan, was volgens ooggetuigen tijdens de ramp compleet verdwaasd. Hij werd voor het laatst gezien in de bestuurskamer, waar hij ten onder zou zijn gegaan met het schip. Thomas Andrews bevond zich volgens sommigen in de eerste klas rookkamer en leek niet van plan zichzelf te redden. Het is echter ook mogelijk dat hij getracht heeft het schip te verlaten en bij zijn poging is verdronken. Zowel Smith als Andrews lieten een vrouw en dochter achter. Jack Philips ging door met het verzenden van noodsignalen tot de telegrafiekamer onder water kwam te staan. Hoewel het duidelijk is dat hij de ramp niet heeft overleefd, zijn er tegenstrijdige verklaringen over zijn einde. Ook officier William Murdoch kwam om: na de ramp schreef Lightoller aan Murdochs vrouw dat haar man was gestorven terwijl hij anderen probeerde te redden. Anderen menen echter dat hij tijdens de evacuatie zelfmoord heeft gepleegd (Encyclopedia Titanica, 2013).
38
My Heart Will Go On (and On)
Terwijl veel van de personeelsleden later werden geëerd om hun heldhaftige optredens – zowel de overledenen als de overlevenden – bracht de ramp ook een blijvende smet met zich mee. Degene die dat in de hoogste mate aan den lijve ondervond, was zonder twijfel Bruce Ismay, directeur van de White Star Line en eerste klas passagier tijdens de Titanics eerste reis. Hij was het personeelslid met de hoogste rang die de ramp had overleefd. Als zodanig werd hij bij aankomst in Amerika door de pers onthaald als een lafaard, omdat hij zichzelf had gered terwijl er vele vrouwen en kinderen waren verdronken. Hij nam ontslag bij de White Star Line, maar met zijn imago kwam het nooit meer goed. De rest van zijn leven leidde hij een teruggetrokken bestaan. Maar ook medewerkers van lagere rang hadden last van negatieve persberichten. Frederick Fleet bijvoorbeeld werkte na de ramp op andere schepen, maar merkte dat hij anders werd behandeld. Nog hetzelfde jaar nam hij ontslag bij de White Star Line en werkte tot zijn pensioen bij andere scheepvaartmaatschappijen (Encyclopedia Titanica, 2013).
De ramp met de Titanic luidde niet alleen het einde van het optimisme in, het liet bij honderden mensen blijvende littekens achter. De gevolgen voor de derde klas passagiers waren evenredig verreikend. De emigranten hadden al het mogelijke verkocht om de tocht naar Amerika te kunnen bekostigen en daar opnieuw te kunnen beginnen. Na het zinken van het schip waren ze letterlijk alles kwijt. Daarbovenop waren vele families echtgenoten en vaders kwijt, en daarmee de belangrijkste broodwinnaars. De moeders waren toen gedwongen om te gaan werken. In plaats van een verrijking van hun leven raakten velen juist aan lager wal. Er waren opvallend veel mensen die snel weer terugkeerden naar Europa: ze waren nieuwelingen op een vreemd
continent en hadden een zeer beperkt sociaal vangnet. Met het weinige dat ze over hadden na de ramp was het uiterst moeilijk een nieuw bestaan op te bouwen (Encyclopedia Titanica, 2013). Anderen bleven in Amerika en Canada en zetten nooit meer voet aan dek van een schip. Dit kwam onder meer door een heel andere reden: hun trauma. Eva Hart, één van de laatste overlevenden van de ramp, had jarenlang last van nachtmerries. Pas in 1928 probeerde ze er iets aan te doen: ze sloot zichzelf vier dagen op in een scheepscabine tot de nachtmerries ophielden. Ze werd één van de meest uitgesproken overlevenden. Anderen openden nooit hun mond (Encyclopedia Titanica, 2013). De ramp met de Titanic luidde niet alleen het einde van het optimisme in, het liet bij honderden mensen blijvende littekens achter.
Meer weten? s Barczewski, S. (2006). Titanic: A Night Remembered. Londen: Continuum International Publishing Group. s Bartlett, W. B. (2011). Titanic: 9 Hours to Hell, the Survivors' Story. Stroud: Amberley Publishing. s Brown, D.G. (2000). The Last Log of the Titanic. New York: McGraw-Hill Professional. s Butler, D.A. (1998). Unsinkable: The Full Story of RMS Titanic. Mechanicsburg: Stackpole Books. s Cameron, J., Landau, J. (producenten) & Cameron, J. (regisseur) (1997).Titanic [Film].Verenigde Staten: 20th Century Fox. s Coughlan, S. (presentator) (2012, 10 april). Titanic - in her own words [Radio documentaire]. Londen: BBC Radio. s Encyclopedia Titanica. (2013). Titanic Passenger List. Geraadpleegd op 25 mei 2017 van https://www.encyclopedia-titanica.org/titanic-passenger-list/. s Encyclopedia Titanica. (2013). Titanic Crew List. Geraadpleegd op 25 mei 2017 van https://www.encyclopedia-titanica.org/titanic-passenger-list/. s Lord, W. (1955). A Night to Remember. New York: Bantam Books. s Mak, G. (2004). In Europa. Reizen door de twintigste eeuw. Deel 1. Amsterdam: Olympus.
39 Jasmijn Groot
“Een aantal van de omgekomen personeelsleden en derde klas passagiers. Boven (v.l.n.r.): kapitein E.J. Smith, officier William Murdoch, Thomas Andrews en telegraaf Jack Philips. Onder: de Goodwin familie, Leslie Williams en Katie Peters.�
40
codexhistoriae.nl