Skip to main content

CODEX Historiae - themanummer 100 jaar geschiedenis - zomer 2018

Page 1

codex

Historiae

Jaargang 39 | Nummer 3 | 2018

100 jaar geschiedenis


2

Redactioneel De opleiding Geschiedenis aan de VU bestaat 100 jaar. Het resultaat van die 100 jaar is dat historici op feestjes standaard de vraag moeten beantwoorden of ze na hun studie het onderwijs in zullen gaan. En dat terwijl historici ook zo veel andere dingen te bieden hebben! Daarover schreef jonge historica Kayleigh Goudsmit het boek Gezocht: Historicus. Wij recenseerden het en maakten meteen van de gelegenheid gebruik om de archieven in te duiken, op zoek naar interviews met alumni. En ook daaruit bleek dat de verscheidenheid aan beroepen enorm is; historici zitten zeker niet alleen in het onderwijs. En net zoals de toegevoegde waarde van de historicus soms wordt onderschat, wordt de rol van geschiedenis dat ook. Geschiedenis heeft bijvoorbeeld altijd een belangrijke rol in de politiek gespeeld. Kijk maar naar het huidige maatschappelijke debat over straatnamen die vernoemd zijn naar mannen die hun heldenstatus hebben moeten inruilen voor een oneervolle reputatie. Of naar de jaarlijks terugkerende debatten over tradities als de Dodenherdenking en het Sinterklaasfeest. Geschiedenis is dus ook van nu. Maar hoe zorgen we dat het ook van de toekomst is? Daar heeft gastschrijver Koen Voors wel een idee over. Met het cursusaanbod van Digital Humanities gaat de opleiding in ieder geval met haar tijd mee. Proost, op de volgende 100 jaar! This year, the History programme of the Free University is celebrating her 100th birthday. After all this time historians are still confronted with the assumption they will aspire a career in education. But historians have so much more to offer! This issue is the subject of the book Gezocht: Historicus (Wanted: Historian), recently published by the young historian Kayleigh Goudsmit. We wrote a review on the book and decided to search our archives for interviews with alumni, to see what their future has brought them. And guess what? There are many more career options for historians than education alone. The important role of history in current events is often forgotten, as is the value of historians. For instance, history has a big part in politics. The current debate in the Netherlands about naming streets after former colonial heroes is one example. The recurring debates about Dutch traditions as the Dodenherdenking (Commemoration of the victims of WOII, on the 4th of May) and Sinterklaas (Saint Nicholas, whose birthday is celebrated on December 5th) are another. So, history is now. But how can we make sure it will also be the future? Our guest writer Koen Voors has his own idea about that. Now that the university programme is offering courses in Digital Humanities, we can say the study is keeping up with the times. Cheers, to the next 100 years!

Colofon Hoofdredactie Berith van Pelt Chief editor Redactie Berend Mul Editors Bob Vek Emilia Salerno Jasmijn Groot Jedidja Stikkelorum Eindredactie Julia Steiner Copy editors Emma Kemp Sophia Busselaar

Gastschrijvers Koen Voors Guest writers Marilena van der Pol Met dank aan Caro Verbeek Thanks to Erica Kuijpers Karin Lurvink Vormgeving Berith van Pelt Graphic design Cover Clio, muze van de geschiedenis. Clio, Alexander Liernur, 1796.

Mail voor meer informatie over abonneren, publiceren of adverteren naar info@codexhistoriae.nl. Financieel mogelijk gemaakt door de Vrije Universiteit Amsterdam. Amsterdam, juni 2018.


3

In dit nummer Actualiteiten Berith van Pelt

pagina 4

Tot de Meiboom in de kap De Vrije Universiteit aan de Amsterdamse grachten Jedidja Stikkelorum

pagina 6

Geschiedenis van nu Onderzoek aan de VU Berith van Pelt

pagina 10

Verder kijken Toekomstvisie op de opleiding geschiedenis Koen Voors

pagina 16

The 1918-2018 Manifesto How to learn from the past Emilia Salerno

pagina 18

Huizen van Verzet Een nieuwe herdenkingscultuur en de rol van de historicus Berend Mul & Koen Voors

pagina 24

Eerbiedig uw taal Taalzuivering in het Frans en Vlaams Marilena van der Pol

pagina 26

Van te weinig spektakel wankel je allicht Straatnaamdiscussies Emma Kemp

pagina 31

Binnen de gebaande paden Boekrecensie Gezocht: Historicus Berith van Pelt

pagina 34

Uit het archief Geschiedenisalumni Berith van Pelt

pagina 36


4

Actualiteiten Jaar van Verzet Het Platform Herinnering Tweede Wereldoorlog heeft 2018 uitgeroepen tot ‘Jaar van Verzet’. Dit gehele jaar staat in het teken van het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog en daaraan wordt op verschillende manieren aandacht besteed. Hierbij staat het verzet als historisch verschijnsel en als bron van inspiratie centraal. Door het hele land worden activiteiten en tentoonstellingen georganiseerd. Wij maakten een selectie van de interessantste en opvallendste activiteiten. Meer informatie over het Jaar van Verzet is te vinden op codexhistoriae.nl/themas/100-jaar-geschiedenis.

Collectie tentoonstelling Verhalen uit de Onderduik, Herinneringscentrum Kamp Westerbork.

Verhalen uit de Onderduik Herinneringscentrum Kamp Westerbork is in het kader van het thema Tweede Wereldoorlog op zichzelf al een bezoek waard. Nog dit gehele jaar is er nu bovendien de tentoonstelling Verhalen uit de Onderduik te zien, waarin verhalen van Joodse onderduikers verteld worden aan de hand van foto’s en objecten. De collectie is afkomstig uit verschillende musea en een deel is nooit eerder onderdeel geweest van een tentoonstelling. Bankier van het Verzet De geschiedenis wordt steeds vaker toegankelijk gemaakt voor een breed publiek via verschillende media. Dit jaar verscheen de film Bankier van het Verzet, over bankier Walraven van Hall die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde tot verzetsheld.

Verzetsstrijder Walraven van Hall. Publiek domein.


5 Berith van Pelt

Beauty of the Battle In CODA Museum Apeldoorn kun je vanaf 30 september zien hoe verzet, geweld, strijd en haat een inspiratiebron kunnen zijn voor verschillende vormen van kunst. Deze concepten roepen afkeer op, maar fascineren tegelijkertijd ook als ze onderdeel zijn van kunstwerken. De tentoonstelling Beauty of the Battle stelt deze tegenstelling centraal.

Collectie tentoonstelling Beauty of the Battle, CODA Museum Apeldoorn.

Op de VU Het onderzoek aan de Faculteit der Geesteswetenschappen staat niet stil. In elk nieuw nummer van CODEX vind je een overzicht van recent gepromoveerden aan deze faculteit van de Vrije Universiteit Amsterdam. Meer informatie over het proefschrift van De Hillster vind je op codexhistoriae.nl/themas/100-jaar-geschiedenis.

Mei 2018 Navigation on Wood, Wooden Navigational Instruments 1590-1731: An analysis of early modern western instruments for celestial navigation, their origins, mathematical concepts and accuracies. N. de Hillster


6

Tot de Meiboom in de kap

De Vrije Universiteit aan de Amsterdamse grachten In 1880 richtte Abraham Kuyper de Vrije Universiteit op, “gegrond op de gereformeerde beginselen naar het woord Gods”. Het wetenschappelijke onderwijs op de VU moest in dienst staan van de schepping die “als een schoon boek” Gods kracht en goddelijkheid weerspiegelde. Zo spreekt de voorlichtingsfilm uit 1953 vol trots over de geschiedenis van de universiteit. Deze geschiedenis wordt gekenmerkt door vele omzwervingen en verhuizingen, van 1880 tot ver in de jaren 1960.

De VU aan de Keizersgracht Het universiteitsgebouw bevond zich toen nog in de binnenstad van Amsterdam, aan de Keizersgracht 166. Dit pand was groot genoeg voor de schamele groep van vijf studenten die werd lesgegeven door vijf hoogleraren. Het aantal studenten steeg echter snel en na enkele tientallen jaren werden er nog twee herenhuizen naast het universiteitsgebouw opgekocht en voor gebruik ingericht. Ook de tuin werd opgeofferd om woongelegenheid te


7 Jedidja Stikkelorum

scheppen voor studenten en ruimte te creëren voor de administratie. Ondertussen was er voor de bibliotheek enkel plek op zolder en waren de universiteitsgebouwen een doolhof van gangen en primitieve zalen. Aangezien de groei van het aantal studenten zich onverminderd voortzette, ontstond er een groot gedrang in de wandelgangen en werden ook deze drie gebouwen te klein. Waar de VU was begonnen met vijf studenten, telde de universiteit in de jaren 20 van de vorige eeuw 219 studenten, twaalf jaar later al ruim 500 en in 1953 waren er al meer dan 1700 studenten. Deze groei bracht een ruimtegebrek met zich mee en daardoor ook financiële nood. In het eerste jaarlijkse VU-blad, dat in 1932 uitkwam, wordt gesproken van een tekort van f 30.000,- en wordt dringend hulp gevraagd aan alle correspondenten om dit tekort te dekken. Gelukkig kon de VU zich altijd beroepen op een groot aantal begunstigers uit gereformeerde kringen. Omzwervingen door heel Amsterdam Omdat de drie grachtenhuizen niet meer geschikt waren om als universiteitsgebouw te dienen, verspreidde de VU zich over tien plaatsen in Amsterdam. Een woonhuis in de Koningslaan werd omgebouwd tot onderwijsruimte voor de ruim 300 studenten van de economische faculteit. Ook werden er diverse laboratoria gebouwd op verschillende plekken in Amsterdam, zoals de Psychiatrisch-Neurologische Valeriuskliniek in 1910 en het fysiologisch laboratorium op de hoek van het Valeriusplein en de De Lairessestraat in 1917. Deze twee gebouwen vormden het startpunt van de beoogde medische faculteit. De Valeriuskliniek speelde bovendien een belangrijke rol in de Tweede Wereldoorlog door onderdak te bieden aan Joodse onderduikers die hier als ‘patiënt’ werden opgenomen.

Universiteitsgebouw van 18831966 aan de Keizersgracht, Geheugen van de VU.

Panden aan de Keizersgracht 158-168, foto uit 2015, Geheugen van de VU.

De VU toen en nu Van 1880 tot 1966 was het pand aan de Keizersgracht 162 het centrum van de Vrije Universiteit. Het voormalige woonhuis uit 1615 werd door de VU op een veiling gekocht en daarna uitgebreid met een verdieping en een nieuwe gevel. In 1899 werd ook het naburige pand met nummer 164 gekocht en in 1930 en 1936 volgden panden nummer 166 en 160. De gebouwen bleven onderling met elkaar verbonden door gangetjes. Nadat de grachtenpanden decennialang door de alfafaculteiten waren gebruikt, verhuisde de inmiddels opgesplitste faculteiten Letteren, Godgeleerdheid en Rechtsgeleerdheid in de jaren 60 naar de nieuwe campus in Buitenveldert. De panden werden in 1967 verkocht. Vandaag de dag vind je op nummer 162 appartementen, op nummer 164 een hotel, op nummer 160 kantoren en op nummer 166 een kunst- en cultuurhuis.


8

De Vrije Universiteit was begonnen met drie faculteiten, te weten theologie, rechten en de kunsten, maar breidde zich langzaam maar zeker uit tot een complete universiteit met vijf faculteiten. De laatste twee faculteiten, de medische en wetenschappelijke, waren de duurste. Naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van de VU ontving de universiteit een gift van f 500.000,-. Hiervan werd een deel bekostigd door een aantal welgestelde dames uit de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag. Maar zelfs met deze gift was er nog niet genoeg geld binnen voor de bekostiging van de faculteit der wis- en natuurkunde, stelde het VU-blad in 1932 somber. Toch leverde de VU in 1933 een nieuw gebouw aan de De Lairessestraat op, waarin de laboratoria en collegezalen voor natuurkunde, scheikunde en wiskunde werden gevestigd. Zo kreeg de nieuwe faculteit een geschikte studieplek, die bovendien in 1942 zou worden verrijkt met een sterrenkoepel en in 1952 nog eens werd uitgebreid met twee verdiepingen. Het natuur- en scheikundig laboratorium verschafte de studenten grote, moderne practicumzalen, een ruim aanbod van wetenschappelijke instrumenten, riante collegezalen en een afdelingsbibliotheek. De drie gebouwen in Amsterdam Oud-Zuid vormden tezamen een groot VU-complex waar de medische faculteit zich kon vestigen. Uitbreiding en versnippering Ondanks de succesvolle uitbreiding, ontbrak er in 1953 nog altijd iets essentieels aan de door heel Amsterdam verspreide universiteit: een eigen aula. Voor plechtigheden moest een kerkgebouw of gymzaal gehuurd worden om als alternatieve aula te functioneren. Bovendien zorgde de spreiding van universiteitsgebouwen ervoor dat vooral medische studenten zich gedwongen zagen om telkens van de ene naar de andere locatie te reizen. Daarom begon de VU in 1953 aan de verdere uitbouw en concentratie van de hele universiteit, maar vooral voor de medische faculteit. In ditzelfde jaar ging de eerste paal van het VU-ziekenhuis de grond in. “Zo zal het kunnen komen tot de opbouw van de medische faculteit,” aldus verkondigt de voice-over van de voorlichtingsfilm uit 1953, “tot de Meiboom in de kap.” Deze uitspraak gaat terug op een openingswoord van niemand minder dan Abraham Kuyper. De meiboom stond vroeger symbool voor overwinning op de dood en hoop voor de toekomst, zoals de lammetjes de komst van de lente inluiden. Kuyper beschreef in zijn openingswoord aan de deputatenvergadering in 1913 hoe het onder bouwlieden de gewoonte was (en nog altijd is!) om, zodra het fundament van een nieuw huis is gelegd, de muren staan en de draagbalken in de kap zijn gespannen, de meiboom naar boven te dragen en aan de kapbalk vast te binden. Als de meiboom eenmaal in de kap stond, wist men zeker: het huis komt af.

De Valeriuskliniek vóór de sloop in 2017, foto 020apps, april 2013.

De Valeriuskliniek tijdens de Tweede Wereldoorlog De Valeriuskliniek groeide tijdens de Tweede Wereldoorlog uit tot een essentieel onderdeel van de infrastructuur van het verzet. Niet alleen joden, maar ook VU-medewerkers die geen dwangarbeid in Duitsland wilden verrichten en studenten geneeskunde die hadden geweigerd de loyaliteitsverklaring te ondertekenen, werden hier verborgen gehouden. De studenten kregen tevens clandestien onderwijs. Ook de productie van valse persoonsbewijzen en van microfilms van het verzet vond hier plaats. Ondertussen mochten de leiders van het verzet gebruikmaken van de vergaderruimtes van de kliniek. Mede door de spoorwegstaking van 1944 en de toenemende onderdrukking werd het gedurende de laatste jaren van de bezetting bijna onmogelijk om aan voedsel, brandstof en geneesmiddelen te komen. De Valeriuskliniek was aan het einde van de Tweede Wereldoorlog overbevolkt (De Waardt, 2016).

De Valeriuskliniek, 1933-1938, Geheugen van de VU.


9 Jedidja Stikkelorum

Kuyper trok deze vergelijking door naar de Vrije Universiteit, die in 1913 al ruim dertig jaar bestond, maar nog steeds niet helemaal af was. In de geest van Kuypers rede pleitte de directie van de VU in 1953 voor een complete universiteit met een moderne medische faculteit. In 1966 werd het Academisch Ziekenhuis geopend en in datzelfde jaar werd de eerste paal voor het Hoofdgebouw zoals wij het nu kennen in de grond geslagen. De bouw van de campus zou van 1966 tot 1974 duren. Dat de groei en uitbreiding van de VU ook voor de nodige spanningen en conflicten kon zorgen, was in 1953 al een zorg. Toen de VU enkel nog bestond uit een kleine gemeenschap aan de Keizersgracht was de samenwerking makkelijker en waren de onderlinge banden sterker. “Het valt niet te ontkennen, dat de tegenwoordige structuur heel wat meer mogelijkheden biedt voor het ontstaan van conflicten,” zo merkte de redactiecommissie van het VU-blad in januari 1953 op. Toch hield de VU de moed erin, want “het gaat om het dienen van God” en “als ieder daarbij leeft, biddend en strijdend, en als wij allen daarin elkander trachten voor te gaan en bij te staan, houden wij de conflicten op een afstand.”

Verantwoording • Kuyper, A. (1913). De Meiboom in de kap. Openingswoord Deputaten-Vergadering. Geraadpleegd van https:// docviewer2.digibron.nl/?id=637088dde05d2c8dcb7bad1421823cc8&q. • Multifilm Haarlem. (1953). Als een schoon boek. Een filmreportage van de Vrije Universiteit [Video]. Geraadpleegd op 2 april 2018, van http://www. geheugenvandevu.nl/hoofdmenu/beeld-en-geluid/ films/1953-als-een-schoon-boek-een-filmreportagevan-de-vrije-universiteit-1. • Plaatsen van herinnering. (z.d.). Geraadpleegd op 2 april 2018, van http://www.geheugenvandevu.nl/ hoofdmenu/plaatsen/plaatsen-van-herinnering. • Nauta, D. (1953, januari). Conflicten. Vrije Universiteitsblad, 1953 (188), 2319. Geraadpleegd van http://www.geheugenvandevu.nl/hoofdmenu/bronnen/ vu-blad-1932-1971?db-overview&p=2. • Vereen. Voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag. Vrije Universiteit. (1932, november). Mededeelingen aan Correspondenten, 1932 (1), 1-10. Geraadpleegd van http://www.geheugenvandevu.nl/ hoofdmenu/bronnen/vu-blad-1932-1971?db-overview&p=1. • De Waardt, J.H.M. (2016). Lammert van der Horst: De mens centraal. In A.C. Flipse (Ed.), Verder kijken: honderdvijfendertig jaar Vrije Universiteit Amsterdam in de samenleving: zesentwintig portretten (pp. 91-98). Amsterdam: VU University Press.


10

Geschiedenis van nu Onderzoek aan de VU Op de Vrije Universiteit gaat de opleiding Geschiedenis met haar tijd mee. Met aandacht voor actuele ontwikkelingen en vernieuwend onderzoek is de wetenschap steeds in beweging. We lichten drie bijzondere aspecten uit van het historisch onderzoek aan de VU. Erika Kuijpers staat aan het roer van de digitale geesteswetenschappen, Caro Verbeek onderzoekt de geschiedenis aan de hand van geuren en Karin Lurvink zet de vrouwen van het slavernijverleden in de spotlights.

Erika Kuijpers geeft aan de VU colleges op het gebied van de vroegmoderne cultuurgeschiedenis en doet onderzoek naar de geschiedenis van trauma en vroegmoderne herinneringspraktijken. Ze is ook coĂśrdinator van de minor Digital Humanities and Social Analytics. De komende jaren gaat zij met Prof. Judith Pollmann van de Universiteit Leiden werken aan een zojuist gehonoreerd onderzoeksproject getiteld: Chronicling novelty. New knowledge in the Netherlands, 1500-1850. Dit project zal een groot digitaal corpus van vroegmoderne kronieken aanleggen om onderzoek te doen naar hoe tussen 1500 en 1850 nieuwe kennis en ideeĂŤn door gewone mensen in de Nederlanden werden opgepikt.


11 Berith van Pelt

Digital Humanities De huidige digitalisering heeft niet alleen betrekking op recente informatie, maar ook op historische bronnen: steeds meer (historische) bronnen zijn digitaal beschikbaar. Secundaire literatuur slaat niet alleen maar op boeken, maar wordt ook op het internet gelezen. Daarnaast digitaliseren steeds meer archieven, musea en bibliotheken hun collecties, kunnen historische geschriften worden ingezien via bijvoorbeeld de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) en zijn miljoenen artikelen uit kranten en tijdschriften beschikbaar via databanken als Delpher. Niet gek dus voor een historicus, om te weten hoe hij zijn weg moet vinden in de digitale wereld.

Digital Humanities is meer dan wild op knopjes drukken. Moeten historici zich zorgen maken dat hun baan geautomatiseerd wordt? Daar hoeven we voorlopig niet bang voor te zijn, denkt dr. Erika Kuijpers, docente aan de VU. De computer vervangt nog lang niet ons menselijk vermogen om bijvoorbeeld taal betekenis te geven of om emoties te interpreteren. De computer kan ons ondersteunen in taken die arbeidsintensief zijn, maar er komt nog veel menselijk denkwerk aan onderzoek te pas. Zo moet iemand vragen bedenken waarop dataonderzoek door een computer het antwoord kan geven. Ook voor de interpretatie van de resultaten van de computeranalyse is een menselijk brein onmisbaar. Toch zijn digitale vaardigheden om verschillende redenen nuttig voor alle geesteswetenschappers, vindt Kuijpers. In de digitale wereld is veel te vinden, maar net als met analoge bronnen dient een wetenschapper wel kritisch en verantwoord met die bronnen om te gaan. Bij digitale bronnen doen zich daarbij andere vragen voor. Hoe krijg je bijvoorbeeld het gewenste resultaat uit een zoekmachine? Welke bronnen worden niet getoond, maar zijn er wellicht wel? Wat is het gevolg van het digitaliseren van de bron? Bij Digital Humanities draait het dus om veel meer dan wild op knopjes drukken. Bovendien opent de digitalisering ook deuren voor nieuwe manieren van data-analyse en biedt het nieuwe mogelijkheden voor de visualisatie van data. Waar voorheen het geschreven verslag de meest gebruikte

presentatievorm van onderzoeksresultaten was, hebben geesteswetenschappers nu meer keuze. Zo heeft dr. Dienke Hondius onlangs op basis van data-onderzoek een interactieve kaart gemaakt waarop de huizen te zien zijn die gefinancierd zijn vanuit de slavenhandel. Digitale vaardigheden komen vooral van pas voor studenten die een carrière in het wetenschappelijk onderzoek ambiÍren. Maar ook aan andere toekomstperspectieven kunnen Digital Humanities bijdragen. In het onderwijs bijvoorbeeld; mediawijsheid speelt op de middelbare school immers een belangrijke rol. Bovenop dat alles benadrukt Kuijpers dat het vooral heel leuk is. Je bent nog steeds met geesteswetenschappen bezig, maar wel op een hele andere manier. De digitale historicus in spe Voor studenten lijkt onderwijs in Digital Humanities nog niet zo vanzelfsprekend, want de belangstelling bij studenten blijft nog achter. En dat is jammer, vindt Kuijpers, want het kan een historicus zoveel mogelijkheden bieden. Zo maken niet alleen digitale data, maar ook online tools onderzoek mogelijk dat voorheen nauwelijks uitvoerbaar was. Een corpus met honderden of zelfs duizenden primaire bronteksten kan met een computer bijvoorbeeld gecodeerd of geanalyseerd worden. Om deze samenwerking tussen mens en computer te laten slagen, is het echter wel van belang dat een historicus weet welke opdracht hij de computer moet geven. Dat omgaan met die digitale bronnen vereist van de historicus andere (denk)vaardigheden dan die in de rest van de studie centraal staan. Daarom zijn Digital Humanities onderdeel van de studie Geschiedenis. In het derde jaar kunnen de studenten kiezen voor een minor over dit onderwerp, waarbij ze samen met studenten van computerwetenschappen, geesteswetenschappen en Life Sciences vakken volgen over de verschillende beschikbare tools, het analyseren en visualiseren van data en het werken met databases. Tijdens een stage van een maand zien de studenten hoe ze deze kennis en vaardigheden kunnen inzetten in de praktijk. Bovendien heeft de opleiding goed contact heeft met het Humanities Cluster van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), een samenwerking tussen wetenschappelijke instituten die zich inzetten om geesteswetenschappelijk onderzoek te verbeteren. Dit maakt dat de digitale geesteswetenschappen aan de VU dicht bij de actuele ontwikkelingen liggen.


12

In search of Lost Scents De huidige westerse mens analyseert culturele verschijnselen het liefst met slechts een zintuig: zijn ogen. Doordat er weinig aandacht is voor andere zintuigen, zoals de neus, kan veel informatie verloren gaan of verkeerd geïnterpreteerd worden. Geuren kunnen een completer beeld geven van de geschiedenis: ze roepen levendige herinneringen op en zijn onderdeel van de identiteit van (sub)groepen en individuen. Caro Verbeek betrekt daarom historische geuren in haar onderzoek. Met het project waarover ze haar proefschrift In Search of Lost Scents – Reconstructing the Aromatic Heritage of the Avant-garde schrijft, wil zij een completer beeld van de kunstgeschiedenis geven door geur zijn rechtmatige rol te laten spelen. Zo onderzoekt ze hoe zogenaamd beeldende kunstenaars een eeuw geleden al bewust een beroep op de neus deden en wat het ervaren van geuren met huidige museumbezoekers doet. Verbeek is niet de eerste die zich met het belang van geuren bezighoudt. Tussen 1890 en 1960 betrokken symbolisten, futuristen, dadaïsten en surrealisten ook de reuk bij hun kunstwerken. Om hun totaalkunstwerken ten volle te kunnen ervaren, had je naast je ogen vooral ook je andere zintuigen nodig. In de jaren negentig van de vorige eeuw werd de ‘zintuiglijke antropologie’ opgericht als nieuwe discipline, om die andere zintuigen weer tot hun recht te laten komen. In haar onderzoek reconstrueert Verbeek de rol die geur in de werken van symbolisten, futuristen en surrealisten speelde. Geuren zijn echter een lastig studieobject: ze verdwijnen per definitie en zijn moeilijk te omschrijven en te registreren. Door geuren talig en olfactief (met het reukorgaan) te reconstrueren, analyseren en net als iedere historicus te contextualiseren, brengt Verbeek dit verloren gedeelte van ons erfgoed opnieuw onder de aandacht. Zij wil haar resultaten bovendien delen met een groter publiek. In 2017 cureerde Verbeek de tentoonstelling Aromatic Art Reconstructed op de VU, waarbij bezoekers verloren geuren konden ruiken. Zij ervaarden bijvoorbeeld de geur van de maan, een polderlandschap of een achttiende-eeuws grachtenpand. Ook heeft ze in samenwerking met International Flavors & Fragrances, een innovatieve organisatie op het gebied van geur- en smaakperceptie, dertien historische geuren gecreëerd voor het Rijksmuseum. Zo maakte Verbeek het mogelijk om de Slag bij Waterloo te ruiken. En die geuren doen iets. De geuren van het angstzweet en het parfum van Napoleon, de paardenlucht, het buskruit en de natte aarde maakten dat sommige museumbezoekers

zich bij het aanschouwen van het schilderij op het strijdtoneel waanden. Hoewel de geur op historische documentatie gebaseerd is, is er geen garantie dat de geur historisch correct is, maar geuren verrijken wel duidelijk onze perceptie van historische gebeurtenissen. De eerste resultaten van Verbeeks onderzoek lijken erop te wijzen dat de museumbezoekers langer naar de schilderijen kijken, meer details zien en zich later ook meer van die details kunnen herinneren.

Geuren dwingen ons onze digitale werkelijkheid even los te laten. Ruiken lijkt daarnaast te leiden tot meer begrip en kennis van het verleden; daarvoor is alleen het bekijken van foto’s en het lezen van teksten niet genoeg. Bij het kijken naar een schilderij of foto vergeten we vaak hoezeer geuren invloed hebben op hoe we iets ervaren. De verschrikkelijke geuren van een veldslag hadden zo’n uitwerking op de soldaten dat sommigen deserteerden. Het ruiken van deze geur bij een verbeelding van een veldslag doet het besef van deze impact groeien. Bovendien brengen geuren mensen samen; de neus is een sociaal zintuig. Een geur kun je immers niet via Facebook ruiken, je moet fysiek aanwezig zijn in de ruimte om de geur te ervaren. Zo zijn geuren een manier om gezamenlijk aandacht te hebben voor het verleden. Geuren dwingen ons onze digitale werkelijkheid even los te laten. Een neus voor zintuiglijk onderzoek Tegenwoordig worden de zintuigen steeds meer omarmd in de academische wereld: wereldwijd worden er cursussen over ruiken georganiseerd op universiteiten, op kunstacademies en in musea. Binnen het universitair onderwijs in de geesteswetenschappen zou er meer aandacht mogen zijn voor de zintuigen, vindt Verbeek. De internationale trend om zintuigen niet alleen te bestuderen, maar ook in te zetten voor meer kennis, kan in het onderwijs worden doorgezet. Daarom pleit ze voor een sensory gaze in het universitaire onderwijs. Want wie (analytisch) waarneemt, begrijpt meer. Meer informatie over de rol van geuren en het onderzoek van Caro Verbeek vind je op onze website, codexhistoriae.nl.


13 Berith van Pelt

Caro Verbeek is promovendus aan de VU. Daarnaast geeft ze sinds 2010 de door haar opgezette cursus ‘The Other Senses’ aan de ArtScience Interfaculty in Den Haag. Ze is oprichter en curator van ‘Odorama’ bij Mediamatic: het enige geurcultuurpodium van Nederland. Om de explanatory gap te dichten tussen geur en taal verspreidt een AromaJockey geuren tijdens hun lezingen. Voorheen werkte Verbeek als conservator bij het Rijksmuseum en als onderzoeker bij het Stedelijk Museum Amsterdam. Ze creëerde diverse geurinterventies voor kunstmusea als het Van Abbemuseum (Inhaling Art), het Amsterdam Museum, de Cromhouthuizen, Museum van Bommel van Dam en het Rijksmuseum in Amsterdam.


14

Karin Lurvink (1987) is postdoc onderzoeker bij de afdeling geschiedenis. Ze loopt al sinds 2005 rond op de VU, eerst als bachelor- en masterstudent. Haar afstudeerrichtingen waren economische en sociale geschiedenis en Global History. Daarnaast bracht ze een semester door aan de Louisiana State University in Baton Rouge. In de periode 2011-2016 werkte ze aan haar promotieonderzoek over gedwongen winkelnering in de Nederlandse veengebieden en Louisianaplantages. Tevens was ze ondernemingsraadslid en doceerde ze verschillende vakken. Ze heeft sinds haar promotie gepubliceerd over slavernij en post-slavernij in Nederland en de Verenigde Staten. Haar meest recente publicatie, Beyond Racism and Poverty, verscheen in januari bij uitgeverij Brill.


15 Berith van Pelt

Slavernijverleden Hoe kunnen mensen in staat zijn andere mensen uit te buiten? Die vraag fascineert Karin Lurvink al sinds het begin van haar studietijd.Tijdens haar master in 2009 liep ze stage bij het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis (NiNsee), waar ze haar eerste onderzoek naar slavernij verrichtte. Dit onderzoeksproject ging over verzetsdaden van slavinnen in de voormalige Nederlandse koloniën Suriname en de Nederlandse Antillen. Het resultaat was een hoofdstuk in een bundel en een theatervoorstelling. Deze voorstelling, getiteld Rebelse vrouwen, speelde in 2013. Ook in Lurvinks promotieonderzoek stond onvrije arbeid centraal. In het project Truck System in Transatlantic Perspective: Louisiana and the Netherlands 1865-1920 onderzocht ze het truck system op plantages in Louisiana en veenderijen in Nederland. Zij was de eerste die systematisch onderzoek verrichtte naar dit systeem, waarin arbeiders gedwongen werden een deel van hun loon te besteden in de bedrijfswinkel. Lurvink geeft in haar dissertatie onder meer antwoord op de vraag of dit arbeidssysteem in Louisiana verklaard kon worden door de slavernijgeschiedenis. Daar bleef haar onderzoek niet bij. Na het voltooien van haar promotieonderzoek en het verschijnen van haar eerste boek sloot ze zich aan bij het onderzoeksproject Slaves, Commodities and Logistics. The Direct and Indirect, the Immediate and Long-term Economic Impact of Eighteenthcentury Dutch Republic Transatlantic Slave-based Activities, gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Zoals de naam al doet vermoeden, doet het project onderzoek naar de impact van slavernij op de Nederlandse economie. Veel Nederlandse sectoren waren betrokken bij slavernijgerelateerde activiteiten, waaronder ook de minder voor de hand liggende financiële sector. Banken verstrekten bijvoorbeeld leningen aan plantages met slaafgemaakten als onderpand en verzekeraars stonden financieel garant voor de levens van slaafgemaakten aan boord van slavenschepen. Geschiedenis voor het grote publiek Naast historisch onderzoek op zich, vindt Lurvink de presentatie van haar resultaten voor het grote publiek belangrijk. De theatervoorstelling die op basis van haar

stageonderzoek werd gemaakt en gespeeld, was daar een eerste voorbeeld van. Naar aanleiding van haar huidige postdoctorale onderzoek, werkt Lurvink aan een publiekspublicatie over de verzekeringen van slaven. Deze zal verschijnen als onderdeel van de reeks Zeven Provinciën, een serie over de geschiedenis van de vroegmoderne Nederlanden.

Veel Nederlandse sectoren waren betrokken bij slavernijgerelateerde activiteiten. Lurvinks interesse beperkt zich echter niet tot het verleden. Ook moderne vormen van slavernij trekken haar aandacht. Zo houdt zij zich bezig met de invloed van het toegenomen consumentisme op arbeiders in lagelonenlanden. In het licht van deze interesse is zij gestart als vrijwilliger bij de non-profitorganisatie Rank a Brand, die bedrijven stimuleert duurzame, verantwoordelijke en transparant te ondernemen. Lurvink zet hier haar kennis in over de relatie tussen werkgevers en arbeiders en vrije en onvrije arbeid om te onderzoeken hoe transparant duurzame merken als Tony’s Chocolonely of prijsvechters als Action zijn over hun bedrijfsvoering. Daarnaast werkt Lurvink mee aan de documentaire The Slave Trade: Creating a New World, met als doel het slavernijverleden toegankelijk te maken voor een breed Amerikaans publiek. Lurvink vervult de rol van adviseur en gebruikt haar historische kennis over de slavenhandel in Europa om personages, gebeurtenissen en de verhaallijn te beoordelen en verfijnen. Op deze manier zet Lurvink zich in om meer bewustzijn te creëren voor zowel historische als hedendaagse onvrije arbeid. Meer informatie over het onderzoek van Karin Lurvink vind je op onze website, codexhistoriae.nl.


16 Koen Voors

Verder kijken

Toekomstvisie op de opleiding geschiedenis “Het bezit van brede algemene kennis zorgt ervoor dat je nooit op een feestje met je mond vol tanden staat.” Dit citaat betreft een wijze les van mijn moeder die, net als haar zoon, geschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam heeft gestudeerd. Het is een wijze les die ik te allen tijde bij mij draag en voor mij altijd een belangrijke motivatie is geweest om geschiedenis te studeren. Met de grote verscheidenheid aan maatschappelijke onderwerpen en ontwikkelingen, gepaard met achtergrondkennis en verschillende perspectieven, zorgt de studie geschiedenis voor een groei in kennis over de wereld en de maatschappij, vanaf het moment dat je begint met de studie. Een belangrijke studie die veel, al dan niet alle aspecten van het menselijke handelen bestrijkt. Door de kleine schaal van de opleiding geschiedenis aan de Vrije Universiteit leer je de docenten goed kennen (zo hebben Dr. Tervoort en ik onlangs nog gepoold) en wordt de inhoudelijke discussie naar een hoger niveau getild. Deze kleinschaligheid is niet alleen gezellig, maar ook erg belangrijk bij het volgen van de studie. Omdat discussiëren en debatteren belangrijke taken zijn van de historicus, draagt de kleinschaligheid van de VU op deze manier bij aan je opleiding tot historicus. Kritiek geven op de noties over het verleden, het heden en de toekomst zijn belangrijke taken voor een historicus die niet alleen als theorie belangrijk zijn, maar ook in de praktijk moeten worden gebracht. Binnen het verhaal van het feestje laat dit weer zien dat je als historicus altijd kritisch en wel geïnformeerd kunt meepraten, ook al zijn je mede-feestgangers geen historici.

Historici steken graag hun neus in andermans zaken. Dat is ook de bakermat van onze opleiding: het onderzoeken van de handelingen van de mens. Door het bestuderen van de handelingen uit het verleden, krijgt de historicus meer kennis en grip op de huidige ontwikkelingen. Met andere woorden, een historicus kijkt bijna altijd naar het werk van niet-historici. Tegelijkertijd kan hier nog veel in worden gewonnen. De toekomst voor de studie geschiedenis ligt dan ook bij het uitbreiden van haar historische onderzoek en kunde door verder interdisciplinair onderzoek. Omdat geschiedkundigen in hun rol vaak een kritische benadering tot het werk van anderen aannemen, is het belangrijk voor geschiedenisstudenten om kennis te nemen van andere studievelden. De historicus heeft veel aan het uitbreiden van zijn of haar historische blik; door verder te kijken dan de gebande paden binnen de geschiedschrijving, is het mogelijk om nieuwe verbanden te leggen en inzichten te verwerven. Het verheugde mij dan ook om te zien dat de studie geschiedenis samen met de studie Political Science te werk gaat om dit interdisciplinaire onderzoek te bevorderen. Het onderzoek van politicologen kan veel baat hebben bij het incorporeren van een historische blik. Tegelijkertijd hebben historici voordeel aan het begrijpen van politicologisch onderzoek, gezien haar sterke relevantie in de geschiedschrijving, maar ook bij het begrijpen van de manier waarop politicologen onderzoek doen. Het samenwerken met andere studies richting meer interdisciplinair onderzoek is voor alle partijen voordelig. Nieuwe inzichten, kennis en onderzoeksmethodes zullen voor een verrijking zorgen binnen de academische wereld. Het feit dat je als historicus altijd kunt meepraten is een groot goed en de tijd is rijp om onze historische inzichten al tijdens de opleiding te leren delen met andere vakgebieden. Van interdisciplinair werken zullen we als historici vele vruchten plukken, het onderzoeksgebied zal immers groter worden en de kennisdeling toenemen. Op feestjes waar historici rondlopen zal de discussie groeien. Zij zullen namelijk niet de enige zijn die bekend zijn met de historische aanpak, waardoor het feest eindelijk voor iedereen kan losbarsten.

Koen Voors behaalde een bachelor geschiedenis en een master Political Science aan de Vrije Universiteit, en is bezig met het schrijven van zijn masterscriptie voor geschiedenis aan dezelfde universiteit. Verder is hij actief in de studentenmedezeggenschap als Coördinator Onderwijs & Onderzoek voor de Universitaire Studentenraad van de Vrije Universiteit.


17

CODEX Historiae zoekt Redacteuren - Eindredacteuren - Gastschrijvers

Heb je affiniteit met geschiedenis en houd je van schrijven? Dan zijn wij op zoek naar jou! Stuur een mailtje met daarin een korte motivatie en je cv naar info@codexhistoriae.nl en wie weet zie je jouw naam in ons nieuwe nummer verschijnen. Meer informatie over de vacatures vind je op codexhistoriae.nl/vacatures.


18

The 1918-2018 Manifesto

How to learn from the past


19 Emilia Salerno

“Ihr werdet wieder zu Hause sein, ehe noch das Laub von den Bäumen fällt” (“You will be home before the leaves fall from the trees”). This sentence is commonly attributed to Wilhelm II, the last Kaiser of Germany. With these words, the emperor addressed the German troops departing for the front at the brink of World War I (in August 1914). The so-called Great War was one of the most devastating conflicts of modern era. In four years, between fifteen and nineteen million soldiers and civilians died (Haythornthwaite, 1993, 382-383). Long established reigns crumbled down, new nations arose and the political structure of Europe was remoulded from its very foundation. On the 11th of November 2018 the hundredth anniversary of the end of World War I recurs. This is an important date for many European countries, though in different ways. Whereas some countries will remember their victory and/ or the conquest of their independence, for other nations this is a day of searing defeat, whose consequences lasted for decades and, in some cases, are still very much present. To some extent, the aftermaths of the First World War are today still very tangible. This is the reason why a group of historians from several countries involved in the Great War decided to create and sign a manifesto called ‘Initiative 1918-2018’. The text of the manifesto is reported at the end of this piece and is also available online, written in German, English, French, Hungarian, Polish, Russian and Czech (https:// www.academia.edu/35160904/Initiative_1918_2018_A_ Manifesto). The goal of the initiative is “to acknowledge the importance of peace for Europe and the world as well as the importance of universal international law and constitutional democracy.’ Such an aim might seem self-evident to a third millennium western reader: peace and democracy are the two cornerstones of our societies, in such a way embedded in western countries’ everyday life, so that the need to acknowledge their importance just seems redundant. It is worth, then, analysing this manifesto more in depth, trying to grasp the profound reasons behind it. Interestingly enough, in the initiators’ intentions this document is meant as a reminder for the future rather than a memento from the past. Old tensions, new threats It was the famous Latin orator Cicero (106-43 BC) who defined history as magistra vitae, “life’s teacher”. Learning from the past lies at the basis of the evolutionary process. If some mistakes cannot be fixed, we can certainly learn

Photograph taken in the forest of Compiègne after reaching an agreement for the Armistice. Source: Wikipedia.

from them, so that we at least do not repeat the same ones. This is why we commemorate heartrending events like the Holocaust: not only to honour the victims, but also to remember paths that should never be taken again. This is how the two World Wars are commonly filed in our memory: as mistakes from which many countries gained peace and democracy. And yet, more than seventy years after the conclusion of World War II, new threats to the European peace are sensed, so distinctly that historians felt the need to expose them in a joint declaration. “Many of the present tensions and wars” – they say – “are reminiscent of those conflicts which were supposed to be resolved by the peace agreements signed after 1918. Whatever remained unresolved then has become shockingly topical today.” In the document, said reminiscences are mostly located beyond the eastern border of Europe: the authors mention Putin’s Russia and the situations in the Near and Middle East and in Turkey. As a matter of fact, these three regions are almost daily covered by every newscast, sometimes in alarmist tones. The political, historical and cultural phenomena occurring in these areas are too complex to be thoroughly discussed in this context. However, it is necessary to understand their connection with the First World War and its consequences, in order to comprehend the value of the 1918-2018 Manifesto. According to its authors, the independence obtained by Ukraine in 1917 is still a bitter pill to swallow for Putin’s Russia. Four years ago, after decades of ethnic and political recrimination, Putin started the annexation of the peninsula of Crimea to the Russian Federation. The past relationship between the two contenders of this piece of land immediately springs to mind. After the Great War, Crimea was alternately object of both Russia’s and Ukraine’s claims, which did not really take the ethnic and cultural substrate of the region into account. In 2014, Putin took advantage of the ethnic allegations of a part of the population to carry out a military intervention and support an annexation referendum, which the UN considered invalid.

“Whatever remained unresolved then has become shockingly topical today.” The move of the Russian leader has been largely seen as an attempt to emulate or even recreate the glorious past of the Soviet Union, if not the pre-war Russian Empire (Pinkham, 2017). The nationalistic propaganda behind this interference in the neighbour republic, together with Putin’s cult of personality (Cassiday-Johnson, 2010 – see fig. 1) easily leads to look at these “dirty little wars” as a


20

dangerous echo of the great one (Ash, 2014). According to the Manifesto, this is a major threat to the world’s stability, especially when considering the influence Russia has in the territories of the Near and Middle East, Turkey included. The socio-political situation in these territories resembles a skein impossible to untangle, whose ends are hopelessly lost in a century of conflicts. The on-going wars that are wrecking the eastern Mediterranean Sea and are causing a continuous flow of refugees, are commonly seen as one of the biggest consequences of agreements between the winning forces following the First World War. In particular, the Sykes-Picot Agreement (1916) and the Balfour Declaration (1917) are considered the very first steps towards a fragmentation and reckless distribution of the middle-eastern regions that were born from the collapse of the Ottoman Empire (Cameron, 2014).Whereas the former defined the spheres of influence of Britain and France over south-western Asia, the latter laid the groundwork for the creation of the State of Israel in Palestine. The artificial creation of new nations and the imposition of powers with no regard whatsoever for the ethnic and religious differences in the area are the prime sources of today’s conflicts. Let us think, for example, of Iraq, which was formed by putting together three former Ottoman Empire’s regions, respectively controlled by tribes of Shias, Sunnis and Kurds. The same religious and ethnic melting pot is to be found in Syria, today the core of a worldwide conflict. Not different from one hundred years ago, the Middle East is a field where international powers compete for the control over an economical and geographical resource, often challenging (or openly disregarding) the agreements for the respect of human rights and the international transparency made after the First World War. These old tensions have been caused, on one hand, by the post-war established order, and on the other hand, they have brought about new threats to modern political orders. This is in the form of authoritarian, nationalistic policies, as the ones identified with Putin, the Syrian leader Assad or the Turkish President Erdogan. The matter becomes even more tangled if we also take into account the role assumed by the greatest winner of the Great War: The United States of America – surprisingly absent from the text of the Manifesto. Democracy and Nationalism: something to worry about? Right after the Treaty of Versailles in 1919, which officially put an end to World War 1, the League of Nations (LN) was created, especially thanks to the support of Great Britain and the USA. However, despite the decisive role the USA had during the war and despite the efforts of President Woodrow Wilson to endorse the League, this organization had a short life. The USA Senate decided to adopt an isolationist policy: it did not ratify the agreements of Versailles and refused to be a part of the League of Nations

(at least in the terms proposed by Wilson). Then, when the LN proved to be unable to prevent the aggressions of the Axis before WWII, the organization simply dissolved. A more complete involvement of the USA in international affairs would occur only with the foundation of the United Nations more than twenty years later. Given the key role the USA had in the maintenance of the post-war international order, slogans like “America first” recently shouted from the White House dangerously recall the same attitude that boycotted the League of Nations (fig. 2). Unfortunately such slogans are not confined to the western side of the Atlantic Ocean. In mottos such as “Prima gli Italiani” or “Les Français d’abord” – the only thing that changes is the language – the message stays the same: those nations that collaborated to maintain peace and political balance for more than seventy years, now seem willing to abandon a collaborative attitude and resume dividing, inward-looking policies. As a matter of fact, according to the 1918-2018 Manifesto, the “new wave of nationalism”, represented by the populist movements reviving in the Western world, is one of the modern threats to representative democracy and European integration. But is that really so? Nationalism is certainly no new phenomenon, nor did it die out after the two World Wars. Moreover, the nationalistic sentiment per se is not contrary to democracy. In fact, according to some Social Scientists, a democratic system can only thrive within a nationalist environment, as it nurtures a sense of belonging and trust among fellow citizens.


21 Emilia Salerno

Mutual trust and sharing a common background are, thus, key to the development of a healthy democratic society (Miller, 1995). On the other hand, the boundary between having the feeling to belong to the same socio-cultural background and an ‘us-vs-them’ attitude is dangerously easy to cross. According to a different school of thought, an undeniable drawback of nationalism is the tendency to stigmatize and exclude those who are “too different” from the (democratic) political dynamics (Mackert, 2006: 80). In this way, nationalism seems to contrast the ideal of universal participation in the decision-making process at the base of democracy (Stepan, 1994: 135). It is the latter kind of nationalism that the subscribers of the Manifesto seem to fear. Does this mean that we should expect a new Hitler or Mussolini to show up? This is highly unlikely. The two World Wars were too hard of a lesson to be forgotten and the solidity of the western democratic system should never be doubted. However, from a social and cultural point of view, the fact that people from different nations are so easily attracted by nationalistic propagandas to give power to their representatives, is a symptom of something more than simple nostalgia for a glorious past. What nationalism truly endangers is not an established political system,

Fig. 1: Cossacks with the bust of Vladimir Putin as a Roman emperor. Source: Tom Porter. Putin the Roman emperor and five other bizarre tributes to the Russian president. May 18, 2015.

but rather the principles of respect of human rights and transparent collaboration that lay at its basis. Pushing for a dissolution of the European Union, for example, or economically undermining the UN means debasing those policies of integration and collaboration. These policies emerged after the Great War, died in the 1930s and, in the last seven decades, guaranteed the longest period of peace the western countries ever knew. It thus seems clear that Europe and the USA have recently showed to have a short memory, or at least a poor or imperfect comprehension of the past. It can be seen from the rampant spread of Euroscepticism or from the growing anti-immigrant hysteria. We might try to understand these trends as a consequence of the aforementioned tensions between the West and the more autocratic countries, or as a reaction to the fear of the indiscriminate attacks perpetrated on behalf of integralist groups. On top of that, the economic crisis of the last decade certainly made the closure pursued by nationalistic movements quite attractive to people in lack of means and resources. Catalyzing the uncertainties and fear of the voters against a common, external “enemy” – whether it is the EU or refugees – is thus an effective way to unite people in hard times. As proved by the last elections in the USA, France, England, Austria and Italy, this strategy has not hindered democracy. As a matter of fact, nationalistic movements appear to have greatly benefited from the democratic system. To answer the question asked in the title of this paragraph: yes, we should worry about nationalism. Probably not as a threat to democracy or to the stability of single countries, but likely as a trigger for the deterioration of international relationships that costed a century of compromises, deaths and meticulous work. Preserving positive aftermaths It is hardly disputable that the First World War was a terrible mistake, followed by an even worse one. However, as remarked at the beginning of the Manifesto, from the ashes of those mistakes “a new era seemed to dawn – an era marked by peace, democracy and human rights, a time of national self-determination and international understanding”. After the First World War, a number of achievements profoundly changed the socio-political landscape of the Western world. Among them, the aforementioned League of Nations, the spread of women’s suffrage and the recognition of the rights of minorities (Viljoen, 2009). Such landmarks are an undeniable asset the Great War gave to the western nations. A hundred years ago, a progress started that could not be stopped, not even by the horrors of the Second World War. The possibility to boast to be beacons of democracy, human rights and justice are privileges that modern Western countries owe to the lessons learned from those mistakes that marked the twentieth century. However, this does not allow us to repeat the same errors, for equally positive aftermaths


22

Fig. 2: Col. Charles Lindbergh address a rally of the America First Committee on October 3, 1941. Source: Scott Simon. ‘America First,’ Invoked By Trump, Has A Complicated History. July 23, 2016. are not guaranteed. A better chance of progress lays in the preservation and diffusion of the positive aftermaths of the Great War, not by lessening the principles and institutions created in the last century, but rather acknowledging and showing their strength. This is the ultimate scope of the 1918-2018 Initiative – “a call for action for the international and common challenges in Europe and beyond, to work together for peace and justice”.

The boundary between having the feeling to belong to the same socio-cultural background and an ‘us-vs-them’ attitude is dangerously easy to cross.

Bibliography • Ash, T. G. (2014). A century on, the First World War is still being played out. The Guardian, 1 Aug. 2014. Retrieved from https://www.theguardian.com/ commentisfree/2014/aug/01/first-world-war-still-played-out-ukraine-syria-legacy-1914. • Cameron, F. (2014). The Impact of the First World War and Its Implications for Europe Today. Heinrich-Böll-Stiftung, 2 Jun. 2014. Retrieved from https://eu.boell.org/ en/2014/06/02/impact-first-world-war-and-its-implications-europe-today. • Cassiday, J. & Johnson, E. (2010). ‘Putin, Putiniana and the Question of a Post-Soviet Cult of Personality’, The Slavonic and East European Review, 88(4), 681-707. Retrieved from http://www.jstor.org/stable/41061898. • Haythornthwaite, P. J. (1993). The World War One Source Book Arms and Armour. London: Brockhampton Press. • Mackert, J. 2006. Staatsbürgerschaft. Eine Einführung. Wiesbaden:VS Verlag. • Miller, D. (1995). On Nationality. Oxford: Oxford University Press. • Pinkham, S. (2017). How annexing Crimea allowed Putin to claim he had made Russia great again. The Guardian, 22 Mar. 2017. Retrieved from https://www.theguardian. com/commentisfree/2017/mar/22/annexing-crimea-putin-make-russia-great-again. • Stepan, A. (1994). ‘When Democracy and the Nation-State are Competing Logics: Reflections on Estonia’, Archives eurpéennes de sociology 25(1): 127-41. • Viljoen, F. (2009). International Human Rights Law: A Short History. UN Chronicle, Vol. XLVI No. 1 & 2.


23 Emilia Salerno

Initiative 1918 – 2018 A Manifesto 1918-2018: A Manifesto It was supposed to be the war to end all wars. When almost a hundred years ago on November 11th, 1918 the First World War ended on the Western front a new era seemed to dawn – an era marked by peace, democracy and human rights, a time of national self-determination and international understanding. Women´s suffrage began its triumphal march. The League of Nations was meant to enforce international law. And for many people outside of Europe the promise of self-determination created hopes that colonialism would meet its end. Alas, all parties, the victors and the defeated, new and old national states threw away this chance for a lasting framework of peace – in Europe and in the world. Two decades later the German invasion in Poland triggered the next great conflict leading to even worse devastation, an even higher death toll and unimaginable crime. After WW II the transatlantic alliance helped Western Europe to gain time for a stable and peaceful development; European integration served as a project of peace and wealth thus drawing conclusions from the horrors of the most recent past. But today almost 30 years after the collapse of the communist dictatorships and the unification of the continent democracy European integration and peace itself are threatened again. Many of the present tensions and wars are reminiscent of those conflicts which were supposed to be resolved by the peace agreements signed after 1918. Whatever remained unresolved then has become shockingly topical today. Was Paul Widmer the Swiss historian and diplomat right after all when he stated in 1993: While Europe had coped with the consequences of WW II reasonably well it was still laboring over those of WW I. Putin´s Russia is struggling to accept the independence of the Ukraine – first declared in 1917 –, even more so to accept its moving towards the West. This holds similarly true for Georgia and the Baltic states who also became independent for the first time after WW I.The international system established after 1918 in the Near and Middle East has not proven to be durable. More than ever before Turkey is suffering phantom pain from its loss of significance with the end of the Ottoman Empire. Once again mankind is living in a multipolar, instable, and critical world – similar to 1918. All these issues will gain additional topicality in 2018. Many European countries will celebrate the centennial of the independence and their victory. Others will rather remember defeats and their consequences. Populist movements which are sceptical vis-à-vis representative democracy and European integration have gathered support. A new wave of nationalism is on the horizon. Will we succeed in giving the commemoration of the end of WW I a fresh European perspective? There is more at stake than just remembering the victims of a horrific war and its consequences.What is needed is to acknowledge the importance of peace for Europe and the world as well as the importance of universal international law and constitutional democracy.The first attempt after 1918 to give shape and form to these values in the world failed. A second attempt was initiated after 1945 with the establishment of the United Nations and the adoption of the Universal Declaration of Human Rights. In Europe initially only the Western half benefitted from this. After the end of the Cold War these fundamental values seemed to prevail. Today, however, they are evidently under pressure almost everywhere. The centennial of the end of WW I and of the efforts to establish a framework of peace after 1918 is the appropriate time to set an unmistakable example for human rights and freedom of speech as well as for rule of law and respect for International Law. This is what we would like to appeal to do!


24

Huizen van Verzet

Een nieuwe herdenkingscultuur en de rol van de historicus Sinds 2012 organiseert het Joods Cultureel Kwartier in Amsterdam in samenwerking met lokale instellingen en particulieren op 4 en 5 mei het Open Joodse Huizen-project. Het initiatief hiertoe ontstond uit de behoefte om, enigszins tegen de stroom van digitalisering en het recente fenomeen van web memorials in (Klaassens & Bijlsma, 2014), het online Joods Monument ook offline een gezicht te geven (OJH, 2018). Verspreid over de stad worden er elk jaar herdenkingsbijeenkomsten georganiseerd in woonhuizen en andere locaties waaruit Joodse bewoners tijdens de Tweede Wereldoorlog werden gedeporteerd, of waar ze juist waren ondergedoken. Bij de herdenkingen wordt het verhaal waarin de locatie in kwestie een rol speelt verteld door overlevenden zelf, door familieleden, of bijvoorbeeld door journalisten en artiesten. Volgens de website van de organisatie hebben de bijeenkomsten bewust een informele en kleinschalige setting om de evenementen toegankelijk te houden en contacten en uitwisselingen tussen bezoekers te bevorderen. Sinds 2013 worden er rond 4 mei ook in andere dorpen en steden Open Joodse Huizen georganiseerd. Daarnaast organiseert het Amsterdamse 4 en 5 mei Comité de Huizen van Verzet: bijeenkomsten met dezelfde ‘formule’ op plekken waar in de oorlogsperiode verzet werd gepleegd tegen de Duitse bezetting (OJH, 2018). Welke rol kan de historicus spelen in de herinneringscultuur van maatschappelijke activiteiten zoals deze open huizen? Huizen van Verzet: Meeuwenlaan 11 In het kader van het jaarthema van 4 en 5 mei – verzet – en het thema van dit jubileumnummer van CODEX – de politieke of maatschappelijke relevantie van geschiedenis – bezochten wij op 5 mei de bijeenkomst in de voormalige directeurswoning van de Draad- en Kabelfabriek aan de Meeuwenlaan 11 te Amsterdam. Daar gingen Ronald Kroeze, assistent-professor in de politieke geschiedenis aan de Vrije Universiteit, oud-werknemers en publiek in gesprek over het verzet dat in de fabriek werd gepleegd. Uit de verhalen van oud-werknemers bleek dat het verzet in de DRAKA-fabriek tegen de Duitse bezetter veelal maatregelen betrof om het personeel te beschermen, bijvoorbeeld door te weigeren om werknemers aan te wijzen die geschikt waren voor de Arbeitseinsatz, of door het clandestien verstrekken van voedselpakketten en brandstof. Als producent en exporteur van onder andere hoogwaardige communicatiekabels (van groot belang aan het front) en tegelijk afnemer van strategische hulpbronnen zoals rubber, koper en brandstof, bood het terrein van de DRAKA-fabriek ook mogelijkheden om verzet te plegen dat

puur gericht was tegen de Duitse oorlogsinspanningen. Zo werden er acties ondernomen om producten te saboteren die werden afgenomen door de Duitse staat en werd er brandstof en geld naar het verzet doorgesluisd.

Dit roept vragen op naar de rol van de historicus in deze nieuwe herinneringscultuur. Desondanks konden veel vragen en opmerkingen uit het publiek niet anders worden gekarakteriseerd dan ‘kritisch’. Ondernam de directie eigenlijk wel enige maatregelen om haar Joodse werknemers te beschermen? Bevestigden de financiële jaarcijfers wel de sabotage van de productie die gepleegd zou zijn? En hadden DRAKA en de Nederlandse industrie niet juist veel geld verdiend aan Duitse orders? Wat er in de discussie tussen oud-werknemers en het publiek dan ook vooral naar voren kwam, waren de omstandigheden waarbinnen het verzet toch steeds een beperkte omvang aannam en soms nog beperktere gevolgen had. De organisatoren benadrukten dat er altijd een reëel risico op represaillemaatregelen was, en dat het bovendien allerminst zeker was dat de bezetting van tijdelijke aard zou zijn. Zeker in 1940-41 ging het leven volgens hen ook ‘gewoon door’. Kroeze’s rol als historicus ontwikkelde tijdens de bijeenkomst op een interessante wijze. Waar hij tijdens zijn inleidende presentatie vooral stilstond bij de lokale omstandigheden van de DRAKA-fabriek en daarbij enkele verhalen beschreef die hij op basis van bronnenmateriaal had gereconstrueerd, plaatste hij deze gebeurtenissen naarmate de discussie vorderde steeds meer binnen bredere ontwikkelingen die gaande waren in de Tweede Wereldoorlog. Daarbij sprak Kroeze ook over recente inzichten uit de wetenschappelijke geschiedschrijving, en wees hij op het feit dat het bronnenmateriaal op sommige vragen simpelweg nog geen antwoord heeft gegeven – en dat wellicht ook nooit zal doen. Het viel ons hierbij op dat bezoekers soms verbaasd waren om te horen dat bepaalde gebeurtenissen niet zo incidenteel plaatsvonden als blijkbaar vaak wordt gedacht. Dat ook heel lokale gebeurtenissen altijd een plek innemen binnen grotere ontwikkelingen, en zo binnen een bredere historische context kunnen worden geduid, bleek een deel van de bezoekers een welkom


25 Berend Mul & Koen Voors

perspectief te bieden. Bovendien bleven vragen en interesse naar de archieven en ander bronnenmateriaal niet uit, niet vanuit het publiek, noch vanuit de voormalige werknemers.

De bijeenkomsten bewijzen dat er nog steeds behoefte is aan herdenking en de vertelling van verhalen over de oorlog en de Holocaust. Herdenkingscultuur: achtergrond Hoewel het Open Huizen-project een betrekkelijk recent initiatief is en de bijeenkomsten zelf een zeer lokaal karakter hebben, staan zij wel in een langere (nationale) geschiedenis van herdenking in Nederland. Sinds 1945 worden de oorlog en bezetting herdacht in de vorm van monumenten, rituelen en musea, maar bijvoorbeeld ook in romans, gedichten, films en televisieseries en in de schoolcurricula. Niet alleen de manier waarop de jaren 1940-45 worden herdacht, maar ook wie en wat er wordt herdacht, is in de decennia sinds het midden van de vorige eeuw veranderd. Tot de late jaren 1960 namen het (voormalig) verzet en het beeld van Nederland als slachtoffer van Duitse agressie een centrale positie in de nationale herdenking in. Dit nationale (zelf)beeld verschoof vanaf de jaren 1970: er kwam meer aandacht voor het lot van specifieke groepen slachtoffers zoals de joden en de kampervaringen van ‘repatrianten’ uit voormalig Nederlands-Indië. Tegelijk werd de schuldvraag opgeworpen. Welke rol had Nederland bijvoorbeeld gespeeld in de Holocaust? Ook bleken de Nederlandse ‘politionele acties’ in Indonesië direct na de Tweede Wereldoorlog maar moeilijk te rijmen met het nationale zelfbeeld als ‘heldhaftig en onschuldig slachtoffer’ van buitenlandse overheersing. Om te voorkomen dat het jaarlijkse nationale herdenkingsritueel uiteen zou vallen als gevolg van deze ontwikkelingen, richtte de regering in 1987 een nadrukkelijk Nationaal Comité op dat ervoor moest zorgen dat de herdenking en de viering van de bevrijding op 4 en 5 mei nationale aangelegenheden zouden blijven, waarbij iedereen zich ook in de toekomst betrokken zou blijven voelen (Nationaal Comité, 2012). Zo bezien vormt het Open Huizen-project een interessante ontwikkeling. De bijeenkomsten bewijzen dat er nog steeds behoefte is aan herdenking en de vertelling van verhalen over de oorlog en de Holocaust, maar tegelijk betreffen het lokale evenementen die bewust kleinschalig worden gehouden – zowel de setting als de verhalen die er naar boven komen. Op het eerste gezicht lijken de evenementen goed te passen in de laat-twintigste-eeuwse ontwikkeling in het historisch bewustzijn, die door de cultuurhistoricus Willem Frijhoff is beschreven als een verschuiving van de narratieve geschiedenis, via de herinneringscultuur, naar patrimonialisering ofwel ‘ver-erfgoedisering’. Daarmee doelt hij op het verschijnsel dat materiële en immateriële monumenten, erfgoed en herinneringsplaatsen (lieux de memoires) steeds meer omgevormd worden van ‘monumenten’ (in brede zin dus) naar ‘evenementen’

(histoire patrimoine). Het Open Joodse Huizen-initiatief als een reactie op, of voortvloeisel uit, het digitale Joods Monument lijkt inderdaad goed in dit schema te passen. Aan de recente tendens tot patrimonialisering kleeft volgens Frijhoff echter wel een gevaar. Waar voorheen maatschappelijke interpretaties en kennis van het verleden nog gestuurd werden door de analytische geschiedschrijving met haar brononderzoek en wetenschappelijke regels, lijkt het evenement of ritueel nu steeds meer op zichzelf te staan. Het verleden krijgt hierdoor (bijna) volledig haar betekenis toegekend vanuit groep-specifieke behoeftes in het heden (Frijhoff, 2012). Dit roept vragen op naar de rol van de historicus in deze nieuwe herinneringscultuur. Slotwoord De kritische vragen naar schuld en medeplichtigheid vanuit het publiek leken inderdaad meer van doen te hebben met de nationale identiteit en het collectief zelfbeeld in het heden. Tegelijk zou het te ver gaan om te stellen dat er alleen nog maar oog was voor een verleden dat in dienst van deze zelfkritische schuldvraag zou staan. Afgaande op de herdenkingsbijeenkomst aan de Meeuwenlaan lijkt er zeker nog behoefte te zijn aan de rol van de historicus als expert van het verleden. Discussies over het verleden en de interpretaties die daaruit voortvloeien zijn constant aan verandering onderhevig naar gelang sociale, culturele en wetenschappelijke veranderingen en aan de ontdekking van nieuwe bronnen. Natuurlijk betekent dit niet dat elk perspectief of elke interpretatie een even waardevolle bijdrage aan de discussie levert of even goed valt te rijmen met het bekende bronnenmateriaal. De rol van de historicus in het publieke debat ligt idealiter niet daarin dat er discussies worden beslecht door een definitief oordeel te vellen of door een individuele interpretatie van ontwikkelingen in het verleden op te dringen (Mandler, 2007), maar lijkt meer op die van onafhankelijk en kritisch arbiter: dus niet vanaf de zijlijn, maar op het speelveld. Het is dan ook van meerwaarde dat historici betrokken blijven bij bijeenkomsten waarin ‘leken’ (of niet-historici) het voortouw nemen en deze deelname lijkt op prijs te worden gesteld. In de woorden van een deelneemster aan de bijeenkomst: ‘geschiedenis is een toch een leuk vak’. Verantwoording • Frijhoff, W. (2012). Herdenkingscultuur tussen erfgoed en ritueel. De verleiding van het presentisme. Jaarboek voor liturgieonderzoek, 28, 169-182. • Klaassens, M., & Bijlsma, M. J. (2014). New places of remembrance: individual web memorials in the Netherlands. Death studies, 38, 283-293. • Mandler, P. (2007). The responsibility of the historian. In H. Jones, K. Östberg, & N. Randeraad (Red.), Contemporary history on trial Europe since 1989 and the role of the expert historian (pp. 12-26). Manchester en New York, Verenigd Koninkrijk: Manchester University Press. • National Comité 4 en 5 mei. (2012). Breekbare dagen 4 en 5 mei door de jaren heen. Amsterdam: CPNB Collectieve Propaganda van het Nederlands Boek. • Open Joodse Huizen. (2018). Achtergrond. Geraadpleegd op 9 mei 2017, van https://www.openjoodsehuizen.nl/ nl/page/417/about-ojh. • Open Joodse Huizen. (2018). Huizen van Verzet. Geraadpleegd op 9 mei 2017, van https://www. openjoodsehuizen.nl/nl/page/504/houses-of-resistance.


26

Eerbiedig uw taal Taalzuivering in het Frans en het Vlaams

Krantenbericht uit de Volkskrant, 3 mei 2018.


27 Marilena van der Pol

Veel mensen, overheden en instellingen zijn bang voor de verloedering van een taal. Daarom doen ze soms alles wat ze kunnen om de ‘schade te beperken’. Dit verschijnsel wordt ‘taalpurisme’ genoemd: “het weren van (onnodige) vreemde en bastaardwoorden uit de taal of, in ruimere zin, van alle onjuiste of verkeerd toegepaste wendingen, uitdrukkingen, constructies, vormen en vertalingen” (Van Dale, 2018). Motieven voor taalzuivering Een bekend voorbeeld van taalpurisme is de taalpolitiek in Frankrijk, die de afgelopen halve eeuw in het nieuws kwam vanwege de soms tamelijk extreme maatregelen van taalpuristische aard. De Franse overheid lijkt als de dood voor invloeden op hun taal van buitenaf, vooral voor anglicismen. Vanwege de angst hiervoor wordt de Franse taal zo goed en zo kwaad als het gaat gezuiverd van die invloeden, en wordt het gebruik van het Frans zo veel mogelijk gepromoot. In Frankrijk zelf, maar ook in andere Franstalige landen, zoals België. Het zuidelijke deel van België, Wallonië, is Franstalig, maar het noordelijke deel, Vlaanderen, niet. Hier heeft een ijverige taalpuristische strijd plaatsgevonden in de afgelopen eeuwen, alleen ditmaal juist gericht tegen het Frans. Nadat België onafhankelijk werd in 1830 hebben vele generaties taalpuristen gestreden voor hun eigen taal; het Vlaams. Dit Vlaams wordt gezien als een variëteit van het Nederlands, maar met wel degelijk een eigen karakter. De taalpuristen waren van mening dat dit karakter moest worden gevormd door de taal te zuiveren van het Frans. De Vlamingen waren de dominantie van de Fransen en hun taal beu: er moesten nodig Vlaamse alternatieven komen voor de Franse leenwoorden waarmee het Nederlands doordrenkt was. Deze worden tegenwoordig de “Vlaamse taalpurismen” genoemd (Van Willigen-Sinemus, 1999). De redenen voor Frankrijk om op vrij rigoureuze wijze de anglicismen buiten te deur te houden, zijn voornamelijk gebaseerd op angst (Van Willigen-Sinemus, 1999). Frankrijk is al eeuwen een grootmacht in Europa en daarbuiten. Het Frans is daarmee ook lange tijd een belangrijke en prestigieuze taal geweest. In meer landen dan alleen Frankrijk, zoals Nederland, speelde het Frans een belangrijke rol en was het de taal van de hoger opgeleiden – de hoogste klasse in de maatschappij. Frankrijk is bang die prestigieuze rol te verliezen en doet daarom zijn best het Frans te promoten en het Engels te weren. Olie op het vuur In Frankrijk werd in 1964 het boek Parlez-vous franglais? gepubliceerd. Hiermee gooide de auteur René Étiemble olie op het vuur van het debat over de taalzuivering dat al jaren bezig was (Thogmartin, 1991). Het boek was meer gericht tegen de Amerikaanse cultuur dan tegen de Engelse taal, maar in Frankrijk wordt de angst voor de Engelse taal en de cultuur direct met elkaar verbonden. In de loop van de jaren verschenen meer boeken die een duidelijk standpunt

innamen tegen het Engels, zoals Évitez le franglais, parlez Français! van Yves Laroche-Claire (2004): een woordenboek met lijsten toegestane (eigenlijk min of meer verplichte) Franse vervangingen voor anglicismen.

De redenen voor Frankrijk om op vrij rigoureuze wijze de anglicismen buiten te deur te houden zijn voornamelijk gebaseerd op angst. Het gros van de weerstand tegen het Engels komt van de Franse overheid, stelt Willegen-Sinemus (1999). Het purisme wordt geleid door de politiek en wordt serieus aangepakt: in 1966 werd het Haut Comité de la langue française door de overheid ingesteld, die als taak had de Franse taal te promoten en te beschermen tegen invloeden van buitenaf. In 1972 gaf dit comité het advies om elk ministerie een commissie in te laten voeren. Deze commissie zou zich bezighouden met het vinden van hiaten in de Franse taal op het vakgebied van dat ministerie, en die te vullen met (nieuwe) Franse woorden, om te voorkomen dat uitheemse woorden die ruimte zouden ‘stelen’. Alle nieuwe woorden werden gepubliceerd in het Journal Officiel en het werd verplicht om deze woorden te gebruiken, in ieder geval in officiële situaties, zowel in de gesproken als geschreven taal. Hiermee begon in feite het opleggen van bepaalde verplichte termen in het Frans. In 1975 werd de Loi Bas-Lauriol goedgekeurd, waarin stond dat het Frans de verplichte taal was voor alle openbare situaties, inclusief reclames. Overtreding van de wet werd gezien als fraude en op die manier berecht. Loi Toubon Na al deze maatregelen was de Franse overheid nog steeds bang dat het Frans zou verloederen of zelfs zou verdwijnen onder invloed van een andere taal. In 1992 werd er daarom een belangrijke wijziging in de Franse grondwet doorgevoerd. Vanaf dat moment stelt het tweede artikel van de grondwet: La langue de la République est le français, oftewel: het Frans is de (enige) taal van de Franse republiek (Willegen-Sinemus, 1999). Hiermee was er écht geen twijfel meer mogelijk over de doelen van de Franse overheid. In 1994 werd er nog een schepje bovenop gedaan met de Loi Toubon, genoemd naar initiatiefnemer Toubon, de toenmalige conservatieve Minister van Cultuur van Frankrijk. Deze wet probeerde de Franse bevolking te weerhouden van het gebruik van anglicismen, voornamelijk in de media, door middel van het opleggen van een verbod. Toubon was van mening dat Frankrijk behoorlijk was gedaald in de


28

rangorde van grootmachten, vooral door de opkomst van de Verenigde Staten. Hij was bang voor de macht van dit land en voor de taal, maar ook voor de Amerikaanse cultuur. Toubon kwam herhaaldelijk met het argument dat de Franse burgers die Engels spreken zich probeerden af te zetten tegen Frankrijk als natie en zich wilden onderscheiden van de sociale klassen in het land. Toubon en zijn aanhangers waren zeer ideologisch ingesteld. Ze zagen de opkomst van het Engels als een bedreiging voor de Franse taal en een reden om het gebruik van het Frans te promoten (Van Willigen-Sinemus, 1999). De hoge boetes die werden opgelegd voor het overtreden van de Loi Bas-Lauriol waren niet mild: “(…) omgerekend kunnen ze oplopen tot ruim achtduizend gulden (3630 euro, red.) voor personnes morales (rechtspersonen) en tot ongeveer zeventienhonderd gulden (770 euro, red.) voor personnes civiles (privépersonen). En wie overheidscontroleurs het werk bemoeilijkt, kan rekenen op zo’n zeventienduizend gulden (7700 euro, red.) boete én zes maanden gevangenisstraf” (Willegen-Sinemus, 1999: 145). Een eigen identiteit In Vlaanderen is het zelfbewustzijn, het gevoel creëren van ‘ons eigen land’, gegroeid met de scheiding van Nederland in 1830. Vanaf dat jaar is ook het verzet tegen invloeden van vreemde talen opgekomen (Goossens, 1975). In eerste instantie, toen het Frans nog veel sprekers had in Vlaanderen, groeide voornamelijk het verzet tegen het Frans. De inwoners wilden na jarenlang bij andere naties te hebben gehoord hun eigen identiteit ontwikkelen, en daar hoorde een eigen taal bij. Vanwege de afkeer tegen Frankrijk werd men zich bewust van het grote aantal Franse leenwoorden in het Nederlands. De meeste Vlamingen spraken, omdat Vlaanderen daarvoor een tijd bij Nederland had gehoord, Nederlands. Om hun Nederlands op een effectieve manier te kunnen zuiveren van het Frans, moest het zich dus noodzakelijkerwijs afzetten tegen het Noord-Nederlands (het Standaardnederlands), omdat dat teveel op het Frans leek. Op die manier heeft Vlaanderen een gedeeltelijk eigen taal kunnen ontwikkelen, het Vlaams, en heeft het zich kunnen onderscheiden van zowel Frankrijk als Nederland. Waar de Fransen vooral tegen de Engelse invloed zijn vanwege hun angst voor taalverbastering, cultuurovername en machtsvermindering, zijn de Vlamingen vooral uit op de creatie van een eigen identiteit.

In België kan er gerust een bordje staan met “eerbiedig het gras”.

De Vlaamse Beweging Toen België in 1830 een onafhankelijke staat werd was de enige officiële taal het Frans, tot ongenoegen van veel inwoners (Janssens & Marynissen, 2008). Al in 1840 werd er een verzoekschrift ingediend bij het parlement dat vroeg om erkenning van het Vlaams als officiële taal. Het land werd voornamelijk bestuurd door welvarende Franstaligen, dus het verzoek werd niet beantwoord. De Vlamingen hadden ondertussen niet stilgezeten; onder leiding van De Vlaamse Beweging streed men volop voor de erkenning van de Vlaamse taal en cultuur. Deze groep mensen had, toen België bij Nederland hoorde, kennis opgedaan van het Nederlands. Ze verzetten zich tegen de Franse dominantie, omdat het Nederlands (en daarmee de Nederlandstaligen) geen kans kreeg in België. De beweging streed voor een eigen taal in Vlaanderen, maar het waren de taalpuristen die zich bezighielden met het inhoudelijk zuiveren van de Vlaamse taal. De taalpuristen waren voornamelijk taalkundigen die van mening waren dat het Vlaams zijn eigen karakter moest krijgen, en kwamen daarom met allerlei oplossingen om het Vlaams minder Frans te laten lijken. Er werden aanpassingen gedaan in de uitspraak: dossier rijmt in het Vlaams op papier, in het Nederlands niet. Ook werd in bepaalde gevallen de schrijfwijze veranderd; blouse werd bloes en principe werd princiep. Verder werden er hele nieuwe termen bedacht waar men in het Nederlands een Frans woord gebruikt: contributie werd lidgeld en receptie werd onthaal (Cohen, 1999). Uiteindelijk werd Vlaanderen pas in 1962 eentalig Vlaams (Janssens & Marynissen, 2008). In de praktijk In Frankrijk heeft de taalzuivering veel aandacht gekregen van de media. Desondanks blijkt uit (onder andere) het onderzoek van Thogmartin (1991) dat de invloed die de taalpolitiek heeft gehad op de Franse burgers kleiner is dan de overheid hoopte. De Fransen bij wie hij dit onderzoek heeft uitgevoerd, gaven aan de Franse alternatieven voor anglicismen wel te kennen, maar over het algemeen nauwelijks te gebruiken. Zij gaven zelfs de voorkeur aan de anglicismen. Thogmartin verwijst in zijn onderzoek naar een ander, vergelijkbaar onderzoek, uitgevoerd door Fugger. Dit was een vrij uitgebreid onderzoek, waar onder andere uit bleek dat 85% van de Franse bevolking wist van het bestaan van de taalzuivering. Toch kon slechts een paar van de ondervraagden de directe relatie tussen een anglicisme en het Franse equivalent herkennen. 15% van de proefpersonen gaf aan de Franse woorden altijd te gebruiken, 30% soms en 46% nooit (Thogmartin, 1991). In een recenter onderzoek naar anglicismen in de Franse media tonen Chesley & Baayen (2010) aan dat er nu nog steeds veel anglicismen voorkomen in het dagelijks taalgebruik. Ze worden volgens hen gebruikt in meerdere contexten, waaronder het informele taalgebruik van burgers onderling, wat duidt op volledige integratie van de anglicismen. Zoals Thogmartin in 1991 al opmerkte, heeft de


29 Marilena van der Pol

Jan Frans Willems (1793 – 1846). Belgisch schrijver en filoloog, en grondlegger van de Vlaamse Beweging, 1936. Standbeeld in bezit van: Koninklijke Vlaamse Academie voor Taalen Letterkunde in Gent. Bron: GaHetNa (Nationaal Archief NL).


30

Franse overheid (nog) niet het gewenste doel bereikt. De Fransen zijn zich bewust geworden van de mogelijkheden in het Frans, maar daar blijft het bij. In het Vlaams zijn talloze woorden met Franse oorsprong definitief vervangen door een Vlaams woord, maar er zijn genoeg voorbeelden in het Vlaams waar de Franse invloed nog steeds terug te zien is. Dit is in het Noord-Nederlands niet het geval. Het Vlaams kent, net als het Noord-Nederlands, het woord eerbiedigen, maar het lijkt in Vlaanderen in betekenis meer overeen te komen met het Franse ‘respecter’ dan met het Nederlandse equivalent ‘respecteren’. In België kan er gerust een bordje staan met ‘eerbiedig het gras’ (Cohen, 1999). Ook kennen Vlamingen de uitdrukking ter plaatse trappelen voor ‘stagneren’, afkomstig van het Franse ‘piétiner sur place’ (Goossens, 1975). Hot topic Over het algemeen is er een tendens te zien in het verwijderd raken van de omgangstalen in Vlaanderen en Nederland (in het informele taalgebruik) (Janssens & Marynissen, 2008). Wat dat betreft zijn de Vlaamse taalpurismen nog volop in gebruik. De taalzuiveringsmaatregelen die in de loop der jaren doorgevoerd zijn, lijken te zijn geïntegreerd in de Vlaamse taal; ze zijn opgenomen in de woordenboeken en zijn volledig erkend als standaard. Het blijft desondanks lastig om precies te onderzoeken in hoeverre de purismen nog gebruikt worden door de Vlamingen, al helemaal omdat moet worden vastgesteld wat precies Vlaamse purismen zijn en die vergeleken moeten worden met de woordenschat van de Noord-Nederlanders (Cohen, 1999). De hedendaagse situatie wat betreft taalpurisme in Vlaanderen lijkt meer gekalmeerd te zijn dan in Frankrijk, waar het debat over taalzuivering nog steeds een hot topic is – al zouden zij het juist niet zo noemen. In Vlaanderen zijn al zo veel woorden, gallicismen en nieuwere taalpurismen, geïntegreerd in het dagelijks taalgebruik dat niemand zich meer bekommert over de eigenlijke herkomst ervan (Cohen, 1999). Defensieve en offensieve taalzuivering De aard van de taalzuiveringsmaatregelen in Frankrijk is in feite heel anders dan die in Vlaanderen, in die zin dat de Fransen de anglicismen buiten de deur proberen te houden, waar de Vlamingen de gallicismen de deur wijzen. Er zou gesproken kunnen worden van een ‘defensieve’ taalzuivering tegenover een ‘offensieve’ taalzuivering. Vanwege het verschil in uitgangssituatie in de twee taalgebieden is het bijna onmogelijk om een echte lijn te trekken tussen de situaties.

In zowel Frankrijk als Vlaanderen zijn de oorzaken voor de taalzuivering gebaseerd op politieke redenen; meer dan op puur taalkundige redenen. Het argument dat een taal verloedert onder invloed van een andere taal heeft in feite in beide gebieden maar een kleine rol gespeeld. Veel meer waarde wordt gehecht aan de politieke redenen. Een cruciaal verschil is de bron van het initiatief. Waar in Frankrijk alles top-down gebeurt, vooral door instituten die door de overheid opgeroepen zijn om actie te ondernemen in taalzuivering, is in Vlaanderen het purisme bottom-up doorgevoerd, en is het de bevolking die zich inzet om de Vlaamse taal te zuiveren. Slechts gebaseerd op deze twee voorbeelden van taalzuivering zou je kunnen zeggen dat de bottom-up aanpak meer zijn vruchten afwerpt en dat alle officiële moeite die Frankrijk doet om taalzuivering te bewerkstelligen haast tevergeefs is. Het taalpurisme heeft misschien pas echt een kans van slagen als de Franse burgers op de een of andere manier zelf inzicht krijgen in waarom het nodig is om de taal te zuiveren, en ze zelf actie gaan ondernemen. Verantwoording • Chesley, P. & Baayen, R. H. (2010). Lexical borrowings in French: Anglicisms as a seperate phenomenon. Journal of French Language Studies, 10 (3), 231-251. • Cohen, H. (1999). Het zuivere zuiden: taalzuivering in het Vlaams. In N. van der Sijs (Red.) Taaltrots: purisme in een veertigtal talen (pp. 59-67). Amsterdam: Atlas Contact. • Étiemble, R. E. J. E. (1964). Parlez-vous franglais? Parijs: Gallimard. • Goossens, J. J. (1975).Vlaamse Purismen. Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 91 (1), 112-132. • Janssens, G. & Marynissen, A. (2008). Het Nederlands Vroeger en Nu (3e herwerkte uitgave). Leuven: Acco. • Laroche-Claire, Y. (2004). Évitez le franglais, parlez français! Parijs: Michel. • Taalpurisme (2018). In Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal. Geraadpleegd van http:// surfdiensten3.vandale.nl.proxy.uba.uva.nl:2048/ zoeken/zoeken.do • Thogmartin, C. (1991). The Public Impact of Terminological Planning in France. The French Review, 64 (6), 1000-1006. • Van Willigen-Sinemus, M. (1999). Taalpolitiek in Frankrijk of ‘Hoe houden we Anglo-Amerikaanse woorden buiten de deur?’. In N. van der Sijs (Red.) Taaltrots: purisme in een veertigtal talen (pp. 138-148). Amsterdam: Atlas Contact.

Ben jij onze volgende gastschrijver? Are you our next guest writer? Stuur een abstract van het artikel, de column of de recensie die je wilt schrijven of publiceren naar info@codexhistoriae.nl. Wie weet zie je je eigen naam terug in een volgende editie! Mail an abstract of the article, column or (book) review you want to write or publish to info@codexhistoriae.nl. Your name might show up in one of our next volumes!


31 Emma Kemp

Van te weinig spektakel wankel je allicht Straatnaamdiscussies

In een wijk in de Australische stad Geelong zijn straatnamen vernoemd naar karakters van Game of Thrones, een fantasy-serie gebaseerd op de boeken van George R. R. Martin. De naam Lannister Road werd echter niet in gebruik genomen. De straatnamencommissie verbood het, omdat de naam zou verwijzen naar de incestueuze relatie van de Lannister-tweeling (Wright, 2017). Nogal een bedenkelijke kwestie als je nagaat wat de andere karakters in de serie allemaal uitspoken: is er eigenlijk iemand die níet in opspraak komt? Straatnaamdiscussies Discussies over het wijzigen van straatnamen woeden al eeuwen. In 1873 werd in Den Haag de straatnaam Bogt van Guinea gewijzigd, omdat er in de straat een dubbele moord was gepleegd door Hendrik Jut. Om van het negatieve imago af te komen, werd de straatnaam veranderd in het Huijgenspark, in de buurt van het Huijgensplein en de Huijgensstraat. Niet lang daarna werd de kop-van-jut bedacht, waarop mensen hun woede konden uiten (Dings, 2017).

Rene Dings: “Met het veranderen van straatnamen zou een deel van ons historisch besef wegvallen.” Dichter bij huis werd onlangs door de voormalige Amsterdamse burgemeester Van der Laan een stokje gestoken voor het veranderen van de naam van de Coentunnel (Lagerweij, 2015). De tunnel werd geopend in 1966 en is vernoemd naar Jan Pieterszoon Coen, de directeur-generaal van de VOC (1587-1629). Tegenwoordig zou hij echter “een nietsontziende moordenaar worden genoemd” (Duin, 2015), omdat hij verantwoordelijk zou zijn

voor de dood van 15.000 Indonesiërs. Volgens historicus Jur van Goor is het niet terecht om Coen een moordenaar te noemen, omdat hij zijn besluiten nam op basis van het toen geldend recht (Van der Kaaij, 2015). Het plaatsen van gebeurtenissen in hun context blijkt een belangrijk punt bij het interpreteren van straatnamen. Na het besluit van Van der Laan werden de gemoederen absoluut niet gesust. Bijna twee jaar later opende de politieke partij Denk de discussie opnieuw, en met de gemeenteraadsverkiezingen kwam de kwestie als een van de stellingen in de stemwijzer terecht. De partij wil niet alleen namen van tunnels, maar ook straatnamen, bruggen en musea “dekoloniseren” (Van Houten, 2016). Zo zou het Mauritshuis een nieuwe naam moeten krijgen, omdat de achterneef van Willem van Oranje een wreed bewind voerde tegenover slaven (Özdil, 2014). Administratief en historisch besef René Dings, lid van de Commissie Straatnaamgeving van Delft en auteur van het boek Over Straatnamen met Name, pleit er niet voor om straatnamen te veranderen. Er zouden allerlei administratieve wijzigingen doorgevoerd moeten worden, en de bewoners moeten zelf overal adreswijzigingen doorgeven. Denk aan de honderden straten die zijn vernoemd naar zeeheld Piet Hein, ook een man met goede en slechte kanten. Overigens is niet iedere Piet Heinstraat weer vernoemd naar dezelfde Piet Hein. In Utrecht kreeg een nieuwe straat in 1887 de naam Piet Heinstraat – vernoemd naar een zoon van de lokale aannemer (Dings, 2017). Dus wat doet de gemeente daar dan mee? Het veranderen van straatnamen zou ook een deel van ons historisch besef weghalen, aldus Dings (2017). Hij noemt Van der Helst als voorbeeld. Wie weet nog wie hij is? Aangezien de Tweede van der Helststraat in Amsterdam omsingeld is door straten die naar andere schilders zijn vernoemd (denk aan Jan Steen en Albert Cuyp), zal het waarschijnlijk wel een schilder zijn. Ondanks de relatieve onbekendheid, zorgt de


32

straatnaam ervoor dat Van der Helst toch blijft voortleven in de herinnering van de stadsbewoners. Als de Eerste en Tweede van der Helststraat de Derde en Vierde Jansteenstraat zouden hebben geheten, was Van der Helst al lang in de vergetelheid geraakt. Benoemen Straatnamen worden meestal vernoemd naar mensen die al zijn overleden. De reden dat ze zelden worden vernoemd naar levende personen is omdat je na een overlijden er bijna zeker van kunt zijn dat diegene niets meer fout zal doen (Dings, 2017). Sommige gemeentes hanteren de regel dat iemand minimaal vijf of tien jaar dood moet zijn, aangezien elke controverse dan wel boven water moet zijn gekomen. Het niet naleven van deze regel kreeg in 2006 nog een flink staartje. In 2001 werd er in Voorschoten een straatnaam vernoemd naar Burgemeester Verver.Vijf jaar later kwam ze echter in opspraak door machtsmisbruik (Teuwissen, 2017). De straatnaam bestaat desondanks nog steeds. De mogelijkheid blijft natuurlijk bestaan dat men ook na tien jaar nog ontdekkingen doet over een onomstreden gedachtegoed, zoals in het geval van Lucebert (1924-1994). Naar deze dichter is een school in Bergen en een straatnaam

in Almere vernoemd. In Alkmaar staat een van zijn dichtregels op het stadskantoor: van te veel spektakel wankel je allicht. Van Lucebert werd onlangs bekend dat hij nazisympathieën koesterde tijdens de oorlog. Hierover heeft hij altijd gezwegen (Wielaert, 2018). Ook hier speelt de context echter een belangrijke rol: “Je moet er in geleefd hebben om de situatie te kennen”, aldus Remco Campert (Wielaert, 2018), het enige nog levende lid van de dichtersgroep de Vijftigers, waar ook Lucebert toe wordt gerekend. Straatnamen worden gegeven aan helden, niet aan vijanden, volgens Van den Dikkenberg (2016). Maar ook voor Lucebert geldt dat de bekende dichter voor velen een held blijft. Daarom pleit ook Van Harreveld (2016) ervoor om straatnamen van de nodige context te voorzien. In het geval van het standbeeld van Coen in Hoorn is in 2012 een nieuw bord met een kritische tekst toegevoegd. Ook namen die controversieel líjken, krijgen vaak een onderschrift. Mohammed Benzakour, inwoner van Zwijndrecht, eiste in 2003 van de gemeente dat de straatnaam Turk gewijzigd zou worden (Dings, 2017). Er zou een “beledigende aanstootgevende werking uit[gaan] naar de Turkse gemeenschap”. De straatnaam had echter niets

Standbeeld van Jan Pieterszoon Coen in Hoorn, door Ferdinand Leenhoff (1893). Bron: GerardM, wikimedia commons.


33 Emma Kemp

‘Turk’ in Zwijndrecht. Bron: Google Earth.

met Turkije te maken – in de straat zat ooit een tuinbedrijf gevestigd met de naam Turk. En de inwoners van de straat – vooral Turken – vonden het best bijzonder om in de straat te wonen (Dings, 2017). De straatnaam heeft nu als onderschrift: “voormalige Zwijndrechtse tuinderij”. Bewustzijn Nu heeft de schilder Van der Helst geen slechte reputatie (gekregen), maar het voorbeeld toont wel aan dat straatnamen een belangrijke rol spelen in de beeldvorming van het verleden. Straatnamen moeten dus niet alleen in hun context geplaatst worden, maar kunnen ook gebruikt worden voor het creëren van een bewustzijn. “Een straatnaam is al lang geen eerbetoon meer, maar een momentopname, een soms confronterende blik op de normen en waarden van toen,” aldus Van Harreveld in het Parool. Door straatnamen te veranderen, verander je niet meteen de geschiedenis, maar verdwijnt er wel een stukje bewustzijn. We moeten niet vergeten dat in die tijd de vernoemde persoon als held gezien werd, en dat valt niet te ontkennen.Van Harreveld: “In 1966 vond niemand Coen controversieel en vernoemden we een tunnel naar hem. Met het schrappen van de naam Coen maak je het verleden niet ongedaan.”

Het plaatsen van gebeurtenissen in hun context blijkt een belangrijk punt bij het interpreteren van straatnamen. Dings (2017) pleit er wel voor in eerste instantie al zorgvuldig om te gaan met het vereren van personen met een straatnaam. Vaak is het namelijk niet altijd eenduidig of iemand daadwerkelijk goed of fout geweest is, en in welke mate. Mocht er toch nog iets boven water komen, kan er een kritische tekst toegevoegd worden. “Straatnamen laten zien hoe onze maatschappij veranderd is, en wat we precies belangrijk vonden en vinden”, aldus Dings (2017). Door het behoud van straatnamen verberg je de geschiedenis niet, en kan het ons juist nog iets leren.

Verantwoording • Dings, R. (2017). Over straatnamen met name. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam. • Duin, R. J. (2015, 21 januari). Ondanks dubieuze reputatie mag J.P. Coen zijn tunnel houden. Geraadpleegd van https:// www.parool.nl/parool/nl/4055/AMSTERDAM-WEST/ article/detail/3834359/2015/01/21/Ondanks-dubieuze-reputatie-mag-J-P-Coen-zijn-tunnel-houden. dhtml?_sp=edcab871-6f42-46d4-98d0-baebad263aa5.1521804760885. • Lagerweij, P. (2015, 21 januari). Coentunnel Amsterdam houdt zijn omstreden naam. Geraadpleegd van https://www.ad.nl/amsterdam/coentunnel-amsterdam-houdt-zijn-omstreden-naam~a8487c5b/. • Özdil, Z. (2014, 2 juli). Slavernij-achtergrond Mauritshuis is zorgvuldig gewist. De gepasteuriseerde geschiedenis van het Mauritshuis. Geraadpleegd van https://historiek. net/slavernij-achtergrond-mauritshuis-is-zorgvuldig-gewist/43718/. • Teuwissen, L. (2017, 18 februari). ‘Straatnamen mogen best een beetje opvoeden’ Geraadpleegd van https://nos. nl/artikel/2158845-straatnamen-mogen-best-een-bee tje-opvoeden.html. • Van den Dikkenberg, L. (2016, 2 december). ‘Foute namen voor straten en tunnels moeten wél weg’. Geraadpleegd van https://www.parool.nl/opinie/-foute-namen-voorstraten-en-tunnels-moeten-wel-weg~a4426503/. • Van der Kaaij, M. (2015, 23 mei). ‘Coen was geen moordenaar’. Geraadpleegd van https://www.trouw.nl/ home/-coen-was-geen-moordenaar-~aaf827e0/. • Van Harreveld, M. (2016, 18 november). Waarom koloniale straatnamen juist moeten blijven. Geraadpleegd van https://www.parool.nl/opinie/waarom-koloniale-straatnamen-juist-moeten-blijven~a4417812/. • Van Houten, M. (2016, 7 oktober). Denk wil koloniale straatnamen veranderen. Geraadpleegd van https:// www.trouw.nl/democratie/denk-wil-koloniale-straatnamen-veranderen~a1b766b8/. • Wielaert, J. (2018, 12 februari). Lucebert van zijn voetstuk gevallen? Voor Remco Campert niet. Geraadpleegd van https://nos.nl/artikel/2216670-lucebert-van-zijn-voetstuk-gevallen-voor-remco-campert-niet.html. • Wright, M. (2017, 25 augustus). Game of Thrones road name changed after causing upset in Australia. Geraadpleegd van https://www.telegraph.co.uk/ news/2017/08/25/game-thrones-road-name-changed-causing-upset-australia/.


34

Binnen de gebaande paden Boekrecensie Gezocht: Historicus

In haar boek Gezocht: Historicus beschrijft jonge historica Kayleigh Goudsmit de mogelijkheden van historici op de arbeidsmarkt. Geschiedenis is namelijk zo’n studie waarvan buitenstaanders, en soms ook de studenten zelf, niet goed weten wat je ‘ermee kunt’. Vaak wordt gedacht dat geschiedenisstudenten vast en zeker een carrière in het onderwijs, de wetenschap of de museumwereld ambiëren. Goudsmit wil duidelijk maken dat historici ook prima gedijen in andere vakgebieden. Om erachter te komen waar historici zoal terechtkomen, interviewde Goudsmit drieëndertig historici met zeer uiteenlopende banen. Dit levert mooie profielschetsen op van de geschiedenisalumni. Het boek is ingedeeld in zeven werkvelden: onderwijs, cultuur en erfgoed, media, bedrijfsleven, overheid, politiek en wetenschap. En in alle hoofdstukken is de conclusie dat een historicus in dat werkveld prima past. Genoeg werkgelegenheid voor geschiedenisalumni dus.

“De ene baan is niet meer of

geïllustreerd door de interessante carrièrepaden van veel van de geïnterviewden. Zo heeft onze huidige minister-president Geschiedenis gestudeerd, net als de directeur Bedrijfsvoering van de Faculteit der Geesteswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Geschiedenisalumni vind je verder onder andere op functies van beleidsmedewerker, recruiter, communicatieadviseur, career coach en tekstschrijver. Wat uit de interviews en beschrijvingen van Goudsmit ook duidelijk wordt, is dat een historicus niet zozeer om zijn kennis als wel om zijn vaardigheden wordt aangenomen. Als je het idee loslaat dat je dagelijks met historische kennis bezig moet zijn, openbaren zich al veel meer mogelijkheden. Het beeld dat studenten van hun carrière hebben, is vaak te idealistisch en daardoor niet realistisch. Niet elke historicus hoeft wetenschapper te worden, of museumdirecteur. Zoals Goudsmit het treffend verwoordt: “De ene baan is niet meer of minder waard dan een andere, het is niet beter of slechter om wel of niet iets met geschiedenis te doen” (p. 20).

geschiedenis te doen.”

Waarom zou je dan Geschiedenis studeren als je er later niets mee gaat doen? Omdat je tijdens je studie essentiële vaardigheden aanleert, zo klinkt het in koor uit de kelen van alle geïnterviewden. En als afgestudeerd historicus kun je meer dan alleen schrijven. Ook vaardigheden als bronnenkritiek, het omgaan met grote hoeveelheden informatie en het herkennen van belangen van verschillende partijen komen vaker van pas dan op het eerste gezicht het geval lijkt.

Dat lijkt ook de boodschap die in ieder hoofdstuk naar voren komt: historici kunnen meer dan je denkt en hebben dan ook veel meer kansen op de arbeidsmarkt dan je zou verwachten. Die boodschap wordt duidelijk

Hoewel Gezocht: Historicus veel mogelijkheden laat zien en voor sommigen wellicht de ogen opent, laat het ook zien dat het de historicus zeker niet komt aanwaaien. In vrijwel alle sectoren geldt dat je als historicus goed moet bedenken hoe je je wilt profileren. Je zult altijd moeten

minder waard dan een andere, het is niet beter of slechter om wel of niet iets met


35 Berith van Pelt

uitleggen waarom jij voor een functie geschikt bent die op het eerste gezicht niet aansluit bij je opleiding. Bovendien kunnen de vaardigheden die je in je studie opdoet ook in je nadeel zijn. Als journalist heb je nu eenmaal vaak niet de tijd om alle informatie te analyseren, zoals de historicus in je dat wel graag zou willen. Anderzijds is het snel kunnen onderscheiden van hoofd- en bijzaken – iets wat historici over het algemeen goed kunnen – juist een onmisbare vaardigheid in de journalistiek. Daarbij is het in sommige sectoren, zoals de cultuur- en erfgoedsector, gewoon een kwestie van ertussen zien te komen. In vakgebieden waarin kansen zich maar zelden voordoen, is je cv van groot belang. Alleen maar studeren is in de huidige maatschappij niet genoeg meer. Eigenlijk moet je vanaf je eerste studiejaar al voor ogen hebben waar je na je studie terecht wilt komen, zodat je dat carrièrepad al meteen kunt gaan voorbereiden. Je moet dus je ogen openhouden voor de mogelijkheden die er zijn, maar tegelijkertijd al vroeg beginnen met ontdekken wat je wilt. Dat kun je doen met stages en bijbaantjes om je netwerk op te bouwen, maar je kunt je ook richten op het doorontwikkelen van vaardigheden. Het schrijven dat je tijdens de opleiding bijvoorbeeld leert, geeft geen garantie dat je als pas afgestudeerde al een goed journalistiek stuk of een sterk beleidsadvies kunt schrijven. Reden te meer om dat al tijdens je studie extra te oefenen, door bijvoorbeeld te publiceren in (studenten)tijdschriften, adviseren de geïnterviewden. Gezocht: Historicus roept gemengde gevoelens op. Enerzijds blijkt het met de baanperspectieven van historici helemaal niet zo erg gesteld te zijn als sommige mensen denken. Anderzijds laat het zien dat het niet altijd makkelijk is om te komen waar je wilt komen. Soms moet je als historicus eerst genoegen nemen met een baan die je misschien minder leuk vindt of zelfs met een bijbaantje; de huur betaalt immers zichzelf niet. Bovendien is het feit dat er historici werkzaam zijn in zoveel verschillende vakgebieden geen garantie dat elke geschiedenisstudent daar ook voor geschikt is. Tegelijkertijd geldt dit natuurlijk niet alleen voor historici, maar ook voor studenten uit andere richtingen binnen de geesteswetenschappen.

Gezocht: Historicus Kayleigh Goudsmit

Amsterdam University Press B.V., 2018 ISBN: 9789462984646 Paperback 123 pagina’s € 14,99

Welk van deze twee elementen je ook vindt overheersen, Goudsmit schetst aan de hand van haar interviews in ieder geval een breed en genuanceerd beeld van de werkende historicus. Wat aanstormende historici vooral uit dit boek kunnen halen is dat zij hun ogen moeten openen. Kijk eens verder dan je studie, de voorgekauwde carrièrepaden en geschiedenis in het algemeen. Geschiedenis is ook van nu en kan je op veel mooie plekken brengen. Zorg dat je stevig in je schoenen staat en ga ervoor. Zo kan iedereen op zijn eigen manier geschiedenis schrijven. Zo bezien is het boek eigenlijk een promotiepraatje voor de studie Geschiedenis. En wie al aan de studie begonnen is, heeft dat praatje vast al eens eerder gehoord. De boodschap die Goudsmit met het boek brengt is dan ook niet vernieuwend, maar bevestigt eerder wat de huidige geschiedenisstudent al weet. Geïnteresseerden krijgen aan de hand van de profielschetsen zeker een mooi kijkje in de carrièrewereld van de historicus, maar het biedt de historicus zelf weinig nieuwe inzichten. Het boek blijft daarmee binnen de gebaande paden.


36

Uit het archief

Geschiedenisalumni Gezocht: Historicus, het boek van Kayleigh Goudsmit, inspireerde ons om eens de archieven in te duiken op zoek naar interviews met geschiedenisalumni. Hoe hadden zij hun zoektocht naar een baan ervaren? En zagen zij hun studie nog terug in het werk dat ze toentertijd deden? We lichten een aantal alumni uit. De gehele interviews zijn terug te vinden op codexhistoriae.nl/themas/100-jaar-geschiedenis.

Bernard Sloot Voorlichter Fundamentele Zaken bij Defensie

Je zult merken dat je sommige dingen ook moet loslaten. Je vindt niet altijd meteen je droombaan.

Bernard Sloot werd op 30 april 1978 geboren en groeide op in Steenwijk. Hij behaalde zijn tweedegraads onderwijsbevoegdheid in geschiedenis aan de Hogeschool van Utrecht, waarna hij les heeft gegeven op een middelbare school. Hij besloot daarna verder te studeren en heeft aan de Universiteit van Utrecht een bachelor geschiedenis gedaan met de minor internationale betrekkingen, gevolgd door een master internationale betrekkingen. Na zijn studie heeft hij via een uitzendbureau verschillende baantjes gehad. Hij besloot op wereldreis te gaan en kwam terug in de financiĂŤle crisis. Na twee maanden thuis op de bank tipte een oud-studiegenoot hem over de functie bij Defensie. Interview door: Sam Torres CODEX Historiae, zomer 2015.


37 Berith van Pelt

Uiteindelijk is geschiedenis een heel dankbaar vak om te geven. Jaap van Helleman Geschiedenisleraar

Jaap van Helleman was helemaal niet van plan om leraar te worden. Na zijn middelbare school wilde hij een jaar hbo volgen, zodat hij kon doorstromen naar de universiteit. Hij zocht een hbo-studie die iets met geschiedenis te maken had en kwam uit bij de lerarenopleiding.Tijdens de stage in het eerste jaar ontdekte hij dat hij het lesgeven heel leuk vindt en maakte de opleiding af. Daarna ging hij pas aan de universiteit studeren. Zijn passie had hij echter al in het onderwijs gevonden; hij is voor de klas gebleven. Interview door: Sam Torres CODEX Historiae, winter 2015.

In wezen doe je op de middelbare school hetzelfde als op de universiteit, alleen dan op een ander niveau.


38

Zeker als geschiedenisstudent kunnen connecties erg belangrijk zijn om ergens binnen te komen.

Tijmen Lucie Werkzaam bij de SP

Tijmen Lucie was tijdens zijn studie geschiedenis aan de VU lid van studievereniging Merlijn en redacteur bij tijdschrift Galapas, de voorganger van CODEX Historiae. In 2008 rondde hij zijn studie af. Na zijn afstuderen is hij op reis gegaan naar Zuid-Amerika om Spaans te leren. Toen hij terug in Nederland was, is hij aan een opleiding tot reisleider begonnen, maar heeft die niet afgemaakt. Ook de onderwijsmaster vond hij niet zo leuk als gedacht. In de jaren daarna, waarin hij zoekende was naar een leuke baan, heeft hij in de thuiszorg gewerkt. Een vriend van Lucie was werkzaam bij de SP en stelde hem voor daar stage te komen lopen. Na de stageperiode bleef hij werkzaam als redacteur van Spanning, het tijdschrift van het Wetenschappelijk Bureau van de SP, en als coรถrdinator van SPark, de Alternatieve Rekenkamer van de SP. Interview door: Sam Torres CODEX Historiae, voorjaar 2016

Ik geloof dat ik van mijn studie geschiedenis zeker profijt heb gehad.


codex

39

Historiae

Thema: Opstand! Oktober 2018 Begin oktober verschijnt het nieuwe nummer van CODEX Historiae. Dit najaarsnummer staat in het teken van de Maand van de Geschiedenis. In dit themanummer besteden we onder andere aandacht aan de Russische Revolutie, de Franse Revolutie, volksopstanden en protestmuziek. Blijf op de hoogte via onze socialmediakanalen of via onze website, codexhistoriae.nl.


40

codexhistoriae.nl


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
CODEX Historiae - themanummer 100 jaar geschiedenis - zomer 2018 by CODEX Historiae - Issuu