Skip to main content

CODEX Historiae - themanummer Scriptie - winter 2019

Page 1

codex

Historiae

In dit nummer van CODEX: Jaargang 40 | Nummer 4 | 2020

Interviews met scriptieveteranen Tal ideeën voor je scriptie Interviews met scriptiebegeleiders “Op de VU” De geschiedenis van CODEX, deel 4 Interview met Frans Huijzendveld A Roman in Nihon, part 1

Gepubliceerde scripties, waaronder: Joden in de Maatschappij van Weldadigheid De rechtelijke vervolging van NSB-ers Women in Athenian Symposia The historiograpical Cold War

Scriptie


2

Redactioneel De scriptie. Al eeuwenlang is het traditie dat een scriptie de opleiding afsluit op een universiteit. Enerzijds is het schrijven van een scriptie een enge, stressvolle opgave, maar anderzijds kan je ook veel plezier ermee hebben. We mogen op de VU geheel zelf kiezen waar de scriptie over gaat. Dat betekent dat we uiteenlopende onderwerpen krijgen: van onderzoek over hoe Saddam Hoessein gebruikmaakte van de geschiedenis van Babylon in zijn propaganda, tot een analyse van de successen en falen van de milieubeweging Greenpeace. Je komt van alles tegen. Om studenten wegwijs te maken in het schrijven van de scriptie hebben wij daarom dit nummer aan de scriptie gewijd. Van artikelen over scripties van redactieleden en gastschrijvers tot interviews met studenten, alles is bedoeld om te helpen met het bedenken en schrijven van je scriptie. Misschien is dat nog niet dit jaar – kijk dan terug naar dit nummer wanneer je wel gaat beginnen! Wij hebben ook aan docenten gevraagd om een aantal scriptieonderwerpen te opperen die zij wel zouden willen zien verschijnen.Wellicht kan één daarvan je stimuleren om toch die docent te mailen met een scriptievoorstel. Codex is altijd bezig met zichzelf te verbeteren. Beginnend met het volgend nummer gaan wij een aantal aanpassingen maken aan de huisstijl en inhoud om het blad nog interessanter en relevanter te maken voor jullie. Heb je suggesties, ideeën, of wil je hieraan actief deelnemen? Laat het ons weten met een mail naar info@codexhistoriae.nl!

De deadline voor ons volgend nummer, ‘Aarde’ is 26 januari The thesis. Writing a thesis at the end of your studies has been a tradition for centuries. On one hand, writing your thesis can be scary and stressful. On the other hand, it can be incredibly fun. We are completely free to choose a topic for our thesis, after all. That means we get a broad range of subjects: from how Saddam Hussain used Babylonian history in his propaganda to an analysis of the successes and failures of the environmental organization Greenpeace, everything is possible. To help orient students in writing their thesis, we dedicated this issue of Codex to theses. From theses written by editors and guest writers, to interviews with students, everything is meant to help you think of a topic and write your thesis. Maybe you’re not writing your thesis this year – then keep this issue and read it again when you do start! We also asked teachers to offer some thesis subjects they’d like to see. Perhaps one of those topics will stimulate you to email that teacher to be your mentor! Codex is always working on improving itself. Starting with the next issue, we will make some adjustments to the paper’s form and contents, to make the paper even more interesting and relevant to you. Do you have suggestions, ideas or do you want to take active part in this? Let us know with an email to info@codexhistoriae.nl!

Colofon Hoofdredactie Daan Jansen Chief editor Redactie Amanda van Dord Editors Jasmijn Groot Tijs Hopman Astrid Koersvelt Claire Majoor Ellen van Heteren Vormgeving Daan Jansen Graphic design

The submission deadline for our next issue, ‘Earth’ is the 26th of January

Eindredactie Carlijn van Esch Copy editors Laurens Kemp Lucas Smarius Gastschrijvers Myrthe Bleeker Guest writers Laura Brinkhorst Omslag Scriptie-griffioen Cover Daan Jansen

Mail voor meer informatie over abonneren, publiceren of adverteren naar info@codexhistoriae.nl. Financieel mogelijk gemaakt door de Vrije Universiteit Amsterdam. Amsterdam, januari 2020.


3

In dit nummer Actualiteiten Ellen van Heteren

pagina 4

Interview Afscheid van Frans Huijzendveld Ellen van Heteren

pagina 5

Interview Scriptieveteranen Daan Jansen & Ellen van Heteren

pagina 7

You can look, but you cannot touch The hetaira at the ancient Athenian symposion Jasmijn Groot

pagina 12

‘Met vertrouwen bouw ik op de toekomst’ De Joodse gemeenschap in de Maatschappij van Weldadigheid Myrthe Bleeker

pagina 15

Interview De begeleiders aan het woord Amanda van Dord en Claire Majoor

pagina 19

Goed bloed kan niet liegen: ‘het schwart graöfke’ De rechterlijke vervolging van NSB-er graaf Maximiliaan Laura Brinkhorst

pagina 23

The Cold War in the Ancient World Political opinions in historiography Daan Jansen

pagina 28

Scriptie-ideeën

pagina 32

Op de VU Nieuws en opinie

pagina 34

A Roman in Nihon 1 The experiences of studying abroad Tijs Hopman

pagina 36

40 jaar codex Historiae codex Historiae: De feniks? Daan Jansen

pagina 39


4

Actualiteiten Tentoonstellingen De tentoonstelling Koninklijke schat in het Rijksmuseum loopt tot 21 januari. Ontdek en bewonder het meesterwerk van Paulus van Vianen, de beroemdste edelsmid in de Nederlandse geschiedenis, gemaakt voor de Oranjes.

In het Scheepvaartmuseum Amsterdam is de tentoonstelling Cartografie & Curiosa te zien die laat zien hoe Nederlandse zeevaarders vanaf de 17e eeuw hun weg vonden en op welke wijze deze reizen het Europese wereldbeeld bepaalden. Bekijk kaarten van reizen en een schatkamer van onbekende objecten die de zeevaarders mee terug naar huis namen. Een schitterende tentoonstelling in de Hermitage Amsterdam: Juwelen! Tienduizenden edelstenen van alle soorten en maten, verdeeld over driehonderd objecten zijn te bewonderen tot 15 maart.

Tot 1 maart is de bijzondere tentoonstelling Amsterdam Diamantstad te zien in het Joods Historisch Museum, waar de geschiedenis van Amsterdam als internationaal centrum van de diamantnijverheid wordt verteld aan de hand van bijzondere diamanten die je kunt volgen van ruwe diamant tot kroonjuweel. De belangrijkste documenten van Amsterdam werden lang bewaard in de charterkast, die goed beveilig was. De 45 laden van deze kast en natuurlijk de inhoud zijn tot 23 februari te bekijken in de tentoonstelling Het Archief van de IJzeren Kapel in de Schatkamer van het Stadsarchief van Amsterdam en toegang is gratis! Het Tropenmuseum laat tot 23 augustus de tentoonstelling What a Genderful World zien, waar door een collectie van foto’s, mode en persoonlijke verhalen wordt laten zien hoe verschillend culturen gender ervaren.

Cursussen Wil jij beter worden in archiefonderzoek? Het Stadsarchief Amsterdam verzorgt binnenkort een cursus Huizenonderzoek, waarin je aan de hand van archiefmateriaal leert ontdekken wat de geschiedenis is van een huis. Wees er snel bij want de eerste van de 5 bijeenkomsten is al op 18 februari!


5 Ellen van Heteren

Interview:

Afscheid van Frans Huijzendveld Frans Huijzendveld werkt sinds 1988 bij de Vrije Universiteit als assistent professor en docent. De studenten van de opleiding geschiedenis kennen hem vooral als docent van het vak World History, waar hij zijn kennis over Afrika deelt. Inmiddels is het bijna tijd voor hem om met pensioen te gaan. Dit artikel vertelt zijn interessante verhaal, Huijzendveld had niet verwacht dat hij academicus zou worden, laat staan historicus. Hij had vroeger een voorliefde voor kunst en voor dieren, met name groot wild, en wilde daarom kunstenaar of dierenarts worden. Nadat hij van de middelbare school kwam is hij naar de hoge economische school gegaan. Vervolgens werd hij opgeroepen voor broederdienst en na zijn tijd in het leger heeft hij een tijd met gehandicapte kinderen gewerkt. Na een aantal jaar wachten heeft hij zijn vwo diploma gehaald en pas toen heeft hij er voor gekozen om geschiedenis te gaan studeren: ‘Mezelf ontwikkelen vond ik na de dienst heel belangrijk, na een

periode waarin ik ‘dom’ bezig was, althans zo voelde dat, en veel moest wachten. Ik dacht: ik wil me cultureel ontwikkelen, dat had ik nog niet zo gedaan.’ Toen hij zijn studie aan de VU begon, zag die er nog heel anders uit. Zo werd hij bijvoorbeeld bij de VU ingedeeld, want studenten mochten in de jaren ’70 niet zelf kiezen aan welke universiteit zij wilden studeren. Op de opleiding geschiedenis was er destijds een strijd tussen Marxisten en niet-Marxisten. ‘Als je met de ene groep omging mocht je niet met de andere groep omgaan,’ zegt Huijzendveld hierover. Hij was blij dat hij tegen die tijd al wat ouder was, zodat hij zich niet gedwongen voelde hieraan mee te doen. Het vakkenpakket was in die tijd ook heel anders, de studierichtingen waren onder andere middeleeuwse, vroegmoderne, politieke, niet-westerse en sociaaleconomische geschiedenis. Studenten maakten zich in die tijd, beïnvloed door het neomarxisme, hard voor niet-westerse geschiedenis. Huijzendveld besloot tijdens zijn studie, waar hij in totaal acht jaar over heeft gedaan, global history te doen. Omdat dat toen nog geen afstudeerrichting was, heeft hij twee scripties moeten schrijven.

‘Wat ik ontdekte was dat het milieu net zo goed een actor is in die geschiedenis, het is geen statisch iets.’ Na het afstuderen (cum laude) is hij les gaan geven op de middelbare school, maar daar lag zijn passie niet. Toen hij in 1988 werd gevraagd om te promoveren, greep hij die kans meteen aan. Hij heeft zich in die periode hard gemaakt voor global history, wat in die tijd nog geen vakgebied was. ‘Ik ben er mee begonnen,’ aldus Huijzendveld. ‘Andere vakgebieden wilde er niet aan, maar sociaaleconomische geschiedenis is hele structurele en theoretische geschiedenis,’ en dat sloot volgens hem goed aan bij dat vakgebied en zijn eigen

Zelfportret - Frans Huijzendveld


6

onderzoek. ‘Mij ging het [onderzoek] over verandering voor de koloniale tijd en door de koloniale tijd en de vraag hoe mensen het landbouwsysteem veranderden [in Oost-Afrika]. Wat ik ontdekte was dat het milieu net zo goed een actor is in die geschiedenis, het is geen statisch iets. Dit is iets wat nu algemeen geaccepteerd wordt, maar toen helemaal niet.’ Kort na deze verandering kregen historici weer meer belangstelling voor de traditionele en narrativistische aanpak van historisch onderzoek doen. Deze tegenstelling heeft Huijzendveld lang doen laten nadenken. Toen ik hem vroeg wat het grootste mysterie was in zijn vakgebied, antwoordde hij: ‘Het mysterie blijft toch het doel van geschiedenis. Geschiedschrijven is een verandering ondergaan. Eerst doelde geschiedenis als identiteit, de geschiedenis van grote helden, dat als een narratief werd verteld.’ Daar is een reactie op gekomen, historici zijn structuren gaan onderzoeken en hebben de sociale wetenschappen geïntroduceerd om het wetenschappelijk te maken. ‘Dus geschiedenis ging van narrativisme om identiteit te geven naar een wetenschappelijke discipline. Maar daarmee verloor geschiedenis eigenlijk zijn communicatie met het grote publiek. Wat is geschiedenis dan? Heel wetenschappelijk is het,’ beantwoordt Huijzendveld zijn eigen vraag, ‘geschiedenis stelt vragen aan het verleden die eigenlijk nu spelen, dus het zegt ook iets over het heden. Dit zijn voor mij de moeilijke spanningsvelden waar je over moet nadenken. Wat is geschiedenis? Wat is het doel van geschiedenis? In welke mate is geschiedenis een wetenschap? Kan het futurisme zijn of niet? hoe vertaal je het naar het grote publiek, want geschiedenis moet gelezen worden? Is het wetenschappelijk onderzoek zelf een actor? Welke rol speelt een actor in processen? En hoe behandel je de vraag, met een analyse of breng je er ook het narratief in?’ Op deze vragen zijn er volgens Huijzendveld nog geen definitieve antwoorden.Wel geeft hij gedeeltelijk zijn eigen mening: ‘[Geschiedenis] is geen futurisme voor mij, dus ik kan niet door de geschiedenis te bestuderen beslissen wat de toekomst zal zijn. Als je veel naar structuren kijkt heb je de neiging om te zeggen hoe het gaat veranderen,’ en: ‘Een actor kan niet alle veranderingen van structuren overzien. De bestudering van de structuren heeft invloed op de actors dus op de structuren.’

‘Ik vind dat universiteiten ons veel te veel uitbuiten.’ Naast deze veranderingen in het onderzoeksveld heeft hij ook het een en ander zien veranderen op de VU sinds hij hier is komen studeren. Toen ik hem vroeg wat het vervelendste was dat hij op de VU had meegemaakt, antwoordde hij dat er steeds slechter met docenten wordt omgegaan. Hij schrijft deze verandering toe aan de stijging van het studentenaantal in de jaren ’70. Er zijn toen in één keer heel veel jonge mensen aangenomen die niet gepromoveerd waren. Ze kregen alleen onderwijstijd, geen onderzoektijd, maar om onderdeel te zijn van de wetenschappelijke staf

moet je onderzoek publiceren. Huijzendveld is zelf meerdere keren ontslagen en weer aangenomen en heeft op die manier 10 jaar op tijdelijke aanstellingen geleefd. ‘Ik vind dat universiteiten ons veel te veel uitbuiten. Er vind kapitaalvernietiging plaats, omdat ze mensen wel aannemen maar geen toekomst geven,’ aldus Huijzendveld. Een ander antwoord op deze vraag is de internationalisering van de VU: ‘Als je dat doet, moet dat vanuit een didactisch oogpunt bekeken worden. Dat gebeurt hier niet; alles is vanuit financieel oogpunt. Dat vind ik heel kwalijk.’ Huijzendveld vind dat internationalisering een meerwaarde moet bieden, geen financiële hulp. Zo vindt hij het idee van een international classroom interessant en de verbetering van de Engelse taalvaardigheid ook, maar hij ziet deze verbeteringen niet terug. ‘International classroom, daar heb ik nog nooit wat van gemerkt; je moet gewoon in het Engels lesgeven.’

‘Het mysterie blijft toch het doel van geschiedenis.’ Al laat hij de VU niet tevreden achter, Huijzendveld zegt te gaan genieten van zijn pensioen. Hij heeft nu wat meer tijd om aan zijn hobby te werken: beeldhouwen. Hij heeft me al wat foto’s laten zien van prachtige bronzen en stenen werken, zoals een Afrikaans masker en een portret van een man die hij heeft geïnterviewd. Nu hij ook zijn eigen werkplaats heeft, kan ik niet wachten tot ik een keer langs kan gaan om de eerste tentoonstelling te bewonderen. Niet alleen vindt Huijzendveld het leuk om te doen, hij merkt ook dat het goed is voor zijn gezondheid om achter het bureau vandaan te komen. Toch wil hij onderzoek blijven doen. ‘Als ik te veel pijn in mijn handen krijg van het beeldhouwen, ga ik weer schrijven.’ Wat geschiedenis voor Huijzendveld heeft betekent, komt neer op één ding: zelfontwikkeling. ‘Ik ben erachter gekomen dat mensen dezelfde vragen stellen: waarom besta ik? Waarom heb ik voor- of tegenspoed? Waarom ben ik ziek? Waarom heb ik pijn? Waarom ga ik dood?’ Hij vindt het heel interessant hoe mensen aan die vragen cultureel vorm hebben gegeven en hoeveel mensen eigenlijk op elkaar lijken. Na dertig jaar lesgeven en onderzoek doen aan de VU is het tijd voor Huijzendveld om met pensioen te gaan. Ik wil hem namens alle studenten van de opleiding bedanken voor zijn harde werk, inzichten, colleges en gezelligheid. Frans Huijzendveld, bedankt en geniet van uw pensioen.


7 Ellen van Heteren & Daan Jansen

Interview:

Scriptieveteranen Wie kan er beter vertellen hoe het is om je scriptie te schrijven dan studenten die het net hebben gedaan? De redactie heeft gesproken met Fleur van der Sande (Research Master Classics and Ancient Civilisations), Daan Jansen (Bachelor Geschiedenis) en Daan Kloosterman (Bachelor Geschiedenis).

Wat was het onderwerp van je scriptie? Fleur: Watermanagement in Mesopotamië, met name het effect van oorlog op dat watermanagement. De geografische plaats hiervan is vooral het zuiden van het huidige Iraq en de periode ongeveer 2000 voor Christus, het einde van de Oudbabylonische periode.

Daan J: Je kunt een samenvatting van mijn scriptie in dit nummer van Codex lezen! Het ging over politieke gekleurdheid in het debat over hoe de economie van het Oude Nabije Oosten eruit zag van ongeveer 3000 tot 2000 voor Christus.

Daan K: De Spaanse burgeroorlog (1936-1939), bekeken vanuit de Nederlandse Katholieke pers.

Hoe kwam je op het onderwerp van je scriptie? Fleur: Ik wilde eerst iets doen met veranderingen in samenlevingen en hoe je dat kunt meten.Toen heb ik samen met mijn scriptiebegeleider Rients de Boer gekeken naar historical institutionalism en soortgelijke theorieën: hoe kan je aan de hand van bepaalde instituties verschillende samenlevingen met elkaar vergelijken door de tijd heen? Zo kwam ik bij water terecht, want watermanagement kan je ook zien als institutie. Toen ben ik van historical institutionalism afgestapt en ben ik gaan kijken naar hoe watermanagement in elkaar stak in die periode. Hoe meer je leest, hoe specifieker je wordt totdat je een onderwerp hebt dat niet te groot is en waar je echt iets mee kan. Dat werd bij mij dus een case study van Abi-Ešuh (1711-1685 v.Chr.) en hoe oorlog effect had op de steden in zijn rijk.

Daan J: Tijdens het vak Indische Oceaan van Frans Huijzendveld moet ik een paper schrijven over de Indische Oceaan. Ik zat toen behoorlijk in een oudheid-fase en besloot dus iets te schrijven over de vroegste Indische Ocean-handel die we kennen: die tussen de beschaving in de Indusvallei en Mesopotamië, rond 4000 v.Chr. Ik wist nog van het eerstejaars vak Oudheid dat er in Mesopotamië sprake was van een tempel- of Oikos-economie, maar volgens een aantal auteurs klopte dat niet. Ik zag verwijzingen naar marxistische ideologie in de literatuur en dat viel mij op. Ik ben zelf vrij politiek activistisch en ik wilde met mijn scriptie iets doen over de koude oorlog, maar ik wilde wel de kennis die ik had verworven over het Oude Nabije Oosten kunnen gebruiken. Dus ik heb ze gecombineerd zodat mijn scriptie zo goed mogelijk aansloot op mijn interesses.

Daan K: Ik had volgens mij al in het eerste jaar van de opleiding in Merriman in een klein bijzinnetje gelezen dat rechts-leunende kranten, zoals de Daily Mirror, best wel aan de kant stonden van Franco tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Dat verbaasde mij, omdat hij later in één adem werd genoemd met Hitler en Mussolini. Toen dacht ik al dat het interessant zou zijn om te kijken of in Nederland de rechtse of katholieke media datzelfde standpunt had, en dat bleek voor het overgrote deel ook zo te zijn.


8

Hoe kwam je bij je begeleider(s) terecht? Fleur: Ik studeerde Oudheidkunde, beste studie ever, en Rients gaf alle vakken over Mesopotamië, inclusief spijkerschrift en de culturele vakken. Ik had hem dus vaak als docent en we hadden een goede klik. Het was niet meer dan logisch dat ik bij hem terecht zou komen. Hij was ook de begeleider van mijn bachelor scriptie over oorlog en propaganda in het Neo-Assyrisch rijk.

Daan J: Rients heeft ook mijn scriptie begeleid. Ik had een aantal vakken over het Oude Nabije Oosten bij hem gevolgd en hij kwam over als een benaderbare docent die open stond voor misschien ietwat gekke ideeën zoals de mijne. Dat bleek inderdaad zo te zijn. Hij had zijn collega Kristin Kleber gevraagd om te helpen omdat hij het zelf vrij druk had met lesgeven en samen hebben ze mij begeleid.

Daan K: Ronald Kroeze leek mij een logische keus omdat hij zich specialiseert in moderne en politieke geschiedenis. Later kwam ik erachter dat hij aan een andere opleiding ook mediageschiedenis als vak geeft. Zijn colleges vond ik ook altijd interessant.

Wat vond je het leukste om te doen? Fleur: Dat je je helemaal in dat onderwerp kan vastgrijpen. Aan alle kanten kan je boeken erbij halen, artikelen, en dan van het ene artikel naar het andere gaan omdat je ergens een voetnoot ziet. Je zit echt non stop in een soort ‘rabbit hole’, wat heel fijn is maar je ons ook voor moet oppassen. Al die informatie vond ik sowieso geweldig. En je mag het allemaal lezen! Dan superveel mind maps (met heel veel kleurtjes) maken om te kijken hoe alles gerelateerd is en hoe je dat het beste kunt aanpakken, wat heel moeilijk kan zijn maar dus ook leuk.

Daan J: Ik vond het leuk om terug te kunnen komen op een onderzoekje dat ik eigenlijk had afgeraffeld aan het eind van mijn tweede jaar. Tijdens de bachelor (en de master, merk ik nu) krijg je zoveel papers te schrijven en in praktijk heb je er niet meer dan 3 (of in de praktijk, 1) week om eraan te werken. Dan kan je alleen een oppervlakkige blik op de stof werpen. Tijdens je scriptie kan je je er echt in verdiepen. Het schrijven vond ik ook leuk, omdat ik eindelijk al mijn gedachten in een logische volgorde kon plaatsen. Dat gaf mij ook een beter idee waar ik eigenlijk mee bezig was.

Daan K: De meeste tijd heb ik toch wel gestoken in het echte onderzoek. In mijn geval was dat vooral naar kranten kijken in het Internationaal Instituut van Sociale Geschiedenis en de Koninklijke Bibliotheek. Dat kan soms heel saai zijn, maar daar zitten ook de mooiste eureka-momenten tussen. Dan vind je ineens iets wat gewoon goed te gebruiken is voor een scriptie. Het kan heel leuk zijn als je iets vindt wat precies in jouw theorie past, maar het kan ook heel leuk zijn als je juist iets vindt wat jouw theorie helemaal ontkracht.

Wat vond je het moeilijkste onderdeel van het scriptieproces? Fleur: De synthese aan het einde maken: zorgen dat het hele verhaal van het begin van je inleiding tot laatste zin van je conclusie logisch is en goed loopt. Ook lastig was de diepte in gaan om vervolgens te moeten beslissen welke informatie wel en niet belangrijk is.Tijdens het lezen werd ik vaak afgeleid door dingen die ik las en dacht ik ‘oh dat moet ik ook opzoeken’, terwijl je eerst het artikel waarmee je bezig bent moet samenvatten. Soms deed ik dat niet en moest ik een artikel 5 keer opnieuw lezen omdat ik steeds van de hak op de tak sprong. Deadlines zijn ook moeilijk. Het schrijven lukte wel in een half jaar maar ik nam meer tijd voor het onderzoek voorafgaand aan het schrijven. Dat was ook verbonden aan de stof die ik al had gelezen in mijn master die ik kon verbinden aan de scriptie.

Daan J: Ik denk de beslissing maken om te beginnen met schrijven. Ik had echt nog niet het gevoel dat ik mij goed genoeg had verdiept in de literatuur om te beginnen met het schrijven van mijn scriptie. Dat kwam deels omdat ik mij nooit hield aan deadlines. De enige deadline die ik wel heb gehaald was die van de definitieve versie op 1 juni. Daardoor werd ik eigenlijk een beetje geforceerd om te schrijven om nog uit te komen met de korte tijd die ik had.

Daan K: Het is altijd lastig om het in zoveel woorden op papier te krijgen en niet allerlei dingen erbij te betrekken die eigenlijk niet zo relevant zijn. Om het van onderzoek naar woorden op papier te krijgen was het lastigst.


9 Ellen van Heteren & Daan Jansen

Wat was je grootste valkuil? Fleur: Jezelf verliezen in details, omdat alles heel interessant is. Daardoor verlies je tijd, en stel je deadlines uit om dingen uit te zoeken die eigenlijk niet nodig zijn. Die tijd heb je gewoon niet.

Daan J: Denken dat ik een taal kon lezen die toch iets lastiger is dan ik dacht. Een gigantisch deel van de literatuur over de economie van het Oude Nabije Oosten is in het Duits. Academische teksten lezen in een taal die ik niet beheers ging niet zo gemakkelijk als ik had gehoopt. Met woordenboeken en vertaalsoftware kwam ik er wel, maar dit bracht wel een paar problemen met zich mee. Zo was de vertaalsite DeepL ervan overtuigd dat Tributwirtschaft ‘zijriviereconomie’ betekent en niet ‘tributaire economie’.

Daan K:Vooral in het begin wil je iets te graag ook iets te veel doen. Je hebt te hoge verwachtigen, je wil iets bewijzen wat nog nergens opgeschreven staat. Zeker voor je bachelorscriptie hoeft dat nog niet. Achteraf kwam ik erachter dat ik toch nog wel wat dingen had opgeschreven die nog niet in de bestaande literatuur terug te vinden waren. Ik focuste veel op het bombardement op Guernica en hoe dat werd gepresenteerd in Katholieke kranten. Daar zit ook een hedendaags element bij, namelijk dat van nepnieuws. De Katholieke kranten wilden niet de slechte kant van Franco laten zien, dat werd gewoon ontkend. Je merkt het wanneer je onderzoek doet. Voor het schrijven van je eerste hoofdstuk zit je 100 uur totaal in de archieven en bij het tweede hoofdstuk zit je er nog maar 10 uur. Je komt er op een moment achter dat je niet zoveel onderzoek moet doen als je in één jaar wilt afstuderen.

“De meeste tijd heb ik gestoken in het echte onderzoek doen. [...] Dat kan soms heel saai zijn, maar daar zitten ook de mooiste eureka-momenten tussen.” - Daan Kloosterman Wat zou je achteraf anders hebben aangepakt? Fleur: Tijdens mijn master was ik heel enthousiast en wilde ik alles doen, waardoor een hoop niet echt lukte. Dat zou ik anders hebben gedaan, want dat betekende dat ik pas later met mijn scriptie kon beginnen. Ik las dan wel wat en probeerde een goeie onderzoeksvraag te vinden, maar daar moet je de tijd echt voor nemen. Ik had misschien mijn tutorials en andere vakken even moeten laten zitten om mij op mijn scriptie richten. Ik had mij ook beter aan mijn eigen deadlines kunnen houden. Je maakt hele mooie planningen die er uitzien alsof ze haalbaar zijn, maar dan blijkt dat niet zo te zijn. Wat ik hetzelfde zou doen is met vrienden afspreken om in de bieb te gaan studeren, zodat je de houvast hebt om op een bepaalde tijd op de VU te moeten zijn en een pauze kunt nemen.

Daan J: Ik zou mij minder zorgen hebben gemaakt over mijn scriptie. Je scriptie wordt vaak neergezet als het meesterwerk dat komt aan het eind van je bachelor. Daarom dacht ik dat het écht perfect moest zijn, maar dat kan natuurlijk niet. Vanwege die gedachte stelde ik eraan werken steeds verder uit. Ik zou het waarschijnlijk ook in het Engels hebben geschreven. Ik had ongeveer twee jaar voor het schrijven van mijn scriptie voor het laatst in het Nederlands geschreven en dat bleek uit de grammatica, de zinsconstructies en het gebruik van woorden die niet bestaan.

Daan K: Ik denk dat ik een beter onderzoeksplan zou hebben gemaakt, maar dat is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan. Je weet soms pas halverwege wat je echt aan het onderzoeken bent. Als ik nu mijn scriptie zou herschrijven en zou weten welke informatie beschikbaar was, zou ik dat beter hebben onderverdeeld in kleine onderdelen. Helaas is dat een luxe die je niet hebt.


10

Wat heb je geleerd wat je in je volgende scriptie (of soortgelijke opdracht) zal toepassen? Fleur: Ik heb niet zozeer geleerd, meer verbeterd. Ik heb geleerd hoe ik beter dingen aan elkaar kan relateren en hoe ik er een beter lopend verhaal van kan maken.

Daan J: Ik heb geleerd meer mijzelf te vertrouwen en niet te lang te blijven twijfelen over mijn onderwerp, artikelen, enzovoorts. Ik wil niet zeggen dat ik dat nu helemaal goed doe, maar het was een belangrijke stap in mijn ontwikkeling. Van twijfelen ga je alleen maar uitstellen. Tegenwoordig hebben we daar geen tijd meer voor.

Daan K: Maak het jezelf niet te lastig. Als je heel erg in de stof zit en het interessant vind, heb je het idee op zoek te gaan naar allerlei kleinigheden. Als je dat niet doet, dan heb je soms het idee dat wat je schrijft eigenlijk niet interessant is, maar dan hoor je van je begeleider dat het zo goed is. Niet te enthousiast aan de slag gaan, anders schiet je jezelf in de voet. Ik heb ook geleerd dat de keuze van je onderwerp verschrikkelijk belangrijk is. Het moet iets zijn waar je iets in kan vinden.Wat dat betreft had ik misschien geluk. Ik had het onderwerp voor langere tijd in mijn achterhoofd. Zoiets hebben is handig.

“Ik heb geleerd meer mijzelf te vertrouwen en niet te lang te blijven twijfelen over mijn onderwerp, artikelen, enzovoorts.” - Daan Jansen Als je nu, een paar maanden later, terugkijkt: ben je tevreden met het resultaat? Fleur: Voor ik het inleverde wilde ik het nog een keer helemaal doorlezen, maar ik kon niet meer. Ik dacht: ‘ik lever het in. Ik vind het wel meer waard dan een 7, maar geen 8. Dus het wordt wel een 7,5’. Mijn scriptiebegeleiders waren het er niet mee eens, die vonden dat het een 9 waard was. Toen dacht ik dat Rients mij dat cijfer gaf omdat hij vond dat ik er zo hard aan had gewerkt, maar ik heb toen ook de facultaire scriptieprijs gewonnen, dus misschien was het wel echt een goede scriptie. Ik ben heel kritisch naar mezelf toe. Ik vind dat er genoeg dingen zijn die mooier hadden kunnen lopen. Ik denk vooral dat veel research master studenten dit hebben. Misschien moet ik wat minder kritisch op mijzelf zijn.

Daan J: Ik ben best trots over wat ik heb geschreven. De laatste 48 uur voor het inleveren waren heel stressvol en ik verwachtte eigenlijk een 6 vanwege mijn taalbeheersing (bedankt eindredactie!) en dat ik een andere master zou moeten volgen dan de Research Master die ik nu volg. Over de inhoud twijfelde – en twijfel – ik niet, behalve dat één van de argumenten die fundamenteel was voor het hele betoog volgens mij niet helemaal klopte. Als ik mijn scriptie teruglees kan ik mij wel vinden in de 8 die ik heb gekregen.

Daan K: Ik heb hem al een tijd niet gelezen. Ik was er destijds wel tevreden mee. Ik had een 8,5 en dat verwachtte ik ook niet echt. Je hebt altijd het idee van jouw perfecte scriptie die je natuurlijk nooit echt kan schrijven. Ik was aan het eind van het proces een hoop tekst aan het schrappen. Dat deed best wel pijn destijds, maar ik zag toen dat ik veel informatie had geschreven in mijn scriptie die wel leuk was, maar niet noodzakelijk was voor het argument.

“Ik ben heel kritisch naar mezelf toe. Ik vind dat er genoeg dingen zijn die mooier hadden kunnen lopen.” - Fleur van der Sande


11 Ellen van Heteren & Daan Jansen

Iedere scriptie is anders en ieders ervaringen zijn anders. Hier volgen nog een aantal persoonlijke vragen die op één van de geïnterviewde studenten toepasselijk was.

Fleur

Daan Jansen

Daan Kloosterman

Hoe verhield je masterscriptie zich tegenover je bachelorscriptie?

Hoe heb je het ervaren om een scriptie te schrijven over twee perioden die zo ver uit elkaar liggen?

Daan K., je studeerde geschiedenis, je studeert nu economie. Merk je dat je iets van je geschiedenisopleiding kunt gebruiken in die studie?

Mijn BA-scriptie was een lachertje. Ik zie nu dat ik er wel heel veel tijd en moeite in heb gestopt maar hij was niet van hele goeie kwaliteit. Ik had de skills nog niet. De hele masterfase heb ik erop gehamerd bij docenten dat ik mijn schrijven wilde verbeteren omdat ik wist dat dat nodig was. Ik zie nu dat mijn masterscriptie af is dat er zo’n groot verschil is tussen toen en nu. Er was te weinig ondersteuning vanuit de opleiding over het verbeteren van het schrijven vond ik, vooral voor iemand met adhd en dyslexie zoals ik. Veel oefenen met schrijven hielp wel.

Jij gaat je scriptie herschrijven tot artikel. Hoe pak je dat aan?

Dat is een goede vraag. Het begint met herordenen wat je wilt vertellen. Je kunt niet je hele scriptie opeens verkleinen van meer dan 30.000 woorden naar 8.000 woorden, dat is wel een stuk minder. Ik ga twee artikelen schrijven: de eerste gaat over het meer archeologisch gedeelte dat ik heb gepresenteerd op een conferentie in Berlijn; bij de andere wil ik net een andere invalshoek nemen.

Het was behoorlijk lastig, vooral toen ik in de beginfase zat en probeerde een methodologische benadering te vinden: hoe ga ik in hemelsnaam om met het bepalen van impliciete politieke subjectiviteit van een historicus? Ik dacht eerst dat ik een hele geschiedenis van de twintigste eeuw zou moeten geven en hoe dat invloed had op de historiografie in het algemeen en hoe dat in mijn debat paste. Dan zou ik omslagen hebben moeten identificeren rond bijvoorbeeld 1956 en 1968. Gelukkig kon Chiel van den Akker mij daarmee helpen. Hij stelde voor dat ik naar Metahistory van Hayden White keek en dat werd mijn invalshoek. Toen kon ik mij vooral richten op de oudheid en de historiografie.

“Ik zie nu dat mijn masterscriptie af is dat er zo’n groot verschil is tussen toen en nu.” - Fleur van der Sande “De eerste keer dat ik iets moest schrijven voor de master economie was de begeleider heel gelukkig met mij.” - Daan Kloosterman

De eerste keer dat ik iets moest schrijven voor de master economie was de begeleider heel gelukkig met mij, vooral omdat het goed geschreven was. Historici zijn veel bezig met schrijven en je moet goed iets kunnen vertellen en uitleggen. Mijn kracht bij economie zit denk ik dan meer bij het maken van een theoretisch kader omdat je dan vooral moet beschrijven. Het onderzoek zelf schrijven, daar heb ik iets meer moeite mee, maar ook daar is duidelijk opschrijven een heel belangrijk element.

Je hebt al je papers in het tweede semester van je derde jaar over hetzelfde onderwerp geschreven. Hoe ervaarde jij dat? Een van de docenten vond dat niet zo leuk. Bij de historische achtergrond van de stukken kwam dat bijna neer op zelfplagiaat. Ik dacht, historici doen dat ook. Het heeft mij wel geholpen bij mijn onderzoek. Het onderwerp heeft zoveel verschillende facetten zodat je er op verschillende manieren naar kunt kijken. Ik vind de periode van vlak voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog, met de opkomst van fascisme en communisme, heel interessant. Het is niet iets wat ik zou aanraden als iets wat gewoon makkelijk is, want je krijgt misschien het probleem dat je jezelf gaat kopiëren.


12

You Can Look, But You Cannot Touch

The hetaira at the ancient Athenian symposion It has been generally accepted that the symposion (συμπόσιον) in classical Athens - the private parties where the elite political players of the city got together to form alliances over multiple cups of wine - was the realm of elite men, but not of women. The paintings on the exquisite sympotic tableware, however, occasionally show a woman playing the flute, conversing with the attendees, playing drinking games or engaging in sexual activities. This woman is the hetaira (ἑταίρα), the cultivated female companion who was paid to enliven the symposion. Why were they allowed entrance to the symposia of classical Athens? What was their role there? And why was it deemed appropriate for men to engage with them? In my thesis, Gone Girl: the disappearance of women at the ancient Athenian symposion, the answers to these questions were pivotal in understanding the core mechanics of the symposion and the reason why, apart from prostitutes, women were not allowed in.

‘Good’ Wives, ‘Bad’ Whores Hetairai (plural, ἑταῖραι) were high-class prostitutes, who are believed to have been hired as companions by wealthy Athenians during symposia. In return, they provided their partners with conversation and their talents in music, dance and gymnastics, on top of sexual services - this in comparison to hookers and street prostitutes.1 Their wide range of activities has been depicted in sympotic literature and vase paintings alike. We see an example of what seems to be an hetaira in Xenophon’s book Symposium (ca. 360 BCE), in which one of the guests brings with him a girl who plays the flute and performs acrobatics.2 The flute playing girl is also often represented in Attic red-figure vase paintings. The carriers of these kind of scenes were produced for the symposion particularly between 600 and 300 BCE, with a peak popularity around 500 BCE.3 The recognizable aesthetic of the flute girl has frequently been copied (see image 1). But the more sensual tasks of their job has been subject of these paintings too (see image 2).

Image 1: A girl plays the aulos for the guests of a symposion. Red-figure bell krater from the Nikias painter, ca. 420 BCE, National Archaeological Museum of Spain


13 Jasmijn Groot

Image 2: An erotic scene. Red-figure kylix from the Triptolemos Painter, ca. 470 BCE, Museo Nazionale Romano

it was still small enough for neighbours to keep track of other people’s dealings. On the other hand, however, the acceptance of this issue as an important reason or even the sole reason for the exclusion of elite women leaves the issue of the distinction between ‘good’ wives and ‘bad’ whores open for discussion. One that is unfortunately rarely addressed.

The eroticism that the prostitutes brought with them, as well as the corrupting influence of the alcohol that was being drunk, has been seen by many scholars as one of the most important reasons for the absence of women at symposia. In ancient Athens, the elite seemingly believed that women would behave badly, even grotesquely, when coming into contact with eroticism and alcohol, which were abundantly present during symposia. They believed that women were incapable of constraining themselves, the exact opposite of the nature of men, who were thought to be able to control themselves and abstain from excess. In order to become successful, politically engaged members of society, they were expected to behave as such.4 When the wives and daughters of the elite would go to symposia, there would be gossip going around about them. Therefore, women would have actively stayed away, in fear of social repercussions.5 On the one hand, this does seem like a legitimate reason for the absence of ‘good’, ‘respectable’ women at symposia: Athens was the biggest polis in Greece at the time, yet

The Male Identity at the Symposion The answer to the question why hetairai were allowed at the symposion and why women from the elite were not can be found when the theories of ancient historians Allison Glazebrook and Marek Wecowski are combined. Allison Glazebrook published a theory in 2012 in which she stated that the images of women on sympotic vase ware may have been comical representations of female stereotypes. On top of that, she believes that the women are portrayed in the position of the ‘other’, serving as a subject of discussion for the men attending the symposia.6 This notion fits exceptionally well with Marek Wecowski’s 2014 portrayal of the symposion as a competitive, yet binding occasion for the political elite of classical Athens.7 From Wecowski’s extensive study it becomes clear that the symposion was all about the elite male identity. On the one hand, the symposia was without a doubt a type of transcendent entertainment, where the attendees were expected to give in to the pleasures of the celebration and let their restraints go a little. At the same time, it was also a feast that revolved around proving one’s male identity: exemplified by self-control and abstinence from excess. During the symposion, the men centralised these values of their sex by contrasting themselves to the ‘other’, the kind of people who were unlike them, such as foreigners and people from other city states. But also, unmistakeably, women.8 Images of men breaking the rules of manliness, such as depictions of drunk symposiasts who need to throw up (see image 3), might have supported conversations that were being held. The images could have been used for jokes or as inspiration for a speech, pointing at the picture that must remind everyone to not become drunk. The images of women gulping from large vases (image 4) served the same goal then, warning the attendees that they would be ‘like women’ when they would not drink modestly.

Image 3: A male attendant is being assisted by a young boy whilst throwing up. Red-figure kylix from the Brygos Painter, ca. 500-470 BCE, National Museum of Denmark


14

In a similar way, I believe the pictures of naked and sexually active prostitutes may have served that goal too. They provide a reminder of self-control to the guests, urging them to not commit the acts depicted on the vases. The hetairai provided the symposiasts with all kinds of luring entertainment: sensual dance, music and acrobatics – which may also have augmented the notion that the possibility of sex was always on the table.9 With the possibility that they were nude and had something to drink as well, they may have actively promoted that idea too, or even tried to persuade symposiasts to get physical. However, the men were not supposed to do it in my opinion. Unlike women and foreigners, real men would simply not give in to those desires, no matter how much they had had to drink or how great their desire might have been. Conclusion The women of the elite had no reason attending symposia, because it was simply not meant for them. The feast was all about men and their gender identity.The ideas on the nature of women and the depictions of it served to strengthened the image of men. This aspect of the symposion would have been weakened with married women there too.The hetairai do seem to be the only women who were allowed at the symposion. This was because they were used as a tool. Their sensuality posed a test for the symposiasts: despite the option of having sex with these women, the men had to refrain themselves from it – but with so much wine flowing about, surely this happened sometimes.

References 1 Davidson, J. (1998). Courtesans and fishcakes.The consuming passions of classical Athens. London: Fontana Press, pp. 73-108. 2 Xenophon, Symposium (Trans. 1979) 2.1-2.11. 3 Lynch, K.M. (2011). The symposion in context. Pottery from a late archaic house near the Athenian agora. Princeton, NJ: The American School of Classical Studies at Athens, pp. 75-105; Nevett, L.C. (2010). Domestic space in classical antiquity. Cambridge: Cambridge University Press, pp. 56-57. 4 Blazeby, C.K. (2011). Woman + wine = prostitute in classical Athens? In: A. Glazebrook & M.N. Henry (eds.), Greek prostitutes in the ancient Mediterranean, 800 BCE – 200 CE. pp. 86105. 5 Glazebrook, A. (2012). Prostitutes, plonk, and play. Female banqueters on a red-figure psykter from the Hermitage. Classical World. 105 (4). pp. 497-524, pp. 497, 501. 6 Ibidem. 7 Wecowski, M. (2014). The rise of the Greek aristocratic banquet. Oxford: Oxford University Press, pp. 19-124. 8 Ibidem. 9 Davidson, J. (1998) pp. p. 73-108.

Image 4: A woman drinking from a large cup. Redfigure skyphos, ca. 470-460 BCE, The J. Paul Getty Museum.


15 Myrthe Bleeker

‘Met vertrouwen bouw 1 ik op de toekomst’

Archiefonderzoek naar de Joodse gemeenschap in de Maatschappij van Weldadigheid tussen 1838 en 1850 Gezicht op Willemsoord Waar te beginnen met het schrijven van een scriptie? Dat is misschien wel de lastigste vraag die tijdens het gehele scriptieproces beantwoordt moet worden. Een belangrijk uitgangspunt is voor veel studenten dat het een onderwerp moet zijn waar je enthousiast van wordt en een onderwerp dat meteen vragen bij je oproept. Voor mij persoonlijk kwamen de vragen door een klein zinnetje in een tabel van het Nederlandse nominatiedossier van de Maatschappij van Weldadigheid, specifieker kan bijna niet. Middels dit dossier willen de Nederland en België de Maatschappij van Weldadigheid op de UNESCO werelderfgoedlijst krijgen. Het kleine zinnetje in die tabel bevatte informatie over een Joodse begraafplaats. Dat duidde op Joodse aanwezigheid in deze Maatschappij van Weldadigheid, wat de aanleiding werd voor het onderzoek. Door middel van archiefonderzoek hoopte ik meer inzicht te krijgen in de Joodse gemeenschap in termen van haar omvang, het demografische profiel en daar waar ze mee worstelde in de Maatschappij van Weldadigheid. Hiervoor gebruikte ik een archief dat weinig was gebruikt voor onderzoek naar de Maatschappij van Weldadigheid dat nu ondergebracht is in het Nationaal Archief in Den Haag. Doordat de correspondentie vanuit de Maatschappij van Weldadigheid onderzocht kon worden met de daarbij

behorende informatie over de kolonisten, konden nieuwe inzichten worden vergaard. In dit artikel komen aan bod de belangrijkste resultaten ik over de Joodse gemeenschap heb verzameld en hoe dat heeft bijgedragen aan het complete verhaal van mijn bachelorscriptie. Maar wat was die Maatschappij van Weldadigheid en wat was de achtergrond waarin zij ontstond? Het eind van de achttiende en begin van de negentiende eeuw markeerden een turbulente periode. Na het kortstondige bestaan van de Bataafse Republiek werd Nederland een koninkrijk met Lodewijk Napoleon op de troon en kwam het land een tijdje onder bewind van Frankrijk. Deze periode leidde tot een groot armoedeprobleem. Een groeiend aantal Nederlanders kon niet meer zelf rondkomen en werd afhankelijk van de kerkelijke bedeling.2 Met de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid in 1818 wilde generaal Johannes van den Bosch (1780-1844) daar door middel van een grootschalig en revolutionair plan een einde aan maken. Hierbij werden ‘paupers’ uit de grote steden naar onontgonnen gebieden gestuurd om daar opgeleid te worden tot deugdzame burgers. De uitvoering verliep snel en resulteerde uiteindelijk in zeven zogenoemde koloniën.3 In het jaar van oprichting arriveerden de eerste kolonisten in proefkolonie Frederiksoord.


16

Kaart met de bezittingen van de Maatschappij van Weldadigheid Ontwikkeling van de Joodse gemeenschap Opvallend aan de eerste groep kolonisten waren de twee Joodse gezinnen Hofien en Cohen uit Amsterdam, met respectievelijk zeven en acht leden.4 Zij vormden het ontstaan van een unieke groep kolonisten. Deze twee gezinnen in Frederiksoord gaven het startsein voor de komst van meer arme Joden naar de koloniën. In eerste instantie gaf de Hoofdcommissie tot de Zaken der Israëlieten, die het centrale Joodse bestuur vormde in de negentiende eeuw, de Joodse gemeenschap in het nabijgelegen Steenwijk opdracht om zorg te dragen voor de religieuze behoeften van de kolonisten. De proefkolonie was namelijk niet ingericht om hierin te voorzien. De Joodse kolonisten kregen de mogelijkheid om diensten in de synagoge bij te wonen, het religieuze bad te gebruiken, Pesach te vieren en hun overledenen op de Joodse begraafplaats te begraven.5 Helaas kon Steenwijk niet voldoen in de behoefte van het faciliteren van religieus onderwijs aan de kolonistenkinderen uit Frederiksoord en later ook in de nabijgelegen kolonie Willemsoord. Om in de koloniën de faciliteiten te kunnen bieden werd in 1835 besloten om een gebouw in te richten waar tijdelijk, onder leiding van de kolonist Joseph Nord, synagogediensten georganiseerd konden worden.6 Een jaar later werd begonnen met de bouw van een permanente synagoge, school en badhuis in Willemsoord waarbij werd besloten om voor de verschillende werkzaamheden een godsdienstonderwijzer aan te stellen. Hij zou verantwoordelijk worden voor het preken in de synagoge, het geven van onderwijs en het ritueel slachten. Deze godsdienstonderwijzer werd gevonden in de persoon van Nehemia Jacobson, die met zijn vrouw en twee kinderen in 1838 vanuit Zaltbommel naar Willemsoord verhuisde.7 Naast een Joodse gemeenschap in de vrije koloniën Frederiksoord en Willemsoord, ontstond in de onvrije kolonie Veenhuizen ook een Joodse gemeenschap. Deze onvrije kolonie was opgezet om wezen, landlopers en bedelaars op te vangen in gebouwen waar weinig bewegingsvrijheid mogelijk was. Na de voltooiing van de bouw van Veenhuizen

Grafiek 1, bron: Nationaal Archief te Den Haag, Hoofdcommissie tot de Zaken der Israëliten (2.07.01.05), staten vanuit Willemsoord en Veenhuizen in de periode 1840-1850.

in 1825 werden de eerste kolonisten geplaatst. Het moment dat de eerste Joodse kolonisten naar deze onvrije kolonie werden gestuurd is niet duidelijk. Wel is bekend dat in 1839 werd gestart met het inrichten van een gebouw dat kon dienen als synagoge. Daarbij werd in hetzelfde jaar een godsdienstonderwijzer aangesteld. De heer Isaak Nathan Nieuwied kwam in 1839 vanuit Amsterdam met zijn vrouw en twee kinderen om dezelfde taken uit te gaan voeren als Jacobson in Willemsoord.8 De aanstellingen van beide godsdienstonderwijzers vormden tevens het begin van de correspondentie tussen de koloniën en de Hoofdcommissie in Den Haag. Zo ontvingen Jacobson en Nieuwied in oktober 1839 een brief met het verzoek om per gemeente elke maand de staat ‘van het geen binnen derselve kerkelijke voorvallen is’ op te sturen naar de Hoofdcommissie.9 Zowel Jacobson als Nieuwied antwoordden een maand later dat zij aan dit verzoek zouden voldoen. Vanaf begin 1840 werd door beide godsdienstonderwijzers maandelijks een staat opgestuurd naar Den Haag. Op de voorgedrukte staten,


17 Myrthe Bleeker

De verandering staat van Veenhuizen, januari 1843 de veranderingen op die staten had uitgeschreven. Hierbij vermeldde hij onder andere de geboortedatum en herkomst van de kolonist. Voor de kolonisten in Frederiksoord en Willemsoord is dit minder bekend doordat Jacobson deze informatie niet bijvoegde. Hier kan enkel informatie gehaald worden uit de maandelijkse staten.

die vanuit de Hoofdcommissie werden geleverd, moesten zaken opgenomen worden zoals het aantal individuen, huisgezinnen en leerplichtigen evenals welke veranderingen in de gemeente tot stand kwamen door geboortes, overlijdens, aankomsten en vertrekken. Door het verzamelen van al deze staten en het uitwerken van de gegevens is een goed overzicht te genereren van het totale aantal Joodse kolonisten in zowel de onvrije kolonie Veenhuizen als de vrije kolonie Willemsoord. Jacobson woonde en werkte voornamelijk in Willemsoord maar was ook verantwoordelijk voor de Joodse kolonisten in Frederiksoord, waarvan de cijfers ook opgenomen werden in de opgestuurde staten. Over de periode 1840-1850 is voor de koloniën een verschillende ontwikkeling te zien.10 Waar Veenhuizen een grote groei doormaakte bleef het aantal Joodse kolonisten in Willemsoord over diezelfde periode nagenoeg gelijk. Mogelijk kwam dat door de grotere gemeenschap die op dat moment al bestond in Willemsoord of door het verschillende karakter van de koloniën wat invloed gehad kan hebben gehad op het aantal Joodse kolonisten. Zo was Willemsoord voornamelijk ingericht voor gezinnen terwijl er in Veenhuizen veelal individuen werden geplaatst. Profiel van de Joodse kolonisten Naast de exacte cijfers over het aantal Joodse kolonisten kan aan de hand van archiefonderzoek ook een demografisch profiel opgesteld worden. Uit de opgestuurde staten wordt dat niet meteen duidelijk omdat verschillende verhoudingen niet gespecificeerd worden. Zo gingen beide godsdienstonderwijzers niet in op de hoe de verdelingen jong – oud, Portugees (Sefardisch) – Hoogduits (Asjkenazisch) en stad – platteland waren. Vanuit Veenhuizen is meer informatie bekend doordat Nieuwied naast de voorgedrukte staten ook

De Joodse begraaafplaats in Willemsoord

Voor de verhouding jong – oud geldt dat het aantal jongeren in zowel Veenhuizen als Willemsoord waarschijnlijk hoger zal hebben gelegen dan het aantal ouderen. Zo blijkt uit de staten dat het aantal leerplichtigen in Willemsoord ongeveer de helft van de gehele gemeenschap bedroeg. Overdag gingen de jongere kinderen, tussen de 6 en 12 jaar, naar school en naarmate ze ouder werden gingen ze overdag werken om ’s middags of ’s avonds naar school te gaan.11 Het aantal leerplichtigen in Veenhuizen schommelde meer dan in Willemsoord en besloeg een kleiner deel van de gemeenschap. Er werden naar verhouding minder gezinnen naar Veenhuizen gestuurd. Zo varieerde in de periode 1840-1850 het aantal huisgezinnen in Veenhuizen van 4 tot 9, terwijl het aantal in Willemsoord schommelde tussen 14 en 22. Een tweede verhouding waar niet over werd gesproken in de staten of de veranderingen in staten is de verhouding tussen het aantal Sefardische (of Portugese) tegenover het aantal Asjkenazische (of Hoogduitse) Joden in de twee gemeenschappen. Voor de gehele Joodse gemeenschap in Nederland gold dat vooral de Asjkenazische tak, afkomstig uit Duitsland en Polen, in de negentiende eeuw heel arm was maar in Willemsoord en Veenhuizen werd daar geen onderscheid gemaakt of werd het van klein belang geacht. Van de staten van Willemsoord die opgestuurd werden tussen 1840 en 1850 wordt maar in één staat gesproken over ‘een huisgezin behorende tot de Portugeese Israë[litische] gemeente te Amsterdam’.12 Aan de achternamen van de andere Joodse kolonisten in Willemsoord wordt duidelijk dat zij in de periode 1840-1850 het enige gezin waren met


18

een Sefardische achtergrond. Ondanks dat Nieuwied in de veranderingen van de staten geen onderscheid heeft gemaakt tussen Asjkenazische en Sefardische Joden, kan aan de hand van de achternamen afgeleid worden welke kolonisten van Hoogduitse of Portugese afkomst waren. Kolonisten met namen als Mozes Lopes Dias, Nathan Espunoza, Hanna Morpago en Jacob de Lara hadden bijvoorbeeld een Portugese achtergrond. Toch bestond de Joodse gemeenschap in de koloniën maar uit een klein deel Portugese Joden: hun aandeel lag waarschijnlijk rond de 5% van de hele Joodse gemeenschap in de koloniën. Een derde aspect van het Joodse profiel van de kolonisten in Veenhuizen valt tevens beter af te leiden uit de veranderingen in de staten van Nieuwied dan uit de staten van Jacobson. Uit deze veranderingen blijkt namelijk dat de kolonisten voornamelijk afkomstig waren uit grote steden zoals Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Met een staat die Nieuwied begin 1840 naar de Hoofcommissie stuurde, wordt het stedelijke profiel van de kolonisten bevestigd. Hieruit blijkt namelijk dat van de 34 nieuwe kolonisten die in die maand waren opgenomen één derde afkomstig was uit Amsterdam. De Amsterdamse kolonisten samen met de kolonisten afkomstig uit Den Haag en Rotterdam kwamen zelfs op 65% van het totaal aangekomen kolonisten.13 De overige kolonisten waren grotendeels afkomstig uit middelgrote steden zoals Utrecht, Leiden en Arnhem. Slot Het schetsen van een demografisch profiel en de aantallen Joodse kolonisten zeggen op zichzelf nog niet zoveel. Toch was het een perfecte basis voor deze bachelorscriptie omdat het een beeld geeft over wat voor gemeenschap we het hebben. Dit droeg bij aan het onderzoeken van waar de godsdienstonderwijzers mee worstelden. Het was naast een aardig omvangrijke, jonge, stedelijke en Asjkenazische groep ook een groep die zich opeens moest houden aan allerlei regels, hard moesten werken en zich moest gehoorzamen aan hun superieuren. De twee godsdienstonderwijzers hadden hier hun handen vol aan en stuurden met de staten regelmatig brieven aan de Hoofdcommissie met beschrijvingen van allerlei problemen in de koloniën. Aan de hand van dit archiefmateriaal werd de mogelijkheid gecreëerd om meer in te gaan op hoe de godsdienstonderwijzers omgingen met de moeilijkheden waar zij tegenaan liepen en hoe zij toch zo goed mogelijk hun taken konden uitoefenen met de beperkte middelen. De geschetste statistische gegevens vormden daarmee een opbouw om een zo compleet mogelijk verhaal te vertellen over deze bijzondere gemeenschap binnen de Maatschappij van Weldadigheid. Daarnaast laat dit alles ook zien dat een klein zinnetje daadwerkelijk kan uitmonden in een scriptie.

Voorgedrukte staat Willemsoord, november 1839

Verwijzingen 1 NA, HCie, inv. nr. 177, brief nr. 810, 12 augustus 1849. 2 K. Sonnenberg Stern, Emancipation and Poverty. The Askenazi Jews of Amsterdam, 1795-1850 (New York, 2000) 86-87. 3 K. de Clercq, et al., De Koloniën van Weldadigheid, een uitzonderlijk experiment (Assen, 2018) 10. 4 W. Schackmann, De Proefkolonie (Amsterdam, 2006) 3839. 5 I. Erdtsieck, ‘The Jewish Officials of Willemsaoord and Veenhuizen’, 1818-1890, Studia Rosenthaliana, 35 (2001) 1: 23-47 27-28. 6 G. Groen, Joden op de Pol 1820-1890 (Alphen a/d Rijn, 2012) 64. 7 Erdtsieck, ‘The Jewish Officials’ 33. 8 Erdtsieck, ‘The Jewish Officals’ 35. 9 Nationaal Archief te Den Haag (NA), Hoofdcommissie tot de zaken der Israëlieten (2.07.01.05), inv. nr. 107, brief nr. 1292, 30 oktober 1839. 10 Op bladzijde 72 van het boek Joden op de Pol (18201890) door Geert Groen is ook een overzicht te vinden van het verloop wat betreft de Joodse kolonisten in enkel Willemsoord. Hiervoor is het Drents Archief te Assen gebruikt en daarin is, voor de periode 1840-1850, een lager aantal kolonisten zichtbaar dan in de grafiek in dit onderzoek waar tevens de kolonisten uit Frederiksoord zijn opgenomen. 11 Kloosterhuis, De bevolking van de vrije koloniën 220. 12 NA, HCie, inv. nr. 183, brief nr. 829, 4 augustus 1850. 13 NA, HCie, inv. nr. 112, brief nr. 311, 1 maart 1840.


19 Amanda van Dord & Claire Majoor

Interview:

De begeleiders aan het woord: Erika Kuijpers en Edwina Hagen Erika Kuijpers Plannen blijkt keer op keer het grootste struikelblok voor studenten bij het schrijven van een scriptie, weet professor in de sociale geschiedenis Erika Kuijpers. Zij is sinds 2015 werkzaam bij de Vrije Universiteit in Amsterdam, waar ze voornamelijk college geeft over de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd in Nederland. Hiernaast doet Erika ook onderzoek naar de culturele en sociale geschiedenis van herinneringen, emoties en het maken van kronieken in het vroegmoderne Europa. Erika is duidelijk een academische duizendpoot die niet graag stilzit. Tijdens haar carrière heeft ze meerdere thesen moeten schrijven en sinds haar aantreden bij de VU is ze ook betrokken bij het begeleiden van scripties. Al deze ervaring maakt haar de juiste persoon om toekomstige scriptieschrijvers te adviseren.

Waar ging uw eigen scriptie over? ‘In mijn tijd bestond de bachelor zoals we die nu kennen nog niet. Voor het bestaan van de huidige bachelormasterstructuur spraken we van een doctoraalscriptie. Dit was de scriptie waarmee iemand een universitaire studie afrondde en de graad van doctorandus kreeg.’ Haar eerste scriptie schreef Erika dus pas bij haar afstuderen. ‘Die scriptie ging over onderwijs en alfabetisering in de vroegmoderne tijd. Om dit te onderzoeken keek ik naar het soort onderwijs dat scholen aanboden en voor welke doelgroep dit onderwijs bedoeld leek te zijn.’

Hoe kwam u op het onderwerp voor uw scriptie? ‘Tijdens mijn studie liep ik stage bij het universiteitsmuseum van de UvA. Tijdens deze stage heb ik geholpen bij het bedenken en het opzetten van een tentoonstelling die ging over het onderwijs in Amsterdam in de 17e eeuw. [...] Eigenlijk pastte het onderwerp van mijn scriptie helemaal niet bij mijn studierichting’, bekende Erika. Ze had haar studie namelijk ingericht op internationale relaties en ontwikkelingen. Iets wat haar destijds onwijs interesseerde. Hoe vond u het om uw scriptie te schrijven? ‘Heel moeilijk en zwaar’. Erika herinnert zich nog hoeveel moeite ze met het schrijven zelf had. ‘Ik blokkeerde mezelf met schrijven, omdat ik altijd dacht: dit kan nog beter’. Ze omschrijft zichzelf dan ook als een faalangstige en perfectionistische student.

Zitten er volgens u interessante scripties tussen vorig jaar? ‘Wat mij elk jaar weer verbaast is hoe verschillend elke scriptie is. Elke student heeft zo zijn eigen interesses en weet daar zijn eigen scriptie onderwerp in te vinden’. Studenten komen met onderwerpen waar Erika naar eigen zeggen zelf nooit op zou zijn gekomen. Erika vertelt ons over zo een student die een verrassend interessegebied had. ‘Het was zo leuk om te zien dat deze student haar interessegebied integreerde in elke paper die ze moest schrijven’. De student in kwestie had namelijk een specifiek en afwijkend interessegebied: mode. ‘Zo schreef ze een stuk over de emotionele betekenis van prenten die


20

op waaiers afgebeeld werden’. De student in kwestie heeft in nummer 4 jaar 49 van Codex Historiae ook een artikel gepubliceerd: Kleren maken de man: Nationaal kostuum tijdens de Franse Revolutie, 1789-1799.

die er hangt. De ‘peer pressure’ motiveert me en zorgt er ook voor dat ik minder snel wordt afgeleid. Het is namelijk ten strengste verboden om tijdens de sessie mijn grootste bron van afleiding te raadplegen: het internet.’

Wat zijn volgens u de grootste valkuilen voor studenten? ‘Ik stopte nooit met onderzoek doen. Daardoor kwam ik altijd in tijdnood als het om schrijven ging’. Erika zegt daar tot op de dag van vandaag last van te hebben. Het internet is haar grootste vriend, maar ook haar grootste vijand. Bij het zoeken van extra informatie of uitleg is ze snel afgeleid. Daardoor is er zo een uur voorbij waarin ze alleen het internet doorzocht heeft en er geen woord op papier is verschenen. ‘Noteer tijdens het schrijven dus wat je nog moet opzoeken en kijk daar een andere keer naar. Anders struin je voor je het weet het hele internet af.’

Een tweede hindernis voor studenten is vaak het vinden van een scriptieonderwerp. ‘Sluit niks uit en probeer ruimdenkend te blijven als het gaat om nieuwe onderwerpen waar je je nog niet in verdiept hebt.’ Erika beseft zich goed dat studenten tegenwoordig minder vrijheid hebben als het gaat om het indelen van hun studie.

Erika’s oneindige nieuwsgierigheid zorgde ervoor dat ze uiteindelijk onder grote tijdsdruk en met veel stress haar teksten heeft moeten schrijven. ‘Ik herken mezelf altijd in de student die niet goed met deadlines om kan gaan. Ik weet dat het normaal moet zijn dat studenten een goede planning maken, maar ik heb toch altijd veel bewondering voor de studenten die dit ook echt doen’. Een reële en concrete planning maken en je daar ook echt aan houden, is dus een must bij het schrijven van je scriptie volgens Erika.

“Ik weet dat het normaal moet zijn dat studenten een goede planning maken, maar ik heb toch altijd veel bewondering voor de studenten die dit ook echt doen.” Erika vertelt ook dat studenten vaak de neiging hebben om het vele leeswerk dat bij een scriptie komt kijken, te onderschatten. ‘Lezen is echt werk. Je zult veel tijd in bestuderen van bronnen moeten stoppen om je onderwerp goed te begrijpen’ Hierbij is het volgens Erika essentieel om tot de kern van een tekst te komen: hoe heeft de schrijver dit onderzocht en uit welke visie is het onderwerp benaderd? ‘Het is belangrijk dat je in staat bent om hier vervolgens kritisch op te reflecteren.’ Heeft u nog andere tips voor studenten? Erika raadt toekomstige scriptieschrijvers dus vooral aan om tijdnood te voorkomen. ‘Ik weet zelf als geen ander hoe moeilijk dat is, maar er bestaan gelukkig wel trucjes voor.’ vertelt Erika. Zo organiseert een collega op de VU regelmatig een zogenaamde ‘shut up and write’ sessie. Bij deze sessies is het de bedoeling dat er steeds 2 uur lang in stilte geschreven wordt. Deze stiltes worden alleen onderbroken door een paar welverdiende koffiepauzes tussendoor. ‘Ik heb veel baat bij de geconcentreerde sfeer

‘In mijn tijd kon je nog eeuwig studeren en had je alle ruimte om extra vakken en projecten te doen naast je studie.’ Erika heeft deze vrijheid dan ook met beide handen aangegrepen. Zo vertelde ze over een project waar ze aan gewerkt heeft in het buitenland. ‘Ik ben een half jaar naar Mexico gegaan om daar onderzoek te doen naar de koloniale periode. Daar heb ik zoveel materiaal verzameld dat ik er een boek over had kunnen schrijven’. Het onderzoek heeft Erika daarentegen nooit afgemaakt. ‘Ik heb het materiaal naast me neergelegd en gedacht: daar doe ik ooit nog wel iets mee. Maar daar is het nooit van gekomen’. Hoe eerder je over je scriptie onderwerp na gaat denken hoe beter, vindt Erika.‘De vakken die je volgt tijdens je studie kunnen hiervoor als goede inspiratiebron dienen. Doordat je met veel verschillende onderwerpen in aanraking komt, heb je de mogelijkheid om op je gemak te ontdekken waar jouw interesse precies ligt.’ Om je eigen interessegebied te vinden kun je meer doen. Je kan je bijvoorbeeld afvragen met wat voor bronnen je wil leren of wil kunnen werken. Ook vertelt Erika dat stages een perfecte plek kunnen zijn om inspiratie op te doen. ‘Naast het feit dat je hier makkelijk ideeën kunt opdoen, zorgt het er ook voor dat de geleerde stof concreet voor je wordt.’ Verder ziet Erika het schrijven van een scriptie als een oefening van de vaardigheden die je geleerd hebt. ‘Het onderwerp maakt daarvoor niet uit, maar je scriptie doen over iets wat je interessant vindt helpt’. Door de beperkte vrijheid die studenten tegenwoordig hebben kan het moeilijker zijn om naast je studie stage te lopen. Daarom ziet Erika dat een minor ook een goede kans is om je te verdiepen in een onderwerp dat je interesseert.


21 Amanda van Dord & Claire Majoor

Edwina Hagen Edwina Hagen is Assistant Professor in politieke en culturele geschiedenis, evenals de bachelor coördinator van de opleiding. Ze is gespecialiseerd in Europese geschiedenis. revoluties, staat- en natievorming, emotiegeschiedenis en publieke geschiedenis. Op dit moment is ze hard bezig met haar onderzoek naar journalistiek in het (vroeg)moderne Nederlands parlement en karaktermoord. Ook zij heeft zich bewezen als kundig academica en deelt haar kennis en ervaring met toekomstige scriptieschrijvers. Waar ging uw scriptie destijds over? ‘De scriptie (zo’n 80 pagina’s) ging over een Nederlandse ‘parlementair journaliste’ uit de achttiende eeuw. Ze heette Petronella Moens. Ik onderzocht vrijwel haar gehele haar oeuvre, en analyseerde haar opvattingen over vrouwen en politiek.’ Edwina kreeg voor deze scriptie een negen en een aanbod voor een onderzoekspositie aan de UvA, die ze heeft aangenomen. Wat voor scripties vindt u het leukst om te begeleiden? ‘Als docent vind ik het begeleiden van studenten bij hun scriptiefase sowieso de meest inspirerende krent uit de pap van alle onderwijstaken (net als trouwens het begeleiden van proefschriften). Het is voor ons altijd weer spannend om te zien of wat wij iemand tijdens de opleiding hebben proberen te leren er in de slotfase ook uitkomt. En ook hoe creatief en inventief iemand is. Of wat hij of zij in het archief opduikelt. Het onderwerp doet er dan eigenlijk niet eens zo heel veel toe, al helpt het als het op onze kennis en expertise aansluit, in mijn geval Nederlandse (politiekculturele) geschiedenis van de laat achttiende eeuw. Voor mij is deze periode een onuitputtelijke bron van intrigerende mensen en verhalen. De revolutie bracht ons bevrijding van het keurslijf van onze sociale en religieuze afkomst. Wat mij intrigeert: als die vrijheid eenmaal bereikt is, wat doen mensen daar dan mee? In praktische, maar ook in morele zin? Dat is ook nu weer een actuele vraag. Mijn scriptanten werken vaak aan persoonlijke geschiedenissen van politieke figuren, waarbij ik ze stimuleer ook te kijken naar egodocumentair en (pers)materiaal.’

“Het is voor ons altijd weer spannend om te zien of wat wij iemand tijdens de opleiding hebben proberen te leren er in de slotfase ook uitkomt.”

Wat vindt u over het algemeen van het niveau van de scripties die u heeft begeleid? ‘Ik vind dat studenten nog steeds even goed zijn, en in sommige dingen zelfs beter (presenteren van hun onderzoek bv). Ze zijn anders gevormd dan mijn generatie, dat wel. Veel minder tekstgericht, sneller, meer doel- en resultaatgericht (als ik generaliseer). Mijn studiegenoten en ik sloten ons er destijds echt maanden voor op, met de gordijnen dicht. Dat geduld (en de tijd) hebben jonge mensen nu veel minder. Toch zou dat wel moeten, want historisch onderzoek vereist een hoge vorm van langdurig volgehouden concentratie.’

Wat is voor studenten de grootste valkuil in het schrijven van hun scriptie? Herkent u dit in uw eigen scriptie destijds? ‘Bronnenkritiek is en blijft belangrijk, ook bij digitale beschikbaarheid. Ik moest nog voor alles naar het archief, al was dat in Groningen of Brabant. Wachten in de rij op traag sloffende archivarissen. Dat hoeft niet meer (zo vaak). Maar een valkuil is nu dat informatie op internet onvoldoende kritisch wordt benaderd en relevante boeken in de bibliotheek op de plank blijven liggen. Ook het belang van een goede historiografische inleiding wordt nogal eens onderschat, terwijl dat de ruggengraat van de scriptie is.’

Welke tips zou u toekomstige scriptieschrijvers nog willen meegeven? ‘Zoek een onderwerp dat je echt interesseert en probeer het als een interessante intellectuele uitdaging te zien. Schrijf niet alles zo snel mogelijk op en denk dan dat je klaar bent. Gun jezelf de tijd voor de ‘eindfase’. Dan begint het pas. Dan kun je na gaan nadenken over alle nog te leggen dwarsverbanden. Mijn vroegere professor en leermeester zei altijd: je moet proberen de theorie met de empirie te laten ‘praten’. Aan het eind moet je weer terugschakelen naar de historiografie. Dan kun je pas echt laten zien wat de toegevoegde waarde is van jouw onderzoek ten opzichte van wat anderen er al over hadden geschreven. Werk zo hard mogelijk aan je eindscriptie en maak er een mooi project van.’


22

CODEX Historiae zoekt Redacteuren - Gastschrijvers Editors - Guest writers 9/10 hoogleraren raden aan iets te publiceren in CODEX!* 9/10 professors recommend publishing in CODEX!*

Heb jij affiniteit met geschiedenis en houd je van schrijven? Dan zijn wij op zoek naar jou! Stuur een mailtje met daarin een korte motivatie en je cv naar info@codexhistoriae.nl en wie weet zie je jouw naam in ons nieuwe nummer verschijnen. Wil je liever eenmalig iets publiceren? Dat kan ook! Regelmatig worden er artikelen gepubliceerd door studenten die een essay, paper of scriptie bewerkt hebben. Zo zijn er in dit nummer een essay en een boekreview verschenen. Je mag natuurlijk ook iets geheel nieuws schrijven als dat je meer aanspreekt! Heb je interesse? Stuur dan een mail naar info@codexhistoriae.nl met jouw (idee voor een) artikel en wie weet zie je het terug in het volgende nummer van CODEX Historiae!

Are you interested in history and do you love writing? Then we’re looking for you! Send a mail with a brief motivation and your CV to info@codexhistoriae.nl and perhaps you’ll see your name in our next issue! Would you rather publish something just once? You can do that too! CODEX regularly publishes articles by students based on edited versions of their essays, papers or theses. An essay and a book review appeared in this issue. You can also write something completely new if you prefer! Are you interested? Then you can send an email to info@codexhistoriae.nl with your (idea for an) article and perhaps your article will appear in the next issue of CODEX Historiae!

*Statistiek niet wetenschappelijk bewezen, maar het klopt wel! *Statistic is not scientifically proven, but it is true!


23 Laura Brinkhorst

Goed bloed kan niet liegen: ‘het schwart graöfke’ Over de rechterlijke vervolging van NSB-er Maximiliaan graaf de Marchant et d’Ansembourg Op twintig oktober 1945 werd Maximiliaan graaf de Marchant et d’Ansembourg, ook wel het ‘schwart graöfke’ genoemd, volgens het Besluit Vijandelijk Vermogen tot vijandelijk onderdaan verklaard. Voor de voormalige NSB-politicus betekende dit dat zijn kasteel Amstenrade onder beheer kwam van het zogenaamde Nederlands Beheersinstituut. Bovendien kreeg de graaf een gevangenisstraf van vijftien jaar. Nog geen twee jaar later werd kasteel Amstenrade echter aan hem teruggegeven en mocht hij zijn straf daar uitzitten. Hoe kon het dat een man die eerst als ‘fout’ werd bestempeld al kort na de oorlog zo coulant behandeld werd? Bijzondere Rechtspleging Toen het einde van de oorlog naderde, begon de Nederlandse overheid in ballingschap in Londen plannen te maken voor na de bezetting. Een belangrijk thema was wat er gedaan moest worden met Nederlandse burgers die hadden samengewerkt met de Duitsers. Volgens de vooroorlogse wetgeving was het niet mogelijk om iemand op grond van bijvoorbeeld NSB-lidmaatschap te vervolgen. Toch was de roep om bestraffing vanuit de samenleving groot. Voor de berechting van politieke delinquenten was dus een nieuw rechtsstelsel nodig en in 1944 kwamen hiervoor de eerste wetsbesluiten.1 Een daarvan was het Besluit Vijandelijk vermogen. Dit besluit had een duidelijk doel: het in beheer nemen van vijandelijke vermogens moest dienen als herstelbetaling aan de Nederlandse staat.2 De beambten van het NBI hadden vergaande bevoegdheden om vermogens op te sporen, te taxeren en in beslag te nemen.3 Maar wanneer was iemand nu precies een ‘vijandelijk onderdaan’ en wat was nu precies ‘vijandelijk vermogen’?

Het ‘schwart graöfke’: Maximiliaan Victor Eugène Hubertus Joseph Marie, graaf de Marchant et d’Ansembourg

Volgens het wetsbesluit werd iedere onderdaan van een staat die met Nederland in oorlog was geweest, bestempeld als ‘vijandelijk onderdaan’. Dit betrof dus Duitsers, Italianen, Oostenrijkers en Japanners. Zij werden wegens hun nationaliteit automatisch tot vijandelijk onderdaan verklaard en hun vermogen werd automatisch onder beheer gesteld. Nederlandse politieke delinquenten werden ook aangemerkt als ‘vijandelijk onderdaan’. Dit had tot gevolg dat zij geen uitkering of werkvergunning konden krijgen en vaak (tijdelijk) geen kiesrecht hadden. Hoewel beide categorieën als ‘vijandelijke onderdanen’ werden gezien, was er een verschil tussen de beheersprocedures van Nederlanders en buitenlanders. Het vermogen van Duitsers, Oostenrijkers, Japanners en Italianen werd geliquideerd en kwam ten goede aan de Nederlandse schatkist. Deze mensen konden hun vermogen, als het eenmaal onder beheer was gesteld, maar moeilijk terugkrijgen. Wat betreft Nederlandse politieke delinquenten ging men ervan uit dat zij tijdens de


24

bezetting hun vermogen hadden vergroot met collaboratie, bijvoorbeeld door carrière te maken bij de NSB. 4 Het vermogen van Nederlandse politieke delinquenten werd alleen in beheer genomen en niet meteen geliquideerd. Het was mogelijk voor veroordeelde NSB’ers om na hun straf het vermogen, of een deel daarvan, terug te krijgen.5 Om dit te bewerkstelligen had een verzoeker een zogenaamde ‘ontvijandingsverklaring’ nodig. Hiervoor moest de verzoeker een ontvijandingsverzoek indienen bij het NBI. In de regel moest een verzoeker zelf positieve verzetsdaden en inzet voor de geallieerde zaak aantonen en was hij schuldig tot het tegendeel door hemzelf bewezen was.6 Het ‘schwart graöfke’ Hoofdpersoon in dit verhaal is Graaf Maximiliaan de Marchant et d’Ansembourg (1894-1975). Graaf d’Ansembourg kwam uit een Nederlands adellijk katholiek nest. Na het doorlopen van het Duitse gymnasium studeerde hij een jaar rechten in Münster. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) nam hij vrijwillig dienst in het Duitse leger en werd Eerste Luitenant. Voor zijn getoonde moed ontving hij het IJzeren Kruis. In 1925 volgde hij zijn vader op als burgermeester van Amstenrade en was hij daarnaast van 1926 tot 1930 voor de RKSP lid van de Provinciale Staten van Limburg.7 In 1933 sloot graaf d’Ansembourg zich aan bij de NSB. Naar eigen zeggen omdat hij het democratische systeem irrationeel vond en voor een sterkere staat was.8 Hij was een actief lid en schreef mee aan de partijprogramma’s.9 Vanwege het ambtenarenverbod voor NSB’ers van 1934 moest hij zijn burgermeesterschap neerleggen en bekleedde hij daarna diverse ambten binnen de NSB zoals Kringleider en Gewestelijk Leider van Limburg. Na de Provinciale Statenverkiezingen van 1935 nam hij namens de NSB zitting in de Eerste Kamer, totdat in 1937 de NSB vier zetels in het parlement bemachtigde en hij de overstap maakte naar de Tweede Kamer. D’Ansembourg stond bekend als beminnelijk, prettig en joviaal. Mussert vond de invloedrijke edelman een belangrijke aanwinst; d’Ansembourg zou de katholieken voor zijn beweging moeten gaan winnen.10 Tijdens de bezetting was hij Commissaris van Limburg, in essentie de provinciebestuurder onder het Duitse gezag. In deze hoedanigheid gaf hij het nationaalsocialisme in Limburg vorm en zorgde dat de anti-Joodse maatregelen werden uitgevoerd.11

Op negenentwintig april 1945 werd d’Ansembourg in Duitsland door Stoottroepen op kasteel Herdingen van zijn schoonfamilie opgepakt en naar het interneringskamp in Maastricht gebracht.12 Tijdens zijn eerste verhoor stelde hij voorop dat hij nationaalsocialist was zoals de NSB het bedoeld had en zich niet identificeerde met de Duitse versie. Hij verklaarde dat de NSB in de samenwerking met de Duitsers te ver was gegaan ten aanzien van bijvoorbeeld de joodse leden. Dit is opmerkelijk, aangezien graaf d’Ansembourg zich eerder meerdere malen antisemitisch had uitgelaten. Zo verzette hij zich in de kamer fel tegen de naturalisatie van uit Duitsland gevluchte joden tot Nederlander. Hij achtte destijds een overheersing van het joodse element niet wenselijk: ‘Een volkomen vrije samenleving van alle rassen staan wij toch ook niet voor, want ook wij zullen toch steeds de voorkeur geven aan de Nederlandse Ariër boven een Nederlandse Jood of Javaan.’13 Over zijn periode als Commissaris van Limburg zijn door de aanklagers meerdere pro-nationaalsocialistische acties aangetoond. Zo richtte hij eind 1940 een ‘Burgermeesterskring’ op om de nieuwe NSBburgemeesters uit Limburg op te leiden. Dit was volgens hem nodig, omdat veel nieuwbenoemde NSBburgermeesters de benodigde bekwaamheid en routine nog misten.14 Tevens is er de politiekwestie uit 1943 waarbij hij in een brief aan de Adviescommissie van Bestuurszaken van de NSB schreef dat het korps in Limburg politiek niet betrouwbaar moest worden geacht en het wellicht beter zou zijn om ‘Kameraden die aan het Oostfront vechten in de politie te zetten’.15 Verder liep graaf d’Ansembourg graag in NSB-uniform en vond de landdag van de NSB in 1941 plaats op kasteel Amstenrade.16 Ook heeft hij in 1936 samen met Mussert de landdag van de NSDAP bezocht, waar hij onder andere aan Adolf Hitler en Hermann Göring werd voorgesteld.17 De uitspraak Op 13 Mei 1946 werd door de Limburgse Kamer van het Bijzonder Gerechtshof uitspraak gedaan in de zaak tegen graaf d’Ansembourg. Hij werd beschuldigd van het ‘grovelijk misbruiken van zijner functie van Commissaris der Provincie Limburg ten voordeele van den Vijand’, ‘het houden van nationaalsocialistische, pro-Duits georiënteerde redevoeringen’, ‘twee gevallen van verraad aan Duitse instanties’ en ‘het afbreuk doen aan den strijd van verzet der Roomsch-Katholieke geestelijkheid’.18 Het Bijzonder Gerechtshof oordeelde uiteindelijk dat d’Ansembourg gestreefd en gehandeld had naar een samenwerking met de vijand terwijl hij de leidende functie van Commissaris der Provincie Limburg bij de NSB bekleedde. Hierdoor werd aan zijn woord en daad autoriteit

Kasteel Amstenrade, het kasteel van Graaf d’Ansembourg


25 Laura Brinkhorst

Anton Mussert (rechts) bezoekt Limburg. Graaf d’Ansembourg schudt zijn hand. verleend. Het hof had echter niet de indruk dat hij scheppend werk had verricht en vooral uitvoerde wat hem werd opgedragen. Met andere woorden: de graaf had dan wel een hoge positie bekleed en actief gecollaboreerd, maar hij had bij de bezetter niet bijster veel invloed gehad.19 De geëiste doodstraf werd dan ook niet opgelegd, maar hij werd wel veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf en ontzetting uit de kiesrechten voor de duur van het leven.20 We weten dat graaf d’Ansembourg zijn straf mocht uitzitten op Kasteel Amstenrade, maar in zijn strafdossier zijn geen documenten aanwezig die hiervoor toestemming geven. Men krijgt de indruk dat de afwikkeling van de strafzaak achter de schermen heeft plaatsgevonden.21 Interessant in dit verband is dat NSB-kopstukken streng gestraft werden, maar er daarna in de politiek al snel gesproken werd over ‘barmhartigheidspolitiek’. De Katholieke Volkspartij nam hierin het voortouw in en achtte het noodzakelijk dat oud-collaborateurs zo spoedig mogelijk terugkeerden in de samenleving en een nieuw leven opbouwden binnen de eigen zuil.22 Leidende figuren binnen de NSB, waaronder graaf d’Ansembourg, werden dan wel zwaar aangepakt, maar werden vaak eerder in vrijheid werden gesteld. Zo kwam graaf d’Ansembourg in 1954, na ongeveer de helft van zijn straf te hebben uitgezeten, vrij.23 NBI proces Het strafrechtelijke proces wat hierboven beschreven is, moet los worden gezien van het NBI-proces. Bij NBIprocessen ging het in feite om twee zaken: of iemand een vijandelijk onderdaan was en of zijn vermogen in beheer moest worden genomen. Graaf d’Ansembourg werd volgens het Besluit Vijandelijk Vermogen aangemerkt als vijandelijk onderdaan, omdat hij tijdens de bezetting beambte was geweest in dienst van de bezetter. Gevolg hiervan was dat d’Ansemourg het beheer over zijn vermogen, inclusief kasteel Amstenrade verloor.24 Vijandelijk onderdaan was je totdat het Beheersinstituut een ontvijandingsverzoek goedkeurde. Wat graaf d’Ansembourg in dit opzicht interessant maakt, is dat in zijn dossier geen ontvijandingsformulieren zijn aangetroffen. Het is dus goed mogelijk dat hij op een andere manier ontvijand is. Een aanwijzing hiervoor is te vinden in het archief van het hoofdkantoor van het NBI. Op drieëntwintig mei 1949 werd een besluit uitgevaardigd waarin werd bepaald dat personen die, zoals d’Ansembourg, beambte waren geweest in dienst van de bezetter, niet langer vijandelijk onderdaan waren.25 Dit had te maken met de enorme hoeveelheid dossiers die het NBI moest behandelen, wat ondoenlijk was geworden.26

De kwestie of het vermogen van graaf d’Ansembourg geliquideerd moest worden of niet, bleek een lastige te zijn voor het Beheersinstituut. In eerste instantie werd namelijk aangenomen dat graaf d’Ansembourg vanwege zijn dienst in het Duitse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog de Nederlandse nationaliteit verloren had en dus behandeld moest worden als Duitser. Dit zou betekenen dat het NBI zijn vermogen, inclusief het kasteel, had kunnen afpakken. Pas toen men Duitse instanties om inlichtingen vroeg, bleek dat de familie de Duitse nationaliteit in 1935 wegens naturalisatie verloren had. Kasteel Amstenrade was gered.27 Katholieke invloed Documenten die verklaren waarom de graaf zijn straf op kasteel Amstenrade mocht uitzitten, zijn er niet. Aanwijzingen bestaan daarentegen wel. Zo moet de invloed van de adel bijvoorbeeld niet onderschat worden. De adellijke gemeenschap was, zeker in Limburg, een hechte gemeenschap. Van oudsher hadden de geestelijkheid en de adel in Limburg veel macht.28 Graaf d’Ansembourg kwam uit een bestuurders- en ondernemersgeslacht. De familie behoorde tot de adellijke grootgrondbezitters van Limburg; ze bezaten zeven kastelen in de provincie.29 Opmerkelijk is dat graaf d’Ansembourg de enige NSB’er in zijn familie was. Het is dus goed mogelijk dat de familie zich heeft ingespannen om hem uit de gevangenis te krijgen. Bij vrijlating zou hij immers niet terugvallen in een nationaalsocialistischgezinde omgeving.30 Graaf d’Ansembourg is in de eerste instantie met het nationaalsocialisme in aanraking gekomen via zijn schoonfamilie. In de familie von Fürstenberg zaten namelijk eenentwintig NSDAP-leden, waaronder een aantal zeer actieve.31 Daarnaast zijn er door zijn vrouw Myriam negen gratieverzoeken ingediend om haar man vrij te krijgen. Bovendien heeft zij geprobeerd belangrijke personen zoals bisschoppen, journalisten, advocaten en ministers zo ver te krijgen haar te steunen. Uiteindelijk kreeg ze KVP-kamerlid Marga Klompé (1912-1986) zo ver om haar te helpen.32


26

Het lijkt misschien merkwaardig dat een katholiek kamerlid een vrouw helpt wiens familie vol zat met NSDAP’ers en wiens man het verzet van de katholieke geestelijkheid had gedwarsboomd, maar het verschil tussen de NSB en rechtse katholieken was, zeker voor de oorlog, niet zo groot. De katholieken zetten zich toen ook af tegen het liberalisme wat als zelfzuchtig individualisme werd gezien en ze waren net zoals de NSB voor corporatisme.33 Het feit dat Klompé mevrouw d’Ansembourg wilde helpen, geeft ook aan wat voor vooraanstaande positie de graaf en zijn familie nog hadden in katholieke kringen. Bovendien past de hulp van mevrouw Klompé aan Myriam d’Ansembourg volledig in haar politiek-maatschappelijke straatje. Zowel voor als na haar tijd als KVP-kamerlid hield Klompé zich bezig met de situatie van NSB’ers. Zij vond dat NSB’ers weer opgenomen moesten worden in de maatschappij. Klompé stelde bijvoorbeeld regelmatig reintegratieproblemen van voormalig NSB’ers aan de orde in de Tweede Kamer.34 Het is niet alleen heel waarschijnlijk dat Klompé in Den Haag gelobbyd heeft voor de vrijlating van graaf d’Ansembourg, er is ook bewijs voor. Ondanks dat de gratieverzoeken van gravin Myriam niet openbaar zijn, is er wel correspondentie tussen Myriam d’Ansembourg en Marga Klompé.35 In een brief van veertien juli 1952 vroeg Myriam aan Klompé of zij nogmaals aan KVP-voorman Romme (1896-1980) en professor Röling (1906-1985), hoofd van de commissie die gratieverzoeken goedkeurde, wilde vragen hoe de zaak van haar man ervoor stond.36 Ze schrijft: ‘Ik ben soms wanhopig, omdat de kinderen in deze voor hun toekomst beslissende jaren nog steeds de raad en leiding van hun vader moeten missen.’37 In deze brief komt duidelijk naar voren dat Myriam het typisch katholieke argument van gezinshereniging opvoerde om haar man vrij te krijgen. Vanaf 1952 is er dan ook een stroomversnelling in het gratieproces te zien, wat uiteindelijk resulteerde in de vervroegde vrijlating van graaf d’Ansembourg in 1954. Conclusie De reden waarom graaf d’Ansembourg zijn straf op zijn kasteel mocht uitzitten is tijdens mijn onderzoek nooit helemaal duidelijk geworden. Naar alle waarschijnlijkheid is het antwoord op deze vraag te vinden in het privé-archief van de familie, maar mijn verzoeken om daarin onderzoek te doen zijn afgewezen. Het is bekend dat de familie liever niet aan het NSB-verleden van hun grootvader herinnerd wordt.38 In 1997 hebben zij eenmalig een historicus toegang verleend, waarna aan vervolgonderzoek geen medewerking is verleend. Dit is wellicht een direct gevolg van het ‘goed/fout’ discours dat in de jaren negentig en begin eenentwintigste eeuw het historiografische debat kleurde. Maar juist in het kader van recente trends om mensen die als ‘fout’ werden gezien in een breder perspectief te plaatsen en verder te kijken dan enkel hun foute verleden, zou het interessant zijn het privé materiaal van graaf d’Ansembourg nader te onderzoeken. De familie wil echter kennelijk het verleden van hun grootvader vergeten.

Desondanks zijn er in de historiografie en andere archieven aanwijzingen gevonden waardoor het mogelijk is een aannemelijke hypothese te formuleren. De Bijzondere Rechtspleging had na de oorlog strenge en rechtvaardige vervolging van NSB’ers voor ogen. Het beleid bleek echter moeilijk uitvoerbaar en het moralistisch ‘goed/fout’ denken bleek ook problematisch waardoor de bestraffing na 1946 werd afgezwakt. Dit kan hebben meegespeeld in de snelle teruggave van het vermogen of het uitzitten van de straf op kasteel Amstenrade. Verder zal de graaf of zijn familie hun hoge adellijke positie hebben ingezet om strafvermindering te bewerkstelligen. Graaf d’Ansembourg was dan wel uitgesproken NSB’er, maar de rest van de familie is nooit lid geweest. Het gegeven dat de verzoeken door de katholieken en specifiek KVP-kamerlid Klompé serieus werden genomen, is te verklaren door de vooraanstaande positie die de familie d’Ansembourg nog steeds innam en vanwege de persoonlijke inzet van Klompé voor oud-NSB’ers. Het is zeer aannemelijk dat de invloed van KVP-kamerlid Klompé geholpen heeft strafvermindering te bewerkstelligen en het proces te versnellen. Wat blijkt is dat ‘het schwart graöfke’ zijn afkomst mee had. Graaf d’Ansembourg was een sprekend voorbeeld van tweeslachtig beleid ten opzichte van politieke delinquenten na de Tweede Wereldoorlog.

Verwijzingen

1 J.F.W. Wielenga, West-Duitsland: partner uit noodzaak. Nederland en de Bondsrepubliek 1949-1955 (Utrecht 1989), 414. 2 Oprel M., (On)eigenlijk onteigend? Een verkennend onderzoek naar de confisquatie van kastelen, landhuizen en landgoederen van oorspronkelijk Duitse eigenaren na de Tweede Wereldoorlog (1945-1967) (Scriptie politieke geschiedenis, Amsterdam 2011), 14 en 15. 3 Ibidem, 14. 4 I. Tames, Doorn in het vlees. Foute Nederlanders in de jaren vijftig en zestig (Amsterdam 2013) 199 en 200. 5 Wielenga, West-Duitsland: Partner uit Noodzaak, 414. Heynens L., Geconfisqueerd als ‘vijandelijk vermogen’. Het dossier Limburgse kastelen (Valkenburg aan de Geul 2013), 7, 8, 11. 6 Oprel, (On)eigenlijk Onteigend, 19. 7 L. Heynens, Geconfisqueerd als Vijandelijk Vermogen, 25-28. Internet Parlement.com, https://www.parlement.com/id/vg09ll35q2y8/ m_v_e_h_j_m_max_graaf_de_marchant_et_d (geraadpleegd 12 mei 2019). 8 Bronzwaer P., Max graaf de Marchant et d’Ansembourg.


27 Laura Brinkhorst

Een politieke biografie (Zoetermeer 2016), 23. 9 R. te Slaa en E. Klijn, De NSB. Ontstaan en opkomst van de Nationaal-Socialistische Beweging, 1931-1935 (Amersfoort 2009), 407 en 408. 10 Gerritse T., Collaboreren voor een betere wereld. De memoires van vier Nederlandse nationaal-socialisten (Soesterberg 2007), 46 en 47. te Slaa & Klijn, De NSB, 369-372, 532-537. 11 Gerritse, Collaboreren voor een betere wereld, 55. Bruinsma M.P., M.V.E.H.J.M. graaf de Marchant et d’Ansembourg. Rooms-katholieke NSB’er (Doctoraalscriptie Nieuwste Geschiedenis, Vrije Universiteit, Amsterdam 1997), 28. 12 Nationaal Archief Den Haag, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (2.09.09) inv.nr 102760. Nationaal Archief Den Haag, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (2.09.09) inv.nr. 74914. Heynens L., De Oorlogsgouverneur van Limburg. Maximiliaan graaf de Marchant et d’Ansembourg (Soesterberg 2015), 59. 13 Bruinsma, M.V.E.H.J.M. graaf de Marchant et d’Ansembourg, 52. 14 Nationaal Archief Den Haag, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (2.09.09) inv.nr. 74914. 15 Ibidem. 16 Ibidem. 17 Heynens, Geconfisqueerd als ‘vijandelijk vermogen’, 28. 18 Nationaal Archief Den Haag, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (2.09.09) inv.nr. 74914. 19 Bronzwaer, Max graaf de Marchant et d’Ansembourg, 168. 20 Nationaal Archief Den Haag, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (2.09.09) inv.nr. 74914. 21 Ibidem. 22 Tames, Doorn in het Vlees, 87. 23 Grevers H., Van landverraders tot goede vaderlanders. De opsluiting van collaborateurs in Nederland en België, 1944-1950 (Amsterdam 2013), 95-97, 122, 184. C. Jansen, De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog. Recht en rechtsbeoefening in de jaren 1930-1950 (Amsterdam 2011), 309-310. 24 Nationaal Archief Den Haag, Document ‘Handleiding voor het Nederlandse Beheersinstituut’ (2.09.40) inv.nr.

Anton Mussert (links) en Graaf d’Ansembourg (rechts)

377. 25 Nationaal Archief Den Haag, Inventaris van het archief van het hoofdkantoor van het Nederlandse Beheersinstituut (NBI), (1944) 1945-1967 (2.09.49.) (1979). 26 Nationaal Archief Den Haag, Document ‘Uitvoering Besluit Vijandelijk Vermogen’ (2.09.40) inv.nr. 377. 27 Nationaal Archief Den Haag, Inventaris van het Nederlands Beheersinstituut/beheersdossiers (2.09.16.10) inv.nr. 127630. 28 Vellenga, Katholiek Zuid Limburg en het fascisme, 24 en 25. 29 L. Heynens, Adel in ‘Limburg’ of de Limburgse Adel. Geschiedenis en Repertorium 1590-1990 (Maastricht, 2008), 120, 124, 252-254. E. Lemmens, Aan Vorst en Vaderland gehecht, doch tevreden zijn zij niet. Limburgse politici in Den Haag 1839-1918 (Amsterdam 2004), 114. Heynens, De oorlogsgouverneur van Limburg, 69. 30 Heynens, Heynens L., Adel in ‘Limburg’ of de Limburgse Adel. Geschiedenis en Repertorium 1590-1990 (Maastricht 2008), 120, 124, 252-254. Lemmens E., Aan Vorst en Vaderland gehecht, doch tevreden zijn zij niet. Limburgse politici in Den Haag 1839-1918 (Amsterdam 2004), 114. 31 Heynens, Geconfisqueerd als Vijandelijk Vermogen, 26. 32 Bruinsma, M.V.E.H.J.M. graaf de Marchant et d’Ansembourg, 83 en 84. 33 J. de Bos, J. van Doorn en P. de Rooy, De ideologische driehoek. Nederlandse politiek in historisch perspectief (Amsterdam 1996), 106 en 107. 34 G. Mostert, Marga Klompé 1912-1986. Een Biografie, (Amsterdam 2011), 98 en 99, 102. 35 Nationaal Archief Den Haag, Collectie 358 M.A.M. Klompé (2.21.183.44.) inv.nr. 30. 36 Ibidem. 37 Ibidem. 38 P. van der Steen & J. Koelewijn, ‘Gravin wordt je niet, dat ben je’, NRC (8 augustus 2009).


28

The Cold War in the Ancient World Political opinions in historiography

In early 1848, while Palermo and Paris were burning in the fires of revolution, a document was published in England that would forever change world history: The communist manifesto. This document outlined the historical processes that would, according to Karl Marx and Friedrich Engels, its authors, one day lead to the utopia of socialism. Marx and Engels explained their view of history hinged on the material relationships between the owners of the means of production and the workers. This relationship had, since the formation of states, been exploitative, but did not need to be so. History was marked by eras where one form of relationship, such as feudalism, was dominant, each of which ending in a revolution leading to a new form of relationship. Thus, feudalism was ended by the French revolution and capitalism replaced it. Each successive era led to greater freedoms for the working class and thus capitalism would eventually give way to socialism.1 This promise of material equality has mobilized millions to strive towards revolution and continues to do so in the present. In virtually every state with a party-based democratic system, communist parties were founded. Through civil wars and coup d’états, people managed to seize power and attempted to build the foundations of socialist societies. This drew the ire from capitalist countries, which engaged in a policy of containment of socialist ideology during the Cold War. Marxist political ideologies drew the attention of historians, who were interested to see if Marx and Engels’s theory of history worked. That is to say, to see if history could, indeed, be divided into different eras of material relations. The Manifesto’s purported basis on a sort of historical determinism, an attempt to figure out the laws underlying history and extrapolate from them the future, meant that historical Marxism could be scientifically examined. If these systems of material relations existed in the past and were indeed dominant, the Manifesto became a lot more

believable. If they did not, however, Marxism’s scientific basis was disproven and the entire ideology could fall into crisis. One of the civilizations that can be examined to either prove or disprove the Manifesto is that of the Ancient Near East in the third millennium BCE – more or less the first civilization we have enough economic information about to discuss its economy in any depth. In this article, a summary of my bachelor’s thesis, I examine whether the reasoning of historians who engaged in the debate on the economy of the Ancient Near East was politically motivated. I do this, because it struck me that the debate began shortly after the end of the Second World War and is considered to have ended sometime in the 1990s, coinciding with the Cold War and related to it.

History is an intersubjective science rather than an objective one. Narrativism and politics in history Examining historians’ political motivation is something of a challenge, since historians rarely wear their political opinions on their sleeves. When asked, most historians will deny allowing their political opinions to influence their works. Traditionally, historians are trained to leave their opinion out of their work and write objectively about the past.2 However, history is an intersubjective discipline rather than an objective one, so leaving out a historian’s opinion is impossible. Even if a historian succeeds in writing an entirely objective history, the historian’s choice of topic will be dictated by his subjective interests. Historical theoretician Hayden White (1928-2018) dedicated much of his work towards historians’ subjectivity. Instead of attempting to work beyond historians’ innate subjectivity, White thought subjectivity was to be celebrated. History, to him, was as much a literary discipline as it was an


29 Daan Jansen

academic one.3 Two historians could use the same set of sources and come to entirely different conclusions, due to the way they interpreted these sources and how they used them to construct their narrative of the past. White’s main interest in his work Metahistory (1973) was about the way historians constructed their arguments to tell a story, or narrative, about the past. He believed these narratives were influenced by the subjective beliefs of the historian writing them, and he created a method to examine these implicit subjective beliefs. Although I use a far larger part of this method in my thesis, for this article I will restrict myself to his concept of ideological implication. According to White, there are four rational ideologies: conservatism, liberalism, radicalism and anarchism. His work focuses on the 19th century, but this more or less holds for the 20th century as well. Other ideologies exist, but White argues these are based on irrational beliefs. Fascism, for example, sees a charismatic leader as source of absolute truth, and thus cannot return in a rationally considered historical work.4 As the term implies, these ideologies are interwoven in historical works implicitly. For example, historians rarely begin their introductions by writing about how they are conservative. In fact, historians may not be entirely aware of the ideology they weave into their histories. A historian may believe herself to be completely uninterested in politics, but imply a conservative ideology through the way she thinks and writes about the past. This is the strength of White’s theory: it allows us to examine the beliefs held by historians through their published works, ones they might never have expressed explicitly in letters or diaries. Ideological implication can be examined by looking at how a historian presents change and time. The Near East economy, or the Oikos-debate Fundamentally, the debate about the Ancient Near East economy revolves around the question of whether that economy functioned fundamentally differently from a modern economy. The theoretical approaches used in the debate originate in the middle of the 19th century, but the portion of the debate I am interested in for this article started in 1957, when Karl Polanyi published Trade and Market.5 He posited that the ancient near east had no

marketplaces or market forces dictating prices. Instead, a city was seen as an Oikos (plur. Oikoi)– a ‘household’ where all economic activity was coordinated by the city’s temple or palace administration.6 Goods produced in the Oikos were redistributed among the population, based on their class. These Oikoi were mostly self-sufficient, although some resources such as metals had to be sourced from the Zagreb mountains to the north. This trade was organised, not by a balance of supply and demand, but by political contracts between states.

In the Oikos, the administrators had full control of all economic activity. The Oikos theory holds that in these civilisations the administrators were in full control of all economic activity in a city-states. All other members of the Oikos were then, in some way, engaged in unfree labour since they were dependent on the rest of the Oikos and their income was at the whims of a small elite. This coincides quite well with the Marxist archetype of a slavery-based society which, according to Marx, would have existed at the beginnings of civilization. Polanyi’s theory was not well received by assyriologists (specialists of Mesopotamian history in specific and Ancient Near Eastern history in general). Most of them initially ignored his work, while those that engaged with it criticized it heavily. Almost grudgingly, they had to admit that Polanyi had a point in there being no archaeological evidence for the existence of marketplaces.7 However, they criticized Polanyi’s use of sources when it came to the existence of market forces.8 A few assyriologists did support the Oikos theory, most notably Johannes Renger (1934-). Renger thought Polanyi’s theory required some adjustments. He believed there was an Oikos economy in the third millennium BCE but

The historian, change and time. One of the more important elements of White’s analysis I used for my thesis and this article is the way different historians presented and considered change and time. Here White’s interest in literature returns because he states that the different ideologies (conservatism, liberalism, radicalism and anarchism) each have a different approach towards ‘Eden’ – utopia, the time when everything was, or will be, perfect. Conservatives hold that utopia is the present, or at least ‘as good as it can get’ and consider swift changes as negative, preferring to describe change as an incredibly slow process. Liberals place utopia in a distant and unattainable future, and present change as measured adjustments to an already well functioning system. Radicals and anarchists agree that there are fundamental problems with any system they study and that they could be changed at any time by human action. Both present change as swift, occurring in revolutionary moments. They differ in the placement of utopia: Radicals place utopia in the near future, capable of being grasped at any moment if a revolution succeeds in taking the right steps. Anarchists, on the other hand, place utopia in the distant past, before civilization. Civilization keeps humanity from returning to its perfect existence of prehistorical times.16


30

that it gradually transformed into a tributary economy, which involved delegation by the state and allowed for entrepreneurship, in the second millennium. Conversely, Polanyi saw the economy more or less as a monolithic system that did not change until 323 BCE, the start of the Hellenistic period.9 Renger believed there simply could not be market forces in the 4th and 3rd millennium BCE because the Oikoi only produced enough to live off, not to trade. There was also little need for traded goods, since most products were produced within the Oikos. Important exceptions were wood, precious metals, and metals for tools and weapons, since these were scarce in Mesopotamia. The import of these goods was organized through the Oikos administration. The Material Cultures symposium Applying White’s theory on narratives to the entirety of a decades-spanning debate is impossible in the space and time of a BA-thesis, let alone an article for codex. Instead, I have highlighted an episode of this debate, the Material cultures and mental spheres symposium in Berlin in 2000. Here, Johannes Renger debated his fellow assyriologists Joachim Marzahn and Hans Neumann on the Oikos theory. Neumann and Marzahn both criticized Renger’s approach to the economy of the Ancient Near East, so this symposium offers an excellent window into the debate. The discussions were written down and published in a book based on the symposium, of which this debate is one chapter. The debate was almost entirely about Mesopotamia, consistently one of the most populated and advanced areas of the Ancient Near East. While the discussion covered a wider range of topics, my interest goes specifically to how Renger, Marzahn and Neumann stood on the transition from an Oikos economy to a tributary economy, which I briefly explained above.This is because it is the most significant ‘change’ they discussed, and as was explained earlier, how historians perceive change, or a lack of it, is one of the more important ways one can identify ideological implication. Renger was convinced there was an appreciable difference between the Mesopotamian economy in the 4th and 3rd millennium BCE and in the 2nd millennium. Furthermore, he believed “the Mesopotamian patrimonial Oikos economy was replaced relatively quickly in the 2nd millennium by what Pierre Briant called the ‘tributary mode of production’ (…)”.10 The crux of this sentence that concerns me is ‘relatively quickly’. On the scale of a millennium, this might take a few years or a century, he does not specify. His portrayal as a swift and dramatic change is more important than the actual duration, and points towards a radical or anarchist ideological implication. Figuring out in which of these two he can be categorized is more of a challenge and leads to a more tenuous result. He portrays both systems as requiring similar amounts of violence towards the lower classes in order to function. An anarchist would, as far as I understand White’s theory, consider societal transitions

that do not dissolve the state as motion away from utopia – thus less utopian and more violent. A radical would consider utopia to be in reach constantly, thus transitions in society would not necessarily become worse or better. I am inclined to say his ideological implication is radical. Marzahn was quite critical of Renger, arguing his use of sources was faulty and that he was trying to fit the entire Ancient Near East in a single economic model which simply could not be done.11 He argued that by applying the Oikos model to the whole region, Renger stretched the meaning of the term so thin that it essentially lost all meaning. At the same time, Marzahn believed Renger’s distinction between Oikos and tributary economies was pointless: “If, to a certain extent, the two forms can be granted common characteristics, is it advisable to describe the differences?”.12 He explains that the transition between these two models was so gradual, one could hardly call them different models at all.This perception of change as slow-paced to the extent of not quite changing a system but merely adjusting it fits well within liberal ideological implication. Neumann also criticized Renger, but less harshly than Marzahn. He agreed with Renger that the economies in the third and second millennia BCE differed, and that there was a slow transition during the third millennium:“In my opinion, the structures that can be identified at the beginning of the 2nd millennium are ultimately understandable only against the background of developments in the 3rd millennium.”13 While Neumann argues that the economic system did change, as Renger suggested, he implies a slow transition with a strong continuity to the system of the third millennium, rather than the swift change Renger envisioned. In my eyes, this suggests a liberal ideological view. Concluding thoughts In writing my thesis, I proved what I sought out to prove. Namely, that the two sides of the Oikos debate could be linked to an ideological background – that of radicalism (marxism) on one side, and liberalism on the other. The scale of this research was limited in scope by necessity and thus cannot be taken as definitive proof. I can also not say that the reasoning of specific historians was ideologically motivated in writing their papers. As I said before, ideological implication might be unconscious for the historian, and historians themselves are often (perhaps wrongly) convinced their research is politically impartial.

Current day politics and events greatly influence opinions of the past. This paper and the research behind it should, instead, serve as indicators for greater things in the discipline of history itself. For example, this research exposed to me the great extent to which current day events influence opinions on


31 Daan Jansen

the past. Marzahn, for example, commented that the proOikos position Renger adopted had steadily lost influence after 1989 and the decline of communism. In fact, in 1992, the same year Francis Fukuyama famously declared the end of history, assyriologist Daniel Snell similarly declared the final defeat of the Oikos theory.14 The existence of a viable alternative to capitalism in the form of the Soviet Union inspired historians to think of alternative histories that, it seems, can no longer be imagined. Further historiographical research would have to be conducted to see if this is true, but it appears that in our world, where just one politicaleconomic ideology, neoliberal capitalism, is seen as a legitimate and viable mode of production, we are no longer capable of discussing the kinds of ideas we could just thirty years ago. This ideological monopoly stifles our capacity for creative thought, I believe, not just in historical sense, but in all aspects of human thought.

References

1 Karl Marx and Friedrich Engels, Manifesto of the communist party (transl. Samuel Moore 1888) 14. 2 Cf. Bernard Cohn, ‘History and anthropology. The state of play’ in: Idem, An anthropologist among the historians and other essays (Thane 1987) 40-41. 3 Hayden White, Metahistory: The historical imagination in nineteenth-century Europe (Baltimore & London 1973) 1-42. 4 White, Metahistory, 22. 5 Karl Polanyi, Conrad M. Arensberg and Harry W. Pearson, Trade and market in the early empires. Economies in history and theory (New York, 1957) 6 Harry Pearson, ‘The secular debate on economic primitivism’ in: Karl Polanyi, Conrad M. Arensberg and Harry W. Pearson, Trade and market in the early empires. Economies in history and theory (New York, 1957) 5. 7 Klaas Veenhof, Aspects of Old Assyrian trade and its terminology (Leiden 1972) 354; 356-357. 8 Veenhof, Old Assyrian Trade, 350-1; 349; Daniel Snell, ‘Marketless trading in our time’ in: Journal of the economic and social history of the orient, 34 (1991) 129-141. 9 Johannes Renger, ‘Wirtschaftsgeschichte des alten Me-

sopotamien. Versuch einer Standortbestimmung’ in: Arnuf Hausleiter, Susanne Kerner en Bernd Müller-Neuhof (eds.), Material culture and mental spheres. Rezeption archäologischer Denkrichtungen in der vorderasiatischen Altertumskunde (Münster 2002), 244-245; Johannes Renger ‘On economic structures in Ancient Mesopotamia’ in: Orientalia 63:3 (1994) 170. In the south of Sumeria, the Oikos economy remained in place for longer than elsewhere in the ancient near east. Cf. Ibidem, 186. 10 “Die patrimoniale Oikos-Wirtschaft Mesopotamiens wird im Verlauf des frühen 2. Jahrtausend relativ schnell von der von Pierre Briant so genannten ‘tributären Produktionsweise‘ abgelöst (…)” in: Renger, Wirtschaftsgeschichte des alten Mesopotamien, 244. 11 Joachim Marzahn, “’Oikos’ und ‘Tributwirtschaft’. Wirtschaftsmodelle des alten Orients in der Kritik“ in: Arnuf Hausleiter, Susanne Kerner en Bernd Müller-Neuhof (eds.), Material culture and mental spheres. Rezeption archäologischer Denkrichtungen in der vorderasiatischen Altertumskunde (Münster 2002) 267. 12 “Wenn beiden Formen in einem gewissen Rahmen gemeinsame Merkmale zugebilligt werden können, ist es dann ratsam, die Unterschiede zu beschreiben?” in: Ibidem, 270. 13 Hans Neumann, ‘Die sogenannte Oikos-Ökonomie und das Problem der Privatwirdtschaft im ausgehenden 3. Jahrtausend v. Chr. In Mesopotamien. Bemerkungen zu J. Renger: Wirtschaftsgeschichte des alten Mesopotamien. Versuch einer standortbestimmung’ in: Arnuf Hausleiter, Susanne Kerner en Bernd Müller-Neuhof (eds.), Material culture and mental spheres. Rezeption archäologischer Denkrichtungen in der vorderasiatischen Altertumskunde (Münster 2002) 279. 14 Daniel Snell, Life in the Ancient Near East 3100-332 B.C.E. (London 1997) 151. 16 Hayden White, Metahistory: The historical imagination in nineteenth-century Europe (Baltimore & London 1973) 2225; 27; 29.

The Great Ziggurat of Ur, built under Ur-Nammu (2112-2095 BCE). Partially reconstructed several times throughout history, this is one of the best preserved Sumerian structures and probably housed the Oikos administrators of Ur.


32

Scriptie-ideeën Een scriptieonderwerp bedenken en een docent vinden om die scriptie te begeleiden is de eerste stap in het scriptieproces.Vaak is dit ook heel lastig. Daarom vroegen wij aan docenten welke scripties zij altijd al hebben willen begeleiden. Dit is zeker niet bedoeld als een lijst waaruit je moet kiezen. Laat deze voorstellen je inspireren om misschien een onderwerp of begeleider te kiezen aan wie je anders niet zou denken!

Chiel van den Akker “Er zijn een aantal onderwerpen voor masterscripties die me meteen te binnen schieten. Ik som ze maar op zoals ze me binnenvallen. Zo is er weinig aandacht voor de vraag hoe de geschiedtheorie van Ankersmit zich verhoudt tot zijn politiektheoretische opvattingen. Dat zou een interessant onderwerp zijn. Ook zou het interessant zijn om eens te onderzoeken hoe de receptie van de geschiedfilosofie van Hegel is veranderd de afgelopen twee decennia. Er lijkt namelijk sprake te zijn van een herwaardering van zijn opvattingen over de geschiedenis. Ook interessant is hoe het idee van vooruitgang verdwenen is uit onze opvattingen over de geschiedenis, mede als onderdeel van postkoloniale kritiek. Ik lees nu een boek van Amy Allen, The End of Progress, en vroeg me af hoe we als historici naar haar analyse kijken. Het zou interessant zijn de postkoloniale historiografie vanuit de lens van het einde van de vooruitgang te analyseren. Interessante denkers over de geschiedenis waarover een mooie scriptie te schrijven is zijn ook Michel de Certeau en Isaiah Berlin. Maar elke scriptie in de theorie van de geschiedenis begeleid ik graag.”

Wybren Verstegen “Nou, ‘altijd al’, er komen vaak wel ideeën waarvoor dan geen tijd is om ze uit te werken. Ik weet een paar mooie onderwerpen over de Europese Unie, of over de VS, misschien binnenkort over Russische geschiedenis. Ik heb geen concreet plan liggen dat ik zo kan aanbieden. Meestal, d.w.z. in 99% van de gevallen, komen studenten met mij na wat heen en weer praten tot een eigen onderwerp waarbij ik vooral probeer hun nog vage plannen concreet te krijgen, uitvoerbaar etc.. Ze zoeken iets in de richting van zus of zo en dan ga je meedenken. Dat wat mij het meest interesseert, is niet iets waar studenten snel warm voor lopen (iets waar ik overigens geen moeite mee heb).”

Marjolein ’t Hart “Is oorlog nu slecht voor de economie of niet? Wanneer heeft het ook positieve kanten voor een economie? Dit is toe te spitsen op een bepaald land in een bepaalde periode, of een vergelijking is ook mogelijk. Of door te kijken voor wie het wel goed uitwerkte en voor wie niet. Hoe kan je het verhaal van de Tachtigjarige oorlog op een meer inclusieve manier vertellen, dus niet alleen het triomfverhaal van Holland en Willem van Oranje, maar ook de ervaringen van gebieden of groepen mensen die er veel minder van profiteerden? Hoe breng je de lijntjes van de verschillende ervaringen bij elkaar? Dit is eventueel goed te combineren met onderzoek bij een erfgoed-instelling ergens in Nederland of een plan voor een lespakket in het onderwijs. Heeft Nederland nu echt een poldermodel of is dat allemaal alleen maar een mythe? Zijn Nederlanders eerder geneigd tot overleg en streven naar consensus dan anderen? Je kunt kijken naar voorbeelden in de geschiedenis waarin Nederlanders mogelijk meer polderden dan bij vergelijkbare issues in het buitenland, en/of juist omgekeerd.”


33

Bart Wallet “Jodendom, religie en nationalisme: de geschiedenis van Agoedas Jisroeil, afdeling Nederland. Agoedas Jisroeil is een ultraorthodoxe anti-zionistische organisatie, waarin de wereldwijde Joodse orthodoxie zich in 1912 verenigde tegen het opkomende zionisme. Ook in Nederland was een zeer actieve afdeling, zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog. Naast een politieke doelstelling, had Agoedas Jisroeil ook een religieuze agenda, namelijk om seculiere joden terug te brengen tot het orthodoxe jodendom. Tot dusver is nog geen enkele studie gedaan naar de Nederlandse Agoedas Jisroeil. Het Algemeen Israëlitisch Verbond, afdeling Nederland. In de nasleep van de Mortara affaire (1860) ontstond de Alliance Israélite Universelle, een Joodse mensenrechtenen hulpverleningsorganisatie met hoofdkwartier in Parijs. Met name de goed geïntegreerde Joodse (hogere) burgerij was hierin actief, ter bestrijding van antisemitisme, hulp aan Joden in Oost-Europa en – met name – het Midden-Oosten. De belangrijke rol die het AIV vervulde in het organiseren van transnationale Joodse solidariteit, is tot op heden nog niet onderzocht. Haagse religiepolitiek. Het Haagse departement voor Hervormde Eredienst enz.. Tot 1870 was er een apart departement voor Hervormde Eredienst enz.. Onder ‘enz.’ vielen alle andere religieuze groepen, behalve de roomskatholieken. De laatsten hadden een eigen departement. Naar het beleid en het functioneren van het departement is nog maar nauwelijks onderzoek verricht. Wie hier iets mee wil, vindt een mer à boire. Dit betekent dat met een goede vraagstelling thema’s als tolerantie en discriminatie, publieke religie, sociaal beleid en filantropie, oorlog en vrede, geaddresseerd kunnen worden.”

Erika Kuijpers “Ik ben gespecialiseerd in de sociale en culturele geschiedenis van de vroegmoderne tijd, vooral de Nederlanden, en meer specifiek: vroegmoderne herinnering, emoties, de tachtigjarige oorlog en sinds kort ook kennisgeschiedenis. In mijn nieuwe onderzoeksproject Chronicling Novelty, werken we aan een methode om kronieken (een soort vroegmoderne blogs/dagboeken) te gebruiken om de circulatie en receptie van (nieuwe) kennis te onderzoeken in de periode 1500-1850. Op dat project zijn heel veel scriptieprojecten te bedenken. Studenten kunnen zich op één specifieke kroniek, plaats of auteur richten maar het is ook mogelijk een onderwerp te kiezen dat in meerdere kronieken aan de orde komt waardoor vergelijken mogelijk is of onderzoek naar verandering door de eeuwen. Doordat we een digitaal corpus hebben is het mogelijk gericht naar thema’s te zoeken. Daarnaast is het mogelijk voor studenten te leren werken met computationele methoden voor textanalyse.

Voorbeelden van onderwerpen: De ontwikkeling van tijdsbesef tussen 1500-1850: hoe wordt de tijd aangeduid, op basis waarvan word de tijd bepaald, de dag ingedeeld, wanneer gaan mensen eigen uurwerken gebruiken etc.? Oraliteit en liedcultuur: wanneer wordt er in vroegmoderne kronieken melding gemaakt van zingen en liedjes. In sommige kronieken worden liedjes overgeschreven. Kunnen we meer te weten komen over de praktijk van het zingen in verschillende contexten? Brongebruik bij kroniekschrijvers. Kroniekschrijvers lazen waarschijnlijk pamfletten, kranten, jaarboeken, almanakken en andere populaire lectuur. Waarschijnlijk schreven ze daar ook veel uit over. Is het mogelijk al dan niet automatisch ‘plagiaat’ te detecteren? En wat vertelt dat over mediagebruik? Interesse voor wonderlijke menselijke schepselen: in kronieken wordt vaak melding gemaakt van Siamese tweelingen, hermafrodieten, een enkele zeemeermin, mensen die extreem oud zijn geworden etc.. Hoe worden ‘monsterlijke’ verschijnselen beoordeeld en begrepen door de auteurs van vroegmoderne kronieken in een periode dat de medische wetenschap zich sterk ontwikkelde? Er zijn ook veel indrukwekkende historische gebeurtenissen die door heel veel kroniekschrijvers worden genoemd, soms uitgebreid beschreven, soms heel beknopt. Een voorbeeld is de beeldenstorm in de zestiende eeuw, het rampjaar in 1672 of de veepest in de achttiende eeuw, maar je kunt ook denken aan nieuws over buitenlandse militaire gebeurtenissen, oorlogen, vervolgingen van bepaalde religieuze groepen, vredesonderhandelingen, het materiaal biedt de mogelijkheid om te kijken hoe een dergelijke gebeurtenis op lokaal niveau werd geregistreerd en wellicht becommentarieerd. Ik kan nog wel 100 dingen verzinnen, maar wellicht kun je hier alvast mee vooruit?”


34

Op de VU De Opleidingscommissie The Programme Committee Naast andere lopende zaken is de opleidingscommissie momenteel vooral bezig met twee zaken: taalbeleid en de urenverdeling van docenten.

Along with other ongoing tasks, the programme committee is currently working on two matters: language policy and the division of hours for teachers.

Over het huidige taalbeleid heeft de commissie opgevangen dat er veel onduidelijkheid is en bij elke docent andere regels gelden. Een taalbeleid is een set regels waarin duidelijk beschreven staat of en hoe taalbeheersing wordt beoordeeld tijdens de colleges, opdrachten en tentamens. Er bestaat om dit moment namelijk geen duidelijk taalbeleid, omdat de opleiding nog bezig is haar weg te vinden in de internationalisering. Dit is verwarrend, dus heeft de commissie besloten de huidige situatie te inventariseren om met een goed en helder plan te komen. Het doel is een taalbeleid te maken dat voor zowel studenten als docenten duidelijk en haalbaar is. Heb je tips ter verbetering van het taalbeleid? Stuur gerust een mail naar ocgesch.fgw@vu.nl.

The committee has been informed that there is a lot of uncertainty concerning the language policy and that every teacher has other rules. A language policy is a set of rules that clearly describe whether and how language proficiency is judged during lectures/seminars, assignments and exams. At this moment there is no clear language policy, because the programme is still finding its way in the internationalisation process. This is confusing, so the committee has decided to make an inventory of the current situation to be able to offer a good and clear plan. The goal is to create a policy that is clear and realistic for students and teachers alike. Do you have tips to improve the policy? Send us a mail at ocgesch.fgw@vu.nl.

De faculteit werkt op dit moment aan een nieuw urenmodel, waarin staat hoeveel uren een docent aan zijn of haar taken mag besteden. Zoals het er nu uit ziet, krijgen docenten nog minder tijd om colleges voor te bereiden, scripties en papers na te kijken en nieuwe vakken te maken, wat hun werkdruk nog meer verhoogt. De opleidingscommissie is van mening dat een ‘voordelig’ urenmodel (een realistisch model gebaseerd op de daadwerkelijke duur van dit soort taken) voor docenten ook goed zal zijn voor de kwaliteit van hun onderzoek en het onderwijs dat ze hun studenten kunnen bieden. Daarom doet ze wat ze kan om dit model te optimaliseren, niet om zo goedkoop mogelijk uit te pakken, maar ter bevordering van de docenten en dus ook de studenten. Ellen van Heteren

The faculty is currently developing a new model for working hours, which says how long teachers may work on his/her tasks. Right now, it looks like teachers will receive even less time to prepare lectures, grade papers and theses, and develop new courses, which means their workload will be even higher than it already is. The programme committee believes that a ‘beneficial’ model (a realistic one based on the actual hours required for these tasks) would have a positive effect on teachers’ research as well as the quality of education they can offer students. That is why the committee is doing what it can to optimize the model, not to work as cheaply as possible, but to help the teachers and so also the students. Ellen van Heteren

VSGVU Merlijn Hello to all codex Historiae readers. Since it’s now finally 2020, the time has come to give you an update on all the upcoming activities organized by Merlijn for the second half of this academic year. The biggest event in this period is, of course, the foreign trip. The foreign trip committee took it upon themselves to come up with three great cities to choose. These cities were: Belgrade (Serbia), Malaga (Spain) and Sofia (Bulgaria). All members of the association were

asked to vote for the destination of this year’s trip. We are happy to inform you that the chosen destination is Sofia! As you probably know, Sofia is the capital and largest city of Bulgaria, in southeastern Europe.The city itself has a history that dates back approximately 7000 years. At the beginning of recorded history in this region, Sofia was inhabited during ancient times by Thracians, Greeks and thereafter Romans. After the decline of the Roman Empire, the city


35

first became part of the Bulgarian Empire, and later on was situated in the Ottoman Empire and during the nineteenth and twentieth centuries it came under influence from the Russian Empire and the Soviet Union. All these different empires and cultures made Sofia into a very diverse city. This is very appealing to us history students and we cannot wait to go there. Signing up for the trip is possible by filling

in a form, obtainable in our social room on the 12th floor of the main building (HG 12A43). Furthermore, we will also continue in organizing thematic borrels, educative events and all other kinds of activities. Further questions or remarks can always be directed to us by visiting us in our social room or by sending us an email: merlijn.fgw@vu.nl. We hope to see all of you again soon! Sean Kerstges, Chairman of Merlijn

Opiniestuk Opinion piece I have been studying at this university for about four and a half years now. I started in 2015, when saying ‘Brexit’ would be met with a polite, if confused, ‘gesundheit’. Since then, a lot has changed at the bachelor programme for history. The fact this article is written in English should key you in to the most significant change: internationalization. From the socalled ‘broad bachelor’-structure that I started in, and which was heavily criticized at the time, we have transitioned over the years to a linguistically bisected history bachelor programme. Some of these changes are problematic, especially the degree of choice we have as students. The first year hasn’t changed much at all, but the second and third year have changed significantly since 2015. When I began my studies, I could choose between two broad specialisations: global history and culture and politics. We could also choose one (or more) of four course-packages (some Dutch words just don’t translate): Empires, Ancient history, Heritage, and E-Humanities. Now, as things go at this university, I had no idea what any of these choices meant when I was asked to make a decision, but at least I had the choice. These options directed student’s choices somewhat – for example I could not follow the Revolutions course because of my choice of specialisations. Still, all these options were open to me during my first year – right up to the end of the summer break. The broad bachelor was replaced by the internationalized bachelor and this limited the choices students can make. Whether internationalisation is a problem is a big debate that I don’t want to get into: it has benefits and downsides. My main concern is with the courses available, or rather not available, to History and International Studies and Geschiedenis students. Many of the courses I could choose

during my second year are withheld from new students. As a Dutch student I was able to do the Global Political Economy course, which is now restricted to HIS students. HIS students are not able to follow the Paleografie en Archivistiek course, regardless of their proficiency in Dutch, despite the course teaching skills essential for any serious historian. You might say that this is no problem, because students can choose all this before they select one of the two tracks. But let’s be honest, who thinks that far ahead? When you chose to study here at the VU, you probably took a look at the study guide for the first year. Or you did what I did, and just went for it.Who looks at their options, in detail, for their second and third years? No, students should be able to choose during their bachelor programme, not before it. The reasoning for this division of the programme is unclear to me. Anonymous sources have told me the courses are kept separate to be “compliant to the different learning goals” listed in the Education and Exam Regulations. These learning goals are virtually identical. Our choices are being limited. All these courses exist. They have been fully developed and are being taught. We should be free to follow the ones we are interested in (assuming we meet the entry requirements, of course). And we are in danger of forgetting that these options were ever available. That making them available to all of us is not a radical change. So let the staff know we want choices! Contact your representatives in the programme committee! Contact the head of the bachelor programme! Let them know we deserve to learn what we want to learn. Concerned Student


36

A Roman in Nihon, Part I The Experiences of Studying Abroad

Far away east, where the sun rises, lies an island nation known for its uniqueness; samurai, geisha and sushi tempt the imagination of many even moderately interested in this exotic, dreamlike archipelago and its people. The same is true for more modern aspects of its cultural output, such as anime, video games and the vastness of modern Tokyo. The first description of the people on the island we know of as Japan - often called ‘Nihon’ (日本), ‘land of the rising sun’ - is a Chinese text from the third century AD, describing the island and its inhabitants as ‘the land of Wa’; the ‘land of the dwarf’.1 On the other side of the world, Rome, the western giant, went into a period of political upheaval at this time, known as the crisis of the third century. During this period, numerous generals vied for power and, backed by their loyal soldiers, tried to claim personal hegemony. And it would not be completely unthinkable, given the circumstances, that a Roman would risk escaping the fires of civil war and fleeing to the far away ‘land of Wa’, as the title of this article might suggest. However, the reader will be disappointed to find out that this article will not boast an exotic grand epic linking Rome to Japan. Nor will the current article provide a grand narrative of Japanese history after the first Chinese sources described the Japanese archipelago as ‘the land of Wa’, for such will be the topic of a second article. Instead, this article will focus on the experiences of studying abroad, both in general and as a(n ancient) history student.

What attracts us to studying history? There are many answers to this question. One of them is to explore and understand peoples and ideas from times long since passed. Ancient texts allow us to peer through the dense mists and fog of time and catch a glimpse of a world long gone. Texts like Cicero’s letters invite us to take part in the emotions and thoughts of a great statesman and Plato’s works not only provide an image of the Athenian society during the fourth century BC, but motivate us to think about complex human problems and are thus still relevant today. For me, this is an important reason to study history, especially ancient Greek and Roman history, to understand and connect to people with ways of thinking very different from our own. It is because of this that I thought of studying abroad at a place not only geographically, but also culturally distant.To try and understand people who view the world and life differently than we do in Europe; however, not via old, dusty texts, but in real life. And so I put aside Homer’s Iliad and took up Murasaki’s Genji, and leaving behind the familiar gossips of the Roman senate and Forum, this (student of) Roman (history) took the plane to Nihon to study the way of the samurai instead. When the plane started descending, the country of Japan slowly started to reveal itself through the foggy clouds. Whilst adrenaline whipped my heart to excitement, the train took me through the countryside and outskirts of Tokyo. Upon arriving, one is immediately confronted by differences; a difference in alphabets, the way people greet each other, and the distant mountains, veiled by mist - an entirely unknown sight in the Netherlands. During the first stage of living in a country so different from our own, a sense of adventure motivates the spirit to explore everything; exotic new foods like ramen and donburi, mystic Shinto and Buddhist temples, and the sacred backrooms of karaoke. In an international dormitory one meets people from all over the world. As each person is in a new environment, they are eager to make new friendships, which soon blossom thanks to the help of sake or plain old beer. Of course one also meets a lot of people native to Japan. Although seemingly shy and lacking in English, Japanese people are most


37 Tijs Hopman

one based not on the individual, but on the community, and everybody thus has a duty towards the wellbeing of society. Old people even get jobs to remain active and not to be a burden, often resulting in seemingly unnecessary work like watering the street with four people. It does explain why Japan has a very low unemployment rate of 2.2%, compared to 3.5% for the Netherlands (as of August 2019), but may also explain why people might feel unhappy.2 Add to this the behemoth that is Japanese bureaucracy, which is incredibly thorough but painstakingly slow. When going to the municipality warden to register oneself, it is normal to go from counter to counter, which sometimes takes several hours and can be very tiring for someone after the initial phase of excitement has worn out and one starts to feel tired of all the new external stimulations.

courteous, friendly and helpful. Japanese students are also very eager to talk to foreign students. From these conversations the differences between European and Japanese academia slowly revealed itself. Where in Europe universities are seen as places where students study to become critical thinkers and develop themselves, Japanese universities seem more like a stepping stone to enter a company where one will remain the rest of their life. Even though many Japanese students may not openly admit this, it is a future prospect most dream to escape, and there is starting to be a shift in ideas surrounding the Japanese work ethos, as Japanese students have told me. Unfortunately, the exchange students are mostly separated from regular Japanese students and courses, which require an adept level of the Japanese language, something many foreign exchange students simply do not have. The courses for exchange students are thus given in English, but are relatively simple. Teachers therefore need to be able to teach in English. As a result, many teachers are not native Japanese and seem to have been specifically hired for the exchange courses some teachers are close to retirement, but have worked in many different fields, such as diplomacy and politics, making for interesting lectures and conversations nonetheless. However interesting and adventurous it may be to live in another country, it is unfair to let the shroud of excitement cloud an honest view of the new host country. Japan is a more than interesting country, but to a European, the societal norms can seem stifling. From an early age, Japanese children are being disciplined for a later career in a big company. The salaryman - as the employee at a company is called - spends almost his entire life working at a single company, leaving home in the early hours, only to come back during the night after having worked overtime or (socially mandatory) drinking with colleagues. Japanese society is

After the tourist phase has slowly passed and the dust settles, one is confronted with the real troubles of studying abroad. Lectures begin and some bureaucratic actions like registration need to be taken, and real life abroad starts. It is here that the culture shock, which initially was an exciting new stimulus, begins to become a burden. In the 1960 article, Culture Shock, the anthropologist Kalervo Oberg discerned four different stages someone living abroad undergoes: (1), the tourist phase, (2), the hostile/stressed phase, (3), the recovery phase, and (4), the adjustment phase.3 Although everybody reacts and deals with living abroad differently, it does take effort to adapt. One might not just feel lonely or homesick, but even stressed out by the new cultural environment. A different culture means a different mode of thinking. In order to successfully adapt to a new living situation, it is therefore necessary to delve deeper into the cultural behaviour of the hosts, in this case the Japanese.


38

I mentioned earlier that the Japanese seem shy, but this is from our perspective. It is therefore important to try and overcome cultural boundaries which do not always seem visible. This may all seem tough, but experiencing and overcoming the difficulties of living abroad prove to be both a personal victory and development. This account hopefully successfully portrays what it is like to study abroad. I have tried to evade a stereotypical overview of experiencing student life in another country. After all, few are interested to hear that I had superb sushi yesterday evening. I will leave the discovery of different places around the world up to the reader, whom I hope to have inspired. It was mainly the deeper experience of studying abroad that I aspired to illuminate, both the ups and downs, and that studying abroad provides the opportunity to develop academically and personally. The articles following this one will delve more deeply into Japanese culture and history. A history stained by bloodshed, romanticised by poetry, guarded by posterity.

References

1 Mason, R.H.P. Caiger, J.G. A History of Japan (North Melbourne, 1999), p.23-24. 2 For the unemployment rate of Japan, see: https://tradingeconomics.com/japan/unemployment-rate; for the unemployment rate of the Netherlands, see: https://tradingeconomics.com/netherlands/unemployment-rate; website consulted on 29/10/2019. 3 Oberg, K. 1960. ‘Culture Shock: Adjustment to New Cultural Environments’, in Practical Anthropology, 7, p.177-182; taken from curare 29 (2006), 2+3, p.142-146, p.142-143

Picture taken by Philip Horn


39 Daan Jansen

40 jaar codex

Deel 4: codex Historiae: de fenix?

Ter viering van het 40 jarig bestaan van codex Historiae hebben wij in de drie voorgaande nummers steeds teruggeblikt op een decennium van het verleden van codex. In dit nummer hebben wij het meest recent decennium bereikt. Tussen 2010 en 2019 is codex wellicht haar meest dramatische verandering ondergaan: We zijn overgestapt van de naam Galapas naar codex Historiae in 2015. Met een hele nieuwe website, socialmediakanalen en zelfs indeling bij de Universiteitsbibliotheek (UB) lijkt het dat het blad fundamenteel is veranderd. Dit beeld wordt ook geschept als je kijkt naar het eerste nummer van codex, dat over de toekomst gaat. Hoofdredacteur Daan Nijssen vertelde daar dat de redactie van Galapas helemaal in zich was gekeerd en toe was aan verfrissing.1 Maar was dit echt zo’n drastische verandering als hij op het eerste gezicht leek? Dat ga ik in dit artikel onderzoeken. De nummers verzamelen Het verzamelen van de nummers zou in theorie een stuk makkelijker gaan dan bij het onderzoek naar de voorgaande artikelen. Ik heb namelijk zelf bijna elk nummer van codex in de boekenkast thuis staan omdat ik al een eeuwigheid hier op de VU rondloop. Nummers van Galapas bijeenzoeken bleek iets lastiger. Uit de collectie van de UB ontbraken ongeveer 8 nummers(!). Dit had ik niet gelijk door. Er ontbraken namelijk ongeveer 2 per jaar, dus het leek alsof Galapas het aantal publicaties per jaar had teruggeschroefd naar 2. Tijdens het lezen waren er kleine indicaties dat dit niet helemaal klopte. Dit was voornamelijk de 16-delige reeks artikelen over Iran, Imperium Iran, door Daan Nijssen. Toen bleek dat nummers misten ben ik in de codex archieven gedoken. Gelukkig hadden wij nog een paar dozen liggen uit het Galapas-tijdperk en kon ik de ontbrekende nummers terugvinden. Deze nummers liggen nu ook in de UB.

Een selectie nummers van Galapas en codex Historiae geeft weer hoe het blad is veranderd in de laatste tien jaar. De nummers bemachtigen was een ding, ze in de goede volgorde plaatsen was iets lastiger. Elk nummer van codex Historiae wordt voorzien van een jaargang en nummer. Deze codex is bijvoorbeeld nummer 4 van jaargang 40. Althans, dat dachten wij. Het blijkt dat er een aantal fouten zit in deze documentatie. Een van die fouten is de reden dat deze artikelreeks überhaupt bestaat. Het nummer 100 jaar geschiedenis werd foutief gemarkeerd, wat leidde tot twee nummer 4s van jaargang 39.2 In de laatste twee jaar van Galapas is besloten niet meer op te geven welk nummer welke is – de laatste twee nummers geven niet eens een jaartal aan. Wederom hielpen Nijssens artikelen mij de nummers van Galapas in goede volgorde plaatsen. Deze kwestie van jaargangen en nummers bleek dieper te gaan dan ik dacht. Alle jaargangnummers sinds 2010 zijn fout. In 2010 stond foutief op de kaften van Galapas dat zij uit jaargang 31 kwamen, in plaats van 30. Sindsdien is die fout nooit meer bijgewerkt. We werken sindsdien met een jaargang dat nooit gepubliceerd is. Dit deed mij denken aan de phantom time hypothesis van Duitse historicus Herbert Illig, die van mening was dat de Katholieke kerk in een complot met de keizer van het Heilig Roomse Rijk een hele 300 jaar geschiedenis had verzonnen. Hij geloofde dat de jaren tussen 614 en 911 n. Chr. nooit zijn gebeurd.3 Het huidig jaar zou dan 1723 zijn. Gelukkig zijn de implicaties van een gemiste jaargang van codex niet zo dramatisch als het mogelijk verzinnen van 3 eeuwen Europese geschiedenis. Het aankomende jaargang is dus eigenlijk ons jubileumjaar, meer reden om nog een jaar geweldige artikelen neer te zetten!


40

De laatste jaren van Galapas Tot 2015 ging Galapas grotendeels verder zoals het de laatste tien jaar ook deed. Een vroeg teken dat studenten minder geëngageerd waren met het blad was een aankondiging van de ‘grootste hufters en helden van Nederland’-award. Hierop kwam geen gevolg, waarschijnlijk omdat er geen reactie was van de studenten.4 Een aantal nieuwe rubrieken werden met elk nummer gepubliceerd: historische quizzen, interviews met studenten op exchange, interviews met alumni en historische gerechten hielpen Galapas iets luchtiger te maken naast de historische artikelen die elk nummer werden gepubliceerd. Een aantal keer werden prijsvragen aangekondigd – waarvan één met prijs een historische bosatlas t.w.v. 120 euro, maar deze lukten het allemaal niet om respons te trekken.5 Desondanks ontwikkelde Galapas zich verder. Er waren misschien geen inzendingen voor prijsvragen, maar artikelen van gastschrijvers waren er genoeg. Er werd vanaf 2012 een aantal jaar geclaimd dat Galapas een interdisciplinair tijdschrift was maar de artikelen bleven vrijwel allemaal historisch in aard.6 Wat wellicht interdisciplinair was, was de toevoeging van oudheidkundigen en neerlandici aan de redactie. Gedurende 2012 werden de nummers steeds dikker tot ze gemiddeld 40 en soms 52 pagina’s hadden. Deze ruimte werd naast de vaste rubrieken gebruikt voor een divers aanbod historische artikelen, geschreven door de redactie en gastschrijvers. In december 2012 vroeg de redactie zelfs Eberhard van der Laan, de burgermeester van Amsterdam, om een bijdrage te leveren aan het themanummer Amsterdam – helaas had hij hier geen tijd voor. In 2013 veranderde de vormgeving van Galapas. Het blad werd voorzien van een nieuw logo en het titelblad werd, zoals tegenwoordig, een enkele grote afbeelding, in plaats van een afbeelding met marge zoals voorheen gebruikelijk

was.7 Vanaf deze vormgevingverandering werd het ook lastig om te achterhalen hoe de volgorde van de nummers in elkaar zat.8 Deze nieuwe vorm maakte veel gebruik van kaders met geronde hoekjes. Het stuk redactioneel, dat voorheen gebruikt werd om over het nieuws op landelijk of opleidingsniveau te vertellen, draaide in deze jaren vooral om het inleiden van het thema en het aantal artikelen dat door gastschrijvers werd geschreven daalde geleidelijk. En plots, in vroeg 2015, hield de publicatie van Galapas definitief op. codex Historiae: de feniks?

In plaats van Galapas werd in februari 2015 codex Historiae uitgedeeld onder de studenten. Een nummer met 60 pagina’s, voorzien van een strak, modern logo, in tegenstelling tot het logo van Galapas dat van lage grafische kwaliteit was. Zoals al eerder vermeld draaide dit nummer geheel om de toekomst. Er werd dat jaar door de studenten van de opleiding zelf een toekomstcongres georganiseerd, met allerlei alumni die vertelden over hoe geschiedenisstudenten een ambigue toekomst het best tegemoet kunnen. De volstrekt nieuwe layout liet codex meer ogen als een professioneel-gemaakte blad dan het studentgemaakte Galapas. Hogekwaliteit afbeeldingen, en geen enkel artikel dat niet te lezen was door een tedonkere achtergrond! In de inleiding van 6 pagina’s werd uitgelegd door hoofdredacteur Daan Nijssen waarom het blad van naam was veranderd. Volgens hem had Galapas iets te goed zijn naam nageleefd als grot-bewonende kluizenaar (het blad was vernoemd naar de leraar van Merlijn in de legendes van Arthur). In plaats van actief in het studentendebat staan, hield de redactie afstand van studievereniging Merlijn en de facultaire studentenraad. Ze schreven ook vrijwel niet over ontwikkelingen op de Vrije Universiteit, volgens Nijssen. Het blad moest vernieuwen, open staan voor inspraak van studenten, een platform zijn voor debat, en niet alleen schrijven over geschiedenis. De naamsverandering was een weerspiegeling van dit streven: de betekenis van de naam Galapas was onduidelijk (het begon zelfs een 10-jaarlijkse traditie te worden om te achterhalen waarom die naam gebruikt werd)9 terwijl codex Historiae duidelijk een geschiedenisblad is.10 Er werd aan dit nummer inderdaad een hoop bijgedragen van buiten de redactie: interviews met studenten en historici en columns door politici en artikelen over hoe studeren aan de VU is veranderd. Het volgend nummer, Vergeten Verleden, zette dit voort. In plaats van een thema, werd besloten om twee thema’s te tackelen, namelijk onderbelichtte geschiedenis en de Tweede Wereldoorlog. Dit dubbele thema bood ruimte voor een hoop artikelen,

Een voorbeeld van de inhoudsopgave uit jaargang 34.


41 Daan Jansen

van een fotogalerij over herdenkingsmonumenten voor de tweede wereldoorlog tot hoe je het beste om kan gaan met scripties publiceren. Merlijn kreeg vanaf dit nummer een vaste pagina om te schrijven over toekomende evenementen, oproepen tot commissies, of wat ze dan ook wilden. De feniks kan niet vliegen De eerste twee nummers van codex blonken uit als energieke stappen in de goede richting. Voor twee nummers was codex een blad dat niet alleen bezig was met geschiedenis maar ook als hoofddoel had om te publiceren over het studentenleven. De redactie zocht actief voor inbreng en hulp, maar al snel verviel codex weer. De nummers werden weer dunner, van 60 en 56 pagina’s naar de inmiddels gebruikelijke 40 pagina’s. In het decembernummer van 2015 werd met 8 vrijwel lege pagina’s geprobeerd te verhullen dat het nummer een stuk dunner was dan normaal.11 Naast de gebruikelijke Merlijnpagina (die in 2017 ophield toen het Merlijnbestuur geen baat meer zag bij samenwerken met codex) waren er enkel historische artikelen te vinden in codex. Elk nummer had wel een artikel geschreven door een gastschrijver, maar daar bleef het bij.Voor de rest werd alles door de redactie geschreven – een aantal nummers voornamelijk door hoofdredacteur Berith van Pelt. Zij was ogenschijnlijk af en toe helemaal alleen verantwoordelijk voor het blijven voortbestaan van codex. Er ontstond vanaf ongeveer 2016 een gang van zaken dat tot op heden nauwelijks verstoord is. Is codex weer een kluizenaar geworden? Daan Nijssens visie van een radicale breuk met het verleden van Galapas is er naar mijn onderzoek niet uitgekomen. Daarom wil ik tot slot van deze geschiedenis kijken of Nijssen wel gelijk had over hoe Galapas zich ontwikkelde over een langer termijn dan hij zelf waarschijnlijk had

Alle nummers van Galapas en codex Historiae gepubliceerd van 2010 t/m 2019. meegemaakt. Klopt het dat er zo weinig inbreng was van buitenaf bij Galapas? De eerste twee nummers van codex hadden respectievelijk 20 en 19 artikelen, waarvan ongeveer de helft door gastschrijvers werden geschreven. In de laatste twee jaar van Galapas werd het leeuwendeel van de artikelen inderdaad door de redactie geschreven, maar daarvoor was er een meer gelijke verdeling: ongeveer een derde van artikelen die tussen 2010 en 2013 werd gepubliceerd kwam van buiten de redactie. Helaas heb ik geen cijfers genoteerd voor de jaren 2000-2009, maar in de jaren ’80 en ’90 waren vaak soortgelijke verhoudingen te zien. Met de overstap van Galapas naar codex heeft het blad zeker op bepaalde vlakken geprofiteerd: De academische waarde van de artikelen is met de duidelijkere bronvermelding verhoogd; en de professionele vorm geeft het blad een zeker aanzien die Galapas in mijn ogen niet had. Ik vrees toch dat dit juist de redactie het gevoel gaf dat met de studenten werken niet zo belangrijk was als kwalitatief hoge artikelen neerzetten over hun eigen onderzoeksinteresse. Redactieleden bleven dit decennium ook steeds langer in de redactie, een gewoonte dat waarschijnlijk ook bijdroeg aan een relatief gesloten kringetje. Galapas kwam vaker dan codex met rubrieken als een historische quiz, een kruiswoordpuzzel of een cartoon. Dat maakte het tot een blad dat de studenten tot hun eigen konden maken. codex mist dat. 40 jaar hebben codex en haar voorganger hard gewerkt om de studenten te betrekken bij het blad, het vakgebied en de faculteit. Dat ging met pieken en dalen. Momenteel zit het blad een aantal jaar in een dal. Als codex wil blijven bestaan,


42

moet het blad weer relevant worden voor de studenten. Niet alleen als een blad om in te publiceren, maar ook een blad dat studenten graag openslaan. Voor de huidige redactie en toekomende redacties dus de taak: probeer de sterke punten van Galapas en codex te combineren. De redactie is begonnen door dit nummer aan scripties te wijden: iets wat alle studenten (ooit) zal aangaan. Er komen ook andere veranderingen: onder andere aanpassingen aan de huisstijl en meer interviews en discussies. Samen gaan we op naar de 50 jaar!

Verwijzingen

1 Daan Nijssen, ‘De toekomst van Galapas’ in: CODEX Historiae 36:1 (februari 2015) 7. 2 100 jaar geschiedenis was eigenlijk nummer 2 van jaargang 39 maar werd als nummer 3 gemarkeerd. Dit spotten wij pas bij het Show-nummer en vandaar zijn Opstand en Show allebei nummer 4. Zo zijn er ook drie nummer 2s van jaargang 37. 3 Zie bijvoorbeeld Hans-Ulrich Niemitz, Did the Middle Ages really exist? (Berlijn 1997) te vinden https://www.cl.cam. ac.uk/~mgk25/volatile/Niemitz-1997.pdf in 4 Redactie, ‘Hollands grootste hufters en helden’ in: Galapas 30/31:2 (februari-maart 2010) 24. (De jaargangen zijn onduidelijk vanwege de in de tekst genoemde fout waarbij jaargang 30 is overgeslagen. 5 De bosatlas werd als prijs geboden voor een essay van

500-1000 woorden met als opdracht het “beschrijven welk (historisch) vergeten moment herinnering verdient”. Zie: Redactie, ‘Essaywedstrijd vergeten verleden’ in: Galapas 33:1 (februari 2012) 34. 6 Er werd in het februarinummer van 2012 aangekondigd dat Galapas interdisciplinairder is geworden. Zie: Hester Blom, ‘Galapas staat in bloei!’ in: Galapas 33:1 (februari 2012) 2. 7 Deze omslag nam plaats met het meinummer van 2012 (jaargang 33, nummer 2) en ontwikkelde zich in de loop der jaren naar een gekleurde kaft met minder woorden erop. 8 Op de kaften werd geleidelijk steeds minder informatie geboden over de jaargang of het nummer. Het laatste nummer van Galapas, dat vermoedelijk in de winter van 2014/15 werd uitgebracht, heeft enkel een logo en een foto op de kaft. Het thema (Geloof) werd alleen door het lezen van het stuk redactioneel duidelijk. 9 Zie de voorgaande artikelen in deze reeks. Aan het eind van elk decennium ging iemand terug naar het eerste nummer van Galapas. 10 Nijssen, De toekomst, 7. 11 CODEX Historiae 36:4 (december 2015).

De Grote Geschiedenisquiz verscheen een aantal jaar regelmatig in de Galapas. Kan jij deze oplossen? Mail je antwoorden naar info@codexhistoriae.nl!


43

codex Historiae

Thema: Aarde Maart 2020

2020 wordt het jaar van de elementen. In maart verschijnt het nieuwe nummer van CODEX Historiae. Deze editie zal in het teken staan van Aarde. In dit themanummer kun je alles lezen over de traditionele elementen, het anthropoceen, Europese verbeeldingen van tropische eilanden en nog veel meer! Wil je bijdragen? Neem dan contact met ons op! De deadline is 26 januari. Blijf op de hoogte via onze socialmediakanalen of via onze website codexhistoriae.nl. 2020 will be the year of the elements. The next issue of CODEX Historiae will appear in March, and will be all about Earth. In this issue, you can read all about the traditional elements, the anthropocene, European imaginings of tropical islands, and much more! Do you want to contribute? Contact us! The deadline is the 26th of January Stay up to date through our social media channels or via our website codexhistoriae.nl.


44

codexhistoriae.nl


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook