Opstand!
Jaargang 39 | Nummer 4 | 2018
codex Historiae
2
Redactioneel “Oktober 2018 staat in het teken van Opstand,” zo meldt de website van de Maand van de Geschiedenis. En daarom gaat ook deze editie over dit thema. We schrijven over volksopstanden en over kleine, individuele opstanden; over opstanden met geweld en over stil verzet. Het wordt echter ook tijd dat we zelf in opstand komen.Voor ons vakgebied, voor de Geesteswetenschappen. De recente nieuwsberichten liegen er niet om: als alle tweedejaars studenten Nederlands aanwezig zijn, zit er een handjevol taalliefhebbers in de collegezaal op de VU. De Geesteswetenschappen verliezen aan populariteit en dat laat ook het teruglopende aantal aanmeldingen voor de studie Geschiedenis aan de VU zien. En dat terwijl de Geesteswetenschappen zo belangrijk zijn. In ons vorige nummer lieten we al zien hoeveel historici te bieden hebben. Hoe kunnen we het heden begrijpen als we ons niet in het verleden verdiepen? Hoe kunnen we de wereld om ons heen interpreteren als we de manier waarop we die wereld in kaart brengen, met woorden en beelden, niet bestuderen? Historici zijn schrijvers. Laten wij door te schrijven duidelijk maken dat wij er mogen zijn, dat we er moeten zijn. Laten wij door te schrijven zien wat we waard zijn. “October 2018 is all about Rebellions,” mentions the website for the annual National History Month. That’s why this edition is all about this theme as well.We will cover popular uprisings and smaller, individual uprisings, and we will touch upon violent revolt and silent resistance. However, the time has come to stand up ourselves and defend our field, to defend the Humanities. The recent news reports do not lie: there is only a handful of language lovers that are still studying Dutch at the Free University. This decreasing popularity of the Humanities is also visible in the number of applications for the History program at the Free University. All of this seems like we start to forget how important Humanities are. In our last volume we already discussed everything historians have to offer. How can we understand the present when we don’t dig deeper into the past? How can we interpret the world around us if we don’t study the way we represent this world in words and images? Historians are writers. By writing, we raise our hand and say we deserve to be here, or even have to be here. By writing, we can prove the value of our presence.
Colofon
Hoofdredactie Berith van Pelt Chief editor Redactie Berend Mul Editors Bob Vek Emilia Salerno Jasmijn Groot Jedidja Stikkelorum Eindredactie Julia Steiner Copy editors Emma Kemp Sophia Busselaar
Gastschrijvers Daan Kloosterman Guest writers Ellen van Heteren Tirza Westland Vormgeving Graphic design
Daan Jansen
Cover De Vrijheid leidt het volk. Eugène Delacroix, 1830.
Mail voor meer informatie over abonneren, publiceren of adverteren naar info@codexhistoriae.nl. Financieel mogelijk gemaakt door de Vrije Universiteit Amsterdam. Amsterdam, oktober 2018.
3
In dit nummer Actualiteiten Berith van Pelt
pagina 4
Van Monarchie tot Democratie IdeeĂŤn over staatsvormen onderworpen aan een reality-check Ellen van Heteren
pagina 6
Tegen de Roofzuchtige en Moorddadige Boeren Luther en de boerenopstand van 1525 Jedidja Stikkelorum
pagina 9
Jakobijnen in Moskou De Rode Terreur in Rusland, 1917-1922 Daan Kloosterman
pagina 13
Kleren maken de man Nationaal kostuum tijdens de Franse Revolutie, 1789-1799 Tirza Westland
pagina 16
Opstand in Oudorp Desertie, burgerlijke ongehoorzaamheid en een hoger beroep Jasmijn Groot
pagina 20
The Misinformation Age The consequences of the Digital Revolution Emilia Salerno
pagina 26
Modern Protest Het (nieuwe) Wilhelmus Berith van Pelt
pagina 31
Symbool van Opstand Het Maagdenhuis in Amsterdam Jasmijn Groot
pagina 36
4
Actualiteiten Ook dit jaar is oktober de Maand van de Geschiedenis. Rondom het thema ‘Opstand’ worden veel verschillende activiteiten georganiseerd door het hele land. Wij selecteerden een aantal interessante en verrassende uitjes in en om Amsterdam. Meer informatie over Maand van de Geschiedenis en de activiteiten vind je op codexhistoriae.nl/themas/opstand.
Stadswandelen Amsterdam was in de jaren 60 van de vorige eeuw het podium van maatschappelijke opstand, radicale vernieuwing en daaraan gekoppelde artistieke experimenten. Verschillende plekken vertegenwoordigen hierdoor historische gebeurtenissen. Het Maagdenhuis bijvoorbeeld, dat door de studentenbezettingen historische waarde gekregen heeft. In oktober kun je elke zaterdag onder leiding van een gids langs onder andere deze historische plek wandelen. Tijdens de wandeling komt het verleden weer tot leven en wordt aandacht besteed aan de waarde die het verleden nu voor ons heeft.
Over ‘hoeren’, ‘heksen’ en ‘heldinnen’ “De geschiedenisles die je nooit hebt gehad,” luidt de introductie van het nieuwe educatieplatform F-site. Het platform zal zich inzetten om verandering te brengen in de eenzijdige historische beeldvorming en biedt gratis lesmateriaal over vrouwen in de geschiedenis. Verschillende sprekers brengen onbekende historische vrouwen onder de aandacht tijdens de lancering op 29 oktober in de Rode Hoed.
Jeanne d’Arc, een vrouw over wie je waarschijnlijk wel geschiedenisles gehad hebt.
5 Berith van Pelt
Nacht van de Geschiedenis Traditioneel wordt de Maand van de Geschiedenis afgesloten met een avond vol debatten, lezingen, muziek en interviews over het thema tijdens de Nacht van de Geschiedenis. Op zaterdag 27 oktober staat het Rijksmuseum in het teken van opstanden, rebellie en revoluties. Ook de Black Achievement Month maakt deel uit van het programma.
De Tsjechische underground cultuur Slavist Kees Mercks geeft op 28 oktober in het Comenius Museum in Naarden een lezing over de Tsjechische underground cultuur. Deze lezing sluit de tentoonstelling Het erfgoed van Comenius, de geboorte van Tsjechoslowakijke af. Mercks gaat in op de Tsjechische cultuurgeschiedenis van de periode 1969 tot 1989. Aan bod komen verschillende Tsjechische schrijvers uit de undergroundliteratuur en migrantenliteratuur.
Op de VU Het onderzoek aan de Faculteit der Geesteswetenschappen staat niet stil. In elk nieuw nummer van CODEX vind je een overzicht van recent gepromoveerden aan deze faculteit van de Vrije Universiteit Amsterdam. Meer informatie over de proefschriften vind je op codexhistoriae.nl/themas/opstand.
September 2018 Visser ‘t Hooft. Een leven voor de oecumene Jurjen Zeilstra
6
Van monarchie tot democratie Ideeën over staatsvormen onderworpen aan een reality-check
Koningen, dictators, parlementen en volksmenners hebben door de eeuwen heen de westerse samenlevingen geregeerd. De ene staatsvorm wierp de ander omver en moest vervolgens zelf weer plaatsmaken voor een nieuw idee om de samenleving te besturen. Er werd nagedacht over monarchieën, aristocratieën, democratieën en totalitaire staatsvormen en vooral over wat de beste staatsvorm zou zijn. Plato, de beroemde filosoof uit de oudheid, heeft verschillende staatsvormen besproken in zijn Politeia. Aristoteles, de leerling van Plato, geeft zijn oordeel over de kwaliteit van deze samenlevingsvormen in zijn werk Politica. In 1536, tijdens de Reformatie in Europa, schrijft ook Johannes Calvijn over wat volgens hem de beste staatsvorm is: in zijn geval een combinatie van staatsvormen. In zijn Onderwijzing in de christelijke religie of de Institutie schrijft hij over de eisen waaraan een staatsvorm moet voldoen om een goede christelijke samenleving te ondersteunen. Een zeer belangrijk geschrift van de geschiedenis van de twintigste eeuw is het Communistisch Manifest van Karl Marx en Friedrich Engels, waarin zij uitleggen dat de toenmalige industriële samenleving zou leiden tot een nieuwe staatsvorm: het socialisme of communisme. Dit zijn slechts enkele voorbeelden die niet alleen belangrijk zijn geweest voor het debat toen, maar ook voor het werkelijke verloop van de westerse geschiedenis. Nu, in 2018, kunnen we terugkijken en hun theorieën een realitycheck laten ondergaan. In theorie De theorieën over de verschillende staatsvormen hebben tot een discussie geleid die nog steeds voortduurt. Niet alleen bespreken de denkers de voor- en nadelen van de
Plato en Aristoteles in Rafaels School van Athene.
verschillende vormen, ook leggen zij uit waarom zij denken dat sommige samenlevingsvormen onvermijdelijk zullen vallen of ontstaan. Zo dacht de Griekse historicus Herodotus (ca. 484-425 v.Chr.) na over de pro’s en con’s van de democratie. Volgens hem zou een zeer vrije vorm van democratie waarin het volk alle macht heeft, kunnen leiden tot onrust en criminaliteit. Om ervoor te zorgen dat de vrede wordt bewaard en dat de rust terugkeert, zou een sterk persoon moeten opstaan. In deze situatie grijpt deze persoon alle macht en sticht zo een monarchie.
7 Ellen van Heteren
Hetzelfde gaat op voor de oligarchie. Als families gaan strijden om de macht ontstaan openlijke conflicten die zullen leiden tot de overwinning van een van deze families en uiteindelijk tot die van een persoon. Dit is een andere manier waarop een monarchie kan ontstaan. Deze monarchie zou volgens Herodotus automatisch tot machtsmisbruik leiden, omdat de alleenheerser aan niemand verantwoording verschuldigd is. Tevens pleit de historicus dat iedereen van nature jaloers is, en op het moment dat iemand te veel macht krijgt, kan diegene gaan handelen naar deze jaloezie. Dit kan worden voorkomen door de macht in handen te leggen van het volk – en dus komt er een democratie (Herodotus, vert. 1921). De filosoof Aristoteles (ca. 384-322 v.Chr.) beschrijft in zijn werk verschillende soorten democratieën. Deze verschillen van elkaar wat betreft de machtsverdeling tussen de regering en het volk. De meest vrije vorm van democratie die Aristoteles beschrijft, is er een waarin niet de wet, maar de volksvergadering bepaalt. Dit betekent dat ‘volksmenners’ veel inspraak hebben en aan populariteit kunnen winnen in vergaderingen. Als een van deze volksmenners erin slaagt om alle macht naar zich toe te trekken, wordt hij een alleenheerser. Daarom zal volgens Aristoteles een democratische staatsvorm uiteindelijk vervallen in een monarchie of een andere vorm van alleenheerschappij (Aristoteles, vert. 1932). Ironisch genoeg is Plato (ca. 427-347 v.Chr.), leermeester van Aristoteles en felle tegenstander van de democratie, de enige die denkt dat deze staatsvorm wel zal overwinnen. Dit komt door het voordeel dat het normale volk heeft op het gebied van omvang en fysieke eigenschappen. Arme, ‘domme’ mensen die dag en nacht moeten werken om in leven te blijven, zijn lichamelijk veel sterker dan mensen uit de rijkere klassen, die studeren, muziek maken en andere intellectuele tijdsbestedingen hebben. Als de arme en rijke klassen tegenover elkaar komen te staan in een gewelddadige klassenstrijd is de uitkomst bij voorbaat al duidelijk.Volgens Plato is dit de manier waarop aristocratieën en oligarchieën uiteindelijk plaatsmaken voor de democratie (Plato, vert. 2013). Calvijn (1509-1564) is het eens met de voorgaande ideeën: ook hij denkt dat een monarchie gemakkelijk een tirannie kan worden en dat zowel aristocratie als democratie leidt tot wanorde. Daarom is het moeilijk te bepalen welke staatsvorm het meest bruikbaar is. Om machtsmisbruik te voorkomen, kan er volgens Calvijn het beste een mengvorm van aristocratie en democratie komen, zodat verschillende groepen elkaar kunnen controleren en willekeur kunnen voorkomen (Calvijn, vert. 2009). Marx (1818-1883) en Engels (1820-1895) geven misschien wel de meest overtuigende visie, omdat zij een direct verband leggen tussen het economische systeem en de val van een staatsvorm. Volgens hen kan een onderdrukkende klasse – in de tijd van Marx en Engels gaat dit om de bourgeoisie – alleen blijven bestaan als zij de onderdrukte klasse kunnen voorzien in hun levensonderhoud. De
bourgeoisie is echter altijd op zoek naar meer rijkdom en bezuinigt op het loon van haar arbeiders. Door het enorme aanbod van proletariërs ontstaat er genoeg concurrentie onder de arbeiders om de lonen zo laag mogelijk te houden, zodat deze arme klasse zichzelf niet langer kan onderhouden. De bourgeoisie geeft het proletariaat op deze manier niet alleen een reden om in opstand te komen, maar voorziet de onderdrukte klasse onbedoeld ook van de middelen. In een industriële samenleving zijn de arbeiders namelijk goed met elkaar verbonden door transport en communicatie. Hierdoor zal de bourgeoisie hoe dan ook vallen en zal het kapitalisme plaatsmaken voor het socialisme (Marx en Engels, 2008). Een monarchie kan leiden tot machtsmisbruik of rust; een aristocratie kan de heerschappij teweegbrengen van de mensen die daar het meest geschikt voor zijn of een onderlinge strijd veroorzaken; een democratie kan resulteren in vrijheid of chaos; en een socialistische samenleving kan uitmonden in het einde van uitbuiting. Het is aan de hand van de theorieën niet duidelijk welke staatsvorm het beste zou werken, omdat er verschillende uitkomsten mogelijk zijn. In de praktijk Het oude Athene is misschien wel het eerste dat in iemand opkomt, wanneer hij aan een democratie denkt. Hoewel Plato afkomstig was uit deze stad had hij ongelijk over de manier waarop deze staatsvorm tot stand is gekomen. Dit gebeurde niet in een keer door een klassenstrijd, maar door de veranderingen die grote staatsmannen doorvoerden. Zo kreeg Solon (ca. 640-558 v.Chr.) ten tijde van een crisis volmacht om de omstandigheden te verbeteren en dat deed hij door onder andere de burgerij in te delen in vermogensklassen in plaats van de gebruikelijke indeling op basis van afkomst. De tiran (!) Pisistratus (ca. 608-527 v.Chr.) veroverde een goudmijn, waardoor hij de militaire uitrustingen voor armere burgers kon betalen, die hierdoor deel uit konden maken van het leger. Omdat militaire macht in het oude Athene direct verbonden was aan politiek aanzien, was ook dit een belangrijke stap richting een democratie. Later verbrak de staatsman Cleisthenes (ca. 570-508 v.Chr.) de traditionele banden door mensen middels loting voor staatsfuncties te kiezen. Dit moest leiden tot loyaliteit jegens de staat, maar het hielp tevens de democratie. Op deze manier heeft de Atheense democratie zich in een tijdsbestek van ruim een eeuw stukje bij beetje gevormd (De Blois & Van der Spek, 2001). Aan het eind van de zesde eeuw v.Chr., toen de laatste Romeinse koning van de troon werd gestoten, ontstond er een oligarchie in Rome. Officieel noemde men het een democratie en hadden alle Romeinse, mannelijke burgers stemrecht, maar de stemverhoudingen waren zodanig verdeeld dat alleen de rijkste klasse werkelijk invloed had op de politiek. Daardoor functioneerde de Republiek als een oligarchie. Ook hier komt een voorspelling uit: door onderlinge strijd tussen staatsmannen om de macht ontstond uiteindelijk een alleenheerschappij. Hoewel dit
8
Vladimir Lenin (1870-1924) greep in 1917 de macht in Rusland en probeerde een socialistische heilstaat te stichten naar de voorspellingen van Marx. geen monarchie werd maar een keizerschap, komt deze gebeurtenis aardig overeen met de theorie die Herodotus heeft beschreven (De Blois & Van der Spek, 2001). Een bekend voorbeeld van uitbuiting binnen een monarchie is het ancient régime van Frankrijk in de zeventiende en achttiende eeuw. Dit ging door tot het punt waarop de crises en ontevredenheid zorgden voor onvermijdelijke veranderingen. Door de financiële situatie was koning Lodewijk XVI genoodzaakt de Staten-Generaal bijeen te roepen. Door de oneerlijke manier van stemmen binnen de vergadering liepen de derde stand en een deel van de andere standen weg. Ze kwamen samen op de Kaatsbaan in Parijs en beloofden niet uit elkaar te gaan voor er een nieuwe grondwet was gekomen. Dit was het begin van een hevige strijd die uiteindelijk uitmondde in de onthoofding van de Franse koning.Voor korte tijd was er een democratie met stemrecht voor alle mannelijke burgers, maar ook deze hield niet lang stand. Onrust, wisselende regeringsvormen en terreur zorgden ervoor dat er plaats werd gemaakt voor een sterke leider om hier een einde aan te maken: Napoleon Bonaparte (1769-1821). Ook nu lijken de theorieën van Herodotus over de verschuiving van een monarchie naar een democratie, en vervolgens weer terug, te kloppen (Merriman, 2010). Hoewel het ook in de twintigste eeuw in Rusland leek alsof de ideeën van Marx en Engels onvermijdelijk waren, gebeurde toch niet helemaal wat zij hadden voorspeld. Zij hadden een revolutie verwacht die was opgezet door het proletariaat in verzet tegen de bourgeoisie, maar in feite was het een verzameling van stakingen en demonstraties, in combinatie met een nieuw gekozen regering die ervoor zorgde dat de Russische tsaar werd afgezet. Dit maakte de weg vrij voor nieuwe onrust, een burgeroorlog en uiteindelijk een staatsgreep door de communistische partij onder Lenin.Veel van de ideeën van Marx en Engels werden hierna doorgevoerd, maar de betere wereld die zij verwacht hadden, moest plaats maken voor terreur, onderdrukking, totalitarisme en het financieel falen van het communisme (Merriman, 2010). Zelfs de democratie heeft lang niet altijd standgehouden, ook niet in moderne tijden. Een redelijk recent voorbeeld hiervan is de val van de Weimarrepubliek en de opkomst van Nazi-Duitsland. De ondergang van de democratie was wel degelijk goed voorspeld door Herodotus. In tijden van onrust, in dit geval de crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw, kwam een sterke leider, Hitler, naar voren die erin slaagde alle macht naar zich toe te trekken en de NSDAP als enige partij toe staan. Hierdoor was in feite de democratie gevallen (Merriman, 2010).
De verwachtingen over de uitkomst van verschillende staatsvormen lopen zeer uiteen en het lijkt alsof geen enkele staatsvorm stand kan houden zonder plaats te maken voor een andere. Elke staatsvorm heeft zo zijn voordelen, waardoor deze geprefereerd kan worden boven een andere, maar ook nadelen, waardoor de ideale samenleving toch niet helemaal ondersteund kan worden. Een monarchie leidt al snel tot machtsmisbruik, een aristocratie of oligarchie tot uitbuiting, een democratie tot onrust en communisme tot onderdrukking. Dit korte overzicht geeft vooral weer dat niet zo makkelijk kan worden voorspeld hoe bepaalde samenlevingen zullen uitpakken en door wie zij zullen worden bestuurd. Alleen de tijd zal het ons leren. Verantwoording • Aristoteles, Politica. Vertaald door Rackham, H. (1932). Politics. Cambridge, MA: Harvard University Press. • Calvijn, J., Institutie.Vertaald door De Niet, C. A. (2009). Institutie. Middelburg, Nederland: Den Hertog. • De Blois, L., & Van der Spek, R. J. (2001). Een kennismaking met de oude wereld (6e ed.). Muiderberg, Nederland: Coutinho. • Herodotus, Historiën. Vertaald door Godley, A. D. (1921). The Persian Wars. Volume II. Cambridge, MA: Harvard University Press. • Marx, K., & Engels, F. (2008). Het communistisch manifest. Amsterdam, Nederland: Pegasus. • Merriman, J. (2010). A History of Modern Europe. From the Renaissance to the Present (3e ed.). New York, NY: Norton & Co. • Plato, Politeia. Vertaald door Preddy, C. J. E. W. (2013). Republic.Volume II. Cambridge, MA: Harvard University Press.
9 Jedidja Stikkelorum
“Tegen de. roofzuchtige en. moorddadige boeren” Luther en de boerenopstand van 1525 “Het is tot nu toe het gebruik geweest dat men ons als lijfeigenen heeft gehouden, wat beklagenswaardig is, aangezien Christus ons met zijn kostbare bloed verlost en gekocht heeft” (vert. uit Roper, 2016, pp. 259-260). Op deze manier bepleitten een groot aantal boeren en lage edelen in de Duitse gebieden hun zaak toen ze in 1524 in opstand kwamen tegen hun heren. Deze opstand in wat nu Zuid- en Midden-Duitsland is, groeide uit tot de Boerenoorlog, die van 1524 tot ongeveer 1526 zou duren. Veel opstandelingen vonden hun legitimatie in het gedachtegoed van Maarten Luther, die zo’n zeven jaar ervoor zijn 95 stellingen had gepresenteerd in Wittenberg. Dankzij Luthers effectieve gebruik van de drukpers en zijn succesvolle ‘marketingcampagne’, ondersteund door schilder Lucas Cranach die hem in zijn portretten neerzette als een krachtig leidersfiguur, wist Luther een groot publiek te bereiken met zijn ideeën. Toch kon het boerenpubliek bij het uitbreken van de Boerenoorlog niet op Luthers onvoorwaardelijke steun rekenen. Wat was de achtergrond van deze opstand en hoe verhield Luther zich tot de opstandige boeren?
Oorzaken van de opstand De Boerenoorlog moet worden gezien als het hoogtepunt van een reeks uitingen van verzet onder boeren tegen sociale ongelijkheid. Deze opstanden begonnen al in de veertiende eeuw en verspreidden zich vanuit Zwitserland naar Engeland en de Duitse gebieden. Volgens Friedrich Engels (1820-1895) was de Boerenopstand een klassenstrijd
van “plebejischen” oorsprong, begonnen door “die große exploitierte Masse der Nation: die Bauern” (Engels, 1850, p. 340). Dr. M. Ruppert (1911-1992), voormalig eredoctor van de Vrije Universiteit, trok deze marxistische benadering in twijfel door te wijzen op de economische groei die zich in de zestiende eeuw manifesteerde en op het feit dat de opstand aanvankelijk vooral door de hoogst betaalde arbeiders werd ingezet (Ruppert, 1983). Pas later zouden de arme boeren zich bij het oproer aansluiten.
Waar moet de oorzaak van de opstand dan worden gezocht? Steven D. Martinson, professor in German Studies aan de universiteit van Arizona, zag het protest als de uitkomst van zowel politieke als religieuze doelstellingen, waarbij de Bijbel in beide gevallen centraal stond. Religieuze praktijken en doctrines werden in twijfel getrokken en er ontstond onbegrip over de lasten die de boeren moesten dragen. Landsheren wilden een uniform systeem creëren waardoor boeren meer belastingen en diensten moesten leveren en een groot deel van hun autonomie moesten opgeven. Ondertussen deed de Kerk niets om het gevoel van onzekerheid en onrechtvaardigheid onder de boeren weg te nemen, maar keurde ze de heerschappij van de landsheren juist goed (Martinson, 1988).
De Reformatie als legitimatie De vermenging van religieuze en politieke motivaties werd zichtbaar in het reeds bestaan van twee militante groepen
10
onder de opstandige boeren: Der Arme Konrad en de Bundschuh. De Arme Konrad beriep zich op het ‘oude recht’ van het Romeinse Rijk en wilde de kloof tussen de Keizer en zijn volk dichten. De Bundschuh vond zijn legitimatie in het ‘goddelijk recht’ en keerde zich uit naam van sociale en goddelijke gerechtigheid tegen de Katholieke Kerk door kloosters in brand te steken. Beide groepen hadden door de eeuwen heen opstanden georganiseerd en vonden in de Reformatie een nieuwe legitimatie voor hun militante optreden. Zo gaf Luther in zijn essay Von der Freiheit eynisz Christen menschen aan dat een christen “ein freier Herr über alle Dinge und niemandem untertan” is (Luther, 1520, p. 1). Bovendien verkondigde Luther het algemeen priesterschap van de gelovigen en vertaalde hij de Bijbel uit het Hebreeuws, Aramees en het Grieks in het Vroegnieuwhoogduits, de voorloper van het moderne Duits. Luthers woorden over vrijheid en gelijkheid onder christenen strookten volgens de boeren niet met de onderdrukking waar ze door hun landsheren onder te lijden hadden (Martinson, 1988; Ruppert, 1983).
De eisen van de boeren werden bekrachtigd door ze te voorzien van een bijpassend citaat uit de Bijbel. De standpunten van Luther kwamen het duidelijkst naar voren in de Twaalf Artikelen die de boeren in 1525 op de marktplaats van Memmingen proclameerden. Deze artikelen waren volgens Peter Blickle (1938-2017), een Duits historicus die gespecialiseerd was in vroegmoderne geschiedenis, een aanklacht, een hervormingsprogramma en een politiek manifest tegelijkertijd. Binnen twee maanden waren er al 25 drukken verschenen, die zich vervolgens door de Duitse gebieden verspreidden. Blickle verklaarde het succes van de artikelen door te wijzen op de vervlechting van de Reformatie met de boerenrevolutie. De centrale leerstellingen van de Reformatie van vrede, liefde, eenheid en geduld konden niet de oorzaak zijn van de verontwaardiging onder de boeren, maar de onderdrukking van deze leerstellingen leidde tot verontwaardiging – en stond zelfs gelijk aan de onderdrukking van het evangelie en de wil van God! De bevrijding van de boeren uit hun slaafse onderdanigheid werd in vergelijking gebracht met de bevrijding van de Israëlieten uit Egypte (Blickle, 2014). Beide gebeurtenissen weerspiegelden volgens de boeren Gods oordeel en Gods wil. De boeren eisten onder andere de afschaffing van lijfeigenschap, het recht om hun eigen pastoor te kiezen en vermindering van de herendiensten. Alle eisen werden bekrachtigd door ze te voorzien van een bijpassend citaat uit de Bijbel.
Ermahnung zum Frieden Luthers reactie op de Twaalf Artikelen liet niet lang op zich wachten. Nog in hetzelfde jaar bekritiseerde hij het optreden van de boeren in zijn Ermahnung zum Frieden auf die
Zwölf Artikel der Bauernschaft. Lyndal Roper, een Australisch historica en schrijfster van de vol lof ontvangen biografie van Luther, boog zich in haar werk over dit vlugschrift. Volgens haar woog Luthers veroordeling van de landsheren, omdat ze het evangelie niet hadden aangenomen, niet op tegen zijn felle commentaar op het handelen van de boeren. Zo stelde Luther dat de belastingen die de boeren werden opgelegd slechts onbeduidende diefstal was in vergelijking met het geheel van autoriteit, rechten en eigendom waar de heren van beroofd zouden worden als de boeren hun wil doorzetten. Bovendien bespotte hij het gebruik van zijn eigen theologie door de boeren om hun eisen te rechtvaardigen. Bovenal bleef hij volgens Roper (2016) de eigendomsrechten van de heren fel verdedigen. Echter, was Luthers eerste reactie op de boerenopstand echt zo negatief?
Ruppert nuanceerde al in 1983 het eenzijdige beeld dat veel historici van Luthers reactie schetsten. Volgens hem was er geen sprake van dat Luther de kant van de vorsten koos, maar kwam zijn vlugschrift juist voort uit een diep medeleven met de boeren. Niet voor niets sprak hij ze toe met “liebe Freunde” en hoopte hij met zijn reactie te voorkomen dat de boeren het recht in eigen handen zouden nemen. Hij legde de opstandelingen vriendelijk doch dringend uit dat wat de boeren ondernamen niets te maken had met het ‘goddelijk recht’ dat ze wensten te handhaven. Toch stak ook hij van wal tegen de misstanden van de vorsten en beschuldigde hij hen er zelfs van het ware evangelie af te wijzen en hun macht te misbruiken. De oplossing die Luther voor ogen had, was echter niet gewelddadig verzet, maar een vreedzame beslechting van het conflict (Ruppert, 1983). Blijkbaar hadden de boeren Luthers leerstellingen verkeerd geïnterpreteerd.
Luther had een op het eerste gezicht nogal paradoxale kijk op het concept van vrijheid. Zo was hij enerzijds van mening dat iedere christen heerser is over alle dingen en aan niemand ondergeschikt is, terwijl hij anderzijds volhield dat een christen dienaar is van alle dingen en aan iedereen onderworpen is. Hoe zijn deze twee tegengestelde visies met elkaar te rijmen? Luthers theologie gaat uit van de doctrine van de twee rijken: het hemelse rijk en het aardse rijk. Deze dualistische visie gaat terug op het bekende traktaat van kerkvader Augustinus (354-430), De civitate Dei, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen de inwoners van de stad van God (civitas dei) en de aardse stad (terrena civitas). Terwijl de aardse stad wordt gedreven door machtswellust en zelfliefde, wordt de stad van God geleid door de liefde van God en altruïsme. Hoewel de twee steden recht tegenover elkaar staan, zijn ze ook met elkaar verweven (Van Oort, 2015). Deze verwevenheid wordt ook zichtbaar in Luthers theologie. Een individu kon volgens Luther alleen ware vrijheid bereiken door zijn naaste te dienen en onzelfzuchtig te handelen (Martinson, 1988). Omdat christenen nu nog in de aardse stad wonen, moeten ze hun wereldse leiders gehoorzamen en op een
11 Jedidja Stikkelorum
maatschappelijk verantwoorde manier handelen, met hun blik gericht op de stad van God en hun handelen gegrondvest in Gods wil. Deze doctrine ging niet samen met een gewelddadige opstand als die van de boeren tegen de gezaghebbers. In plaats daarvan pleitte Luther voor hervorming binnen de huidige sociale orde.
De oplossing die Luther voor ogen had, was niet gewelddadig verzet, maar een vreedzame beslechting van het conflict. Wider die räuberischen und mörderischen Bauern Luthers vermaning had niet het gewenste effect. De boerenopstand werd alleen maar gewelddadiger en verbreidde zich vanuit het zuiden van Duitsland naar Midden-Duitsland. De boeren trokken al plunderend door de Duitse gebieden, vernielden kloosters, stalen hosties, vermoordden graven en vorsten en staken gebouwen in brand. Deze toestand baarde Luther grote zorgen en nog eenmaal probeerde hij de boeren tot bedaren te brengen door zich met gevaar voor eigen leven onder de boeren te begeven en hen te smeken om hun gewelddaden te staken. Het was tevergeefs – de boeren bespotten hem en probeerden hem zelfs te doden. Nu Luther zich goed en wel bewust was van de ernst van de situatie, besloot hij een aanvulling te schrijven op zijn eerdere vermaning. Deze aanvulling zou veel stof doen opwaaien om de felheid ervan en werd zelfs het ‘harde boekje’ genoemd (Ruppert, 1983). Wat stond er precies in deze aanvulling?
De felheid van Luthers oproep choqueerde ook zijn naaste vrienden. Luthers aanvulling op zijn eerdere vlugschrift werd door latere drukkers losgemaakt van de Vermaning, waardoor het een op zichzelf staand boekje werd onder de titel Wider die räuberischen und mörderischen Bauern. In werkelijkheid luidde de titel van de aanvulling Wider die räuberischen und mörderischen Rotten der anderen Bauern. Het ging Luther dus niet om de boeren die hij in zijn eerste vermaning had aangesproken, maar om een select groepje boeren, voornamelijk de leiders van de opstand, die de rest van de boeren hadden opgestookt en aangespoord
Titelpagina van Luthers pamflet tegen de rebellerende boeren, Wider die Mordischen vnd Räubischen Rotten der Bawren, 1525, uit Nürnberg. Bron: wikimedia.org, afkomstig uit En bildmonografi van Hanns Lilje (1966).
tot geweld (Ruppert, 1983). Luther had wel door dat de goede bedoelingen, die achter de Twaalf Artikelen zaten en uitgingen van argumenten uit de Heilige Schrift, niet te rijmen waren met het gruwelijke geweld waarmee hij in aanraking was gekomen (Wien, 2017). Daarom riep hij de vorsten en landsheren op om hard in te grijpen en te “würgen und stechen, heimlich oder offentlich”, net zoals een dolle hond moet worden doodgeslagen, omdat hij anders terugslaat (Luther, 1525, p. 1). Luthers woorden weerspiegelen een hardheid die in zijn eerdere geschrift nog niet naar voren was gekomen.
De felheid van zijn oproep om de opstand neer te slaan, choqueerde ook zijn naaste vrienden. Dit heeft onder meer te maken met het tijdstip waarop Luthers aanvulling werd gepubliceerd. De boeren waren al zo goed als verslagen en de opstand was door de Duitse vorsten in bloed gesmoord (Roper, 2016). Luther had de arme boeren willen redden van het geweld van de opstandige massa en beschermen tegen de duivel die de boeren volgens hem aanzette tot moord en bloedvergieten. Helaas waren de vorsten zelfs na Luthers vermaning niet tot barmhartigheid bereid en bleef hun onderdrukkende gezag gehandhaafd, wat Luther
12
deed besluiten een tweede vlugschrift te schrijven. In plaats van te leren van hun fouten namen de boeren het recht in eigen handen en werd Luther ervan beschuldigd de boeren in de steek te hebben gelaten en de kant van de landsheren te hebben gekozen. Een schrijnend voorbeeld van deze aanname zijn de woorden van Martinson (1998, pp. 36-37) aan het einde van zijn hoofdstuk over Luther en de Boerenoorlog: “Whatever his motivations may have been, the fact remains that Luther’s decision to side with the princes secured the success of the Reformation.”
Luthers nalatenschap Luther was een man die wist waar hij voor stond en niet bang was om controversiële uitspraken te doen.Toch waren zijn beroemde 95 stellingen niet bedoeld om een scheuring in de Kerk te veroorzaken, maar om haar te zuiveren van misstanden en open te stellen voor de gewone man. De wens van de boeren om op een radicale manier tot de inwilliging van hun eisen te komen, strookte dan ook niet met Luthers eigen theologie. Luther was er heilig van overtuigd dat God de ultieme rechter was, ook al dreigde hij met zijn felle vermaningen soms wel zelf het recht in eigen handen te nemen en daarmee tegen zijn eigen opvattingen in te gaan. Uiteraard was Luther een mens van vlees en bloed en zijn bepaalde paradoxale denkbeelden lastig uit te leggen. Toch is het van belang om Luther niet simpelweg weg te zetten als een hypocriet figuur, maar ook aandacht te besteden aan de context waarin hij zijn controversiële vlugschriften schreef. Zo voorkomen we dat we zelf ook in de rol van rechter stappen door Luther te veroordelen en houden we onze ogen open voor nieuwe interpretaties van zijn nog altijd boeiende denkbeelden.
Verantwoording • Blickle, P. (2014). Die Revolution von 1525. Geraadpleegd van https://www-degruyter-com.vu-nl. idm.oclc.org/viewbooktoc/product/221396. • Engels, F. (1999). Der deutsche Bauernkrieg (Herz. ed.). Geraadpleegd van http://www.mlwerke.de/me/me07/ me07_330.htm. • Luther, M. (2017). Von der Freiheit eynisz Christen menschen. Geraadpleegd van https://www.luther2017. de/de/martin-luther/texte-quellen/lutherschrift-vonder-freiheit-eines-christenmenschen/. • Luther, M. (2018). Wider die räuberischen und mörderischen Rotten der Bauern (Herz. ed.). Geraadpleegd van https://www.checkluther. com/wp-content/uploads/1525-Wider-dier%C3%A4uberischen-und-m%C3%B6rderischenRotten-der-Bauern.pdf. • Martinson, S. D. (1988). Between Luther and Münzer: The Peasant Revolt in German Drama and Thought. Heidelberg, Duitsland: Universitätsverlag Winter. • Roper, L. (2016). Martin Luther: Renegade and Prophet. Londen,Verenigd Koninkrijk:Vintage. • Ruppert, Dr. M. (1983). Luther en de boerenopstand. Kampen, Nederland: J.H. Kok. • Van Oort, J. (2015). Civitas dei-terrena civitas: The Concept of the Two Antithetical Cities and Its Sources. In C. Horn (Red.), Augustinus, De civitate dei (3e ed., pp. 157-170). Geraadpleegd van https://www-degruyter-com.vu-nl.idm.oclc.org/ downloadpdf/boks/9783050050409/9783050050409009/9783050050409-009.pdf. • Wien, U.A. (2017). Luthers Verhältnis zu Bauern und Fürsten. In A. Melloni (Red.), Ein Christ zwischen Reformen und Moderne (1517-2017) (pp. 343-362). Geraadpleegd van https://tinyurl.com/y7t269uo.
13 Daan Kloosterman
Jakobijnen in .Moskou
De Rode Terreur in Rusland, 1917-1922 Op een koude Russische nacht tijdens het najaar van 1917 bestormt een uitzinnige mensenmassa het Winterpaleis in Petrograd (Sint-Petersburg). Er breekt totale chaos uit op het Paleisplein: er worden schoten gelost en verschillende mensen zakken getroffen ineen. De soldaten die het paleis bewaken blijken niet opgewassen tegen het enorme aantal bestormers en worden overmeesterd. De euforie die hierop volgt is groot. Het volk heeft de macht overgenomen! De revolutie is geslaagd! Het zijn beelden uit Oktober (Октябрь, 1928), een door Sergej Eisenstein (1898-1948) geregisseerde speelfilm, waarin de gebeurtenissen rondom de Russische Oktoberrevolutie worden nagespeeld. In werkelijkheid had de machtsovername van de Russische bolsjewieken er anders uitgezien: in Petrograd vond geen grootschalige bestorming plaats. Tijdens de opnames van Eisensteins film liep het Winterpaleis dan ook meer schade op dan dat het tien jaar daarvoor tijdens de bolsjewistische coup had opgelopen (Figes, 2014). Het was een bewuste geschiedvervalsing. Met de bestorming van het Winterpaleis in Oktober gaf Eisenstein Rusland haar eigen bestorming van de Bastille, het symbolische startschot van de Franse Revolutie (1789-1799). Dit was niet het enige element dat de Russen vanuit het achttiende-eeuwse Frankrijk zouden overnemen, ook de Rode Terreur werd door de bolsjewieken naar Rusland gebracht – met verstrekkende gevolgen. Terwijl met de bestorming van het Winterpaleis in Oktober slechts een revolutionair symbool voor het Russische bioscooppubliek was geënsceneerd, hield de politiek van de Rode Terreur de hele Russische samenleving in haar greep. In dit artikel wordt licht geworpen op enkele kenmerken van deze Rode Terreur, de redenen voor haar toepassing, en het historiografische debat dat hieromtrent gevoerd is. Terreur Wanneer men spreekt over ‘terreur’ als een vorm van politiek, dan wordt daarmee het geweld verstaan dat ten uitvoer wordt gebracht om een boodschap over te brengen op een breder publiek dan alleen het directe object van
het geweld. Door middel van geweld terroriseert de geweldpleger – bijvoorbeeld de staat – het publiek tot onderwerping (Ryan, 2015). Door bekende denkers als Machiavelli, Bodin en Montesquieu was het idee van politieke terreur in verband gebracht met het handelen van autocratische overheden. Met het losbarsten van de Franse Revolutie in juli 1789 was de wereld echter getuige van een ander soort terreur, terreur van onderaf. Het was een spontane en ongecontroleerde explosie van geweld uitgeoefend door het volk, gericht tegen het ancien régime. Revolutionaire leiders, in het bijzonder Maximilien de Robespierre (1753-1794), de leider van de Jakobijnse fractie, gebruikten terreur vervolgens weer als een wapen van de overheid. Van september 1793 tot juli 1794 vond een formeel aangenomen terreur van bovenaf plaats (Mayer, 2000). Vanaf het moment dat deze periode van Terreur werd uitgeroepen, tot aan de dag van vandaag, houden vraagstukken over terreur als revolutionair instituut zowel hervormers en revolutionairen als historici bezig: is terreur een noodzakelijk kwaad om een revolutie te doen slagen? Of is het een nodeloos en contraproductief gebruik dat enkel en alleen afgrijselijke bloedvergieten teweeg brengt? De Russische Jakobijnen Het is in ieder geval duidelijk dat de leiders van de Russische bolsjewieken terreur als een noodzakelijkheid zagen. Op allerlei manieren imiteerden zij de Franse Jakobijnen die met de Terreur geïdentificeerd werden. Zo kregen de revolutionaire ministers na de bolsjewistische machtsovername de naam ‘volkscommissaris’, die door de Russische revolutionair Leon Trotski (1879-1940) was overgenomen van de Jakobijnen (Figes, 2014). Hiernaast werden de nieuw opgerichte revolutionaire tribunalen door de bolsjewieken vergeleken met de Franse tribunalen, waar ten tijde van de Jakobijnse Terreur de doodsvonnissen uitgesproken werden (Rendle, 2011). Ook noemde de leider van de revolutie, Vladimir Lenin (1870-1924), die door Trotski al vóór de Oktoberrevolutie was vergeleken met Robespierre, de bolsjewistische beweging vanaf haar begin ‘Jakobijns’. Volgens Lenin en Trotski was terreur dan ook een onmisbaar instrument bij het slagen van de
14
revolutie. Zo schreef Lenin het falen van eerdere revoluties toe aan de ‘excessieve vrijgevigheid’ van het proletariaat, die haar tegenstanders had moeten ‘uitroeien’ (Pipes, 1991; Lenin, 1908).
Volgens Lenin en Trotski was terreur dan ook een onmisbaar instrument bij het slagen van de revolutie. Door sommige historici is gewezen op grote verschillen die er tussen de terreur in Frankrijk en in Rusland bestonden. In The Russian Revolution (1991) betoogt Richard Pipes bijvoorbeeld dat de bolsjewistische terreur geen oorsprong kende in van onderop ontstane terreur, zoals deze zich in het begin van de Franse Revolutie had gemanifesteerd. De Oktoberrevolutie van 1917 had ook niet geleid tot de omverwerping van een ancien régime; de Russische tsaar was al in februari van dat jaar van zijn troon verwijderd. Met de inname van het Winterpaleis vond een listige coup d’état plaats, waarmee een bolsjewistische minderheid de toenmalige regering opzij schoof, die na de Februarirevolutie van 1917 was gevormd door leiders van de Doema, het Russische Lagerhuis (Pipes, 1991). Na hun machtsovername kon deze minderheid alleen over een bevolking van miljoenen blijven heersen door middel van terreur, zo stelt Pipes (1994). Essentieel was hierbij de oprichting van de Tsjeka, de bolsjewistische geheime dienst. Deze “buitengewone commissie ter bestrijding van contrarevolutie, speculatie en sabotage” (Figes, 2014: 99) werd in december van 1917 in het leven geroepen en had als missie om, in de woorden van Tsjeka-leider Feliks Dzerzjinski (1877-1926), “tot de dood te vechten tegen de vijanden van de revolutie aan het interne front van de burgeroorlog” (Figes, 2014: 99). Desondanks gebruikte de Tsjeka in de eerste negen maanden na haar oprichting nog geen systematisch geweld (Suny, 2011). De Rode Terreur begint Het apparaat van de Rode Terreur begon pas echt op volle toeren te draaien nadat Lenin op 30 augustus van 1918 ternauwernood een aanslag op zijn leven overleefde. De aanslagpleger, een jonge vrouw genaamd Fanni Kaplan (1890-1918), werd ervan beschuldigd deel uit te maken van een complot bestaande uit de SociaalRevolutionairen en de kapitalistische machten, die tijdens de Russische Burgeroorlog (1917-1922) hun steun gaven aan de tegenstanders van de bolsjewieken. De reactie op de mislukte aanslag was heftig: duizenden mensen, uit alle lagen van de samenleving, werden door de Tsjeka gearresteerd als “bourgeois gijzelaar” (Figes, 2014). Een groot deel van de slachtoffers bestond uit tsaristische officieren en vertegenwoordigers van het tsaristische regime. Anderen werden vanwege hun status als ‘kapitalist’ opgepakt. Ook werden er mensen gearresteerd om geen andere reden dan dat zij zich in de buurt van een criminele activiteit hadden bevonden. Ieder uur van de dag vonden
er executies van gijzelaars plaats. Deze werden uitgevoerd als represailles voor mogelijke toekomstige aanslagen op bolsjewistische leiders en enige andere vormen van verzet tegen het regime (Pipes, 1991). Executies werden later vaak openbaar gemaakt, bijvoorbeeld in het weekblad van de Tjeka, waar onder het kopje ‘Rode Terreur’ lijsten met korte beschrijvingen van de geëxecuteerden en (soms) omschrijvingen van hun (vermeende) misdaden te vinden waren (Ryan, 2015). De executies zelf vonden echter altijd in het geheim plaats (Figes, 2014). Niet alleen moord, maar ook marteling was een veelvoorkomend verschijnsel in de gevangenissen waar de ‘tegenstanders van de revolutie’ naartoe werden gebracht. Deze excessen leverden kritiek op, zelfs vanuit de bolsjewistische Partij, maar de hardliners binnen de revolutionaire leiding – waaronder Lenin en Trotski – bleven hun waardering uitspreken over de Tsjeka (Figes, 2014). Hierdoor kon de geheime dienst invloed krijgen binnen alle Russische overheidsinstanties en veranderde het land al snel in een politiestaat die geregeerd werd met behulp van een allesomvattende terreur (Pipes, 1991). De Russische Burgeroorlog Er zijn ook historici die erop wijzen dat een groot deel van het geweld in Rusland een spontaan en ongecontroleerd karakter kende, en dat dit geweld weer een reactie was op ander geweld. Sinds de machtsovername van de bolsjewieken verkeerde Rusland in een staat van burgeroorlog. Zowel de bolsjewieken als hun mensjewistische en contrarevolutionaire tegenstanders – respectievelijk de Roden en de Witten – maakten tijdens de Russische Burgeroorlog gebruik van terreur. In Russia’s Red Revolutionary and White Terror (2013) beschrijft Liudmila Novikova het geweld dat ten tijde van de burgeroorlog plaatsvond in de Noord-Russische provincie Archangelsk, en concludeert dat de staats-gesanctioneerde terreur vaak overlapte met lokale conflicten en persoonlijke vendetta’s. Sterker nog, in sommige gevallen probeerden zowel de Roden als de Witten het geweld van de eigen milities te beteugelen, omdat zij inzagen dat bruut geweld, in de vorm van martelingen en andere beestachtigheden, vaak een ongewenst effect had op het moraal van de tegenstander en de lokale bevolking. Ondanks het feit dat de bolsjewieken – net als hun tegenstanders – soms dankbaar gebruik maakten van dit geweld, was de Rode Terreur dus zeker niet altijd politiek of ideologisch geïnspireerd, en in sommige gevallen een reactie op bruutheden die waren uitgevoerd door de tegenpartij (Novikova, 2013). De bolsjewistische overwinning tijdens de burgeroorlog in 1922, en daarmee het einde van de dreiging van een contrarevolutie, leidde echter niet tot het verdwijnen van de instituties van terreur. Hoewel al in februari van 1919 was verklaard dat het proletariaat de interne vijanden van de revolutie had verslagen, en dat de inzet van terreur niet langer nodig zou zijn, bleven de Tsjeka en diens opvolger, de GPOe, ‘vijanden’ oppakken, verhoren, veroordelen, en executeren. Ook de concentratiekampen die tijdens
15 Daan Kloosterman
de burgeroorlog waren geïntroduceerd, bleven in functie (Pipes, 1991). Waar terreur tijdens de burgeroorlog nog vaak de vorm had gekend van gewelddadigheden van onderaf, hield het bolsjewistische regime na de oorlog het geweldsmonopolie in handen (Novikova, 2013). De langdurigheid waarmee dit bewind haar politiek van terreur bleef voortzetten, is volgens Pipes een ander punt waarop de bolsjewistische Terreur van de Jakobijnse Terreur verschilde. Terwijl de Jakobijnse Terreur al binnen één jaar werd onderbroken door de plotselinge arrestaties en executies van de Jakobijnse leiders, ziet Pipes de Rode Terreur als een periodiek terugkerend verschijnsel binnen de geschiedenis van de Sovjet-Unie.
Ieder uur van de dag vonden er executies van gijzelaars plaats. Terreur van het volk? Grof geschetst bestaan er over de instelling van de Rode Terreur van bovenaf onder historici twee verschillende visies. De eerste visie is dat de macht van de bolsjewieken leunde op het gebruik van terreur. Ze konden alleen de macht in handen houden door het uitoefenen van terreur. Deze visie is bijvoorbeeld terug te zien in wat Pipes over de Rode Terreur schrijft. De tweede visie is dat de Rode Terreur vooral was ingesteld ter verdediging tegen dreigingen en geweld van de contrarevolutionaire tegenstanders tijdens de Russische Burgeroorlog (Figes, 1996). In zijn veelgeprezen A People’s Tragedy (1996) stelt Orlando Figes dat beide visies geen bevredigende verklaring voor de instelling van de Rode Terreur geven. Net als Novikova (2013) ziet Figes een terreur van onderaf. Maar in plaats van pogingen dit geweld te temperen, ondernamen de bolsjewieken vooral pogingen om de revolutionaire energie van het woedende volk te institutionaliseren, zo stelt Figes. Het systematische geweld van de Tjeka vloeide voort uit de wraakzucht die onder het volk bestond. Niet voor niets was de leuze ‘Dood aan de Bourgeoisie!’, welke op de muren van de verhoorkamers van de Tjeka-kantoren te lezen was, ook te horen in de Russische straten (Figes, 1996). Deze theorie is aannemelijk omdat zij ook een verklaring geeft voor de afname van het ongecontroleerde en vaak persoonlijk gemotiveerde geweld in de beginperiode van de Rode Terreur en het ontstaan van het staatsmonopolie van terreur dat hierop volgde. Net als Robespierre de guillotines versleet om in de bloeddorst van het Franse volk te voorzien, voorzagen Lenin en Trotski het twintigste-eeuwse Rusland van manieren om de haat tegen vermeende vijanden van de revolutie te botvieren. Met alle gevolgen van dien: velen vonden de dood in revolutionair Rusland. Schattingen over het aantal slachtoffers lopen zeer uiteen: gedurende het eerste jaar van de Rode Terreur zouden al mogelijk meer dan tienduizend gijzelaars geëxecuteerd zijn (Ryan, 2015). Figes stelt zelfs dat de Rode Terreur in totaal even veel slachtoffers heeft kunnen eisen als de slagvelden van
de Russische Burgeroorlog – waar meer dan een miljoen mensen het leven lieten (Figes, 2014). Epiloog: de Terreur van Stalin Onder de regering van Jozef Stalin (1878-1953) vonden nog veel meer Russen de dood. Het geweld van Stalins massale zuiveringen, die aan het eind van de jaren dertig plaatsvonden, verschilde echter op een belangrijk punt van dat van de Rode Terreur: terwijl het geweld tijdens de Rode Terreur over het algemeen relatief openlijk was geweest, werd onder Stalin gepoogd de zuiveringen voor het grote publiek geheim te houden. In The Sacralization of Violence (2015) schrijft James Ryan dan ook dat deze ‘Grote Terreur’ niet tot uitvoering werd gebracht om een boodschap op de rest van de samenleving over te brengen, maar om de samenleving daadwerkelijk te zuiveren van eenieder die mogelijk een gevaar kon vormen voor het stalinistische bewind. Ondanks het duizelingwekkende aantal slachtoffers van deze zuiveringen stelt Ryan dat er in dit geval niet gesproken kan worden van ‘terreur’ (Ryan, 2015). In ieder geval was het geweld nu nog meer dan tevoren een staatsaangelegenheid geworden. Desalniettemin waren de middelen die hierbij ingezet werden, zoals de geheime dienst en de concentratiekampen, niet nieuw. maar gecreëerd in de tijd van de Rode Terreur. Verantwoording • Figes, O. (1996). A People’s Tragedy: A History of the Russian Revolution, 1891-1924. Londen, Verenigd Koninkrijk:Vintage Publishing. • Figes, O. (2014). Revolutionary Russia: 1891-1991. New York,Verenigde Staten: Metropolitan Books. • Lenin, V.I. (1908). Lessons of the Commune. Lenin Collected Works (1972), 13, 475-478. Geraadpleegd van https://www.marxists.org/archive/lenin/works/1908/ mar/23.htm. • Mayer, A.J. (2000). The Furies: Violence and Terror in the French and Russian Revolutions. New Jersey, Verenigde Staten: Princeton University Press. • Novikova, L.G. (2013). Russia’s Red Revolutionary and White Terror, 1917-1921: A Provincial Perspective. Europe-Asia Studies, 65(9), 1755-1770. • Pipes, R. (1991). The Russian Revolution. Londen, Verenigd Koninkrijk:Vintage Publishing. • Pipes, R. (1994). Russia under the Bolshevik Regime. 19191924. Londen,Verenigd Koninkrijk:Vintage Publishing. • Rendle, M. (2011). Revolutionary tribunals and the origins of terror in early Soviet Russia. Historical Research, 84(226), 693-721. • Ryan, J. (2015). The Sacralization of Violence: Bolshevik Justifications for Violence and Terror during the Civil War. Slavic Review, 74(4), 808-830. • Suny, R.G. (2011). The Soviet Experiment: Russia, the USSR, and the Successor States. Oxford, Verenigd Koninkrijk: Oxford University Press Inc. De film Oktober (1928) van Sergei Eisenstein is in het geheel te zien via YouTube: https://www.youtube.com/ watch?v=YVuf3T3k-W0
16
Kleren maken de man
Nationaal kostuum tijdens de Franse Revolutie (1789-1799) De Franse Revolutie was een periode van veel radicale veranderingen. Deze veranderingen vonden niet alleen plaats op politiek en sociaal vlak, maar drongen door in vele aspecten van de samenleving. Een opvallend voorbeeld hiervan is in de mode. Mode was in Frankrijk niet alleen een belangrijke industrie, maar ook een levensstijl (Ribeiro, 1988). Door de eeuwen heen is de mode veel veranderd. Zulke veranderingen kunnen geleidelijk gaan of plotseling gebeuren. Ze zijn bijvoorbeeld afhankelijk van omstandigheden, zoals het politieke klimaat. Wanneer er in een land in korte tijd veel verandert, heeft dit invloed op de mode. We zien in de mode een duidelijk verschil in kleding van voor en na de Revolutie, maar ook tijdens de Revolutie gebeurde er veel op dit gebied. Doordat de macht
De eed van de Horatii, JacquesLouis David, 1784, Louvre.
nu bij het volk lag en niet meer bij de koning, voldeden oude regels niet meer. Dat gold ook voor regels op het gebied van kleding. Het benadrukte politieke en sociale verschillen, terwijl de samenleving meer een geheel moest zijn. Daarom was kleding ook een groot punt van discussie (Hunt, 1998). Het plaatsen van mode in een politieke context biedt een interessant perspectief. Kleding is meer dan wat mensen dragen, het zegt iets over wie ze zijn en aan welke kant ze staan. Dat kleding gebruikt kon worden om je politieke voorkeur aan te geven, is iets wat de revolutionairen ook door hadden. Kleding werd gebruikt als middel om politieke opvattingen uit te dragen. Dit politieke element komt niet alleen terug in de kleding zelf, maar ook in alle discussie die erover is geweest. Tijdens de Franse Revolutie is er vanuit de regering meerdere malen een poging gedaan om een nationaal kostuum voor te schrijven. Waarom was het voor de Franse revolutionaire regering zou belangrijk om een nationaal kostuum in te voeren? Vrijheid van kledij Een nationaal kostuum werd niet zomaar ingevoerd. Al vanaf het begin van de Revolutie werd er aandacht gegeven aan het kostuum, een term die gebruikt wordt om over de geschiedenis van kleding te spreken. Ook werd nagedacht over de manier waarop het kon bijdragen aan het concept van gelijkheid. Er is veel discussie over geweest, wat allemaal bewaard is in de notulen van de Franse regering. Ondanks dat vrijheid een van de speerpunten van de Revolutie was, werd al snel duidelijk dat dit niet voor kleding kon gelden. De Staten-Generaal van 1789 kunnen we zien als het begin van de discussie rondom de vrijheid van kledij. Hier werden de drie standen – de adel, geestelijkheid en de zogeheten derde stand – verplicht verschillende kleding te dragen, passend bij hun stand (Ribeiro, 1988). Deze verschillen in kledij zorgden voor een nog duidelijker onderscheid tussen
17 Tirza Westland
de drie standen. Een paar dagen na aanvang van de StatenGeneraal kwam deze kleding daarom al ter discussie te staan. Op 15 oktober 1789 werd elk verschil tussen kostuum van de afgevaardigden afgeschaft door de Nationale Conventie. Het kostuum van de religieuze ordes werd op 11 maart 1791 zelfs compleet afgeschaft. In 1790 verschenen al enkele beschrijvingen over de kostuums van de functionarissen, maar nog niets wat significant afweek van wat er eerder werd gedragen. De eerste stap naar een nationaal kostuum werd in juli 1792 gemaakt, toen het dragen van een kokarde (een rood-wit-blauwe insigne) verplicht werd voor mannen. In december 1792 deed Rabaut St. Etienne voor het eerst een voorstel voor een verplicht nationaal kostuum. Zijn idee viel in de smaak bij de Conventie. Dat vrijheid, en vrijheid van kledij, toch belangrijk was voor de revolutionaire regering blijkt uit een decreet van de Nationale Conventie. Op 29 oktober 1793 werd er bij wet bepaald dat geen enkele burger een andere burger kon dwingen zich op een bepaalde manier te kleden en dat iedereen vrij was om zich te kleden zoals hij of zij wenste. Deze vrijheid van kleding was betrekkelijk. Direct erna werd namelijk gezegd dat de Nationale Conventie niet van plan was om af te wijken van eerdere decreten die werden uitgevaardigd over de nationale kokarde, het kostuum van de geestelijkheid en travestie. De vrijheid van kleding beperkte zich tot de kleding passend bij de sekse, het was zeker niet de bedoeling dat vrouwen opeens broeken gingen dragen.
Door een nieuw kostuum zouden mannen gezonder, sterker en wendbaarder zijn en beter in staat zijn om hun vrijheid te verdedigen. Een nieuw kostuum Ondanks deze vrijheid van kleding was er een zekere interesse voor een nationaal kostuum, niet alleen voor functionarissen, maar juist ook voor burgers. Waarom zo’n kostuum nodig was wordt beschreven in Considérations sur les avantages de changer le costume français, een pamflet uitgegeven in 1794 door La Société Populaire et Républicaine des Arts. Deze sociëteit verving de kunstacademies van het ancien régime. In dit pamflet wordt verwezen naar de problemen van het oude kostuum dat tijdens het ancien régime werd gedragen, en naar de voordelen die een nieuw nationaal kostuum zou brengen. Het oude kostuum beperkte de vrijheid van beweging, was niet passend voor de activiteiten die tot het civiele en militaire leven behoorde, en leende zich te veel voor ijdelheid. Door een nieuw kostuum zouden mannen gezonder, sterker en
Schetsen voor het kostuum van een wetgever, Jacques-Louis David, 1794, Kasteel van Versailles.
wendbaarder zijn en beter in staat zijn om hun vrijheid te verdedigen. Een nieuw kostuum voor vrouwen zou ervoor zorgen dat zij kinderen met een betere constitutie zouden kunnen baren, wat de staat ten goede zou komen. In het stuk wordt ook specifiek de term “nationaal kostuum” gebruikt. Volgens La Société Populaire et Républicaine des Arts zou een nationaal kostuum de mogelijkheid bieden om de verschillen in leeftijd en functies van de burgers duidelijk te maken zonder de basis van gelijkheid aan te tasten. Gebruikmakend van het jargon van de Revolutie en de Republiek noemde La Société Populaire et Républicaine des Arts het haar burgerplicht om voor een verandering van het kostuum te zorgen, en om het voor te leggen aan het publiek. En democratisch als ze waren, wilden ze dat niet alleen besluiten, maar vroegen ze in een postscriptum op het pamflet of mensen hun ideeën op wilden sturen. Jacques Louis-David Deze ideeën werden uiteindelijk ook door de overheid opgepikt en op 14 mei 1794 nodigde het Comité de Salut Public, het comité van algemeen welzijn, Jacques Louis-David (1748-1825) uit om een nationaal kostuum te ontwerpen. Jacques-Louis David was naast een bekend schilder ook een belangrijke revolutionair. Ook was hij de oprichter van La Société Populaire et Républicaine des Arts.Voordat hij door het Comité de Salut Public werd uitgenodigd, hield hij zich al bezig met het idee van een nationaal kostuum. In 1792 schetste hij een kostuum voor een burgerlijk ambtenaar. Over dit kostuum schrijft de Schotse dokter John Moore in een boek over zijn ervaringen tijdens een reis door Frankrijk in 1792 (Moore, 1793). Volgens hem slaagde
18
David er deels in zijn kostuum te verspreiden. Moore zegt dat delen van zijn kostuum gedragen werden door velen, maar dat hij maar één iemand gezien had die het kostuum in zijn compleetheid droeg. Hoeveel Moore bedoelt met velen is echter niet bekend. Al is het verslag dus niet heel duidelijk, laat het ons wel zien dat David zich al bezighield met het idee van een nationaal kostuum voordat hij hier officieel voor werd uitgenodigd. Het Comité de Salut Public verzocht hem toen om zijn plannen voor de verbetering van huidige kostuum, zodat het beter zou aansluiten bij Republikeinse moraal en het karakter van de Revolutie, te presenteren aan het Comité en voor te leggen aan de publieke opinie. Zijn ideeën vielen in de smaak en tien dagen later werd hij aangesteld om de verschillende kostuums te graveren en in te kleuren. Het ging hierbij om kostuums voor zowel functionarissen als voor burgers en militairen. Van de gravures voor het burgerkostuum moesten er 20.000 exemplaren komen om over het land te verspreiden, van de andere gravures waren dat er 6.000. Verschillende functies kenden dus verschillende kostuums, maar er werd wel gesproken van een nationaal kostuum dat ook voor burgers gold. Het ontwerp Het nationaal kostuum moest volgens het Comité passen bij de moraal van de Republiek en het karakter van de Revolutie. Hoe dit door David werd geïnterpreteerd, is te zien in de schetsen die hij maakte (zie afbeelding 2). De kostuums die David eerder al ontwierp waren geïnspireerd door 16e-eeuwse Spaanse kostuums (Moore, 1793). Vergeleken met het gebruikelijke habit à la Française, wat gedragen werd door de adel, moeten de kostuums er wel ongebruikelijk uit hebben gezien. Het ontwerp kwam ook niet overeen met wat de rest van de bevolking droeg. De sansculottes, bijvoorbeeld, revolutionairen herkenbaar aan hun kleding, droegen een rode muts, een pantalon en korte jassen (Wrigley, 2002). Als je kijkt naar de kleding van deze groep, wat toch wel gezien werd als dé revolutionaire kleding, is de kokarde misschien wel de enige overeenkomst met het nieuwe kostuum.
Het veranderen van het kostuum was onderdeel van een groter programma om heel Frankrijk om te vormen naar een republiek De kostuums die David in 1794 ontwierp hadden ook historische invloeden, maar dan vooral Romeinse. Dit is niet vreemd, aangezien er in de Franse Republiek vaker teruggekeken werd naar de Romeinse Republiek. De burgers kregen eenzelfde kostuum, overheidsfunctionarissen ieder een eigen. Een deel van Davids motivatie om invloeden uit de klassieke oudheid te gebruiken kan ook komen uit zijn eigen interesse voor deze periode.Veel van zijn schilderijen
beelden klassieke scènes uit. Opvallend is dan ook dat Davids ontwerpen voor het nationale kostuum veel overeenkomen met de kostuums uit zijn schilderijen. Zo lijken de mantels veel op die gedragen in De eed van de Horatii (zie afbeelding 1). Inspiratie voor een nationaal kostuum kwam dus vanuit verschillende hoeken. 16e-eeuwse Spaanse kostuums, de associaties die de Republiek wilde hebben met de Romeinse Republiek en misschien vooral wel David zijn eigen smaak. Wat deze invloeden allemaal gemeen hebben, is dat ze zorgden voor een duidelijke breuk met het ancien régime. Bij een nieuw Frankrijk hoorde een nieuw kostuum dat voor eenheid en patriottisme moest zorgen. Iets wat ook terugkomt in alle kostuums zijn de kleuren van de tricolore. Omwenteling Het nationale kostuum leek er dus echt te komen. De politieke situatie sloeg echter om en het Jakobijnse regime werd in juli 1794 omvergeworpen. David was zeer politiek betrokken en was in januari 1794 zelfs president van de Nationale Conventie (Brookner, 1980). Na de val van Robespierre, een vriend van David, werd de eerst populaire David neergezet als een schurk, een tiran van de kunst. Op 2 augustus 1794 werd hij gearresteerd. Op 28 december van dat jaar werd hij pas weer vrijgelaten, maar zijn eerdere
Kostuum voor de leden van de Raad van Vijfhonderd. Gegraveerd door L.F. Labrousse naar het ontwerp van J. Grasset-Saint-Sauveur, 1795, Bibliothèque nationale de France.
19 Tirza Westland
politieke status kreeg hij nooit terug. Toch was de discussie over een nationaal kostuum niet voorbij (Fairchilds, 2001). Wel werd er afgezien van een kostuum voor alle burgers. Eén dag voor de opheffing van de Nationale Conventie werd nog een decreet uitgegeven voor verschillende kostuums voor functionarissen. Op basis van dit decreet werd in een manuscript per functie beschreven welk kostuum hierbij hoorde. In 1795 werd dit boek met administratieve uniformen uiteindelijk uitgegeven. Het boek bestaat uit prenten met kostuums voor alle functionarissen van het Directoire met daarbij een beschrijving van het kostuum én de functie van de verschillende ambten. De ontwerpen van de kostuums in dit boek worden toegeschreven aan J. Grasset de Saint-Sauveur (Grasset de Saint-Sauveur, 1795). De naam David wordt nergens genoemd, maar de kostuums zijn overduidelijk geïnspireerd door zijn ontwerpen (zie afbeelding 3). Een mantel uit het Palais Galliera laat zien dat de kostuums werkelijk vervaardigd en gedragen zijn (zie afbeelding 4). Beschouwing In veel stukken werd het onpraktische van het kostuum van het ancien régime opgegeven als reden voor een nieuw nationaal kostuum. Maar het veranderen van het kostuum had ook een achterliggende gedachte. Het was vooral een manier om de Republikeinse moraal op het volk over te brengen. De Franse Revolutie was een periode van onvoorstelbare onrust en elke manier om eenheid te creëren werd met beide handen aangegrepen. Het veranderen van het kostuum was onderdeel van een groter doel om heel Frankrijk om te vormen naar een republiek. Cultuur was een handige manier om patriottisme aan te wakkeren bij de bevolking (Fairchilds, 2001). Om een groep die altijd in een monarchie had geleefd om te vormen naar iets wat ze nooit waren geweest, republikeinen, is kostuum een handig instrument. Wat kleding doet met de drager moet zeker niet onderschat worden. De kostuums waren niet voor niets volgeladen met symboliek en de Franse kleuren bleu-blanc-rouge. De kostuums verbeelde het nieuwe Frankrijk. Door deze kostuums te dragen zouden de burgers in een klap ondergedompeld worden in het nieuwe Republikeinse gedachtegoed. Het verhaal van het nationaal kostuum weerspiegelt de politieke toestand van de Franse Revolutie en toont vooral de verschillende meningen in de regering. Het toont hoe personen die eerst geliefd waren opeens worden gehaat, zoals we bij Jacques-Louis David zagen. Het toont het verhaal van een nieuwe regering die alle mogelijke middelen aangrijpt om het volk te verenigen en te introduceren aan het nieuwe Republikeinse leven. Het is het verhaal van utopische revolutionairen die dachten dat de verandering van het ancien régime naar een egalitaire republiek kon worden vergemakkelijkt door kleding. En wat men draagt heeft ook wel zeker een grote invloed. Maar uiteindelijk bleek die niet groot genoeg. Het nationaal kostuum overleefde net zoals de Eerste Franse Republiek niet.
Verantwoording • Brookner, A. (1980). Jacques-Louis David. New York: Chatto & Windus. • Fairchilds, C. (2001). Fashion and Freedom in the French Revolution. In Continuity and Change 15(3) (pp. 419-499). Geraadpleegd van https://www.cambridge. org/core/journals/continuity-and-change/article/ fashion-and-freedom-in-the-french-revolution/2789E4 699B3F4D84D579468CB1EFFD71 • Hunt, L. (1998). Freedom of Dress in Revolutionary France. In S. Melzer (Red.), From the Royal to the Republican Body: Incorporating the Political in Seventeenthand Eighteenth-Century France (pp. 228-231). Los Angeles: University of California Press. • Moore, J. (1793). A Journal During a Residence in France. Geraadpleegd van https://play.google.com/books/ reader?id=Zv2gz2gM9MsC&pg=GBS.PA433 • Ribeiro, A. (1988). Fashion in the French Revolution. New York: Holmes & Meier. • Wrigley, R. (2002). The Formation and Currency of a Vestimentary Stereotype: The Sans-culotte in Revolutionary France. In W. Parkins (Red.), Dress, Gender, Citizenship, Fashioning the Body Politic (pp. 1947). Oxford: Berg. • Scans van Franse wetten en geschriften, geraadpleegd via https://gallica.bnf.fr
Mantel gedragen door volksvertegenwoordiger uit de Raad der Ouderen, 1798 , Palais Galliera, musée de la Mode de la Ville de Paris.
20
Opstand in Oudorp
Desertie, burgelijke ongehoorzaamheid en een hoger beroep
De Zes Wielen in Oudorp anno 1936
Piet en Mien Groot op hun bruiloft in juli 1940.
In Nederland besteden we nog steeds veel aandacht aan het herdenken van de Tweede Wereldoorlog. In de publieke geschiedenis lijkt de focus de afgelopen decennia te zijn verschoven van oorlogsslachtoffers naar oorlogshelden: films als Zwartboek (2004) en Bankier van het verzet (2017) gaan bijvoorbeeld over de mannen en vrouwen die opkwamen tegen het juk van de Duitse bezetter. Maar de grens tussen het zijn van ofwel een slachtoffer ofwel een held is vaak erg vaag. Zo zijn er persoonlijke geschiedenissen van mensen die niet opzettelijk in verzet gingen, maar die door omstandigheden geforceerd werden dat te doen. En soms eindigde dat met gevangenschap of zelfs de dood. Veel van dit soort verhalen zien het daglicht niet vanwege de complexe gevoelens die erbij komen kijken. Een voorbeeld daarvan is de oorlogservaring van Piet Groot, mijn grootvader. Hij schreef een kort manuscript
21 Jasmijn Groot
Kaartje van de Zes Wielen en de Hoornsevaart
over zijn opstandige acties tijdens de Tweede Wereldoorlog en de gevolgen voor hemzelf en zijn familie. Hij heeft dit nooit gepubliceerd, noch heeft hij er vaak over gepraat met vrienden of familie. Persoonlijk heb ik altijd gedacht dat het trauma dat hij met zich meedroeg hem belette om erover te vertellen. Maar de bestudering van zijn manuscript toont dat er complexere redenen achter zijn zwijgen schuilgingen. De koppige tuinder en de afvallige SS’er Het is eind 1943. Nederland wordt al ruim drie jaar bezet door de Duitsers, zo ook het West-Friese Oudorp (tegenwoordig onderdeel van de gemeente Alkmaar). Piet Groot, destijds 32 jaar oud, was sinds juli 1940 getrouwd met Mien Leek, met wie hij twee kinderen had gekregen,
Wim (links) en Piet Groot (rechts)
dochter Hanny en zoon Dick. Samen met jongere broer Wim was Piet in 1933 een tuinderbedrijf begonnen. Vlak voor de jaarwisseling waren Piet en zijn gezin verhuisd en was Wim in zijn oude huis aan de Hoornsevaart gaan wonen (zie kaartje). Ten tijde van die verhuizing had Piet op bevel van de bezetter zijn radio moeten inleveren. Voor degenen die zijn koppigheid en sterk gevoel voor moraliteit hebben gekend, is het niet verbazingwekkend dat hij daar geen gehoor aan had gegeven. In plaats daarvan had hij de radio in een glaskist in de schuur bij zijn oude huis verstopt (Groot, z.j.). Een aantal maanden later, op een goede dag in februari 1944, vond Piet het een goed idee om die radio te verplaatsen. Maar, toen hij het apparaat tevoorschijn haalde, maakte nieuwsgierigheid zich meester van hem: “Natuurlijk wilde ik weten of het ding het nog deed. Dus zocht ik eerst een
22
stopcontact en vervolgens de Engelse zender en kwam tot de conclusie dat alles nog perfect werkte!” En toen hij zijn voorzichtigheid zo liet varen, werd hij weggeroepen voor zaken. “De radio bleef staan waar hij stond.” (Groot, z.j.).
Piet Groot liet een manuscript achter over zijn oorlogservaringen, maar heeft het nooit gepubliceerd. Ondertussen waren de inwoners van de Zes Wielen in rep en roer: de Duitsers waren op komst. Zij waren op zoek naar een Nederlandse SS’er uit het nabijgelegen Bergen die was gedeserteerd. In de buurt verbleven destijds een aantal onderduikers, die door de waarschuwingen gelukkig op tijd een schuilplaats konden vinden in de molen van Willem de Jong. Groot schreef dat “[de illegaliteit in deze molen] een schuilplaats [had] gemaakt. De onder de molen doorlopende watergang was, onzichtbaar van buiten, aan weerszijden afgesloten door een gemetselde muur. Op die manier was er een prachtige geheime werkplaats ontstaan, waarin zo nodig onderduikers onderdak konden vinden.” Ook de gezochte SS’er kon te midden van deze commotie een plek vinden in de molen (Groot, z.j.). Hetzelfde kon helaas niet worden gezegd van broer Wim. Hij was tijdens de razzia thuis in zijn huis aan de Hoornsevaart, maar merkte de aanwezigheid van de Duitsers te laat op. Hij probeerde nog samen met een knecht naar zolder te rennen, maar dat mocht niet meer baten. De Duitsers stormden het huis binnen en arresteerden Wim meteen.Tot overmaat van ramp werd bij hun zoektocht door het huis de radio van Piet gevonden. Wim werd direct meegenomen naar het politiebureau in Alkmaar (Groot, z.j.). Aangifte Enkele uren na de razzia kwam Wims vrouw overstuur naar Piet en Mien toe en vertelde hen wat er was voorgevallen. Opa Piet herinnerde zich de radio die hij open en bloot in de schuur van zijn broer had laten staan en kreeg meteen het vermoeden dat dat de reden was waarom Wim was opgepakt. “Natuurlijk kon ik me wel voor mijn kop slaan, dat ik zo onvoorzichtig was geweest [...],” schreef hij later in zijn manuscript. Overvallen door een verschrikkelijk schuldgevoel probeerde hij via ‘goede’ agenten in Alkmaar zijn broer vrij te krijgen. Het enige wat hij kreeg was een gesprek met Wim in zijn cel. Deze ontmoeting bevestigde wel zijn donkerste vermoeden: Wim werd ten laste gelegd dat hij in bezit was geweest een radio, wat verboden was (Groot, z.j.). Tijdens dit bezoek reikte ook een oudere vrouw vanachter een celluikje naar opa Piet. Op de vraag wie zij was en waarom ze daar zat, kreeg hij een heel verhaal te horen: haar man en zij waren opgepakt omdat hun zoon bij de SS had gezeten en was gedeserteerd. Toen de Duitsers
Mien met dochter Hanny en zoon Dick. Mien stuurde deze foto naar Piet toen hij in de gevangenis in Amsterdam zat. bij hen langskwamen en merkten dat hun zoon niet thuis was, namen ze hen gevangen. Ze hadden gelukkig wel via de ondergrondse vernomen dat hij veilig aan de Frieseweg moest zitten. Opa, die vertelde dat hij daar vandaan kwam, kon hier geen bevestigend antwoord op geven. Maar de reden waarom die razzia had plaatsgevonden, die nu voor zijn eigen familie zoveel problemen had gezorgd, was wel duidelijk geworden (Groot, z.j.).
Broer Wim werd opgepakt voor de ontdekte radio: moest Piet zichzelf aangeven of niet? Piet bracht na zijn bezoek aan de gevangenis een aantal moeilijke dagen door. Zijn broer zat voor zijn misdaad vast. Moest hij zichzelf aangeven of niet? In overleg met zijn vrouw, familie en een aantal leden van het verzet in de molen probeerde hij tot een besluit te komen. De meesten reageerden afwijzend, met het argument dat Wim niet vrij zou komen als Piet zichzelf aan zou geven. Oma Miens toon was echter heel anders: “Je moet je door mij niet laten weerhouden en het voor jezelf uitmaken wat het beste is” (Groot, z.j.). En dat deed hij. Op 6 of 7 februari meldde Piet zich bij de politie van Alkmaar. De protesten van de ondergrondse bleken in eerste instantie terecht, want zowel Piet als Wim werden op transport gezet naar de gevangenis aan de Euterpestraat in Amsterdam. Daar werd Wim echter snel weer vrijgelaten, nadat Piet aan een Duitse rechter had verklaard dat de radio van hem was en dat zijn broertje niet eens van het bestaan afwist. Na een kort verblijf aan de Euterpestraat werd Piet overgebracht naar de Amstelveenseweg. Hoewel hij schrijft dat het eten en de behandeling die hij hier kreeg beter waren dan in zijn eerste verblijf, vertelt hij juist hier over brute mishandelingen van Duitse bewakers en een overvolle cel waar hij met zijn hoofd vlak bij de pot moest slapen. Maar ook deze gevangenis was niet het eindstation voor opa Piet. Vanaf
23 Jasmijn Groot
de Amstelveenseweg werd hij overgebracht naar kamp Amersfoort (Groot, z.j.). Kamp Amersfoort Officieel was kamp Amersfoort een transitiekamp voor uitzending naar Duitsland, maar in feite deed het dienst als werkkamp. De gevangen moesten zware arbeid leveren, zoals het omhakken van bomen en het graven van diepe geulen die verschillende doeleinden dienden. De kampgevangenen waren voornamelijk mannen die werden verdacht van communistische sympathieën, politieke tegenstand en ontsnapping aan de arbeidsinzet in Duitsland, maar ook economische vergrijpen en burgerlijke ongehoorzaamheid van velerlei aard (Kleinveld, 1994). Bij aankomst in het kamp werd Piet zijn zegel- en trouwring afgenomen en werd zijn gouden kies uitgetrokken (Brief, 1997, 11 maart). Daarna werd hij ingedeeld in een van de tien barakken die in het kamp stonden, die elk ongeveer 500 gevangenen huisden. Piet getuigt verder dat het kamp het ‘kapo-systeem’ hanteerde: er werden leidinggevenden uit de gevangenen gekozen die op de anderen moesten toezien en hen genadeloos moesten behandelen bij overtredingen. Ze kregen daarvoor een knuppel, zodat ze hen helemaal konden aftuigen. In ruil voor hun werk kregen ze dubbele rantsoenen (Groot, z.j.). Zelf voerde Piet andere taken uit tijdens zijn verblijf in het kamp. Zo was hij een tijdlang onderdeel van de felbegeerde ‘gamellendienst’: hij moest de gamellen schoonmaken, de RSV-tonnen waarin voedsel werd warm gehouden. Aangezien Piet en zijn collega’s op een mager rantsoen moesten leven, schraapten ze eerst de gamellen helemaal leeg. Het leverde telkens maar een half lepeltje op, maar blijkbaar waren Piet en zijn medegevangenen zodanig wanhopig dat dit een rijke toevoeging was op hun rantsoen. Piet raakte zijn plaats in de gamellendienst helaas kwijt toen hij niet in de houding sprong en “Achtung!” schreeuwde toen een Duitse bewaker binnenkwam (Groot, z.j.).
Van de gevangenis in Amsterdam werd Piet naar Kamp Amersfoort vervoerd. Hij werd meteen overgeplaatst naar de ‘W.C.-dienst’. In deze hoedanigheid moest hij elke dag de potten uit de barakken legen en reinigen – uiteraard net na het ochtendappel, wanneer alle mannen tegelijkertijd hun behoefte hadden gedaan, zo ook regelmatig naast de pot. Het was dan ook de taak van de W.C.-dienst om de hele barak in een mum van tijd schoon te maken met slechts water en een boender. Reinigingsmiddelen waren er niet, maar de leiding verwachtte wel dat de barakken zouden worden ontdaan van nare geuren. Was dat niet het geval, dan kreeg de W.C.dienst er zwaar van langs (Groot, z.j.).
De dappere huisvrouw Eind maart werden Piet en zijn medegevangenen opgeroepen voor het ochtendappel (Groot, z.j.). Deze appels werden in de regel geleid door Joseph Kotälla, de kamp-SS’er van Amersfoort. Kotälla, die alcoholist was en gedurende de hele oorlog aan psychische klachten leed, botvierde zijn opvliegende karakter en zijn kwade dronken buien op de gevangenen, wat hem de bijnaam ‘de beul van Amersfoort’ opleverde. Tijdens het appèl maakte hij er een gewoonte van de gevangenen af te beulen met een knuppel, hen te schoppen of hen tussen de benen te raken (Van Liempt, 2011). Tijdens deze routines werden echter ook weleens namen genoemd van mensen die om wat voor reden dan ook het kamp mochten verlaten. En op een dag, aan het einde van die maand maart, zat Piets naam er zowaar ook tussen (Groot, z.j.). Vanaf het moment dat Piet gevangen was gezet, had zijn vrouw Mien alles in het werk gezet om hem weer vrij te krijgen. Ze ging allereerst naar de destijds dienende burgemeester van Alkmaar. Hij stelde meteen een brief voor haar op, gericht aan het Duitse gerechtshof, waarin hij voor Piets vrijstelling pleitte. Hij verzon het verhaal dat Piet, als eigenaar van een groot agrarisch bedrijf dat belangrijk was voor de voedselvoorziening, onmisbaar werd geacht en dat de zaak, in zijn afwezigheid, volledig op de schouders van Mien was komen te rusten, terwijl zij ook nog twee kinderen had op te voeden. Met die brief ging Mien wekenlang elke donderdag naar Den Haag alwaar aan de Lange Vijverweg de Generaal-Staatsanwalt was gelegen. Ondanks de brief van de Alkmaarse burgemeester was zij als vrouw niet bemachtigd om het verhaal goed te behartigen en kreeg ze verder geen enkele hulp. Toch was het haar na vele bezoekjes eindelijk gelukt (Groot, z.j.).
Mien wist Piet weer vrij te krijgen. Voordat Piet en de andere zeven mannen, wiens namen ook waren genoemd, weg mochten, moesten ze eerst langs de beruchte ‘koppeninspectie’. Tijdens deze routine kwam hij oog in oog te staan met Kotälla. Piet schreef dat de SS’er iedereen voor vertrek grondig inspecteerde. Wanneer hij ergens ook maar een spoortje van vuiligheid bemerkte – en, zo liet Groot weten, die kans was heel groot gezien de geringe wasmiddelen die ze hadden – gaf hij je op die vuile plek een geduchte klap met een knuppel. Pas na het afronden van deze inspectie ging de slagboom omhoog en konden de ex-gevangenen gaan. Piet was weer vrij (Groot, z.j.). De daaropvolgende wandeling door Amersfoort omschrijft hij als een ware zegetocht. De vrijgelatenen werden door iedereen die ze tegemoetkwamen getrakteerd: de bakker kwam op hen af met een schaal gebakjes, waar ze er allemaal eentje van af mochten nemen; de slager verdeelde een worst; en een politieagent bracht hen naar het nabijgelegen bureau waar altijd een pannetje soep klaarstond. Als klap op
24
de vuurpijl werden er daar voor hen ook nog reispapieren en treinkaartjes geregeld. Bij aankomst op station Alkmaar vroeg Piet aan een fietser of hij bij zijn vrouw wilde langsgaan om te vragen of zij spekpannenkoeken wilde bakken voor zijn thuiskomst, want “daar [had hij] toch zo naar uitgekeken.” Dit was echter niet zo’n succes: na wekenlang op een uiterst mager dieet te hebben geleefd waren de pannenkoeken, bovenop de taart, de worst en de soep uit Amersfoort te veel en moest hij overgeven (Groot, z.j.). Nasleep Piets straf was nog niet kwijtgescholden. Hij moest in mei voor het Duitse Kriegsgerecht in Utrecht verschijnen. In de rechtszaal werd Piet in eerste instantie tot vier jaar tuchthuisstraf veroordeeld. Oma Mien nam daarop het woord: ze betoogde dat een nieuwe straf inging tegen het besluit van de Staatsanwalt, want deze vond dat Piet vrijgelaten mocht worden, omdat hij nodig was voor de voedselvoorziening. De rechter zei daarop dat Piet en Mien een gratieverzoek moesten indienen en dat hij dat dan wel zou ondertekenen. Ze werden er echter wel meteen op gewezen dat de afhandeling van dat verzoek lange tijd in beslag zou nemen en nog steeds kon worden afgewezen. Indien dat het geval zou zijn, zou het echtpaar hier niet van op de hoogte worden gebracht en werd Piet meteen weer opgehaald (Groot, z.j.). Piet was vanaf dat moment als de dood voor Duitse soldaten. Het gebeurde een aantal keer dat ze voor andere zaken langskwamen in de Zes Wielen, waarop Piet zich dan direct uit de voeten maakte. De paniek sloeg ook hard toe toen er een lijk van een SS’er in de Hoornsevaart dreef. Zouden de Duitsers weer naar Oudorp trekken? Zou de ellende weer opnieuw beginnen? Een razzia bleef dit keer echter uit, want het lichaam bleek dat van de gedeserteerde SS’er te zijn. De arme jongen was bij het verzet in de molen aan het verkeerde adres geweest. Nadat de razzia voorbij was, kwamen de andere onderduikers en de leden van de ondergrondse erachter dat hij bij de SS zat. Ze vertrouwden hem niet en geloofden hem ook niet toen hij zei dat hij was weggelopen. De jongen is daar toen ter plekke doodgeschoten en zijn verzwaarde lichaam was in de Hoornsevaart gegooid. Piet ging na ontdekking van het lichaam meteen naar de politie. Zij zorgden dat het lichaam werd opgedregd en in Oudorp werd begraven. Na de oorlog werd hij in Bergen herbegraven (Groot, z.j.). Van Piets tuchtstraf kwam verder niets terecht. Wel werd hij geïnformeerd dat hij niet nog een keer de fout mocht in gaan en werd hij opgedragen een boete van 870 gulden te betalen – destijds het jaarsalaris van een arbeider! (Brief, 1944, 14 juli Brief van das Deutsche Landesgericht, 1944, 24 juli; Brief van das Deutsche Gerichtskasse, 1944, 24 juli). Na de oorlog heeft hij meerdere pogingen ondernomen om dat bedrag terug te krijgen, alsmede de trouw- en zegelring die hem in kamp Amersfoort waren afgenomen, maar allemaal helaas zonder succes.
Joseph Kotälla kort na zijn arrestatie in 1945. Hij werd in 1948 door het Amsterdamse Bijzonder Gerechtshof veroordeeld tot de doodstraf, maar na meerdere psychologische testen werd die straf omgezet tot een levenslange gevangenisstraf.
De rest van zijn leven zou Piet moeite blijven hebben met zijn oorlogsverleden. Wat zijn manuscript duidelijk maakt, is dat hij een slachtofferrol niet accepteerde, omdat hij voelde dat de gang van zaken zijn eigen verantwoordelijkheid was. Als hij zich er eens naar over voelde, dan ‘huilde hij wel overzacht’ – om het maar met een mooi West-Fries gezegde te bewoorden. Maar ook op een heldenbetiteling zat hij niet te wachten. Sommige mensen waren onder de indruk van Piets moed en moraliteit, maar hij zag het niet als een bijzondere daad. Bovendien zag hij zichzelf vooral als de schuldige voor heel veel ellende – niet alleen zijn eigen verblijf in een werkkamp, maar ook de stress voor zijn broer, schoonzus en zijn vrouw en kinderen. Er werd vrijwel nooit gepraat over de tijd dat opa in kamp Amersfoort zat – mijn zusjes en ik werden zelfs geboden er niet over te beginnen, want dan zou hij alleen maar van streek raken. Alleen als hij naar herdenkingsdiensten van Kamp Amersfoort ging, vertrouwde hij zijn jongste zoon Peter, mijn vader, weleens toe, dat hij nog steeds nachtmerries had en dat de site van het kamp hem de rillingen bezorgde (Groot, 2012).
25 Jasmijn Groot
Brief van das Deutsche Landesgericht waarin Piet erop wordt gewezen dat zijn straf nog niet is afgelost en dat hij zich perfect dient te gedragen als hij niet weer in het gevang terecht wil komen.
Aan de andere kant vallen deze verliezen in het niet bij wat Piet in zijn verdere leven wél heeft gekregen: zijn bedrijf met Wim werd een succes, hij werd gemeenteraadslid in Alkmaar en hij was een van de oprichters van de Boerenleenbank, die uiteindelijk opging in de Rabobank. Samen met Mien kreeg hij naast Hanny en Dick nog vijf kinderen, negentien kleinkinderen en eenentwintig achterkleinkinderen. Mien overleed in 1991 op 76-jarige leeftijd aan de gevolgen van reuma en Piet overleed in 2007 op 96-jarige leeftijd aan de gevolgen van een herseninfarct.
Verantwoording • Brief (1944, 14 juli). Informering omzetting straf naar geldboete van der Reichskommissar aan Petrus Groot. Alkmaar: familiearchief familie Groot. • Brief (1944, 24 juli). Informatie over uitzitting reststraf van das Deutsche Landesgericht aan Petrus Groot. Alkmaar: familiearchief familie Groot. • Brief (1944, 24 juli). Verzoek om betaling van fl. 870,van Deutsche Gerichtskasse aan Petrus Groot. Alkmaar: familiearchief familie Groot. • Brief (1997, 11 maart). Informering verloren bezittingen gedurende de Tweede Wereldoorlog van P. Groot senior aan de heer prof. Dr. J.A. van Kemenade. Alkmaar: familiearchief familie Groot. • Groot, P. (z.j.). Manuscript, ‘Ik overleefde Kamp Amersfoort’. Alkmaar: familiearchief familie Groot. • Groot, P. (2012). Oorlog in Oudorp. Razzia aan de Zes Wielen. Kroniek van Oudorp, 7(1), 11–15. • Kleinveld, G. (1994). Onvoltooid verleden tijd. Toelichting bij een stereografisch overzicht van Het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort (PDA). Amersfoort: NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. • Van Liempt, A. (2011). Verzetshelden en moffenvrienden. Amsterdam: Uitgeverij Balans.
26
The Misinformation Age
The consequences of the Digital Revolution Starting from the second half of the 20th century, the exponential proliferation of computers and the improvement of communication technology marked the phenomenon that is commonly known as the Digital Revolution (Schoenherr, 2004). We are witnessing astonishing progress, which is faster than our own ability to adapt. From maths to art, every sector of human knowledge in the last five decades has been affected by digital developments, not only thanks to the constant upgrade of technologies, but also because of the enhancement of information access.
As a matter of fact, information technologies have reached a turning point in the 21st century, affecting contemporary societies so deeply, that this century has been defined as the Information Age (Castells, 1999).The birth and endemic spread of social media from the 1990’s has been a key factor in this definition, as their specific purpose is facilitating the exchange of information in various areas. Whereas some social media websites are more specifically oriented, such as LinkedIn for CVs and job vacancies, or Instagram and Pinterest for images and short videos, other websites, such as Myspace, Facebook and Twitter host and share a variety of information from mixed sources.
27 Emilia Salerno
Social media has had massive consequences on the communication dynamics. If the internet has made news from all over the world accessible in real time, social media has given everyone the chance to share, reflect and comment on them, without distinction of social and cultural background. The democratic access to data is one of the greatest gifts of the Information Age. However, great gifts might also hide great dangers. Conspiracy theories A few years ago, Umberto Eco, one of the most famous and world renowned writers, received the Honoris Causa Degree in Communication and Media Culture. On that occasion, the writer said: “Social media give the right of speech to legions of idiots. In the past, they spoke only at the bar, after a few glasses of red wine, without damaging the community. Today, they have the same right to speak as a Nobel Prize winner” (Contaldo, 2015. My translation). This is quite a harsh view. Why wouldn’t an ‘idiot’ have the same right to speak as a Nobel Prize winner? That is one of the key aspects of democracy, after all. Eco’s statement did not pass unnoticed among the media, who defended the usefulness and benefits of social media (De Martin, 2015; Severgnini, 2015). It is, in fact, undeniable that social media helps people from every corner of the globe to connect with each other and get involved in events, political changes, environmental concerns, cultural matters and many more topics. How could the community possibly be damaged, then? Well, the major problem is that, through social media, bad ideas, fake news (quite a fashionable term today) or deceiving movements become as easily accessible as any other type of information. To get an idea of how widespread this problem can be, it is sufficient to simply look at Facebook. There, users can find many pages and groups that give the possibility to share and comment on ideas that centuries of scientific evolution (or simple critical thinking) should have uprooted. Just the first five groups/pages including the words “Flat Earth Society” in their title are followed by more or less 230,000 people. About 180,000 people are in the first five pages referring to what is now known as Chemtrails Conspiracy Theory (Fraser, 2009).And these are just the pages written in English. These pages aim to promote ideas that go against mainstream scientific theories – like the Earth’s longestablished roundness – or claim to unveil evil plans of the greatest powers on Earth – like human population control or weather modification through chemical trails sprayed by aircraft. Anyway, so far so good. However unspeakably stupid these theories may sound, they do not seem harmful for the community. Let them just make their theories up, present and comment on them in their groups. Anyone can express their own view and create bonds based on that, right?
Believing that the Earth is flat, that the Moon landing is a fake event, or that airplanes release chemical or biological agents in the sky, might not be harmful per se. However, it becomes so when it threatens actual bonds outside the digital world that are based on the trust in the scientific method, on one hand, and in the institutions, on the other. If one starts to think that everything that has been discovered and taught is fake and that people in power are conspiring for the utter destruction of the world, the very fundaments of society are shaken.And if this still seems quite an abstract danger, there are even more concrete ones. In 1998, after about a century of incredible progress in the treatment of lethal diseases, the former physician Andrew Wakefield published a ‘study’ that linked the MMR-vaccine to autism. Because of this a still unstoppable wave of mistrust of vaccination arose (Wakefield et al., 1998). That ‘study’ was confuted and rejected several times and Wakefield was dismissed by the scientific community. And yet an uncountable number of parents believed and still believe in the connection Wakefield hypothesized between vaccines and other pathologies, like autism and diabetes. At that time the matter was limited to the scientific environment and press circulation, but with the spread of internet and social media things got worse. Misinformation about the actual dangers of measles began to spread and more and more people started being suspicious of vaccines, forgetting the irreparable damages of diseases like measles, smallpox or polio that thrived before the invention of vaccines. A recent study showed an evident relationship between the online interest in the Anti-Vaccine Movement and the decrease in vaccination percentages (Mavragani-Ochoa, 2018). As a result, diseases that were at the brink of extinction are now returning again. In light of these few examples, the feeling is that misinformation circulates much easier and faster than sound information: one may wonder why such theories and urban legends do not die out the very moment they come to life. Truth and post-truth: a popularity contest There are two aspects that characterize the Digital Revolution: fast communication and visibility. Let us consider again the aforementioned conspiracy theories. The core of their arguments is something very tangible: the movement of the sun, white stripes in the sky, diseases and medical procedures. Now let us imagine what is easier to communicate and also to believe, the Copernican system or the idea that the Earth is an immovable disk? The technicalities about the formation of condensation trails in the atmosphere, or the idea that something mysterious is sprayed in the air by planes? If a child is diagnosed with autism in the same period as their vaccination, what is easier for a parent to believe? The fact that the complicated biological processes behind the functioning of vaccines have nothing to do with a developmental disorder, or the idea that the disorder was caused by something that could easily be blamed for it?
28
The spread and support of facts and truth require research effort and an amount of time that go against the immediacy of the Internet Era. A flamboyant post on Facebook or a catchy phrase on Twitter have more chances to go viral than a thorough study or explanation about specific events or phenomena. Moreover, because of the very democratic nature of social media, to control and filter every information is almost impossible (Wood, 2013: 31). It is at this point that, in the virtual world, anyone could gain the same authority as a Nobel Prize winner: because in the internet environment visibility means popularity, and popularity means authority. As a consequence, it is not what one says that matters, but it is how it is said. Information on social media appeals to the users’ emotions rather than to their critical thinking. This phenomenon has also had deep consequences on politics, to the extent that it becomes increasingly common to talk about post-truth politics. Oxford dictionaries define post-truth as an adjective “relating to or denoting circumstances in which objective facts are less influential in shaping public opinion than appeals to emotion and personal belief”. Editors remarked that the use of this word increased by 2000% only in 2016, in the context of Brexit and the last USA elections (Flood, 2016). On those occasions, as well as in more recent events, such as the last Italian elections, political campaigns have been based on the repetition of the same arguments, even though they were proved untrue by mass media and experts. As an instance, the Vote Leave organization in the UK repeatedly claimed that EU membership costed £350 million a week, in order to boost Eurosceptic feelings in the referendum voters (Reuben, 2016). Moreover, according to a table compiled by PolitiFact, about 70% of Trump’s statements have been proved false (fig. 1). Social media have worked as a fast-track for this kind of misinformation to reach the majority of users/voters in the time of just a click. Trump’s improper use of Twitter is now renowned and an endless source of material for satire. The new Italian Minister of Internal Affairs, Matteo Salvini, has
filled his Facebook page with claims against immigrants and refugees during his campaigns, like the one below (fig. 2), where he dangerously simplifies the extremely complicated matter of refugee shelter centres (Il post, 2015).This sort of fake news not only aims to trigger people’s anxiety and fears, but also take advantage of their unwillingness to deepen the matters, making them easy prays for web-exploiters. ‘News’ like Immigrant rapes 7-year-old girl. Her father cuts his testicles and makes him swallow them, in an immigrantanxious environment like Italy today, becomes so easily viral that readers do not even care to verify the source. In this case, the ‘article’ was written and shared via Facebook by a fake journalist, who gained money for every click. With that particular ‘article’, the author gained €1000 in one week (Di Fazio, 2015). In the meantime, unfounded worries spread among the population and find place in political rhetoric. One-way ticket to Idiocracy? In these terms, it seems like the world of social media is made of profiteers, lazy idiots and sporadic defenders of truth, hopelessly face-palming. Are we really going towards a future in which stupidity overcomes intelligence, just as the one imagined in the dystopic comedy movie Idiocracy (2006)? In this film, directed by Mike Judge, two average people undergo a top-secret military human hibernation experiment and, when they awaken 500 years later, they find themselves in a dystopian society where the majority of population has become hopelessly stupid. In this absurd scenario, intellectual curiosity and social responsibility have been replaced by anti-intellectualism and commercialism. The movie has a blatantly foolish approach, as its starting point is a turn in the evolution process: natural selection does not favour the smartest people anymore, but the dumbest, just because the latter reproduce faster and more than the former.
Fig. 1: Reliability of Trump’s statements according to the website PolitiFact (http://www. politifact.com/personalities/ donald-trump/)
29 Emilia Salerno
To us, such a scenario appears simply ridiculous, indeed only good enough for a comedy. Yet, there is a strand of scholarship claiming that humanity’s smartest days are behind us (Sample, 2012). The geneticist Gerald Crabtree argued that an analysis of the number of genes required for human intellectual and emotional fitness indicates that we are almost certainly losing these abilities (Crabtree, 2013). However, as remarked by prof. Robin Dunbar, an anthropologist at Oxford University, “what has driven human and primate brain evolution is the complexity of our social world” rather than sheer genetics and instinct (Collins, 2012). In other words, it is not only our biological predisposition we should be worried about, but also the way we keep up with social changes. Our society changes faster than our ability to update and this creates a gap between what we know and what we still have to learn. What social media help to spread, thus, is not stupidity, but technological incompetence, which often overlaps with functional illiteracy. This has been recognized as the inability to use basic skills, like reading and writing, to understand complex texts, such as articles, dictionaries or manuals. The aforementioned immediacy of the internet and social media does not encourage users to deepen matters and research the source of the information they want to share. Moreover, that source might simply be too difficult to find in the web-maze. On top of that, social media also changed our way of interacting with the others. The laptop screen has become a sort of shield for the users who, as a consequence, are not afraid of stating things they might be ashamed of telling in the real world. Moreover, the internet’s lack of filter gives anyone the possibility to say anything with little or no tangible consequence. Again, it is not a matter of stupidity, rather of bad use of a powerful and sometimes misunderstood instrument.
Fig. 2: Facebook post by Matteo Salvini, March 3rd, 2015. “Would you like to spend a few days of HOLIDAY in the mountains? If you are ‘ALLEGED REFUGEES’, you can! In Trentino, on Monte Bondone, the managers of Hotel Nevada (on the ski slopes, with gym and solarium) are waiting for you. In fact he says ‘we can accommodate 50 people, we have 26 rooms and 20 large apartments... we would be able to provide them [the refugees] with meals and care from our staff ’. What a heart of gold... WHO PAYS? YOU GUYS!”. My translation.
Education is the way As a provocative solution to these problems, the journalist Guia Soncini proposed introducing a fee to access web pages and social media (Soncini, 2017). In her view, when getting information costed more money and a greater effort, people had a higher respect for that information and used it more critically. Fair enough, but today that is a very impracticable solution. Also introducing stricter filters on social media might not be doable, as the border with censorship is very subtle (Crews, 2018). Educative initiatives such as ‘Together against Functional Illiteracy’, promoted by the European Commission in 2012, are instead much more useful (Das Portal für Grundbildung und Beruf, see the website http:// www.grundbildung-und-beruf.info/). This specific program aims to combat functional illiteracy starting from primary school.Teaching children as well as their parents and families a correct use of new technologies and how to access highlevel knowledge is the most productive way to prevent or at least contain the diffusion of misinformation.
30
A well-devised educational intervention would lead to some practical advantages, such as learning how to orientate in a web of sources, distinguishing the good from the bad ones; it would give access to advanced instruments as well as to a greater variety of jobs. Besides this, education to digital means would also foster a newfound respect for knowledge and competences. Even though the freedom of speech is an inviolable human right, this does not imply that science should be democratic. Respect for other people’s intellectual achievements and trust in the opinion of the experts are among the values that social media put at risk. These values need to be re-learned not only by the new generations, but also by the old ones, which have found themselves in a world that they still struggle to understand.
•
•
•
•
•
References • Alcorn, G. (2014, 27 February). Facts are futile in an era of post-truth politics. The Age. Retrieved from • https://www.theage.com.au/opinion/facts-are-futilein-an-era-of-posttruth-politics-20140227-33m70.html • Castells, M. (1999). The Information Age, Volumes 1-3: Economy, Society and Culture. Cambridge (Mass.); Oxford: Wiley-Blackwell. • Collins, N. (2012, 12 November). Civilisation is making humanity less intelligent, study claims. The Telegraph. Retrieved from https://www.telegraph.co.uk/news/ science/science-news/9672790/Civilisation-is-makinghumanity-less-intelligent-study-claims.html • Contaldo, A. (2015, 11 June). Umberto Eco e i social: ‘’Danno diritto di parola a legioni di imbecilli’’. La Repubblica. Retrieved from https://video.repubblica. it/tecno-e-scienze/umberto-eco-e-i-social--dannodiritto-di-parola-a-legioni-di-imbecilli/203952/203032 • Crabtree, G. R. (2013). Our fragile intellect. Part II. Trends in Genetics, 29 (1), 3-5. • Crews, C. W. (2018, 26 April). Social Media Filtering Is Not Censorship. Forbes. Retrieved from https://www. forbes.com/sites/waynecrews/2018/04/26/socialmedia-filtering-is-not-censorship/#3f3cf270438d • De Martin, J. C. (2015, 12 June). Imbecilli e non, tutto il mondo è social. La Stampa. Retrieved from http://www.lastampa.it/2015/06/12/cultura/perdifenderci-dalle-sciocchezze-abbiamo-gli-anticorpiaWq9Wx4TeT3gYWtYtsH4TO/pagina.html • Di Fazio, M. (2015, 16 October). “Vi racconto come ho fatto soldi a palate spacciando bufale razziste sul web”. L’Espresso. Retrieved from http://espresso.repubblica. it/attualita/2015/10/15/news/vi-racconto-come-hofatto-soldi-a-palate-spacciando-bufale-razziste-sulweb-1.234576 • Flood, A. (2016, 15 November). ‘Post-truth’ named word of the year by Oxford Dictionaries. The Guardian. Retrieved from https://www.theguardian. com/books/2016/nov/15/post-truth-named-word-of-
•
•
•
•
•
the-year-by-oxford-dictionaries Fraser, S. (2009). Phantom menace? Are conspirators using aircraft to pollute the sky? Current Science, 4 (14), 8–9. Il post (2015, 17 June). Gli immigrati e gli alberghi. Da dove viene una delle storie più ripetute riguardo i richiedenti asilo e i loro alloggi in Italia: e soprattutto, è vera? Retrieved from https://www.ilpost. it/2015/06/17/immigrati-alberghi-di-lusso-salvini/ Mavragani, A. & Ochoa, G. (2018). The Internet and the Anti-Vaccine Movement: Tracking the 2017 EU Measles Outbreak. Big Data Cogn. Comput, 2 (2), 1-18. Reuben, A. (2016, 15 April). Reality Check: Would Brexit mean extra £350m a week for NHS?’ BBC News. Retrieved from https://www.bbc.com/news/ukpolitics-eu-referendum-36040060 Sample, I. (2012, 12 November). Is pampered humanity getting steadily less intelligent? The Guardian. Retrieved from https://www.theguardian.com/science/ blog/2012/nov/12/pampered-humanity-less-intelligent Schoenherr, S. (2004). The Digital Revolution. Wayback Machine Internet Archive. Retrieved from http://history. sandiego.edu/GEN/recording/digital.html Severgnini, G. (2015, 17 June). Umberto Eco e gli idioti dei social. Italians - Il Corriere della Sera. Retrieved from http://italians.corriere.it/2015/06/17/umberto-eco-egli-idioti-dei-social/ Soncini, G. (2017, 27 September). ‘Una modesta proposta’. Il Sole 24 Ore. Retrieved from http://24ilmagazine.ilsole24ore.com/2017/09/unamodesta-proposta/ Wakefield, A. J., Murch, S. H.; Anthony, A., Linnell, J., Casson, D. M., Malik, M., Berelowitz, M., Dhillon, A .P., Thomson, M. A., Harvey, P., et al. (1998). Ileal-lymphoidnodular hyperplasia, non-specific colitis, and pervasive developmental disorder in children. Lancet, 351, 637– 641. Wood, M. (2013). Has the Internet been good for conspiracy theorising? PsyPAG Quarterly, 88, 31-34.
31
CODEX Historiae zoekt Eindredacteuren - Redacteuren - Gastschrijvers Chief editors - Editors - Guest writers
Heb je affiniteit met geschiedenis en houd je van schrijven? Dan zijn wij op zoek naar jou! Stuur een mailtje met daarin een korte motivatie en je cv naar info@codexhistoriae.nl en wie weet zie je jouw naam in ons nieuwe nummer verschijnen. Meer informatie over de vacatures vind je op codexhistoriae.nl/vacatures Are you interested in history and do you love writing? Then we’re looking for you! Send a mail with a brief motivation and your CV to info@codexhistoriae.nl and perhaps you’ll see your name in our next issue! More information about the vacancies can be found on codexhistoriae.nl/vacatures
32
Modern protest
Het (nieuwe) Wilhelmus
Oudste nog bestaande handschrift met het Wilhelmus, 1617. Collectie Koninklijke Bibliotheek BelgiĂŤ.
Recent kwam een voormalig hofdame van prinses Beatrix, Hilda Renardel de Lavalette, in het nieuws met haar herschreven versie van een deel van het Wilhelmus. Zij vond het eerste couplet, waarin gesproken wordt van Duits bloed en een Spaanse overheerser, niet meer van deze tijd en besloot dat het Nederlandse volkslied toe was aan een hedendaagse herschrijving (Kraaijeveld, 3 juni 2018). Daarmee schrapte ze elementen die cruciaal zijn voor de identiteit van het Wilhelmus zoals dat in de zestiende eeuw functioneerde.
33 Berith van Pelt
Het Wilhelmus: achtergrond Tijdens de Opstand tegen Spanje in de Nederlanden (1568-1648) verhaalden de leiders van de opstand over hun overwinningen in liederen. Omdat zij vochten onder de naam ‘geuzen’, worden deze liederen ook wel geuzenliederen genoemd. Deze propagandaliederen uit de Tachtigjarige Oorlog kenden twee thema’s: ofwel werd er opgeroepen tot verzet, ofwel waren het triomfliederen waarin dank voor de goede afloop betuigd werd. Vooral aan het begin van de Opstand stonden eensgezindheid en verzet centraal in de geuzenliederen: de inwoners van de Nederlanden dienden de juiste partij te kiezen. Vanaf 1572, toen steeds meer Hollandse en Zeeuwse steden zich bij de geuzen voegden, werden er meer liederen geschreven waarin de heldendaden van de strijders werden bezongen. Hoe gunstiger de omstandigheden tijdens de Opstand, hoe triomfantelijker de liederen (Reinder, 2015). Het bekendste geuzenlied is het huidige Nederlandse volkslied, dat ook in de zestiende eeuw al een van de bekendste geuzenliederen was. Wie de dichter van het lied geweest is, is tot op heden niet zeker. In bronnen uit het eind van de zestiende eeuw wordt de rechterhand van Willem van Oranje, Philips van Marnix, als auteur genoemd (Reinder, 2015). Een andere naam die vaak genoemd wordt, is die van de dichter Dirck Volckertszoon Coornhert (1522-1590). Recenter kwam uit digitaal onderzoek naar de liedtekst een relatief onbekende, verrassende naam naar voren: Petrus Datheen, kerkhervormer. Ook over het jaar waarin het lied geschreven is, bestaat onzekerheid, maar dat wordt geschat rond 1568 (Porteman & Smits-Veldt, 2008). Net als veel andere geuzenliederen is het Wilhelmus geschreven op een bestaande melodie. De melodie was afkomstig van een Frans lied waarin protestanten werden bespot die een mislukte aanval op de stad Chartres hadden gepleegd. In het Wilhelmus worden de protestanten, die
zich afzetten tegen de Spaanse overheersing, juist bejubeld. De dichter gaf de protestanten, weliswaar in de persoon van Willem van Oranje, dus een tegengestelde rol (Reinder, 2015). Het Wilhelmus wordt tegenwoordig niet meer op deze melodie gezongen. Dat de dichter een lied waarin protestanten worden gehuldigd juist op een melodie van een katholiek lied maakte, is geen toeval. Niet alleen was de strijd tegen de Spanjaarden onderwerp van de geuzenliederen, ook de strijd tussen katholiek en protestant die ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog in de Nederlanden woedde, kreeg vaak aandacht in de liedteksten. Het zesde couplet van het Wilhelmus, dat in Nederland vaak als bekend wordt verondersteld, maakt duidelijk dat de vroomheid van de strijders niet te miskennen was: Mijn schild ende betrouwen / zijt Gij, o God mijn Heer. Het Wilhelmus was dus behalve een verheerlijking van de strijd die Willem van Oranje voerde ook een reactie op het anti-protestantse lied waaraan het de melodie ontleende. Het Wilhelmus: de nieuwe versies De strijd die Willem van Oranje voerde, is precies wat Hilda Renardel de Lavalette schrapte uit het eerste couplet. De afkomst en identiteit van Van Oranje krijgen van haar geen aandacht en ook over de Spaanse koning wordt niet gerept. In plaats daarvan roemt ze de ‘vader van ons land’ om de vrijheid die hij bewerkstelligd heeft. Renardel de Lavalette vond de tekst onbegrijpelijk voor de huidige generatie en vond bovendien dat de inhoud niet klopte. De Nederlanders zijn niet Duits en de Spaanse koning eerden we niet, maar zetten we af, zo luidt haar oordeel. De hofdame was zeker niet de eerste die pleitte voor een nieuw volkslied. Al sinds de invoering van een volkslied in 1815 verschijnen er verschillende versies. Het voormalige volkslied, dat in 1815 werd gekozen en tot 1933 het volkslied
De versies van het Wilhelmus Origineel
Hilda Renardel de Lavalette
Anne Vegter
Wilhelmus van Nassouwe Ben ik, van Duitsen bloed, Den vaderland getrouwe Blijf ik tot in den dood. Een Prinse van Oranje, Ben ik, vrij, overveerd, Den Koning van Hispanje Heb ik altijd geëerd.
Wilhelmus van Nassauwe, De vader van ons land. Symbool van het vertrouwen, In onze vaste band. Met allen die hier leven, In vrijheid en in recht Moog dat ons voor altijd zijn gegeven, Zoals ons is toegezegd
Een volk dat rijk werd op het water Begrijpt wie elders strandt. De doden zijn niet meer voor later, De wereld staat in brand! Verwacht j’ ook hulp, Is er een maat aan ’t kwaad, Als jij het bent die moet vluchten? Hollander zijn is een daad!
In Godes vrees te leven Heb ik altijd betracht, Daarom ben ik verdreven, Om land, om luid gebracht. Maar God zal mij regeren Als een goed instrument, Dat ik zal wederkeren In mijnen regiment.
Verleen je hart een extra kamer. Zoals Erasmus schreef: Ruimte scheidt de lichamen Maar niet de geesten. Status, geloof of afkomst Bestaan vrij naast elkaar. Geef iedereen toekomst En maak ons Kikkerland waar!
Kijk voor de uitvoering van de nieuwe versies van het volkslied op codexhistoriae.nl/themas/opstand.
34
35 Berith van Pelt
Portret van Willem I, prins van Oranje. Door Adriaen Thomasz. Key, ca. 1579. Collectie Rijksmuseum. zou blijven, was niet het Wilhelmus, maar het lied Wien Neêrlands bloed, geschreven door Hendrik Tollens (17801856). In dit lied speelde de strijd tegen de Spanjaarden geen rol; het was slechts een lofzang op de Nederlanden en op God (Tollens, 1855). In datzelfde jaar verscheen een Nieuw Oranje volks-lied (Anoniem, 1815) waarin de strijd die de Nederlanden moesten leveren wel voorkomt. Ook het Nieuw Wilhelmus-lied (Anoniem, ca. 1830-1840) verhaalt van de heroïsche daden van Willem van Oranje. Dit laatste lied vertaalt de oorspronkelijke strijdteksten naar de strijd die tijdens de Belgische Revolutie (1830-1839) geleverd werd (Nederlandse Liederenbank, 2018). De volledige teksten van deze nieuwe versies zijn te vinden op codexhistoriae. nl/themas/opstand. Recenter, aan het begin van 2017, deed toenmalig Dichterdes Vaderlands Anne Vegter ook een poging tot het herschrijven van het Wilhelmus (Vegter, 25 januari 2017). In haar versie is de geschiedenis van Willem van Oranje en de Opstand in zijn geheel uit de tekst verdwenen. De herschreven tekst richt zich veel meer op de huidige maatschappij. Ze roept de inwoners van Nederland op zich in te zetten voor de wereld en elkaar. Een modern geuzenlied dus, dat refereert aan verzet tegen actuele maatschappelijke problemen. Tot op heden hebben de herschreven versies van Renardel de Lavalette en Vegter het traditionele volkslied nog niet verdrongen. Toch werd er in de media veel aandacht aan besteed en zijn de herschreven versies zelfs opgevoerd. Uit een poll die het Algemeen Dagblad op haar website uitzette, gaven ruim 7000 lezers hun mening over het herschreven couplet van Renardel de Lavalette. Hieruit blijkt dat de groep Nederlanders die zich aansluit bij de hofdame bijna net zo groot is als de groep die vindt dat het volkslied niet veranderd mag worden omdat het cultureel erfgoed is; beide ruim 40% van de stemmers. Een veel kleinere groep heeft aangegeven de poging tot herschrijven te waarderen, maar zegt ook met de nieuwe versie niet tevreden te zijn (Kraaijeveld, 3 juni 2018). Een korte zoektocht op internet laat zien dat er verschillende andere initiatieven geweest zijn om het Wilhelmus te herschrijven. Een serieuze poging is dat vaak niet te noemen. De roep om verandering is echter nog niet voorbij: in navolging van Renardel de Lavalette organiseerde de jonge ambassadeurs van Nationale Opera & Ballet een Wilhelmus Challenge, waarbij ze mensen oproepen een eigen draai aan het volkslied te geven. Toch is de kans dat ons volkslied wordt aangepast niet zo groot: in de ontvangstruimte van de Tweede Kamer hangt een kunstwerk waarop, naast de Nederlandse driekleur, een portret van Willem van Oranje én het eerste en zesde couplet van het Wilhelmus zijn afgebeeld.
Verantwoording • Anoniem. (1815). Nieuw Oranje volks-lied. Geraadpleegd op 2018, 7 juni van http://www.dbnl.org/tekst/_ nie072nieu01_01/_nie072nieu01_01_0001.php • Anoniem. (1830-1840). Nieuw Wilhelmus-lied. Geraadpleegd op 2018, 7 juni van http://www.dbnl.org/ tekst/_nie070nieu01_01/_nie070nieu01_01_0001. php • Kestemont, M., Stronks, E., Bruin, M. de, & Winkel, T. de (2016). Van wie is het Wilhelmus? Auteurskwesties rond het Nederlandse volkslied met de computer onderzocht. Amsterdam: Amsterdam University Press. • Kraaijeveld, M. (2018, 3 juni). ‘Nieuw’ Wilhelmus zonder Duitsen bloed voor het eerst gezongen. Algemeen Dagblad. Geraadpleegd op 2018, 7 juni van https://www.ad.nl/den-haag/nieuw-wilhelmus-zonderduitsen-bloed-voor-eerst-gezongen~ae3cb3f0/ • Nederlandse Liederenbank (2018). Geraadpleegd op 2018, 7 juni van http://www.liederenbank.nl/. • Noorman, A. (2018, 1 juni). Oud-hofdame (94) schrijft nieuw Wilhelmus: ‘Wij zijn toch zeker niet Duits?’. Algemeen Dagblad. Geraadpleegd op 07-06-2018 van https://www.ad.nl/den-haag/oud-hofdame-94schrijft-nieuw-wilhelmus-wij-zijn-toch-zeker-nietduits~a5d62aad/. • Porteman, K., & Smits-Veldt, M.B. (2008). Een nieuw vaderland voor de muzen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1560-1700. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker. • Reinder, S. (2015). Wilhelmius. In N. Geerdink, J. Joosten & J. Oosterman (red.), De leeslijst. 222 werken uit de Nederlandstalige literatuur, Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, pp. 62-63. • Tollens, H. (1855). Volkslied. In H. Tollens, Gezamenlijke dichtwerken. Deel 1-3, pp.184-187. • Vegter, A. (2017, 25 januari). Nieuwe versie Wilhelmus van gaande Dichter des Vaderlands. NRC Handelsblad. Geraadpleegd op 2018, 7 juni van https://www.nrc. nl/nieuws/2017/01/25/nieuwe-versie-wilhelmus-vangaande-dichter-des-vaderlands-6397873-a1542911
36
Symbool van Opstand
Het Maagdenhuis in Amsterdam De geschiedenis van het hedendaagse Maagdenhuis begint in de jaren 80 van de achttiende eeuw. Het reeds sinds 1628 op het Spui gevestigde Rooms Catholijk Maagdenhuis, een weeshuis voor meisjes, moest worden vervangen door een nieuw gebouw. Tussen 1783 en 1787 werd er onder leiding van Abraham van het Hart gebouwd aan het monumentale gebouw dat vandaag de dag nog steeds bekend staat als het Maagdenhuis. Het gebouw bood aanvankelijk ruimte aan vierhonderd weesmeisjes en dertien verzorgsters. Het gebouw bleef als zodanig fungeren tot halverwege de twintigste eeuw. Nadat het vanaf 1957 vijf jaar dienst had gedaan als hoofdkantoor van de Nationale Handelsbank, werd het in 1962 aangeschaft door de Universiteit van Amsterdam (UvA). Meteen na aankoop besloot de UvA om haar bestuur te huizen in het Maagdenhuis (Stichting het R.C. Maagdenhuis, z.d).
Al binnen een relatief korte periode nadat het gebouw in handen van de UvA was gekomen, werd het gebouw in verband gebracht met opstand, protest, verzet en bezetting. In de jaren 60 kwamen veel jongeren in opstand tegen de starre verhoudingen in de maatschappij en in de universiteitssteden vonden studentenprotesten plaats: bestuurders en docenten maakten de dienst uit, terwijl studenten geen enkele invloed hadden op de besluitvoering van hun onderwijsinstelling (NOS, 2015). Het eerste protest waar het Maagdenhuis mee gemoeid was, ging ook om deze reden van start, zij het wel in Tilburg. De studenten van de Katholieke Universiteit aldaar kwamen op 6 mei 1969 in opstand. De studenten van de UvA volgden Tilburg snel daarna, maar besloten het wat radicaler aan te pakken dan hun zuiderburen: zij besloten een sterk statement te maken door het gebouw waar hun universiteitsbestuur huisde te bezetten.
Op 12 mei 1969 bezette de actiegroep De Loze Kreet de kamer van destijds rector magnificus A. Belinfante, die zich op de eerste verdieping van het Maagdenhuis bevond. Deze onderneming werd direct door de politie beëindigd. Een aantal dagen later, op 16 mei, stormden honderden studenten het gebouw nogmaals binnen. Ditmaal waren ze geenszins van plan om te vertrekken. Het Maagdenhuis werd geheel afgesloten door de politie. Daarmee hoopten ze dat de studenten door honger en dorst de strijd uiteindelijk zouden opgeven. Zij wisten echter door geïmproviseerde overgangsbruggen en gespannen touwen tussen het Maagdenhuis en de universiteitsbibliotheek eten en drinken naar binnen te smokkelen. Na vijf dagen, op 21 mei, vond de politie dat het genoeg was geweest. Ze vielen het gebouw die dag om negen uur ’s ochtends binnen en maakte hardhandig een einde aan de eerste Maagdenhuisbezetting (Het Parool, 2009; NOS, 2015).
Het Maagdenhuis
37 Jasmijn Groot
Sindsdien gaan studentenprotesten aan de UvA bijna als van nature gepaard met een bezetting van het Maagdenhuis. Door de centrale plaatsing van het hoogste bestuur van de UvA, het College van Bestuur, in dit gebouw gaat hier namelijk heel veel symboliek mee gepaard: de ontevreden studenten - die zich over het algemeen op alle andere campussen mogen begeven, behalve op het Maagdenhuis nemen wanneer de hogere autoriteiten niet willen luisteren het heft in eigen handen en nemen symbolisch en fysiek hun plaats in middenin het politieke en financiële hart van de universiteit. Met het Maagdenhuis in handen hebben ze bovendien een machtigere positie om te onderhandelen met het College van Bestuur (CvB) en ze kunnen zich beter groeperen door een zo centraal punt in te nemen binnen de universiteit. Maar bovenal kreeg de eerste Maagdenhuisbezetting veel landelijke media-aandacht, waardoor het een standaard werd voor Nederlandse studentenprotesten; aandacht voor ontevredenheid onder studenten wordt pas écht verkregen als het Maagdenhuis wordt bezet. Het moment van bezetting lijkt bovendien ook het culminerende hoogtepunt van een opkomend studentenprotest op alle Nederlandse universiteiten.
Het gebouw werd in de jaren zestig in verband gebracht met opstand, protest, verzet en bezetting Sinds 1969 is het Maagdenhuis nog zeker tien keer bezet. De laatste bezetting vond drie jaar geleden plaats, in 2015. Al vanaf oktober 2014 waren studenten van de UvA ontevreden over nieuwe bezuinigingen, voornamelijk voor de Geesteswetenschappen en in het bijzonder voor de talenstudies. Als reactie werden nieuwe groeperingen zoals Humanities Rally en De Nieuwe Universiteit opgericht. Na aanvankelijke protestacties die zich binnen de muren van de universiteit afspeelden, gingen woordvoerders van deze organisaties in onderhandeling met het CvB over een alternatieve oplossing. Ondertussen werd het Bungehuis aan de Spuistraat – sinds 1971 het gebouw waar de talenopleidingen van de UvA huisden - echter te koop gezet. Het was voor de protesterende studenten een duidelijk teken dat het CvB haar bezuinigingen tóch doorzette. Het Bungehuis werd op 13 februari 2015 bezet door De
De ontruiming van het Maagdenhuis op 11 april.
Nieuwe Universiteit, een actie die werd gesteund door UvA-personeel, alsmede door publieke figuren als Freek de Jonge en internationaal bekende academici als Judith Butler en Noam Chomsky. Na elf dagen werden de studenten en docenten in het Bungehuis gearresteerd (De Gee, 2016).
De dag erna, op 25 februari, organiseerden Humanities Rally en De Nieuwe Universiteit een protestmars door Amsterdam. Na afloop bewoog een gedeelte van de menigte zich naar het Maagdenhuis, waar, ondanks tegenstand van de politie, spontaan de deur werd ingetrapt. CvB-voorzitter Louise Gunning en burgemeester Eberhardt van der Laan haastten zich ’s avonds laat nog naar het Spuiplein, alwaar zij zonder succes de studenten naar huis probeerden te sturen. De langste bezetting van het Maagdenhuis was van start gegaan. In de daaropvolgende zes weken werd het gebouw bewoond door studenten, docenten en andere sympathisanten (De Gee, 2016).
Zij zetten de deur open voor eenieder die meer wilde weten over het studentenprotest. Dankzij sociale media was Amsterdam een tijdlang wereldnieuws, wat er voor zorgde dat studenten in andere landen ook in opstand kwamen, bijvoorbeeld in Engeland. Maar bovenal kreeg het Maagdenhuis weer een nieuwe symboliek. Het ging representeren wat de universiteit volgens de protesterende studenten zou moeten zijn: een open instituut waar mensen van allerlei disciplines bijeenkomen, met elkaar in gesprek gaan en van elkaar leren. De Nieuwe Universiteit en Humanities Rally organiseerden vele lezingen met docenten die het protest steunden of goed gezind waren, bandjes en artiesten als Typhoon en Armand kwamen optreden en vrijwilligers kookten gezamenlijkveganistische maaltijden in de kantine (De Gee, 2016). Op 11 april werd de bezetting hardhandig beëindigd door de Mobiele Eenheid (ME)(De Gee, 2016). De afkeurende reacties uit de academische wereld leidden tot het aftreden van Louise Gunning en een motie van wantrouwen van de medezeggenschapsorganen van de UvA aan het adres van het gehele CvB. Maar van verdere democratisering van het bestuur en het stopzetten van bezuinigingen is het niet gekomen.
38
In 2018 is er weer een nieuwe generatie studenten opgestaan (Van Gelder, 2018). Een kampeersessie op het Roeterseiland – waar de Faculteit Economie en Bedrijfskunde en de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen gevestigd zijn – als protest tegen bezuinigingen op hoger onderwijs is daarbij geëindigd met politiegeweld (AT5, 2018). Een grote groep academici van elf universiteiten in het hele land is huidig academisch jaar echter weer vol goede moed begonnen aan een nieuw protest: WO in actie. De eerste weken van het schooljaar kregen studenten college in de open lucht om een signaal af te geven aan Den Haag dat de werkdruk op de universiteiten te hoog ligt en dat er te weinig wordt geïnvesteerd in het wetenschappelijk onderwijs (Kleinjan, 2018). Gezien de toenemende psychische klachten onder studenten, die ook gerelateerd zijn aan een te hoge werkdruk (GGZ Nieuws, 2018), zal het een kwestie van tijd zijn voordat docent en student elkaar zullen vinden in hun overeenkomende ongenoegen over hun universiteiten. De vraag is dan ook niet of er weer een Maagdenhuisbezetting zal plaatsvinden, maar wanneer. College van Bestuur, welterusten. Niemand slaapt vannacht nog in het Maagdenhuis. Denk maar niet aan hoe geweld de opstand suste, waar studenten zaten vredig op het Spui. Denk vooral niet aan die boze professoren, die geen boodschap hebben aan uw rendement. Vergeet dat u ideeën niet kan smoren, wat u als academici toch kent. Denk maar niet aan al die jonge frontstudenten, De internationale harde klacht. Laat die krakers en gebruikers maar praten, College van bestuur, slaap zacht. Droom maar van de overwinning en de zege. Droom maar van uw efficiënte ideaal. Dat vanochtend toch door klappen is verkregen. Droom maar dat het u gelukt is dit maal. Denk maar niet aan al het onderzoek dat fout loopt, hoeveel cijfers, resultaten zijn gescoord. Droom maar dat u ideeën überhaupt koopt, en geloof van al die tegenspraak geen woord. Droom maar niet te veel van al die harde beelden. Droom maar fijn van overwinning en van macht. Denk maar niet aan uw ontslag dat mensen willen. College van bestuur, slaap zacht! Daan Hafkamp, Welterusten, College van Bestuur (2015) Geschreven als reactie op de ontruiming van het Maagdenhuis door de ME op 11 april 2015
Verantwoording • AT5 (2018, 8 juni). Politie grijpt in bij studentenprotest Roeterseiland. Geraadpleegd op 20 juni 2018, van http://www.at5.nl/artikelen/183049/studenten-willenovernachten-bij-roeterseiland-uva-vraagt-politie-inte-grijpen • Gee, J. de (Producent) (2016). Hij mocht er wezen. De Maagdenhuisbezetting van 2015[Documentaire]. Amsterdam: AT5. • Gelder, L. van (2018, 7 juni). UvA-studenten de straat op tegen bezuinigingen in onderwijs. Geraadpleegd op 20 juni 2018, van https://www.parool.nl/amsterdam/ uva-studenten-de-straat-op-tegen-bezuinigingen-inonderwijs~a4599532/ • GGZ Nieuws (2018, 11 april). Ruim 1 op de drie studenten kampt met psychische klachten. Geraadpleegd op 20 juni 2018, van https://www. ggznieuws.nl/home/ruim-1-op-de-drie-studentenkampt-met-psychische-klachten/ • Hafkamp, D. (2015, 11 april). Welterusten, College van Bestuur [Video]. Geraadpleegd op 20 juni 2018, van https://www.youtube.com/watch?v=7JRyfxNmVD0 • Het Parool (2009, 12 mei). Terugblik op Maagdenhuisbezetting. Geraadpleegd op 20 juni 2018, van https://www.parool.nl/amsterdam/terugblik-opmaagdenhuisbezetting~a236359/ • Kleinjan, G.J. (2018, 19 september). De werkdruk in het WO is te hoog, daarom hebben studenten volgende week colleges in de openlucht. Geraadpleegd op 20 september 2018, van https://www.trouw.nl/ samenleving/de-werkdruk-in-het-wo-is-te-hoogdaarom-hebben-studenten-volgende-week-collegesin-de-openlucht~a39c5bc0/ • NOS (2015, 25 februari). Het Maagdenhuis in 1969: van bezetting tot ontruiming. Geraadpleegd op 20 juni 2018, van https://nos.nl/artikel/2021428-hetmaagdenhuis-in-1969-van-bezetting-tot-ontruiming. html • Stichting het R.C. Maagdenhuis. (z.d.). Geschiedenis. Geraadpleegd op 27 augustus 2018, van http://www. maagdenhuis.nl/over/geschiedenis
codex
39
Historiae
Thema: Show Januari 2019
In januari verschijnt het nieuwe nummer van CODEX Historiae. Deze editie zal in het teken staan van het thema Show. In dit themanummer besteden we onder andere aandacht aan het verhaal van Tristan & Isolde, de triomftochten in Rome en emotiegeschiedenis. Blijf op de hoogte via onze socialmediakanalen of via onze website, codexhistoriae.nl. The next issue of CODEX Historiae will appear in January, and will be all about the theme Show. In this issue, we will discuss the tale of Tristan & Isolde, Roman triumphs and the history of emotions. Stay up to date through our social media channels or through our website, codexhistoriae.nl
40
codexhistoriae.nl