Skip to main content

Ken je me nog

Page 1

Hoe lang ben ik al wakker? Is het al ochtend? Ik voel me brak. Wat is er gisteravond gebeurd? God, wat heb ik een hoofdpijn. Goed, ik drink nooit meer een druppel. Ik ben te suf om te denken, laat staan dat... Auwauwauw. Hoe lang ben ik al wakker? Ik heb een barstende koppijn en ik ben wat nevelig. En ik heb een kurkdroge mond. Dit is de gruwelijkste kater die ik ooit heb gehad. Ik drink nooit meer, geen druppel. Hoor ik een stem? Nee, ik moet slapen... Hoe lang ben ik al wakker? Vijf minuten? Een halfuur, misschien? Het is een beetje moeilijk te zeggen. Wat voor dag is het eigenlijk? Ik blijf even roerloos liggen. De pijn dreunt ritmisch door mijn hoofd, als een soort kolossale drilboor. Mijn keel is droog en ik heb overal pijn. Mijn huid voelt aan als schuurpapier. Waar ben ik gisteren geweest? Wat is er met mijn hoofd? Het is alsof er een mist over alles is neergedaald. Goed. Ik drink geen druppel meer, nooit. Ik moet een alcoholvergiftiging hebben of zoiets. Ik doe mijn uiterste best om me iets van de vorige avond te herinneren, maar het enige wat me te binnen wil schieten is onzin. Oude beelden en herinneringen uit het verleden die in willekeurige volgorde voorbijflitsen, als een soort iPod-­‐shuffle in mijn hoofd. Zonnebloemen, deinend tegen een blauwe lucht... Amy toen ze net geboren was, als een roze worstje in een deken... Een bord zoute patat op een houten cafétafel; warme zonnestralen in mijn nek; mijn vader die met een panamahoed op tegenover me zit, de rook van zijn sigaar uitblaast en tegen me zegt: ‘Door eten, lieverd...’ Het zaklopen op school. O, god, niet wéér die herinnering. Ik probeer de beelden weg te drukken, maar ze vliegen me al aan... Ik ben zeven jaar oud, het is sportdag en ik loop kilometers voor, maar het voelt zo akelig in mijn eentje vooraan dat ik blijf staan en op al mijn vriendinnetjes wacht. Ze halen me in, en dan struikel ik op de een of andere manier in de drukte en kom als laatste aan. Ik kan de vernedering nog voelen, ik kan het gelach nog horen, ik voel het stof in mijn keel nog, ik proef de banaan... Wacht even. Ik dwing mijn gedachten op de een of andere manier tot stilstand. Bananen. Er duikt een andere herinnering uit de mist op. Ik doe mijn uiterste best hem naar me toe te halen, ik reik ernaar... Ja. Hebbes. Bananencocktails. We dronken cocktails in de een of andere disco. Meer kan ik me niet herinneren. Bananencocktails, nota bene. Wat hadden ze er in vredesnaam in gestopt? Ik krijg mijn ogen niet eens open. Ze voelen zwaar en dichtgeplakt, zoals die keer toen ik valse wimpers met dubieuze lijm op de markt had gekocht. Toen ik de volgende ochtend de badkamer in wankelde, zag ik dat mijn ene oog dicht zat en dat er een soort dode spin bovenop lag.


Onweerstaanbaar, Lexi. Ik breng voorzichtig een hand naar mijn borst en hoor lakens ritselen. Ze ritselen anders dan mijn lakens thuis. En er hangt een rare citroengeur in de lucht, en ik heb een zacht, katoenig T-­‐shirtgeval aan dat ik niet herken. Waar ben ik? Wat heb ik in gods... Hé. Ik ben toch niet met iemand meegegaan, hè? O, wauw. Ben ik Duffe Dave ontrouw geweest? Heb ik het veel te grote T-­‐shirt van een lekker ding aan dat ik heb geleend om in te slapen nadat we de hele nacht hartstochtelijk hadden gevrijd en voel ik me daarom zo bont en blauw... Nee, ik ben nog nooit van mijn leven vreemdgegaan. Ik moet gewoon bij een van de meiden zijn blijven slapen of zo. Ik kan wel eens opstaan, een douche nemen... Het is een immense inspanning, maar ik wrik mijn ogen open en hijs me een paar centimeter omhoog. Shít. Wat moet dit... Ik lig in een schemerige kamer, in een metalen bed. Rechts van me zie ik een paneel met toetsen. Op het nachtkastje staat een bos bloemen. Ik zie een slangetje in mijn hand dat naar een zak met vloeistof op een standaard loopt en snak naar adem. Dit is bizar. Ik lig in het ziekenhuis. Wat is er aan de hand? Wat is er gebéúrd? Ik por wat in mijn hersenen, maar prik alleen maar in een stomme, lege ballon. Ik moet een kop sterke koffie hebben. Ik probeer om me heen te gluren, aanwijzingen te vinden, maar mijn ogen willen niet gluren. Ze willen geen informatie, maar Optrex en drie aspirines. Ik laat me weer zwakjes in de kussens zakken, doe mijn ogen dicht en wacht even. Kom op. Ik kan me toch wel herinneren wat er is gebeurd? Zó dronken was ik toch niet... of wel? Ik klamp me aan mijn ene flard herinnering vast alsof het een eiland in de oceaan is. Bananencocktails... bananencocktails... denk na... denk ná... Destiny’s Child. Yes! Er beginnen wat herinneringen terug te komen. Langzaam, in stukjes en beetjes. Kaasnacho’s. Die sjofele barkrukken met scheuren in het skai. Ik was uit met de meiden van mijn werk. In die louche tent met het roze neonplafond in... ergens. Ik herinner me dat ik mistroostig van mijn cocktail zat te nippen. Waarom was ik zo down? Wat was er... De bonussen. Natuurlijk. Een vertrouwde, kille teleurstelling verkrampt mijn maag. En Duffe Dave was niet komen opdagen. Dubbel pech. Maar dat verklaart allemaal nog niet wat ik in het ziekenhuis doe. Ik trek rimpels in mijn voorhoofd, zo hard probeer ik na te denken. Ik herinner me dat ik als een maniak op Kylie heb gedanst en ‘We Are Family’ met de karaokemachine mee heb gezongen, wij alle vier, arm in arm. Ik herinner me vaag dat ik naar buiten ben gestrompeld om een taxi aan te houden. Maar daarna... niks. Helemaal blanco. Dit is bizar. Ik ga Fi sms’en om te vragen wat er is gebeurd. Ik reik naar het nachtkastje... en besef dat er geen telefoon ligt. En ook niet op de stoel of op de ladekast. Waar is mijn mobieltje? Waar zijn al mijn spullen gebleven? O, god. Ben ik beróófd? Dat moet het zijn. Een tiener met een capuchon op heeft me een klap op mijn kop gegeven, ik ben op straat gevallen en toen moet iemand een ambulance hebben laten komen en... Een veel afgrijselijker gedachte krijgt me in de ban: wat voor ondergoed had ik aan? Ik kreun tegen wil en dank. Dit zou echt erg kunnen zijn. Het zouden die mottige grijze onderbroek en beha kunnen


zijn die ik alleen draag als de wasmand vol is. Of die verschoten gele Snoopystring met het rafelrandje. Het zal wel niets opwindends zijn geweest, ik bedoel, dat doe je niet voor Duffe Dave, dat is zonde. Met een van pijn vertrokken gezicht draai ik mijn hoofd van links naar rechts, maar ik zie nergens kleren of zo. De artsen zullen ze wel hebben verbrand in een speciale ziekenhuisoven voor mottig ondergoed. En ik heb nog steeds geen idee wat ik hier doe. Mijn keel brandt en ik zou een moord doen voor een lekker koud glas jus. Nu ik eraan denk, waar zijn al die artsen en verpleegsters? Als ik hier nou eens lag dood te gaan? ‘Hallo?’ roep ik zwakjes. Mijn stem klinkt als een rasp die over een parketvloer wordt gehaald. Ik wacht op antwoord... maar het blijft stil. Wedden dat niemand me kan horen door die dikke deur? Dan kom ik op het idee een knop op het paneeltje in te drukken. Ik neem die met het icoontje van een mens erop en even later gaat de deur open. Het is gelukt! Een grijsharige verpleegster in een donkerblauw uniform komt binnen en glimlacht naar me. ‘Hallo, Lexi!’ zegt ze. ‘Hoe voel je je?’ ‘Eh, wel oké, dank u. Ik heb dorst. En pijn in mijn hoofd.’ ‘Ik zal een pijnstiller voor je pakken.’ Ze brengt me een plastic beker water en helpt me overeind. ‘Drink maar.’ ‘Dank u,’ zeg ik als ik het water naar binnen heb geklokt. ‘Dus... ik lig zeker in het ziekenhuis? Of is het een heel geavanceerd kuuroord?’ De verpleegster glimlacht. ‘Sorry, het ziekenhuis. Weet je dan niet meer hoe je hier bent beland?’ ‘Nee.’ Ik schud mijn hoofd. ‘Ik ben eerlijk gezegd een beetje wazig.’ ‘Dat komt doordat je een flinke klap op je hoofd hebt gehad. Weet je niets meer van je ongeluk?’ Ongeluk, ongeluk... Dan komt het plotseling allemaal terug. Maar natúúrlijk. Ik rende naar de taxi, de stenen waren nat van de regen, ik gleed uit op mijn stomme goedkope laarzen... Tjeesus nog aan toe. Ik moet echt een flinke tik hebben gekregen. ‘Ja, ik geloof dat ik het weer weet.’ Ik knik. ‘Zo’n beetje. Dus... hoe laat is het?’ ‘Acht uur ’s avonds.’ Acht uur? Wauw. Ben ik een hele dag van de wereld geweest? ‘Ik ben Maureen.’ Ze neemt het bekertje van me over. ‘Je bent nog maar een paar uur geleden naar deze kamer gebracht. We hebben al wat gesprekjes gevoerd, hoor.’ ‘Echt waar?’ zeg ik verbaasd. ‘Wat heb ik dan gezegd?’ ‘Je brabbelde nogal, maar je bleef vragen of iets “bottig” was.’ Ze denkt even na. ‘Of “mottig”?’ Super. Ik draag niet alleen mottig ondergoed, ik praat er ook nog over met onbekenden. ‘Mottig?’ Ik doe mijn best om verbaasd over te komen. ‘Ik heb geen idee wat ik daarmee bedoelde.’ ‘Nou, je lijkt nu weer samenhangend te kunnen praten.’ Maureen schudt mijn kussen op. ‘Kan ik nog iets voor je doen?’ ‘Ik zou heel graag een glaasje jus willen, als dat er is, en ik kan mijn telefoon nergens vinden, of mijn


tas.’ ‘Je waardevolle spullen zullen allemaal wel op een veilig plekje zijn opgeborgen. Ik zal het nagaan.’ Ze loopt weg en ik kijk om me heen in de stille kamer, nog steeds verdwaasd. Het voelt alsof ik nog maar een piepklein hoekje van de puzzel in elkaar heb gepast. Ik weet nog steeds niet in welk ziekenhuis ik lig... hoe ik er ben gekomen... en heeft iemand mijn moeder wel gebeld? En er knaagt nog iets op de achtergrond... Ik moest dringend naar huis. Ja. Dat klopt. Ik zei telkens dat ik naar huis wilde omdat ik de volgende dag vroeg op moest. Want... O, nee. O, shít. De uitvaart van mijn vader. Die zou de volgende dag zijn, om elf uur. Wat betekent... Heb ik het gemist? Ik probeer in een reflex uit bed te komen, maar als ik alleen maar rechtop ga zitten, zie ik al sterretjes. Ik leg me er onwillig bij neer. Als ik het heb gemist, dan heb ik het maar gemist. Er is niets meer aan te doen. Ik kende mijn vader eigenlijk niet zo goed. Hij was er niet zo vaak. In feite was hij meer een soort oom. Zo’n zwierige oom die altijd grapjes maakt, je lekkers brengt met Kerstmis en altijd naar drank en sigaretten ruikt. Zijn overlijden kwam ook niet als een donderslag bij heldere hemel. Hij moest een zware bypassoperatie ondergaan en iedereen wist dat hij maar vijftig procent kans had. Maar toch had ik er vandaag moeten zijn, samen met mam en Amy. Ik bedoel, Amy is pas twaalf, en dan is ze nog erg schuchter voor haar leeftijd ook. Plotseling zie ik voor me hoe ze in het uitvaartcentrum naast mam zit, helemaal ernstig onder haar lange pony, met haar voddige oude knuffelleeuw tegen zich aangedrukt. Ze is er nog niet aan toe om de kist van haar vader te zien, niet zonder haar grote zus die haar bij de hand houdt. Terwijl ik me lig voor te stellen hoe Amy haar best doet om dapper en volwassen te doen, voel ik een traan over mijn wang rollen. Het is de dag van de uitvaart van mijn vader, en ik lig in het ziekenhuis met hoofdpijn en vast ook nog een gebroken been of zo. En degene die me heeft beroofd, heeft natuurlijk mijn creditcards, mijn mobieltje en mijn nieuwe Accessorize-­‐tas met het kwastje achterovergedrukt. En mijn vriendje heeft me gisteren laten zitten. En er is niemand bij me op bezoek geweest, besef ik nu opeens. Waarom zitten mijn familieleden en vrienden niet bezorgd om het bed? Tja... Ik neem aan dat mam met Amy naar de uitvaart is gegaan, en Duffe Dave zoekt het maar uit. Maar Fi en de andere meiden, waar zijn die? Ik weet nog dat we allemaal naar Debs gingen toen ze haar ingegroeide teennagel had laten verwijderen. We kampeerden allemaal zo ongeveer op de vloer, en we brachten haar koffie van Starbucks en tijdschriften en toen ze weer beter was, trakteerden we haar op een pedicure. Alleen maar vanwege die teennagel. Terwijl ik bewusteloos ben geweest en aan een infuus lig en noem maar op, maar kennelijk kan het geen mens iets schelen. Super. Echt super, verdomme. Er biggelt weer een dikke traan over mijn wang, en net op dat moment kom Maureen terug. Ze heeft een dienblad bij zich en een plastic tas waarop met viltstift Lexi Smart is geschreven. ‘O, hemel,’ zegt ze als ze mij mijn tranen ziet afvegen. ‘Heb je pijn?’ Ze geeft me een pil en een klein


bekertje water. ‘Dit zou moeten helpen.’ ‘Dank je wel.’ Ik neem de pil en spoel hem met water weg. ‘Maar dat is het niet. Het gaat om mijn leven.’ Ik steek machteloos mijn handen op. ‘Het is waardeloos, van begin tot eind.’ ‘Natuurlijk niet,’ zegt Maureen geruststellend. ‘Het ziet er nu misschien wat somber uit...’ ‘Neem maar van mij aan dat het echt erg is.’ ‘Je hebt vast...’ ‘Mijn zogenaamde carrière zit in het slop, mijn vriendje heeft me gisteravond laten zitten en ik heb geen rooie cent. En er blijft maar ranzig bruin water uit mijn gootsteen naar de flat onder me lekken,’ herinner ik me met een huivering. ‘De buren zullen me wel een proces aandoen. En mijn vader is net overleden.’ Maureen zwijgt even verbijsterd. ‘Tja, dat klinkt allemaal heel... vervelend,’ zegt ze uiteindelijk, ‘maar ik denk dat alles binnenkort wel ten goede zal keren.’ ‘Dat zei mijn vriendin Fiona ook al!’ Opeens zie ik Fi’s schitterende ogen in de regen weer voor me. ‘En toen ben ik in het ziekenhuis terechtgekomen!’ Ik maak een radeloos gebaar naar mezelf. ‘Hoezo, ten goede keren?’ ‘Ik, eh, ik weet het niet precies, kind.’ Maureens ogen schichten hulpeloos heen en weer. ‘Telkens als ik denk dat alles klote is... wordt het nog kloteriger!’ Ik snuit mijn neus en slaak een diepe zucht. ‘Zou het niet fantastisch zijn als alles eens één keer, één keertje maar, op wonderbaarlijke wijze op zijn plaats viel?’ ‘Tja, we mogen allemaal dromen, hè?’ Maureen glimlacht meelevend naar me en steekt haar hand uit. Ik geef het bekertje terug... en dan zie ik mijn nagels opeens. Allemachtig. Wat is er in vredesnaam.. Mijn nagels zijn altijd afgekloven stompjes geweest die ik zoveel mogelijk verberg, maar nu zien ze er fantastisch uit. Netjes en roze gelakt... en lang. Ik knipper verbaasd met mijn ogen en probeer te achterhalen wat er is gebeurd. Zijn we vannacht nog naar de nagelsalon gegaan en ben ik het vergeten? Heb ik harsnagels genomen? Ze moeten een ongelooflijke nieuwe techniek hebben uitgedacht, want ik zie geen randjes of zo. ‘Trouwens, hier zit je tas in,’ zegt Maureen, en ze legt de plastic tas op mijn bed. ‘Ik zal even een sapje voor je gaan halen.’ ‘Dank je wel,’ zeg ik met een verbaasde blik op de tas. ‘En bedankt voor mijn spullen. Ik dacht dat ze gejat waren.’ Dat is tenminste nog iets, dat ik mijn tas terug heb. Met een beetje geluk is mijn mobieltje nog niet leeg en kan ik een paar sms’jes sturen... Terwijl Maureen de kamer uit loopt, stop ik mijn hand in de plastic tas... en haal er een chique Louis Vuitton-­‐tas uit met kalfsleren hengsels, helemaal luxe en duur uitziend. O, super. Ik zucht


teleurgesteld. Dit is mijn tas niet. Ze hebben mijn spullen verwisseld met die van iemand anders. Alsof ik, Lexi Smart, ooit een Louis Vuitton-­‐tas zou kunnen hebben. ‘Neem me niet kwalijk, dit is mijn tas niet,’ roep ik, maar de deur is al dicht. Ik kijk een tijdje verlangend naar de tas en vraag me af van wie hij is. Van een rijke meid verderop in de gang, natuurlijk. Uiteindelijk laat ik hem op de vloer vallen, zak weer in de kussens en doe mijn ogen dicht.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Ken je me nog by Chicklit.nl - Issuu