RUDI STULENS (DURAK), ARTIST 1963-2018
De goesting was over, de zin voorbij. Het wolkje dat probeerde de maan te betoveren, komt dichter en dichter bij. Het zal mij niet eens deren, net zoals alle kleinigheden, glijd ik dit van me af. Het eind is het begin van iets anders, hoe open was deze deur, ik trap daar liever tegen, dan tegen iets wat dan niet mag. De maan schijnt in m’n ogen, verblindt me met aanwezigheid. Zit eigenlijk voetbal te kijken Goeie match, maar de maan blijft meer boeien, en dus moet ik dit toch effe kwijt. Gedaan met de wrok en de woede Even dit schrijven en dan terug, van mezelf naar de wereld, terwijl de maan me geruststellend sust.
Ik ben het zand dat ik strooi in je ogen
De ketting laat kraken die ons verbindt Speel ik met de dromen die je van me hebt het einde van je wereld ben ik toch nooit wat je denkt Ik ben een onnozele vent ik zie het in je betraande ogen in de teleurstelling die went de zandloper die langzaam leegloopt zoute tranen op cement toch hoor ik niks liever dan dat jij dit allemaal ontkent.
POLITIEK REVOLUTIE EN DE JEUGD Belofte maakt schuld maakte de beloofde zich wijs Had daar een punt dat ie dacht hard te maken. De belover, Een andere mening toegedaan Maakte meteen wat hard was zachter. De spreekwoordelijk kous, het zuur dat op zal breken, laat maar even op zich wachten. De beloofde’s weerwraak nazinderend in menig achterhoofd alles afgenomen en nooit meer zotte dromen achtergebleven, wat verweesd, nam zich voor terug te komen.
De bladeren vallen of net niet, als een depressie op zoek naar verdriet. De regen huilt de zon glimlachend weg. De optimist vluchtend voor de uitgestelde melancholie. Vergeven moeite, gedane keer, dacht dat ik het beter wist dit keer.
Ik ging er ooit nog es vandoor Zoveel is zeker Ik lag, ik befte, vrij vrij nat Zoveel is zeker Ik beet en blafte Sprak van me af Zoveel is zeker Droom van wie ik niet was, maar ben. Onzeker, zoveel is zeker Zuig het merg uit het leven Gedraag me als een weet niet beter De kracht, de macht, niets is zeker Van huis en haard Noch smeergeld noch baard En profilage, een harley beter Als frisco in een te hete beker Niks blijft bestaan, alles vergaat, Zelfs de toekomst die nooit bestaat.
ZIJ Ik was van haar, zij hield van mij zoveel wisten we zeker Toch vond ik haar naast me in bed koud en zonder leven. Een dochtertje dat achterbleef, een ex-man en ik, die vele vrienden vol ongeloof. Soms nu na jaren word ik wakker en besef wat later, ze is er niet. Lang was er niks om voor te leven. Ik nam het later wel weer op, maar nooit meer als tevoren. Zoet blijft bitter smaken, bij ieder die haar kende. Het zal altijd zo blijven. Telkens ik haar naam hoor weet ik, ik hield van haar zij was van mij Zoveel weet ik zeker.
De Winnaar Als een paar verdiende klappen, door applaus gemaskeerd, staat daar de winnaar geen ander in zicht. Het verschil met die eeuwige tweede, ondergedompeld in sympathie, daar koop je niks voor. Want die herinner je je niet. Winnen is alles, zo wordt gezegd. Die eeuwige tweede, vergeten zo snel, het staat wel op schrift, doch nooit of te nimmer in iemands geheugen gegrift.
Ik ben geen belg, geen kees noch mof, geen allochtoon maar toch. Geen wereldburger, geen filantroop Pandora’s box liet me geen hoop. Niets is me heilig, ik doe alsof. Zwelg ik in lijden, mede gestookte toch. Ik word niet ouder, slechts afgeleefd. Als bevend riet, buig ik soms, maar breek ik niet. Ik ben alleen hier, kwam en zag, Het is niet goed te zijn, zonder een kracht. Slechts de laksheid niks te doen, is al wat ik vermag. Ik ben de lafaard, de leugenaar die kampt met eigenheid, zichzelf niet wil zijn, niet anders kan, dan leven als een andere man. Het levend lijk wil z’n gelijk. En als ik dood ben, dat zal ik ooit zijn, kan ik slechts hopen op het einde van de hypocriete pijn.
Š Beeld en tekst: Ruud Stulens