Skip to main content

Ruben Dahmen - Wat wil het huis

Page 1

Wat wil het huis? 1


2


inhoudsopgave Zoektocht naar een architectuurhouding 4 Hoe mijn dogma’s zijn ontstaan 10 Mijn dogma’s 13 uit observatie groeid het project 14 Het gehele ontwerp vind plaats op locatie 18 Het lichaam als meetinstrument 32 De ontwerper bouwt zelf 38 Materiaal is lokaal en uit reststromen 44 Het ontwerp word nooit voltooid maar voortdurend herschreven 54 Een andere positie van de architect 58 Ruimtelijk resultaat 60 Epiloog 72

3


Zoektocht naar een architectuurhouding De aanleiding voor dit project komt voort uit een groeiende frustratie over de hedendaagse architectuurpraktijk. Tijdens het werken aan woningbouwprojecten zag ik regelmatig hoe grote hoeveelheden materiaal, arbeid en bestaande kwaliteit verloren gingen. Materialen waarvan de winning diepe littekens achterlaat op de planeet werden vaak als toonbeeld van kwaliteit en exclusiviteit gepresenteerd. Juist de materialen die als bijzonder of luxueus werden beschouwd, bleken vaak gepaard te gaan met een grote ecologische belasting. De bouwsector en haar materiaalstromen leggen een enorme druk op de aarde. Materialen worden wereldwijd gewonnen, ve rvoerd en verwerkt, wat gepaard gaat met aanzienlijke CO2-uitstoot. Tegelijkertijd worden delen van de wereld steeds minder leefbaar als gevolg van deze manier van produceren en consumeren. Woningen met historische details werden gesloopt om plaats te maken voor glad afgewerkte interieurs waarin nauwelijks nog zichtbaar was hoe een gebouw daadwerkelijk was opgebouwd. Zorgvuldig gemaakte onderdelen, complete interieurs en grote stukken natuursteen verdwenen in afvalcontainers omdat de smaak van een opdrachtgever veranderde. Materialen werden gewonnen, vervoerd en verwerkt voor een esthetisch beeld dat vaak even veranderlijk bleek als de trends waarop het gebaseerd was. Die ervaringen riepen bij mij een fundamentele vraag op: waarop baseren we eigenlijk de waarde van architectuur? Veel van deze ingrepen werden gelegitimeerd vanuit schoonheid, terwijl

4

schoonheid voor mij steeds minder overtuigend begon te voelen als rechtvaardiging voor zulke grote materiële consequenties. Smaak bleek bovendien sterk afhankelijk van sociale context en voortdurend onderhevig aan verandering. Daardoor begon ik te twijfelen aan een architectuurpraktijk waarin beeld en esthetiek vaak belangrijker lijken te worden dan materiaal, constructie of bestaande kwaliteit. Tegelijkertijd merkte ik dat ik zelf steeds verder verwijderd raakte van het daadwerkelijke bouwen. Dagen achter een computer, werkend aan 3D-modellen, zorgden ervoor dat ontwerpen ontstonden die nauwelijks nog geworteld waren in materiaal, constructie of maakbaarheid. Ik was niet langer onderdeel van het ontwerp, maar bewoog er als een toeschouwer doorheen in het digitale model. Het langdurig werken achter een scherm versterkte bovendien een gevoel van afstand tot het maakproces. De directe ervaring van materiaal, gewicht en handeling maakte plaats voor een abstracte virtuele omgeving. De vorm van een gebouw ontstond vaak los van de manier waarop het daadwerkelijk gebouwd werd. In een digitaal model lijkt vrijwel alles mogelijk. Constructie werd voornamelijk benaderd als een technische oplossing voor een vooraf ontworpen beeld, in plaats van als een integraal onderdeel van de architectonische ervaring. Daardoor groeide het gevoel dat ontwerpen steeds verder verwijderd raakte van het directe ervaren, maken en bouwen. In de praktijk merkte ik hoe afwerking, constructie en materialiteit steeds verder van elkaar gescheiden raakten.


Regelmatig werden karaktervolle elementen nagebootst met dunne afwerkingslagen, terwijl de werkelijke constructie daarachter verborgen bleef. Meerdere keren heb ik decoratieve constructies toegevoegd aan volledig gestucte interieurs om een gevoel van massa, draagkracht of karakter op te roepen. Juist dat voelde tegenstrijdig: het beeld van constructie werd belangrijker dan de constructie zelf. Die worsteling werd ook zichtbaar in de samenwerking met aannemers en makers. Ik bevond mij voortdurend tussen de rol van ontwerper en bouwer. Hoewel ik dacht te begrijpen hoe dingen gemaakt konden worden, merkte ik tegelijk hoeveel kennis van materiaalbewerking en uitvoering mij nog ontbrak om dit werkelijk onderdeel van het ontwerpproces te maken.

Een concreet voorbeeld hiervan was een haard die ik ontwierp met massieve blokken gekloofd natuursteen. In de uitvoering werden dergelijke ideeën echter telkens teruggebracht tot dunne platen, verstekverbindingen en imitaties van massa. De logica van de hedendaagse bouwpraktijk bleek voornamelijk gericht op efficiënte afwerkingssystemen en oppervlakken, terwijl mijn interesse juist lag in de directe ontmoeting tussen materiaal, gewicht, verbinding en constructie. Ik merkte dat ik steeds minder geïnteresseerd raakte in architectuur als beeld, en steeds meer in hoe materialen samenkomen, hoe iets gemaakt wordt en hoe een gebouw aanvoelt wanneer je begrijpt hoe het in elkaar zit. Ik was op zoek naar een architectuur waarin karakter niet wordt toegevoegd als beeld of decoratie, maar voortkomt uit de kern van het gebouw zelf: uit de samenkomst van materialen, constructie, geschiedenis en maaklogica. Wanneer ik deze gedachten serieus neem, heeft dat onvermijdelijk consequenties voor mijn eigen rol als ontwerper. Als we de planeet leefbaar willen houden vraagt dat niet alleen om andere ideeën, maar ook om ander gedrag. Dit onderzoek ontstond daarom niet alleen uit kritiek op de bestaande praktijk, maar ook uit de behoefte om mijn eigen positie daarin kritisch te bevragen. Als ik de problemen die ik signaleer serieus neem, kan ik niet buiten beschouwing laten welke rol ik daar zelf in speel. Vanuit die frustratie ontstond de behoefte om architectuur opnieuw fysiek te benaderen. Niet alleen als ontwerpopgave, maar als een directe ervaring van maken, testen en bouwen. Ik wilde

5


onderzoeken wat er gebeurt wanneer materiaal, handarbeid en aanwezigheid het vertrekpunt van het ontwerp worden, in plaats van representatie of beeld. Daarbij werd het belangrijk om ruimte te creëren voor twijfel, experiment en improvisatie — kwaliteiten die binnen een traditionele opdrachtgeverrelatie vaak onder druk staan door tijd, budget en vooraf vastgelegde verwachtingen. Ik wilde werken met lokale en hergebruikte materialen en onderzoeken wat er gebeurt wanneer het ontwerp voortkomt uit wat aanwezig is, in plaats van uit wat besteld kan worden. Daarmee keerde ik terug naar een verlangen dat al langer aanwezig was: bouwen als kunde, niet alleen als representatie. In die zoektocht heb ik uiteindelijk dit huisje in Amsterdam-Noord gebruikt als onderzoeksobject. Een plek waar ontwerpen, bouwen en opdrachtgeverschap niet langer van elkaar gescheiden waren, maar gelijktijdig konden ontstaan. Het project werd daarmee niet alleen een ontwerp voor een gebouw, maar vooral een onderzoek naar een andere verhouding tussen architectuur, materiaal en maakproces. Daarbij heb ik bewust ruimte gegeven aan een verlangen dat gedurende mijn opleiding en praktijk steeds sterker werd: de behoefte om niet alleen te ontwerpen, maar ook daadwerkelijk te maken. Het project werd daarmee niet alleen een onderzoek naar architectuur, maar ook naar mijn eigen verhouding tot het maken.

6


7


8 foto’s van funda bij de aankoop


9


Hoe mijn dogma’s zijn ontstaan De dogma’s binnen dit project zijn ontstaan vanuit een verlangen om mijzelf in een positie te brengen waarin ik anders leer kijken, ontwerpen en bouwen. Ze waren geen vooraf uitgewerkte ontwerpregels of theoretische uitgangspunten, maar zelfopgelegde beperkingen waarmee ik mijn eigen manier van werken wilde bevragen. Ik wilde onderzoeken hoe ik mij als architect kon ontwikkelen wanneer ik afstand nam van de vanzelfsprekendheden van de hedendaagse bouwpraktijk. Dat betekende niet dat de dogma’s vanaf het begin vastlagen. Tijdens het bouwen werden ze voortdurend aangescherpt. Door het onderzoek te leiden vanuit mijn fysieke aanwezigheid op de bouwplaats en in directe relatie met materialen, door te testen, te maken, te falen en opnieuw te beginnen, ontstond een manier van werken waarin waarnemen, handelen en reageren centraal stonden. De dogma’s werden bevestigd en verfijnd door het waarnemen van mijn eigen gedrag tijdens het maken: door het werken met gevonden materialen, het reageren op beperkingen en het ontdekken van mogelijkheden die zich pas tijdens het bouwen aandienden. De beperkingen waren daarbij geen doel op zichzelf. Ze vormden een middel om mij los te maken van een ontwerppraktijk waarin vrijwel alles vooraf bedacht, gemodelleerd en gecontroleerd wordt. Juist door mijzelf beperkingen op te leggen, ontstond ruimte om

10

anders met materiaal, de plek en het bouwproces om te gaan. Ik wilde onderzoeken hoe een ontwerp zich ontwikkelt wanneer niet het vooraf bedachte beeld leidend is, maar de directe ontmoeting met het bestaande. De dogma’s hielpen om richting te geven aan een proces dat voortdurend veranderde door wat ik tijdens het bouwen tegenkwam. Ze gaven helderheid aan mijn experiment. De centrale vraag werd: wat gebeurt er wanneer ik deze spelregels consequent volg? Welke architectuur ontstaat er dan, en welke kennis kan alleen op die manier worden ontwikkeld? Met deze dogma’s probeerde ik mijzelf te dwingen om te ontwerpen vanuit mijn lichaam in plaats van vanuit een vooraf bedacht driedimensionaal concept. Ontwerpen moest opnieuw een fysiek proces worden waarin materialen, natuurwetten, beschikbare middelen, emoties en handelingen daadwerkelijk invloed hebben op de vorm van het gebouw. Het onderzoek ging daarmee niet alleen over het uiteindelijke huisje, maar vooral over een andere verhouding tot het ontwerpen. Door afstand te nemen van de logica van de hedendaagse bouwpraktijk onderzocht ik of een duurzamere relatie met materiaal, de plek en het bouwen zelf kon ontstaan. De beperkingen dwongen mij om materialen opnieuw te leren


zien, voelen en begrijpen; niet als producten die een vooraf ontworpen beeld realiseren, maar als actieve deelnemers aan het ontwerpproces. Het huisje werd daardoor niet alleen een gebouw, maar ook een onderzoek naar hoe architectuur kan ontstaan wanneer directe ervaring het uitgangspunt wordt. Een zoektocht naar een praktijk waarin ontwerpen minder gaat over controle en representatie, en meer over aanwezigheid, maken, ronddwalen, testen en het langzaam begrijpen van wat een ruimte doet met een lichaam. Gebundeld vormen deze dogma’s een handleiding voor een alternatieve ontwerppraktijk. Niet omdat ik geloof dat iedere architect volgens deze regels zou moeten werken, maar omdat ze mij dwongen om een andere verhouding aan te gaan met bouwen, materiaal en ontwerp. Ze vormden een instrument om te onderzoeken hoe architectuur ontstaat wanneer de ontwerper zichzelf bewust andere voorwaarden oplegt dan die van de gangbare praktijk. Het zijn spelregels die soms bijna onwerkelijk voelden om consequent te volgen, juist omdat zij ingaan tegen veel vanzelfsprekendheden binnen de hedendaagse architectuur. In de volgende hoofdstukken bespreek ik ieder dogma afzonderlijk en onderzoek ik welke invloed het heeft gehad op zowel het ontwerpproces als het uiteindelijke gebouw.

11


12


Mijn Dogma’s 1. Uit observatie groeit het project Niet het idee maar het bestaande is leidend

2. Het gehele ontwerp vindt plaats op locatie. elke beslissing word genomen in directe relatie tot de plek.

3. Het lichaam als meetinstrument. Ruimte bepaald vanuit lichamelijke ervaring

4. De ontwerper bouwt zelf ontwerpen en maken zijn één ding. wat niet zelf gebouwd kan worden word niet ontworpen

5. Materiaal is lokaal en uit reststromen. wat beschikbaar is bepaald wat mogelijk is.

6. Het ontworp word nooit voltooid maar voortdurend herschreven.

Elke ingreep heeft consequenities en bepaald een nieuwe plek van overweging.

13


1.

Uit observatie groeit het project Niet het idee maar het bestaande is leidend

Binnen dit dogma vertrek ik niet vanuit een vooraf bedacht idee of eindbeeld, maar vanuit zintuiglijke en aandachtige observatie van wat al aanwezig is. Een bijna meditatieve houding. Het bestaande is leidend. Mijn vertrekpunt ligt in kijken, luisteren, voelen, ruiken en ervaren. Wat vertelt de ruimte mij al? Wat zeggen materiaal, constructie, licht en omgeving? Welke kwaliteiten en spanningen zijn aanwezig? Dit proces vertraagt mijn manier van ontwerpen aanzienlijk. Mijn “ontwerperhoofd” heeft de neiging om direct oplossingen en ruimtelijke beelden in te vullen, maar binnen dit dogma heb ik bewust geprobeerd dat mechanisme uit te stellen. Door beslissingen te vertragen ontstaat ruimte waarin niet één maar meerdere registers van waarneming tegelijk actief zijn. Licht, geur, materiaalgedrag en seizoensinvloeden vormen samen een continu veld van informatie. Vooral materiaalgedrag — zoals hoe hout buigt, splijt, schuurt of breekt — wordt directe input voor ruimtelijke keuzes. Waarnemen staat centraal, zonder direct te sturen op oplossingen. Kleine en toevallige verschijnselen vormen het begin van het ontwerp: lichtval, geluid, tocht, een vogel op het dak, verkleuring van materialen of vochtsporen in een wand. Deze observaties bouwen zich op tot een geheugen van de plek dat zich in de tijd blijft ontwikkelen.

14

Waarnemen en handelen lopen binnen dit dogma voortdurend in elkaar over. Tekenen en schrijven gebruik ik niet om te representeren, maar om het kijken te vertragen en te verdiepen.

Als een cartograaf op ontdekkingsreis leg ik sporen vast van wat ik zie en hoe dit zich ontwikkelt. Daarnaast gebruik ik fysieke handelingen zoals zitten, lopen, bukken of kijken door openingen om de ruimte steeds opnieuw vanuit een andere positie te ervaren. Door het bestaande te onderzoeken, te benoemen en te ordenen ontstaat inzicht in wat dragend is, wat toegevoegd is en welke materialen karakter geven aan de plek. Ontwerpbeslissingen zijn hierdoor geen geïsoleerde keuzes, maar directe gevolgen van de observatie. Hoewel het uitgangspunt observerend is, ontstaan momenten waarop waarneming direct omslaat in ontwerpbeslissing. Een observatie van licht in de maquette door een dakraam werd bijvoorbeeld een bepalende ingreep. Ook het moment waarop ik in de spouw achter een voorzetwand keek en beton zichtbaar werd, veranderde mijn intentie: dat ruwe materiaal wilde ik onderdeel laten worden van de lichtwerking. Mijn lichaam speelt hierin een centrale rol. Ik lees ruimte niet alleen visueel, maar ervaar haar lichamelijk. Lopen, zitten, bukken en reiken maken schaal en verhouding direct voelbaar. Het lichaam fungeert daarbij als meetinstrument dat corrigeert wat het oog denkt te zien. Architectuur wordt zo een traag en aandachtig proces waarin de bestaande situatie geen beperking is, maar een actieve ontwerppartner. De ingreep is geen toevoeging, maar een voortzetting van wat er al aanwezig was.


15


bitumen dakbedekking pir isolatie vuren dakbeschot vuren consructie hout gezetten stalen spanten in ijzer menie prefab betonnen schoorsteen 2 kanaals betonnen stijlen met verloren bekisting gekoppeld aan muurbalk en prefab beton elementen houte rachelwerk voor plafond bevestigd aan staal constructie spuitbeton stuc plafond op staal gaas. gemetselde binnenwand 50 mm spou vorzien van houtwol isolatie typerende prefab betonnen elementen op kop gevel 213 prefab beton elementen van 600 x 350 verlijmt op elkaar met 18 hoekstenen kunsstofkozijnen met dubbelglas

houten deur met tralieglas raam

Pirplaten met schroeven bevestigd met schroeven en stuc afgewerkt vuren ondervloer vuren vloer balken 100x180 schuimbeton in kruipruimte tbv vocht regulering betonnen ring fundering

Exploded view uitonderzoek van het huis 16


17


2.

Het gehele ontwerp vindt plaats op locatie elke beslissing word genomen in directe relatie tot de plek.

Dit dogma vertrekt vanuit het idee dat een ontwerp niet losstaat van de plek, maar daar volledig door wordt gevormd. Mijn ontwerpproces vindt daarom plaats op locatie: elke beslissing ontstaat in directe relatie tot wat al aanwezig is.

tien centimeter bepalend voor de verhouding tussen ruimtes. Zulke verschuivingen bepalen of ruimtes één geheel vormen of gescheiden blijven. Ontwerpen op locatie maakt deze effecten direct ervaarbaar.

Door op locatie te ontwerpen ontstaat een directe relatie tussen waarneming, representatie en handelen. Ik maak en bekijk alle tekeningen en maquettes uitsluitend in het huisje zelf. Soms teken ik direct op de muren, waardoor de ruimte zelf onderdeel wordt van het ontwerpproces. Zo blijft de relatie tussen tekening, maquette en fysieke situatie direct en helder. Tekenen en bouwen ontwikkelen zich vaak gelijktijdig, waardoor ontwerp en uitvoering in elkaar overvloeien. De vertaling van werkelijkheid naar representatie blijft daardoor niet abstract, maar direct verbonden aan wat ik ter plekke ervaar.

Uiteindelijk wordt het gebouw zelf de maquette: een optelsom van handelingen, beslissingen en tijd die zich op de plek hebben afgespeeld. Het huis wordt daarmee een 1:1 maquette waarin ontwerp en werkelijkheid samenvallen.

Hoewel ik ook heb geëxperimenteerd met tekenen en het maken van maquettes buiten de locatie, merkte ik dat belangrijke ruimtelijke aanwijzingen verloren gaan. Detail en constructie die op locatie vanzelfsprekend zijn, verdwijnen in representatie. Tegelijkertijd hebben tekeningen de neiging het ontwerp te verscherpen en te abstraheren, waardoor ruimtes complexer lijken dan nodig. In de vertaling naar hout en constructie blijken eenvoudigere oplossingen zich vaak vanzelf aan te dienen. Het werken met 1:1 elementen versterkt dit effect. In schaalmodellen lijken ruimtelijke beslissingen vaak abstract, maar in de werkelijke ruimte blijkt bijvoorbeeld een verschil van

18

Tegelijkertijd verandert deze werkwijze mijn positie als ontwerper. Door de directe confrontatie met de fysieke consequenties van beslissingen wordt het proces minder vrijblijvend. Waar een tekening abstract kan blijven, vraagt de realiteit om uitvoering en ingreep. Hierdoor werd ik soms voorzichtiger in mijn keuzes. Zo heb ik het oorspronkelijke idee om een groot gat in de gevel te maken heroverwogen, omdat de fysieke en emotionele consequenties ter plekke direct voelbaar werden. Gaandeweg ontstond vertrouwen in een andere manier van werken: kijken, gebruiken wat aanwezig is en mezelf positioneren als vertaler tussen ruimte en ontwerp. Niet het vooraf vastleggen van een eindbeeld, maar een proces waarin elk onderdeel opnieuw aanleiding kan zijn voor ontwerp. Deze manier van werken verschuift ook de rol van ontwerper. Het ontwerp is niet langer een vooraf gesloten geheel, maar ontstaat in directe relatie tot uitvoering.


19


1:20 maquetteonderzoek De plaatsing van de dakramen is op verschillende manieren te onderzoeken. Ramen op het noorden geven ander licht dan ramen op het zuiden. Aan de zuidkant ontstaat interessant schaduwspel door de constructie, al bestaat daar ook het risico op opwarming door direct zonlicht. Door een dakraam los dwars door het ritme van de dakconstructie te plaatsen onstaat een spannende situatie. Er ontstaat gedurende de dag een voortdurend schaduwspel van het vakwerk over de muren en door de ruimte. Slagschaduw maken het verstrijken van de tijd zichtbaar, als een zonnewijzer die lijnen door de ruimte trekt. In combinatie met de stalen vakwerkspanten ontstaat zo een veranderend lijnenspel van licht en schaduw.

20


Met 1:20 maquettes konden snel verschillende indelingen en ruimtelijke mogelijkheden worden onderzocht. Tijdens dit proces werd duidelijk dat deze schaal te veel afstand creëert tot de werkelijke situatie en de directe ervaring van de plek. De aanleiding voor het ontwerp bleek sterker aanwezig in de locatie zelf. bouwbaarheid en vaste gegevens als meterkasten en rioolering worden snel vergeten in een 1:20 maquette. Vanuit deze inzichten zijn vervolgens een aantal 1:1 maquettes ontwikkeld.

21


22


De ontdekking van de spiegels haaks op het dakvlak is in deze 1:20 maquettes ontstaan.

23


1:1 maquettes Met verschillende 1:1 maquettes heb ik uiteenlopende indelingen onderzocht. Door de ruimtes daadwerkelijk te ervaren en als proefopstelling te gebruiken, test ik de verhouding tussen openbaar, publiek en privé. In de plattegronden zijn de toevoegingen zichtbaar en is te zien hoe deze tijdens het onderzoek worden uitgeprobeerd.

24


25


onderzoek detail kozijn waardoor oude gevel zichtbaar word. Uiteindelijk niet uitgevoerd

26


Detail klapbare zitkuil/logeerbed. uiteindelijk anders uitgevoerd.

27


schetsen van de kastenwand

28


schets gemaakt op locatie.

29


Detail verlichting/ opvangen ronddakraam

30


31


3.

Het lichaam als meetinstrument Ruimte bepaald vanuit lichamelijke ervaring

Binnen dit dogma wordt het lichaam gebruikt als direct meetinstrument voor architectuur. Niet abstracte maten of vooraf bepaalde plattegronden vormen het uitgangspunt, maar lichamelijke ervaring: zitten, kijken, lopen, werken, afschermen en oriënteren. De ruimte wordt voortdurend getest vanuit de vraag hoe een plek daadwerkelijk aanvoelt en hoe het lichaam zich ertoe verhoudt. Door middel van 1:1 maquettes en tijdelijke opstellingen worden situaties fysiek onderzocht op locatie. Foam platen, verschuivende wanden en tijdelijke elementen maken het mogelijk om ruimtelijke grenzen direct te testen en aan te passen. Tijdens deze onderzoeken wordt mijn lichaam steeds opnieuw in de situatie geplaatst om te ervaren wat werkt en wat niet: waar een plek prettig aanvoelt, waar uitzicht ontstaat, waar privacy ontbreekt en hoe licht, hoogte en richting de ruimtelijke ervaring beïnvloeden. Hierbij bleek dat kleine verschuivingen grote ruimtelijke gevolgen kunnen hebben. Een verandering van slechts twintig centimeter kan bepalen of een plek beschut voelt of juist open, of een ruimte nog verbonden is met de rest van het huis of juist los komt te staan. In tegenstelling tot abstracte tekeningen ontbreekt in deze benadering de emotionele vertaling vaak volledig: een ruimte kan technisch kloppen op papier, maar fysiek ongemakkelijk of onevenwichtig aanvoelen. Het lichaam corrigeert hierin voortdurend de tekening. Zo bleek bijvoorbeeld bij het ontwerpen

32

van een zitkuil dat de schaal op tekening herhaaldelijk correct leek, terwijl de fysieke ervaring steeds vroeg om een verdubbeling van de maat om de ruimte daadwerkelijk bruikbaar en comfortabel te maken. Het dogma onderzoekt daarmee hoe architectuur kan ontstaan vanuit directe lichamelijke ervaring. Niet door ruimte als abstract volume te ontwerpen, maar door haar stap voor stap te vormen vanuit waarneming, beweging, zichtlijnen, licht, privacy en aanwezigheid. Het lichaam blijkt daarbij een betrouwbaarder referentie dan de tekening, omdat het direct reageert op schaal, comfort en verhouding. Tegelijkertijd is deze lichamelijke meting niet statisch. Door langere tijd op locatie aanwezig te zijn, inclusief verschillende seizoenen, verandert ook de waarneming zelf. De relatie tussen binnen en buiten, publiek en privé en de ervaring van de tuin verschuift voortdurend. Wat als “goed” voelt, is daardoor niet vaststaand maar situationeel en tijdsafhankelijk. Door het werken met 1:1 mock-ups wordt deze veranderlijkheid onderdeel van het ontwerpproces zelf: verschillende indelingen kunnen direct worden getest en met elkaar vergeleken.


33


34


35


36


Expansie onder peil Door toevallige situaties ontstaan nieuwe ideeën. Het vallen van een stuk puin veroorzaakte een gat in de vloer, wat mij ertoe bracht hier een opslagruimte te maken. Dit leverde onverwacht een interessant zichtpunt op vanuit de ondergrondse bak. Dit is verder uitgewerkt tot een multifunctionele zitkuil en opbergbakken tussen de vloerbalken.

37


4.

De ontwerper bouwt zelf

Ontwerpen en maken zijn één ding. wat niet zelf gebouwd kan worden word niet ontworpen

Binnen dit dogma zie ik ontwerpen en bouwen niet langer als afzonderlijke fases, maar als één continu proces. Het ontwerp ontstaat tijdens het maken en ontwikkelt zich in directe relatie met materiaal, gereedschap, constructie en handeling. Ik werk niet vanuit een volledig uitgewerkt plan dat daarna wordt uitgevoerd, maar vanuit een werkwijze waarin denken en bouwen gelijktijdig plaatsvinden. Snelle schetsen vertaal ik direct naar fysieke ingrepen, waarna nieuwe inzichten weer leiden tot aanpassingen in het ontwerp. Zo ontstaat architectuur in een voortdurende wisselwerking tussen idee, hand en materiaal. Hierdoor verschuift ook mijn definitie van ontwerpen. Een tekening maken is niet per se bouwen, maar bouwen is voor mij altijd een vorm van ontwerpen. Tijdens het bouwen worden voortdurend nieuwe ontwerpbeslissingen genomen. Elke zaagsnede, verbinding, volgorde van monteren of onverwachte beperking verandert het ontwerp. Er bestaat daardoor geen duidelijke grens tussen ontwerpen en uitvoeren; het ene vloeit voortdurend over in het andere. Een ontwerp is bovendien nooit definitief. Pas wanneer iets gebouwd is, kan het werkelijk worden beoordeeld, aangepast of weer worden afgebroken. Ontwerpen wordt daarmee onderdeel van een voortdurende kringloop van maken, veranderen en opnieuw beginnen. Centraal in dit proces staat het idee van denken met mijn handen. Mijn ontwerpbeslissingen ontstaan niet alleen vanuit analyse of representatie, maar juist door de fysieke confrontatie met

38

materialen, gereedschappen en machines. Opvallend genoeg denk ik tijdens het bouwen steeds minder in vormen en steeds meer in handelingen. Kennis van gereedschap en materiaalbewerking zorgt ervoor dat nieuwe ideeën ontstaan vanuit de volgorde van bouwen, de mogelijkheden van machines en de logica van verbindingen. Niet de vorm bepaalt de constructie, maar de manier van maken bepaalt steeds vaker de vorm. Het bouwen wordt daarmee een vorm van onderzoek. Tijdens het maken ontwikkel ik begrip van technieken en constructies die vooraf nauwelijks volledig te overzien zijn. Zo leidde het maken van de ronde constructiering voor het daklicht tot praktische problemen en uiteindelijk tot een oplossing waarin constructie, detaillering en lichtobject samenvielen. Juist doordat ik zelf bouw, worden problemen geen verstoringen van het ontwerp, maar aanleiding voor nieuwe ontwerpbeslissingen. De bouwplaats verandert hierdoor in mijn ontwerpatelier. Zeker doordat ik uitsluitend met restmaterialen werk, ontstaan veel ontwerpbeslissingen pas op het moment dat materialen daadwerkelijk voor mij liggen. Hun afmetingen, eigenschappen en onderlinge relaties sturen het ontwerp actief. Het samenbrengen van materialen is daarmee niet het uitvoeren van een ontwerp, maar het moment waarop het ontwerp zich vormt. Tegelijkertijd begrenzen mijn vaardigheden en middelen het ontwerp. Juist binnen die beperkingen ontstaan vaak directere


en meer geïntegreerde oplossingen dan binnen een proces waarin ontwerp en uitvoering strikt van elkaar zijn gescheiden. Een aannemer zou veel van deze keuzes waarschijnlijk nooit hebben kunnen of willen maken, simpelweg omdat zij pas tijdens het bouwen zichtbaar werden. Deze werkwijze verandert ook mijn positie als architect. Doordat ontwerp, uitvoering en gebruik in één persoon samenkomen, verdwijnt de afstand tussen idee en werkelijkheid. Ik ontwikkel een direct begrip van materiaal, arbeid, tijd en consequentie. Architectuur ontstaat niet langer vanuit een abstracte vorm, maar vanuit een voortdurende onderhandeling tussen ambitie, maakbaarheid en de werkelijkheid van het bouwen. De ontwerper wordt daarmee niet alleen degene die een gebouw bedenkt, maar ook degene die het al bouwend ontdekt.

39


Hoe gebruik ik machines en hoe beïnvloedt dat mijn ontwerp? Tijdens het maken van de ronde constructiering ter ondersteuning van het daklicht liep ik tegen verschillende praktische problemen aan: hoe maak ik zo’n vorm precies en controleerbaar? Door een passerconstructie te maken met mijn freesmachine en een kopieerfrees is het mij uiteindelijk gelukt om een gelamineerde ring te realiseren, inclusief uitsparingen voor de lichtfittingen. Ik denk daarbij door middel van mijn instrumenten. De bewerkingen die ik kan uitvoeren worden de stappen waaruit mijn ontwerp bestaat. In plaats van te ontwerpen in oppervlakken, begin ik te ontwerpen in handelingen en bewerkingen.

40


41


42


43


5.

Materiaal is lokaal en uit reststromen Wat beschikbaar is bepaald wat mogelijk is

Binnen dit dogma beschouw ik materiaal niet als iets dat nieuw geproduceerd of aangevoerd wordt, maar als iets dat al aanwezig is in een bestaande stroom. Het materiaal voor het project wordt lokaal gewonnen en afkomstig uit reststromen: van marktplaatsen, jutplaatsen en andere tijdelijke opslagplekken van gebruikt materiaal. Het zijn materialen die al een eerder leven hebben gehad in andere projecten en hier een tijdelijk nieuw onderkomen vinden. Alle materialen worden zo toegepast dat ze in de toekomst weer uit elkaar gehaald en opnieuw ingezet kunnen worden. Verbindingen worden daarom zonder lijm gemaakt, zodat onderdelen demontabel blijven en opnieuw kunnen terugkeren in de materiaalkringloop. Materialen worden dus niet vastgezet, maar gepositioneerd binnen een tijdelijke constellatie. Een groot deel van het materiaal is geoogst uit de bestaande situatie zelf, zoals constructiehout en elektrische componenten. Deze hebben zoveel mogelijk direct weer een nieuwe plek gekregen binnen het gebouw. Hierdoor ontstaat een continue verschuiving waarbij materiaal niet wordt toegevoegd, maar herverdeeld. Daarnaast worden veel onderdelen gevormd uit contravormen van andere objecten in het huis. Reststukken en negatieve vormen worden opnieuw ingezet, waardoor het materiaalgebruik zo efficiënt mogelijk wordt en afval tot een minimum wordt beperkt.

44

Het resultaat is een architectuur waarin materiaalgebruik direct zichtbaar blijft in zijn herkomst en bewerking. Een aanzienlijk deel van het hout komt bijvoorbeeld uit een expositie in het Rijksmuseum over slavernij en bestaat uit berkenmultiplex, passend bij de straatnaam Berkhouthof. Omdat veel van dit materiaal in kleine stukken beschikbaar was, moest het opnieuw worden samengesteld en geüpcycled. Zo zijn lange planken weer opgebouwd uit kleinere delen met behulp van lamello-verbindingen, en zijn gaten hersteld met houtproppen om het materiaal opnieuw bruikbaar te maken, bijvoorbeeld voor de vloer. Waar traditioneel vaak afwerkingslagen worden toegepast, is daar hier bewust van afgezien. Ook het plafond is zonder extra afwerking uitgevoerd, waardoor aanzienlijk materiaalgebruik is bespaard en de herkomst van het materiaal zichtbaar blijft binnen het gebouw.


45


Het merendeel van de materialen bestaat uit hergebruikte componenten, afkomstig uit het bestaande gebouw en uit lokale reststromen. Aanvullende materialen zijn verzameld via Marktplaats en via gespecialiseerde aanbieders van tweedehands en restbouwmaterialen, zoals Jutplaats (Fiction Factory) en Havik Bouwmaterialen. Wat dit materiaalarchief bijzonder maakt, is dat vrijwel elk element een eigen geschiedenis en herkomst heeft, vaak gekoppeld aan een persoon die het heeft aangeboden. Door het proces van verzamelen ontstaat niet alleen een materiaalvoorraad, maar ook een reeks ontmoetingen en uitwisselingen met de vorige eigenaren van deze materialen. Zo heeft het berkenmultiplex bijvoorbeeld eerder dienstgedaan in het Rijksmuseum voor een tentoonstelling over slavernij. Deze onverwachte herkomst geeft het materiaal een extra laag betekenis. De lichtkoepel is overgenomen van een aannemer die ging emigreren en daarnaast een gepassioneerd muziekmaker was; bij het ophalen ontstond een geïmproviseerde jamsessie in zijn werkplaats. De vloerisolatie is afkomstig van de Jaap Edenbaan, een schaatsbaan waar generaties Amsterdammers hebben geschaatst. Door deze verbindingen wordt het gebouw niet alleen opgebouwd uit materialen, maar ook uit verhalen. Het vormt een verzameling van ervaringen, ontmoetingen en geschiedenissen: een soort levende bibliotheek van materiaalbiografieën die samenkomen op deze plek.

46

oogstkaart materialen gerecyclde toegevoegde materialen 1, Siemens inbouw afzuigkap 2. promatect plaatmateriaal 3 meubel scharniere 4 matras voor zitkuil 5 elektra asortie 6. tegeltjes 7. berkenmutilplex stroken 8. pir isolatie 9. lichtkoepel 10. houtkachel 11. stoppenkast 12. inductieplaat

particulier via marktplaats particulier via marktplaats particulier via marktplaats particulier via marktplaats particulier via marktplaats particulier via marktplaats rijksmuseum via jutplaats jaap van edenbaan via havik aannemer via marktplaats cadeau van tante particulier via marktplaats particulier via marktplaats


10

KM

1.

2.

4. 3.

11.

7.

12.

5. 8. 6.

10. 9.

47 13. 9.


De materialen die zijn geoogst uit de bestaande situatie zijn materialen die al aanwezig waren in het gebouw en binnen die context een nieuwe functie of positie hebben gekregen. Het bestaande huis is daarmee niet alleen een bron van ruimte, maar ook van materiaal. Een belangrijk onderdeel hiervan is het hergebruik van staal. Historisch bestond de vloerconstructie uit stalen vakwerken. Het merendeel is eerder verwijderd, maar enkele resterende, niet meer functionele vakwerken zijn opnieuw ingezet als drager voor betonnen schoorsteenblokken. Zo krijgt bestaand constructief materiaal een nieuwe rol binnen de verbouwing. Ook de elektrotechnische installatie is hergebruikt. Stopcontacten, elektradraden en schakelaars zijn demontabel en opnieuw gepositioneerd, en bestaande leidingen zijn behouden vanwege hun technische staat. Zo blijft een groot deel van de infrastructuur verplaatsbaar en in gebruik. De keuken en inbouwcomponenten zijn eveneens hergebruikt, waaronder kraan, spoelbak en vaatwasser, opnieuw geïntegreerd in een nieuwe opstelling achter tweedehands berkenmultiplex. Een andere benadering is het zichtbaar maken van bestaande lagen die op dezelfde positite blijven, zoals het blootleggen van prefab beton achter de haard of het openen van wanden waardoor de dwarsdoorsnede van metselwerk zichtbaar wordt. Hierdoor veranderd de functie van ruwbouw naar afwerk materiaal.

48

Deze werkwijze laat zien dat de grootste winst niet alleen ligt in nieuw hergebruik, maar juist in het herwaarderen van wat al aanwezig is. Door materialen vrij te maken, te verplaatsen of zichtbaar te maken, wordt het bestaande gebouw zelf de belangrijkste bron van materiaal.


kraan en spoelbak

elektradraden

prefab beton

houten dakbeschot

schakelmateriaal/stopcontacten

stalenvakwerk uit vloerconstructie

keukenrompen

vloerbalk voor raveling

49


2800

70

1300

3080 80 1080

1560

80 2500

50

80

3750

70

1150


bitumen dakbedekking pir isolatie vuren dakbeschot vuren consructie hout gezetten stalen spanten in ijzer menie prefab betonnen schoorsteen 2 kanaals betonnen stijlen met verloren bekisting gekoppeld aan muurbalk en prefab beton elementen houte rachelwerk voor plafond bevestigd aan staal constructie spuitbeton stuc plafond op staal gaas. gemetselde binnenwand 50 mm spou vorzien van houtwol isolatie typerende prefab betonnen elementen op kop gevel 213 prefab beton elementen van 600 x 350 verlijmt op elkaar met 18 hoekstenen kunsstofkozijnen met dubbelglas

houten deur met tralieglas raam

Pirplaten met schroeven bevestigd met schroeven en stuc afgewerkt vuren ondervloer vuren vloer balken 100x180 schuimbeton in kruipruimte tbv vocht regulering betonnen ring fundering

Materiaalinventarisatie van in het casco Nemavo-Airey bouw principe

51


Upcycling van berkenmultiplex Veel materiaal was al gebruikt en moest worden opgewaardeerd tot bruikbaar materiaal. Door verschillende technieken toe te passen geef ik het hout een tweede leven. Met lemello-verbindingen maak ik van losse planken weer grotere platen, en met proppen zet ik gaten dicht zodat het geschikt wordt voor de vloer. De sporen van gaten, proppen en plankverdelingen verraden het hergebruik, maar geven tegelijk karakter en detail aan het materiaal.

52


een prop in een bestaand boorgat in de afwerkvloer.

53


6.

Het ontworp word nooit voltooid maar voortdurend herschreven Elke ingreep heeft consequenities en bepaalt een nieuwe plek van overweging.

Het ontwerp wordt nooit voltooid, maar voortdurend herschreven. Elke ingreep heeft consequenties en opent opnieuw een plek van overweging. Wat ontstaat is geen eindbeeld, maar een tijdelijke toestand binnen een veel langere materiële geschiedenis. Elke handeling in het gebouw laat een spoor achter dat niet verdwijnt in een afgerond geheel, maar onderdeel blijft van een doorlopende keten van veranderingen. Het ontwerp is daarmee geen lineair proces met een begin en eind, maar een opeenvolging van situaties waarin elke stap tegelijkertijd resultaat én nieuw vertrekpunt is. In deze benadering is het moeilijk om scherp te scheiden wat een bewuste ontwerpbeslissing is en wat simpelweg een reactie op wat al aanwezig is. Sommige elementen in het project heb ik actief toegevoegd, andere juist bewust laten staan. Soms wordt iets pas een ontwerpbeslissing op het moment dat je besluit het niet weg te halen. Daardoor wordt ontwerp minder een vooraf bepaalde strategie, en meer een vorm van dienstbaarheid aan wat zich aandient. Ik hoop in dat proces niet alles te sturen, maar in zekere zin in dienst te staan van wat er al is, zodat de situatie zelf kan vertellen wat er moet gebeuren. Toch zijn er momenten waarop een ingreep duidelijk als ontwerp zichtbaar wordt. Niet alleen door toevoeging, maar juist door onthulling. Zo bleek het verwijderen van een plafond en het zichtbaar maken van de oorspronkelijke constructie van de eerdere woning een van de meest directe en eerlijke ingrepen. Het laat het gebouw zijn “naakte” toestand zien: de manier waarop het is

54

opgebouwd, zonder toevoeging of verberging. In die zin wordt het zichtbaar maken van constructie niet een esthetische keuze, maar een vorm van architectonische eerlijkheid. Daarbij geldt dat een ingreep pas problematisch wordt wanneer zij verhult wat in de kern de logica van het gebouw vormt. Wanneer een laag het constructieve of materiële principe van het gebouw verbergt, tast zij het karakter aan. Wanneer zij dat principe juist versterkt of leesbaar maakt, wordt zij onderdeel van de architectuur zelf. Het huisje zelf draagt al een lange geschiedenis van aanpassingen en transformaties. Mijn eigen ingrepen zijn slechts een tijdelijke laag binnen een veel langere tijdlijn van gebruik, verbouwing en interpretatie. Het gebouw is niet afgebroken en opnieuw begonnen, maar telkens verschoven, aangepast en opnieuw begrepen. Elke bewoner voegt daar een nieuwe laag aan toe, bewust of onbewust. Juist daardoor wordt duidelijk dat het idee van een “fout” in deze context moeilijk houdbaar is. Elke ingreep is eerder een vraag: wat kan hieruit voortkomen? Wat kan deze situatie worden? Het ontwerp wordt daarmee een opstapeling van materialen en beslissingen die langzaam in elkaar overgaan. Zoals alles in de wereld uiteindelijk terug te voeren is op eenzelfde oorsprong, zo bestaat ook dit gebouw uit een voortdurende kringloop van materiaal, hergebruik en transformatie. Binnen die cyclus positioneer ik mezelf niet als buitenstaander, maar als


bewoner, ontwerper en bouwer tegelijk. Die rollen vallen samen in de handeling zelf. Ik ben iemand die reageert op wat hij ziet en voelt, en die de drang om te bouwen niet kan losmaken van het ontwerpen. Daarom heb ik ruimte gecreëerd waarin die rollen niet gescheiden zijn, maar samenvallen in één praktijk. Het verwijderen van het plafond en het zichtbaar maken van de constructie bleek daarin niet alleen een technische ingreep, maar ook een manier om de geschiedenis van het gebouw leesbaar te maken. De mozaiek tegels in de wc en het interieur van de badkamer maakt zichtbaar dat er eerder gebruikers zijn geweest, eerdere keuzes, eerdere vormen van wonen. Die zichtbaarheid plaatst mij als gebruiker in een groter geheel. Niet als eindpunt, maar als tijdelijke deelnemer in een doorlopende cyclus van gebruik en verandering. Daarin ontstaat een ander gevoel van eigenaarschap. Minder als controle, meer als tijdelijke verantwoordelijkheid. Het besef dat dit gebouw nooit alleen van mij is geweest, en ook na mij opnieuw zal worden geïnterpreteerd. Zo wordt het ontwerp geen poging om een gebouw vast te leggen, maar een manier om deel te nemen aan een voortdurende herschrijving van wat het al is.

55


56


verduurzaming woningen met isoleren van gevels waardoor het gewassenbeton van het straatbeeld verdween en stucwerk er voor terug kwam

1925 1870

1949 1940

2000 1960

2026

57


Een andere houding van de architect Door het fysieke proces van dit project werd steeds duidelijker dat het werk niet begon vanuit een vaststaand ontwerp, maar vanuit observatie, handeling en directe aanwezigheid op de plek. Wat aanvankelijk een set dogma’s leek, functioneerde niet als vast systeem, maar als een manier om aandacht te richten binnen een proces dat voortdurend werd gestuurd door wat zich in de werkelijkheid voordeed. Architectuur blijkt daarmee geen visueel of conceptueel eindproduct, maar een lichamelijke en materiële praktijk waarin een lichaam zich verhoudt tot een plek en daaruit een levend systeem ontstaat. Binnen deze zoektocht ervaarde ik dat het project steeds meer uit observatie groeide. Elke dogma bleek essentieel, niet als regel, maar als aandachtspunt dat het kijken en handelen stuurde. Het project werd daarmee een alternatieve route binnen de architectuurpraktijk: minder visueel en abstract, en juist tastbaar, lokaal en direct verbonden aan materiaal en handeling. Het staat daarmee haaks op het catalogusontwerp; geen vooraf bepaald eindbeeld, maar een proces waarin architectuur ontstaat uit de ontwerper zelf, via het lichaam en directe interactie met de ruimte. In deze benadering speelt het openstaan voor toeval een centrale rol. Vroege ontwerpideeën blijken niet leidend, maar veranderlijk. Door beslissingen uit te stellen en te vertrouwen op wat zich tijdens het bouwen aandient, verschuift het proces van controle naar reactie. Wat in het maken fascineert, wordt vaak pas tijdens

58

de uitvoering zichtbaar en richtinggevend. Het loslaten van het vooraf bedachte ontwerp is daarmee geen verlies van controle, maar een manier om preciezer te werken met de realiteit van materiaal, plek en handeling. Daarin wordt duidelijk dat materiaal en bewerkingsmogelijkheden het ontwerp niet alleen ondersteunen, maar actief vormen. De eigenschappen van hout, gereedschap en verbindingen sturen het proces voortdurend. Ontwerpen verschuift zo van het bedenken van vormen naar het reageren op materiaalgedrag en maakbaarheid. Inspiratie ontstaat niet vooraf, maar in de directe ontmoeting met wat materiaal kan en wil worden. De bestaande situatie functioneert in dit proces niet als achtergrond, maar als grondstof. Constructie, restmateriaal, sporen van gebruik en ruimtelijke condities worden actief ingezet als aanknopingspunten voor ontwerp. Hierdoor ontstaat een architectuur die niet abstraheert van context, maar er letterlijk uit voortkomt. Het werken met restmateriaal versterkt dit: wat beschikbaar is, bepaalt wat mogelijk is, en geeft het project een directe verankering in zijn omgeving. Het hele lichaam fungeert daarbij als ontwerptool. Ruimte wordt niet alleen visueel benaderd, maar fysiek getest door te lopen, zitten, bukken en ervaren. Door 1:1 situaties te maken en het lichaam letterlijk in de ruimte te plaatsen, ontstaat directe kennis over schaal, verhouding en comfort. Het lichaam wordt daarmee


een meetinstrument dat voortdurend corrigeert wat een tekening niet kan bevatten. Het werken op locatie versterkt deze lichamelijke en situationele betrokkenheid. Alle tekeningen en maquettes worden in het huisje zelf gemaakt; soms zelfs direct op de muren. Daardoor blijven tekening, constructie en fysieke realiteit voortdurend met elkaar verbonden. Het huisje functioneert hierdoor als een 1:1 maquette waarin ontwerp en werkelijkheid samenvallen. Kleine verschuivingen, zoals tien centimeter in een opening, blijken bepalend voor de ruimtelijke ervaring: verbonden of gescheiden, open of beschut. Door langdurige aanwezigheid in de ruimte verandert ook de rol van emotionele betrokkenheid. Waar vroege ideeën nog uitgingen van openheid, ontstond later juist de behoefte aan beschutting en afstand tot de straat. De ruimte corrigeert het ontwerp daarmee niet achteraf, maar tijdens het proces zelf. Architectuur wordt een voortdurende wisselwerking tussen intentie en ervaring. Ook ambachtelijke kennis — zoals houtbewerking, constructie en installatiewerk — blijkt hierin essentieel. Door te begrijpen hoe dingen werkelijk worden gemaakt, worden oplossingen vanzelfsprekender en eenvoudiger. Wat in tekeningen complex lijkt, wordt in uitvoering vaak direct en logisch. Ambacht maakt het ontwerp niet ingewikkelder, maar leesbaarder en coherenter. Deze manier van werken is verwant aan een houding die ook te vinden is bij makers als Gordon Matta-Clark en Jo Talleu, waarin de bestaande toestand niet wordt weggewerkt maar gebruikt als materiaal. Dit markeert een verschuiving van de

afstandelijke ontwerper die een beeld produceert naar een maker die met een open blik reageert op wat er al is. Het project wordt daarmee ook een kritiek op de groeiende afstand tussen architect en bouw, tussen idee en ervaring, die architectuur vaak glad en beeldgedreven maakt. Het principe van “kill your darlings” wordt hierin essentieel: eerdere ideeën worden losgelaten zodat vanzelfsprekendere en directere oplossingen uit het proces zelf kunnen ontstaan. Tegelijk blijkt kenis van bouwen en het begrijpen van techniek, constructie en installaties het ontwerp juist vereenvoudigt en verdiept. Complexiteit verdwijnt wanneer onderdelen niet worden verborgen, maar logisch worden geïntegreerd. Het huisje zelf is in deze benadering geen afgerond object, maar een tijdelijk systeem in gebruik. Het bestaat uit een opeenstapeling van materialen, beslissingen en handelingen in de tijd. Het is geen eindbeeld, maar een situatie die zich blijft aanpassen aan gebruik, seizoen en aanwezigheid. Daarin krijgt schoonheid een andere betekenis. Schoonheid ligt niet in het verbergen van wat er is onder een gladde laag, maar in het zichtbaar maken en orkestreren van wat al aanwezig is. Eerlijkheid in materiaal en constructie wordt daarmee geen technische noodzaak, maar een ruimtelijke kwaliteit. Uiteindelijk verschuift architectuur hiermee van het ontwerpen van objecten naar het organiseren van een relatie tussen lichaam, materiaal en situatie. Wanneer de afstand tussen denken en maken verdwijnt, ontstaat een praktijk waarin architectuur niet vooraf wordt vastgelegd, maar zich voortdurend vormt in handeling.

59


Ruimtelijk resultaat De vraag die dit onderzoek oproept is niet alleen hoe deze woning tot stand is gekomen, maar vooral wat voor architectuur ontstaat wanneer de dogma’s consequent worden gevolgd. Leidt deze manier van ontwerpen daadwerkelijk tot een ander ruimtelijk resultaat? Het antwoord is ja. Opvallend genoeg is dat resultaat niet zozeer bepaald door wat is toegevoegd, maar juist door wat is blijven bestaan. Door de bestaande woning niet als obstakel maar als uitgangspunt te zien, ontstond een architectuur waarin zorgvuldig kijken belangrijker werd dan ingrijpen. Veel van mijn eerste ideeën verdwenen gedurende het proces. Waar ik aanvankelijk grote gevelopeningen wilde maken en vrijwel het gehele interieur wilde verwijderen, ontstond tijdens het bouwen juist waardering voor wat al aanwezig was. Door laag voor laag materiaal weg te nemen en na iedere ingreep opnieuw te observeren, bleek de bestaande woning voortdurend aanleiding te geven voor nieuwe ontwerpbeslissingen. Juist de toevalligheden bleken daarbij de grootste kwaliteit van het project. De zitkuil ontstond niet vanuit een ontwerptekening, maar uit een ongeluk. Een stuk puin brak de constructievloer, waardoor deze hersteld moest worden. Dat incident leidde eerst tot het idee voor een berging onder de vloer en vervolgens tot een verzonken zitplek die uiteindelijk één van de belangrijkste ruimtes van het huis werd. Ook de bestaande schoorsteen veranderde pas nadat ik toevallig de achterzijde van de prefab betonelementen ontdekte. Het zichtbaar laten van deze ruwe constructie maakte in één keer leesbaar hoe het huis oorspronkelijk gebouwd was.

60

Veel ruimtelijke kwaliteiten zijn daarmee rechtstreeks voortgekomen uit ontdekkingen tijdens het bouwen. Het vrijmaken van de stalen vakwerken in de kopgevel, het zichtbaar laten van de doorlopende staalconstructie en het positioneren van het dakraam over het vakwerk zorgen ervoor dat de constructie niet langer verborgen is, maar de ruimte zelf definieert. Het dakraam werkt bovendien als een zonnewijzer; gedurende de dag en de seizoenen beweegt het licht door de woning en wordt tijd letterlijk onderdeel van de ruimte. Ook deze ingreep ontstond pas nadat ik tijdens het maken van een maquette het effect van licht toevallig ontdekte. De woning voelt hierdoor niet als een verzameling afgewerkte ruimtes, maar als een leesbare stapeling van materialen, constructies en tijd. De geschiedenis van het gebouw blijft zichtbaar. Gezaagde muren, prefab beton, menie op het staal, nummers op balken en bestaande constructies zijn niet verborgen, maar onderdeel geworden van de architectonische ervaring. Nieuwe toevoegingen zijn eveneens herkenbaar. Het hergebruikte hout draagt zijn eigen geschiedenis mee in de bevestigingsgaten, maatvoering en wisselende kleurafwerking. Door deze niet weg te werken, maar juist ritmisch toe te passen, ontstaat een detaillering die niet ontworpen is als decoratie, maar voortkomt uit het materiaal zelf. Ik noem dit gratis detaillering: kwaliteiten die ontstaan doordat materialen al een leven achter zich hebben. Ook het beperkte materiaalpalet heeft de architectuur gestuurd. Vrijwel alle meubels, vloeren en wanden zijn opgebouwd uit dezelfde hergebruikte planken. Hierdoor ontstaat een vanzelfsprekende samenhang zonder dat daarvoor extra middelen


nodig zijn. De kleuren van materialen zijn eveneens behouden. Multiplex blijft wit aan de ene zijde en houtkleurig aan de andere, het staal behoudt zijn meniekleur en de gele tegels van de schouw zijn toevallig de juiste maat die ik kan krijgen. Niet de architect bepaalt uiteindelijk het kleurenpalet, maar het materiaal zelf. Ruimtelijk blijkt de woning bovendien groter te functioneren dan haar werkelijke oppervlak van 38 m². Doordat functies opnieuw zijn onderzocht vanuit het lichaam in plaats van vanuit een standaardplattegrond, ontstonden andere oplossingen. Het bed zweeft boven de ruimte, de zitkuil vergroot de beleving van hoogte en verschillende plekken nodigen uit tot uiteenlopende manieren van verblijven. Bezoekers reageren opvallend lichamelijk op de ruimte. Mensen laten zich vanzelf in de zitkuil vallen, klimmen door de staalconstructie of geven aan dat de ruimte uitnodigt om te zingen of te dansen. De architectuur vraagt niet alleen om bekeken te worden, maar ook om gebruikt te worden. Het langdurig verblijven in de woning heeft deze kwaliteiten verder aangescherpt. Door er gedurende meerdere seizoenen te wonen veranderden ook mijn ontwerpbeslissingen. De behoefte aan privacy bleek groter dan verwacht, waardoor gordijnen belangrijker werden dan extra bomen. De zonnewijzer in het dakraam bleek dagelijks bewustzijn van tijd te geven. Tegelijk ontdekte ik dat sommige vooraf bedachte functies nauwelijks gebruikt werden, terwijl de verzonken zitplek juist het sociale hart van de woning werd. Het ontwerp bleef zich dus ontwikkelen door daadwerkelijk gebruik.

De totale materiaalkosten van de verbouwing, inclusief keuken en meubels, bedragen ongeveer vijfduizend euro. Daar staat tegenover dat het proces veel tijd vroeg. Juist doordat ieder onderdeel opnieuw moest worden bedacht vanuit het beschikbare materiaal ontstond een woning waarin materiaalgebruik, constructie en detaillering volledig met elkaar verweven zijn. Het uiteindelijke resultaat is daarom geen vooraf ontworpen object, maar een woning die zichtbaar is gegroeid uit de plek, het materiaal en het maakproces. De architectuur is eerlijk leesbaar; constructie en materiaal worden niet verborgen, maar vormen de ruimtelijke kwaliteit zelf. Misschien is dat wel de belangrijkste uitkomst van dit onderzoek. Niet dat deze woning mooier is dan een traditioneel ontworpen woning, maar dat zij laat zien dat een andere manier van ontwerpen daadwerkelijk tot een andere architectuur leidt. Een architectuur waarin toeval, materiaal, lichaam en bestaande situatie niet worden gezien als beperkingen, maar als de belangrijkste ontwerpinstrumenten.

Het bouwen met restmaterialen heeft niet alleen een andere esthetiek opgeleverd, maar ook een andere economie van bouwen.

61


2764

106

1300

70

1150

3080 80

6820

1560

80

3750

1080 80 2500

plattegrod nieuwe situatie 1:50

62


doornsede 1:50

63


2370

doornsede 1:50

64


65


66


67


68


69


70


71


Epiloog Dit project begon vanuit frustratie. Een frustratie over een architectuurpraktijk waarin het beeld vaak belangrijker leek dan het maken, waarin materialen verdwenen achter afwerkingen en waarin ik mezelf steeds verder verwijderd voelde raken van de bouw, het lichaam en de directe ervaring van ruimte. Wat begon als kritiek op de praktijk, werd uiteindelijk ook een onderzoek naar mijn eigen positie daarin. Toen ik aan dit onderzoek begon, dacht ik dat ik een huisje zou ontwerpen. Achteraf zie ik dat ik vooral heb onderzocht hoe ik zelf wil ontwerpen. Niet het gebouw bleek de belangrijkste uitkomst, maar de ontdekking van een andere houding ten opzichte van architectuur. Door dit huisje zelf te bouwen ontdekte ik een ontwerper die ik eigenlijk al die tijd al was, maar waar ik nog niet volledig op durfde te vertrouwen. Ik ontdekte dat ik niet alles vooraf hoef te weten. Voor dit onderzoek probeerde ik ontwerpen zoveel mogelijk vast te leggen voordat er gebouwd werd. Ik wilde zekerheid. Ik wilde weten hoe het eindresultaat eruit zou zien. Dit onderzoek heeft mij geleerd dat juist het tegenovergestelde voor mij werkt. Het spannendste moment van het project was misschien wel het moment waarop ik besloot om gewoon te beginnen. Ik had nog maanden kunnen blijven nadenken over alle mogelijkheden, maar uiteindelijk zette ik de eerste zaag in het gebouw. Vanaf dat moment begon het project werkelijk te leven. Elke handeling gaf aanleiding tot een volgende handeling. Het bouwen zelf werd mijn belangrijkste ontwerpinstrument. Ik ontdekte dat ik

72

mocht vertrouwen op alles wat ik in mijn leven al had geleerd: de gebouwen die ik had bezocht, de projecten die ik had ontworpen, mijn ervaring in de bouw en mijn nieuwsgierigheid naar materialen. Al die kennis zat blijkbaar niet alleen in mijn hoofd, maar ook in mijn handen. Langzaam groeide daardoor een vertrouwen dat ik hiervoor niet had. Ik hoef niet langer precies te weten hoe een gebouw eruit zal zien om te geloven dat het goed komt. Dat blijft spannend. Soms voelt het nog steeds alsof ik in het diepe spring. Maar juist tijdens het bouwen ontdekte ik dat het materiaal, de plek en mijn eigen ervaring samen richting geven aan het ontwerp. Ik hoef niet alles te controleren; ik moet vooral goed aanwezig zijn. De dogma’s hebben daarin een belangrijke rol gespeeld. Niet als vaste regels, maar als hulpmiddelen om mijn aandacht te richten. Ze dwongen mij anders te kijken dan ik gewend was. Ze zorgden ervoor dat ik bleef observeren, bleef bouwen met wat aanwezig was en ruimte liet voor toeval. Tegelijkertijd ontdekte ik dat ook dogma’s niet absoluut zijn. Uiteindelijk komt er altijd een moment waarop je moet beslissen. Niet omdat een regel dat voorschrijft, maar omdat ervaring, intuïtie en betrokkenheid daarom vragen. Daarom zie ik de dogma’s niet als een methode die ik voortaan op ieder project zal toepassen. Ze horen bij dit onderzoek. In een volgend project zullen waarschijnlijk nieuwe dogma’s ontstaan. Wat blijft, is de houding die erachter schuilgaat. Misschien is dat wel de grootste verandering die dit onderzoek mij heeft gebracht. Ik vertrouw veel meer op mijn lichaam als


ontwerpinstrument. Ik wil niet meer weken achter elkaar achter een computer verdwijnen. Architectuur ontstaat voor mij niet achter een beeldscherm, maar op de bouwplaats. Daar waar materialen worden aangeraakt, waar licht verandert gedurende de dag, waar de wind voelbaar is en waar een ruimte zich pas echt laat begrijpen. Ik merkte ook dat ontwerpen niet iets is wat je alleen hoeft te doen. Dat vond ik misschien wel de moeilijkste les. Ik ben gewend veel zelf op te lossen. Toch waren er momenten waarop ik hulp nodig had. Door die hulp te vragen ontdekte ik niet alleen betere oplossingen, maar gebeurde er iets veel waardevollers. Het samenwerken met mijn vader tijdens de bouw heeft onze band verdiept. Dat is misschien wel een van de mooiste opbrengsten van dit project; een resultaat dat nooit op een tekening had kunnen staan. Ik kijk ook anders naar de rol van de architect. Ik geloof minder in de architect die op afstand een volledig gebouw bedenkt en vervolgens controleert of het precies volgens tekening wordt uitgevoerd. Ik geloof meer in een architect die aanwezig is tijdens het maken. Die luistert naar de plek, reageert op wat zich aandient en samen met makers het gebouw verder ontwikkelt. Niet omdat voorbereiding onbelangrijk is, maar omdat de werkelijkheid altijd rijker blijkt dan een tekening.

werken samen met anderen voort te zetten. Dit onderzoek heeft mij ook laten zien dat architectuur niet alleen gaat over gebouwen. Het gaat over een manier van kijken naar de wereld. Over aandacht hebben voor wat er al is. Over schoonheid zien in gebruikte materialen. Over eerlijkheid in constructie. Over accepteren dat een gebouw nooit echt af is, maar voortdurend verandert met de mensen die erin leven. Misschien is dat uiteindelijk ook wat ik hoop dat iemand over twintig jaar in dit project terugziet. Niet alleen een bijzonder huisje, maar een zoektocht naar een andere manier van architect zijn. Een manier waarin de architect weer dichter bij het bouwen staat, waarin hergebruik vanzelfsprekend is geworden en waarin we schoonheid niet langer zoeken in nieuwe materialen of perfecte afwerkingen, maar in de geschiedenis, de eerlijkheid en de logica van wat er al aanwezig is. Ik hoop dat dit project dan niet wordt gezien als een eindpunt, maar als een kleine stap in een grotere verandering van de architectuurpraktijk.

Daarom hoop ik dat ik in toekomstige projecten sneller durf te beginnen. Dat ik niet eindeloos blijf zoeken naar de perfecte oplossing voordat ik iets maak. Ik zou eerst zorgen dat de materialen op de bouwplaats liggen. Dat ik wel móét beginnen. Ik weet nu dat juist het handelen weer nieuwe inspiratie oplevert. Ik zou het bovendien niet meer alleen willen doen. Het bouwen was soms een eenzaam proces. Ik verlang ernaar om deze manier van

73


74


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook