Skip to main content

Met Boerenverstand_Jeroen Piels

Page 1

Mét Boerenverstand

het boeren en beleven van de biobased keten in de Bommelerwaard


Mét Boerenverstand het boeren en beleven van de biobased keten in de Bommelerwaard

Jeroen Piels jeroenpiels@outlook.com Master Architectuur Academie van Bouwkunst Amsterdam september 2025 - augustus 2026 onder begeleiding van: Floris Alkemade (mentor) Lieke Jildou de Jong Raoul Vleugels toegevoegde leden examencommissie: Aura Luz Melis Jeroen van Mechelen


“Al het materiaal dat we om ons heen zien komt ergens vandaan, is uit een landschap ontsprongen; of wel gedolven dan wel verbouwd. Wanneer we als architecten een materiaal kiezen, geven we indirect vorm aan landschap. Dat kan zowel een fysiek landschap zijn, zoals bij hout en bosbouw, maar ook sociaal, denk aan het leven van arbeiders in een ijzerertsmijn. Dit materiaallandschap is zelden dichtbij en veel vaker heel ver weg in ons denken als architect. Zo ver weg dat we er nagenoeg geen zicht op hebben, of ons er verantwoordelijk voor voelen. Terwijl daar, in die materiaallandschappen, het beginpunt ligt van de duurzame transitie.”

Werkstatt’s zoektocht naar een nieuwe ecologische esthetiek Eline Hoftiezer en Floor Frings


Maar… nu het bouwen met biobased materialen in een snelle opmars is en steeds meer partijen zich committeren aan het werken hiermee, komen deze materiaallandschappen steeds dichterbij. En als we lokaal willen gaan telen, betekent dit op de schaal van Nederland dat het ‘om de hoek’ en dus zichtbaar is. Een andere situatie dan de ijzerertsmijn. Dit gegeven maakt dat ik vind dat we, de architect, minstens een begrip moeten hebben van de situatie die zich dan ‘om de hoek’ gaat voordoen. Dit project, Mét Boerenverstand, gaat hierover. Naar de zoektocht wat de impact van de biobased transitie en keten is op het landschappelijk en bebouwd gebied rondom het wonen, werken, leven en beleven. Ik vraag mij af; hoe kan een werkende biobased keten landen in de Bommelerwaard en volgens welke esthetiek?


proloog ‘Lange Weistraat 18’

15

de Bommelerwaard

31

agrariche ontwikkeling verleden en heden

41

de toekomst

83

de Rietschoof

93

landschappelijke beleving

109

de bebouwde beleving

131

de keten in praktijk

149

wonen & werken leven & beleven

173

landrelatie

187

dankwoord

203

13


proloog


Lange Weistraat 18

Aan de rand van Kerkdriel is de Lange Weistraat een van de polderwegen die het dorp rijk is. De straat is niet bijzonder, eerder generiek, met typische huizen en agrarische invullingen in de vorm van grasland en boomgaarden met Conference-peren en Elstar-appels. Toch doet deze straat mij meer dan menig andere polderweg. Op nummer 18 woont namelijk mijn opa. Het huis uit de jaren ’60, dat hij zelf heeft laten bouwen, wekt warme en huiselijke gevoelens bij mij op. Niet zo vreemd, omdat ik er al mijn hele leven kom. Vroeger zelfs meerdere keren per week. Dat was op de vrijdagavond en zondagmiddag. Niet alleen ik was er dan, maar de hele familie, om te praten over wat er die week was gebeurd. Vrijwel altijd gaat het over het dorp, maar uitstapjes naar de stand van Nederland worden niet geschroomd. In de meeste gevallen luister ik. De mensen over wie het gaat zijn bekenden van mijn moeder, ooms, tantes en opa, maar niet van mij. D’n dieje van d’n dieje, waar het dan over gaat, is iemand van een andere generatie. Maar het zegt iets over het leven in een dorp. Daar heerst een andere manier van samenleven, waarbij het naar elkaar omkijken van grote waarde is. Dat is hoe ik het ervaar in vergelijking met de stad waar ik nu woon. Noem het gemeenschapszin. Tijdens die gesprekken zie ik opa’s blik geregeld afdwalen. Veldrijden is dan hetgeen wat zijn aandacht trekt, iets wat ik zelf allerminst mijn aandacht zou geven. Ieder zijn hobby. Een onderwerp dat ons wel beiden aan het hart gaat, is de tuin. Op de momenten waarop wij onszelf even buiten het groepsgesprek begeven, geef ik vaak en graag een compliment over hoe mooi en gezond alles erbij staat. Niet enkel uit liefdadigheid, maar vanuit een oprechte bewondering. Het gras is altijd groen en geen centimeter te lang, de kantjes zijn gestoken, de hagen gesnoeid en verwelkte bloemen vakkundig verwijderd. De woorden van bewondering doen hem zichtbaar goed. Buiten dat hij er veel tijd mee kwijt is, vindt hij het ook belangrijk. Althans, dat vul ik in. Maar ik schat dat dit een conclusie is die getrokken kan worden gezien zijn reactie op de woorden en het arsenaal aan tuingereedschap dat hij bezit. Wanneer Van Empel of Brand plots een geweldige actie of grove fout maakt op een van de modderige veldrijparcoursen, verschuift de aandacht weer richting de sporters. Op dat moment ga ik vaak een ommetje maken. Via de zijdeur loop ik richting de voortuin, schiet langs het huis naar het tuinkasje om de groei van de komkommers en tomaten te volgen, waarna het pad met wit grind mij naar een poort begeleidt. Een doodeenvoudige houten poort. Maar wanneer ik hier doorheen ga, ben ik in een ander domein. Ik heb mij verplaatst van het vrouwelijke gedeelte naar het mannelijke gedeelte van de boerderij. Van wonen naar werken, van pronken naar produceren. 16


17


18


19


Waar ik enkele minuten eerder nog door het gras slenterde, verhoog ik hier mijn tempo. De ruimte is versteend en in de naastgelegen cellen werken Oost-Europese arbeidsmigranten in de champignonkwekerij. Ook op zondag. Een champignon doet namelijk niet aan weekend. Maar ik op dat moment ook niet. Mijn inspectieronde is namelijk nog niet voorbij; die begint pas over honderd meter. Het geluid van de vrachtauto’s die af en aan rijden, maakt mijn stappen groter, totdat ik mij op een onverhard pad begeef. Mijn verhoogde tempo komt daar tot bedaren en maakt weer ruimte voor rust. De werkgeluiden verdwijnen en maken plaats voor het geritsel van bladeren. De bestemming is bereikt: de perenboomgaard. De lange, rechte rijen met bomen werken rustgevend door hun strenge ritmiek. Ondanks de schijn dat er hier weinig gebeurt, veranderen de rijen week na week, maand na maand zichtbaar van vorm als onderdeel van de jaarlijkse cyclus. Net als de champignon is de boom hier de baas, niet de bewerker. Door het hogere gras heeft mijn lopen inmiddels het laagste tempo bereikt. Dat werkt goed voor het bekijken van de groeiende vruchten. Ze hangen dit jaar niet dik, maar wel mooi. Dan praat ik opa na, maar ik lijk hem te begrijpen. Het eerste wat ik daarop denk, is dat het scheelt in het dunnen, wat mij het vervelendste werk lijkt. Na zo’n 150 meter maak ik rechtsomkeert en wordt de terugweg ingezet. Aan de linkerzijde is nog steeds de boomgaard, rechts zijn het huis en de aardbeikassen van Ria en Adriaan, de broer van opa. Langzaam overstemmen de werkgeluiden het rustgevende geritsel. De inspectieronde zit erop, met een positief resultaat. ‘Ze hangen er mooi bij, dit jaar gaat een mooie oogst worden,’ is wat ik aan opa doorgeef als ik inmiddels weer binnen ben en ga zitten. Hij is het ermee eens.

20


21


22


23


Als ik tien jaar geleden dezelfde ronde zou hebben gelopen, had het er heel anders uitgezien. Niet de hele route. In de tuin zouden de planten wat kleiner zijn geweest, maar het gras even groen en de kantjes even recht. Het kasje zou nog steeds vol staan met komkommers en tomaten en het grindpad naar de poort zou niet van route zijn geweken. Kortom, het pronken, waarbij de relatie met het land persoonlijk is, is met dezelfde zorg in stand gehouden. Achter de poort is een andere situatie aan te treffen. Hier, waar de relatie met het land economisch gedreven is, is verandering minder pijnlijk door de aard van de reden waarom de invulling hier überhaupt is. Dat is voor de productie, voor de verkoop. De nu open vlakte van grasland was voorheen een voortzetting van de kleine boomgaard die nu nog over is. Aan de voorzijde stonden Triomphe-peren, een handpeer die eerder geoogst moet worden dan de Conference; hierachter stonden de Elstar-appels. De boomgaarden zijn niet uit economisch oogpunt gerooid. Enerzijds kwam dat door de opkomende ouderdom en anderzijds door de besmettelijke ziekte Perenvuur in de perenbomen. Een stukje onmacht. Maar als we wat verder teruggaan dan die tien jaar, was dit wel het geval. Op de plek waar de perenboomgaard staat die ik eerder had geïnspecteerd, stond een appelboomgaard. Had de appel toentertijd net zoveel of meer opgeleverd dan de peer, dan was dat wellicht de teelt geweest die er nu nog zou staan. Dat was echter niet het geval. De peer was de beter renderende vrucht, waardoor de appel het onderspit delfde. Zonder veel moeite of weemoed gebeurde het rooien van de appelboomgaard, als ik het hier met opa over heb. Dat merk ik ook aan het vrij koele gesprek. Springen we weer naar de huidige tijd, dan is er nog niet zo lang geleden in de eerste lijn een eik gekapt door de buren. Wanneer ik hierover begin, slaat de koelte om in onbegrip, met een kern van frustratie. Want: ‘Hoe kun je die mooie eik nou kappen die er al decennia staat?’ De vergelijking tussen het rooien van de appelboomgaard en het kappen van de eik laat mooi het verschil zien in de relatie van de mens met en zijn plek in het land: in de eerste lijn het pronken, in de tweede lijn het produceren. Met de eik is de relatie er een met het hart, met de appel is die er een met het hoofd.

24


25


Nu lijkt deze beschrijving van een klein blokje om veel op een nostalgische blik op de zondagmiddag van een schrijver die misschien wel verlangt naar deze loopjes vanuit zijn woonplek in de stad, zonder buitenruimte. En tot een jaar geleden zou ik je groot gelijk hebben gegeven. Zo zag ik het namelijk ook. Maar met terugwerkende kracht is het zoveel meer dan dat. Het is iets waar ik onbewust altijd onderdeel van ben geweest, waar ik altijd mee in aanraking ben geweest, maar waarvoor ik nooit een aanleiding heb gehad, of heb gezocht, om hier betekenis aan te geven. Ik heb het voor lief genomen. Dit afstuderen heeft daar wel een aanleiding toe gegeven. En wat dat is, is als volgt: die middagen dat ik daar zat en luisterde naar wat er in de omgeving is gebeurd, zeggen iets over de wijze waarop men met elkaar omgaat en naar elkaar omkijkt. Dat rondje door de tuin naar de boomgaard, waarbij ik bewust van domein verwissel en de werkzaamheden hoor en zie, toont dat het werk nooit stopt en dat de teelt het ritme bepaalt. Dat complimentje over hoe goed de tuin eruitziet, is een bevestiging van opa’s zorg voor en relatie met het land en van zijn wens om dat ook toonbaar te maken door het bij te houden. Het toont precies hoe men op kleine schaal in het dorp en buitengebied met elkaar en het land leeft: met wederkerigheid. Willen we in de toekomst onze relatie met het land herstellen, dan valt er veel te leren van de wijze waarop deze plek, Lange Weistraat 18, werkt.

26


27


28


29


de Bommelerwaard


Een eiland tussen de Maas en Waal

de rivieren af liggen de lagere gebieden, de kommen. Dit waren van oorsprong slecht ontwaterde en moeilijk te bewerken kleigebieden. Sommige delen lagen zo hoog dat ze nooit met rivierklei of veen zijn bedekt geraakt.

introductie

Tegenwoordig zijn de kommen goed ontwaterd en worden ze volop gebruikt voor landbouw en recreatie. Een voorbeeld daarvan zijn de terreinen van de Lieskampen. Vanaf de 19e eeuw werd daarnaast op grote schaal klei gewonnen voor de baksteenfabricage. De sporen daarvan zijn nog altijd in het landschap terug te vinden, onder andere in de vorm van (vervallen) baksteenfabrieken en afgetichelde percelen.

De Bommelerwaard ligt in het rivierenlandschap tussen de Maas en de Waal. Het landschap wordt gekenmerkt door een duidelijke geleding van dijken, oeverwallen, uiterwaarden en kommen. In de uiterwaarden heeft de afgelopen jaren veel natuurontwikkeling plaatsgevonden. Het grondgebruik is van oudsher vooral agrarisch, al zijn er tegenwoordig veel kassen te vinden. Sinds 2000 is het aantal bedrijventerreinen langs de A2, ter hoogte van Zaltbommel, flink toegenomen. Ook delen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie lopen door de regio.

De uiterwaarden worden tegenwoordig vooral gebruikt als natuur- en recreatiegebied. Als gevolg van maatregelen om de rivieren meer ruimte te geven, zijn op grote schaal uiterwaarden uitgegraven. Hierdoor zijn nieuwe waterpartijen ontstaan, waarlangs ook recreatie mogelijk is, zoals bij het Esmeer en het Munnikenland.

De Bommelerwaard ligt letterlijk ingeklemd tussen de Maas en de Waal. De geleding van het landschap in oeverwallen en kommen is van oorsprong door de rivieren bepaald. Vervolgens heeft de mens het landschap verder vormgegeven, onder andere door de aanleg van dijken in de middeleeuwen. Achter deze dijken ontstonden de uiterwaarden. De rivieren wisten zich echter regelmatig een weg door de dijken te banen. De littekens daarvan zijn nog altijd zichtbaar in het landschap, in de vorm van zogenaamde wielen.

Alle dorpen en stadjes, met Zaltbommel als grootste, liggen op de oeverwallen langs de rivieren. In de afgelopen decennia zijn hier veel kassen gebouwd, onder andere bij Zuilichem en Poederoijen. Hierdoor is de karakteristieke openheid van het landschap grotendeels verdwenen. De Bommelerwaard ligt tussen de Randstad en de Brabantse stedenrij, twee belangrijke economische regio’s van Nederland. Dat heeft ertoe geleid dat de regio wordt doorsneden door veel infrastructuur. De snelweg A2 komt bij Zaltbommel via de markante Martinus Nijhoffbrug de regio binnen en verlaat de Bommelerwaard bij ’s-Hertogenbosch. Langs de snelweg zijn grootschalige bedrijventerreinen ontwikkeld en ligt een verzorgingsplaats voor automobilisten. Ten noorden van Hedel kruisen de snelweg en de spoorlijn elkaar.

De rivieren konden ook bewust door de mens als bondgenoot worden ingezet in tijden van oorlog. De verschillende kastelen, forten en inlaatwerken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie herinneren hier nog aan. In het dagelijkse gebruik was de Bommelerwaard lange tijd vooral een agrarische regio. Op de oeverwallen, die parallel aan de rivieren liggen, werd gewoond en lagen de akkers en boomgaarden op de vruchtbare, zavelige gronden. Verder van

Panorama Landschap - Bommelerwaard Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

32


Provinciegrens Gemeentegrens

33


34


35


36


37


38


39


agrarische ontwikkeling verleden en heden


In den beginne

Pionieren - De ingebruikname van de komgronden Langzaam ontstonden er nieuwe mogelijkheden. Pas nadat voorzieningen voor de afwatering waren getroffen, konden ook de lager gelegen komgronden in gebruik worden genomen. Door de verbeterde waterhuishouding werden deze gronden steeds beter bruikbaar, met name voor de veehouderij.

9e - 19e eeuw

Waar de natuurlijke omstandigheden eerst de grenzen van het grondgebruik bepaalden, werden deze grenzen nu stap voor stap verlegd. De mens begon het landschap niet alleen te volgen, maar ook steeds meer naar zijn hand te zetten.

De Bommelerwaard kent door de eeuwen heen verschillende vormen van landgebruik. Elke fase werd vanuit een andere beweegreden bepaald. Soms was verandering noodzakelijk, terwijl er op andere momenten juist nieuwe mogelijkheden ontstonden. Het landgebruik reageerde daarmee voortdurend op veranderende omstandigheden, zowel door natuurlijke oorzaken als door technologische ontwikkelingen. In grote lijnen zijn drie tijdlagen te herkennen, die ieder een andere manier van omgaan met de grond laten zien: Adapteren, Pionieren en Innoveren.

Innoveren - Technologische ontwikkelingen en veranderend grondgebruik Voor de akkerbouw bleven de komgronden lange tijd minder geschikt. Ze hadden regelmatig te maken met wateroverlast en waren bovendien door hun zware bodem moeilijk te bewerken. Voor de akkerbouw bleven daarom vooral de hogere en gemakkelijker te bewerken stroomruggronden geschikt.

Adapteren - Bewoning en het gebruik van de hogere gronden Vanaf de 9e eeuw, bij het begin van de Frankische periode, worden de sporen van bewoning steeds duidelijker. Vanaf die tijd is de streek permanent en in toenemende mate bevolkt geweest. In het toen nog grotendeels natuurlijke landschap lag het voor de hand dat de bevolking de hogere en drogere plaatsen uitzocht om zich te vestigen.

Tegenwoordig zijn de mogelijkheden echter veel groter. Er zijn allerlei hulpmiddelen beschikbaar waarmee de natuurlijke beperkingen van het landschap gedeeltelijk kunnen worden overwonnen. Zo kan de afwatering veel beter worden beheerst en kan de ontwatering door middel van draineerbuizen tot een hoog niveau worden opgevoerd. Ook de moeilijke bewerkbaarheid van zware gronden vormt door de toegenomen trekkracht van tractoren een veel kleiner probleem.

Als voornaamste middelen van bestaan moeten de jacht en de veehouderij worden beschouwd. Deze konden gedurende het grootste deel van het jaar vooral worden uitgeoefend op de hoger gelegen stroomgronden. Naarmate de bevolking groeide, ontstond daarnaast een grotere behoefte aan voedsel. Om daaraan te kunnen voldoen, werd de akkerbouw uitgebreid. Ook deze was sterk gebonden aan de hogere gronden, die daarvoor het meest geschikt waren.

Waar vroeger de natuurlijke eigenschappen van de grond grotendeels bepaalden hoe deze gebruikt kon worden, heeft de mens door technische ontwikkelingen steeds meer mogelijkheden gekregen om het landschap naar zijn hand te zetten. Van aanpassen aan de plek, via het verleggen van grenzen, naar het actief veranderen van de mogelijkheden van de grond.wordt gebruikt.

In deze eerste fase waren het dus vooral de natuurlijke eigenschappen van het landschap die bepaalden hoe de gronden gebruikt konden worden. De mens paste zich aan de mogelijkheden van de plek aan.

De bodemkartering in de Bommelerwaard - Ir K. J. Hoeksema bodemkartering van de Bommelerwaard boven den Meidijk - Stichting voor bodemkartering, Wageningen

42


adapteren

pionieren

innoveren

43


Een onhoudbare situatie

slecht verzorgd. Daarnaast was de ontwatering van veel polders gebrekkig. Ook de vaak afgelegen en verspreide ligging van de landerijen vormde een probleem. Bouw- en tuinland was sterk versnipperd en veel bedrijven waren bovendien te klein om moderne landbouwmethoden goed te kunnen toepassen.

begin 20e eeuw

Er was dus duidelijk behoefte aan verandering. Op initiatief van de ´Stichting tot bevordering van de welvaart in de Bommelerwaard´ werd in 1941 het Rapport betreffende de uitkomsten van een welvaartsonderzoek in de Bommelerwaard uitgebracht. Dit onderzoek stond onder leiding van L. van Vuuren en werd uitgevoerd door S. Herweyer, A. Maris en S. Oedin. De publicatie bevat veel interessante gegevens over het gebied en geeft een goed beeld van de situatie in de Bommelerwaard in die tijd.

De ontwikkelingen in de agrarische sector gingen in deze periode snel. Door technische maatregelen konden steeds meer gronden in cultuur worden gebracht. Maar betekende dit ook dat iedere grond voor iedere vorm van landbouw gebruikt kon worden? Technisch gezien kon er steeds meer, maar daarmee kwam ook een andere vraag naar voren: wat was bedrijfseconomisch verantwoord? Naast de kwaliteit van de grond gingen daarom ook andere factoren een steeds grotere rol spelen. Denk bijvoorbeeld aan de ligging van de percelen en de eigendoms- en pachtverhoudingen. Wanneer we de landbouwkundige waarde van de verschillende bodemreeksen en hun bijbehorende bodemtypen bespreken, gaan we uit van een goede af- en ontwatering, een goede bemestingsen verzorgingstoestand en een goede bereikbaarheid. Juist aan deze voorwaarden ontbrak in de Bommelerwaard echter nog het nodige.

Slechts een jaar later, in 1942, publiceerde de Nederlandse Heidemaatschappij, met medewerking van de Rijksdienst voor de Werkverruiming, het Agrarisch Bestemmingsplan van de Bommelerwaard. In dit geschrift werden voor het eerst in Nederland allerlei gewenste verbeteringen op landbouwkundig gebied samengebracht tot één concreet toekomstbeeld. Ook deze publicatie bevat veel belangrijke gegevens over het gebied. Zo zijn er onder andere een bodemkaart en een bodemgebruikskaart in opgenomen, waarin de op dat moment bekende gegevens waren verwerkt.

Als gevolg van de landbouwcrisis van de jaren dertig was in veel land- en tuinbouwbedrijven in de Bommelerwaard een onhoudbare situatie ontstaan. Deze kon moeilijk nog veel langer voortduren. In andere delen van het land werd de situatie geleidelijk beter, onder andere door de toepassing van moderne landbouwmethoden. In de Bommelerwaard konden deze nieuwe methoden echter door verschillende oorzaken maar moeilijk ingang vinden.

Uit deze gegevens kwam een opvallende tegenstelling naar voren. Aan de ene kant was er een grote behoefte aan bouw- en tuinland, terwijl aan de andere kant een zeer grote oppervlakte grasland aanwezig was die slechts extensief werd gebruikt. Dit grasland werd onder andere benut voor de winning van handelshooi en voor de weiderij van jongvee. De mogelijkheden om de landbouwkundige situatie te verbeteren leken daardoor niet ongunstig.

Een aantal factoren speelde hierbij een belangrijke rol. Zo werden jaarlijks grote oppervlakten grasland publiek verpacht. Hierdoor werden deze gronden praktisch nooit bemest en bovendien

De oplossing werd gezocht in een vergroting van de oppervlakte bouw- en tuinland en tegelijkertijd in een verkleining van de oppervlakte extensief gebruikt grasland. Juist bij deze verandering

44


werd het ontbreken van een goede bodemkundige grondslag sterk gevoeld. Want welke percelen grasland waren geschikt om als bouw- of tuinland te worden gebruikt? Welke percelen bouwland konden eventueel beter als tuinland worden benut? En welke percelen konden het beste grasland blijven? Daarmee kwam een belangrijke vraag naar voren: hoe kon de beschikbare grond het beste worden gebruikt, rekening houdend met de eigenschappen van de bodem? Iedereen was het erover eens dat er iets moest gebeuren. Tegelijkertijd werd steeds duidelijker dat alleen ruilverkaveling hiervoor geen oplossing zou bieden. Er was eerst meer kennis nodig over de bodem en over de mogelijkheden die de verschillende gronden boden. Juist die bodemkundige kennis zou een belangrijke basis moeten vormen voor de verdere ontwikkeling van de landbouw in de Bommelerwaard.

De bijzondere belangstelling voor de Bommelerwaard betekende niet dat dit gebied als een uitzonderlijk noodgebied moest worden beschouwd. De problemen in landbouw en samenleving waren hier niet groter, en eerder kleiner, dan in omliggende gebieden als Maas en Waal, de westelijke Tielerwaard, de Maaskant en het Land van Heusden en Altena. De aandacht was vooral het gevolg van het initiatief van de ´Stichting tot Bevordering van de Welvaart in de Bommelerwaard´. Het rapport dat onder leiding van Van Vuuren werd samengesteld, vormde het begin van een reeks studies. Hierdoor werd de Bommelerwaard uiteindelijk een van de best onderzochte gebieden van het rivierkleigebied.

45


het kleine boerenbedrijf

De Lange Weistraat ontkomt niet aan de situatie die zich vrijwel overal in de Bommelerwaard voordoet. Het is een plek waar de productie voornamelijk is gericht op eigen consumptie. Wat overblijft, wordt in de buurt verkocht. Achter het huis liggen drie stroken met gewassen: aardbeien van de koude grond, aardappelen en tarwe. Rechts van het huis staat wat kleinvee. Dit is niet de enige plek waar opa land heeft. Verspreid over de omgeving liggen nog verschillende percelen die voor agrarische doeleinden worden gebruikt. De versnippering van het land is ontstaan door de verdeling ervan binnen de familie. De verschillende percelen vormen samen een kleinschalig agrarisch systeem, waarin het land vooral voorziet in het eigen gebruik en wat overblijft zijn weg vindt in de directe omgeving.

46


47


1964. Perceel van opa (onder) en Adriaan, het broertje van opa (boven). Aardbeien in de kas en aardappelen, tarwe en bieten roulerend op het land in stroken. Het strookje land midden onder is in gebruik door klein vee, schapen en een pony. De appelboomgaard rechts is nog niet in bezit.

48


49


1968. Na de champignoncellen in de Meiweg komen er twee cellen bij in de Lange Weistraat ter plekke van de schuur achter het huis.

50


51


1973. De teelt van champignons trekt hard aan. De kas met aardbeien achter het huis van opa is omgebouwd tot champignoncellen. Ook het telen in stroken is te intensief. De aardappelen, tarwe en bieten maken plaats voor Elstar appels. De aardbeien in de kas blijven.

52


53


Een bodem-economische ontwikkeling

Ook bij de aanleg van een boomgaard kon een teler tegen beperkingen aanlopen. Soms had een fruitteler niet de beschikking over een perceel van de beste kwaliteit en moesten de bomen genoegen nemen met minder gunstige groeiomstandigheden. Wanneer het beste perceel waarover een teler beschikte voor de fruitteelt werd bestemd, kon dit vanuit het eigen bedrijf gezien verantwoord zijn. Tegelijkertijd bleef het belangrijk om rekening te houden met de concurrentie van fruit dat op betere gronden tegen een lagere kostprijs kon worden geteeld.

midden 20e eeuw

De directe aanleiding voor de bodemkartering in de Bommelerwaard was het voornemen van de Cultuurtechnische Dienst om in het gebied uitgebreide ruilverkavelingen en bijbehorende cultuurtechnische verbeteringen uit te voeren. Daarbij stonden twee vragen centraal.

Hoewel zoveel mogelijk moest worden voorkomen dat boomgaarden op slechte gronden werden aangeplant, lag hier ook een belangrijke taak voor de Tuinbouwvoorlichtingsdienst. Door te onderzoeken welke fruitrassen en onderstammen op bepaalde bodemtypen de beste resultaten gaven, konden de mogelijkheden van verschillende gronden beter worden benut.

De eerste vraag was in hoeverre een nauwkeurige kennis van de bodemgesteldheid als basis kon dienen voor de ontwikkeling van cultuurtechnische plannen. De tweede vraag was of het mogelijk was om een bodemkundige grondslag te vinden voor de taxatie van het land bij de ruilverkaveling.

Wanneer een ruilverkaveling veranderingen in het grondgebruik mogelijk maakte, was het daarom belangrijk om goed te begrijpen welk verband bestond tussen de kwaliteit van de grond en de meest geschikte vorm van grondgebruik. Uiteindelijk ging het de landbouwer om de netto-opbrengst per hectare.

Ruilverkaveling kon verbetering brengen in de gebrekkige ontwatering en de slechte verkaveling van de landerijen. Voor de vele kleine boerenbedrijven, die door de kleine-boerensteun in stand moesten worden gehouden, was dit echter niet voldoende. Om aan meer mensen een betere bestaansmogelijkheid te bieden, was het noodzakelijk om de beschikbare gronden intensiever te gebruiken. Daarvoor was een herinrichting van het land nodig, waarbij zowel de teeltmogelijkheden als de kwaliteit van de grond in aanmerking werden genomen.

Het verschil tussen goede en minder goede bodemtypen werd bovendien groter naarmate de grond intensiever werd gebruikt. Bij een intensieve gebruikswijze was het verschil in zowel brutoals netto-opbrengst tussen goede en minder goede gronden veel groter dan bij een extensieve gebruikswijze. Daarom was het zowel in het algemene als in het particuliere belang dat de meest intensieve teelten gebruik konden maken van de beste gronden.

Dat gebeurde echter niet altijd. Een perceel kon bijvoorbeeld op grond van zijn bodemkundige eigenschappen zeer geschikt zijn voor de tuinbouw, maar door zijn moeilijke bereikbaarheid toch minder geschikt zijn voor intensief gebruik. Een betere ontsluiting kon in zo’n geval juist leiden tot een intensiever grondgebruik.

De tuinbouw had daarbij de beste gronden nodig, in de eerste plaats voor de glascultures, gevolgd door de teelten in de volle grond en de fruitteelt. Het beste akkerland kon het beste worden gereserveerd voor de intensieve hakvruchtenteelt, terwijl op de minder goede gronden een groter aandeel granen kon worden verbouwd. Ook de melkveehouderij stelde hogere eisen aan de grond dan de meer extensieve jongveeweiderij en de handelshooiwinning.

54


Fruitteelt, groenteteelt, akkerbouw en melkveehouderij stelden dus ieder hun eigen eisen aan de bodem. De Cultuurtechnische Dienst wilde daarom weten welke eisen de verschillende vormen van grondgebruik aan de bodem stelden en welke gronden aan deze eisen konden voldoen. Daarvoor was een kaart nodig waarop de eigenschappen van de grond werden aangegeven die van belang waren voor de plantengroei. Door middel van de detailkartering konden deze eigenschappen bij verschillende bodemtypen worden bestudeerd. Vervolgens konden de bodemtypen worden gegroepeerd tot bodemreeksen die in hun belangrijkste eigenschappen met elkaar overeenkwamen. Omdat deze bodemreeksen in het rivierkleigebied bovendien belangrijke elementen van de landschappelijke opbouw weerspiegelden, kon op basis daarvan een overzichtskaart worden samengesteld. De tweede vraag, over de bodemkundige grondslag voor de taxatie van het land, kreeg aanvankelijk minder aandacht. Later werd dit onderwerp belangrijker, mede doordat de Stichting voor Bodemkartering in de gehele provincie Gelderland het verband tussen de bodemgesteldheid en de pachtprijzen van landbouwgrond onderzocht. Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van de Afdeling voor Grond- en Pachtzaken van de Directie van de Landbouw te ’s-Gravenhage en stond onder leiding van ir. L. J. Pons. Hoewel de resultaten op dat moment nog niet voor publicatie gereed waren, wees de algemene conclusie erop dat de pachtprijzen slechts in zeer beperkte mate de vaak grote verschillen in productiviteit van de grond volgden. Vanuit bodemkundig oogpunt vertoonden de geschatte grondprijzen daardoor weinig redelijkheid. Het toepassen van een juiste bodemkundige maatstaf bij de taxaties voor ruilverkavelingen zou een grote verandering betekenen in de traditionele opvattingen over de waarde van landbouwgrond. Hoewel de conclusie op zichzelf niet nieuw was, werd steeds duidelijker dat bodemkundig onderzoek nog maar moeilijk paste binnen de bestaande werkwijze van taxaties bij ruilverkavelingen.

55


bodemkaart 1:25000

56


bodemkaart 1:10000

57


schaakspel aan de keukentafel

De ruilverkaveling wordt ook een onderwerp aan de keukentafel. De kleine plukjes land die her en der verspreid liggen in de regio, komen door uitruil steeds meer bij andere grondeigenaren terecht. De versnippering van het land was een van de factoren die bijdroeg aan de armoede in de streek: doordat de percelen zo verspreid lagen, bleef ook de schaal van de bedrijven klein. Door de ruilverkaveling werden deze losse stukjes grond samengebracht. De uitruil van grond kwam uiteindelijk op twee plekken samen: aan de Meiweg en aan de Lange Weistraat.

58


59


60


61


1988. Door middel van ruilverkaveling komt de appelboomgaard aan de rechterzijde van het perceel in bezit.

62


63


Witte bedden & glazen kappen

eind 20e eeuw

De glastuinbouw en champignonteelt zijn in de twintigste eeuw uitgegroeid tot belangrijke onderdelen van de landbouw in de Bommelerwaard. De ontwikkeling van de glastuinbouw begon al in het begin van de twintigste eeuw, maar vooral vanaf de jaren 1950 en 1960 nam de sector sterk in omvang toe. De beschikbaarheid van goede landbouwgrond, de gunstige ligging en de aanwezigheid van veel kleine agrarische bedrijven vormden een belangrijke basis voor deze ontwikkeling. Door technische verbeteringen konden tuinders bovendien steeds meer en efficiënter produceren.

De groei van deze sectoren had niet alleen economische gevolgen, maar veranderde ook het landschap van de Bommelerwaard. Steeds meer kassen, bedrijfsgebouwen en andere voorzieningen verschenen tussen de traditionele weilanden en boomgaarden. Vooral de snelle uitbreiding van de glastuinbouw leidde later tot discussies over de omvang en ruimtelijke inpassing van de bedrijven. Vanaf het einde van de twintigste eeuw kwam daarom meer aandacht voor herstructurering, landschappelijke inpassing en het concentreren van glastuinbouwbedrijven. De opkomst van de glastuinbouw en champignonteelt laat daarmee goed zien hoe de landbouw in de Bommelerwaard in de twintigste eeuw veranderde: van een gebied met veel kleinschalige gemengde landbouw naar een regio met sterk gespecialiseerde en intensieve tuinbouwbedrijven. Deze ontwikkeling heeft een blijvende invloed gehad op zowel de economie als het landschap van de Bommelerwaard.

Een belangrijke impuls kwam van de ruilverkavelingen in de Bommelerwaard. Hierdoor veranderde de inrichting van het agrarische gebied en konden bedrijven worden vergroot en gemoderniseerd. De tuinbouw werd hierdoor steeds meer een gespecialiseerde bedrijfstak. Vooral op de relatief hoge en goed ontwaterde oeverwallen ontstond een concentratie van tuinbouwbedrijven. De groei van de glastuinbouw was aanzienlijk: tussen 1989 en 2004 verdrievoudigde het areaal aan kassen in de Bommelerwaard. Ook de champignonteelt kreeg in deze periode een belangrijke plaats in de regionale economie. Vanaf de jaren 1950 ontwikkelde de champignonteelt zich sterk, met name rond Kerkdriel en Velddriel. In de jaren 1960 groeide Zaltbommel uit tot een belangrijk centrum voor de champignonhandel. De teelt paste goed bij de ontwikkeling naar gespecialiseerde en intensieve landbouw, omdat champignons onder gecontroleerde omstandigheden konden worden geproduceerd en daardoor minder afhankelijk waren van de weersomstandigheden.

64


65


1960 - 1980

1980 - 2000

champignonsteelt

66

2000 - 2020


1960 - 1980

1980 - 2000

glascultuur

67

2000 - 2020


68


69


een nieuw stramien

Niet alleen op het land heeft schaalvergroting plaatsgevonden. Ook de gebouwen zijn groter en efficiënter geworden. Op het perceel dat door de ruilverkaveling is verkregen, is een deel van de appelboomgaard gerooid om plaats te maken voor champignoncellen en een woonhuis. Hier zal Poulus, de zoon van opa, uiteindelijk gaan wonen en werken. De schaalvergroting brengt ook een heel andere beleving met zich mee. de kwekerij is niet meer direct afleesbaar als onderdeel van de eerste lijn waar het woonhuis staat. Nu is het heel sterk de tweede lijn. Iets wat bij het huis van opa, met de aaneengeschakelde cellen, nog wel duidelijk leesbaar was. De lijnen tussen werken en wonen waren minder diffuus. Bij de nieuwbouw heeft de pragmatische efficiëntie zijn intrede gedaan. Iets wat ook past bij de steeds sterker aanwezige intensivering en de daarmee gepaard gaande investeringen.

70


71


1992. Dit perceel gaat naar Poulus (zoon) voor de bouw van een kwekerij. 6 cellen á 500 m2 per stuk. Een deel van de boomgaard is hiervoor gerooid. Achter de kwekerij blijft de Elstar staan.

72


73


Teelt & bodem

2026

Hoewel de landbouw nog altijd een groot deel van het gebied in beslag neemt, is het grondgebruik tegenwoordig sterk gespecialiseerd. De oorspronkelijke opbouw van het rivierenlandschap is daarbij nog goed herkenbaar. De lagere, natte komgronden worden vooral gebruikt als grasland voor de veehouderij, terwijl de hogere en beter ontwaterde oeverwallen geschikt zijn voor intensievere vormen van landbouw, zoals fruitteelt, akkerbouw en glastuinbouw.

Ook de fruitteelt heeft zich verder ontwikkeld. Vooral in het oosten van de Bommelerwaard is fruitteelt een belangrijke vorm van grondgebruik. De hogere en relatief zandige oeverwallen zijn hiervoor geschikt. Tegelijkertijd zorgt de intensivering van de landbouw voor nieuwe uitdagingen. De toenemende watervraag van onder andere de fruitteelt en glastuinbouw maakt het watersysteem kwetsbaarder tijdens droge perioden. In de lager gelegen gebieden spelen juist wateroverlast en de afvoer van water een belangrijke rol.

Grasland vormt nog steeds de grootste categorie binnen het agrarische grondgebruik. Volgens gegevens over het grondgebruik bestaat meer dan de helft van het gebied uit grasland/weiland. Dit is vooral te vinden in de lager gelegen komgebieden. Op de hogere gronden is het gebruik gevarieerder. In het oostelijke deel van de Bommelerwaard is relatief veel fruitteelt aanwezig, terwijl in het westelijke deel de concentratie van glastuinbouw groter is.

Daarmee is het huidige agrarische landschap van de Bommelerwaard het resultaat van een langdurige wisselwerking tussen natuurlijke omstandigheden, landbouwkundige ontwikkeling en schaalvergroting. De verschillen tussen komgronden en oeverwallen bepalen nog steeds voor een groot deel waar welke landbouw plaatsvindt. Tegelijkertijd heeft de groei van intensieve teelten, vooral glastuinbouw en fruitteelt, het landschap veranderd. De Bommelerwaard kan daardoor tegenwoordig worden gekarakteriseerd als een afwisseling van open grasland in de kommen en een intensiever gebruikt landschap met fruitboomgaarden, akkers, kassen en agrarische bedrijfsbebouwing.

De huidige situatie is daarmee deels een voortzetting van de ontwikkelingen uit de twintigste eeuw. De glastuinbouw en champignonteelt zijn inmiddels gevestigde en gespecialiseerde sectoren. Tegelijkertijd wordt geprobeerd om deze sectoren ruimtelijk te concentreren en te moderniseren. De provincie Gelderland en de gemeenten Zaltbommel en Maasdriel werken daarom aan de herstructurering van de glastuinbouw en champignonteelt. Daarbij gaat het niet alleen om economische ontwikkeling, maar ook om landschappelijke inpassing, verkeersveiligheid, leefbaarheid en waterbeheer.

74


75


2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

a

1

g

f

e

d

c

b

N

2 km

i

h

2 km

=100 hectare =1 hectare

Huidige grondgebruik met een scala aan teelt. Overwegend grasland op de komgronden (groen), fruitteelt in het oosten (rood) en glastuinbouw in het westen (blauw). In aanvulling zijn er hakvruchten (oranje).

76

1:100.000


2

a

1

3

4

Kalkhoudende vlakvaaggronden; grof zand

b

Kalkhoudende poldervaaggronden; zware klei, profielverloop 5

5

6

7

8

Kalkloze poldervaaggronden; zavel en lichte klei, profielverloop 3, of 3 en 4 Kalkloze ooivaaggronden; lichte zavel

12

13

14

Kalkhoudende ooivaaggronden; zware zavel en lichte klei

N

Kalkhoudende poldervaaggronden; zware zavel en lichte klei, profielverloop 5

Kalkloze ooivaaggronden; zware zavel en lichte klei

Kalkloze poldervaaggronden; zware klei, profielverloop 4

Vorstvaaggronden; leemarm en zwak lemig fijn zand

Kalkloze poldervaaggronden; zware klei, profielverloop 3, of 3 en 4 Kalkhoudende vorstvaaggronden; fijn zand

Kalkhoudende poldervaaggronden; lichte zavel, profielverloop 5

g

f

e

d

c

11

Kalkloze poldervaaggronden; zware zavel en lichte klei, profielverloop 5

Kalkloze poldervaaggronden; zavel en lichte klei, profielverloop 2

Kalkhoudende ooivaaggronden; lichte zavel

10

Kalkhoudende poldervaaggronden; zavel, profielverloop 2

Kalkhoudende poldervaaggronden; zavel en lichte klei, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4 Overslaggronden

Kalkhoudende vlakvaaggronden; matig fijn zand

9

2 km

2 km

h

overkoepelende grondsoort zandgrond kleigrond zavelgrond - zwaar zavelgrond zavelgrond - licht

i

dijk en terpen

=100 hectare =1 hectare

1:100.000

De Bommelerwaard wordt gekenmerkt door diverse bodemsoorten, voornamelijk lichte en zware zavel- en kleigronden, die zich ontwikkelen door de invloed van de rivieren Maas en Waal.

77


2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

a

1

g

f

e

d

c

b

N

2 km

i

h

2 km

=100 hectare =1 hectare

Grondgebruik op de kleigronden. Overwegend grasland.

78

1:100.000


2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

a

1

g

f

e

d

c

b

N

2 km

i

h

2 km

=100 hectare =1 hectare

1:100.000

Grondgebruik op de zavelgronden. Een gevarieerder gebruik.

79


80


81


de toekomst


Een nieuwe koers

armoede worden getrokken. En dat lukt ook: de ruilverkaveling draagt bij aan de modernisering van de landbouw en brengt welvaart naar de streek. Tegelijkertijd verschuift de verhouding tussen mens en landschap. De mens neemt steeds meer een heersende rol aan en gaat het landschap in toenemende mate naar zijn hand zetten. Wat begint als een oplossing voor armoede en voedselzekerheid, ontwikkelt zich uiteindelijk tot een vicieuze cirkel van intensivering en uitputting. De mens haalt steeds meer uit het land, terwijl de draagkracht van het landschap steeds verder onder druk komt te staan.

partnerschapshouding

Met de kennis van het verleden komt de volgende vraag naar voren: welke koers zetten we uit voor de toekomst? De agrarische ontwikkeling van de Bommelerwaard kan over de afgelopen eeuwen in grote lijnen in drie richtingen worden beschreven, ieder met een eigen vorm van samenleven tussen mens en landschap: mutualisme, parasitisme en partnerschap.

De 21e eeuw – Partnerschap We bevinden ons nu in een razend interessante tijd, waarin de problematiek op het land en in de stad ruimte biedt om een nieuwe koers uit te zetten. Ook voor de Bommelerwaard ligt hier een kans. Wat laten we achter en wat nemen we mee? Uit de twee tijdsgeesten zijn kernwaarden te destilleren die elkaar kunnen versterken en daarmee een toekomstbestendige Bommelerwaard kunnen vormen. De veelvoud aan teelten uit de 19e eeuw was goed voor de diversiteit en daarmee voor de natuur. Het probleem zat vooral in de te kleine schaal. De ruilverkaveling van de 20e eeuw bracht de schaalvergroting die nodig was om de landbouw economisch sterker te maken, maar verloor daarbij een groot deel van de diversiteit. Door deze twee kwaliteiten opnieuw met elkaar te verbinden en uit te gaan van schaalverfijning op de grote schaal, kunnen deze kwaliteiten weer bij elkaar worden gebracht. Niet terug naar de kleinschaligheid van vroeger, maar de grote schaal verfijnen met verschillende vormen van grondgebruik en ruimte voor diversiteit.

De 19e eeuw – Mutualisme Armoede regeert. De toepassing van moderne landbouwmethoden blijft in de streek grotendeels uit. Dit komt onder andere door de jaarlijkse publieke verpachting van grote oppervlakten grasland, waardoor deze gronden praktisch nooit worden bemest en slecht worden verzorgd. Daarnaast spelen de gebrekkige ontwatering van veel polders, de afgelegen en verspreide ligging van de landerijen, de versnippering van bouw- en tuinland en de te kleine omvang van de bedrijven een belangrijke rol. Voor de mens is dit een moeilijke situatie, maar tegelijkertijd verkeert de natuur door de kleinschaligheid en de grote variatie in het grondgebruik naast elkaar in relatief goede conditie. Het gaat in deze periode voornamelijk om het verbouwen van voedsel voor eigen consumptie. De relatie tussen mens en land is daardoor kleinschalig en direct. Kortom: de Bommelerwaard is in deze periode (bio)divers, maar armoedig.

Daarbij vraagt ook de manier waarop naar de bodem wordt gekeken om een verschuiving: van bodem-economische naar bodem-ecologische uitgangspunten. Niet alleen de vraag wat de bodem kan opleveren staat centraal, maar ook wat de bodem nodig heeft om gezond en productief te blijven. Dit biedt ruimte voor herstel en maakt het mogelijk om opnieuw een relatie met het land aan te gaan waarin de mens niet tegenover het landschap staat, maar ermee samenwerkt.

De 20e eeuw – Parasitisme In de 20e eeuw ontstaat een andere filosofie. Een filosofie van welvaart en overvloed. Mansholts mantra ‘nooit meer honger’ klinkt door over het land. Ook in de Bommelerwaard worden deze woorden omgezet in daden. De ruilverkaveling moet uitkomst bieden voor de erbarmelijke situatie die op dat moment in de Bommelerwaard bestaat. De streek moet hiermee uit de

Een wederkerige relatie. Geen mens die het land uitput, maar een partnerschap waarin mens en land elkaar versterken.

84


19e eeuw (bio)divers maar armoedig kleinschalige boerderijen verbouwen voor een klein bereik extensief grondgebruik focus op consumptie

20e eeuw - nu welvarend maar stil

De Westerse houding (Exploitatie & Beheersing) intensivering en schaalvergroting door ruilverkaveling, telen voor het geheel

NU!

intensief grondgebruik, zichtbare verandering door de opkomst van de champignonsteelt en glastuinbouw focus op consumptie huidig

wat nemen we mee?

nieuw

wat laten we achter?

nu - toekomst diverse samenwerking

De Partnerschapshouding (Samenwerking) schaalverfijning vanuit de bodem, telen voor de toekomst samenwerking tussen de mens en natuur, verdichting om samensmelting te voorkomen focus op productie

85


Nieuwe structuren

wat zweeft er in de lucht, wat speelt er in de grond?

De landbouw in de Bommelerwaard bevindt zich vandaag de dag in een complex systeem van belangen. De boer staat niet alleen op het land, maar bevindt zich midden in een netwerk van banken, pachters, waterschappen, overheden, afnemers en consumenten. Allemaal hebben ze hun eigen belangen en verwachtingen van het land. Tegelijkertijd moet het boerenbedrijf financieel overeind blijven. De grond moet geld opleveren, de gebouwen moeten worden betaald, machines moeten worden afgeschreven en arbeid moet worden vergoed. Daarmee ontstaat een systeem waarin de economische opbrengst van het land vaak de belangrijkste maatstaf wordt.

daar geen verdienmodel tegenover staat. Een perceel dat minder wordt bemest, ruimte biedt aan natuur of tijdelijk water opvangt, levert immers niet vanzelf een inkomen op. Zolang alleen de producten van het land financieel worden gewaardeerd, blijft de druk bestaan om zoveel mogelijk van dat land te produceren. Daar ligt misschien ook de sleutel voor een andere toekomst. Niet alleen betalen voor wat het land oplevert, maar ook voor wat het land doet. De bodem levert namelijk meer dan alleen voedsel op. Een gezond landbouwgebied houdt water vast, draagt bij aan biodiversiteit, slaat koolstof op, zorgt voor een aantrekkelijk landschap en kan helpen om de omgeving weerbaarder te maken tegen droogte en piekbuien. Dit zijn diensten waar de samenleving als geheel profijt van heeft, maar waarvoor de boer binnen het huidige systeem nauwelijks wordt beloond.

Dat maakt het boeren steeds ingewikkelder. De grond moet zo efficiënt mogelijk worden benut om voldoende inkomen te genereren. Intensivering ligt dan voor de hand: meer productie per hectare, hogere opbrengsten en een zo efficiënt mogelijke bedrijfsvoering. Maar juist die intensivering legt druk op de bodem, het water en de biodiversiteit. Wat economisch op korte termijn logisch kan zijn, kan ecologisch op langere termijn uitputtend werken. De boer komt daarmee in een vreemde positie terecht. Hij is afhankelijk van een systeem dat hem aanzet tot intensiveren, terwijl hij tegelijkertijd degene is die dagelijks met de gevolgen daarvan op het land te maken heeft.

Een alternatief verdienmodel zou deze ecosysteemdiensten daarom onderdeel kunnen maken van het inkomen van de boer. Wanneer een boer bijvoorbeeld ruimte maakt voor waterberging, kan het waterschap hiervoor een vergoeding geven. Wanneer een perceel extensiever wordt beheerd, biodiversiteit wordt versterkt of de bodemkwaliteit aantoonbaar wordt verbeterd, kan daar een vergoeding tegenover staan. Ook een korting op de pacht kan worden ingezet wanneer een pachter aantoonbaar bijdraagt aan de kwaliteit van bodem, water en landschap. Niet als subsidie om een verliesgevende bedrijfsvoering overeind te houden, maar als betaling voor een dienst die daadwerkelijk aan de omgeving wordt geleverd.

Ook de Bommelerwaard ontkomt niet aan deze dynamiek. De landbouw is hier sterk verbonden met de bodem, het watersysteem en het landschap. Tegelijkertijd zijn de marges beperkt en zijn investeringen vaak groot. Een boer kan niet zomaar besluiten om minder intensief te produceren wanneer

86


? Wat zweeft er in de lucht?

Wat speelt er in de bodem?

?

87


beleidsmaker_A Europese Unie subsidie

verpachters

ASR, RVB, provincie, gemeente, staatsbosbeheer, waterschap pachtsom

€

€

boer & bodem

De huidige structuur en nieuwe structuur

88

€

markt oogst


beleidsmaker_A

beleidsmaker_B

Europese Unie

RVB, provincie, gemeente

Ecoregelingen, innovatie

subsidie landsschapsinclusieve landbouw

verpachters

ASR, RVB, provincie, gemeente, staatsbosbeheer, waterschap korting op de pachtsom

€ €

€ baathebbende ecosysteemdiensten_A verzekeraars, gemeente, bedrijven gezondheidsbaten, verkoeling, natuurbeleving

baathebbende ecosysteemdiensten_B Waterschap

€

boer & bodem

€

+ ++

waterberging, houtproductie,

ecologie waterdragend, biodivers, adaptief landgebruik

89

markt €

oogst


Voor de Bommelerwaard kan dit een interessante nieuwe verhouding tussen landbouw en landschap opleveren. De agrariër wordt dan niet alleen producent van gewassen, maar ook beheerder van bodem, water en landschap. Een perceel dat tijdelijk minder intensief wordt gebruikt, is dan niet langer simpelweg een perceel dat minder oplevert. Het kan tegelijkertijd waarde creëren door water te bergen, biodiversiteit te versterken of de bodem te herstellen. Die verschillende waarden komen samen op dezelfde vierkante meter.

Dit vraagt ook om een andere manier van samenwerken. Niet iedere boer afzonderlijk die zijn eigen perceel en verdienmodel optimaliseert, maar boeren, waterschap, grondeigenaren, overheden en andere partijen die zich gezamenlijk verantwoordelijk voelen voor het gebied. Vanuit een coöperatieve houding kunnen afspraken worden gemaakt over welke functies waar het beste tot hun recht komen en hoe de opbrengsten en kosten daarvan eerlijk worden verdeeld. De ene boer kan meer ruimte bieden voor water, terwijl een ander zich richt op biobased gewassen of biodiversiteit. Samen vormen deze percelen één groter systeem, waarin de prestaties van de één de mogelijkheden van de ander versterken.

Daarmee verandert ook de manier waarop naar schaal wordt gekeken. De grote schaal van de ruilverkaveling hoeft niet te verdwijnen. Juist binnen die grote schaal kan ruimte ontstaan voor verfijning: verschillende vormen van grondgebruik die naast elkaar bestaan en ieder hun eigen bijdrage leveren. De ene plek produceert biobased gewassen, de andere vangt water op, een volgende draagt bij aan biodiversiteit en weer een andere combineert deze functies. De waarde van het gebied zit dan niet meer alleen in de maximale productie per hectare, maar in de totale bijdrage die een hectare kan leveren.

Een coöperatieve Bommelerwaard betekent daarmee niet dat iedereen hetzelfde moet doen. Juist de verschillen tussen bedrijven en percelen kunnen waardevol zijn. Door die verschillen onderling af te stemmen, ontstaat op gebiedsniveau een grotere diversiteit en veerkracht. De grote schaal van de Bommelerwaard wordt zo niet opgeheven, maar georganiseerd als een netwerk van verschillende kwaliteiten.

Zo ontstaat een ander soort landbouwkundig systeem. Niet een systeem waarin de boer steeds meer uit dezelfde grond moet halen om financieel overeind te blijven, maar een systeem waarin verschillende prestaties van het land ook daadwerkelijk worden gewaardeerd. De productie van biobased gewassen blijft daarin belangrijk, maar staat niet langer alleen.

Het doel is dan niet om minder te boeren, maar om anders waarde te creëren. Niet alleen de productie van vandaag telt, maar ook de kwaliteit van de bodem, het water en het landschap van morgen. Juist daarin kan een toekomstbestendige Bommelerwaard ontstaan: een gebied waarin landbouw en ecologie niet tegenover elkaar staan, maar waarin de boer wordt beloond voor het versterken van het systeem waar hij zelf onderdeel van is.

De Bommelerwaard kan daarmee een stap zetten van een eenzijdige economische relatie met het land naar een wederkerige relatie. De boer krijgt een inkomen voor de productie van biobased gewassen, maar ook voor het in stand houden en verbeteren van de voorwaarden waaronder die productie in de toekomst mogelijk blijft. Het waterschap betaalt voor waterberging, de samenleving betaalt voor biodiversiteit en landschappelijke kwaliteit en de pachter krijgt ruimte om de bodem te herstellen. De verschillende partijen die nu ieder hun eigen belang vertegenwoordigen, worden daarmee gezamenlijk verantwoordelijk voor het functioneren van het landschap.

90


91


de Rietschoof


Pilotlocatie ‘de Rietschoof ’

de bioregio

Bioregionering biedt een alternatief organisatieprincipe dat onze kijk op materiaalstromen, politiek bestuur en het maatschappelijk middenveld zou kunnen herdefiniëren. Het gebruikt de bioregio als een soort sjabloon voor het organiseren en creëren door onze banden met het lokale landschap en zijn cycli te herstellen. Meer nog, het gaat om het opbouwen van een netwerk van lokale kennis, waardoor cruciale beslissingen worden genomen in het belang van de bioregio en, wat nog belangrijker is, lokale burgers meer zeggenschap krijgen in die beslissingen. De Rietschoof wordt binnen dit project gebruikt als plek om de nieuwe relatie tussen mens, land en landschap concreet te maken. Het gebied ligt aan de Maas, tussen Aalst en Nederhemert, en bevat op relatief kleine schaal veel van de kenmerken die ook de Bommelerwaard als geheel typeren. Juist daardoor is het geschikt als voorbeeldlocatie. Het is geen uitzonderlijk gebied, maar een herkenbare plek waarin de bredere opgaven van de Bommelerwaard samenkomen. De basis van het voorstel ligt in het opnieuw verbinden van landbouw, ecologie, economie en beleving. De productie van nieuwe biobased gewassen vormt hierin een belangrijk onderdeel en wordt vervlochten met functies als waterberging, biodiversiteit en bodemherstel. Daarmee ontstaat niet één vorm van grondgebruik, maar een landschap waarin verschillende functies elkaar aanvullen. De nieuwe teelten dragen bovendien bij aan de beleving van het gebied: door hun structuur, hoogte en seizoensverandering voegen ze een nieuwe laag toe aan het landschap.

94


95


96


97


Een gesloten systeem

het pompgebouw

De ontwikkeling van De Rietschoof wordt vanuit een wateren bodemgestuurde aanpak benaderd. Het aanwezige eigen watersysteem speelt hierin een belangrijke rol. Doordat het gebied in belangrijke mate als een zelfstandig watersysteem functioneert, kan de waterhuishouding als uitgangspunt worden genomen voor de inrichting en het toekomstige grondgebruik. Water wordt daarmee niet langer aangepast aan de gewenste teelt, maar vormt samen met de bodem de basis waarop de ontwikkeling wordt afgestemd. De eerste stap hiervoor is het in beeld brengen van de eigenschappen van het gebied. Er wordt gekeken naar de verschillende bodemtypen, de hoogteligging en het verloop daarvan, de waterhuishouding en de onderlinge samenhang tussen deze eigenschappen. Deze gegevens worden met elkaar vergeleken om inzicht te krijgen in de natuurlijke potenties en beperkingen van de verschillende delen van De Rietschoof. Op basis daarvan wordt bepaald welke biobased gewassen het beste bij de verschillende omstandigheden passen. Niet de vraag welke teelt op iedere plek maximaal kan produceren staat daarbij centraal, maar welke teelt op die specifieke plek het beste tot haar recht komt en tegelijkertijd een positieve bijdrage kan leveren aan het bodem- en watersysteem. De teelt wordt daarmee volgend op de eigenschappen van de plek.

98


99


zware zavel en lichte klei

zavel en lichte klei

zavel

zware klei

overslaggronden zavel en lichte klei

zavel en lichte klei

zware zavel en lichte klei

zavel

lichte zavel

bodemsoort, zavel aan de randen en zware klei in de kom.

100

lichte zavel


verloop ca. 0,7 m

hoogteverloop, de kom ligt ca. 70 cm lager dan de randen.

101


De bodem bepaald

te telen gewassen

De keuze voor de biobased gewassen op De Rietschoof volgt uit de eigenschappen van de plek én uit de toepassing waarvoor de gewassen worden geteeld. De focus ligt op gewassen die uiteindelijk kunnen worden ingezet voor isolatie, gevels en constructie. Daarmee wordt de teelt direct verbonden aan een toekomstige toepassing: wat hier groeit, kan later onderdeel worden van de gebouwde omgeving.

Voor de productie van isolatiemateriaal wordt gekozen voor hennep, vlas en tarwe voor de stroproductie. Deze gewassen kunnen worden verwerkt tot biobased isolatiemateriaal en vormen daarmee een aanvulling op het hout uit de agroforestry. Zo ontstaat een materialenpalet waarin de eigenschappen van de bodem, de waterhuishouding en de uiteindelijke toepassing van het gewas met elkaar worden verbonden.

De bodem van De Rietschoof bestaat voornamelijk uit zavel en klei. Hierdoor vallen verschillende gewassen af die beter gedijen op zandgronden. Ook de beperkte waterdoorlatendheid van de bodem speelt een belangrijke rol. De gekozen soorten moeten goed met een vochtige bodem en wisselende waterstanden kunnen omgaan. De eigenschappen van bodem en water vormen daarmee opnieuw het uitgangspunt voor de keuze van de teelt.

De Rietschoof wordt daarmee niet alleen een plek waar gewassen worden verbouwd, maar een plek waar materiaal voor de toekomst groeit. Van bodem naar gewas, van gewas naar materiaal en uiteindelijk van materiaal naar gebouw. De eigenschappen van de plek bepalen wat er kan groeien, terwijl de gewenste toepassing richting geeft aan wat er met deze gewassen kan worden gemaakt.

Voor de houtbouw ontstaat een materialenpalet van soorten die geschikt zijn voor constructie en geveltoepassingen. De populier en wilg worden ingezet als structuurbomen die passen bij de natte omstandigheden van het gebied. De zwarte els krijgt een plek binnen een agroforestry-systeem en draagt daarmee niet alleen bij aan de houtproductie, maar ook aan de landschappelijke structuur en biodiversiteit. Op het erf krijgen andere boomsoorten een plek. De linde en plataan worden ingezet als laanbomen en geven structuur aan de verblijfsplekken en routes. De eik krijgt als solitaire boom een meer uitgesproken plek in het landschap. Deze bomen hebben daarmee naast hun mogelijke materiaalwaarde ook een belangrijke landschappelijke en belevingswaarde.

102


103 structuurboom / Agroforestry

structuurboom / B

structuurboom / A

structuurboom / erf

structuurboom / erf

structuurboom / erf

Zwarte Els

schema biobased materialen College van Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs


Maanden & jaren

manieren benut en ontstaat meer variatie in beworteling, organische stof en nutriëntenkringlopen. Een gevarieerde gewasrotatie kan daarmee bijdragen aan een gezonde en veerkrachtige bodem.

de teeltcyclus

De Rietschoof bestaat momenteel vrijwel volledig uit grasland, met Engels raaigras als dominante bodembedekker. Deze situatie bestaat inmiddels ongeveer 25 jaar. De nieuwe inrichting brengt hierin een verandering: de bodem wordt niet langer hoofdzakelijk gebruikt voor één gewastype, maar wordt onderdeel van een gevarieerd systeem waarin verschillende teelten ieder een eigen rol vervullen. De eigenschappen van de bodem en het watersysteem vormen daarbij het uitgangspunt. Op de lagere, kleiige komgronden wordt ingezet op bosschages voor de houtbouw. De populier, wilg en zwarte els vormen hier een meerjarige vegetatie met een permanente beworteling. De bomen zorgen voor een diepere en meer gevarieerde beworteling en brengen via wortels en bladval voortdurend organisch materiaal terug naar de bodem. Hierdoor ontstaat naast de productie van hout een permanente ecologische laag die bijdraagt aan de bodemstructuur, koolstofopslag en biodiversiteit. Op de hoger gelegen zavelgronden ontstaat een vijfjarige vezelteeltcyclus:

Binnen de cyclus hebben de gewassen ieder een specifieke functie. Vlas, wintertarwe en hennep leveren de vezels voor biobased toepassingen, terwijl veldboon en luzerne als vlinderbloemigen stikstof uit de lucht kunnen binden. Vooral luzerne heeft daarnaast een diep wortelstelsel, waarmee diepere bodemlagen worden benut en de bodemstructuur kan worden beïnvloed. Zo wordt de teelt niet alleen gericht op de productie van materiaal, maar draagt ieder gewas ook bij aan het functioneren van de bodem. De nieuwe inrichting maakt daarmee van de bodem een actief onderdeel van het productiesysteem. Op de kleigronden ontstaat een permanente houtproductie, terwijl de zavelgronden door de vijfjarige cyclus voortdurend van gewas veranderen. De verschillende wortelsystemen, gewasresten en nutriëntenstromen zorgen voor meer variatie door de tijd heen. De ambitie is daarmee niet alleen om biobased materiaal te produceren, maar tegelijkertijd de bodemkwaliteit te versterken en het gebied als geheel veerkrachtiger te maken. De overgang van Engels raaigras naar deze nieuwe inrichting is daarmee een verschuiving van één dominante teelt naar een bodem-ecologisch systeem. De bodem bepaalt welke gewassen hier kunnen groeien, terwijl de gewassen op hun beurt bijdragen aan het functioneren van de bodem. Zo ontstaat een wederkerige relatie waarin productie en bodemkwaliteit niet los van elkaar staan, maar elkaar ondersteunen.

Jaar 1 – Vlas Jaar 2 – Wintertarwe Jaar 3 – Hennep Jaar 4 – Veldbonen Jaar 5 – Luzerne Na het vijfde jaar begint de cyclus opnieuw. De kracht van deze inrichting zit in de afwisseling. De verschillende gewassen hebben ieder een ander wortelstelsel, groeiseizoen en nutriëntenbehoefte. Hierdoor wordt de bodem door de jaren heen op verschillende

104


VLAS

WINTERTARWE & KLAVER

VELDBOON

LUZERNE

1

2

3

4

5

1

2

3

20

21

KLEI

ZAEVEL

HENNEP

105


106


107


landschappelijke beleving


Van plant naar prefab

de biobased keten

Nu duidelijk is welke gewassen binnen het landschap van De Rietschoof kunnen floreren, verschuift de aandacht van het landschap naar de keten. Een biobased gewas krijgt pas waarde wanneer het uiteindelijk wordt verwerkt tot een toepasbaar materiaal. Tussen het moment waarop het gewas op het land staat en het moment waarop het als bouwmateriaal in een gebouw terechtkomt, bevinden zich verschillende stappen:

vragen om een eigen oogstmethode. De houtige gewassen op de kleigronden kennen daarnaast een veel langere cyclus, waarbij oogst en hergroei onderdeel worden van een doorlopend systeem. Hierdoor ontstaat geen landbouwkalender die uitsluitend is gericht op maximale productie, maar een ritme waarin verschillende gewassen elkaar door het jaar en door de jaren heen opvolgen.

Teelt en oogst - Opslag na oogst - Primaire verwerking Verwerking tot bouwmateriaal - Engineering en voorbereiding prefab - Assemblage prefab bouwelement

De eerste stap van de biobased keten verbindt daarmee twee werelden die vaak los van elkaar worden bekeken: de landbouw en de bouw. Wat op De Rietschoof groeit, is niet langer alleen een agrarisch product, maar een toekomstige grondstof. De kwaliteit van het landschap, de manier van telen en oogsten en de eisen vanuit de bouwketen komen hier voor het eerst bij elkaar. De keten begint daarmee letterlijk bij de bodem.

Elke stap heeft zijn eigen voorwaarden en vraagt om een andere manier van organiseren. aan de start ligt de focus op de eerste stap: teelt en oogst. Dit is de plek waar de keten letterlijk begint en waar de verbinding tussen landschap en materiaalproductie wordt gemaakt. De teelt is daarmee meer dan het produceren van een gewas. De manier waarop wordt geteeld, bepaalt mede de kwaliteit van het uiteindelijke materiaal. Het juiste moment van oogsten, de manier waarop het gewas wordt geoogst en de omstandigheden waaronder dit gebeurt, hebben invloed op de verdere verwerking. Tegelijkertijd moet de oogst passen binnen het bodem- en watersysteem van De Rietschoof. De productie van biobased materiaal begint daarom niet bij de fabriek, maar op het land. Voor de verschillende gewassen betekent dit dat ook de oogst onderdeel wordt van het ontwerp. Vlas, hennep, wintertarwe, veldbonen en luzerne hebben ieder een ander groeiseizoen en

110


Teelt en oogst Opslag na oogst Primaire verwerking Verwerking tot bouwmateriaal Engineering en voorbereiding prefab Assemblage prefab bouwelement

111


Alliantie aan de Maas

samenwerking over het water

De houtproductie op De Rietschoof kent een ander tempo dan de vezelteelt. De houtproductie vraagt om een veel langere groeiperiode. De bomen moeten eerst volwassen worden voordat ze geschikt zijn voor toepassing in de houtbouw. De productie op de projectlocatie kan daardoor niet direct volledig voorzien in de benodigde houtstromen.

De lange groeiperiode van bomen wordt zo geen belemmering, maar onderdeel van de ontwikkeling. De alliantie aan de Maas zorgt voor een headstart van de keten, terwijl het landschap ondertussen werkt aan zijn eigen toekomstige grondstofvoorziening. De bomen groeien letterlijk mee met de ontwikkeling van de biobased bouwketen.

Om deze tak van de keten toch vanaf het begin op gang te brengen, wordt gezocht naar een alliantie aan de Maas. Door samen te werken met bestaande houtproducenten en -verwerkers langs de rivier kan de houttoevoer en verwerking al beginnen voordat de bomen op De Rietschoof hun volwassen stadium hebben bereikt. De eigen houtproductie groeit daarmee geleidelijk in de keten, terwijl de keten zelf al vanaf het begin kan functioneren. De ligging aan de Maas maakt deze samenwerking bijzonder geschikt. De rivier vormt een natuurlijke verbinding met het Brabantse achterland en andere delen van Nederland. Hierdoor kan hout vanuit verschillende locaties worden aangevoerd en kan de verwerking op termijn steeds sterker worden verbonden met de productie op De Rietschoof. De Maas wordt daarmee niet alleen onderdeel van het landschap, maar ook van de logistieke structuur van de biobased keten. Zo ontstaat een geleidelijke opbouw van de houtketen. In de eerste jaren wordt gebruikgemaakt van hout uit de omgeving, terwijl de bomen op De Rietschoof groeien. Naarmate deze volwassen worden, neemt hun aandeel in de keten toe. De externe houtstromen verdwijnen daarmee niet noodzakelijk, maar kunnen steeds meer worden aangevuld met hout dat op de projectlocatie zelf is gegroeid.

112


Boven Merwede Waal

Afgedamde Maas Bommelerwaard

Maas

Bergsche Maas

Zuid-Willemsvaart

113


ZAEVEL

H

KLEI

Het verloop en de cyclus van het land binnen de Rietschoof. Wat blijft en wat verdwijnt.

114


EXPORT VLAS

WINTERTARWE & KLAVER

VELDBOON

LUZERNE

1

2

3

4

5

1

2

3

20

21

IMPORT

HENNEP

115


116


117


huidige situatie - vlak en statisch

118


nieuwe situatie - divers en dynamisch

119


huidig

nieuw

In de nieuwe invulling, waarin productie en natuur elkaar afwisselen binnen een groter gradient, ontstaat meer ruimte voor het reliëf van het landschap. De doorsnede laat niet alleen een verschuiving zien tussen private en publieke domeinen, maar ook een ecotone zone met een hoge natuurwaarde. Deze overgangszone vormt een belangrijke schakel tussen de verschillende functies van het landschap.

teelt

privé

120

klompenpad

wilgen

waterbu

pu


uffer

takkenrillen van de wilg

ecotone zone

ubliek

privé

121

teelt


122


123


mens in dienst van land - land in dienst van mens

Een van de mooie elementen aan de boomgaard van opa is de pluk. In de laatste week van augustus of de eerste week van september komt de plukploeg bijeen om de vruchten stuk voor stuk van de bomen te plukken. Het is noodzakelijk werk, maar zo voelt het niet. De boomgaard faciliteert een moment waarop mensen samenkomen, samenwerken, bijpraten en napraten. Er is geen haast en het tempo wordt vooral bepaald door de leeftijd van de mensen en het ritme van het werk. Juist daarin zit iets waardevols. Het laat zien dat leven met het land niet alleen een dwangmatige relatie hoeft te zijn waarin efficiëntie en haast de boventoon voeren. Wanneer het commerciële belang minder dominant wordt, ontstaat ruimte voor andere waarden. Voor plezier, voor ontmoeting en voor de onderlinge relatie. Het werk op het land wordt daarmee niet alleen een middel om iets te produceren, maar ook een moment waarop mensen zich met elkaar en met de plek verbinden. Diezelfde gedachte zie ik voor me in De Rietschoof. Bijvoorbeeld bij het snoeien van de wilgen, waarbij mensen samenkomen om de bomen te onderhouden. De takken krijgen vervolgens een nieuw doel als takkenril. Wat van de boom komt, verlaat het systeem daarmee niet, maar keert terug naar het land en wordt onderdeel van een nieuw ecologisch netwerk. De mens legt dit netwerk aan, maar doet dat in samenwerking met de groeicyclus van de wilg. Zo ontstaat een wederkerige relatie waarin het land niet alleen iets produceert voor de mens, maar waarin de mens ook iets terugbrengt naar het land. Het snoeien, verwerken en vlechten wordt daarmee meer dan noodzakelijk onderhoud. Het wordt een moment van samenkomst en een manier om zichtbaar te maken dat de mens onderdeel is van de cyclus. De takkenril is daar letterlijk het resultaat van: een door mensen gemaakt landschapselement, opgebouwd uit materiaal dat uit het landschap zelf afkomstig is.

124


halverwege november snoeien

halverwege maart klein onderhoud

huis Adriaan en Ria

externe aanlevering materiaal

april spuiten

jaarcyclus

schimmel perenprachtkever perenbladvlo fruitmot vorst

augustus ´plukmaten´ bellen

augustus-september de pluk

Henny (67)- Kerkdriel werkte voor opa in de champignonskwekerij Wim (78) - Oss man van Paula, het zusje van opa Adriaan (85) - Kerkdriel broertje van opa Cor (29) - Velddriel kleinzoon van opa opa (87) Tinus (83) - Kerkdriel broer van oma

eerste lijn

Rudolf (68) - Kerkdriel werkte voor opa in de champignonskwekerij

Nederland

a_Verhoeckx Fruit B.V. (Paul) - Kerkdriel b_Van Kessel (Gerard) - Velddriel Groothandel in groente en fruit

125

tweede lijn derde lijn

familie

vrienden

vierde lijn zakelijk

markt Rosmalen / Drunen

Tonny - Kerkdriel man van Corine, dochter van opa marktkoopman groente en fruit


huidige situatie

126


nieuwe situatie

127


128


129


De bebouwde beleving


Van plant naar prefab

de biobased keten

Na de teelt en oogst verlaat het materiaal het land en begint een volgende fase in de keten. De stappen opslag na oogst, primaire verwerking, verwerking tot bouwmateriaal, engineering en voorbereiding van prefab en assemblage van het prefab bouwelement vinden niet op het land zelf plaats, maar op een centrale opslag- en verwerkingslocatie.

tot isolatie en hout kan worden verwerkt tot constructieve of gevelonderdelen. De eigenschappen van het materiaal bepalen daarbij welke toepassingen mogelijk zijn. De kwaliteit van het gewas dat op De Rietschoof wordt geproduceerd, komt hier samen met de technische kennis van de verwerker.

Deze centrale plek vormt de schakel tussen het landschap en de bouw. De geoogste gewassen worden hier verzameld, opgeslagen en verder verwerkt. Door de verschillende grondstoffen op één locatie samen te brengen, kunnen de verwerkingsstappen efficiënter worden georganiseerd en ontstaat een plek waar kennis, machines en arbeid bij elkaar komen. De afstand tussen productie en verwerking blijft daarbij zo klein mogelijk, terwijl de centrale locatie groot genoeg is om de verschillende processen te kunnen faciliteren. De eerste stap is de opslag na de oogst. Niet ieder gewas kan direct worden verwerkt en vraagt om specifieke omstandigheden om de kwaliteit van het materiaal te behouden. Vanuit de opslag volgt de primaire verwerking, waarbij het geoogste gewas wordt ontdaan van onderdelen die niet nodig zijn en wordt voorbereid voor verdere verwerking. Vezelgewassen worden bijvoorbeeld verwerkt tot vezels die vervolgens kunnen worden ingezet voor isolatiemateriaal. Hout wordt gezaagd en gesorteerd voordat het verder kan worden verwerkt. Daarna volgt de verwerking tot bouwmateriaal. Hier verandert de agrarische grondstof in een product dat daadwerkelijk in de bouw kan worden toegepast. Vezels worden bijvoorbeeld verwerkt

Wanneer de materialen geschikt zijn voor toepassing, verschuift de keten naar engineering en voorbereiding van prefab. De losse materialen worden hier vertaald naar concrete bouwelementen. Er wordt bepaald hoe de onderdelen worden gedimensioneerd, verbonden en samengesteld, zodat ze uiteindelijk op de bouwplaats efficiënt kunnen worden gemonteerd. De laatste stap is de assemblage van het prefab bouwelement. Verschillende onderdelen worden samengevoegd tot een compleet element dat naar de bouwplaats kan worden vervoerd. Daarmee eindigt de centrale verwerkingsketen en begint de toepassing van het materiaal in het gebouw. De centrale opslag- en verwerkingslocatie vormt zo een belangrijk onderdeel van het systeem. Het land levert de grondstoffen, terwijl de centrale locatie deze grondstoffen omzet in toepasbare bouwmaterialen en prefab elementen. De keten wordt hierdoor niet volledig op één plek geconcentreerd, maar bestaat uit een samenwerking tussen landschap, verwerking en bouw. De Maas kan hierin opnieuw een belangrijke verbindende rol spelen door de projectlocatie en de centrale verwerkingslocatie te koppelen aan andere gebieden en grondstofstromen.

132


Teelt en oogst Opslag na oogst Primaire verwerking Verwerking tot bouwmateriaal Engineering en voorbereiding prefab Assemblage prefab bouwelement

133


TEELT

OOGST

BALENPERS

Stroomschema van plant tot prefab waarbij de verschillende stappen van het proces schematisch zijn weergegeven.

TEELT

134

OOGST

DAUWROTING


LOSPLAATS

OPSLAG

DECORTICATIE

TUSSENOPSLAG

MENGZONE

DROGE BALEN

erf

A

Hennep wordt in ongeveer 3 tot 4 maanden geteeld en geoogst zodra de vezels voldoende sterk en lang zijn, meestal vóór de volledige bloei. De stengels worden volledig afgesneden en blijven daarna op het veld liggen om te roten. Tijdens dit proces breken vocht en micro-organismen de pectine af die de vezels met de houtkern verbindt. Dit gebeurt via dauwroting waarbij de geoogste hennep op het veld blijft liggen. Na het roten worden de stengels gedroogd en tot balen geperst voor transport naar de fabriek.

verwerking

W

B

W

NATTE BALEN

W

Bij aankomst worden de balen gelost en opgeslagen in een overdekte, goed geventileerde ruimte, bij voorkeur dicht bij de ingang om intern transport te beperken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen natte en droge balen. De productie start met het openen van de balen, waarna het materiaal via transportbanden – en eventueel een grove shredder – gelijkmatig aan de productielijn wordt toegevoerd. Vervolgens vindt de mechanische scheiding plaats (decorticatie). Het decorticatieproces bestaat uit 6 stappen: het ontrafelen, breken, kammen, afzuigen en scheiden van de hennep. Op het einde van dit proces houden we hoogwaardige hennepvezels, scheven en microvezels over. De scheven gaan door naar verdere verwerking, terwijl de vezels apart worden opgeslagen. De hennepscheven vormen de basis voor hempcrete en gaat in de prefab bouwelementen als isolatie. De lange hennepvezels worden op balen geperst en verkocht als grondstof voor textiel. Vezels van lagere kwaliteit en microvezels vinden hun afzet in de papier en auto-industrie.

OPSLAG BALEN

BALENPERS

In de mengzone worden de hennepscheven verwerkt tot door de toevoeging van kalk, water en additieven. Aan het eind van de mengzone is het product een kalkhennepmix. Dit vormt de isolatie is de prefab bouwelementen.

OPSLAG KALKHENNEPMIX

ASSEMBLAGE PREFAB BOUWELEMENT

OPSLAG HOUT BINNEN

HOUTDROGERIJ

HOUTDROOGSCHUUR

OPSLAG OUTPUT

LOSPLAATS

WATERIJ

135

ZAGERIJ

HOUTDROGERIJ


Agrarische esthetiek

eind 20e eeuw

Zichtbare industrie en werkgerelateerde gebouwen zijn geen unicum in de Bommelerwaard. Sterker nog, in het buitengebied en langs de oude dorpslinten zijn ze eerder de norm. De schuur achter de hoofdwoning aan de straat, de kleine cellen en de kassen: ze zijn allemaal onderdeel van het regionale beeld. De pragmatiek van de streek heeft niet alleen invloed gehad op de agrarische invulling, maar ook op de bebouwing. Die is voortdurend in ontwikkeling en kent daardoor geen vaste vorm. In Kerkdriel is dit bijvoorbeeld goed zichtbaar in de ontwikkeling van de champignonteelt. Wat ooit begon met kleine, particuliere cellen groeide door innovatie uit tot grotere bedrijfsgebouwen, met als huidig beeld enorme cellen die worden gedreven door automatisering en arbeidskrachten uit Oost-Europa. Een vergelijkbare ontwikkeling is zichtbaar in de glastuinbouw en het boerenbedrijf. De schaal en verschijningsvorm veranderen voortdurend, maar één principe blijft herkenbaar: in de eerste lijn staat het woonhuis met een nette tuin, terwijl daarachter de bedrijvigheid plaatsvindt, gericht op efficiëntie. Deze tweedeling heeft een grote invloed op de manier waarop het gebied wordt beleefd. De schaal van de schuren en bedrijfsgebouwen blijft vanaf de straat in veel gevallen grotendeels verborgen. De schuur, hal en stal verschillen in gebruik en schaal, maar wanneer ze naast elkaar worden gezet valt vooral de overeenkomst in vorm op. De cellen en ligboxstallen zijn rechthoekige volumes met een zadeldak. De wanden zijn opgetrokken uit metselwerk en het dak bestaat uit golfplaat. In de kopgevel zit vaak een grote opening waardoor vee, goederen en materieel eenvoudig naar binnen kunnen. De zijgevel is veelal volledig gesloten of juist grotendeels open voor natuurlijke ventilatie. Deze herkenbaarheid zorgt voor eenheid op grote schaal.

Natuurlijk verschillen de gebouwen op detailniveau en in rijkheid, maar ze staan allemaal voor een overkoepelend idee: flexibiliteit in gebruik en opzet. Het ritme van de gebouwen — stramien, kolom, steen, open-dicht, ligger, schroef — vormt daarbij de ontwerptaal. Deze universele vormtaal, ontstaan vanuit een pragmatische benadering, geeft de gebouwen en daarmee de regio een herkenbare eenheid. Door deze verschijningsvorm als uitgangspunt te nemen voor de nieuwe schakels in de keten, ontstaat een evolutie van het bestaande, maar dan in een hedendaagse vorm. Een nieuw elan waarin deze vaak ondergeschikte gebouwen meer waarde krijgen dan alleen het dienen van een functie. Ook het gebruik van de nieuwe gebouwen vloeit voort uit deze herkenbaarheid. De verschillende functies worden ingepast in de efficiëntie, structuur en het ritme die kenmerkend zijn voor bedrijfsgebouwen. De uitstraling volgt daaruit. Waar huidige schuren en hallen vaak nauwelijks laten zien wat er binnen gebeurt, kan dit juist zichtbaar worden gemaakt vanuit de kwaliteiten die de verschillende functies vragen. Zo vraagt opslag om lucht en openheid om natuurlijke ventilatie mogelijk te maken. Verwerking vraagt juist om geslotenheid rond de machinekamers, vanwege het zware gebruik en de installaties die daarbij horen. Assemblage vraagt om licht en ruimte, omdat hier de mens en het handwerk een grotere rol krijgen. De verschillende gebouwen zijn daardoor afzonderlijk afleesbaar, maar functioneren samen als een zorgvuldig afgestemde machine waarin ieder onderdeel is afgestemd op het proces dat er plaatsvindt. Hyper-efficiënt en pragmatisch van binnen, ambachtelijk en zorgvuldig in uitstraling op het erf en binnen het open landschap. Dat principe maakt de evolutie van de ligboxstaltypologie zichtbaar binnen een herkenbaar volume. Het zorgt voor een architectuur die niet losstaat van de bestaande Bommelerwaard, maar daar juist uit voortkomt. Zo wordt de nieuwe industrie niet als een vreemd element aan het landschap toegevoegd, maar als een volgende stap in een bouwtraditie die altijd in beweging is geweest. De gebouwen worden daarmee onderdeel van de transitie van het agrarische landschap én van de nieuwe identiteit die daaruit ontstaat.

136


137


DROGE BALEN

A

W

B

W

NATTE BALEN

W

OPSLAG BALEN

BALENPERS

OPSLAG KALKHENNEPMIX

ASSEMBLAGE PREFAB BOUWELEMENT

OPSLAG HOUT BINNEN

De lijnsoort uit het schema vertelt iets over het functioneren van de ruimte waardoor het gebruik een vormgevende factor is. Het is in lijn met de pragmatische aard van de gebouwen. Een open stippellijn voor natuurlijk geventileerde ruimtes. Een dikke lijn voor ruimtes waarbij de invulling voor overlast kan zorgen. Dichtere stippellijn voor de plekken die enerzijds openheid moeten bieden maar ook gesloten kunnen zijn, hier is mensenwerk.

HOUTDROGERIJ

HOUTDROOGSCHUUR

OPSLAG OUTPUT

LOSPLAATS

138

ZAGERIJ

HOUTDROGERIJ


opslag

machinekamer

assemblagehal

139


typische massa - akkerbouw

140


typische massa - melkveehouderij

141


wonen, werken, leven en beleven

Ook aan de Lange Weistraat zijn de eerste en tweede lijn duidelijk van elkaar afleesbaar. In de eerste lijn staat het woonhuis met de tuin: de plek van wonen, verzorgen en pronken. Daarachter ligt het werkgebied, waar de agrarische productie plaatsvindt. Eerder werd al beschreven hoe deze overgang letterlijk via de tuin en de poort wordt ervaren. De scheiding tussen beide werelden is duidelijk, maar niet hard. Die zachtheid zit onder andere in de architectuur. Het woonhuis en de schuur zijn verschillend in functie en gebruik, maar hebben een vergelijkbare vormentaal. De gebouwen gaan daardoor een dialoog met elkaar aan. De schuur hoort zichtbaar bij het woonhuis en vormt geen losstaand object achter op het erf. De overeenkomst in vormgeving zorgt ervoor dat de overgang van wonen naar werken vanzelfsprekend aanvoelt. Bij de nieuwere, grotere champignoncellen is dat anders. Deze gebouwen zijn voortgekomen uit een andere fase van de agrarische ontwikkeling, waarin intensivering, schaalvergroting en grotere investeringen centraal staan. De gebouwen zijn groter en sterker gericht op efficiëntie en productie. Toch blijft er iets opvallends overeind: de schuur en de nieuwe champignoncellen hebben dezelfde basismassa. Ondanks het verschil in functie, schaal en mate van intensivering blijven ze herkenbaar als onderdelen van dezelfde agrarische bouwtraditie. De nieuwere cellen vervreemden hierdoor niet volledig van het bestaande erf. De vorm en massa zorgen voor continuïteit, terwijl de grotere schaal en andere detaillering de ontwikkeling door de tijd heen zichtbaar maken. Een afwijkende hoofdvorm had dit kunnen doorbreken. Wanneer de nieuwe champignoncellen bijvoorbeeld een geheel andere massa of een plat dak zouden hebben gekregen, zou het contrast met de bestaande schuur veel groter zijn geworden. Juist het vasthouden aan dezelfde basismassa maakt de verandering voorstelbaar als een volgende stap in plaats van een breuk.

142


143


werken

wonen

144


werken

wonen

145


typische massa - champignonsteelt - eerste en tweede lijn in dialoog

146


typische massa - champinonsteelt - eerste en tweede lijn in ontkenning

147


de keten in praktijk


De verwerking

het product

De opslag- en verwerkingslocatie strijkt neer aan het einde van het dorpslint. Uit de ontwikkeling van de Bommelerwaard blijkt dat werkgerelateerde gebouwen op deze plek geen ongewoon verschijnsel zijn. Schuren, hallen, kassen en andere bedrijfsgebouwen zijn van oudsher onderdeel van de overgang tussen dorp en buitengebied. De nieuwe locatie sluit daarmee aan op een bestaande ontwikkeling, maar vraagt tegelijkertijd om een zorgvuldige inpassing.

verwerkingsruimten daarachter in de tweede lijn worden georganiseerd. Zo ontstaat een overgang van dorp naar werk en vervolgens naar landschap, waarbij de nieuwe locatie zich voegt naar de bestaande structuur van de Bommelerwaard in plaats van deze te ontkennen.

Als architect ligt hier de verantwoordelijkheid om de nieuwe bebouwing niet als een losstaand object in het landschap te plaatsen, maar onderdeel te laten worden van het dorpslint. Juist aan de randen van de dorpen is dit belangrijk. Een zorgvuldige schaal en positionering kunnen voorkomen dat het landschap verdoost en dat verschillende dorpen langzaam in elkaar overvloeien. Wanneer bedrijfsbebouwing zich zonder duidelijke begrenzing tussen de dorpen verspreidt, vervaagt de identiteit van zowel het dorp als het omliggende landschap. De ligging aan de Maas biedt daarnaast een praktische aanleiding voor deze plek. De rivier maakt de aanvoer van hout mogelijk en vormt daarmee een directe verbinding met andere houtproducenten en verwerkers in het achterland en de rest van Nederland. De locatie is hierdoor niet alleen ruimtelijk verbonden met het dorpslint, maar ook onderdeel van de bredere biobased keten. De vormgeving bouwt voort op de principes die kenmerkend zijn voor de Bommelerwaard. De schaal en massa sluiten aan bij de bestaande bedrijfsbebouwing, zonder deze letterlijk te kopiëren. Ook de eerder beschreven verhouding tussen de eerste en tweede lijn wordt doorgezet. De bebouwing aan de straatzijde vormt een herkenbare voorkant, terwijl de grotere opslag- en

150


151


huidige situatie

152


153


De bestaande ligboxstallen voren de start. Van nature bezitten deze gebouwen de kwaliteiten om natuurlijk te ventileren wat ze geschikt maakt voor de opslag van de balen hennep en vlas. De opslagcapaciteit van deze schuren vormen de basis waarop de rest van de schakels zijn gebaseerd. Hiermee worden de bestaande gebouwen op hergebruikt zonder te veel aan de situatie te tornen.

154


DROGE BALEN

NATTE BALEN

155


Aansluitend op de opslag van de vezels is het decorticatie. Bij deze machinale handeling worden de houtachtige kern en lange vezels van de gewassen gescheiden van elkaar.

156


DROGE BALEN

NATTE BALEN

157


Het verwerkte materiaal kan direct worden doorgevoerd naar de assemblagehal welke het centrum van de verwerkingslijn vormt. Deze gebouwen staan met de kopgeven naar de straat volgens Bommelerwaards principes. De driedeling, welke één grote ruimte vormt, verschaalt het onderdeel en versterkt het voorkomen van de typische massa.

158


DROGE BALEN

NATTE BALEN

159


Aan de overzijde is de houtzagerij welke verbonden is aan de overslagplaats aan de Maas. Deze verbinding maakt dat de zagerij al kan opereren voordat de regio zelf een werkende aanvoer van hout heeft. De voortzetting is passend in schaal en massa van het bestaande lint.

160


DROGE BALEN

NATTE BALEN

161


Vanuit de zagerij worden de houten elementen verplaatst naar de opslag welke verbonden is aan de assemblagehal. De opslag vergt een groot oppervlak en is daarmee van een schaal welke beter aansluit op het erf van de verwerkingslijn. De opslag biedt ruimtes om natuurlijk te drogen maar ook afgesloten.

162


HOUTDROGERIJ DROGE BALEN

HOUTDROGERIJ

HOUTDROOGSCHUUR

NATTE BALEN OPSLAG OUTPUT

163


Het coöperatiehuis en de tekenkamer nemen intrek in de eerste lijn waarmee de voor de Bommelerwaard typische sequentie herkenbaar is. Het is een voortzetting in maat en schaal vergelijkbaar met het dorpslint.

164


HOUTDROGERIJ DROGE BALEN

HOUTDROGERIJ

HOUTDROOGSCHUUR

NATTE BALEN OPSLAG OUTPUT

165


Tot slot maken woningen de verbinding tussen het bestaande lint en de nieuwe functies. Het vormt een opmaat is maat en schaal en werkt daarmee als bemiddelaar tussen het verleden en de toekomst. In massa zijn de gebouwen herkenbaar maar nu zijn de huizen niet van baksteen maar materialen uit de regio.

166


HOUTDROGERIJ DROGE BALEN

HOUTDROGERIJ

HOUTDROOGSCHUUR

NATTE BALEN OPSLAG OUTPUT

167


Waar in het verleden de schaalvergroting ervoor heeft gezorgd dat de het woon en werken verloochend met elkaar leefde is die spanning bij de nieuwe invulling verdwenen. De harde scheiding tussen de lijnen is diffuus gemaakt en aaneengerijgd met het positioneren van gebouwen welke de zichtlijnen verbinden en een natuurlijke begeleiding van hagen en lanen.

168


169


170


171


wonen & werken leven & beleven


De woningen vormen de eerste kennismaking van de nieuwe ontwikkeling. Herkenbaar in vorm maar vernieuwend in materiaalgebruik, het is een plek om te tonen wat er gemaakt kan worden met de materialen uit de regio. Ook hier kan het leven intrek nemen en de patronen van het dorpse leven intrek nemen. In de verte is de opslag te zien. Waar deze voorheen werd verstopt in de tweede lijn is het nu onderdeel van het bebouwd ensemble en niet langer verzwegen.

174


175


Een stukje verder in de straat is de inrit naar het werkterrein. Links is de coöperatiewoning te zien in een voortzetting van de kleine schaal. Ook hier wordt het arbeid niet geschuwd maar gevierd door het niet te verhullen. Aan het eind van de inrit is de assemblagehal te zien waardoor er een goed contact blijft met wat er gaande is door alle lijnen van het erf heen. De begeleiding naar binnen komt door de laanbomen, elders staat een eik te pronken.

176


177


Binnen in de coöperatiewoning gaat het dagelijks leven door maar de ruimte is anders. Het is een plek geworden om te tonen hoe de materialen ook binnen gebruikt kunnen worden.

178


179


Het werkerf, omsloten door de gebouwen voelt anders. Hier is werk de orde van de dag. De esthetiek van de gebouwen wordt ook zichtbaar. De sandwichpanelen hebben plaats gemaakt voor een ritmische houten structuur. Door de openingen lopen de lijnen diffuus door elkaar.

180


181


De assemblagehal is een plek waar mensen werken. Laat het dan ook een plek zijn waar mensen prettig werken. Het is een schakel die het werkerf en achterland met elkaar op visuele wijze aan elkaar bindt. De esthetiek van de houten constructie komt hier ook tot zijn recht, er wordt mee gepronkt.

182


183


De laatste lijnt toont het landen van de gebouwen in het landschap waar het door zijn ritmiek in de gevel een rustige positie inneemt. Door deze verfijning in de gevel is het niet langer afleesbaar als pragmatisch gebouw in gebruik en vormgeving. Er is verantwoordelijkheid genomen in het serieus nemen van de opgave en wat dat kan zijn. Met materialen uit eigen regio.

184


185


landrelatie


mens - mens - land - land

De landrelatie is een bijzondere relatie. Het schommelt tussen pragmatische beslissingen vanuit een economisch perspectief enerzijds en anderzijds de poëtische relatie. Het is werken met het hoofd en hart. Dat wil niet zeggen dat de een boven de ander staat, er zijn slechts andere belangen. En iedereen kan vanuit zijn of haar eigen betrokkenheid hier een invulling aan geven. Wat ik hiermee wil zeggen en waar ik gedurende dit project voor mijzelf achter ben gekomen is dat je niet de bewerker van de bodem hoeft te zijn om verantwoording te nemen. Opa deed dit heel bewust en tastbaar en ik, als architect, kan daarover denken en praten, mijn verbeeldingskracht laten opereren en daarmee inspireren om mijn steentje bij te dragen over hetgeen ik heb achtergelaten, de Bommelerwaard.

188


189


1995. Opa stop met het kweken van champignons. Door de concurrentie uit het buitenland is de opbrengst dermate gekelderd dat het de inspanning niet waard is. De cellen worden gesloopt en maken plek voor een perenboomgaard. De soort is Triomphe de Vienne, een oud Frans handperenras. De appelbomen achter de kwekerij worden gerooid, hier komen ook peren, de Conference. Peren brengen eenmaal meer op dan appels.

190


191


2008. Vanwege ouderdom is het onderhouden en plukken van de appels in combinatie met de aardbeien is niet meer vol te houden. Een deel van de appelboomgaard wordt gerooid. De leegte wordt grasland.

192


193


2018. Vanwege dezelfde rede als tien jaar eerder maakt ook de rest van de appelboomgaard ruimte voor grasland.

194


195


2023. Perenvuur, een erg besmettelijke ziekte voor perenbomen, overheerst de Triomphe. Om verdere verspreiding tegen te gaan maakt ook deze boomgaard plek voor grasland. Hiermee verdwijnt er een oud ras peren. Een deel van de grond waar de boomgaard staat achter de kwekerij is verkocht. De huidige eigenaar heeft de bomen gerooid voor brandhout.

196


197


juli 2026 Het huis aan de Lange Weistraat 18 is verkocht en opa is verhuisd naar een verzorgingstehuis. Ook de boomgaard is verkocht. Dit jaar zal de laatste pluk worden.

198


199


200


201


dankwoord


204


Met het afronden van mijn afstuderen komt een mooie en intensieve periode tot een einde. Dit had ik niet alleen kunnen volbrengen. Daarom wil ik een aantal mensen bedanken. Allereerst mijn commissie. Floris, Lieke en Raoul; bedankt voor de inspirerende gesprekken, waarin optimisme altijd de boventoon voerde, maar ook scherpte en een oprechte bereidheid om het beste uit dit project te halen. Daarnaast externe adviseurs en vakgenoten voor hun kennis, betrokkenheid en waardevolle feedback vanuit ieders eigen expertise: Chris Burghouts Dirk Sijmons – HNS Landschapsarchitecten Gert van Oort Henne Ticheler – Waterschap Rivierenland Marije Klever – BoerenNatuur Nederland Paul Kersten Sanne Dijkstra Willie Vogel – Studio Inscape Ook wil ik mijn familie en vrienden bedanken voor hun steun, vertrouwen en aanmoediging gedurende het hele traject. Tot slot heb ik veel steun gehad aan mijn studiegenoten van de academie, waar ik erg dankbaar voor ben. In het bijzonder wil ik voor dit afstudeerproject Dominique van der Heijden en Lisa Peters bedanken voor het bieden van een luisterend oor, de goede gesprekken en de momenten waarop er samen even afstand kon worden genomen van het project. Iedereen die op welke manier dan ook heeft bijgedragen aan dit afstudeertraject: ontzettend bedankt.

205


tot slot Soms is de meest radicale architectuur precies díe architectuur die niet roept: “kijk mij!”, maar fluistert: “ik zorg dat het werkt”.

- Abdessamed Azarfane


Mét Boerenverstand het boeren en beleven van de biobased keten in de Bommelerwaard Jeroen Piels Master Architectuur Academie van Bouwkunst Amsterdam Copyright ©2026: Jeroen Piels


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook