Afstudeerproject
Back to the Roots Jeroen de Rooij
Academie van Bouwkunst 2026
Foto voorpagina:
Meekrap wortel
Afstudeerproject Academie van Bouwkunst Amsterdam 2026 Jeroen de Rooij Commissie Marlies Boterman Ad Kil Ricky Rijkenberg
Inhoud
Proloog
12
Samenvatting
14
Onderzoek Bioregionalisme
17
Bergen op zoom
22
Historische verbinding met het landschap
28
Veldonderzoek
44
Deskundigen
77
Materiaalstudies
82
Landschappelijke urgentiie
94
Ontwerp Steilrand
128
Markiezaatsmeer
158
Oesterdam
194
Nawoord
224
Dankwoord
226
5
6
7
8
9
10
11
Proloog De fascinatie voor het onderwerp van dit project ligt bij een documentaire die ik ooit heb gezien voor een landschapsproject op de Academie van Bouwkunst, genaamd The Biggest Little Farm. In deze documentaire koopt een echtpaar—een filmmaker en een chef—een verwaarloosde boerderij om daar een nieuw landbouwsysteem te beginnen. Hierbij kijken ze niet naar de hedendaagse vorm van intensieve landbouw, maar juist naar hoe ze een zelfregulerend ecosysteem kunnen creëren. Daarbij onderzoeken ze wat er van nature lokaal groeit en waar het land behoefte aan heeft. Door de jaren heen proberen ze een balans te vinden waarin mens en natuur in harmonie samenleven, waarbij de mens gebruikmaakt van de natuur zonder deze te schaden. In de film wordt zichtbaar hoe het landschap zich geleidelijk ontwikkelt en verandert ten opzichte van de situatie waarin zij het land hebben aangekocht. Ik was onder de indruk van dit verhaal en ervan overtuigd dat dit niet alleen geldt voor landbouw, maar voor alle processen die wij als mens hebben ontworpen, waaronder ook architectuur. Tegenwoordig zijn we in de architectuur vaak de verbinding met het landschap en wat het te bieden heeft verloren. We zouden veel meer lokaal moeten kijken naar wat een landschap kan bieden voor architectuur, maar ook andersom: hoe architectuur kan bijdragen aan het landschap. In dit onderzoek ga ik op zoek naar hoe we opnieuw de verbinding kunnen aangaan met het landschap om ons heen, en vooral de relatie tussen landschap en architectuur kunnen herstellen. Dit doe ik door letterlijk en figuurlijk terug te gaan naar mijn roots: de meekrapteelt voor rode kleurstof in de bioregio rondom mijn geboorteplaats Bergen op Zoom.
12
13
Samenvatting Dit afstudeerproject onderzoekt de relatie tussen architectuur en landschap via het gebruik van lokale materialen. Centraal staat de vraag hoe architectuur opnieuw verbonden kan worden met haar omgeving door gebruik te maken van grondstoffen, ecologie en ambachten die voortkomen uit het landschap zelf. De fascinatie voor deze relatie ontstond vanuit het begrip bioregionalisme: een ecologisch en cultureel denkkader waarin menselijke samenlevingen zich ontwikkelen in harmonie met de natuurlijke kenmerken van hun bioregio. Binnen het bioregionalisme vormen niet politieke grenzen, maar ecologische systemen zoals bodem, water, klimaat, flora en fauna het uitgangspunt voor hoe we leven, bouwen en produceren. De bioregio van Bergen op Zoom vormt het onderzoeksgebied van dit project. Naast een persoonlijke verbondenheid met deze plek, is Bergen op Zoom landschappelijk bijzonder doordat hier twee contrasterende landschappen samenkomen: de hoger gelegen zandgronden van de Brabantse Wal en het natte zeekleigebied van de Oosterschelde. De overgang tussen deze landschappen creëert een unieke combinatie van ecosystemen, met ieder hun eigen materialen, vegetatie en ecologische eigenschappen. Het onderzoek begon bij twee historische gewassen: meekrap en wede. Deze planten laten zien hoe sterk de stad vroeger verbonden was met haar landschap. Meekrap, geteeld op de kleigronden, werd gebruikt voor het maken van rode kleurstof, terwijl wede, afkomstig van de zandgronden, diende als bron voor blauwe pigmenten. Door onderzoek te doen naar deze planten, de bijbehorende ambachten en hun relatie tot het landschap, ontstond een eerste inzicht in hoe lokale materialen en cultuur historisch met elkaar verweven waren. Vanuit deze historische context volgde een uitgebreid veldonderzoek. Door de landschappen fysiek te verkennen, werd gezocht naar materialen en grondstoffen die vandaag de dag nog aanwezig zijn in de omgeving. Tijdens dit onderzoek werd duidelijk dat zich naast de twee oorspronkelijke landschappen inmiddels een derde landschap heeft gevormd. Door de aanleg van de Deltawerken, en specifiek de Oesterdam, is een nieuw moeraslandschap ontstaan tussen de Oosterschelde en de Brabantse Wal. Dit tussengebied vormt een hybride ecologie waarin zout en zoet, nat en droog, natuur en infrastructuur samenkomen.
14
Met de kennis uit historische ambachten en het veldonderzoek zijn gesprekken gevoerd met experts op het gebied van materiaalonderzoek, kunst, landbouw en ecologie. Tegelijkertijd zijn materiaalexperimenten uitgevoerd om te onderzoeken hoe de gevonden grondstoffen toegepast kunnen worden binnen de architectuur. Deze studies richtten zich niet alleen op de esthetische of constructieve eigenschappen van materialen, maar ook op hun ecologische betekenis en herkomst. De resultaten van het onderzoek hebben geleid tot drie architectonische ontwerpen: één voor elk landschap. Elk ontwerp maakt gebruik van materialen die specifiek verbonden zijn aan de plek waarin het zich bevindt. De ontwerpen versterken de ervaring van het landschap en laten zien hoe lokale grondstoffen en ecologie samen kunnen leiden tot een nieuwe architectonische identiteit. Zo reageert de architectuur niet alleen op de beleving van het landschap, maar speelt zij ook in op de ecologische behoeften van de plek.
15
16
Bioregionalisme “ Bioregionalisme is een ecologisch en cultureel denkkader dat stelt dat menselijke samenlevingen zich idealiter organiseren en ontwikkelen in harmonie met de natuurlijke kenmerken van hun bioregio — een geografisch gebied dat wordt bepaald door ecologische grenzen (zoals stroomgebieden, bodem, klimaat, flora en fauna) in plaats van door politieke of administratieve grenzen.”
“is about taking the time to learn about the local possibilitys” / BC materials
17
Bioregionalisme en Architectuur Bioregionalisme en architectuur zijn nauw met elkaar verbonden doordat beide vertrekken vanuit de relatie tussen mens, landschap en leefomgeving. Waar bioregionalisme een manier van denken is die uitgaat van de unieke eigenschappen van een regio - zoals bodem, water, klimaat, ecologie, cultuur en beschikbare materialen - vertaalt architectuur deze eigenschappen naar ruimtelijke en materiële ingrepen. Architectuur wordt daarmee niet alleen een object in het landschap, maar een voortzetting van het landschap zelf. Binnen het bioregionalisme staat de vraag centraal hoe menselijke activiteiten opnieuw ingebed kunnen worden in natuurlijke systemen. Architectuur speelt hierin een belangrijke rol, omdat gebouwen direct invloed hebben op grondstoffenstromen, energiegebruik, waterhuishouding en ecosystemen. Een bioregionale architectuur probeert daarom niet universeel of overal toepasbaar te zijn, maar juist specifiek en plaatsgebonden. Het ontwerp ontstaat vanuit de eigenschappen van een bepaalde regio: de richting van de wind, het ritme van seizoenen, lokale ambachten, aanwezige vegetatie en beschikbare materialen. Historisch gezien was architectuur vaak vanzelfsprekend bioregionaal. Gebouwen werden gemaakt met materialen uit de directe omgeving - hout uit lokale bossen, klei uit nabijgelegen gronden, natuursteen uit regionale groeves - en aangepast aan het lokale klimaat. Door industrialisatie en globalisering is deze relatie grotendeels verdwenen. Materialen en bouwmethoden werden gestandaardiseerd en onafhankelijk van plaats toegepast. Hierdoor ontstond een architectuur die op veel plekken hetzelfde kan zijn, maar vaak losstaat van haar ecologische en culturele context. Bioregionalisme biedt een alternatief voor deze ontkoppeling. In de architectuur betekent dit een herwaardering van lokale grondstoffen, circulaire materiaalstromen en regionale kennis. Materialen krijgen opnieuw een directe relatie met het landschap waaruit ze voortkomen. Een gebouw van zeeklei, schelpenkalk of lokaal hout vertelt iets over de omgeving waarin het staat. Architectuur wordt zo een vorm van ecologische en culturele expressie. Daarnaast richt bioregionale architectuur zich niet alleen op het gebouw zelf, maar ook op de systemen waarvan het deel uitmaakt. Wateropvang, voedselproductie, biodiversiteit en energievoorziening worden geïntegreerd in het ontwerp. Een gebouw functioneert niet langer als een afgesloten object, maar als onderdeel van een groter ecosysteem. Hierdoor verschuift de rol van de architect: niet alleen vormgever van ruimte, maar ook bemiddelaar tussen menselijke behoeften en natuurlijke processen.
18
Bioregionalisme heeft ook een sociale dimensie. Architectuur kan plekken creëren waar mensen opnieuw verbonden raken met hun omgeving en met lokale gemeenschappen. Door het gebruik van regionale materialen en ambachten ontstaat kennisuitwisseling tussen ontwerpers, makers, boeren, ecologen en bewoners. Architectuur wordt daarmee een collectief proces dat regionale identiteit versterkt. In een tijd van klimaatverandering, uitputting van grondstoffen en verlies van biodiversiteit biedt bioregionalisme een manier om architectuur opnieuw te verankeren in de draagkracht van het landschap. Het stelt niet de vraag hoe een gebouw overal gebouwd kan worden, maar hoe een gebouw specifiek uit een plek kan voortkomen. Daarmee wordt architectuur niet alleen duurzamer, maar ook betekenisvoller en meer verbonden met de ecologische werkelijkheid waarvan zij onderdeel is. Belangrijke principes: Ecologische afbakening Regio’s worden bepaald door natuurlijke systemen (bijv. een rivierbekken), niet door staten of provincies. Plaatsgebondenheid (sense of place) Cultuur, architectuur, voedsel en economie komen voort uit lokale landschappen en materialen. Zelfvoorziening en lokale economie Streven naar regionale kringlopen van voedsel, energie en grondstoffen. Ecologische verantwoordelijkheid Mensen zien zichzelf als bewoners van een ecosysteem en dragen zorg voor land, water en biodiversiteit. Culturele identiteit gekoppeld aan landschap Tradities en kennis zijn verbonden met lokale ecologie.
19
20
21
Bioregio van Bergen op Zoom Bergen op Zoom ligt op de Brabantse Wal, een bijzonder geologisch landschap in het westen van Noord-Brabant, waar de provincie grenst aan Zeeland en Vlaanderen (België). ‘Waar Brabant Zeeland kust.’ Dit gebied staat bekend om de steilrand, een opvallende overgang tussen de hoger gelegen zandgronden en de lager gelegen zeekleipolders. Deze steilrand, die ook wel “hoge rand” of “zoom” wordt genoemd, heeft een belangrijke rol gespeeld in de naamgeving van de stad. “Bergen” verwijst naar de heuvels en de helling van de zandrug waarop Bergen op Zoom is gebouwd, terwijl “Zoom” later werd toegevoegd als verwijzing naar de rand van het veengebied tussen Bergen op Zoom, Wouw en Roosendaal. De oud-archivaris Willem van Ham verklaarde de naam als: “heuvelachtig terrein aan de rand van natte gronden.” De steilrand van de Brabantse Wal is een aardkundig monument dat zich uitstrekt over ongeveer 25 kilometer, van Ossendrecht en Hoogerheide via Woensdrecht en Bergen op Zoom, door Halsteren, tot aan Steenbergen. De steilrand bereikt een maximale hoogte van 21 meter boven NAP en slingert door het landschap als een natuurlijke grens tussen de hogere zandgronden in het oosten en de lagere polders in het westen. Deze hoogteverschillen zijn ook zichtbaar in Bergen op Zoom, waar de binnenstad gebouwd is op twee oude zandheuvels, wat het hoogteverschil in de stad verklaart. Het ontstaan van de steilrand is het resultaat van duizenden jaren aan geologische processen. In het Laat-Pleistoceen, ongeveer 100.000 tot 11.700 jaar geleden, stroomde de Schelde nog langs de voet van wat nu de Brabantse Wal is. In deze tijd was het landschap een koud, droog gebied, waar poolwinden vrij spel hadden. De Schelde was in deze periode een sterk meanderende rivier die door haar kracht zand en klei afschuurde van de hoge zandgronden. Dit erosieproces duurde duizenden jaren, waardoor de steile wand, die we nu als de steilrand kennen, werd gevormd. Gedurende deze tijd ontstonden ook rivierduinen, waarbij de wind grote hoeveelheden zand over de steilrand heen blies. Hierdoor ontstonden zandverstuivingen op de hoger gelegen Brabantse Wal. In de loop van het Holoceen, het huidige geologische tijdvak dat ongeveer 11.700 jaar geleden begon, kreeg de zeespiegelstijging invloed op het landschap. De Noordzee drong het gebied binnen en zorgde voor afzettingen van klei en zand, die zich over de lager gelegen delen van de Brabantse Wal verspreidden. Dit zorgde voor een complex landschap, waarin hoog en droog zandgebied overgaat in laag en nat kleigebied. De overgang van zand naar klei, van droog naar nat, zorgt voor een grote verscheidenheid aan vegetatie en fauna.
22
Ligging Bergen op Zoom Kaart van Nederland
23
Het unieke karakter van de Brabantse Wal, met de steilrand als opvallend element, maakt het landschap waardevol. Dit is niet alleen zichtbaar in de geologie, maar ook in de cultuurhistorie van het gebied. Oorlogen, overstromingen en inpolderingen hebben hun sporen nagelaten in het landschap en getuigen van de lange geschiedenis van menselijke bewoning en aanpassing aan de natuurlijke omstandigheden. Het gebied is tegenwoordig beschermd als Natura 2000-gebied en heeft sinds 2024 de status van UNESCO Global Geopark Schelde Delta, vanwege de bijzondere geologische en ecologische waarden. De steilrand vormt ook een natuurlijke grens tussen twee zeer verschillende landschappen. Aan de oostkant van de Wal liggen de hoge zandgronden, bedekt met bossen, heide, vennen en akkers. Dit gebied is relatief droog en voedselarm, maar herbergt bijzondere natuurwaarden. Aan de westkant liggen de lager gelegen polders, doorkruist door oude dijken en kreken. Hier is het landschap juist nat en vruchtbaar, met kleigronden die geschikt zijn voor landbouw. Deze scherpe overgang van hoog naar laag, van zand naar klei, en van droog naar nat, maakt de Brabantse Wal tot een uniek en divers landschap in Nederland.
Oos
tersc
held
< 74 0 >150 0 / 6300 0 AD BC
e
Paleo-Scheldedal > 7400 / 6300 BC
Bergen op Zoom
0/10
00 A
D
elde
al
ntsew
Braba
We ster sch 0
<8
Antwerpen
0
Onstaan Schelde delta en Brabantse wal
24
5 km
20 km
gezicht op Bergen op Zoom vanaf de Oesterdam
de steilrand van de Brabantse wal gezien vanuit de polder
25
Een nieuw landschap Het Markiezaatsmeer is een relatief jong landschap dat direct voortkomt uit de grote ingrepen van de Deltawerken en de aanleg van de Oesterdam. Waar dit gebied vroeger nog open stond met de Oosterschelde en onder invloed was van getijden, is het in korte tijd veranderd in een afgesloten zoetwatermeer met een heel eigen ecologie. Tot aan de tweede helft van de 20e eeuw maakte het Markiezaatsgebied deel uit van een dynamisch getijdenlandschap. Eb en vloed bepaalden hier dagelijks de vorm van het landschap: slikplaten kwamen droog te liggen, werden weer overspoeld en verschoven voortdurend. Het was een gebied waarin water, zout en sediment constant in beweging waren. Deze dynamiek was niet alleen ecologisch belangrijk, maar ook bepalend voor het gebruik en de beleving van het landschap. Met de aanleg van de Deltawerken, na de watersnoodramp van 1953, werd het Nederlandse kustsysteem op grote schaal aangepast om het land beter te beschermen tegen overstromingen. Binnen dit systeem werd ook de Oosterschelde gedeeltelijk afgesloten. De aanleg van de Oesterdam in 1986 vormde daarin een belangrijk moment: deze dam sloot het Markiezaatsgebied definitief af van de getijdenwerking. Vanaf dat moment veranderde het gebied ingrijpend. Het voormalige getijdengebied verloor zijn dynamiek en vulde zich met zoet water, waardoor het Markiezaatsmeer ontstond. Wat eerst een open, zoute en steeds veranderende kustzone was, werd een geïsoleerd waterlichaam met een veel stabieler karakter. Dit had grote gevolgen voor de ecologie: sommige soorten verdwenen, terwijl andere zich juist vestigden in het nieuwe zoetwatermilieu. Tegelijkertijd begon het landschap zich opnieuw te vormen, maar nu zonder de dagelijkse invloed van eb en vloed. In plaats van een open systeem werd het een meer gesloten landschap, waarin natuurlijke processen zich op een andere manier ontwikkelden. Het Markiezaatsmeer is daarmee geen natuurlijk meer in klassieke zin, maar een door mensen gemaakt landschap dat wel door natuurlijke processen verder wordt gevormd. Vanuit een hedendaags perspectief is het Markiezaatsmeer interessant omdat het laat zien hoe sterk menselijke ingrepen het landschap kunnen transformeren. De overgang van getijdengebied naar afgesloten meer is niet alleen een technische ingreep geweest, maar ook een ecologische en ruimtelijke verschuiving. Het gebied vormt daarmee een voorbeeld van hoe infrastructuur en landschap in Nederland onlosmakelijk met elkaar verweven zijn geraakt.
26
de Oesterdam voltooid in 1989 links Markiezaatsmeer, rechts Oosterschelde
27
Historische verbinding met het landschap De stad Bergen op Zoom heeft zich historisch sterk ontwikkeld in relatie tot het landschap eromheen. Vóór de industrialisatie was de stad niet los te zien van de directe omgeving: wat er werd verbouwd, verwerkt en verhandeld kwam letterlijk uit de bodem van de regio. Twee belangrijke gewassen hierin waren meekrap en wede, planten die niet voor voedsel werden gebruikt, maar voor het maken van kleurstoffen. De ligging van Bergen op Zoom, tussen de natte kleigebieden van Zeeland en de zandgronden van Brabant, maakte het gebied geschikt voor verschillende vormen van landbouw. Op de zwaardere, kalkrijke klei werd meekrap geteeld, een plant waarvan de wortel een rode kleurstof opleverde. Op de lichtere zandgronden groeide juist wede goed, dat werd gebruikt voor blauwe pigmenten. Zo ontstond er eigenlijk een soort landschappelijke specialisatie, waarbij verschillende delen van de regio hun eigen bijdrage leverden aan een groter productiesysteem. Vanaf de late middeleeuwen groeide Bergen op Zoom uit tot een belangrijke handelsstad. De stad lag op een strategische plek en fungeerde als schakel tussen het achterland en de internationale handel. Meekrap en wede werden geoogst in de omgeving en vervolgens in of rond de stad verwerkt tot pigmenten. Die pigmenten werden daarna weer gebruikt in de textielindustrie en schilderkunst, waardoor de stad indirect verbonden was met een veel groter economisch netwerk. Wat interessant is, is dat deze producten echt uit het landschap voortkwamen. De bodem, het waterpeil en het klimaat bepaalden of de teelt goed lukte. Daarmee was er een directe relatie tussen ecologie en economie. Het landschap was niet alleen achtergrond, maar eigenlijk een actief onderdeel van het hele productieproces. Met de komst van synthetische kleurstoffen in de 19e eeuw verdween deze manier van produceren langzaam. De verbinding tussen plaats, materiaal en productie werd steeds zwakker en de regionale teelt van meekrap en wede verloor zijn betekenis. Daarmee verdween ook een stukje van de directe relatie tussen stad en landschap. Terugkijkend laat deze geschiedenis zien hoe sterk Bergen op Zoom ooit verweven was met zijn omgeving. Het is interessant om te zien hoe materialen letterlijk uit het landschap kwamen en hoe dat de identiteit en economie van de stad bepaalde. Voor een bioregionale manier van denken is dat eigenlijk een belangrijke referentie: het laat zien hoe een regio zelf materialen, economie en cultuur kan voortbrengen.
28
De blauwe hand Sporen van het verleden in de stad, wolververs verfden hier de lakens met lokale verfplanten
29
Meekrap Introductie De latijnse naam voor de meekrap is: Rubia Tinctorum. Dit laatste betekend dat delen van de plant gebruikt kunnen worden om te verven. De meekrap is ook bekend vanwege de eigenschap rode kleurstof te maken om mee te verven. Het plantje wordt zo’n 60-100cm en ligt slap op de grond. Wel kan de plant zich aan andere planten vastklampen en oprichten doormiddel van opgerichte stekeltjes die ook wel krapjes worden genoemd. De plant krijgt kleine wit-gele stervormige bloemen en zijn opvallend talrijk. Het zaad werd in Nederland meestal niet rijp, maar krijgt wel veel stekjes die gebruikt kunnen worden voor een nieuwe plant. Maar de plant is bovenal bekend om zijn wortels. De plant krijgt vrij dikke en talrijke wortels. De wortels worden 50-100cm en bevatten de rode kleurstof die gebruikt wordt voor het verven. Gebruik Tot de jaren 70 van de 19e eeuwe werd voor het rood verven van textiel en leer vooral gebruik gemaakt van meekrap. Nog steeds zie je aan de rode boerenzakdoek en de baaien hemden en rokken die oorspronkelijk hun rode kleur aan de meekrap hebben te danken. Dit gebeurde niet alleen in Nederland maar ook elders. Zo komt het terug gin de Franse Kepi’s, Engelse Red coats en gebruikte de Egyptenaren het bij het mumificeren van belangrijke personen. Het werd niet alleen gebuikt voor het kleuren van stoffen maar ook voor schilderwerk. Zo was de rode pigment erg populair onders kunstschilders en werd het daarnaast ook gebruikt voor het schilderen van plafonds, kasten en deuren. Een bekendere plek waar je de kleur van de meekrap kan terug zien is in de Nederlandse vlag. Oospronkelijk was de prinsenvlag een oranje-wit-blauw vlag, waarvan de oranje kleur een combinatie was van het rode pigment van de meekrap en het gele pigment van curcuma wortel of wouw. Alleen was het gele pigment minder lichtecht waardoor het verbleekte over tijd en de rode kleur van de meekrap overbleef. Voor de blauwe kleur van de Nederlandse vlag werd oorsponkelijk bladeren van de Wede gemaakt, die ook veel werd verbouwt in Brabant en Bergen op Zoom. Ook werd vroeger meekrap medicinaal gebruikt en gaat dit ver terug tot in de oudheid. Wanneer de meekrap inwendig gebruikt werd kleurde dit de urine rood, waarin een bloedafdrijvende werking gezien werd. De zestiende eeuwse arts en plantkundige Dodenus prees de meekrap voor zijn geneeskrachtige werking voor botbreuken, wonden en zweren. De bladeren van de meekrap werden ook aan de koeien gegeven wat de melk een rode kleur gaf. Als de koeien ook de wortels te eten kregen werden de botten ook rood. Dat gegeven bracht de Franse natuurkundige Duhamel op het idee de kalk het pigement van de meekrap bindt en dat een voorbehandeling van met een kalkoplossing, ookwel beits, de verstof uit de mkeekrap het beste zou laten hechten aan de wolvezels. Naast het gebruik van de bladeren als voeding voor de koeien werd dit ook wel gebruikt voor het opschuren van tinnen huisraad.
30
Meekrap in de stadstuin van het Markiezenhof
31
32
33
Opkomst / Bloei / Verval Wanneer de meekrap precies in Nederland werd geintroduceerd is onbekend, maar de eerste keuren en geschriften wijzen erop dat het gewas in de twaalfde eeuw al aanwezig ws in ons land. De oudse bekend keuren zijn die van Bergen op Zoom 1441, Goes 1449 en Reimerswaal (1480). In deze keuren stonden voorschiften omschreven over de teelt, verwerking, oogsttijd en kwaliteit. Het was niet gebruikelijk dat in de landbouw dit soort vrijheidsbepeerkingen werd opgelegd. Zo mocht de meekrap niet geoogst worden voor bepaalde data en per streek was dat: Maria hemelvaart, bamisdag, half oogst en Sint Gillisdag. De reden hievoor was dat de landarbeiders, waarvan er veel nodig waren voor het delven van de meekrap zo eerst de graanoogst konden binnehalen en hun verplichtingen voor het onderhoudt aan de dijken konden voldoen voor het komen van de winter. Tot de veertiende eeuw waren er veel verschillende gebieden waar de meekrap werd verbouwd voornamelijk langs de belangrijkste handelsroutes. In de loop van de eeuw kwam er een verandering in de meekrap afzet. In een snel tempo werd er een nieuw productiegebied ontwikkeld en uitgebreid en overtrof Zeeland met west Brabant en zuid Holland al gauw alle andere streken. Reden hiervoor was enerzijds de gunstige ligging in de nabijheid van de grote West-Europeese centra voor lakennijverheid met een toenemende export naar Engeland, Frankrijk, Spanje, Scandinavie en Rusland en de ligging dicht bij zee waardoor het goed bereikbaar was. Anderzijds was er een toenemende wens naar de prachgt en praal met grote voorliefde voor de kleur rood. Nergens in Eurpa in de zestiende en zeventiende eeuw was de kwaliteit en de teelt zo groot als in Nederland. Ondanks overstromingen die delen van Zeeland onderwater zetten, zoals Reimerswaal waar ook veel meekrap geteelt werd, vestigde veel van de telers zich op het eiland Tholen en kreeg daarmee een goede naam voor het proderecen van meekrap. Om ervoor te zorgen dat het succes van de meekrap in stand bleef in Nederland werd het in 1624 verboden om de werktuigen en delen van de plant te exporteren. Waar eerst het winnen van meekrap gebeurde op paarden kracht werd dit vanaf 1845 gemoderniseerd toen de rijksvoorschriften voor de productie vervielen. In de fabrieken werd gebruik gemaakt van stoommachines om de wortels te malen tot poeder en werd het kleurendvermogen 2 keer zo groot, doordat de wortel veel fijner gemalen kon worden. Echter kwam er vanaf 1868 een vervalf in de teelt van meekrap. Het was in dat jaar 2 duitse chemici, Gr”abe en Liebermann, gelukt om de kleurstof alzarine uit anthraceen te halen. Dit was een kunstmatige alzarine die qua kleur niet minder was dan die van de meekrap en veel goedkoper te produceren was. Dit zorgde voor de neergang van de meekrap in Nederland, waarbij boeren en handelaren het zwaar te voorduren hadden, meestoven een nieuwe functie kregen of afgebroken werden en zelfs het geboortecijfer daalde.
34
Meekrap plant bron: Zeeuwsarchief
35
De Teelt Er waren verschillende soorten meekrap met elke verschillende eigenschappen. De gene die het meest gebruikt werd was de groene taaie, omdat deze met zijn stevig wortels niet snel afbraak door de zware zeeklei grond. Het zaad van de plant werd meestal iet rijp, daarom werd gebruik gemaakt van de jonge scheuten om de plant te vermeerderen. Voordat de meekrap geplant werd werd in het najaar de grond twee steek diep omgeploegd, twee keer de lengte van een schop wat ongeveer 60cm diep is, en zwaar bemest. Dit werd gedaan op bedden van ongeveer 40cm breedt. De zettijd, zetten van de plant, ging van start als de sering in bloei ging. Voor het planten van de meekrap huurde de boer seizoensarbeiders in. Geknield ging de zetter het land af met voorop een kiemjongen. Die had de jonge kiemen die eerst door de modder waren gehaald, zodat dat plant beter zou aanslaan, en gaf ze door aan de zetters. Het zettengebeurd doormiddel van een zetstok (A), wat iets weg heeft van een metselaarstroffel. Daarna had de plant verder niet heel veel aandacht nodig. Als het na het zetten veel regende gingen de kiemen dood en moesten ze vervangen worden. Verder werd alleen in het najaar de bedden aangeaard. Deze aarden werd door dekploegen tegen de bedden aangeworpen en moest ervoor zorgen dat de plant beter tegen de winter bestempt was en om te zorgen dat de plant meer scheuten kreeg. In het derde jaar van de plant op het land werden de wortels geoogst. In het derde jaar verdubbelde het gewicht van de wortels en nam ook de kwaliteit van de verfstof toe. De oogstijd begon begin september en was het meest arbeidsintensieve gedeeldte. Enkel geschoolde arbeiders werden hiervoor gebruikt anders bleven er teveel wortels in de grond achter. De delvers gebruikte een delfspade om de wortels uit te graven. Deze werden op kleine hoopjes gelegd. Later werden ze op grotere hopen gelegd om te laten winddrogen zodat de wortels taaier werden. Zo lagen ze een aantal dagen en werden vervolgens vervoerd naar de Meestoof.
36
Meekrapteler en gereedschap bron: Zeeuwsarchief
37
Wede Introductie Wede (Isatis tinctoria) is een plant uit de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae) die oorspronkelijk groeide op de Euraziatische steppes. Het is een tweejarige plant die vooral bekend is vanwege de blauwe kleurstof die eruit kan worden gewonnen, bekend als pastel of wedeblauw. Deze verfstof speelde een belangrijke rol in de lakenindustrie van Europa vóór de opkomst van indigo. De plant werd eeuwenlang gecultiveerd voor deze kleurstof, en haar geschiedenis loopt parallel met die van andere verfplanten zoals meekrap. In Nederland komt de Wede tegenwoordig vooral voor langs de grote rivieren, zoals de Waal, waar ze vanuit het Bovenrijndal in Zuid-Duitsland is aangevoerd. De plant gedijt op zonnige, droge, kalkrijke gronden, zoals steenachtige oevers en hellingen. Gebruik Wedeblauw werd eeuwenlang gebruikt om wol te verven, met name in de lakenindustrie. Het Bergse blauwe laken, geproduceerd in Bergen op Zoom, stond bekend om zijn kwaliteit. In deze stad herinnert de Blauwehandstraat aan het verven van wol met wedeblauw, een ambacht dat in deze buurt werd uitgeoefend. Ook een huis genaamd De Blauwe Kuip verwijst naar dit proces. De kleurstoffen uit wede gaven textiel zijn waarde en maakten het Bergse laken beroemd, wat bijdroeg aan de welvaart van de stad. Opkomst en ondergang De blauwe kleurstof die uit Wede werd gewonnen, was lang de belangrijkste bron voor het verven van wol in Europa, vooral in streken als Zuid-Frankrijk en Duitsland. Rond 1100 groeide de lakenindustrie enorm, waarbij Engeland de grootste leverancier van wol was. Wede werd gebruikt om de wol blauw te verven, wat leidde tot een bloeiende wedecultuur in Europa. In de 16e eeuw kreeg Wede echter concurrentie van Indigofera-soorten uit India, waarvan de kleurstof indigo gemakkelijker en in hogere concentraties kon worden gewonnen. Ondanks pogingen om de invoer van indigo te verbieden, bijvoorbeeld in Engeland waar de doodstraf werd opgelegd voor het gebruik van indigo, werd Wede geleidelijk verdrongen. Dit proces versnelde nog verder toen Adolf von Baeyer in 1880 een methode ontdekte om indigo synthetisch te produceren, waardoor de vraag naar natuurlijke wede drastisch afnam.
38
Wedeplant
39
Verwerking tot Verfstof De productie van de blauwe kleurstof uit wede was een tijdrovend en ingewikkeld proces. Na de oogst werden de bladeren van de plant verpulpt en gevormd tot balletjes, de zogenaamde ‘kokanjes’, die vervolgens aan de lucht droogden. Deze kokanjes waren halffabricaten die verhandeld konden worden, maar moesten nog een gistingsproces ondergaan om de verfstof vrij te maken. Tijdens dit proces werden de balletjes opnieuw bevochtigd en begon er een fermentatie waarbij de temperatuur steeg. Dit proces veroorzaakte een sterke geurhinder, vergelijkbaar met rottende mest, wat leidde tot het verbod op wedeproductie in de nabijheid van woonverblijven van de engelse Elizabeth I. Een probleem is dat wede niet oplosbaar is in water, terwijl het dat natuurlijk wel moet zijn om in de textielvezels te kunnen doordringen. Daarom moesten er aan het verfbad stoffen worden toegevoegd. Jarenlang werd daarvoor vooral oude urine gebruikt, later potas. Zo kon het dus gebeuren dat er een grote vraag ontstond naar urine, en dat ook die weer werd verkocht. In Toulouse en in andere wedesteden werden met name soldaten (blijkbaar goede drinkers) aangespoord om hun urine niet te verkwisten maar te verkopen en was het heel normaal dat de wolververs hun urine meenamen naar werk. Het recept dat bepaalde hoeveel wede, urine/potas en andere middelen werden toegevoegd aan het verfbad was een geheim dat de ververs zorgvuldig bewaarden. Om de lakens te verven met de kokanjes werden de ballen met veel water en zemelen in een kuip geplaatst, soms ook met ander kleurstoffen, en na een dag of twee veranderde de kleurstof in een geelgroene kleur. Vervolgens werden de lakens voor zo’n 10 seconden in de vloeistof gehouden en kreeg ook de stof deze groen gele kleur. Pas bij het drogen en het contact met zuurstof veranderde de kleur van de stof in blauwe kleur van de wede. Er wordt ook wel gezegd dat de uitdrukking ‘blauwe maandag’ van dit proces komt. Op zaterdag zouden namelijk de stoffen geverfd worden en kleurde de stof blauwe en werd gedroogd op maandag. Daarom zou er op maandag niet gewerkt worden door de wolververs.
40
Ingedroogde verfkleur uit wede bron: Claudy Jongstra
41
Odin boer Teun die de Wede verbouwt bron: Claudy Jongstra
42
De wede wordt in balen in een vat gedaan die met heet water wordt gevuld bron: Claudy Jongstra
43
Veldonderzoek Vanuit de historische verbinding die de stad vroeger met het landschap had, kunnen we opnieuw een relatie met het landschap aangaan. Hoewel we in een andere tijd leven en het landschap veranderd is, biedt dit nieuwe inzichten in hoe die relatie vandaag opnieuw vorm kan krijgen. Ecosystemen zijn veranderd, hebben andere behoeften gekregen en functioneren volgens een ander ritme. Met het veldonderzoek leg ik het landschap van vandaag vast en onderzoek ik wat deze plekken kenmerkt. De beweging van het getij, de groei van het riet en de opbouw van de bodem bepalen hoe ecosystemen functioneren en welke vormen van leven er wel of niet kunnen ontstaan. Door de landschappen zorgvuldig te observeren, vast te leggen en materialen uit het landschap mee te nemen, ontstaat een beter begrip van de ecosystemen. Vanuit dat begrip kan opnieuw een relatie tussen mens, materiaal en landschap worden opgebouwd. Het veldonderzoek vormt daarmee niet alleen een analyse van het landschap, maar ook de basis voor de architectonische ingrepen die hieruit voortkomen.
44
Oosterschelde Markiezaatsmeer Brabantse wal
45
Oosterschelde
Kaart Bioregio Bergen op Zoom
GSEducationalVersion
Markiezaatsmeer Brabanste wal
0
1000 m
6000 m
Landschapstype: Hoge zandgronden De Brabantse Wal is een opvallend en gevarieerd landschap in het westen van NoordBrabant, dat zich uitstrekt van Ossendrecht tot aan Bergen op Zoom en Woensdrecht. Het gebied wordt gekenmerkt door een steilrand die abrupt oprijst uit de omringende polders, met een hoogteverschil van soms wel 20 meter. Deze steilrand vormt de grens tussen de hoger gelegen zandgronden en de lager gelegen zeekleipolders, en is ontstaan door natuurlijke processen zoals tektonische verschuivingen en erosie gedurende duizenden jaren. De Brabantse Wal biedt een unieke combinatie van landschappen: bossen, heidevelden, zandgronden en vochtige weilanden wisselen elkaar af, wat resulteert in een rijke biodiversiteit. Het gebied is de thuisbasis van vele plantensoorten, waaronder bijzondere soorten die typisch zijn voor zowel droge als natte milieus. Ook diverse diersoorten, zoals reeën, vossen en vele vogelsoorten, voelen zich hier thuis. Naast zijn natuurlijke waarde is de Brabantse Wal ook belangrijk vanwege het gebruik van lokale materialen. De hoger gelegen zandgronden waren lange tijd een bron van hout, terwijl het lager gelegen poldergebied vooral werd gebruikt voor landbouw. Dit contrast tussen hoog en laag heeft niet alleen het landschap gevormd, maar ook de cultuur en economie van de regio sterk beïnvloed. Tegenwoordig biedt het gebied uitgebreide mogelijkheden voor recreatie, met tal van wandel- en fietsroutes die bezoekers laten kennismaken met de gevarieerde natuur en het erfgoed van de Brabantse Wal.
48
Mattemburgh Brabantsewal
49
Meiduinen Brabantsewal
50
Mattemburgh Brabantsewal
51
Meiduinen Brabantsewal
52
Meiduinen Brabantsewal
53
Mattemburgh Brabantsewal
54
Mattemburgh Brabantsewal
55
Landschapstype: Moeraslandschap Het Markiezaatsmeer is een uitgestrekt natuurgebied op de grens van Noord-Brabant en Zeeland, direct ten zuiden van Bergen op Zoom. Het gebied ontstond in 1984 na de aanleg van het Schelde-Rijnkanaal en de Markiezaatskade, die de voormalige slikken en schorren van de Oosterschelde afsloten van de zee. Hierdoor veranderde het landschap geleidelijk in een zoetwatermoeras met een uniek ecosysteem. Het Markiezaatsmeer is een van de grootste brakwatergebieden van Nederland en heeft zich ontwikkeld tot een belangrijk natuurreservaat. Kenmerkend voor het gebied is de grote variatie in habitats, waaronder open water, rietvelden, moerasbossen en natte graslanden. Deze diversiteit trekt een rijk scala aan flora en fauna aan. Vogelliefhebbers kunnen hier soorten als de lepelaar, aalscholver, fuut en diverse reigers observeren. In het voorjaar en najaar is het meer een belangrijke pleisterplaats voor duizenden trekvogels. Tot de afdamming was er een getijdeverschil van wel 4 meter. Bij vloed reikte het water tot aan de voet van de Kraaijenberg, een van de vooruitgeschoven punten van de Brabantse Wal. In de schorren waren diepe kreken uitgesleten. De zoutwatervegetatie bestond uit soorten als lamsoor, zeekraal, zeeaster, zoutmelde en slijkgras. Er foerageerden vele steltlopers op de droogvallende slikken. Het gebied is beperkt toegankelijk om de rust voor de dieren te waarborgen, maar bezoekers kunnen genieten van het landschap vanaf de wandel- en fietspaden rondom het meer. Ook biedt de uitkijktoren op de Kraaijenberg een prachtig panoramisch uitzicht over het Markiezaatsmeer, waardoor het natuurgebied een geliefde bestemming is voor natuurliefhebbers en recreanten.
56
Prinssenplaat Bergen op Zoom
57
58
59
60
61
Landschapstype: Natte Kleigronden De Oosterschelde en het omliggende natte kleigebied vormen een landschap dat voortdurend verandert onder invloed van het getij. Twee keer per dag zorgen eb en vloed ervoor dat slikken en zandplaten droogvallen en weer onder water verdwijnen. Hierdoor ontstaat een dynamisch overgangsgebied tussen land en zee, waarin water, zout en sediment het landschap blijven vormen. De natte kleigronden rondom de Oosterschelde zijn rijk aan voedingsstoffen doordat fijn sediment zich hier over lange tijd heeft afgezet. Deze bodem vormt de basis voor een bijzonder ecosysteem waarin veel planten en dieren leven. In de ondiepe wateren en langs de oevers groeien algen en zeegrassen, terwijl schelpdieren zoals mosselen en oesters zich hechten aan harde ondergronden en oesterbanken vormen. Deze banken filteren het water en creëren leefgebieden voor andere organismen. Het ritme van het getij bepaalt ook het leven van veel vogels in het gebied. Tijdens laag water vallen slikken en platen droog, waardoor steltlopers zoals strandplevieren en bontbekplevieren voedsel kunnen zoeken in de natte bodem. Ze voeden zich met kleine schelpdieren, wormen en andere organismen die in het slik leven. In de ondiepe oevers en rustigere wateren zoeken vogels zoals lepelaars en kluten naar voedsel, waarbij ze kleine visjes, kreeftachtigen en waterdieren uit het water filteren. Wat dit landschap bijzonder maakt, is dat het nooit volledig vastligt. Stroming, sedimentatie en getijden blijven het gebied langzaam veranderen. Hierdoor ontstaat een landschap dat niet alleen bestaat uit vaste vormen, maar vooral uit beweging, ritme en tijdelijke condities. Het natte kleigebied van de Oosterschelde laat daarmee zien hoe sterk ecologie en landschap met elkaar verbonden zijn en hoe het leven zich voortdurend aanpast aan de dynamiek van het water.
62
Oesterdam Oosterschelde
63
64
65
66
67
Geoogste materialen Door de aanwezigheid van verschillende landschapstypen binnen de regio ontstaat een grote diversiteit aan natuurlijke materialen. De overgang van natte kleigebieden en getijdenlandschappen naar hogere zandgronden zorgt ervoor dat elk landschap zijn eigen ecosystemen, vegetatie en grondstoffen voortbrengt. Tijdens het veldonderzoek heb ik materialen verzameld die direct uit deze landschappen voortkomen, zoals klei, schelpen, riet, wier, zand en plantaardige vezels. Deze materialen dragen de eigenschappen van het landschap waarin ze zijn ontstaan. De invloed van zout water, sedimentatie, wind, droogte of juist natte omstandigheden is zichtbaar in hun structuur, kleur en gedrag. Hierdoor vertellen de materialen niet alleen iets over hun fysieke eigenschappen, maar ook over de ecologische processen van de regio. De verzamelde grondstoffen vormen de basis voor de materiaalstudies binnen dit onderzoek. Door te experimenteren met verschillende samenstellingen, bindmiddelen en toepassingen ontstaat inzicht in hoe regionale materialen opnieuw gebruikt kunnen worden binnen architectuur en ontwerp. Op deze manier wordt het landschap niet alleen onderzocht of geobserveerd, maar vormt het ook direct de bron voor nieuwe materiële toepassingen.
68
De Brabantsewal staat vol met diverse soorten bomen. Een van de meest voorkomende zijn eiken en de zeeden. De bomen kunnen niet alleen gebruikt worden voor hun hout, maar ook het hars zie je terug in linoleum, biocomposiet of verf
De stuifzanden zijn door de eeuwen heen door de wind op de Brabantse wal geblazen. In verschillende kleuren zijn ze terug te vinden en werdt het voorheen al gewonnen om zandstenen mee te maken
Paddenstoelen bestaan uit schimmels. Dit netwerk aan schimmels kan zeer goed verschillende vormen aannemen en is erg geschikt als isolatie materiaal.
Pijpenstro is een grassoort die je veel terug ziet op de heide. Door de grote hoeveelheid stikstof groet het gras erg goed, waardoor de heides steeds verder dichtgroeien.
Dit groene gewas met gele bloemen zorgt na de juist bereiding voor een pastel blauwe kleurstof. Tot de komst van Indigo en synthetische verf was dit de plant voor het maken van een blauwe kleur
69
Dit snel groeiende gras wordt al eeuwen gebruikt als bouwmateriaal. Naast dat het isolerend en waterdicht is is het ook nog gemakkelijk te winnen.
Paddenstoelen bestaan uit schimmels. Dit netwerk aan schimmels kan zeer goed verschillende vormen aannemen en is erg geschikt als isolatie materiaal.
Door eeuwenlangen afzettingen van sendiment in de schelde delta is er veel klei te vinden. Kle is goed te bewerken wanneer het nat is en kan gebakken worden tot een steen
70
Uit de oesterschelpen kan kalkgewonnen worden wat vroeger al gebruikt werd als bouwmateriaal. Zo maakte de romein er het sterke romeins beton van
De wortel van meerkrap wordt gebruikt voor de rode kleurstof alzarine. De plant groeit goed op de zatte zeeklei
Uit groen wieren kan alginaat gewonnen worden. Dit is een polymeer dat veelal gebruikt wordt als bindmiddel voor bioplatics
Uit de bruine wieren wordt agar agar gewonnen. Dit wordt ook veel in de keuken gebruikt als vervanger van gelatine. Dit werkt ook goed als bindmiddel voor bioplatics
Door eeuwenlangen afzettingen van sendiment in de schelde delta is er veel klei te vinden. Kle is goed te bewerken wanneer het nat is en kan gebakken worden tot een steen
71
Praten met deskundigen In het veldonderzoek is niet alleen het landschap zelf onderzocht, maar ook de kennis die rondom dit landschap bestaat. Daarom zijn gesprekken gevoerd met verschillende deskundigen die ieder op hun eigen manier verbonden zijn met de regio en haar materialen. Dit varieert van een meekrapteler en een kunstenaar die werkt met verfplanten, tot een rietsnijder en een onderzoeker binnen de mariene ecologie. Deze gesprekken hebben inzicht gegeven in hoe materialen uit het landschap worden geoogst, bewerkt en toegepast binnen verschillende vormen van vakmanschap en ambacht. De meekrapteler en verfplantenkunstenaar lieten zien hoe kleurstoffen direct uit planten kunnen worden gewonnen en hoe deze processen sterk afhankelijk zijn van bodem, seizoen en verwerkingstechniek. De rietsnijder toonde hoe een materiaal als riet niet alleen geoogst wordt, maar ook onderdeel is van een zorgvuldig beheer van het landschap zelf, waarbij snijden bijdraagt aan de gezondheid van het ecosysteem. Daarnaast heeft de ontmoeting met een onderzoeker binnen de mariene ecologie geholpen om beter te begrijpen hoe materialen zoals schelpen, wier en andere kustgebonden grondstoffen functioneren binnen het ecologische systeem van het water. Hier werd duidelijk dat menselijk toedoen de dynamiek van het ecosysteem verstoord wordt, maar juist het materiaal wat ik hier gevonden heb deze dynamiek weere kan verbeteren. Door deze gesprekken ontstaat een brug tussen landschap, materiaal en vakmanschap. De verzamelde kennis maakt het mogelijk om de geoogste materialen niet alleen te zien als grondstof voor ontwerp, maar ook als actieve componenten binnen het landschap zelf. Hierdoor wordt duidelijk hoe ambacht en ecologie elkaar kunnen versterken, en hoe materialen op een zorgvuldige manier opnieuw kunnen worden ingezet binnen zowel ontwerp als landschapsbeheer.
72
Akker met Meekrap Boer Jan Akkermans
73
Materiaal recepten Biolab, Sam Edens
Riet snijder Wouter Slors
74
Stoffen worden gekookt met verfplanten Studio Claudy Jongstra
Onderzoeker NIOZ Jim van Belzen
75
76
77
78
79
80
81
Materiaal Studie Tijdens het veldonderzoek zijn verschillende lokale materialen en grondstoffen geoogst, die vervolgens zijn ingezet voor materiaalstudies. Het doel hiervan is om nieuwe inzichten te krijgen in het gebruik van deze regionale materialen, met de ambitie om toepassingen te ontdekken die nog niet eerder zijn onderzocht of toegepast. De materialen en grondstoffen worden daarbij niet strikt per landschap of categorie gecombineerd, maar juist door verbindingen te leggen tussen de verschillende landschappen ontstaat er een interessante rijkdom aan experimenten. Zo wordt bijvoorbeeld kalk afkomstig van oesterschelpen gecombineerd met klei uit het Markiezaatsmeer en zand van de Brabantse Wal. Ook is er geëxperimenteerd met zeewier uit de Oosterschelde, dat wordt ingezet als bindmiddel in combinatie met pijpenstro uit de stuifzanden van de Brabantse Wal. Daarnaast zijn ook meer traditionele combinaties opnieuw onderzocht, met als doel te testen of oude ambachten vandaag de dag nog steeds toepasbaar zijn. Zo is er verf gemaakt van meekrap in combinatie met hars afkomstig van lokale bomen. Deze experimenten laten zien hoe historische kennis en hedendaagse materiaalonderzoek elkaar kunnen versterken en nieuwe mogelijkheden kunnen openen voor toekomstig gebruik van het landschap.
82
Dennenaalden, Alginaat & Waterpulp
Pijpenstro & Alginaat
83
Materiaal Type
84
85
Reststromen
86
Landbouwgewassen
87
Biocomosiet Het maken van bioplastics vereist het combineren van verschillende componenten, elk met een specifieke functie, zoals een binder, een plasticizer, en additives. Hier is een overzicht van hoe deze termen samenkomen in het productieproces: Binder (bindmiddel): • De binder is het hoofdmateriaal dat zorgt voor de samenhang en structuur van de bioplastic. Het is vaak afkomstig van natuurlijke polymeren zoals zetmeel, cellulose, eiwitten (bijv. caseïne of sojaproteïne), of biopolymeren zoals polylactic acid (PLA). • Functie: Het vormt de basis van de bioplastic en geeft het zijn sterkte en structuur. Plasticizer (weekmaker): • De plasticizer wordt toegevoegd om de bioplastic flexibeler en minder broos te maken. Veelgebruikte natuurlijke weekmakers zijn glycerine, sorbitol, of water. • Functie: Het vermindert de interne spanningen in het materiaal, waardoor het gemakkelijker te vormen en minder breekbaar wordt. Additives (toevoegingen): • Additives zijn extra stoffen die aan het mengsel worden toegevoegd om specifieke eigenschappen te verbeteren, zoals kleur, UV-bestendigheid, waterafstotendheid, of mechanische sterkte. Voorbeelden zijn natuurlijke pigmenten (bijv. meekrap of wede), vezels (bijv. hennep of vlas) voor versterking, of antimicrobiële stoffen. • Functie: Ze zorgen voor verbeterde prestaties of esthetische kwaliteiten, afhankelijk van de gewenste toepassing van de bioplastic. Over het algemeen is het zelfde productieproces steeds toepasbaar: • Het binder-materiaal wordt gemengd met water om een homogene basis te vormen. • Een plasticizer wordt toegevoegd om het mengsel elastisch en kneedbaar te maken. • Indien nodig worden additives toegevoegd om specifieke eigenschappen te verkrijgen. • Het mengsel wordt als dat nodig is verwarmd en in de gewenste vorm gebracht via gieten, persen of extrusie. • Na afkoelen of uitharden ontstaat een bioplastic met de gewenste eigenschappen.
88
verschillende testjes van shellcrete gekleurd met meekrap
shellcrete op basis van chitosan
89
Materiaal uit oesterschelpen
Samenstelling van oesterschelpen 1. Calciumcarbonaat (95-99%): Dit is het hoofdbestanddeel van oesterschelpen. Het komt voor in kristallijne vormen zoals aragoniet (een polymorf van calciumcarbonaat) en soms calciet. Deze mineralen geven de schelp zijn harde en duurzame structuur. 2. Organische matrix (1-5%): Een mengsel van proteïnen en polysachariden (bijvoorbeeld chitine en conchioline) fungeert als een organische “lijm”. Deze matrix verbindt de kristallen calciumcarbonaat en zorgt voor de veerkracht en flexibiliteit van de schelp. 3. Lagen in de schelp: Periostracum: De buitenste laag van de schelp, bestaande uit een organische coating die bescherming biedt tegen chemische en fysieke schade. Prismatische laag: De middelste laag, voornamelijk opgebouwd uit calcietkristallen, biedt stevigheid. Parelmoerlaag (nacre): De binnenste laag bestaat uit aragoniet in dunne, glanzende platen. Dit is de gladde, iriserende laag die contact maakt met het weekdier. 4.Biologische rol Oesterschelpen beschermen de oester tegen predatoren en fysieke schade. Ze groeien door calciumcarbonaat uit zeewater te halen, waarbij de oester enzymen uitscheidt om de kristallen te vormen en te organiseren.
90
Oesterschelp Oesterdam, Oosterschelde
91
92
Oestersteen met oesterschelpen
93
Landschappelijke urgenties De landschappen binnen de bioregio staan onder toenemende druk. Veranderende watercondities, verlies van biodiversiteit en menselijke ingrepen hebben invloed op de manier waarop ecosystemen functioneren. Hierdoor verdwijnen soorten, raken natuurlijke processen verstoord en verandert de balans tussen land en water. Aan de hand van krantenartikelen, onderzoeken en actuele gebeurtenissen wordt zichtbaar welke problemen zich binnen deze landschappen afspelen en waar de ecosystemen behoefte aan hebben. Deze urgenties vormen de aanleiding om opnieuw na te denken over de relatie tussen mens, landschap en ontwerp.
94
Brabantse wal De natuurgebieden van de Brabantse Wal staan onder druk door een langdurig teveel aan stikstofdepositie. Door uitstoot vanuit landbouw, verkeer en industrie komt er meer stikstof in het landschap terecht dan het ecosysteem kan verwerken. Vooral de arme zandgronden van de Brabantse Wal zijn gevoelig voor deze verstoring, omdat de bodem van nature voedselarm is en juist afhankelijk is van een kwetsbare ecologische balans. Door de hoge hoeveelheid stikstof verandert de vegetatie langzaam van samenstelling. Soorten die goed groeien op voedselrijke grond, zoals pijpenstrootje en braam, krijgen steeds meer ruimte en verdringen planten die juist thuishoren in schrale zandlandschappen. Open stuifzanden groeien hierdoor langzaam dicht, waardoor karakteristieke landschappen en leefgebieden verdwijnen. Ook de bossen op de Brabantse Wal ondervinden de gevolgen hiervan. De verzuring van de bodem tast de gezondheid van bomen aan, waardoor vooral eiken gevoeliger worden voor droogte, schimmels en ziektes. Hierdoor verzwakken bomen en vallen ze op sommige plekken steeds vaker om. De stikstofproblematiek heeft daarmee niet alleen invloed op afzonderlijke soorten, maar verandert het functioneren van het hele ecosysteem. Het aanpakken van deze problematiek vraagt daarom niet alleen om het herstellen van de zichtbare gevolgen, maar ook om het aanpakken van de onderliggende oorzaken. Alleen het verwijderen van overgroeiing of het herstellen van natuurgebieden is niet voldoende wanneer de voortdurende toevoer van stikstof het systeem blijft verstoren. Herstel van het landschap vraagt om een benadering waarin ecologie, beheer en menselijke activiteiten opnieuw met elkaar in balans worden gebracht.
95
96
97
98
99
Steilrand
30
20
10
0
-10
-20
-30
Kleigrond gebied
Diagram Grondopbouw Brabantse Wal GSEducationalVersion
Z
30
20
Zandgrond gebied (Pleistoceen) Stuifzand afgezet in de laatste duizend jaar en/of rivierduinen gevormd einde van de laatste ijstijd (Formatie van Boxtel) Schelde-afzettingen veen en klei (Formatie van Boxtel) Kleilagen in de Formatie van Waalre
10 Zand en klei (Formatie van Waalre) Schelphoudende zanden (Formatie van Oosterhout) 0
Kleigrond gebied (Holoceen) -10
Jonge zeeklei en zand (Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk) Veen (Hollandveen, Formatie van Nieuwkoop)
-20
Oude zeeklei en zand (Laagpakket van Wormer, Formatie van Naaldwijk) Gyttja, veen en klei afgezet door de Schelde
-30
Zandgrond gebied
101
De landschappen van de Brabantse Wal, het Markiezaatsmeer en de Oosterschelde liggen niet alleen naast elkaar op de kaart, maar zijn ook ecologisch en hydrologisch sterk met elkaar verbonden. Water, bodem, planten en dieren bewegen zich voortdurend tussen deze gebieden, waardoor veranderingen in het ene landschap invloed hebben op het andere. De Brabantse Wal vormt hierin een hoger gelegen zandlandschap waar regenwater langzaam in de bodem infiltreert. Dit kwelwater stroomt vervolgens richting de lager gelegen gebieden en komt uiteindelijk uit in het Markiezaatsmeer. Daarmee beïnvloedt de Wal direct de waterkwaliteit en ecologie van het meer. Tegelijkertijd kunnen meststoffen en voedingsstoffen vanuit landbouwgebieden op de hogere gronden uitspoelen naar lagere delen van het landschap, waardoor ecosystemen in het Markiezaatsmeer veranderen en voedselrijker worden.
Oosterschelde
Oesterdam
Schelde - Rijnkanaal
Markiezaatskade
Voeden / Broeden vogels
P P brak kwelwater Uitspoeling
Kleigrond gebied (Holoceen) Deltawerken (Antropoceen)
102
Ook dieren bewegen zich tussen de verschillende landschappen. Vogels die broeden of rusten in het Markiezaatsmeer gebruiken de slikken en platen van de Oosterschelde als voedselgebied wanneer deze bij eb droogvallen. Het ritme van het getij bepaalt hierbij wanneer voedsel beschikbaar is. De verschillende gebieden functioneren daardoor samen als één groter ecosysteem, waarin rust-, broed- en foerageergebieden elkaar aanvullen. Deze onderlinge relaties maken duidelijk dat de landschappen niet los van elkaar kunnen worden gezien. Waterstromen, ecologische processen en migrerende soorten verbinden de Brabantse Wal, het Markiezaatsmeer en de Oosterschelde tot één samenhangend systeem. Juist in die wisselwerking ontstaat de rijkdom en dynamiek van de bioregio.
Markiezaatsmeer
Steilrand
Brabantse wal NH3
Neerslag (75%)
30
pH pH -
20
pH 10
0
NH3
-10
P -20
zoet kwelwater (13%) (7%)
-30
Zandgrond gebied (Pleistoceen)
103
Markiezaatsmeer De waterkwaliteit van het Markiezaatsmeer staat onder druk door een teveel aan voedingsstoffen in het water. Door de aanvoer van stikstof en fosfaat vanuit omliggende landbouwgebieden wordt het water voedselrijker, waardoor algen en waterplanten sterk kunnen groeien. Wanneer deze in grote hoeveelheden aanwezig zijn, wordt het water troebel en komt er minder licht diep in het meer terecht. Hierdoor raken ecosystemen uit balans en neemt de kwaliteit van het leefgebied voor veel soorten af. Het troebele water heeft gevolgen voor vissen en vogels die afhankelijk zijn van helder en zuurstofrijk water. Onderwaterplanten verdwijnen steeds meer, waardoor schuilplaatsen en voedselbronnen voor vissen afnemen. Ook kan er zuurstoftekort ontstaan wanneer grote hoeveelheden algen afsterven en afbreken. Dit beïnvloedt uiteindelijk de hele voedselketen binnen het meer. Vogels die afhankelijk zijn van vis, waterdieren of een gezond moerasgebied verliezen hierdoor een deel van hun leef- en foerageergebied. Tegelijkertijd zorgen langere periodes van droogte en hoge temperaturen voor lagere waterstanden in het Markiezaatsmeer. Hierdoor vallen delen van het gebied droog en worden broedplaatsen van vogels beter bereikbaar voor roofdieren zoals vossen. Eilanden en oevers die normaal beschermd worden door het water verliezen daarmee hun natuurlijke isolatie. Vooral grondbroedende vogels worden hierdoor kwetsbaarder, omdat nesten makkelijker bereikt en verstoord kunnen worden. De combinatie van voedselrijk water en droogte laat zien hoe kwetsbaar het ecosysteem van het Markiezaatsmeer is. Veranderingen in waterkwaliteit, klimaat en waterstand versterken elkaar en hebben invloed op het functioneren van het hele landschap.
104
105
Kluut (Recurvirostra avosetta) De kluut broedt bij voorkeur op kale, natte zand- of slibplaten aan ondiep water. Een open landschap zonder vegetatie is essentieel, zodat de vogel goed zicht heeft op mogelijke predatoren. Flauwe overgangen naar het water maken het mogelijk om voedsel – zoals wormen en kleine kreeftachtigen – uit het slik te zeven met de karakteristieke opwaarts gebogen snavel. Rust en een laag verstoringsniveau zijn cruciaal voor succesvolle broedpogingen.
Lepelaar (Platalea leucorodia) De lepelaar nestelt in kolonies op rustige, moeilijk toegankelijke eilandjes met dichte rietvegetatie of lage struiken. Deze plekken moeten boven het waterpeil liggen en beschut zijn tegen verstoring. In de directe omgeving moet ondiep water aanwezig zijn met een rijk voedselaanbod van kleine visjes, insecten en amfibieën. De lepelaar heeft ruimte nodig, zowel voor de kolonie zelf als voor het foerageren in omliggende natte gebieden.
106
Bontbekplevier (Charadrius hiaticula) De bontbekplevier zoekt open, licht verhoogde zand- of kiezelplekken op om te broeden, vaak langs de randen van zandplaten, schorren of schelpenbanken. Het nest is nauwelijks meer dan een kuiltje in het grind, goed gecamoufleerd tussen schelpen en stenen. Een ideale omgeving is droog, met minimale vegetatie en toegang tot voedselrijke ondiepe waterzones. De soort is gevoelig voor verstoring en broedt bij voorkeur op plekken die rustig en afgelegen zijn.
Strandplevier (Charadrius alexandrinus) De strandplevier broedt op droge, open zandige of slikachtige bodems met nauwelijks tot geen vegetatie. De voorkeur gaat uit naar kale eilandjes of opgespoten terreinen, waar het nest als een ondiep kuiltje in het zand ligt. De directe nabijheid van natte voedselrijke zones, zoals slikplaten of ondiepe randen, is essentieel. Rust en afwezigheid van predatoren of menselijke verstoring bepalen in grote mate het broedsucces.
107
Binnen het Markiezaatsmeer wordt gewerkt aan het aanleggen van kunstmatige eilanden om nieuwe en veilige broedgebieden voor vogels te creëren. Aanleiding hiervoor is de sterke afname van verschillende kust- en moerasvogels in het gebied. Sinds de afsluiting van het Markiezaat van de Oosterschelde door de Deltawerken verdwenen veel natuurlijke zandbanken en slikken die vroeger door het getij werden gevormd. Hierdoor raakten vogels geschikte broedplaatsen kwijt. De nieuwe eilanden moeten opnieuw rustige en geïsoleerde plekken bieden waar vogels zoals kluten, bontbekplevieren, strandplevieren en lepelaars veilig kunnen broeden. Vooral tijdens droge periodes ontstaat een probleem doordat lage waterstanden ervoor zorgen dat roofdieren, zoals vossen, bestaande broedplaatsen makkelijker kunnen bereiken. Door nieuwe eilanden en geulen aan te leggen blijven broedgebieden beter beschermd door water. Voor de aanleg van de eilanden wordt zand gebruikt dat vrijkomt bij natuurwerkzaamheden in de omgeving. Tegelijkertijd zijn de plannen onderdeel van een bredere strategie om de ecologische kwaliteit van het Markiezaatsmeer te verbeteren. Het voedselrijke en troebele water vormt namelijk steeds meer een probleem voor natuurontwikkeling en het leefgebied van vogels. De eilanden moeten daarom niet alleen functioneren als broedplek, maar ook bijdragen aan een rijker en gevarieerder ecosysteem. Het idee sluit aan bij eerdere natuurprojecten zoals de Marker Wadden, waar kunstmatige eilanden hebben geleid tot een sterke toename van vogels, planten en waterleven. Ook daar bleek dat nieuwe overgangen tussen land en water snel ecologische waarde kunnen creëren.
108
109
Wortel beton Wortelbeton is een experimenteel bouwmateriaal ontwikkeld door de Amsterdamse kunstenaar en uitvinder Erik Hobijn. Het materiaal bestaat uit een dicht netwerk van levende rietwortels en wortelstokken (rhizomen) die onder gecontroleerde omstandigheden worden opgekweekt. Door de wortels in bakken te laten groeien en het waterniveau voortdurend te variëren, worden de planten gestimuleerd om zich sterk te vertakken en met elkaar te verweven. Hierdoor ontstaat een stevig, samenhangend wortelpakket met een verrassend groot draagvermogen. De holle structuur van rietwortels bevat veel lucht, waardoor het materiaal van nature blijft drijven. Tegelijkertijd vormt het wortelnetwerk een sterke biologische constructie die vergelijkbaar is met een natuurlijk gewapend materiaal. Hobijn noemt dit systeem “wortelbeton”: een levend, circulair bouwmateriaal dat niet wordt geproduceerd, maar wordt geteeld. Wortelbeton biedt interessante mogelijkheden voor de ontwikkeling van drijvende eilanden en oevers. De wortelblokken kunnen functioneren als een drijvende basis waarop vegetatie zich verder ontwikkelt. Naarmate het riet doorgroeit, verbinden afzonderlijke blokken zich met elkaar tot grotere drijvende structuren. Hierdoor kunnen natuurlijke eilanden ontstaan die bestand zijn tegen golfslag en waterstandsverschillen. Voor het Markiezaatsmeer kan wortelbeton dienen als een levende ondergrond voor vogeleilanden. De drijvende wortelmassa biedt ruimte voor vegetatieontwikkeling, verbetert de waterkwaliteit doordat het riet voedingsstoffen opneemt en creëert tegelijkertijd rust- en broedplaatsen voor vogels. In tegenstelling tot conventionele drijvende constructies van kunststof of beton groeit het materiaal mee met zijn omgeving en neemt de ecologische waarde in de loop van de tijd toe. Het principe achter wortelbeton sluit aan bij eeuwenoude technieken waarbij mensen levende planten gebruiken om drijvende landschappen te maken. Een bekend voorbeeld zijn de drijvende rieteilanden van de Uros-eilanden op het grensgebied van Peru en Bolivia. Daar bouwen bewoners complete eilanden uit opeengestapelde rietwortels en rietstengels waarop huizen, torens en zelfs kleine akkers worden geplaatst. Net als bij wortelbeton vormt een dicht netwerk van wortels de constructieve basis van het eiland. Het verschil is dat de Uros-eilanden vooral bestaan uit samengebonden vegetatiemateriaal, terwijl wortelbeton een doelgericht gekweekt bouwmateriaal is waarbij de wortels bewust worden gestuurd om een sterke, samenhangende structuur te vormen. Beide voorbeelden laten zien hoe levende planten niet alleen onderdeel zijn van een ecosysteem, maar ook kunnen functioneren als bouwmateriaal voor drijvende landschappen.
110
Uros eilanden Peru
Wortelbeton gemaakt door riet in bakken te laten groeien Erik Hobijns
111
112
113
114
115
Oosterschelde In de Oosterschelde speelt een groeiend probleem van zandhonger. Sinds de aanleg van de stormvloedkering en de afsluiting van delen van het estuarium is de natuurlijke dynamiek van het getij veranderd. Hoewel het getij nog steeds aanwezig is, stroomt er minder sediment het gebied binnen dan vroeger. Tegelijkertijd blijven stroming en golven zand verplaatsen en afbreken. Hierdoor verdwijnen zandplaten en slikken langzaam door erosie. Deze platen en slikken zijn van groot ecologisch belang. Bij laag water vormen ze foerageergebieden voor vogels zoals strandplevieren, bontbekplevieren en andere steltlopers die voedsel zoeken in het slik. Ook functioneren de ondiepe zones als leefgebied voor schelpdieren, wormen en andere organismen die onderdeel zijn van het ecosysteem van de Oosterschelde. Naarmate de zandplaten verder afnemen, verdwijnen ook deze leefgebieden langzaam onder water. Een mogelijke oplossing voor dit probleem ligt in het herstel en de aanleg van oesterriffen. Oesters vormen natuurlijke riffen die golven afremmen en stroming beïnvloeden, waardoor sediment makkelijker kan bezinken. Hierdoor kunnen slikken en zandplaten beter behouden blijven en op sommige plekken zelfs opnieuw aangroeien. Daarnaast creëren oesterriffen nieuwe leefgebieden voor vissen, schelpdieren en andere mariene soorten, waardoor ze bijdragen aan een grotere biodiversiteit. De inzet van oesterriffen laat zien hoe natuurlijke processen gebruikt kunnen worden om het landschap te versterken in plaats van volledig technisch in te grijpen. In plaats van harde infrastructuur ontstaat er een vorm van kustbescherming die meegroeit met het ecosysteem en tegelijkertijd ecologische waarde toevoegt aan het landschap van de Oosterschelde.
116
117
Patchwork patronen in ecosystemen Onderzoekers ontdekten een type patroonvorming in ecosystemen dat veel lijkt op een patchwork of lappendekenpatroon dat zich ook – op heel kleine schaal – vormt in legeringen zoals staal. Dergelijke patronen maken niet alleen staal stevig, maar dus ook ecosystemen veerkrachtig. Interessant is dat deze verstevigende processen ook gelden voor ecosystemen: wanneer in ecosystemen natuurlijke patroonvorming optreedt, zijn deze meer bestand tegen veranderingen dan wanneer deze lapjesstructuur door de mens is verstoord en gaten vertoont. Om een patchy patroon te maken die vanuit een basis element te maken is en aan elkaar geschakeld kan worden zoek ik naar een vorm die: • • •
Organisch en natuurlijk oogt (dus niet strak of hoekig), Als een puzzelstuk past in zichzelf of in andere identieke vormen, Oneindig kan uitbreiden in meerdere richtingen zonder gaten of overlapping.
Voorbeelden van systemen die hier bij kunnen helpen zijn: Koraalstructuren Cellulaire structuren Schorren structuur
118
Luchtfoto’s schorren Ooosterschelde met natuurlijke patchy patronen
119
grootte
dichtheid
Schaal patchyness
120
121
Om te laten zien hoe architectuur en landschap kunnen samenwerken en niet los van elkaar gezien moeten worden, zijn drie ontwerpen gemaakt. Elk ontwerp reageert op de uitdagingen van het landschap en maakt tegelijkertijd gebruik van de ecologische werking ervan. De architectuur staat niet naast het landschap, maar maakt deel uit van de ecologische processen en draagt bij aan de groei en ontwikkeling ervan.
124
125
Het karakter van de Oosterschelde wordt bepaald door het ritme van het getij. Nu dit ritme uit balans is geraakt, kunnen oesters bijdragen aan het behoud van het landschap. De riffen die zij vormen werken als golfbrekers, vangen sediment op en helpen de erosie van slikken tegen te gaan. De architectuur sluit aan op dit proces en ondersteunt de natuurlijke groei van de oesterriffen, waardoor landschap en ecologie elkaar blijven versterken.
Schema
Ecologische groeistructuren 126
Het Markiezaatsmeer richt zich het wortelstelsel daaronder. De wortels draagt bij aan een goede vogels de ruimte krijgen om zich Tegelijkertijd bieden de wortels d eilanden te vormen waarop voge architectuur bouwt voort op deze versterkt haar ecologische werk
op de groei van het riet en zuiverende werking van deze e waterkwaliteit, waardoor h in het gebied te voeden. de mogelijkheid om drijvende els kunnen broeden. De e natuurlijke structuur en king.
Voor de Brabantse Wal ligt de focus op de bodemopbouw en de werking van de bodem. De verschillende aardlagen van zand en klei bepalen welke gewassen hier kunnen groeien. Zo vinden meekrap en wede ieder hun eigen plek in het landschap. Een gezonde balans in de bodem vormt de basis voor een vitaal landschap, waarin de architectuur deze onderliggende processen zichtbaar maakt en ondersteunt.
127
de Steilrand
De steilrand ligt letterlijk op de grens tussen twee werelden: hoog en laag, zand en klei. Op deze overgang verbindt het ontwerp de twee landschappen met elkaar, terwijl het tegelijkertijd een uitkijkpunt biedt over het geologische fenomeen dat de Brabantse Wal heeft gevormd. Net als de bodem waarop het staat, is het ontwerp opgebouwd uit lagen zand en klei. Deze gelaagdheid vertelt het verhaal van een landschap dat gedurende duizenden jaren is ontstaan en maakt de verborgen processen zichtbaar die aan de basis liggen van het huidige landschap. Tegelijkertijd maakt het ontwerp bezoekers bewust van de verschillen tussen beide landschappen en van de mogelijkheden die deze landschappen bieden. Aan de voet van de steilrand wordt meekrap verbouwd, terwijl op de hogere zandgronden wede groeit. Beide verfplanten zijn historisch verbonden met het gebied en tonen hoe de eigenschappen van de bodem bepalen wat er kan groeien. Het ontwerp pleit voor de herintroductie van deze gewassen als duurzaam alternatief voor intensieve landbouw en industrie, en laat zien hoe lokale teelten opnieuw onderdeel kunnen worden van een vitaal en veerkrachtig landschap.
129
Bergen op Zoom
N
W
Situatie / 1:500 de Kraaijenberg Z
130
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Kenniscentrum Uitkijktoren Woonhuis Uitkijkpunt Parkeerplaats Weide Eikenbos Vijver Vogelkijkhut Dijkovergang
O
Het ontwerp is geplaatst op de steilrand bij de Kraaijenberg. Dit is een heuvel op de grens van de zandgronden en kleigronden. Op deze heuvel staat een oude boerderij, die tegenwoordig een kenniscentrum is voor de natuur van de Brabantse Wal. Tegelijkertijd is het een startpunt voor wandelroutes in de omgeving. Vanaf de Kraaijenberg zijn zowel de steilrand als het Markiezaatsmeer goed te zien.
131
Landschapsmaquette / 1:500 de Kraaijenberg
132
133
134
135
136
137
droge zand grond
ste
ilra
natte klei grond
Steilrand als scheiding tussen twee landschap’s typen
Verbinden van de twee landschappen
138
nd
Benadrukken van het hoogte verschil en het creëren van een uitzichtpunt
wede
meekrap
Meekrap en wede benadrukken in kleur de verschillende landschappen
139
Waar op de kleigronden meekrap groeit, vindt op de zandgronden wede haar plek. Beide gewassen volgen een eigen cyclus, waardoor het landschap niet statisch is maar door de jaren heen steeds verandert. Het ene jaar staat vooral de meekrap in bloei, het andere jaar kleuren beide gewassen het landschap tegelijk.
januari
tob
er
ap
tob
er
ap
ril
jan
ri ua
ua
jan
ri
april
oktober
i
jul
jul
i
ok
ok
ril
juli
Cyclus Meekrap
140
januari er
ma
mb
ve
art
juli i
se pte
me
mb
er
juli
se
i
pte
me
mb
er
no
ma
art
er
mb
ve
no
januari
Cyclus Wede
141
142
143
+2.200 NAP
Doorsnede 1:100 GSEducationalVersion
+11.300 NAP
145
Gevel aanzichten 1:100 GSEducationalVersion
147
148
149
Het ontwerp is opgebouwd uit de aardlagen van het landschap. Door het gebruik van klei, zand en kalk zijn rammed earth-wanden gerealiseerd die als het ware een uitsnede maken in de bodemopbouw van het landschap. Om te voorkomen dat grondwater de wanden aantast, zijn een keerwand en fundering van oesterbeton toegepast. In de loop van de tijd worden de wanden langzaam gevormd door gecontroleerde erosie als gevolg van regenwater. Net zoals het landschap zelf in miljoenen jaren is ontstaan door natuurlijke erosieprocessen, wordt hier hetzelfde mechanisme ingezet als ontwerpinstrument, maar dan gestuurd en vertraagd. Dit gebeurt door de wanden bewust te overdimensioneren en erosiechecks in het materiaal en detail toe te passen. Deze slijtlagen komen geleidelijk aan het oppervlak te liggen en nemen steeds meer van het erosieproces over, waardoor de verwering steeds meer vertraagt.
150
151
Detail Erosion check
152 GSEducationalVersion
153
154
155
156
157
het Markiezaatsmeer Doorsnede landschap 1:200
GSEducationalVersion
Het rietpaviljoen is een jaarlijks terugkerend ontwerp, afgestemd op de cyclus van het Markiezaatsmeer. Elk jaar, wanneer het riet in de winter wordt geoogst, wordt het opgestapeld in het landschap en vormt het een uitkijkpunt over de broedeilanden in het meer. Deze eilanden zijn gemaakt van de wortels van het riet en worden door de jaren heen verder aangevuld om meer broedgelegenheden te creëren. Wanneer het riet droog is en de vogeltrek voorbij, gaan de vogels broeden en verdwijnt het paviljoen. Dan ontstaat een moment van rust, waarin de vogels hun jongen grootbrengen. Zodra het nieuwe riet weer voldoende lengte heeft en beschutting biedt langs het pad over het meer, keert de mens terug om deze bijzondere vogels te kunnen aanschouwen.
159
N
Kra
Oesterdam Oosterschelde
W
GSEducationalVersion
Z Oosterschelde Oesterdam
160
aaijenberg
O
Bergen op Zoom Brabantse wal
Het landschap van het Markiezaatsmeer begint hier aan de dijk. Wat normaal een afgesloten natuurgebied is en niet toegankelijk voor mensen, wordt hier opengesteld zonder verstoring van zijn bewoners. Vanaf de dijk volgt een pad dat zich boven de oude schorren voortbeweegt richting de rietkragen aan de rand van het meer, totdat het geleidelijk overgaat in het water. Hier vormt een haag van riet beschutting tegen verstoring door de mens en tegelijkertijd een kans om van dit landschap te kunnen genieten. Het pad van vijf kilometer kent halverwege een stop: de plek waar het riet wordt opgestapeld om te drogen. Dit is het punt waar de bezoeker boven het riet uit kan kijken en zo de verschillende broedeilanden in het meer kan ervaren. Die tussenstop wordt een tijdelijk punt in de cyclus van het landschap: een plek waar oogst, rust en observatie samenkomen. Het is het moment waarop mens en landschap elkaar kort raken, voordat het gebied zich weer terugtrekt in zijn eigen ritme.
161
162
163
In dit diagram is de jaarlijkse cyclus van het Markiezaatsmeer weergegeven. Van maart tot oktober groeit het riet, waarna het in de winter afsterft. Tijdens de wintermaanden wordt het riet geoogst, waarna het kan worden gebruikt als dakbedekking. Voordat het verwerkt kan worden, moet het eerst drogen. Daarom blijft het ongeveer drie maanden opgestapeld in het landschap liggen. Deze periode valt samen met de terugkeer van de vogeltrek naar het meer. Hierdoor ontstaat een bijzonder moment waarop de gestapelde rietbundels kunnen worden gebruikt als tijdelijk uitkijkpunt voor bezoekers. Vanaf deze plek kunnen zij de vogels observeren zonder het gebied te verstoren. Zodra het riet voldoende is gedroogd en wordt afgevoerd, begint het broedseizoen. Dan volgt een periode van rust, waarin de vogels hun nesten bouwen en hun jongen grootbrengen. In deze fase is het riet nog laag en blijft de mens afwezig om verstoring te voorkomen. Wanneer de broedperiode voorbij is en er geen risico meer bestaat op verstoring van de vogels, wordt het gebied opnieuw toegankelijk. Tegen die tijd is het riet voldoende hoog gegroeid om beschutting te bieden. Hierdoor kan de mens zich door het landschap bewegen zonder zichtbaar aanwezig te zijn voor de dieren. Wanneer de vogels in het najaar weer naar warmere gebieden trekken en het riet langzaam begint af te sterven, keert het landschap terug naar het begin van de cyclus en begint het proces opnieuw. De toegankelijkheid van het gebied wordt niet bepaald door hekken of verboden, maar door de cyclus van het landschap zelf. De mens is hier geen constante aanwezigheid, maar een tijdelijke gast die meebeweegt met het ritme van het riet en de vogels. Door momenten van toegang af te wisselen met perioden van rust ontstaat een landschap waarin mens en natuur dezelfde ruimte delen, zonder elkaar te verstoren.
164
januari er
feb
mb
ce
rua
ri
april
oktober
no
art
ve
ma
mb
er
de
me
i
pte
se mb
Bontebek
er
Lepelaar Kluut au
Strandplevier
gu
stu
s
Riet
i
jun
juli
165
vuil water
riet wortels filteren het water
Schema Helofytenfilter GSEducationalVersion
vorming wortelbeton
schoon water
167
Wortelbeton wordt gemaakt door riet in bakken te laten groeien en de waterstand te laten varieren.
Schema Helofytenfilter pad GSEducationalVersion
Een houtenpad met aan de randen helofytenfilters die uitgroeien tot wortelbeton vormt de toegang tot het gebied.
169
170
171
172
De wortels van het riet weken als een helofytenfilter en filteren het water, tegelijk wordt het gebruikt om eilanden mee te maken.
173
174
175
Schema Broedeiland van wortelbeton GSEducationalVersion
toplaag van rietstengels en zand
blokken wortelbeton
177
178
5m voor solitair broedende vogels
50m kolonie broedende vogels
verschillende vormen mogelijk met dezelfde basis
179
Landschapsmaquette / 1:500 Markiezaatsmeer
180
181
182
183
184
185
Doorsnede winter 1:100 GSEducationalVersion
187
188
189
Doorsnede zomer 1:100 GSEducationalVersion
191
192
193
de Oesterdam Doorsnede landschap 1:200
GSEducationalVersion
Het ontwerp voor de Oesterdam is een getijdenmolen die op het ritme van de Oosterschelde oesterschelpen vermaalt tot een fijne grondstof. Het ontwerp is geïnspireerd op de historische getijdenmolen in de oude haven van Bergen op Zoom, die zijn functie verloor door de aanleg van de Deltawerken. Tijdens vloed vult de getijdenbak zich met water. Dit grote reservoir houdt het water vast totdat het eb wordt. Vervolgens stroomt het water door een waterrad naar buiten, waarbij de vrijgekomen energie wordt gebruikt om oesterschelpen, ontdaan van restmateriaal, te vermalen. Het verkregen schelpmateriaal kan vervolgens worden ingezet voor de aanleg en versterking van oesterriffen op het aangrenzende slik.
195
N Tholen
Slik Oosterschelde
W
GSEducationalVersion
Situatie / 1:500 de Kraaijenberg Kreekraksluis
Z
Schelde-Rijnkanaal
Oesterdam
O
Bergen op Zoom Brabantse wal
Een pad dat begint op de dijk voert bezoekers langs het molenhuis en de getijdenbak en eindigt op het slik. In het verlengde van dit pad lopen de oesterriffen door in een patroon dat is afgeleid van de grillige, gefragmenteerde structuur van de naastgelegen schorren. Zo ontstaat een directe relatie tussen het ontwerp en het landschap van de Oosterschelde. De getijdenbak biedt tegelijkertijd ruimte voor recreatie. Wanneer de bak gevuld is met water, kan deze worden gebruikt als natuurlijke zwemvoorziening. Om dit mogelijk te maken, zijn in het ontwerp ook kleedruimten en douches opgenomen.
197
Landschapsmaquette / 1:500 Oesterdam hoog tij
198
199
Landschapsmaquette / 1:500 Oesterdam laag tij
200
201
De getijcyclus laat zien hoe het landschap van de Oosterschelde voortdurend verandert. Bij vloed staan de slikken en platen onder water, terwijl ze bij eb droogvallen en beschikbaar worden als foerageergebied voor vogels. Deze dagelijkse beweging van water bepaalt daarmee niet alleen de vorm van het landschap, maar ook het ritme van het ecosysteem.
springtij dag 14 +200cm
g1
2
da
g
g da
12
0=NAP
da
400cm
g
da
13
dag 3
dag 1 1
-200cm
80cm
0
dag 4
dag 1 225cm
9
da
g
5
g da g8
g6
85cm
da
da dag 7 doodtij
Cyclus Getijden
202
De oestercyclus laat zien hoe oesters zich binnen dit systeem ontwikkelen en hoe een oesterrif zich door de tijd kan opbouwen. Oesters filteren het water en vormen met hun riffen een harde structuur waaraan nieuwe oesters zich kunnen hechten. De riffen kunnen daarnaast de stroming en golfslag beïnvloeden, waardoor sediment wordt vastgehouden.
g
chtin
bevru
larve
zoek
fase sp
±3 weken
at
e ng
jo
volw
asse
n oe
ster
er st
oe
2 jaar
Cyclus Oester
203
Schema Oesterrif als sediment vanger GSEducationalVersion
205
206
207
208
209
GSEducationalVersion
GSEducationalVersion
210
Als het vloed is vult de getijdenbak zich met zeewater
Zodra het eb wordt gaat de sluis dicht en wordt het water vast gehouden. Zodra het water laag staat wordt de sluis open gezet en stroomt het water langs het rad
Als de getijdenbak helemaal leeg is, is het wachten tot het volgende hoog tj
211
212
213
214
Plaatsen prefab damwand
Maken van wand en vloer getijdenbak
Plaatsen van prefab vloerdelen met openingen om water door te laten
Wanneer het vloed is zal de getijdenbak gevuld worden met water
GSEducationalVersion
Ruimte tussen damwand en getijdenbak opvullen met zand
Wanneer de getijdenbak gevuld is met water kan er in gezwommen worden
215
216
217
3 Landschappen samen laten komen
2
Plattegrond | 1e verdieping 1:100 GSEducationalVersion
1
1 fietsparkeren 2 maalsteen
3 Landschappen samen laten komen
2
3
1
5
Plattegrond | begane grond 1:100 GSEducationalVersion
4
3
1 molen 2 douches 3 kleedkamer 4 technischeruimte 5 getijdenbak/zwembad
Doorsnede & aanzicht 1:100 GSEducationalVersion
223
224
225
226
227
Dankwoord Ik wil graag mijn waardering en dank uitspreken aan iedereen die mij heeft gesteund en geholpen tijdens mijn afstudeerproject, maar bovenal gedurende mijn gehele tijd aan de Academie van Bouwkunst. Aan mijn afstudeercommissie, Marlies Boterman, Ad Kil en Ricky Rijkenberg, voor hun begeleiding en voor het motiveren om alles wat in mij zit eruit te halen. Ook tijdens dit laatste project hebben zij mij tot het einde gestimuleerd om mijn ontwerpvaardigheden verder te blijven ontwikkelen. Aan mijn vriendin Isabelle, die mij altijd heeft gesteund, gemotiveerd en vooral altijd in mij heeft geloofd. Ook voor de opofferingen die zij heeft moeten doen gedurende deze intensieve periode. Aan mijn familie en vrienden, die mij altijd zijn blijven steunen en zonder wie dit niet mogelijk was geweest. Aan de heren van de Makerspace, Peter, Martijn en Bo, voor het meedenken, hun vakmanschap en hun hulp bij het realiseren van de maquettes. Aan mijn collega’s, en in het bijzonder Thomas, Sascha en David, voor het sparren over mijn project, maar vooral ook voor hun hulp bij het maken van de maquettes. Daarnaast ben ik dankbaar voor alle mensen die ik onderweg ben tegengekomen, die hun kennis met mij hebben willen delen en hun werkplek hebben opengesteld om mij verder te helpen. Bedankt, Sam Edens, Jan Akkermans, Wouter Slors, Claudy Jongstra en Jim van Belzen
228
229
Academie van Bouwkunst Amsterdam 2026 Jeroen de Rooij