Skip to main content

Geregeld Spreken, derde oplage, 9789024422012, 01.03

Page 1

Geregeld spreken

tte

Di st

Oo & eS

iqu

on

M

Regels begrijpen, oefenen en doen

rl oo

ch


Geregeld spreken


Met onderstaande unieke code krijg je toegang tot het extra materiaal bij Geregeld spreken. • • • • •

Ga naar www.nt2school.nl. Maak een account aan en log in. Klik op ‘Activeer nieuw lesmateriaal’ en voer hier eenmalig onderstaande code in. Klik op 'Bevestigen'. Je kunt nu direct beginnen.


Geregeld spreken

Ditte Oost & Monique Schoorl

Regels begrijpen, oefenen en doen


Derde oplage, 2020 © Ditte Oost & Monique Schoorl en Boom uitgevers Amsterdam, 2018 Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van de artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb. 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht (postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van artikel 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912. Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.stichting-pro.nl). No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher. De uitgever heeft getracht alle rechthebbenden van de illustraties te achterhalen. Mocht iemand desondanks menen dat zijn rechten niet zijn gehonoreerd, dan kan hij zich wenden tot de uitgever. Verzorging omslag en binnenwerk: JACKY-O, Rotterdam Illustraties: Shutterstock, JACKY-O, Rotterdam Praatplaten: Marius van Dokkum, Ugchelen ISBN 9789024422012 NUR 110 www.boomuitgeversamsterdam.nl www.nt2.nl


VOORWOORD In april 2017 ontstond op een terras in de zon het idee voor deze spreekmethode, waarin we grammatica combineren met spreken. Vervolgens hebben we lessen ontworpen, laten uitproberen, veel oefeningen herzien en nogmaals herzien met de hulp van ervaren en onervaren NT2-docenten. Mede door hun kritische houding en tijdsinvestering hebben wij deze methode kunnen schrijven en verbeteren. Grote dank is er voor Marcia Schouten en Ber Fontaine, die ons veel werk uit handen hebben genomen. IdeeĂŤn kregen wij van Linda Stamkot, Marloes Veelbehr en Irma Krake op momenten dat onze creativiteit het even liet afweten. De lessen zijn uitgeprobeerd door docenten van Fiolet Taaltrainingen. Hun reacties en observaties van cursisten zijn van groot belang geweest voor de verbeteringen van oefeningen en de opbouw. Ook de feedback van cursisten zelf heeft ons weer teruggebracht op het juiste spoor. Wij zien dit boek als een levend document. Het is nooit klaar: wij blijven ons ontwikkelen en door nieuwe ervaringen onze visie bijstellen. Dit zal ook gelden voor deze methode. Uw feedback is dan ook van harte welkom. U kunt deze sturen naar nt2@bua.nl. We wensen alle docenten en cursisten veel lesplezier met Geregeld spreken.

Ditte Oost & Monique Schoorl Hoorn, juni 2018


INHOUD Inleiding 8 DEEL 1

13

Les 1 - ik ben, jij bent A1 - Ik kan het werkwoord zijn goed gebruiken. Ik kan vertellen wie ik ben en waar ik ben.

14

Les 2 - Wie is het? A1 - Ik kan de persoonsnamen gebruiken.

19

Les 3 - 1 2 3 A1 - Ik kan in korte 123-zinnen spreken.

29

Les 4 - 3 2 1 A1 - Ik kan in korte 321- of 3213-zinnen spreken.

37

Les 5 - doe-woorden A1 - Ik kan de doe-woorden bij ik, jij, hij, zij, u, wij, jullie en zij goed gebruiken.

42

Les 6 - op, in, voor, naast, achter, tussen, onder A1 - Ik kan vertellen waar iets of iemand ligt, staat of zit.

52

Les 7 - ik heb, jij hebt, zij heeft A1 - Ik kan het werkwoord hebben goed gebruiken.

60

Les 8 - een vrouw, meer vrouwen A1 - Ik kan het meervoud maken van personen en dingen.

68

Les 9 - een vraag maken A1 - Ik kan een vraag maken.

75

Les 10 - antwoord geven met ja A1 - Ik kan antwoord geven met ja.

83

Les 11 - antwoord geven met nee A1 - Ik kan antwoord geven met nee.

90

Les 12 - wat, waar, wie, hoe, wanneer, hoeveel, welke A1 - Ik kan vragen maken met wat, waar, wie, hoe, wanneer, hoeveel, welke.

99

Les 13 - Van wie is het? A1 - Ik kan vertellen van wie iets is: het is mijn huis en zijn auto.

107


Les 14 - gaan, kunnen, willen, moeten, mogen 111 A1 - Ik kan met gaan, kunnen, willen, moeten en mogen een goede 123-zin maken. Les 15 - gaan, kunnen, willen, moeten, mogen A1 - Ik kan met deze werkwoorden een goede 12a32b-zin maken.

117

Les 16 - groot, nieuw, koud A1 - Ik kan iets vertellen over dingen en personen.

125

DEEL 2

133

Les 17 - grote, nieuwe, koude A2 - Ik kan iets extra’s vertellen over dingen en personen

134

Les 18 - waarom & omdat A2 - Ik kan een waarom-vraag maken en antwoord geven met omdat.

141

Les 19 - werkwoorden (klaar) A2 - Ik kan vertellen wat ik heb gedaan.

147

Les 20 - dit, dat, deze, die A2 - Ik kan vertellen welke ik bedoel.

153

Les 21 - opruimen A2 - Ik kan een goede zin maken met werkwoorden als opruimen.

159

Les 22 - opgeruimd A2 - Ik kan een goede zin maken met werkwoorden als opruimen.

166

Les 23 - want, en, maar, dus, of 173 A2 - Ik kan van twee zinnen één zin maken met de woorden want, en, maar, dus, of. Les 24 - mooi, mooier, mooist A2 - Ik kan vertellen wat ik mooi vind, nog mooier en het mooist.

179

Les 25 - eerst, dan, daarna A2 - Ik kan in een paar zinnen vertellen wat ik ga doen.

187

Les 26 - eerst, toen, daarna A2 - Ik kan in een paar zinnen vertellen wat ik heb gedaan.

193

Les 27 - Wanneer? Als … A2 - Ik kan antwoord geven met als.

198

Les 28 - Ik vind, ik denk, ik geloof dat … A2 - Ik kan mijn mening geven.

204


INLEIDING Het ontstaan van Geregeld spreken In gesprekken met cursisten over de lessen vertellen ze vaak dat ze graag meer willen spreken tijdens de les. In gesprekken met docenten over de lessen vertellen ze vaak dat ze het moeilijk vinden om grammaticaregels uit te leggen aan laagopgeleiden. Deze twee zaken hebben we in Geregeld spreken gecombineerd: een methode waarin grammaticaregels worden uitgelegd en in de les tijdens spreekoefeningen worden ingeoefend. Met dit als uitgangspunt zijn we verder gaan bouwen aan deze spreekmethode, waarin de volgende vier aspecten een rol spelen: 1 regels op een eenvoudige manier aanbieden; 2 spreken regelmatiger en systematischer aanbieden; 3 de mogelijkheid tot veel herhaling, ook thuis; 4 de toepasbaarheid in het dagelijks leven. Het gebruik Dit boek kan worden gebruikt naast alle methoden. We hebben een indeling gemaakt waarin de moeilijkheidsgraad van de onderwerpen bepalend was, maar iedere les kan op elk moment gebruikt worden. Ons advies is: kies het onderwerp waaraan behoefte is bij jouw cursisten. Je hoeft dus niet bij les 1 te beginnen als dit onderwerp voor jouw cursisten gesneden koek is. Spreken en niet schrijven Geregeld spreken is een spreekmethode. Bijna alle lessen zijn getest in verschillende lesgroepen bij Fiolet Taaltrainingen. De behoefte van cursisten om te noteren is groot, maar het remt de cursisten in hun aandacht bij de les. Ons advies is dan ook om heel streng te zijn op pennen of potloden in de handen van de cursisten. Schrijven gaan ze doen tijdens de herhalingsoefeningen in het onderdeel Kilometers maken. Woordenschat We hebben geprobeerd het aanbod van woorden in de zinnen zo eenvoudig mogelijk te houden, zodat de woordenschat geen belemmering hoeft te vormen voor het inoefenen van de regels. Tijdens het testen bleek namelijk dat cursisten bijvoorbeeld vragen gingen stellen over de eigennamen, waardoor het doel van de oefening ondergesneeuwd raakte. De opbouw Deze methode leert de cursisten stap voor stap eenvoudige regels van de Nederlandse taal toe te passen in het dagelijks leven. Wij hebben een BOD-model ontwikkeld voor

8

GEREGELD SPREKEN


grammaticaonderwijs, waarbij de rol van de docent en die van de cursist worden beschreven volgens de volgorde: Begrijpen, Oefenen, Doen. Deze begrippen zijn ook goed uit te leggen aan de cursisten zelf, zodat zij weten in welke fase van het leerproces zij zitten. Het spreekt voor zich dat de oefenfase de langste fase is en dat het huiswerk maken daar een vast onderdeel van uitmaakt. De opbouw van de lessen is steeds hetzelfde: de cursist

de docent

stap 1

Begrijpen = kijken, luisteren en vragen stellen

instrueren

De docent haalt de cursisten naar het bord en legt aan de hand van voorbeelden de regel uit. De aandacht van de cursist is nu bij de instructie. De docent checkt bij de cursisten of de regel begrepen wordt.

stap 2

Oefenen = spreken

begeleiden

De docent zorgt dat de cursisten de spreekoefeningen actief gaan uitvoeren. De oefeningen zijn opgebouwd van eenvoudig naar minder eenvoudig, van geleide naar minder geleide opdrachten. De spreekoefeningen zijn bedoeld om de regel de kans te geven te beklijven. De oefeningen bieden ook mogelijkheden voor differentiatie. Alle spreekoefeningen kunnen indien nodig als herhaling vaker worden gebruikt.

stap 3

Doen = gebruiken

op de achtergrond

Tijdens deze stap wordt ervan uitgegaan dat de cursisten de regels zelfstandig kunnen gebruiken in de aangeboden oefeningen.

Huiswerk = Kilometers maken = Herhalen

De huiswerkoefeningen zijn bedoeld om thuis de regels nog een keer te herhalen. Hiervoor worden de spreekoefeningen uit de lessen gebruikt. Op die manier is het huiswerk voor de cursist herkenbaar en met plezier te maken.

INLEIDING

9


Onderdelen in iedere les Stap 1: Begrijpen 1. Op het schoolbord komt zo gestileerd mogelijk de nieuwe informatie voor de cursist te staan. De cursisten komen bij het bord staan en de docent legt de regels uit met behulp van de voorbeelden uit het boek. 2. Nazeggen: in de eerste oefening luisteren de cursisten naar de docent, die de nieuwe informatie in zinnen heeft gezet, en spreken zij deze zinnen na. 3. De volgende stap is twee cursisten die met elkaar de zinnen voorlezen en elkaar helpen met de uitspraak. De cursisten zitten tegenover elkaar en hebben beiden het boek in handen. 4. De laatste stap is dat twee cursisten met de rug naar elkaar toe gaan zitten waarbij één cursist geen boek heeft: hij/zij luistert en zegt na. De rollen worden daarna omgedraaid. (Dit komt in deel 2 niet meer voor.) 5. De docent checkt bij de cursisten of ze de informatie begrijpen door de informatie op het bord te herhalen. 6. De 123-methode loopt als een rode draad door de lessen, zodat de woordvolgorde altijd kan worden gebruikt als ondersteuning voor het maken van een goede zin. 7. Deel 2 start met een dialoog uit het dagelijks leven, waarin het grammaticale onderwerp naar voren komt. Stap 2: Oefenen 1. De opbouw van de oefeningen is van geleide naar minder geleide opdrachten. 2. De cursisten hebben in deze fase de docent als begeleider nodig om de oefeningen goed uit te kunnen voeren. 3. Vrijwel alle oefeningen worden door kleine groepjes uitgevoerd, zodat alle cursisten continu actief bezig zijn. 4. Differentiatie: als de oefeningen te makkelijk zijn voor een cursist, kan de oefening met het boek dicht uitgevoerd worden. Hierdoor kan iedere cursist de oefening op zijn of haar eigen niveau doen. 5. In het boek zijn een aantal praatplaten opgenomen, die kunnen worden gebruikt in de oefen- of doe-fase. 6. In deze fase wordt regelmatig een ‘snel’-oefening aangeboden, waarbij de cursisten leren om tempo te gaan maken. Stap 3: Doen 1. Als de informatie voldoende begrepen wordt en genoeg geoefend is, krijgen de cursisten vrijere oefeningen waarin ze deze moeten gaan toepassen. 2. De meeste lessen worden afgerond met een spontane spreekoefening.

10

GEREGELD SPREKEN


Stap 4: Kilometers maken Een aantal oefeningen uit elke les wordt als huiswerk opgegeven, om thuis nog een keer de informatie op een makkelijke manier te herhalen. De zinnetjes zijn precies hetzelfde, zodat dit de cursist thuis makkelijk afgaat. Dit werkt motiverend en op die manier oefenen ze weer. De uitwerkingen van de oefeningen staan op de website. De woordvolgorde volgens de 123-methode De 123-methode is een systeem om cursisten de woordvolgorde van de Nederlandse zin uit te leggen zonder grammaticale termen te gebruiken. 1 = het onderwerp, 2 = het werkwoord, 2a = het werkwoord dat bij 1 hoort, 2b = de andere werkwoorden in de zin, 3 = extra informatie Taalniveau A1: Mijn moeder

werkt

iedere dag

in Utrecht

in het ziekenhuis.

1

2

3

3

3

Iedere dag

werkt

mijn moeder

in Utrecht

in het ziekenhuis.

3

2

1

3

3

Werkt

mijn moeder

iedere dag

in Utrecht

in het ziekenhuis?

2

1

3

3

3

Mijn moeder

heeft

iedere dag

in het ziekenhuis

gewerkt.

1

2a

3

3

2b

Mijn moeder

gaat / wil / moet ‌

iedere dag

in het ziekenhuis

werken.

1

2a

3

3

2b

INLEIDING

11


Taalniveau A2: Jaap

gaat

naar de dokter

1

2

3

Jaap

gaat

naar de dokter

1

2

3

want en maar dus of

als omdat

hij

heeft

pijn

in zijn buik.

1

2

3

3

hij

pijn

in zijn buik

heeft.

1

3

3

2

Werkvorm binnen- en buitenkring Doel Het automatiseren van veelvoorkomende vragen. Antwoord leren geven op eenvoudige vragen over de eigen situatie. Uitvoering - Zoek een geschikte ruimte waar cursisten in een kring kunnen staan. - Verdeel de groep in tweeën: een binnenkring voor de vraag en een buitenkring voor het antwoord. - Laat de cursisten het boek meenemen naar de kring. - De cursisten uit de binnenkring stellen alle vragen aan één persoon uit de buitenkring. - Daarna schuift de buitenkring één persoon op, zodat iedereen een nieuwe gesprekspartner heeft. - Daarna stellen ze dezelfde vragen aan deze persoon uit de buitenkring. - Als iedereen geweest is, wisselen de cursisten van de binnen- naar de buitenkring. - Het doel van deze oefening is het laten inslijpen van veelvoorkomende vragen en antwoorden. Ook is deze oefening voor cursisten een goede manier om over eventuele spreekangst heen te komen.

12

GEREGELD SPREKEN


DEEL 1

13


LES 1 IK BEN, JIJ BENT A1 - Ik kan het werkwoord zijn goed gebruiken. Ik kan vertellen wie ik ben en waar ik ben.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

ik ben jij / je / u bent hij / zij is wij / jullie / zij zijn

1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na. 1

Ik

ben

een vrouw.

2

Jij / Je

bent

in Amsterdam.

3

U

bent

de baas.

4

Hij

is

cursist.

5

Zij

is

de oudste.

6

Wij

zijn

vrienden.

7

Jullie

zijn

thuis.

8

Zij

zijn

ziek.

Let op! 9

Morgen

ben

jij / je

10

Ben

jij / je

op school?

14

GEREGELD SPREKEN

op school.


2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest zin 1. Daarna leest cursist B zin 2. Help elkaar om het goed te zeggen.

3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest een zin, B kijkt niet in zijn boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

4 Wie ben ik? Waar ben ik? Werk in tweetallen. Vertel aan elkaar wie je bent. Maak vijf zinnen. Begin met: ‘Ik ben …’ Spreekhulp wie

waar

Ik ben een vrouw. Ik ben Maria. Ik ben 40 jaar. Ik ben groot. Ik ben blij.

Ik ben thuis. Ik ben op school. Ik ben in Amsterdam. Ik ben in de kamer. Ik ben in de supermarkt.

Kies uit: wie

waar

groot, klein, dik, dun, oud, jong, moe, ziek, blij, mooi, gezond

in de stad, op school, thuis, in de slaapkamer, in de keuken, bij de gemeente, in de supermarkt, bij mijn familie, op straat, buiten, in de winkel, bij de buren

LES 1 IK BEN, JIJ BENT

15


5 Wie ben je? Waar ben je? Werk in tweetallen. Vertel nu aan elkaar wie en waar de ander is. Begin met: ‘Jij bent …’ Wissel daarna van rol.

6 Wie is hij / zij? Waar is hij / zij? Werk in drietallen. Cursist A vertelt: ‘Ik ben …’ Cursist B vertelt aan C: ‘Zij is …’ Wissel daarna van rol.

7 Wie zijn wij? Wie zijn jullie? Wie zijn zij? De mannen gaan aan de ene kant van het lokaal staan. De vrouwen aan de andere kant. De vrouwen zeggen: ‘Wij zijn vrouwen. Jullie zijn mannen. Wij zijn op school.’ De mannen zeggen: ‘Wij zijn mannen. Jullie zijn vrouwen. Wij zijn op school.’ Er liggen drie woorden in het lokaal: jong, blij en gezond. Ga bij een van de woorden staan. In elke groep maakt een cursist een goede zin over de drie groepen. Dan legt de docent nieuwe woorden neer. Ga bij een van de woorden staan. Maak per groep weer zinnen. Voorbeeld: Wij zijn jong. Jullie zijn blij. Zij zijn gezond.

16

GEREGELD SPREKEN


8 Samen Werk in tweetallen. Maak samen tien goede zinnen. Kies uit deze woorden en kijk goed naar de spreekhulp. Kies uit: ben – bent – is – zijn. 1

Het meisje

blij.

2

De dokter

in het ziekenhuis.

3

De kinderen

op school.

4

De man

bij de gemeente.

5

De docent

in de auto.

6

Ik

thuis.

7

De cursisten

moe.

8

De baas

klein.

9

Jij

lief.

10

De docenten

aardig.

STAP 3: DOEN

9 Dobbelsteen Kijk op het bord: = ik

= wij

= jij

= jullie

= hij / zij = zij De docent geeft een voorbeeld in de grote groep. Gooi de dobbelsteen. Maak een zin met de juiste persoon, bijvoorbeeld als je 3 gooit: ‘Hij is 25 jaar.’ Maak nu kleine groepjes met vier tot vijf cursisten. Elke groepje krijgt een dobbelsteen. Maak om de beurt een goede zin. LES 1 IK BEN, JIJ BENT

17


10 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. Vertel aan elkaar in vijf zinnen wie je bent en waar je bent. Vertel daarna in vijf zinnen wie de ander is.

STAP 4: KILOMETERS MAKEN

11 Maak de zinnen af Kies uit: ben – bent – is – zijn.

is

1

Het meisje

2

De dokter

in het ziekenhuis.

3

De kinderen

op school.

4

De man

bij de gemeente.

5

De docent

in de auto.

6

Ik

thuis.

7

De cursisten

moe.

8

De baas

klein.

9

Jij

lief.

10

De docenten

aardig.

18

GEREGELD SPREKEN

blij.


LES 2 WIE IS HET? A1 - Ik kan de persoonsnamen gebruiken.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

een persoon meer personen ik wij / we jij / je jullie u hij zij / ze zij / ze

1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na. 1

Ik

werk

in Den Haag.

2

Jij

woont

in Utrecht.

3

Je

woont

in Utrecht

4

U

bent

docent.

5

Hij

zit

in de bus.

6

Zij

zit

in de trein.

7

Ze

zit

in de trein.

8

Wij

drinken

koffie.

LES 2 WIE IS HET?

19


9

We

drinken

koffie.

10

Jullie

kopen

tomaten.

12

Zij

gaan

naar school.

13

Ze

gaan

naar school.

2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest zin 1. Daarna leest cursist B zin 2. Help elkaar om het goed te zeggen.

3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest een zin, cursist B kijkt niet in het boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol. Spreekhulp

20

ik

wij = we

jij = je

jullie

u

u

hij

zij = ze

GEREGELD SPREKEN

zij = ze


STAP 2: OEFENEN

4 Wie is het? Kijk naar het plaatje. Werk in tweetallen. Cursist A maakt een zin. Daarna maakt cursist B een zin. Gebruik de spreekhulp.

1 bent

mevrouw Radi.

zijn

cursisten.

ga

naar de dokter.

maken

huiswerk.

is

een vrouw.

gaan

naar de stad.

bent

aardig.

spreekt

Nederlands.

2

3

4

5

6

7

8

LES 2 WIE IS HET?

21


5 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest een zin. Cursist B verandert het persoonswoord. Kies uit: hij – zij / ze – jullie – wij / we. Klaar? Wissel van rol. Gaat het goed? Dan doet cursist B de oefening met de ogen dicht. 1

Jij en ik

gaan

naar de stad.

2

De jongen

speelt

met de bal.

3

Jij en jij

4

Vader en moeder

5

Wij

gaan

naar de stad.

speelt

met de bal.

drinken thee.

drinken

thee.

zijn

thuis.

zijn

thuis.

De buurvrouw is

ziek.

is

ziek.

6

Mijn vader

is

oud.

is

oud.

7

De dokter

werkt

in het ziekenhuis.

werkt

in het ziekenhuis.

8

De mannen

maken

huiswerk.

maken

huiswerk.

9

De meisjes

zijn

blij.

zijn

blij.

6 Ik, jij, hij / zij Werk in drietallen. Cursist A vertelt: ‘Ik ben …’ Cursist B herhaalt: ‘Jij …’ Cursist C herhaalt: ‘Hij / Zij …’ Cursist A kiest uit: ziek, aardig, een man, een vrouw, cursist, op school, in de stad, op het station, oud, jong, dik, dun, groot, klein, in het lokaal, in het restaurant, thuis, moe, blij. Voorbeeld: Cursist A: ‘Ik ben ziek.’ Cursist B: ‘Jij bent ziek.’ Cursist C: ‘Hij is ziek.’ Let goed op: is cursist A een man of een vrouw? 22

GEREGELD SPREKEN


7 Met de bal Ga met de hele groep in een kring staan. Op het bord staat: zij – hij – wij – jullie. De docent gooit de bal naar cursist A en leest de zin. Cursist A verandert ‘het meisje’ in ‘zij’. Daarna leest cursist A een zin en gooit de bal naar cursist B. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Het meisje is op school. De kinderen zijn ziek. De buurman is aardig. De buurvrouw is blij. De cursisten zijn in het lokaal. De cursist is in Amsterdam. Jij en ik zijn vrienden. Jij en jij zijn vrouwen. Opa en oma zijn ziek. De docent is op school.

8 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest een vraag. Cursist B geeft antwoord. Klaar? Wissel van rol. 1

Ben

jij

op school?

Ja,

2

Bent

u

thuis?

Ja,

3

Is

hij

in de supermarkt?

Ja,

4

Is

zij

ziek?

Ja,

5

Zijn

wij

aardig?

Ja,

6

Zijn

jullie

moe?

Ja,

7

Zijn

zij

op school?

Ja,

LES 2 WIE IS HET?

23


Jij of u? jij je

voor kinderen voor jonge mensen voor mensen die je goed kent (familie, vrienden, collega’s)

Je gebruikt de voornaam: - Dag Ali, waar woon jij? - Dag Mina, wil je koffie?

u

voor oude mensen voor mensen die je niet goed kent voor mensen die je niet kent

Je gebruikt 'meneer' of 'mevrouw' en de achternaam: - Dag meneer Peters, wil u thee? - Dag mevrouw Hussein, bent u ziek?

9 Samen Jij of u? Praat samen. Wat zeg je in jouw land? Wat zeg je in Nederland? jouw land jij of u? 1

Je praat met je zoon.

2

Je praat met je man of vrouw.

3

Je praat met de buurvrouw. Zij is 80 jaar.

4

Je praat met je collega op het werk. Hij is 25 jaar.

5

Je praat met de buurman. Hij is 30 jaar.

6

Je praat met de directeur.

7

Je praat met je zus.

8

Je praat met een man van de gemeente.

24

GEREGELD SPREKEN

Nederland jij of u?


STAP 3: DOEN

10 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. De buitenkring stelt vragen aan de binnenkring. Klaar? Wissel van rol. de vraag

het antwoord

1

Wie ben jij?

2

Wie is de docent?

3

Wie zijn jullie?

4

Waar ben jij?

5

Waar is de docent?

6

Waar zijn jullie?

11 Dobbelsteen Werk in groepjes van drie of vier cursisten. Gooi de dobbelsteen. Maak een goede zin.

=

=

=

=

of

=

=

LES 2 WIE IS HET?

25


STAP 4: KILOMETERS MAKEN

12 Wie is het? Kijk naar het plaatje. Maak een goede zin. Gebruik de spreekhulp.

1

2

3

1 bent

mevrouw Radi.

zijn

cursisten.

ga

naar de dokter.

maken

huiswerk.

is

een vrouw.

gaan

naar de stad.

bent

aardig.

spreekt

Nederlands.

2

3

4

5

6

7

8

26

GEREGELD SPREKEN


13 Schrijf het antwoord op

1

Ben

jij

op school?

Ja,

2

Bent

u

thuis?

Ja,

3

Is

hij

in de supermarkt?

Ja,

4

Is

zij

ziek?

Ja,

5

Zijn

wij

aardig?

Ja,

6

Zijn

jullie

moe?

Ja,

7

Zijn

zij

op school?

Ja,

14 Schrijf het antwoord op

de vraag 1

Wie ben jij?

2

Wie is de docent?

3

Wie zijn jullie?

4

Waar ben jij?

5

Waar is de docent?

6

Waar zijn jullie?

het antwoord

LES 2 WIE IS HET?

27


15 Jij of u? Wat zeg je in jouw land? Wat zeg je in Nederland? jouw land jij of u? 1

Je praat met je zoon.

2

Je praat met je man of vrouw.

3

Je praat met de buurvrouw. Zij is 80 jaar.

4

Je praat met je collega op het werk. Hij is 25 jaar.

5

Je praat met de buurman. Hij is 30 jaar.

6

Je praat met de directeur.

7

Je praat met je zus.

8

Je praat met een man van de gemeente.

28

GEREGELD SPREKEN

Nederland jij of u?


LES 3 1 2 3 A1 - Ik kan in korte 123-zinnen spreken.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

Ik 1

woon 2

in een klein huis. 3

zit 2

op de bank. 3

Ik 1

woon 2

De kat 1

zit 2

De kat 1

drie jaar 3

in een klein huis. 3

de hele dag 3

op de bank. 3

1 = mensen, dieren, dingen 2 = werkwoord 3 = extra informatie

1 Nazeggen Luister naar de docent. Hij leest zinnen voor en steekt vingers op. Zeg de zinnen na en steek het juiste aantal vingers op. Voorbeeld: Wij = 1 = de wijsvinger opsteken wonen = 2 = de middelvinger erbij twee jaar = 3 = de duim erbij in Amsterdam = nog een keer de drie vingers laten zien

LES 3 1 2 3

29


1

Wij

wonen

1 2

Wij

2 wonen

1 3

Mijn kinderen

Mijn kinderen

De koffie

De koffie

7

De hond

8

staat

staat

10

GEREGELD SPREKEN

op tafel.

3

3

vlees.

2

3 iedere dag

2

3

vlees.

3

op dinsdag.

2 is

1

30

nu

is

De les

3

2

1

3

op tafel.

eet

De les

op straat.

3

2

1 9

vandaag

eet

De hond

3

2

1

3

op straat.

spelen

1

in Amsterdam.

3

2

1 6

twee jaar

spelen

1 5

3

2

1 4

in Amsterdam.

3 op dinsdag

2

3

in Rotterdam.

3


2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de zinnen en gebruikt de vingers om de 1, de 2 en de 3 te laten zien. Cursist B kijkt of cursist A de juiste 123-vingers opsteekt. Wissel daarna van rol.

3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest een zin, cursist B kijkt niet in zijn boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

4 Puzzelen Maak groepjes van vier of vijf cursisten. De docent geeft ieder groepje een aantal A4’tjes: een met een 1, een met een 2, een met een 3. Zoek steeds de goede woorden bij je nummer. Maak samen zo veel mogelijk goede 1233-zinnen door in de juiste volgorde te gaan staan. De docent controleert de zinnen. Wissel na iedere zin van nummer. Presenteer de laatste zin aan de andere groep.

De dokter

in de winter

De koe

Wij

leggen

werkt

eten

binnen.

vis.

iedere week

iedere maandag

in de lente

staat

slaap

De vogels

in het ziekenhuis.

een ei.

op de bank.

Ik

vandaag

LES 3 1 2 3

31


5 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt vragen aan cursist B. Cursist B geeft antwoord in goede 123- of 1233-zinnen. Wissel daarna van rol. 1 Waar woon je? Ik

in ...

2 Hoeveel tassen heeft de docent? De docent

heeft

3 Wat drinkt zij in de pauze? Zij

drinkt

in ...

4 Hoeveel jaar woont hij in dit dorp? Hij

woont

in ...

5 Waar koopt je vader brood? Mijn vader

32

GEREGELD SPREKEN

koopt

in ...


6 Praatplaat Werk in tweetallen. Kijk naar de praatplaat Vol en bol. Zoek de goede 1, 2 en 3 bij elkaar.

Voorbeeld: De familie is in de kamer.

De familie

slaapt

aan de muur.

De grote man

ligt

op tafel.

De klok

eet

in de kamer.

De peuter

staat

taart.

De vrouw

kijkt

televisie.

Het meisje

hangt

rode wijn.

De jonge man

drinkt

op de grond.

De koffie

is

op de laptop.

De dikke man

werkt

in de stoel.

LES 3 1 2 3

33


STAP 3: DOEN

7 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. De binnenkring stelt de vraag. De buitenkring geeft antwoord en steekt de vingers op bij de 1, 2 en 3. Wissel daarna van rol. Binnenkring

1

Hoe oud ben jij?

2

In welke stad of welk dorp woon jij?

3

Hoeveel kamers heeft jouw huis?

4

Uit welk land kom jij?

5

Wat eet jij vandaag?

34

GEREGELD SPREKEN

Buitenkring


STAP 4: KILOMETERS MAKEN

8 Schrijf de zinnen op bij de 1, 2 en 3 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

1

Wij wonen in Amsterdam. Wij wonen twee jaar in Amsterdam. Mijn kinderen spelen op straat. Mijn kinderen spelen vandaag op straat. De koffie staat op tafel. De koffie staat nu op tafel. De hond eet vlees. De hond eet iedere dag vlees. De les is op dinsdag. De les is op dinsdag in Rotterdam.

Wij

wonen

in Amsterdam.

2 3 4 5 6 7 8 9 10

LES 3 1 2 3

35


9 Maak vijf goede 1233-zinnen met de woorden

De dokter

in de winter

De koe

Wij

leggen

werkt

eten

binnen.

vis.

iedere week

iedere maandag

in de lente

staat

slaap

De vogels

in het ziekenhuis.

een ei.

op de bank.

Ik

vandaag

1 2 3 4 5

10 Schrijf een goede 123- of 1233-zin

1

Hoe oud ben jij?

2

In welke stad of welk dorp woon jij?

3

Hoeveel kamers heeft jouw huis?

4

Uit welk land kom jij?

5

Wat eet jij vandaag?

36

GEREGELD SPREKEN


LES 4 3 2 1 A1 - Ik kan in korte 321- of 3213-zinnen spreken.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

Ik 1

werk 2

vandaag 3

in Alkmaar. 3

Wij 1

eten 2

vanavond 3

kip. 3

Vandaag 3

Vanavond 3

werk 2

eten 2

ik 1

in Alkmaar. 3

we 1

kip. 3

1 Nazeggen De docent leest de zinnen voor en steekt het juiste aantal vingers op. Zeg de zinnen na en doe mee met je vingers. 1

In Amsterdam

wonen

wij

twee jaar.

2

Vandaag

spelen

mijn kinderen

op straat.

LES 4 3 2 1

37


3

Nu

staat

de koffie

op tafel.

4

Iedere dag

eet

de hond

vlees.

5

Op dinsdag

is

de les

in Rotterdam.

2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de zinnen en gebruikt de vingers om de 1, de 2 en de 3 te laten zien. Cursist B kijkt of cursist A de juiste 123-vingers opsteekt. Wissel daarna van rol.

3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, cursist B kijkt niet in zijn boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

4 Puzzelen Maak groepjes van vier of vijf cursisten. De docent geeft ieder groepje een aantal A4’tjes: een met een 1, een met een 2, een met een 3. Zoek steeds de goede woorden bij je nummer.

38

GEREGELD SPREKEN


Maak samen zo veel mogelijk goede 3213-zinnen door in de juiste volgorde te gaan staan. De docent controleert de zinnen. Wissel na iedere zin van nummer. Presenteer de laatste zin aan de andere groep. de kinderen

met de auto

rijdt

Snel

ik

spelen

wil

de bus

Met mijn mobiel

naar de kapper.

In de vakantie

naar het station.

met de bal.

mijn zus

Vandaag

bel

gaat

naar Utrecht.

hij

Morgen

5 Loop! Rechts in het lokaal is 1 2 3. Links in het lokaal is 3 2 1. In het midden: de zin is fout. De docent leest een zin uit deze les voor. Is het een 123- of een 321-zin of is de zin fout? Loop zo snel mogelijk naar de juiste kant van het lokaal.

STAP 3: DOEN

6 Met de bal Ga in de kring staan. De docent heeft de bal. Op het bord staan vragen. Geef antwoord in een 321-zin als je de bal krijgt. Oefen daarna in tweetallen. 1 2 3 4 5 6 7 8

Hoelang woon je in Nederland? Wat eet je vandaag? Hoe ga jij naar school? Wanneer doe je examen? Hoe laat is de pauze? Hoeveel boeken heb jij in huis? Wanneer pin jij 100 euro? Wat drink jij ’s morgens?

LES 4 3 2 1

39


STAP 4: KILOMETERS MAKEN

7 Schrijf de zinnen in het schema 1 2 3 4 5

In Amsterdam wonen wij twee jaar. Vandaag spelen mijn kinderen op straat. Nu staat de koffie op tafel. Iedere dag eet de hond vlees. Op dinsdag is de les in Rotterdam.

3

2

1

3

1 2 3 4 5

8 Puzzelen Maak vijf goede 3213-zinnen met onderstaande woorden.

40

de kinderen

met de auto

rijdt

Snel

ik

spelen

wil

de bus

Met mijn mobiel

naar de kapper.

In de vakantie

naar het station.

met de bal.

mijn zus

Vandaag

bel

gaat

naar Utrecht.

hij

Morgen

GEREGELD SPREKEN


3

2

1

3

1

3

1 2 3 4 5

9 Schrijf een goede 321- of 3213-zin 1 2 3 4 5 6 7 8

Hoelang woon je in Nederland? Wat eet je vandaag? Hoe ga jij naar school? Wanneer doe je examen? Hoe laat is de pauze? Hoeveel boeken heb jij in huis? Wanneer pin jij 100 euro? Wat drink jij ’s morgens?

3

2

1 2 3 4 5 6 7 8

LES 4 3 2 1

41


LES 5 DOE-WOORDEN A1 - Ik kan de doe-woorden bij ik, jij, hij, zij, u, wij, jullie en zij goed gebruiken.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

ik drink

wij / we drinken

hij drinkt zij / ze drinkt

zij / ze drinken

jij drinkt jullie drinken u drinkt

Let op: drink jij / je

1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na.

1

2

3

1

Ik Jij

kijk kijkt

tv.

2

Ik Jij

drink drinkt

koffie.

3

Ik U

werk werkt

in de supermarkt.

4

Ik Hij

zoek zoekt

de telefoon.

42

GEREGELD SPREKEN


5

Ik Zij

lig ligt

in bed.

6

De vrouw

ligt

in bed.

7

Ik Wij

luister luisteren

naar muziek.

8

Ik Jullie

roep roepen

het kind.

9

Ik Zij

rijd rijden

auto.

3 10

Op zaterdag Op maandag Op zondag

2 werk werk werken

1 ik jij wij

3 in de winkel. op de markt. niet.

2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest een zin. Daarna leest cursist B een zin. Help elkaar om het goed te zeggen.

3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, cursist B kijkt niet in het boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.

LES 5 DOE-WOORDEN

43


STAP 2: OEFENEN

4 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A maakt een goede 123-zin. Daarna maakt cursist B een goede 123-zin. Kies uit deze doe-woorden: drinken – lig – rijden – rijd – drink – luisteren – drinkt – liggen – rijdt – ligt.

1

2

3

1

Jij

bier.

2

Mijn zus

in het ziekenhuis.

3

Wij

water.

4

Ik

melk.

5

Ik

in bed.

6

De man en de vrouw

in de bus.

7

De jongens

naar muziek.

8

Wij

in bed.

9

Hij

in een nieuwe auto.

10

Ik

op de fiets.

5 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest een zin. Cursist B zet de 2 in het meervoud. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Cursist A zegt de zin, cursist B maakt het meervoud met de ogen dicht.

44

GEREGELD SPREKEN


1

2

3

1

2

3

werken

in Amsterdam.

1

Ik

werk

in Amsterdam.

Wij

2

Het kind

huilt

veel.

De kinderen

veel.

3

Mijn broer

rijdt

auto.

Mijn broers

auto.

4

Jij

komt

uit Eritrea.

Jullie

uit Eritrea.

5

Zij

werkt

in Amsterdam.

Zij

in Amsterdam.

6

Hij

zoekt

het station.

Zij

het station.

7

De man

zingt

een lied.

De mannen

een lied.

8

Jij

werkt

op de laptop.

Jullie

op de laptop.

9

Ik

wacht op de bus.

Wij

op de bus.

10

Het boek

ligt

De boeken

op tafel.

op tafel.

6 Puzzelen Maak groepjes van drie cursisten. De docent geeft ieder groepje een aantal A4’tjes: een met een 1, een met een 2, een met een 3. De groepjes maken met elkaar een goede 123-zin met de woorden die hieronder staan. Presenteer de zin aan de andere groepen. Doe het nog een keer. Iedere cursist krijgt nu een ander nummer.

1

2

3 op de laptop. bier.

Ik, Jij, U, Mijn moeder De cursist Wij Jullie De vrouwen

woon, woont, wonen kijk, kijkt, kijken drink, drinkt, drinken zoek, zoekt, zoeken

het station. in een supermarkt. in Engeland. in Spanje. thee. koffie.

LES 5 DOE-WOORDEN

45


7 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A maakt een goede 3213-zin. Daarna maakt cursist B een goede 3213-zin. Gaat het goed? Maak dan van de 3213-zin een 1233-zin. Kies uit deze doe-woorden: werkt – drinken – drink – luistert – werk – drinkt – werken – luister – drink – werkt.

3

2

1

3

1

Nu

hij

naar muziek.

2

In de pauze

de cursist

koffie.

3

Op zondag

wij

niet.

4

In de pauze

ik

thee.

5

In de klas

jij

naar de docent.

6

Op zondag

de docent

niet.

7

In de pauze

jij

thee.

8

Op zondag

u

niet.

9

Op zondag

jij

niet.

10

In de pauze

de cursisten

water.

8 Puzzelen Maak groepjes van vier cursisten. De docent geeft ieder groepje een aantal A4’tjes: een met een 1, een met een 2 en twee met een 3. De groepjes maken met elkaar een goede 321-zin of een goede 3213-zin met de woorden die hieronder staan. Presenteer de zin aan de andere groepen. Doe het nog een keer. Iedere cursist krijgt nu een ander nummer.

46

GEREGELD SPREKEN


op zondag

hij

werk

jij

de man

om vier uur

naar Londen

kijken

luistert

een film

werkt

de vrouwen

luister

het vliegtuig

jullie

kijk

vliegt

werken

wij

hij

in de klas

kijkt

naar de docent

vliegen

tv

op maandag

luister

ik

vlieg

in de supermarkt

9 Praatplaat Werk met de hele groep. Wijs de woorden aan op de praatplaat Dames en heren. de rugzak de gele trui het meisje de oude man de oude vrouw de man de vrouw het perron de hond het horloge de paraplu de rollator de stok de koffer

LES 5 DOE-WOORDEN

47


10 Samen Werk in tweetallen. Maak goede zinnen bij de praatplaat Dames en heren. Kies uit deze doe-woorden: maken – hebben – lezen – kijken – sturen – liggen – zijn – zitten – luisteren – komen – wachten – gaan – drinken. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

Het meisje met de rugzak … een foto. Het meisje in de gele trui … geen mobieltje. De hond … op het perron. De mevrouw … op haar horloge. De man … een paraplu in zijn hand. De oude mevrouw … een rollator. De oude man … een stok. De man … een appje. De vrouw … een appje naar haar vriend. De man … op zijn koffer. De dames … een mobieltje. De trein … laat. Ik … om zes uur thuis. De trein … om half zes. Ik … een kop koffie op het station. De mensen … op de trein. De man … naar muziek.

STAP 3: DOEN

11 Dobbelsteen Maak groepjes van drie cursisten. Gooi de dobbelsteen. Hoeveel gooi je? Maak een goed doe-woord. Voorbeeld: Ik gooi 3. Ik zeg: ‘Hij luistert.’ Gaat het goed? Maak dan een 123-zin of een 1233-zin.

48

GEREGELD SPREKEN


= ik

= u

= jij

= wij (jullie / zij)

= hij / zij

= jij

a luisteren b zoeken c kijken d drinken e huilen

f rijden g zingen h wachten i vliegen j werken

12 Wat doe ik, jij en wij? Werk in groepjes van drie cursisten. Je krijgt een paar voorwerpen van je docent. Bijvoorbeeld: een glas, een pen, een bal, een boek, een lepel, enzovoort. Bedenk zelf dingen die je met de voorwerpen kunt doen. Maak zinnen. Voorbeeld bij het glas: Cursist A drinkt water. Cursist B zegt: ‘Jij drinkt water.’ Cursist A zegt: ‘Ja, ik drink water.’ Cursist C zegt: ‘Wij drinken water.’

13 Vragen aan elkaar: wat doe jij? Werk in groepjes van drie cursisten. Stel de vragen aan elkaar. Voorbeeld: Cursist A vraagt: ‘Wat doe jij op zondag?’ Cursist B zegt: ‘Ik kijk tv. En wat doe jij op zondag?’ Cursist C zegt: ‘Ik …’ Wat doe jij op zaterdag? Wat doe jij op maandag? Wat doe jij ’s avonds? Wat doe jij in de vakantie?

LES 5 DOE-WOORDEN

49


STAP 4: KILOMETERS MAKEN

14 Schrijf een 2 op

1

2

drinkt

3

1

Jij

bier.

2

Wij

op de bus.

3

Ik

in bed.

4

De docent

op woensdag.

5

De jongen en het meisje

naar muziek.

6

Jullie

water.

7

Ik

in een mooie auto.

8

Jij

tv.

9

De kinderen

in bed.

10

De cursisten

tv.

15 Maak goede 123-zinnen

op zondag

hij

werk

jij

de man

om vier uur

naar Londen

kijken

luistert

een film

werkt

de vrouwen

luister

het vliegtuig

jullie

kijk

vliegt

werken

wij

hij

in de klas

kijkt

naar de docent

vliegen

tv

op maandag

luister

ik

vlieg

in de supermarkt

50

GEREGELD SPREKEN


123

Ik vlieg naar Londen. 1 2 3 4 5 6 7 8

LES 5 DOE-WOORDEN

51


LES 6 OP, IN, VOOR, NAAST, ACHTER, TUSSEN, ONDER A1 - Ik kan vertellen waar iets of iemand ligt, staat of zit.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

Hij staat in de doos.

Hij staat achter de doos.

Hij staat voor de doos.

Hij staat naast de doos.

Hij staat tussen de dozen.

Hij ligt onder de doos.

52

GEREGELD SPREKEN

Hij zit op de doos.


1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na.

1

2

3

1

De cursist

zit

in het lokaal.

2

De docent

staat

voor het bord.

3

De pen

ligt

tussen het boek en de map.

4

De cursist

staat

achter de stoel.

5

De pen

ligt

naast het boek.

6

De cursist

zit

op de bank.

7

De pen

ligt

onder de tafel.

2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest zin 1. Daarna leest cursist B zin 2. Help elkaar om het goed te zeggen.

3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, cursist B kijkt niet in het boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

4 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B geeft antwoord. Cursist B kiest uit: op – in – naast – tussen – achter – onder – voor. Klaar? Wissel van rol. LES 6 OP, IN, VOOR, NAAST, ACHTER, TUSSEN, ONDER

53


1

Waar ligt de map?

De map ligt … de tafel.

2

Waar staat de docent?

De docent staat … het bord.

3

Waar liggen de boeken?

De boeken liggen … de kast.

4

Waar zitten de kinderen?

De kinderen zitten … vader en moeder.

5

Waar staan de fietsen?

De fietsen staan … het huis.

6

Waar zit Ali?

Ali zit … Ahmad.

7

Waar ligt de hond?

De hond ligt … de stoel.

5 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B geeft antwoord. Kies uit: lig – ligt – liggen – zit – zitten – sta – staat – staan. Klaar? Wissel van rol. 1

Waar … de tafels?

De tafels … in / op het lokaal.

2

Waar … de bal?

De bal … voor / achter de stoel.

3

Waar … de docent?

De docent … in / voor het bord.

4

Waar … de cursisten?

De cursisten … tussen / op een stoel.

5

Waar … de pennen?

De pennen … tussen / naast het boek en de map.

6

Waar … jij?

Ik … op / in bed.

7

Waar … het meisje?

Het meisje … op / tussen een stoel.

8

Waar … jij?

Ik … naast / in het raam.

9

Waar … mijn schoenen?

Mijn schoenen … onder / op het raam.

54

GEREGELD SPREKEN


6 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B geeft antwoord. Kies uit: op – in – naast – tussen – onder – achter – voor. 1

Waar ligt de gum?

De gum ligt …

2

Waar zit de jongen?

De jongen zit … en …

3

Waar staat de auto?

De auto staat …

4

Waar staan de stoelen?

De stoelen staan …

5

Waar zit jij?

Ik zit …

6

Waar ligt de bal?

De bal ligt …

7

Waar ligt mijn pen?

De pen ligt …

7 Puzzelen Werk in drietallen. De docent geeft ieder groepje een aantal A4’tjes: een met een 1, een met een 2, een met een 3. De groepjes maken met elkaar een goede 123-zin met de woorden die hieronder staan. Presenteer de zin aan de andere groepen. Doe het daarna nog een keer. Iedere cursist krijgt nu een ander nummer.

1 Wij Jij De pennen Het meisje De cursisten

3

2

naast het raam. ligt zitten staat staan zit

tussen de ramen. achter de stoel. op de stoel. voor het bord.

De bal

op de stoel.

De tafel

voor het huis.

De koffie

tussen het boek en de map. in het lokaal. LES 6 OP, IN, VOOR, NAAST, ACHTER, TUSSEN, ONDER

55


STAP 3: DOEN

8 Waar is mijn mobiel? Werk in tweetallen. Cursist A geeft zijn mobiel, zijn tas en zijn pen aan cursist B. Cursist B legt de drie dingen ergens in het lokaal. Cursist A vraagt: ‘Waar is mijn mobiel?’ Cursist B geeft het goede antwoord. Wissel daarna van rol.

9 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. De buitenkring stelt vragen over de groep aan de binnenkring. Klaar? Wissel van rol.

Waar 2 1? Waar is de gum? 1

Waar is de pen?

2

Waar zijn de kopjes?

3

Waar zijn de cursisten?

4

Waar zijn de boeken?

5

Waar is je mobiel?

6

Waar ben jij?

56

GEREGELD SPREKEN

123 De gum ligt op tafel.


10 Praatplaat Werk in tweetallen. Kijk naar de praatplaat Doe mij maar eh… Maak zes goede 123-zinnen. Gebruik deze woorden: op – in – naast – achter – onder – voor – tussen. En: zit / zitten – staat / staan – ligt / liggen. Voorbeeld: De hond zit voor de man.

11 Klassenfoto De docent gaat een klassenfoto maken. Hij zegt: ‘Cursist 1, wil jij op de stoel gaan zitten, alsjeblieft.’ Cursist 1 gaat op de stoel zitten. Hij zegt: ‘Cursist 2, wil jij achter cursist 1 gaan staan, alsjeblieft.’ Cursist 2 gaat achter cursist 1 staan. Enzovoort. De docent maakt een foto met zijn mobiel en stuurt die naar alle cursisten. Vertel elkaar nu in groepjes waar iedereen op de foto zit of staat. Voorbeeld: Cursist 1 zit op de stoel. Cursist 2 staat achter de stoel. Enzovoort.

LES 6 OP, IN, VOOR, NAAST, ACHTER, TUSSEN, ONDER

57


STAP 4: KILOMETERS MAKEN

12 Maak de zinnen af Waar is het? Gebruik de woorden: op – in – naast – achter – voor – tussen.

123 1

Waar ligt de map?

De map ligt

de tafel.

2

Waar staat de docent?

De docent staat

het bord.

3

Waar liggen de boeken?

De boeken liggen

de kast.

4

Waar zitten de kinderen?

De kinderen zitten

vader en moeder.

5

Waar staan de fietsen?

De fietsen staan

het huis.

6

Waar zit Ali?

Ali zit

Ahmed.

13 Schrijf acht goede 123-zinnen

1

2

Wij

3 naast het raam.

Jij De pennen Het meisje De cursisten

ligt zitten staat staan zit

tussen de ramen. achter de stoel. op de stoel. voor het bord.

De bal

op de stoel.

De tafel

voor het huis.

De koffie

tussen het boek en de map. in het lokaal.

58

GEREGELD SPREKEN


123

Ik zit op de stoel. 1 2 3 4 5 6 7 8

14 Praatplaat Kijk nog een keer naar de praatplaat bij oefening 10. Maak zes goede 123-zinnen. Gebruik de woorden: op – in – naast – achter – onder – voor – tussen. En: zit / zitten – staat / staan – ligt / liggen.

123

De man zit op de bank. 1 2 3 4 5 6

LES 6 OP, IN, VOOR, NAAST, ACHTER, TUSSEN, ONDER

59


LES 7 IK HEB, JIJ HEBT, ZIJ HEEFT A1 - Ik kan het werkwoord hebben goed gebruiken.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

hebben

ik heb

wij / we hebben

hij heeft zij / ze heeft

zij / ze hebben

jij / je hebt u heeft

jullie hebben

Let op: heb jij / je

1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na.

1

2

3

1

Ik

heb

een groot huis.

2

Jij / je

hebt

een afspraak.

3

U

heeft

een boek.

4

Hij

heeft

een mooie auto.

5

Zij / ze

heeft

twee zussen.

60

GEREGELD SPREKEN


6

Wij / we

hebben

veel huiswerk.

7

Jullie

hebben

zwart haar.

8

Zij / ze

hebben

een mobiel.

Let op: Op maandag heb jij een afspraak. Heb jij vandaag een afspraak?

2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest zin 1. Daarna leest cursist B zin 2. Help elkaar om het goed te zeggen.

3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, cursist B kijkt niet in het boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

4 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A maakt een goede 123-zin. Daarna maakt cursist B een goede 123-zin. Kies een goede 2. Kies uit deze doe-woorden: heb – hebt – heeft – hebben.

1

2

3

1

Mijn zus

een tuin.

2

De cursisten

twee boeken.

3

Ik

een afspraak.

4

De kinderen

een rode bal.

LES 7 IK HEB, JIJ HEBT, ZIJ HEEFT

61


5

Jij

een blauwe rok.

6

Mijn vader

een fiets.

7

Jullie

een klein huis.

8

U

veel pennen.

9

Wij

een witte tas.

5 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A maakt een goede 123-zin. Daarna maakt cursist B een goede 123-zin. Bedenk een goede 1.

1

2

3

1

hebben

een ID-kaart.

2

heb

een opa en een oma.

3

heeft

een mooie jas.

4

hebt

twee docenten.

5

hebben

een zoon.

6

heeft

een laptop.

7

hebt

huiswerk.

62

GEREGELD SPREKEN


6 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest een zin. Cursist B zet de 2 in het meervoud. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Doe het nu andersom: cursist B leest het meervoud, cursist A maakt het enkelvoud. Kies uit deze doe-woorden: heb – hebt – heeft – hebben.

1

2

3

1

2

3

1

Ik

een zoon.

Wij

een zoon.

2

Het kind

een bal.

De kinderen

een bal.

3

Mijn broer

twee telefoons.

Mijn broers

twee telefoons.

4

Jij

drie slaapkamers.

Jullie

drie slaapkamers.

5

De cursist

een laptop.

De cursisten

een laptop.

6

De buurvrouw

een grote auto.

De buurvrouwen

een grote auto.

7

De man

een bril.

De mannen

een bril.

8

Jij

blauwe ogen.

Jullie

blauwe ogen.

7 Puzzelen Werk in drietallen. De docent geeft ieder groepje een aantal A4’tjes: een met een 1, een met een 2, een met een 3. De groepjes maken met elkaar een goede 123-zin met de woorden die hieronder staan. Presenteer de zin aan de andere groepen. Doe het nog een keer. Iedere cursist krijgt nu een ander nummer.

LES 7 IK HEB, JIJ HEBT, ZIJ HEEFT

63


ik

vakantie

zij

een fiets

wij

drie kinderen

de cursisten

een bril

een afspraak

hebt

hij

hoofdpijn

een tas

jij

veel boeken

een mobiel

een auto

heb

10 euro

een klein huis

heeft

jullie

een gum

de docent

twee dochters

de vrouw

een laptop

een zwarte broek

een boek

hebben

8 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. De binnenkring leest de vragen. De buitenkring geeft antwoord met: ‘Ja, …’ vraag

antwoord

1

Heeft hij een auto?

Ja, hij heeft een auto.

2

Hebben zij veel huiswerk?

Ja, zij …

3

Heb jij Nederlandse les?

Ja, ik …

4

Heeft u een laptop?

Ja, ik …

5

Hebben jullie een boek?

Ja, wij …

6

Heeft zij hoofdpijn?

Ja, zij …

7

Hebben jullie les?

Ja, wij …

64

GEREGELD SPREKEN


STAP 3: DOEN

9 Met de bal Ga met de hele groep in een kring staan. Op het bord staat:

1

2

3

ik jullie mijn broer wij de buren jij de kinderen de cursist de docent de meisjes het meisje de vader en moeder

heb hebt heeft hebben

?

De docent gooit de bal naar cursist A en kiest een 1. Cursist A kiest een goede 2. Cursist A gooit de bal naar cursist B. Cursist B bedenkt een 3. Cursist B gooit de bal naar cursist C en kiest een nieuwe 1.

10 Vertel en luister Werk in tweetallen. Vertel aan elkaar in drie zinnen wat je hebt. Voorbeeld: (thuis) Ik heb een auto. (familie) Ik heb een dochter. (bij de dokter) Ik heb pijn in mijn voet.

LES 7 IK HEB, JIJ HEBT, ZIJ HEEFT

65


STAP 4: KILOMETERS MAKEN

11 Maak de zinnen af Schrijf een 2 op. Kies uit deze doe-woorden: heb – hebt – heeft – hebben.

1

2

3

1

Mijn zus

een tuin.

2

De cursisten

twee boeken.

3

Ik

een afspraak.

4

De kinderen

een rode bal.

5

Jij

een blauwe rok.

6

Mijn vader

een fiets.

7

Jullie

een klein huis.

8

U

veel pennen.

9

Wij

een witte tas.

66

GEREGELD SPREKEN


12 Schrijf acht goede 123-zinnen

ik

vakantie

zij

een fiets

wij

drie kinderen

de cursisten

een bril

een afspraak

hebt

hij

hoofdpijn

een tas

jij

veel boeken

een mobiel

een auto

heb

10 euro

een klein huis

heeft

jullie

een gum

de docent

twee dochters

de vrouw

een laptop

een zwarte broek

een boek

hebben

123

Jullie hebben een boek. 1 2 3 4 5 6

LES 7 IK HEB, JIJ HEBT, ZIJ HEEFT

67


LES 8 EEN VROUW, MEER VROUWEN A1 - Ik kan het meervoud maken van personen en dingen.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

enkelvoud meervoud 1 stoel 5 stoelen 1 hond 3 honden

1 1 1 1 1

meisje 4 meisjes tafel 6 tafels jongen 2 jongens vinger 10 vingers vakantie 4 vakanties

1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na. 1

De stoel staat in het lokaal.

De stoelen staan in het lokaal.

2

De hond loopt in het park.

De honden lopen in het park.

3

Het meisje drinkt water.

De meisjes drinken water.

4

De tafel staat in de kamer.

De tafels staan in de kamer.

5

De jongen luistert naar muziek.

De jongens luisteren naar muziek.

6

Mijn vinger doet pijn.

Mijn vingers doen pijn.

7

De vakantie begint morgen.

De vakanties beginnen morgen.

68

GEREGELD SPREKEN


2 Samen Cursist A leest zin 1. Daarna leest cursist B zin 2. Help elkaar om het goed te zeggen. 3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, cursist B kijkt niet in het boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

4 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest een zin. Cursist B maakt het meervoud. Wissel daarna van rol. 1

De buurman heeft een hond.

De buurman heeft twee …

2

Mijn huis heeft een kamer.

Mijn huis heeft drie …

3

De a is een letter.

De a en b zijn …

4

Ik eet een appel.

Ik eet twee …

5

De bushalte is ver.

De … zijn ver.

6

De lepel ligt in de keuken.

De … liggen in de keuken.

7

De bank staat in de kamer.

De … staan in de kamer.

8

Het meisje ligt in bed.

De … liggen in bed.

LES 8 EEN VROUW, MEER VROUWEN

69


5 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest een zin. Cursist B zet de zin in het enkelvoud. Wissel daarna van rol. 1

De vrouwen werken bij de gemeente.

De vrouw werkt bij de gemeente.

2

De docenten zijn op school.

De … is op school.

3

De boeken liggen op tafel.

Het … ligt op tafel.

4

De vaders rijden op een fiets.

De … rijdt op een fiets.

5

De moeders rijden in een auto.

De … rijdt in een auto.

6

De tafels staan in het lokaal.

De …

7

De jongens luisteren naar muziek.

De …

8

De meisjes werken tot twee uur.

Het …

9

De letters zijn moeilijk.

De …

10

De kopjes staan op tafel.

Het …

Let op! Deze woorden zijn anders: kind – kinderen ei – eieren glas – glazen dag – dagen stad – steden koe – koeien oom – ooms broer – broers

70

GEREGELD SPREKEN


6 Puzzelen Werk in drietallen. Zoek uit: hoeveel woorden krijgen -en en hoeveel krijgen -s? het kopje de tafel de familie de bakker de stad de krant het boek het kind de nagel de vrouw de pauze

de slager het koekje het papier de mens de vinger de voet de koe de arm de broer de hand de fiets

de moeder het glas het bord de vader de pincode de dag de oom het woord de winkel de keuken het ei

7 Tempo De docent leest in snel tempo de woorden voor. De cursisten staan in de kring. Alle cursisten geven snel het meervoud.

STAP 3: DOEN

8 Samen Werk in tweetallen. Cursist A kiest een woord en maakt een vraag met: Hoeveel? Cursist B geeft antwoord. Voorbeeld: Cursist A: ‘Hoeveel buiken heb jij?’ Cursist B: ‘Ik heb één buik.’ Wissel daarna van rol.

LES 8 EEN VROUW, MEER VROUWEN

71


hand

docent

oom

buik

voet

boek

kamer

schouder

arm

moeder

kopje

sleutel

hoofd

glas

vinger

pincode

kind

tand

keuken

vakantie

9 Praatplaat Kijk naar de praatplaat Vol en bol. Wat zie je? Maak goede 123-zinnen. Gebruik deze woorden: stoel – plant – tafel – bank – vrouw – jongen – dikke buik – kopje – lamp – broek – boek – vinger – schoen – koekje – dochter. Voorbeeld: Ik zie twee planten.

72

GEREGELD SPREKEN


STAP 4: KILOMETERS MAKEN

10 Maak de zinnen af Schrijf het meervoud op. 1

De buurman heeft een hond. De buurman heeft twee ...

2

Mijn huis heeft een kamer.

Mijn huis heeft drie ...

3

De a is een letter.

De a en b zijn ...

4

Ik eet een appel.

Ik eet twee ...

5

De bushalte is ver.

De ... zijn ver.

6

De lepel ligt in de keuken.

De ... liggen in de keuken.

7

De bank staat in de kamer.

De ... staan in de kamer.

8

Het meisje ligt in bed.

De ... liggen in bed.

honden

11 Maak de zinnen af Schrijf het enkelvoud op. Zet de 1 en de 2 in het enkelvoud. 1

De vrouwen werken bij de gemeente.

De vrouw

werkt

2

De docenten zijn op school.

De is op school.

3

De boeken liggen op tafel.

Het ligt op tafel.

4

De vaders rijden op een fiets.

De

5

De moeders rijden in een auto.

De rijdt in een auto.

6

De tafels staan in het lokaal.

De

7

De jongens luisteren naar muziek.

De

8

De meisjes werken tot twee uur.

Het

9

De letters zijn moeilijk.

De

10

De kopjes staan op tafel.

Het

bij de gemeente.

rijdt op een fiets.

LES 8 EEN VROUW, MEER VROUWEN

73


12 Praatplaat Kijk naar de praatplaat Vol en bol. Wat zie je? Schrijf tien goede 123-zinnen. Kies uit deze woorden: stoel – plant – tafel – bank – vrouw – jongen – dikke buik – kopje – lamp – broek – boek – vinger – schoen – koekje – dochter.

1

Ik 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

74

GEREGELD SPREKEN

2

zie

3

twee planten.


LES 9 EEN VRAAG MAKEN A1 - Ik kan een vraag maken.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

de zin de vraag

Het meisje slaapt. Slaapt het meisje? 1 2 2 1

De man kookt rijst. Kookt de man rijst? 1 2 3 2 1 3

1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na. Hoor je de vraag? de zin.

1

2

de vraag?

3.

2

1

3?

1

Hij

koopt

een auto.

Koopt

hij

een auto?

2

Mijn zus

woont

in een dorp.

Woont

mijn zus

in een dorp?

3

De vrouwen

werken

in Amsterdam.

Werken de vrouwen in Amsterdam?

4

Jij

eet

brood met kaas.

Eet

jij

brood met kaas?

5

Jullie

kijken

naar de film.

Kijken

jullie

naar de film?

LES 9 EEN VRAAG MAKEN

75


2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de zin. Daarna leest cursist B de vraag. Help elkaar om het goed te zeggen.

3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, B kijkt niet in zijn boek en maakt de vraag. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

4 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de zin. Cursist B maakt de vraag. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Cursist A zegt de zin, cursist B maakt de vraag met de ogen dicht.

1 2 3.

2 1 3?

1

De jongen fietst naar school.

Fietst de jongen naar school?

2

De kinderen eten rijst.

Eten de kinderen rijst?

3

Het meisje leert de woorden.

Leert

?

4

De man loopt op straat.

Loopt

?

5

De dokter schrijft een brief.

Schrijft

?

6

Zijn vrienden drinken bier.

Drinken

?

7

De cursisten lezen het boek.

Lezen

?

8

Mijn broers kijken naar de film.

Kijken

?

9

Deze vrouwen zijn zussen.

Zijn

?

10

De man gaat naar een feest.

Gaat

?

76

GEREGELD SPREKEN


5 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de zin, cursist B maakt een vraag. Wissel daarna van rol.

1 2 3.

2 1 3?

1

Hij koopt een brood.

2

Jouw buurman heeft een nieuwe auto.

3

Jouw dochter koopt een broek.

4

Hij gaat zijn examen halen.

5

Haar dochter gaat haar rijbewijs halen.

6

Haar tante gaat kip met rijst maken.

7

De cursist kijkt op zijn mobiel.

8

Mijn vriendin schrijft op het bord.

9

Zijn moeder loopt naar het station.

10

De jongens luisteren naar muziek.

6 Heen en weer Werk in tweetallen. Kijk goed naar de 1. Bedenk samen een 2.

2 Ga

1

3

3

ik

vanavond

naar mijn familie?

1

hij

vandaag

een boek?

2

zij

haar woorden

goed?

3

ik

jouw pen

vandaag?

4

u

nu

een broodje?

5

wij

om zeven uur

naar de televisie?

LES 9 EEN VRAAG MAKEN

77


6

zij

met hun vrienden

op de bank?

7

jullie

kip

op de markt?

8

ik

een e-mail

aan mijn baas?

9

jullie

een woning

in Utrecht?

10

jij

’s avonds

naar huis?

7 Puzzelen Maak groepjes van vier of vijf cursisten. De docent geeft ieder groepje een aantal A4’tjes: een met een 1, een met een 2, een met een vraagteken en twee met een 3. De groepjes maken met elkaar drie vragen met de woorden die hieronder staan. Presenteer de laatste vraag aan de andere groep. Doe het nog een keer. Iedere cursist krijgt nu een ander nummer.

78

gaat

wij

iedere dag

eten

een broodje

vanavond

mag

jouw broer

ik

aan zijn moeder

jij

rijst met kip

schrijft

morgen

slaap

een mooie brief

om half acht

naar de film

vragen

aan de docent

de cursisten

hij

iets

over de toets

misschien

?

?

?

?

?

GEREGELD SPREKEN


8 Dobbelsteen De docent schrijft 213? en de volgende woorden op het bord: = koop jij ?

= loop jij ?

= drink jij ?

= lees jij ?

= eet jij ?

= betaal jij ?

De docent gooit de dobbelsteen en maakt met de woorden een goede vraag. Gooi de dobbelsteen daarna om de beurt en maak ook een goede vraag. Als iedereen het goed kan, kunnen de vragen langer worden met extra 3’en.

9 Praatplaat Bekijk de praatplaat Familie aan de lijn. Maak met de werkwoorden goede vragen bij de praatplaat. Begin met de 2. Kies uit: slaapt – kijkt – belt – drinkt – eet – ligt – rookt – luistert – zapt – staat. Voorbeeld: kijkt – Kijkt de vrouw blij?

LES 9 EEN VRAAG MAKEN

79


STAP 3: DOEN

10 Samen Werk in drietallen. Bedenk drie 2133-vragen voor de docent. Ga daarna allemaal in de kring zitten. Iedereen stelt één vraag aan de docent. De docent geeft antwoord.

STAP 4: KILOMETERS MAKEN

11 Hardop zeggen Lees onderstaande zinnen en vragen hardop. Spreek ze in op je mobiel. Luister daarna naar jezelf. de zin.

1

2

de vraag?

3.

2

1

3?

1

Hij

koopt

een auto.

Koopt

hij

een auto?

2

Mijn zus

woont

in een dorp.

Woont

mijn zus

in een dorp?

3

De vrouwen

werken

in Amsterdam.

Werken de vrouwen in Amsterdam?

4

Jij

eet

brood met kaas.

Eet

jij

brood met kaas?

5

Jullie

kijken

naar de film.

Kijken

jullie

naar de film?

80

GEREGELD SPREKEN


12 Schrijf de vraag op

1 2 3. 1

De jongen fietst naar school.

2

De kinderen eten rijst.

3

Het meisje leert de woorden.

4

De man loopt op straat.

5

De dokter schrijft een brief.

6

Zijn vrienden drinken bier.

7

De cursisten lezen het boek.

8

De broers kijken naar de film.

9

Deze vrouwen zijn zussen.

10

De man gaat naar een feest.

2 1 3?

Fietst de jongen naar school? Eten ...

13 Schrijf een 2 op

2

Ga

1

3

3

ik

vanavond

naar mijn familie?

1

hij

vandaag

een boek?

2

zij

haar woorden

goed?

3

ik

jouw pen

vandaag?

4

u

nu

een broodje?

5

wij

om zeven uur

naar de televisie?

6

zij

met hun vrienden

op de bank?

7

jullie

kip

op de markt?

8

ik

een e-mail

aan mijn baas?

9

jullie

een woning

in Utrecht?

10

jij

’s avonds

naar huis? LES 9 EEN VRAAG MAKEN

81


14 Maak een goede vraag

2

1

3

morgen

3

naar de stad?

Ga

jij

1

Koop

jij

?

2

Drink

jij

?

3

Eet

jij

?

4

Loop

jij

?

5

Lees

jij

?

82

GEREGELD SPREKEN


LES 10 ANTWOORD GEVEN MET JA A1 - Ik kan antwoord geven met ja.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

de vraag het antwoord Slaapt het meisje? Ja, Ja, 2 1 Kookt de man rijst? Ja, Ja, 2 1 3

het meisje slaapt. ze slaapt. 1 2 de man kookt rijst. hij kookt rijst. 1 2 3

Spreekhulp in de vraag

in het antwoord

in de vraag

in het antwoord

ik

jij

wij

jullie

u / jij

ik

jullie

wij

de man

hij

de kinderen

zij

de vrouw

zij

LES 10 ANTWOORD GEVEN MET JA

83


1 Nazeggen Luister naar de docent. Hoor je de melodie in de vraag en het antwoord? A = de vraag

B = het antwoord

Werk ik deze week vier dagen?

Ja, jij werkt deze week vier dagen.

Werk jij deze week vier dagen?

Ja, ik werk deze week vier dagen.

Werkt u deze week vier dagen?

Ja, ik werk deze week vier dagen.

Werkt de man deze week vier dagen?

Ja, hij werkt deze week vier dagen.

Werkt de vrouw deze week vier dagen?

Ja, zij werkt deze week vier dagen.

Werken wij deze week vier dagen?

Ja, jullie werken deze week vier dagen.

Werken jullie deze week vier dagen?

Ja, wij werken deze week vier dagen.

Werken de kinderen deze week vier dagen? Ja, zij werken deze week vier dagen.

2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B leest het antwoord. Wissel daarna van rol.

3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de vraag, B kijkt niet in zijn boek en geeft het antwoord met ja. Wissel daarna van rol.

84

GEREGELD SPREKEN


STAP 2: OEFENEN

4 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag. B geeft antwoord met ja. Gebruik de spreekhulp. Wissel daarna van rol. Kies uit: ik – zij – wij – zij – hij – jullie.

2 1 3?

Ja, 1 2 3

Wil jij een koekje?

Ja, ik wil een koekje.

1

Wil u een kopje koffie?

Ja, … wil een kopje koffie.

2

Wil de buurman een nieuwe auto?

Ja, … wil een nieuwe auto.

3

Wil je zus naar huis?

Ja, …

4

Willen wij om vijf uur eten?

Ja, …

5

Willen jullie vandaag naar de markt?

Ja, …

6

Willen de kinderen een nieuwe mobiel?

Ja, …

5 Allemaal familie Werk in drietallen. Zoek in het schema. Hoeveel keer horen onderstaande woorden bij: 1 hij 2 zij (één persoon) 3 zij (meer personen) de man

de moeder

de nicht

de tante

de zussen

de vriendinnen

de vader

de schoonmoeder

de ouders

de oom

de zus

de broers

de neef

de broer

de opa

de kleindochter

de oma

de zoon

de dochter

de kinderen

LES 10 ANTWOORD GEVEN MET JA

85


6 Tempo De docent leest een voor een de personen van oefening 5 voor. Zeg zo snel mogelijk: ‘hij’ of ‘zij’.

7 Met de bal Ga met de hele groep in een kring staan. De vragen staan op het bord: 1 Heeft de dokter een auto? 2 Spreken jullie een beetje Nederlands? 3 Hebben alle jongens een boek? 4 Kopen de kinderen een ijsje? 5 Heb ik een mooie jas? 6 Kookt je zus vandaag? 7 Maak jij het huiswerk vanavond? De docent gooit de bal naar cursist A en kiest een vraag. Cursist A begint zijn antwoord met: ‘Ja, …’ Daarna gooit cursist A de bal naar een andere cursist en kiest een nieuwe vraag van het bord. Begrijpt iedereen de oefening? Doe het in tweetallen en kies een vraag van het bord.

86

GEREGELD SPREKEN


STAP 3: DOEN

8 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag. B geeft antwoord met ja. Wissel daarna van rol.

2 1 3?

Ja, 1 2 3

Wil jij een koekje?

Ja, ik wil een koekje.

1

Stuurt u een e-mail?

Ja, …

2

Hebben wij het antwoord goed?

Ja, …

3

Moeten de meisjes vandaag naar school?

Ja, …

4

Heb ik mijn sleutels in mijn tas?

Ja, …

5

Stop jij met roken?

Ja, …

6

Loopt Mohammed 10 kilometer?

Ja, …

7

Kom je met de auto?

Ja, …

8

Gaan jullie vanavond naar de film?

Ja, …

9

Komen de buren morgen bij ons?

Ja, …

10

Kijkt Rachida op haar mobiel?

Ja, …

11

Heb jij buren?

Ja, …

12

Heeft de buurvrouw een auto?

Ja, …

13

Drinken jullie koffie met de buren?

Ja, …

14

Spreekt de buurman Nederlands?

Ja, …

15

Eten de buren vlees?

Ja, …

LES 10 ANTWOORD GEVEN MET JA

87


9 Praatplaat Werk in tweetallen. Kijk naar de praatplaat Familie aan de lijn. Cursist A maakt een vraag: 2 1 3? Cursist B geeft antwoord met: Ja, 1 2 3. Klaar? Wissel van rol.

STAP 4: KILOMETERS MAKEN

10 Schrijf het antwoord op Kies uit: ik – zij – wij – zij – hij – jullie.

2 1 3?

Ja, 1 2 3

ik

wil een koekje.

Wil jij een koekje?

Ja,

1

Wil u een kopje koffie?

Ja,

wil een kopje koffie.

2

Wil de buurman een nieuwe auto?

Ja,

wil een nieuwe auto.

3

Wil je zus naar huis?

Ja,

4

Willen wij om vijf uur eten?

Ja,

5

Willen jullie vandaag naar de markt?

Ja,

6

Willen de kinderen een nieuwe mobiel?

Ja,

88

GEREGELD SPREKEN


11 Schrijf het antwoord op

2 1 3?

Ja, 1 2 3

Wil jij een koekje?

Ja,

1

Stuurt u een e-mail?

Ja,

2

Hebben wij het antwoord goed?

Ja,

3

Moeten de meisjes vandaag naar school?

Ja,

4

Heb ik mijn sleutels in mijn tas?

Ja,

5

Stop jij met roken?

Ja,

6

Loopt Mohammed 10 kilometer?

Ja,

7

Kom je met de auto?

Ja,

8

Gaan jullie vanavond naar de film?

Ja,

9

Komen de buren morgen bij ons?

Ja,

10

Kijkt Rachida op haar mobiel?

Ja,

11

Heb jij buren?

Ja,

12

Heeft de buurvrouw een auto?

Ja,

13

Drinken jullie koffie met de buren?

Ja,

14

Spreekt de buurman Nederlands?

Ja,

15

Eten de buren vlees?

Ja,

ik wil een koekje.

LES 10 ANTWOORD GEVEN MET JA

89


LES 11 ANTWOORD GEVEN MET NEE A1 - Ik kan antwoord geven met nee.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

Nee, de man kookt geen rijst. GEEN geen boek geen auto geen brood geen mobiel

Nee, het meisje slaapt niet. NIET loopt niet werkt niet eet niet leest niet

1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na. Hoor je de melodie?

geen 2

1

3?

1

2

3

1

Heb

je

een auto?

Nee,

ik

heb

geen auto.

2

Spreek

jij

Nederlands?

Nee,

ik

spreek

geen Nederlands.

3

Heeft

jouw kinderen? broer

Nee,

hij

heeft

geen kinderen.

4

Heb

jij

een nieuwe fiets?

Nee,

ik

heb

geen nieuwe fiets.

5

Koopt

u

bananen?

Nee,

ik

koop

geen bananen.

90

GEREGELD SPREKEN


niet 2

1

1

Rook

jij?

2

Drink

jij

3

Kom

4 5

3?

1

2

3

3

Nee,

ik

rook

niet.

veel?

Nee,

ik

drink

niet

veel.

jij

naar mij?

Nee,

ik

kom

niet

naar jou.

Ga

jij

naar de markt?

Nee,

ik

ga

niet

naar de markt.

Speelt

jouw kind

buiten?

Nee,

hij

speelt

niet

buiten.

2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B leest het antwoord. Wissel daarna van rol.

3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de vraag, B kijkt niet in zijn boek en zegt na. Cursist A leest het antwoord, B kijkt niet in zijn boek en zegt na. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

4 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag, cursist B geeft antwoord met niet of geen. Klaar? Wissel van rol.

LES 11 ANTWOORD GEVEN MET NEE

91


2 1 3?

Nee, 1 2 3

1

Loopt hij in de supermarkt?

Nee, … (niet)

2

Rijd jij naar Schagen?

Nee, … (niet)

3

Slaapt Peter vannacht op de bank?

Nee, … (niet)

4

Kijk jij met je vriend naar voetbal?

Nee, … (niet)

5

Mag ik een broodje?

Nee, … (geen)

6

Heeft Maria morgen een vrije dag?

Nee, … (geen)

7

Kopen wij een zak chips?

Nee, … (geen)

8

Lezen jullie een mooi boek?

Nee, … (geen)

9

Heeft u een rode fiets?

Nee, ... (geen)

5 Heen en weer Werk in tweetallen. Lees de vraag. Kies eerst samen voor het antwoord uit niet of geen. Daarna leest A de vraag. B geeft het goede antwoord. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Luister naar de vraag en geef het antwoord met je ogen dicht. Kies uit: niet – geen.

2 1 3?

Nee, 1 2 3

1

Kijkt hij met zijn dochter naar de film?

Nee, hij kijkt ...

2

Heb jij een nieuwe broek?

Nee, ik heb ...

3

Reist jouw vriendin met de trein?

Nee, zij reist ...

4

Heb ik rood haar?

Nee, jij hebt ...

5

Gaat de bus op tijd?

Nee, de bus ...

6

Hebben jullie morgen les?

Nee, ...

7

Luister je naar muziek?

Nee, ...

8

Heeft Maxima blauwe ogen?

Nee, ...

92

GEREGELD SPREKEN


9

Hebben wij brood in huis?

Nee, ...

10

Kook jij met je moeder?

Nee, ...

6 Staan of zitten? Iedereen gaat staan. Luister naar de vraag van de docent. Weet je het antwoord op deze vraag? Ja = zitten, nee = staan, geen idee = armen omhoog. Spreekhulp ? Geen idee. Sorry, ik heb geen idee. Ik weet het niet. Sorry, ik weet het niet.

213? 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Eet de koning veel tomaten? Betaal jij in de supermarkt met je pinpas? Heeft het buurmeisje een auto? Regent het morgen? Eten Nederlanders veel rijst? Is Amsterdam de hoofdstad van Duitsland? Kom je op de fiets naar school? Eet jij veel appels? Ga jij om elf uur naar bed? Spreek jij Nederlands met je buurvrouw?

LES 11 ANTWOORD GEVEN MET NEE

93


7 Praatplaat Bekijk de praatplaat Dames en heren. Wijs de volgende woorden aan: de trui, de rollator, de rugzak, de paraplu, het horloge. Werk in tweetallen. Cursist A vraagt. Cursist B antwoordt. Wissel daarna van rol. 1 Is de trein laat? Nee, de trein is ... 2 Heeft het meisje in de gele trui een mobieltje? Nee, zij heeft ... 3 Heeft de oude man een rollator? Nee, hij ... 4 Heeft de oude vrouw een rugzak? Nee, zij ... 5 Heeft de man met de koffer een paraplu? Nee, hij ... 6 Kijkt het meisje met de rugzak op haar horloge? Nee, zij ...

94

GEREGELD SPREKEN


8 Nee! Cursist A vraagt. Cursist B antwoordt met een 123-zin. Wissel daarna van rol. Voorbeeld: Reis jij met de trein? Nee, ik reis niet met de trein. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Reis jij met de trein? Heb je een ov-chipkaart? Ga jij met de bus? Ga jij met de auto? Heb je een mobieltje? Heb jij een rollator? Heb jij een paraplu? Vind jij honden lief? Heb jij een horloge? Heb jij een rugzak?

STAP 3: DOEN

9 Nee zeggen Werk in groepjes van drie of vier cursisten. Maak samen goede nee-antwoorden op de vragen van oefening 6. Gebruik niet of geen.

10 Binnen- en buitenkring Hieronder staan tien vragen en tien antwoorden uit het dagelijks leven. De docent leest de vragen voor. Zeg de vragen na. Werk daarna in tweetallen. Lees samen hardop de vragen en daarna de antwoorden. Verdeel dan de groep in een binnen- en buitenkring. De binnenkring leest de vragen, de buitenkring geeft de goede antwoorden.

LES 11 ANTWOORD GEVEN MET NEE

95


vragen

antwoorden

1

Heeft u een zorgverzekering?

1

Nee, sorry, ik heb geen geld.

2

Komt u alleen?

2

Nee, dank u.

3

Kunt u woensdag om één uur?

3

Nee, nog niet.

4

Mag ik u iets vragen?

4

Ja hoor, alstublieft.

5

Wil u pinnen?

5

Ja, dat is goed.

6

Heeft u twintig cent erbij?

6

Nee, die heb ik niet.

7

Wil u de bon mee?

7

Nee, we komen samen.

8

Heeft u een afspraak?

8

Ja, dat is prima.

9

Mag ik uw ID-kaart even?

9

Ja, natuurlijk.

10

Wil u dit formulier invullen?

10 Ja, graag.

STAP 4: KILOMETERS MAKEN

11 Schrijf het antwoord op

2 1 3?

Nee, 1 2 3

Nee, hij loopt niet in de supermarkt.

1

Loopt hij in de supermarkt?

2

Rijd jij naar Schagen?

(niet)

3

Slaapt Peter vannacht op de bank?

(niet)

4

Kijk jij met je vriend naar voetbal?

(niet)

5

Mag ik een broodje?

(geen)

6

Heeft Maria morgen een vrije dag?

(geen)

7

Kopen wij een zak chips?

(geen)

8

Lezen jullie een mooi boek?

(geen)

9

Heeft u een rode fiets?

(geen)

96

GEREGELD SPREKEN


12 Schrijf het antwoord op Kies uit: niet – geen.

2 1 3?

Nee, 1 2 3

1

Kijkt hij met zijn dochter naar de film?

Nee, hij kijkt …

2

Heb jij een nieuwe broek?

Nee, ik heb …

3

Reist jouw vriendin met de trein?

Nee, zij reist …

4

Heb ik rood haar?

Nee, jij hebt …

5

Gaat de bus op tijd?

Nee, de bus …

6

Hebben jullie morgen les?

Nee, …

7

Luister je naar muziek?

Nee, …

8

Heeft Maxima blauwe ogen?

Nee, …

9

Hebben wij brood in huis?

Nee, …

10

Kook jij met je moeder?

Nee, …

13 Schrijf het antwoord op Kies uit: ja – nee – ik weet het niet.

2 1 3? Koop jij een nieuwe broek?

1

Eet de koning veel tomaten?

2

Betaal jij in de supermarkt met je pinpas?

3

Heeft het buurmeisje een auto?

4

Gaat het morgen regenen?

5

Eten Nederlanders veel rijst?

Nee, 1 2 3

Ja, ik koop een nieuwe broek. of: Nee, ik koop geen nieuwe broek. of: Sorry, ik heb geen idee.

LES 11 ANTWOORD GEVEN MET NEE

97


6

Is Amsterdam de hoofdstad van Duitsland?

7

Kom je op de fiets naar school?

8

Eet jij veel appels?

9

Ga jij om elf uur naar bed?

10

Spreek jij Nederlands met je buurvrouw?

98

GEREGELD SPREKEN


LES 12 WAT, WAAR, WIE, HOE, WANNEER, HOEVEEL, WELKE A1 - Ik kan vragen maken met wat, waar, wie, hoe, wanneer, hoeveel, welke.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

Wat zeg je? Waar woon je? Wie ben je? Hoe heet je? Wanneer ga je? Hoeveel kinderen heb je? Welke schoenen koop je?

1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na. Luister naar de melodie. de vraag

het antwoord

1

Wat

drink

je?

Ik

drink

koffie.

2

Waar

werk

jij?

Ik

werk

in Utrecht.

3

Wie

ben

jij?

Ik

ben

de docent.

4

Hoe oud

ben

jij?

Ik

ben

38 jaar.

5

Wanneer

kom

je?

Ik

kom

morgen.

6

Hoeveel broers

heb

jij?

Ik

heb

twee broers.

7

Welke appels

wil

je?

Ik

wil

zoete appels.

LES 12 WAT, WAAR, WIE, HOE, WANNEER, HOEVEEL, WELKE

99


2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest een vraag. Daarna leest cursist B het antwoord. Wissel daarna van rol.

3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de vraag, cursist B kijkt niet in het boek en zegt de vraag na. Daarna leest cursist A het antwoord. Cursist B kijkt niet in het boek en zegt het antwoord na. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

4 Heen en weer Werk in tweetallen. Maak een 123-zin. Cursist A leest de vraag. Cursist B geeft het antwoord. Kies uit: een cursist – zes appels – koffie – in de zomer – Maria – op straat. Wissel daarna van rol. de vraag

het antwoord

1

2

1

Wat

drinken

de cursisten?

De cursisten drinken

2

Waar

loopt

de man?

De man

loopt

3

Wie

is

zij?

Zij

is

4

Hoeveel appels

koop

jij?

Ik

koop

5

Wanneer

zwemmen de kinderen?

De kinderen

zwemmen

6

Hoe

heet

Ik

heet

100

GEREGELD SPREKEN

jij?

3


5 Puzzelen Werk in tweetallen. Maak de vraag af. Kijk eerst goed naar het antwoord. Kies uit: wat – waar – wie – hoe – wanneer – hoeveel – welke. de vraag

het antwoord

1

2

3

1

werk

jij?

Ik

werk

op maandag.

2

werkt

hij?

Hij

werkt

in een winkel.

heeft

zij?

Zij

heeft

drie zussen.

4

ben

jij?

Ik

ben

Ali.

5

gaan

jullie?

Wij

gaan

met de bus.

6

eten

zij?

Zij

eten

soep.

is

het?

Het

is

maart.

3

7

... zussen

... maand

6 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol. de vraag

het antwoord

123

1

Wie kookt vandaag?

Mijn moeder ...

2

Waar is jouw school?

De school …

3

Wat drinkt de docent?

Hij …

4

Hoe gaan jullie naar het centrum?

Wij …

5

Wanneer komt de bus?

De bus …

6

Hoeveel pennen heb jij?

Ik …

7

Welke broek koop je?

Ik …

LES 12 WAT, WAAR, WIE, HOE, WANNEER, HOEVEEL, WELKE

101


7 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. De buitenkring stelt vragen aan de binnenkring. Klaar? Wissel van rol. de vraag 1

Wie ben jij?

2

Waar woon jij?

3

Wat drink je?

4

Hoe oud ben je?

5

Wanneer werk jij?

6

Hoeveel koffie drink jij?

7

Welke kleur vind je mooi?

het antwoord

123

STAP 3: DOEN

8 Dobbelsteen Werk in groepjes van drie cursisten. Cursist A gooit de dobbelsteen. Hoeveel gooi je? Maak een goede vraag. Cursist B geeft antwoord. Daarna gooit cursist B de dobbelsteen en maakt hij een goede vraag. Cursist C geeft antwoord.

102

= wat?

= wanneer?

= wie?

= hoe?

= waar?

= hoeveel?

GEREGELD SPREKEN


9 Praatplaat Werk in tweetallen. Kijk naar de praatplaat Mannenhuishouding. Maak vragen bij de zinnen. Voorbeeld: Het bier staat op de kast. Waar staat het bier? 1 2 3 4 5 6 7

Hij is 39 jaar. Hij heeft vijf katten. Hij kookt bonen. De vrouwen kijken naar de man. Over vijf minuten gaat hij eten. De motor staat in de kamer. De zwarte poes is de moeder.

LES 12 WAT, WAAR, WIE, HOE, WANNEER, HOEVEEL, WELKE

103


STAP 4: KILOMETERS MAKEN

10 Hardop zeggen Lees onderstaande vragen en antwoorden hardop. Spreek ze in op je mobiel. Luister daarna naar jezelf. de vraag

het antwoord

1

Wat

drink

je?

Ik

drink

koffie.

2

Waar

werk

jij?

Ik

werk

in Utrecht.

3

Wie

ben

jij?

Ik

ben

de docent.

4

Hoe oud

ben

jij?

Ik

ben

38 jaar.

5

Wanneer

kom

je?

Ik

kom

morgen.

6

Hoeveel broers

heb

jij?

Ik

heb

twee broers.

7

Welke appels

wil

je?

Ik

wil

zoete appels.

11 Maak de vraag af Kies uit: wat – waar – wie – hoe – wanneer – hoeveel – welke. de vraag

het antwoord

1

werk

jij?

Ik

werk

op maandag.

2

werkt

hij?

Hij

werkt

in een winkel.

heeft

zij?

Zij

heeft

drie zussen.

4

ben

jij?

Ik

ben

Ali.

5

gaan

jullie?

Wij

gaan

met de bus.

6

eten

zij?

Zij

eten

soep.

is

het?

Het

is

maart.

3

7

104

... zussen

... maand

GEREGELD SPREKEN


12 Schrijf het goede antwoord op Maak hele zinnen. de vraag 1

Wie ben jij?

2

Waar woon jij?

3

Wat drink je?

4

Hoe oud ben je?

5

Wanneer werk jij?

6

Hoeveel koffie drink jij?

7

Welke kleur vind je mooi?

het antwoord

Ik ben ...

13 Taalsafari Je gaat buiten de school Nederlands praten. Wat moet je doen? 1 2 3 4

Pak de vragen van de oefening binnen- en buitenkring (oefening 7). Stel je vragen aan iemand die goed Nederlands spreekt. Schrijf de antwoorden kort op. Presenteer je antwoorden in de volgende les aan de groep.

LES 12 WAT, WAAR, WIE, HOE, WANNEER, HOEVEEL, WELKE

105


Taalsafari vraag 1

?

antwoord

vraag 2

?

antwoord

vraag 3

?

antwoord

vraag 4

?

antwoord

vraag 5

?

antwoord

vraag 6

?

antwoord

vraag 7 antwoord

106

GEREGELD SPREKEN

?


LES 13 VAN WIE IS HET? A1 - Ik kan vertellen van wie iets is: het is mijn huis en zijn auto.

STAP 1: BEGRIJPEN

Samen bij het bord

Van wie is de jas?

Ik: Het is mijn jas. Jij: Het is jouw jas. U: Het is uw jas. Zij: Het is haar jas. Hij: Het is zijn jas. Wij: Het is onze jas. Jullie: Het is jullie jas. Zij: Het is hun jas. Let op: De jas Het is onze jas. Het huis Het is ons huis.

1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na.

1

2

3

1

Het

is

mijn mobiel.

2

Het

is

jouw boek.

3

Het

is

uw pen.

LES 13 VAN WIE IS HET?

107


4

Het

is

zijn gum.

5

Het

is

haar map.

6

Het

is

ons lokaal.

7

Het

is

onze groep.

8

Het

is

ons bord.

9

Het

is

jullie docent.

10

Het

zijn

hun pennen.

2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest zin 1. Daarna leest cursist B zin 2. Help elkaar om het goed te zeggen. 3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, cursist B kijkt niet in het boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

4 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest een zin. Cursist B kiest het goede woord. Daarna leest cursist B een zin. Cursist A kiest het goede woord. Kies uit: mijn – jouw – uw – haar – zijn – ons / onze – jullie – hun. Gaat het goed? Luister naar de zin en doe de oefening met je ogen dicht.

108

GEREGELD SPREKEN


1

2

3

1

2

3

1

Ik

heb

een boek.

Het

is

mijn boek.

2

Zij

heeft

een auto.

Het

is

… auto.

3

Jij

hebt

een appel.

Het

is

… appel.

4

Wij

hebben

een dochter.

Het

is

… dochter.

5

U

heeft

een laptop.

Het

is

… laptop.

6

Jullie

hebben

potloden.

Het

zijn

… potloden.

7

Zij

hebben

boeken.

Het

zijn

… boeken.

8

Ik

heb

een fiets.

Het

is

… fiets.

9

Hij

heeft

pennen.

Het

zijn

… pennen.

10

Wij

hebben

een huis.

Het

is

… huis.

5 Hoeveel? Werk in drietallen. Zoek in het schema. Hoeveel keer horen onderstaande woorden bij: 1 ik 2 jij 3 u 4 hij 5 zij (één persoon) 6 wij 7 jullie 8 zij (meer personen) jouw telefoon

uw jas

jullie auto

hun fietsen

haar boeken

hun tas

mijn huiswerk

uw telefoon

uw huis

ons kind

ons examen

onze afspraak

onze pennen

hun school

mijn kinderen

zijn docent

haar broek

onze auto

zijn trui

haar schoenen

zijn moeder

haar man

jouw kinderen

jullie hond

mijn moeder

hun kinderen

mijn broodje

jullie tuin

jouw bril

jouw huiswerk

mijn gum

uw kleinkind

jullie probleem

jouw tas

uw kopje koffie

LES 13 VAN WIE IS HET?

109


STAP 3: DOEN

6 Van wie is het? Iedereen legt voorwerpen op tafel: een boek, een gum, een map, een pen, een potlood, een papier, een tas, een mobiel, een bril, een puntenslijper, een laptop enzovoort. De docent pakt een voorwerp en stelt een vraag aan de eigenaar van het voorwerp of aan een andere cursist. Gebruik de woorden: mijn – jouw – uw – haar – zijn – ons / onze – jullie – hun. Daarna pakt cursist A een voorwerp en stelt een vraag aan een andere cursist. Voorbeeld: Docent: ‘Van wie is de gum?’ Cursist A: ‘Het is zijn gum.’

STAP 4: KILOMETERS MAKEN

7 Maak de zin af Kies uit: mijn – jouw – uw – haar – zijn – ons / onze – jullie – hun.

1

2

3

1

2

3

mijn

1

Ik

heb

een boek.

Het

is

2

Zij

heeft

een auto.

Het

is

auto.

3

Jij

hebt

een appel.

Het

is

appel.

4

Wij

hebben

een dochter.

Het

is

dochter.

5

U

heeft

een laptop.

Het

is

laptop.

6

Jullie

hebben

potloden.

Het

zijn

potloden.

7

Zij

hebben

boeken.

Het

zijn

boeken.

8

Ik

heb

een fiets.

Het

is

fiets.

9

Hij

heeft

pennen.

Het

zijn

pennen.

10

Wij

hebben

een huis.

Het

is

huis.

110

GEREGELD SPREKEN

boek.


LES 14 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN A1 - Ik kan met gaan, kunnen, willen, moeten en mogen een goede 123-zin maken.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

werkwoord 1 gaan 2 willen 3 mogen 4 kunnen 5 moeten

Wij gaan elke week naar school. Jij wil vandaag een pizza. Ik mag morgen een ijsje. Zij kunnen het niet goed. Ik moet morgen naar de tandarts.

1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na.

1 gaan

willen

mogen

kunnen moeten

2

3

3

Ik

ga

met de bus

naar huis.

Hij

gaat

met de bus

naar huis.

Ik

wil

graag

een paspoort.

Zij

willen

graag

een paspoort.

Jij

mag

om twee uur

naar huis.

Jullie

mogen

om twee uur

naar huis.

Zij

kan

morgen

niet.

Wij

kunnen

morgen

niet.

Hij

moet

om vier uur

naar de les.

Zij

moeten

om vier uur

naar de les.

LES 14 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN

111


2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de zinnen en gebruikt de vingers om de 1, de 2 en de 3 te laten zien. Cursist B kijkt of cursist A de juiste 123-vingers opsteekt. Wissel daarna van rol.

3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, cursist B kijkt niet in zijn boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN Spreekhulp gaan

willen

mogen

kunnen

moeten

ik ga jij / u gaat hij / zij gaat

ik wil jij / u wil hij / zij wil

ik mag jij / u mag hij / zij mag

ik kan jij / u kan hij / zij kan

ik moet jij / u moet hij / zij moet

wij gaan jullie gaan zij gaan

wij willen jullie willen zij willen

wij mogen jullie mogen zij mogen

wij kunnen jullie kunnen zij kunnen

wij moeten jullie moeten zij moeten

112

GEREGELD SPREKEN


4 Heen en weer Werk in tweetallen. Kies de goede 2 in elke zin. Gebruik de spreekhulp.

1

3

3

Ik

met mijn moeder

naar de supermarkt.

Mijn broer

morgen

naar Groningen.

Jij

elke dag

naar het centrum.

De kinderen

vandaag

vrij.

Het meisje

de oefening

niet.

De mannen

niet

naar huis.

Mijn dochter

vandaag

naar het ziekenhuis.

Mijn kinderen

morgen

naar school.

Ik

vrijdag

een nieuwe tas.

Wij

een lekker koekje

bij de thee.

Kies uit: ga / gaat / gaan

wil / willen

kan / kunnen

moet / moeten

mag / mogen

2

5 Heen en weer Werk in tweetallen. Maak de zinnen af. Kies uit: moet – moeten – mag – mogen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Jullie … elke dag een ijsje. Hij … van zijn moeder naar de film. Ik … mijn nieuwe jas aan. Het meisje … op tijd naar huis. Mijn broertje … niet op de fiets naar school. De deur … dicht. Een jongen van 17 … geen alcohol. De auto is kapot en … naar de garage. De bloemen … water. Jouw dochter … om half acht naar bed.

LES 14 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN

113


6 Heen en weer Werk in tweetallen. Maak samen goede zinnen en kies zelf het juiste werkwoord. Gebruik de spreekhulp. 1 2 3 4 5 6 7 8

… je koffie of thee? Nee, ik … morgen niet. … je mee naar Assen? Ja, het raam … open. Ik … nu echt naar binnen. Hij … graag op vrijdag naar school. Het is koud. De deur … dicht. … ik eerst?

STAP 3: DOEN

7 Wat vraag je? Lees eerst de situatie. Voorbeeld: Je vindt het koud op school. Het raam staat open. Je vraagt: ‘Mag het raam dicht?’ Kies uit: mogen – willen – gaan – kunnen. Situatie 1 Je mobiel is leeg. Je moet iemand bellen. Je vraagt aan je vriend: … Situatie 2 De buurvrouw komt koffie drinken. Je vraagt aan de buurvrouw: … Situatie 3 Je gaat naar een feest. Je wil niet alleen. Je vraagt aan je vriendin: … Situatie 4 Je hebt keelpijn. Je gaat naar de apotheek. Je weet niet of je een drankje nodig hebt of een paracetamol. Je vraagt bij de apotheek: …

114

GEREGELD SPREKEN


STAP 4: KILOMETERS MAKEN

8 Kies uit elke zin de goede 2 Gebruik de spreekhulp.

1

Kies uit: ga / gaat / gaan

wil / willen

kan / kunnen

moet / moeten

mag / mogen

2

ga

Ik

3

3

met mijn moeder naar de supermarkt.

Mijn broer

morgen

naar Groningen.

Jij

elke dag

naar het centrum.

De kinderen

vandaag

vrij.

Het meisje

de oefening

niet.

De mannen

niet

naar huis.

Mijn dochter

vandaag

naar het ziekenhuis.

Mijn kinderen

morgen

naar school.

Ik

vrijdag

een nieuwe tas.

Wij

een lekker koekje bij de thee.

9 Maak de zinnen af Kies uit: moet – moeten – mag – mogen.

mogen

1

Jullie

elke dag een ijsje.

2

Hij

van zijn moeder naar de film.

3

Ik

mijn nieuwe jas aan.

4

Het meisje

op tijd naar huis.

5

Mijn broertje

niet op de fiets naar school.

6

De deur

dicht.

7

Een jongen van 17

geen alcohol.

LES 14 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN

115


8

De auto is kapot en

naar de garage.

9

De bloemen

water.

10

Jouw dochter

om half acht naar bed.

10 Maak goede zinnen en kies zelf het juiste werkwoord Gebruik de spreekhulp. 1

… je koffie of thee?

2

Nee, ik … morgen niet.

3

… je mee naar Assen?

4

Ja, het raam … open.

5

Ik … nu echt naar binnen.

6

Hij … graag op vrijdag naar school.

7

Het is koud. De deur … dicht.

8

… ik eerst?

116

GEREGELD SPREKEN


LES 15 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN A1 - Ik kan met deze werkwoorden een goede 12a32b-zin maken.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

1 De vrouw De jongen Mijn moeder 1 De vrouwen De jongens Mijn ouders

wil mag gaat

2a

3 om twee uur vanavond in de zomer

2a willen mogen gaan

2b

eten. voetballen. fietsen.

3 om twee uur vanavond in de zomer

2b

eten. voetballen. fietsen.

1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na.

1

2a

3

3

2b

1

Maria

gaat

zaterdag

een nieuwe fiets

kopen.

2

Wij

kunnen

vandaag

in zee

zwemmen.

3

Mijn buurman

wil

volgend jaar

in Amsterdam

wonen.

4

Zij

moeten

morgen

examen

doen.

5

Je

mag

in dit gebouw

niet

roken.

LES 15 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN

117


3

2a

1

3

2b

1

Zaterdag

gaat

Maria

een nieuwe fiets

kopen.

2

Vandaag

kunnen

wij

in zee

zwemmen.

3

Volgend jaar

wil

mijn buurman

in Amsterdam

wonen.

4

Morgen

moeten

zij

examen

doen.

5

In dit gebouw

mag

je

niet

roken.

2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de zinnen en gebruikt de vingers om de 1, de 2 en de 3 te laten zien. Cursist B kijkt of cursist A de juiste 123-vingers opsteekt. Wissel daarna van rol.

3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, cursist B kijkt niet in zijn boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

4 1 2a 3 3 2b

Werk in tweetallen. Maak samen goede zinnen. Bedenk samen een 2b.

1

2a

3

3

1

Jij

moet

in de supermarkt

bij de kassa

2

Mijn tante

gaat

op de markt

vis

118

GEREGELD SPREKEN

2b


3

Ik

wil

vandaag

mijn huis

4

Jouw oom

kan

40 kilometer

naar Amsterdam

5

Haar dochter

mag

iedere dag

in de vakantie

6

De buurjongen moet

nu

de rijst

7

Maria en Jan

willen

altijd

het huiswerk

8

De cursist

mag

in de pauze

thee of koffie

9

De meisjes

kunnen

tot vier uur

in het centrum

10

De directeur

gaat

snel

zijn brood

5 3 2a 1 3 2b Werk in tweetallen. Maak samen van bovenstaande zinnen goede 32a132b-zinnen. Voorbeeld: Om vier uur ga ik brood kopen.

6 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt een vraag. Cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol.

2a 1 3 2b 2b?

Ja, 1 2a 3 2b

1

Mag ik een pen lenen?

Ja, jij … een pen …

2

Gaat hij een nieuwe auto kopen?

Ja, hij … een nieuwe auto …

3

Kan u mij met dit formulier helpen?

Ja, ik … u met dit formulier …

4

Gaat hij zijn rijbewijs halen?

Ja, hij … zijn rijbewijs …

5

Mag zij deze film zien?

Ja, zij … deze film …

6

Moet de baby in bed blijven?

Ja, de baby … in bed …

7

Kan het meisje mooi zingen?

Ja, het meisje … mooi …

LES 15 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN

119


8

Wil hij de boodschappen betalen?

Ja, hij … de boodschappen …

9

Kan jouw dochter al zwemmen?

Ja, mijn dochter … al …

7 Praatplaat Bekijk de praatplaat Doe mij maar eh… Luister naar de docent. Hij zegt een woord. Zeg het woord daarna samen na. Werk in tweetallen. Cursist A zegt het woord. Cursist B wijst het woord aan. - het restaurant - het menu - de ober - het terras - de hond Cursist B zegt het woord. Cursist A wijst het woord aan. - het biertje - het mobieltje - de rugzak - de tas - het horloge

120

GEREGELD SPREKEN


8 Samen Maak samen een goede 12a32b- of 12a332b-zin. Voorbeeld: (mogen / zitten) De hond … naast de stoel … De hond mag naast de stoel zitten. 1 2 3 4 5 6 7

(moeten / wachten) De klant … lang … (willen / drinken) Wat … u …? (willen / bestellen) Ik … graag een biertje … (mogen / hebben) De hond … geen bier … (kunnen / kiezen) De jongen … niet goed … (moeten / sturen) De vrouw … een appje naar haar dochter … (kunnen / luisteren) De hond … goed …

STAP 3: DOEN

9 Een lange zin maken Werk in groepjes van vier of vijf cursisten. Elk groepje krijgt een paar woorden en maakt een goede 12a32b- of 12a332b-zin. Iedere cursist neemt een woord. Ben je klaar met de zin? Vraag de docent of de zin goed is. 1 2 3 4 5

gaan, schoonmaken, moeder, vandaag, het huis willen, werken, ik, na mijn examen moeten, betalen, mijn broer, in de supermarkt, de boodschappen kunnen, mijn man, helpen, met het huiswerk, mij mogen, niet, roken, in dit gebouw, wij

LES 15 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN

121


10 Wat zeg je? Werk in drietallen. Bedenk samen een zin bij de woorden die je hieronder ziet.

1 2a 3 3 2b

2a 1

roken

mogen

Je mag hier niet roken.

2

stoppen voor een rood stoplicht

moeten

3

de huur betalen

moeten

4

vanaf 5 jaar naar school gaan

moeten

5

vanaf 4 jaar naar school gaan

mogen

6

water drinken in de les

mogen

7

je ID-bewijs bij je hebben

moeten

8

een studie kiezen

mogen

9

een regering kiezen

mogen

10

op tijd op je werk komen

moeten

STAP 4: KILOMETERS MAKEN

11 1 2a 3 3 2b Maak goede zinnen. Bedenk een 2b.

1

2a

3

3

1

Jij

moet

in de supermarkt

bij de kassa

2

Mijn tante

gaat

op de markt

vis

3

Ik

wil

vandaag

mijn huis

4

Jouw oom

kan

40 kilometer

naar Amsterdam

5

Haar dochter

mag

iedere dag

in de vakantie

6

De buurjongen

moet

nu

de rijst

122

GEREGELD SPREKEN

2b


7

Maria en Jan

willen

altijd

het huiswerk

8

De cursist

mag

in de pauze

thee of koffie

9

De meisjes

kunnen

tot vier uur

in het centrum

10

De directeur

gaat

snel

zijn brood

12 3 2a 1 3 2b Maak van bovenstaande zinnen goede 32a132b-zinnen. Voorbeeld: Om vier uur ga ik brood kopen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

LES 15 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN

123


13 Schrijf het antwoord op

2a 1 3 2b 2b?

Ja, 1 2a 3 2b

Mag ik een pen lenen?

Ja, jij

2

Gaat hij een nieuwe auto kopen?

Ja, hij

een nieuwe auto

3

Kan u mij met dit formulier helpen?

Ja, ik

u met dit formulier

4

Gaat hij zijn rijbewijs halen?

Ja, hij

zijn rijbewijs

Mag zij deze film zien?

Ja, zij

deze film

6

Moet de baby in bed blijven?

Ja, de baby

7

Kan het meisje mooi zingen?

Ja, het meisje

8

Wil hij de boodschappen betalen?

Ja, hij

9

Kan jouw dochter al zwemmen?

Ja, mijn dochter

1

5

124

GEREGELD SPREKEN

een pen

. . . . .

in bed

.

mooi

.

de boodschappen al

. .


LES 16 GROOT, NIEUW, KOUD A1 - Ik kan iets vertellen over dingen en personen.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

De De De De

1 man man man telefoon

is is is

2

3 lang en dik. duur en klein.

1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na.

1

2

3

1

De tafel

is

wit en hoog.

2

Het raam

is

vies en groot.

3

De docent

is

aardig en goed.

4

Het boek

is

leuk en makkelijk.

5

De tas

is

zwaar en zwart.

2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de zin hardop, cursist B leest daarna dezelfde zin hardop. Help elkaar om de woorden goed te zeggen.

LES 16 GROOT, NIEUW, KOUD

125


3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar zitten. Cursist A leest de zin voor, cursist B kijkt niet in het boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

4 Samen Werk in tweetallen. Maak samen een goede 123-zin met de woorden. Cursist A zegt de woorden, cursist B maakt een goede 123-zin. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Cursist A zegt de woorden, cursist B maakt een 123-zin met de ogen dicht.

1 de tomaat, rood

De tomaat

2 is

3 rood.

1

het brood, bruin

2

de jas, zwart

3

de fles, leeg

4

dik, de hond

5

slim, de cursist

6

de stoel, zacht, vies

… en …

7

dik, oud, het boek

… en …

8

schoon, hard, het bed

… en …

126

GEREGELD SPREKEN


5 Puzzelen Maak groepjes van vier cursisten. Iedere groep krijgt een woord (groep 1 de jongen, groep 2 de auto, enzovoort). Maak met elkaar 123-zinnen met de woorden uit de lijst. Vertel jullie zin samen aan de andere groep. Groep 1 = de jongen Groep 2 = de auto Groep 3 = de buurvrouw Groep 4 = de bal Voorbeeld: de pen Cursist 1: De pen Cursist 2: is Cursist 3: duur Cursist 4: en blauw. dik

hoog

goedkoop

groot

gevaarlijk

vies

droog

moeilijk

nat

duur

klein

vol

kort

dun

laatst

eerst

gezond

schoon

ziek

lang

makkelijk

veilig

goed

laag

lief

snel

onaardig

leeg

langzaam

slecht

LES 16 GROOT, NIEUW, KOUD

127


6 Puzzelen Maak andere groepjes van vier cursisten. Maak met onderstaande woorden een zo lang mogelijke 123-zin. Presenteer jullie zinnen aan de andere groepen. ik

druk

bruin

mooi

zijn

moe

hij

blond

wij is

gezellig

ben

de tafel

vies

lief

jij

vrij

bent

leuk

klein

en

langzaam

aardig

gezond

lang

actief

sportief

duur

ziek

STAP 3: DOEN

7 Verboden woord Ga in een kring zitten. Kijk in het lokaal. Cursist A krijgt een woord van de docent en zegt niet wat het is. De andere cursisten stellen om de beurt vragen. Cursist B vraagt: ‘Is het blauw?’ Cursist A zegt: ‘Nee.’ Cursist C vraagt: ‘Is het rood?’ Cursist A zegt: ‘Ja.’ Cursist C mag nog een keer. Hij vraagt: ‘Is het groot?’ Cursist A zegt: ‘Ja.’ Cursist C mag nog een keer. Hij vraagt: ‘Is het rond?’ ‘Ja.’ Is het een tomaat? JA! Doe hetzelfde nog een keer in tweetallen.

128

GEREGELD SPREKEN


8 Praatplaat Bekijk de praatplaat Mannenhuishouding. De docent wijst de woorden aan op de praatplaat. De docent zegt de woorden. Zeg de docent samen na. Werk in tweetallen. Cursist A zegt een woord. Cursist B wijst aan. Wissel daarna van rol. Cursist A: - de kat - de sigaret - de pan - de was - de stofzuiger Cursist B: - de motor - de strijkplank - de keuken - de krant

LES 16 GROOT, NIEUW, KOUD

129


9 Praatplaat Werk in tweetallen. Bekijk de praatplaat Mannenhuishouding. Praat over het huishouden. Gebruik de volgende woorden in je antwoord: vies – schoon – groen – klein – rood – groot – blauw – lief – lang – leeg – vol – leuk – mooi – oud – nieuw – veel – weinig – goed – slecht – lelijk. Voorbeeld: Vertel over de was. ‘Ik heb veel vieze was. Ik heb veel jonge kinderen. Zij hebben blauwe, rode en groene kleren.’ 1 2 3 4 5

Vertel over jouw keuken. Vertel over jouw pannen. Vertel over jouw stoelen. Vertel over jouw stofzuiger. Vertel over jouw strijkplank.

STAP 4: KILOMETERS MAKEN

10 Schrijf een goede zin

1 de tomaat, rood

De tomaat

2

is

3

rood.

1

het brood, bruin

2

de jas, zwart

3

de fles, leeg

4

dik, de hond

5

slim, de cursist

6

de stoel, zacht, vies

… en …

7

dik, oud, het boek

… en …

8

schoon, hard, het bed

… en …

130

GEREGELD SPREKEN


11 Puzzelen Maak vijf lange 123-zinnen. Gebruik woorden uit de lijst. Schrijf de zinnen in het schema. dik

hoog

goedkoop

groot

gevaarlijk

vies

droog

moeilijk

nat

duur

klein

vol

kort

dun

laatst

eerst

gezond

schoon

ziek

lang

makkelijk

veilig

goed

laag

lief

snel

onaardig

leeg

langzaam

slecht

123 de pen

1

de jongen

2

de auto

3

de buurvrouw

4

de bal

De pen is dun, duur, klein en leeg. De pen is licht, lang, dik en makkelijk.

LES 16 GROOT, NIEUW, KOUD

131


12 Puzzelen Maak vijf lange zinnen met de woorden. ik

druk

bruin

mooi

zijn

wij

slim

moe

hij

blond

is

gezellig

ben

de tafel

vies

lief

jij

vrij

bent

leuk

klein

en

langzaam

aardig

gezond

lang

stout

sportief

duur

ziek

123

Jij bent sportief, aardig en gezond. 1 2 3 4 5

132

GEREGELD SPREKEN


DEEL 2

133


LES 17 GROTE, NIEUWE, KOUDE A2 - Ik kan iets extra’s vertellen over dingen en personen.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

1

De docent De lange, dikke docent De lange, dikke docent

schrijft schrijft

2

3 op het bord.

Kijk en luister naar de docent. Op het schoolplein Ko Hoi buurman, gaat jouw zoon vandaag ook naar school? Jan Ja, het is zijn eerste dag. Hij heeft zijn korte, blauwe broek en zwarte T-shirt aan voor deze belangrijke dag. En jouw dochter? In welke groep zit zij? Ko Mijn dochter zit in de tweede groep. Ze loopt daar met haar vriendin, dat blonde meisje met dat gele jurkje. Jan Vindt ze het een leuke school? Ko Ja hoor, en ze heeft een lieve juf en jouw zoon krijgt een jonge, nieuwe meester. Nou, Jan, ik spreek je weer. jan Jan Ja, tot de volgende keer.

KO

1 Samen Oefen in tweetallen het gesprek. Cursist A is Jan, cursist B is Ko. Wissel daarna van rol.

134

GEREGELD SPREKEN


2 Nazeggen Luister naar de docent en zeg na. Hoor je de laatste ‘e’? dik

de dikke man

groot

de grote broer

klein

het kleine meisje

stil

de stille man

vol

de volle tas

gezond

het gezonde eten

lief

de lieve jongen

leuk

het leuke feest

rood

de rode jas

schoon

de schone trui

3 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de woorden, cursist B leest daarna dezelfde woorden. Help elkaar om de woorden goed te zeggen.

STAP 2: OEFENEN

4 Heen en weer Werk in tweetallen. De een leest A, de ander zegt de B. Let op de ‘e’. Wissel daarna van rol.

A

B

A

B

1

licht

de … tas

6

lelijk

het … huis

2

lang

de … straat

7

makkelijk

het … boek

3

hard

het … bed

8

duur

de … supermarkt

4

groot

de … pizza

9

leeg

de … fles

5

jong

het … meisje

10

snel

de … auto

LES 17 GROTE, NIEUWE, KOUDE

135


5 Heen en weer Werk in tweetallen. De een leest de A-zin, de ander maakt de B-zin. Let op de ‘e’. Wissel daarna van rol.

A

B

De tomaat is rood en groot.

De rode, grote tomaat.

1

Het brood is rond en bruin.

2

De jas is zwart en kort.

3

De fles is leeg en groen.

4

De hond is dik en lui.

5

De cursist is slim en sterk.

6

De stoel is zacht en vies.

7

Het boek is saai en oud.

8

Het bed is schoon en hard.

6 Zoek Werk in tweetallen. Zoek bij de woorden met een nummer de tegenstelling. Voorbeeld: 1 dik – dun 2 vies – schoon 1. dik

8. hoog

licht

groot

17. lekker

2. vies

9. droog

moeilijk

nat

duur

3. klein

vol

13. kort

dun

laatst

4. eerst

10. donker

schoon

16. stout

lang

5. makkelijk

11. fout

goed

laag

lief

6. leeg

12. gezond

14. goedkoop

ziek

vies

15. lui

langzaam

actief

7. snel 136

GEREGELD SPREKEN


7 Puzzelen Maak groepjes van vier cursisten. Iedere groep krijgt een woord (groep 1 de jongen, groep 2 de auto, enzovoort). Zeg iets extra’s over het woord. Presenteer het aan de andere groepen. Gebruik de woorden van oefening 6. Groep 1 = de jongen Groep 2 = de auto Groep 3 = de buurvrouw Groep 4 = de bal Voorbeeld: de pen Cursist 1: de dure, Cursist 2: kleine, Cursist 3: vieze, Cursist 4: rode pen

8 En jij? Werk in tweetallen. Gebruik de tegenstellingen van oefening 6. Cursist A zegt: ‘Ik heb een dikke jas. En jij?’ Cursist B zegt: ‘Ik heb een dunne jas.’ Wissel daarna van rol. Kies uit: de auto – de mobiel – de wc – de oefening – de docent – de fles – de stoel – de pizza – de broek – de douche.

LES 17 GROTE, NIEUWE, KOUDE

137


9 Praatplaat Werk in kleine groepjes. Bekijk de praatplaat Mannenhuishouding. Gebruik de tien woorden hieronder om te vertellen wat je ziet. lekker – oud – blauw – hard – goed – warm – bruin – klein – zwart – leuk – rood – vies – leeg Voorbeeld: koud – het koude huis

138

GEREGELD SPREKEN


STAP 3: DOEN

10 Markt Werk in tweetallen. Cursist A is de verkoper en stelt de vraag. Cursist B komt iets kopen en geeft antwoord. Gebruik de informatie uit de tweede kolom. Oefen met elkaar de zinnen. Wissel daarna van rol. de vraag

het antwoord

Welk T-shirt wil je?

blauw

Ik wil graag het blauwe T-shirt.

1

Welke broek wil je?

rood, kort

Ik wil …

2

Welke vis wil je?

dik, wit

3

Welk horloge bedoel je?

zwart, groot

4

Welke appels wil je?

rood, groen

5

Welke paprika wil je?

geel, klein

6

Welk brood wil je?

bruin, rond

7

Welke schoenen bedoelt u?

zwart, hoog

8

Welke bloemen vind je mooi?

oranje, groot

11 Ik ga naar de markt en ik koop ... De cursisten zitten in een kring. De eerste cursist zegt: ‘Ik ga naar de markt en ik koop gele bananen.’ De tweede cursist zegt: ‘Ik ga naar de markt en ik koop rode tomaten en gele bananen.’ Maak de lijst zo steeds langer.

LES 17 GROTE, NIEUWE, KOUDE

139


STAP 4: KILOMETERS MAKEN

12 Schrijf het woord op de goede manier

leuke

leuk

de

jongen

1

licht

de

tas

6

lelijk

het

huis

2

lang

de

straat

7

makkelijk

het

boek

3

hard

het

bed

8

duur

de

supermarkt

4

groot

de

pizza

9

leeg

de

fles

5

jong

het

meisje

10

snel

de

auto

13 Praatplaat Bekijk de praatplaat Mannenhuishouding. Gebruik de tien woorden hieronder om iets te schrijven over de plaat. lekker 1

oud

2

blauw

3

hard

4

goed

5

warm

6

bruin

7

klein

8

zwart

9

leuk

10

rood

140

de lekkere soep

GEREGELD SPREKEN


LES 18 WAAROM & OMDAT A2 - Ik kan een waarom-vraag maken en antwoord geven met omdat.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

Waarom 3 Omdat

Kijk en luister naar de docent.

kijk 2 ik 1

je 1

een appje 3

op je mobiel? 3 krijg. 2

ko

baas Op het werk: vrij vragen aan je baas Ko Baas, mag ik volgende week vrij? Baas Waarom? Ko Omdat mijn moeder naar het ziekenhuis moet. Baas Vervelend dat je moeder ziek is. Waarom moet je mee? Ko Omdat ze niet zelf kan rijden. Ze heeft een gebroken been. Baas Ik begrijp ’t. Maar ik heb een probleem. Dinsdag zijn er al twee mensen vrij. Kan iemand anders haar brengen? Ko Nee, ze heeft niemand anders. Mijn vader leeft niet meer. Ik heb geen broers of zussen. Baas Oké. Hoe laat moet ze naar het ziekenhuis? Ko Waarom wil u dat weten? Baas Omdat je dan misschien een halve dag vrij kunt nemen. Ko Ze moet er om half tien zijn. Dan kan ik om één uur beginnen. Baas Prima, afgesproken.

LES 18 WAAROM & OMDAT

141


1 Samen Lees in tweetallen het gesprek. Cursist A is Ko, cursist B is de baas. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

2 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag, cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Geef dan zelf antwoord op de vraag. 1 2 3 4 5

Waarom ga je naar de dokter? Waarom luister je niet? Waarom heb je geen auto? Waarom ga je naar de gemeente? Waarom gooi je het brood weg?

Omdat ik pijn in mijn buik heb. Omdat ik het niet begrijp. Omdat ik geen geld heb. Omdat ik een paspoort wil. Omdat ik het niet lekker vind.

3 Waarom? Kies samen een goede 2. Kies uit: is – neemt – drinken – gaat – eet.

3

2

1

3

1

Waarom

je dochter

naar school?

2

Waarom

je neef

paracetamol?

3

Waarom

jouw collega

te laat?

4

Waarom

jullie

melk?

5

Waarom

dat meisje

weinig?

Zoek het antwoord bij de vraag. Cursist A leest de vraag, cursist B geeft het antwoord. Wissel daarna van rol.

142

GEREGELD SPREKEN


a b c d e

Omdat hij pijn in zijn hoofd heeft. Omdat zijn fiets kapot is. Omdat ze te dik is. Omdat zij graag veel wil leren. Omdat het gezond is.

4 Dobbelsteen Maak groepjes van vier of vijf cursisten. Ieder groepje krijgt een dobbelsteen. Bedenk om de beurt een antwoord bij de vraag. = Waarom bel jij je broer? = Waarom drink jij koffie? = Waarom praat jij met de buren?

Omdat – 1 – 3 – 2

= Waarom slaap jij veel? = Waarom kom je morgen niet? = Waarom koop je een nieuw mobieltje?

5 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. De binnenkring stelt de vraag. De buitenkring geeft het antwoord en steekt de vingers op bij het antwoord. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Geef dan zelf een antwoord. Vraag

Antwoord

1

Waarom ga je naar de markt?

Omdat het goedkoop is.

2

Waarom eet je fruit?

Omdat het gezond is.

3

Waarom drink je koffie?

Omdat ik moe ben.

4

Waarom ga je met de taxi?

Omdat het snel is.

5

Waarom eet je koekjes?

Omdat het lekker is.

LES 18 WAAROM & OMDAT

143


6

Waarom ben je boos?

Omdat de bus te laat is.

7

Waarom drink je water?

Omdat ik dorst heb.

8

Waarom ga je naar de tandarts?

Omdat ik kiespijn heb.

9

Waarom lach je?

Omdat ik blij ben.

10

Waarom ga je naar de snackbar?

Omdat ik patat wil.

6 Waarom – 2 – 1 – 3? Werk in tweetallen. Gebruik de antwoorden van oefening 5. Maak samen nieuwe waarom-vragen. Voorbeeld: Antwoord: Omdat het goedkoop is. Nieuwe vraag: Waarom koop jij die broek?

STAP 3: DOEN

7 Maak een vraag Cursist A maakt een goede vraag en stelt hem aan cursist B. Cursist B geeft antwoord. Voorbeeld: Vraag waarom de winkel dicht is. Cursist A: ‘Waarom is de winkel dicht?’ Cursist B: ‘Omdat het zondag is.’ 1 2 3 4 5 6 7 8

144

Waarom 2 – 1 – 3 Omdat 1 1–3–2

Vraag waarom jij geen auto hebt. Vraag waarom het raam dicht is. Vraag waarom de koffie niet lekker is. Vraag waarom de buurvrouw niet komt. Vraag waarom de baby huilt. Vraag waarom hij naar de dokter gaat. Vraag waarom Maria niet naar school gaat. Vraag waarom je vriend een nieuwe jas heeft.

GEREGELD SPREKEN


8 Maak een vraag Werk in tweetallen. Maak een waarom-vraag en bedenk een antwoord bij de volgende situaties. Voorbeeld: Je man is moe. De vraag: Waarom is je man moe? Het antwoord: Omdat hij hard heeft gewerkt. 1 2 3 4 5 6 7 8

Je buurvrouw is blij. Je zoontje is boos. Je neefje huilt. Je collega komt te laat op het werk. De huisarts geeft je geen medicijnen. Je zorgverzekering betaalt de rekening niet. Je kan vandaag niet pinnen in de supermarkt. Je kind heeft een slecht cijfer voor een belangrijke toets.

STAP 4: KILOMETERS MAKEN

9 Kies een goede 2 Kies uit: is – neemt – drinken – gaat – eet.

3

2

1

3

1

Waarom

je dochter

naar school?

2

Waarom

je neef

paracetamol?

3

Waarom

jouw collega

te laat?

4

Waarom

jullie

melk?

5

Waarom

dat meisje

weinig?

LES 18 WAAROM & OMDAT

145


Zoek het antwoord bij de vraag. Schrijf het nummer van de vraag op. a Omdat hij pijn in zijn hoofd heeft. b Omdat zijn fiets kapot is. c Omdat ze te dik is. d Omdat zij graag veel wil leren. e Omdat het gezond is.

10 Geef antwoord met een goede omdat-132-zin Voorbeeld: Waarom drink jij water? Omdat ik dorst heb. 1 Waarom bel jij je broer? 2 Waarom drink jij koffie? 3 Waarom praat jij met de buren? 4 Waarom slaap jij veel? 5 Waarom kom je morgen niet? 6 Waarom koop je een nieuw mobieltje?

146

GEREGELD SPREKEN


LES 19 WERKWOORDEN (KLAAR) A2 - Ik kan vertellen wat ik heb gedaan.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

Wat ben je aan het doen? Ik maak rijst met kip. 1 2 3

Wat heb jij gisteren gemaakt? Ik heb patat met sla gemaakt. 1 2a 3 2b

Kijk en luister naar de docent.

ko Met je collega praten over het weekend Mo Hé Ko, heb je een leuk weekend gehad? Ko Zeker! We hebben feest gevierd. Mijn dochter was jarig. Mo Gefeliciteerd! MO Ko Dank je. Mo Wat heeft ze gekregen? Ko We hebben haar een gele fiets gegeven. Ze is zo blij. Mo Top. Heb je foto’s gemaakt? Ko Ja, kijk maar. Mo Mooie fiets hoor. Ko En hoe was jouw weekend? Wat heb jij gedaan? Mo Zaterdag heb ik gewerkt. ’s Avonds was ik heel moe. Ik ben vroeg naar bed gegaan. Ko En zondag? Mo Toen zijn we naar het park geweest. We hebben gewandeld. En we hebben een ijsje gegeten. Het is acht uur, we gaan beginnen. Ko Ja, we spreken elkaar later. LES 19 WERKWOORDEN (KLAAR)

147


1 Samen Lees in tweetallen het gesprek. Cursist A is Ko, cursist B is Mo. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

2 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag, cursist B leest het antwoord. Gebruik je vingers om de 1 2a 3 2b te laten zien. Wissel daarna van rol.

1 Wat heb je gisteren gedaan?

148

GEREGELD SPREKEN

3

3

2b

Ik

heb

gisteren

de hele dag

gewerkt.

Ik

heb

gisteren

boodschappen

gedaan.

Ik

heb

gisteren

met mijn schoonzus

gepraat.

Ik

heb

gisteren

mijn kinderen

gehaald.

1 Wat heb je gisteren gedaan?

2a

2a

3

3

2b

Ik

ben

gisteren

naar de markt

geweest.

Ik

ben

gisteren

naar huis

gefietst.

Ik

ben

gisteren

naar Eindhoven

gereden.

Ik

ben

gisteren

naar mijn broer

gegaan.


Spreekhulp

1

2a

3

3

2b

maken

Ik

heb

in het weekend

mijn huiswerk

gemaakt.

slapen

Ik

heb

vannacht

niet

geslapen.

wonen

Ik

heb

drie jaar

in Rotterdam

gewoond.

koken

Ik

heb

de hele week

voor mijn familie

gekookt.

bellen

Ik

heb

gisteravond

mijn broer

gebeld.

kopen

Ik

heb

zaterdag

nieuwe schoenen

gekocht.

zijn

Ik

ben

vorige week

naar Amsterdam

geweest.

lopen

Ik

ben

vanmorgen

naar het station

gelopen.

gaan

Ik

ben

om drie uur

naar huis

gegaan.

fietsen

Ik

ben

vanmiddag

naar school

gefietst.

3 Samen Werk in tweetallen. Maak samen de zin compleet. Kijk naar het voorbeeld.

1

2a

3 gisteren

3 het examen

2b

1

maken

Ik

heb

gemaakt.

2

slapen

Ik

heb

geslapen.

3

wonen

Ik

heb

gewoond.

4

koken

Ik

heb

gekookt.

5

bellen

Ik

heb

gebeld.

6

kopen

Ik

heb

gekocht.

7

zijn

Ik

ben

geweest.

8

lopen

Ik

ben

gelopen.

9

gaan

Ik

ben

gegaan.

10

fietsen

Ik

ben

gefietst. LES 19 WERKWOORDEN (KLAAR)

149


4 Samen Maak samen van de 12a332b-zinnen in oefening 3 32a132b-zinnen. Voorbeeld: Ik heb gisteren het examen gemaakt. Gisteren heb ik het examen gemaakt.

5 Vertel en luister Werk in tweetallen. Vertel aan elkaar wat je vorige week hebt gedaan. Maak minimaal vier zinnen. Gebruik de spreekhulp. Gebruik je vingers om de 1 2a 3 3 2b te laten zien. Presenteer het aan de groep. Luister goed naar elkaar. De docent vraagt daarna: ‘Wat heeft zij vorige week gedaan?’ Jij zegt: ‘Zij heeft gisteren het eten gekookt.’

150

Ik

heb

gisteren

het examen

gemaakt.

1

2a

3

3

2b

Gisteren

heb

ik

het examen

gemaakt.

3

2a

1

3

2b

GEREGELD SPREKEN


STAP 3: DOEN

6 Dobbelsteen Werk in groepjes van vier cursisten. Gooi de dobbelsteen. Maak een 12a332b-zin met de woorden. Voorbeeld: in het weekend Ik heb in het weekend met mijn tante gebeld. = op school

= vanmorgen

= vorig jaar

= in de vakantie

= in het weekend

= gisteravond

7 Dobbelsteen Doe hetzelfde als in oefening 6, maar dan met onderstaande vragen. Je geeft antwoord en dan gooi je de dobbelsteen naar de volgende persoon en vraagt: ‘En jij?’ = Wat heb je thuis gedaan? = Wat heb je op school geleerd? = Wat heb je in de winkel gekocht? = Wat heb je vanochtend gegeten? = Wat heb je in de pauze gedronken? = Wat heb je van je zus gekregen?

LES 19 WERKWOORDEN (KLAAR)

151


STAP 4: KILOMETERS MAKEN

8 Vul zelf twee 3'en in

1

2a

3

3

het examen

2b gemaakt.

1

maken

Ik

heb

2

slapen

Ik

heb

geslapen.

3

wonen

Ik

heb

gewoond.

4

koken

Ik

heb

gekookt.

5

bellen

Ik

heb

gebeld.

6

kopen

Ik

heb

gekocht.

7

zijn

Ik

ben

geweest.

8

lopen

Ik

ben

gelopen.

9

gaan

Ik

ben

gegaan.

10

fietsen

Ik

ben

gefietst.

9 Stel de vragen aan je buurman, taalcoach of docent Daarna stelt hij de vragen aan jou. Geef in goede 12a32b-zinnen antwoord en neem je antwoorden op. Luister samen op school naar de antwoorden op je mobieltje. 1 Wat heb je gisteren gedaan? 2 Wat heb je vanochtend gedaan? 3 Wat heb je vorige week gedaan?

152

GEREGELD SPREKEN


LES 20 DIT, DAT, DEZE, DIE A2 - Ik kan vertellen welke ik bedoel.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

hier daar de-woorden deze die het-woorden dit dat Kijk en luister naar de docent. In de winkel Bakker Goedemorgen, wat kan ik voor u doen? Ko Goedemorgen, ik wil graag twee broden. Wat kost dat brood? Bakker Dit brood kost 2,95 euro. Ko Hm. Heeft u ook goedkoper brood? ko Bakker Ja hoor, deze broden kosten 2 euro. Ko Dan wil ik twee van die broden graag. Bakker Bruin of wit? Ko Bruin, alstublieft. BAKKER Bakker Anders nog iets? Ko Ja, ik wil graag vijf van die grote koeken. Bakker Alstublieft. Dan is het 9 euro 50. Ko O jee, ik ben mijn pinpas vergeten. Bakker Is die pas misschien van u? Daar op de grond? Ko Ja, dat pasje is van mij. Dank u! 9 euro 50. Alstublieft. Bakker Dank u wel. Fijne dag verder. Wie is er dan?

LES 20 DIT, DAT, DEZE, DIE

153


1 Nazeggen Oefen de dialoog in tweetallen. Cursist A is de bakker, cursist B is Ko. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

2 Hier en daar Cursist A leest een zin uit rij 1. Cursist B leest een zin uit rij 2 of 3 en wijst naar hier of daar. Wissel daarna van rol. Wissel nog een keer van rol en probeer de zin over hier of daar zonder het boek te doen. hier daar De kast is groot. Deze kast is groot. Die kast is groot. De sleutel is van jou. Deze sleutel is van jou. Die sleutel is van jou. De koffie is warm. Deze koffie is warm. Die koffie is warm. De deur staat open. Deze deur staat open. Die deur staat open. De appel is groen. Deze appel is groen. Die appel is groen. De stoel is zwaar. Deze stoel is zwaar. Die stoel is zwaar.

3 Samen Cursist A leest een zin uit rij 1. Cursist B leest een zin uit rij 2 of 3 en wijst naar hier of daar. Wissel daarna van rol. Wissel nog een keer van rol en probeer de zin over hier of daar zonder het boek te doen. hier daar Het kantoor is klein. Dit kantoor is klein. Dat kantoor is klein. Het geld is van mij. Dit geld is van mij. Dat geld is van mij. Het koekje is lekker. Dit koekje is lekker. Dat koekje is lekker.

154

GEREGELD SPREKEN


Het licht is uit. Het brood is oud. Het schrift is dun.

Dit licht is uit. Dit brood is oud. Dit schrift is dun.

Dat licht is uit. Dat brood is oud. Dat schrift is dun.

4 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. Cursist A leest woorden uit het eerste rijtje. Cursist B kiest de goede woorden uit het tweede rijtje. de krant hier de krant daar de appel hier de appel daar de docent hier de docent daar de pen hier de pen daar de jas hier de jas daar

die krant / deze krant deze krant / die krant die appel / deze appel deze appel / die appel die docent / deze docent deze docent / die docent die pen / deze pen deze pen / die pen die jas / deze jas deze jas / die jas

het water daar het water hier het geluid hier het geluid daar het licht daar het licht hier

dit water / dat water dat water / dit water dit geluid / dat geluid dat geluid / dit geluid dit licht / dat licht dat licht / dit licht

5 Kies De docent legt een pen, een mobiel, een tas, een portemonnee, een pinpas en een laptop op tafel. Kom bij de tafel staan. De docent vraagt: ‘Welke pen bedoel je?’ De cursist antwoordt: ‘Ik bedoel deze pen.’ Hierna gaan alle cursisten achter in het lokaal staan, de docent blijft bij de tafel. De docent vraagt weer: ‘Welke pen bedoel je?’ De cursist antwoordt: ‘Ik bedoel die pen.’ Daarna legt de docent een boek, een glas, een kopje, een horloge bij de andere spullen. Herhaal dezelfde oefening.

LES 20 DIT, DAT, DEZE, DIE

155


6 Puzzelen Werk in tweetallen. Cursist A kiest, cursist B zoekt wat erbij hoort. Voorbeeld: Cursist A zegt: ‘Het glas hier.’ Cursist B zegt: ‘Dit glas.’ Cursist A zegt: ‘Dit glas.’ Cursist B zegt: ‘Het glas hier.’ het water hier

die auto

dat brood

de pinpas hier

deze melk

de melk hier

die melk

het ID-bewijs hier

die broek

de auto hier

deze auto

het brood daar

het glas hier

dat water

dit water

het water daar

deze pinpas

dat ID-bewijs

de broek daar

dit glas

die pinpas

dit ID-bewijs

dit brood

het ID-bewijs daar

deze broek

het brood hier

de broek hier

de auto daar

de pinpas

de melk daar

STAP 3: DOEN

7 Samen Kijk naar de tekeningen. Praat er samen over. Wat hoort erbij: deze of die, dit of dat?

deze / die beker dit / dat brood deze / die appel

deze / die kopjes deze / die vork dit / dat mes

156

GEREGELD SPREKEN


8 Dobbelsteen Werk in groepjes van vier of vijf cursisten. De vragen staan op het bord. Gooi de dobbelsteen. Gebruik het antwoord en die, deze, dit of dat. = Welke telefoon is van jou?

de telefoon hier

= Welk schrift is van jou?

het schrift daar

= Welk glas is van jou?

het glas hier

= Welke thee is van jou?

de thee daar

= Welke koekjes zijn van jou?

de koekjes hier

= Welke jas is van jou?

de jas hier

STAP 4: KILOMETERS MAKEN

9 Kies Lees de zin in het eerste rijtje. Kijk naar het tweede rijtje en het derde rijtje. Wat hoort erbij? Deze of dit, of die of dat? Streep het foute woord door.

hier daar

1 De appel is groen.

Deze / Dit appel is groen.

Die / Dat appel is groen.

2 Het koekje is lekker.

Deze / Dit koekje is lekker.

Die / Dat koekje is lekker.

3 Het licht is uit.

Deze / Dit licht is uit.

Die / Dat licht is uit.

4 De stoel is zwaar.

Deze / Dit stoel is zwaar.

Die / Dat stoel is zwaar.

5 Het brood is oud.

Deze / Dit brood is oud.

Die / Dat brood is oud.

6 De koffie is warm.

Deze / Dit koffie is warm.

Die / Dat koffie is warm.

LES 20 DIT, DAT, DEZE, DIE

157


7 Het schrift is dun.

Deze / Dit schrift is dun.

Die / Dat schrift is dun.

8 Het kantoor is klein.

Deze / Dit kantoor is klein.

Die / Dat kantoor is klein.

9 De kast is groot.

Deze / Dit kast is groot.

Die / Dat kast is groot.

10 De sleutel is van jou. Deze / Dit sleutel is van jou.

Die / Dat sleutel is van jou.

11 Het geld is van mij.

Deze / Dit geld is van mij.

Die / Dat geld is van mij.

12 De deur staat open.

Deze / Dit deur staat open.

Die / Dat deur staat open.

10 Kies Lees het eerste rijtje. Maak het tweede rijtje af. Vul in: deze, dit, die of dat. 1 de krant hier

krant

2 het fruit daar

fruit

3 de bril daar

bril

4 de beker hier

beker

5 het glas hier

glas

6 de schriften daar

schriften

7 het mes hier

mes

8 het geluid daar

geluid

9 de kast daar

kast

10 het geld hier

geld

11 het water hier

water

12 de appel daar

appel

158

GEREGELD SPREKEN


LES 21 OPRUIMEN A2 - Ik kan een goede zin maken met werkwoorden als opruimen.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

1 2a 3 2b schoonmaken Ik maak een kantoor schoon. weggooien Ik gooi mijn oude broek weg. opruimen Ik ga de schuur meenemen Zij kan mandarijnen

opruimen. meenemen.

Kijk en luister naar de docent.

KO Luuk is ziek Ko Luuk, sta je op? Je moet zo naar school. LUUK Luuk Papa, ik ben ziek. Ik kan niet naar school. Ko O jee, je bent helemaal warm. Ik denk dat je koorts hebt. Even kijken … 38,5 … dat is niet zo erg. Maar je kunt niet naar school. Luuk Moet jij werken? Ik wil niet alleen zijn. Ko Ja, op dinsdag maak ik een kantoor schoon. Ik los het op. Even nadenken. Weet je wat? Ik ga oma bellen. Misschien kan zij komen en mandarijnen voor je meenemen.

1 Nazeggen Oefen de dialoog in tweetallen. Cursist A is Ko, cursist B is Luuk. Wissel daarna van rol.

LES 21 OPRUIMEN

159


STAP 2: OEFENEN

2 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag, cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Probeer dan zonder het boek antwoord te geven.

1

2a

3

2b

1

nadenken

Denk jij over mijn vraag na?

Ik

denk

over jouw vraag

na.

2

neerzetten

Zet jij de zware tas neer?

Ik

zet

de zware tas

neer.

3

schoonmaken Maak jij het kantoor schoon?

Ik

maak

het kantoor

schoon.

4

invullen

Vul jij de woorden in?

Ik

vul

de woorden

in.

5

afzeggen

Zeg jij onze afspraak af?

Ik

zeg

onze afspraak

af.

6

ademhalen

Ga je heel diep ademhalen?

Ik

ga

heel diep

ademhalen.

7

uitrusten

Kan jij morgen uitrusten?

Ik

kan

morgen

uitrusten.

8

inpakken

Wil jij de tas inpakken?

Ik

wil

de tas

inpakken.

9

opruimen

Ga jij de kast opruimen?

Ik

ga

de kast

opruimen.

10

dichtdoen

Wil jij het raam dichtdoen?

Ik

wil

het raam

dichtdoen.

160

GEREGELD SPREKEN


3 Samen Werk in tweetallen. Cursist A zegt het hele werkwoord. Cursist B maakt de zin. Wissel daarna van rol. Voorbeeld: Cursist A zegt: ‘Afzeggen.’ Cursist B zegt: ‘Ik zeg af.’

1 1

samenwonen

Ik

2

invullen

Jij

3

oplossen

Mijn moeder

4

afwassen

Mijn broers

5

terugbrengen

De buurvrouw

6

uitnodigen

Mijn vriend

7

meenemen

Jij

8

afdrogen

Jullie

9

neerzetten

Ik

10

uitrusten

Mijn oma

2a

2b

4 Puzzelen Maak bij oefening 3 de zin langer met een 3. Kies uit: volgende week – met mijn vriend – de oefening – vanmiddag – het probleem – de kopjes – de glazen – de buren – mijn boeken – de suiker.

5 Maak een goede zin Werk in tweetallen. Maak samen een goede 12a32b-zin met de woorden. Voorbeeld: moeten schoonmaken – Ik moet de badkamer schoonmaken.

LES 21 OPRUIMEN

161


1

2a

3

1

gaan samenwonen

Ik

volgend jaar

2

kunnen invullen

Jij

het formulier

3

gaan oplossen

Mijn moeder

de puzzel

4

willen afwassen

Mijn broers

niet

5

gaan terugbrengen

De buurvrouw

de krant

6

willen uitnodigen

Mijn vriend

iedereen

7

mogen meenemen

Jij

de bloemen

8

moeten afdrogen

Jullie

nu

9

kunnen neerzetten

Ik

de zware doos

10

willen uitrusten

Mijn oma

eventjes

2b

6 Samen Werk in tweetallen. Maak samen een zin van de losse woorden. Begin met het vetgedrukte woord. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

162

bel – Ik – je – op – vanavond Oma – fruit – meenemen – kan gaat – Jij – heel vroeg – opstaan de kopjes – wast – af – Lara pakt – Hij – zijn koffer – in dicht – de deur – doet – Zij gaat – Ko – de afspraak – afzeggen Wij – morgen – afspreken – kunnen haalt – adem – diep – Mama kan – Noor – de koffer – inpakken

GEREGELD SPREKEN


7 Puzzelen Maak groepjes van vier cursisten. Maak samen een goede 12a32b-zin. ik

zij

af

Lara

jij

de telefoon

wij

de bekers

gaan

moeilijk

het boek

ik

geeft

lost

kan

op

afspreken

Mo en Ko

neem

morgen

op

gaat

het formulier

bloemen

ademhalen

drogen

neerzetten

de puzzel

jullie

invullen

kunnen

weg

STAP 3: DOEN

8 Hints Cursist A kiest een werkwoord en beeldt het uit voor de groep. Wat doet hij / zij? De cursist die het raadt, maakt de zin: Hij … De cursist die de zin heeft gemaakt, beeldt het volgende woord uit. afwassen

uitrusten

opruimen

nadenken

dichtdoen

uitdoen

opnemen

weggeven

opstaan

neerzetten

schoonmaken

invullen

9 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. Cursist A vraagt: ‘Wat ga jij morgen doen?’ Cursist B geeft antwoord. Vraag ook wat je medecursist vanmiddag en volgende week gaat doen. Cursist B maakt een goede 12a332b-zin. Kies voor de 2a uit: willen – kunnen – gaan – moeten. Kies zelf een 2b.

LES 21 OPRUIMEN

163


Voorbeeld: Cursist A: ‘Wat ga jij morgen doen?’ Cursist B: ‘Ik ga morgen mijn kamer opruimen.’ Cursist A: ‘En wat ga je vanmiddag doen?’ Cursist B: ‘Ik wil vanmiddag mijn huis schoonmaken.’ Cursist A: ‘En volgende week?’ Cursist B: ‘Volgende week moet ik formulieren invullen.’

STAP 4: KILOMETERS MAKEN

10 Schrijf het werkwoord goed op 1 samenwonen ik woon

samen

2 invullen ik 3 oplossen ik 4 afwassen ik 5 terugbrengen ik 6 uitnodigen ik 7 meenemen ik 8 afdrogen ik 9 neerzetten ik 10 uitrusten ik

11 Maak een zin van de losse woorden Begin met het vetgedrukte woord. 1 ruim – Ik – het kantoor – op – vanavond 2 Oma – fruit – meenemen – kan 3 gaat – Jij – heel vroeg – opstaan 4 de kopjes – wast – af – Lara

164

GEREGELD SPREKEN


5 pakt – Hij – zijn koffer – in 6 dicht – de deur – doet – Zij 7 gaat – Ko – de afspraak – afzeggen 8 Wij – morgen – afspreken – kunnen 9 haalt – adem – diep – Mama 10 kan – Noor – de koffer – inpakken

12 Maak acht goede 12a32b-zinnen en schrijf ze op

ik

zij

af

Lara

jij

de telefoon

wij

de bekers

gaan

moeilijk

het boek

ik

geeft

lost

kan

op

afspreken

Mo en Ko

neem

morgen

op

gaat

het formulier

bloemen

ademhalen

drogen

neerzetten

de puzzel

jullie

invullen

kunnen

weg

1 2 3 4 5 6 7 8

LES 21 OPRUIMEN

165


LES 22 OPGERUIMD A2 - Ik kan een goede zin maken met werkwoorden als opruimen.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

1 2a 3 2b schoonmaken Ik heb een kantoor schoongemaakt. weggooien Ik heb mijn oude broek weggegooid. opruimen Ik heb de schuur meenemen Zij heeft mandarijnen Kijk en luister naar de docent.

opgeruimd. meegenomen.

MO

Op straat Mo Hé, Ko, fijn je weer te zien. Wij zijn met de bus naar Duitsland gegaan. Ko Waar zijn jullie geweest? Mo We zijn in Berlijn uitgestapt. Daar hebben we een nachtje geslapen. We hebben oma van het vliegveld opgehaald, want de busreis was voor haar te zwaar. Ko Wie zijn er nog meer meegegaan? KO Mo Mijn broer en zijn vrouw. En jij? Wat heb jij in de vakantie gedaan? Ko Ik heb mijn huis opgeruimd, schoongemaakt en veel dingen weggegooid. Dat was weleens nodig. Ik ben dus niet weggegaan.

166

GEREGELD SPREKEN


1 Nazeggen Oefen de dialoog in tweetallen. Cursist A is Ko, cursist B is Mo. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

2 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag, cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Probeer dan zonder het boek antwoord te geven.

1

2a

3

2b

1

nadenken

Ik denk na.

Ik

heb

nagedacht.

2

neerzetten

Ik zet neer.

Ik

heb

de tas

neergezet.

3

schoonmaken Ik maak schoon. Ik

heb

het kantoor

schoongemaakt.

4

invullen

Ik vul in.

Ik

heb

de woorden

ingevuld.

5

afzeggen

Ik zeg af.

Ik

heb

onze afspraak afgezegd.

6

ademhalen

Ik haal adem.

Ik

heb

heel diep

ademgehaald.

7

uitrusten

Ik rust uit.

Ik

heb

vandaag

uitgerust.

8

inpakken

Ik pak in.

Ik

heb

de tas

ingepakt.

9

opruimen

Ik ruim op.

Ik

heb

alles

opgeruimd.

10

dichtdoen

Ik doe dicht.

Ik

heb

het raam

dichtgedaan.

LES 22 OPGERUIMD

167


3 Samen Werk in tweetallen. Cursist A zegt het hele werkwoord. Cursist B maakt de zin. Wissel daarna van rol. Voorbeeld: Cursist A zegt: ‘Afzeggen.’ Cursist B zegt: ‘Ik heb afgezegd.’

1

2a

1

samenwonen

Ik

heb

2

invullen

Jij

hebt

3

oplossen

Mijn moeder

heeft

4

afwassen

Mijn broers

5

terugbrengen

De buurvrouw

6

uitnodigen

Mijn vriend

7

meenemen

Jij

8

afdrogen

Jullie

9

neerzetten

Ik

10

uitrusten

Mijn oma

2b

4 Puzzelen Maak bij oefening 3 de zin langer met een 3. Kies uit: vorige week – met mijn vriend – de oefening – vanmiddag – het probleem – de kopjes – de glazen – de buren – mijn boeken – de suiker.

168

GEREGELD SPREKEN


5 Puzzelen Werk in tweetallen. Maak samen een zin van de losse woorden. Begin met het vetgedrukte woord. Zet de werkwoorden in de juiste vorm. Voorbeeld: afzeggen – ik – de afspraak – hebben – vandaag Ik heb vandaag de afspraak afgezegd. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Ik – de zolder – opruimen – vanmiddag – hebben Oma – fruit – meenemen – hebben weggooien – de oude kranten – We – hebben de kopjes – afwassen – hebben – Lara hebben – Hij – zijn koffer – inpakken dichtdoen – de deur – hebben – Zij hebben – Ko – de afspraak – afzeggen Wij – gisteren – afspreken – hebben ademhalen – diep – Mama – hebben hebben – Ko – de koffer – inpakken

STAP 3: DOEN

6 Hints Cursist A kiest een werkwoord en beeldt het uit voor de groep. Wat doet hij / zij? De cursist die het raadt, maakt de zin: Hij heeft … De cursist die de zin heeft gemaakt, beeldt het volgende woord uit. afwassen

uitrusten

opruimen

nadenken

dichtdoen

uitdoen

opnemen

weggeven

opstaan

neerzetten

schoonmaken

invullen

LES 22 OPGERUIMD

169


7 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. Cursist A vraagt: ‘Wat heb jij vanochtend gedaan?’ Cursist B geeft antwoord. Vraag ook wat je medecursist gisteren en vorige week heeft gedaan. Cursist B maakt een goede 12a332b-zin. Voorbeeld: Cursist A: ‘Wat heb jij vanochtend gedaan?’ Cursist B: ‘Ik heb vanochtend mijn kamer opgeruimd.’ Cursist A: ‘En wat heb je gisteren gedaan?’ Cursist B: ‘Ik heb gisteren mijn huis schoongemaakt.’ Cursist A: ‘En vorige week?’ Cursist B: ‘Vorige week heb ik formulieren ingevuld.’

STAP 4: KILOMETERS MAKEN

8 Schrijf het werkwoord goed op 1 samenwonen

ik heb

2 invullen ik heb 3 oplossen ik heb 4 afwassen ik heb 5 terugbrengen

ik heb

6 uitnodigen ik heb 7 meenemen ik heb 8 afdrogen ik heb 9 neerzetten ik heb 10 uitrusten ik heb

170

GEREGELD SPREKEN


9 Maak acht goede 12a32b-zinnen en schrijf ze op

ik

zij

afgedroogd

Lara

jij

de telefoon

wij

de bekers

hebben

de afspraak

het boek

ik

heeft

heeft

heb

heb

afgesproken

morgen

opgenomen

gisteren

opgelost

hebt

het formulier

bloemen

afgezegd

hebben

neergezet

de puzzel

jullie

ingevuld

hebben

weggegeven

1 2 3 4 5 6 7 8

LES 22 OPGERUIMD

171


10 Maak een goede zin Zet de werkwoorden in de goede vorm. Voorbeeld: afzeggen – ik – de afspraak – hebben – vandaag Ik heb vandaag de afspraak afgezegd. 1 Ik – de keuken – opruimen – vanmiddag – hebben 2 Oma – fruit – meenemen – hebben 3 weggooien – de oude kranten – We – hebben 4 de kopjes – afwassen – hebben – Lara 5 hebben – Hij – zijn koffer – inpakken 6 dichtdoen – de deur – hebben – Zij 7 hebben – Ko – de afspraak – afzeggen 8 Wij – gisteren – afspreken – hebben 9 ademhalen – diep – Mama – hebben 10 hebben – Ko – de koffer – inpakken

172

GEREGELD SPREKEN


LES 23 WANT, EN, MAAR, DUS, OF A2 - Ik kan van twee zinnen één zin maken met de woorden want, en, maar, dus, of.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

1 2 3 want en maar dus of

123

Kijk en luister naar de docent.

DOKTER

Bij de dokter Dokter Kom binnen. Vertel eens. Wat is er aan de hand? Ko Ik heb pijn in mijn rug en ik heb zere schouders. KO Dokter Wat doet u voor werk? Ko Ik werk bij een machine, dus ik sta de hele dag. Dokter Moet u echt de hele dag staan of mag u ook even zitten? Ko Ik moet staan, want de machine is groot. Alleen tijdens de pauze kan ik zitten. Dokter Ik ga even naar uw rug kijken. Ja, ik zie het al. U staat recht, maar uw rug is een beetje scheef. Maak uw rug eens recht en doe uw schouders omlaag. Ja, zo. Hoe voelt dat? Ko Een beetje gek. Dokter U moet eraan denken en u moet ermee oefenen. Uw rugpijn gaat dan weg. Ko Oké, ik zal erop letten. Dank u wel, dokter. Tot ziens. Dokter Tot ziens.

LES 23 WANT, EN, MAAR, DUS, OF

173


1 Nazeggen Oefen de dialoog in tweetallen. Cursist A is de dokter, cursist B is Ko. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

2 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de zinnen uit het eerste rijtje. Cursist B leest de lange zin uit het tweede rijtje. Wissel daarna van rol.

1 1

De docent gaat naar huis. De les is klaar.

De docent gaat naar huis, want

2

De kinderen eten kip. Ik eet rijst.

De kinderen eten kip en

3

De kleine jongen heeft honger. De kleine jongen heeft honger, Ik heb geen brood. maar

4

Ik ga met de trein. Ik ga met de bus.

Ik ga met de trein of

5

Mijn collega heeft rugpijn. Hij gaat naar de dokter.

Mijn collega heeft rugpijn, dus

174

GEREGELD SPREKEN

2

3


3 Samen Maak samen van twee zinnen één zin. Let op 1 2 3! 1 2 3 4 5 6 7 8

en of maar dus want maar of want

Ko kijkt televisie. Mo leest een boek. Adam speelt met zijn auto’s. Hij maakt een tekening. Ik wil graag komen. Ik kan niet lang blijven. Je bent verkouden. Je stem klinkt schor. Mijn vader drinkt geen bier. Hij vindt het niet lekker. Bella drinkt thee. Ze drinkt geen koffie. We lopen naar huis. We gaan met de bus. Bas krijgt een boete. Hij rijdt te hard.

4 Maak een goede zin Hieronder staan vragen. Cursist A stelt de vraag aan cursist B. Cursist B maakt de goede zin. 1 2 3 4 5 6 7 8

Waarom ga jij met de auto? Wat eet Mo? Welke auto wil Kees het liefst? Wanneer werken zij? Waarom ben je te laat? Wat eet en drink jij? Wat gaan we eten? Waarom blijf je thuis?

a b c d e f g h

regent / het / heel hard hij / een broodje / eet een rode auto / wil / hij ’s avonds / zij / werken kapot / was / de trein ik / een koekje / eet eten / we / patat ik / thuis / blijf

Ik ga met de auto, want … Mo heeft honger, dus … Kees wil geen blauwe auto, maar … Zij werken ’s middags of … Ik ben te laat, want … Ik drink koffie en … We eten pizza, of … Het regent heel hard, dus …

LES 23 WANT, EN, MAAR, DUS, OF

175


5 Samen Werk in tweetallen. Maak de zinnen af. Kies samen uit: want – en – maar – dus – of. 1 2 3 4 5 6 7 8

Ik ben vandaag vrij, … ik moet morgen werken. Ik heb een rijbewijs, … ik mag autorijden. Ik ga naar Parijs … ik blijf daar een week. Ik kom naar jou toe … jij komt naar mij toe. Ik ben heel moe, … ik slaap slecht. Het is droog, … ik ga naar huis. Ik kook het eten … jij dekt de tafel. Ik krijg een cadeau, … ik ben jarig.

STAP 3: DOEN

6 Dobbelsteen Op het bord staat het begin van een zin. Gooi de dobbelsteen en maak de zin af. Let op 1 2 3! = Ik moet lopen, want …

= Ik ben thuis of …

= Ik heb dorst, dus …

= Ik vind appels lekker, maar …

= Ik ga naar school en …

= Ik eet een broodje en …

7 Met de bal Ga met de hele groep in een kring staan. De docent maakt een lange zin met en, of, want, maar, dus. Daarna gooit hij de bal naar cursist A. Cursist A zegt de tweede helft van de lange zin en maakt de zin af. Hij mag zelf weten welk woord hij gebruikt: en, of, want, maar, dus. Cursist A gooit de bal naar cursist B. Cursist B zegt de tweede helft van de lange zin van cursist A en maakt de zin af, enzovoort.

176

GEREGELD SPREKEN


Voorbeeld: Docent: ‘Ik eet een appel en ik eet een banaan.’ Cursist A: ‘Ik eet een banaan, want ik heb honger.’ Cursist B: ‘Ik heb honger, dus ik ga naar de bakker.’ Is de groep groot? Maak dan twee groepen.

STAP 4: KILOMETERS MAKEN

8 Maak van twee zinnen één zin Let op 1 2 3! 1 en

Ko kijkt televisie. Mo leest een boek.

2 of

Adam speelt met zijn auto’s. Hij maakt een tekening.

3 maar

Ik wil graag komen. Ik kan niet lang blijven.

4 dus

Je bent verkouden. Je stem klinkt schor.

5 want

Mijn vader drinkt geen bier. Hij vindt het niet lekker.

6 maar

Bella drinkt thee. Ze drinkt geen koffie.

7 of

We lopen naar huis. We gaan met de bus.

8 want

Bas krijgt een boete. Hij rijdt te hard.

LES 23 WANT, EN, MAAR, DUS, OF

177


9 Maak de zin af Let op 1 2 3! 1 regent / het / heel hard Ik ga met de auto, want 2 hij / een broodje / eet Mo heeft honger, dus 3 een rode auto / wil / hij Kees wil geen blauwe auto, maar 4 ’s avonds / zij / werken Zij werken ’s middags of 5 kapot / was / de trein Ik ben te laat, want 6 ik / een koekje / eet Ik drink koffie en 7 eten / we / patat We eten pizza, of 8 ik / thuis / blijf Het regent heel hard, dus

10 Maak de zin af Je mag het zelf verzinnen. Let wel op 1 2 3! 1 Ik ga naar school, want 2 Ik mis mijn moeder, dus 3 Ik hou van wandelen en 4 Ik drink geen alcohol, maar 5 Ik eet vanavond rijst, of

178

GEREGELD SPREKEN


LES 24 MOOI, MOOIER, MOOIST A2 - Ik kan vertellen wat ik mooi vind, nog mooier en het mooist.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

De rode jurk is mooi. De blauwe jurk is mooier dan de rode. De groene jurk is het mooist.

mooi

mooier

het mooist

Kijk en luister naar de docent.

MO In de kledingwinkel Mo Vind je deze broek mooi? Ko Nee, ik vind die andere mooier. KO Mo Oh kijk, dit is ook een mooie broek. Die ga ik passen. Wat vind je? Ko Ja, deze groene vind ik het mooist. Is ’ie duur? Mo Nee, gelukkig niet. Het is de goedkoopste in de winkel. Ik neem hem. En jij? Heb jij nog iets nodig? Ko Ik ben op zoek naar een dikke, warme trui. Mo Deze trui is lekker dik. Ko Hm, maar hij is niet warm. Deze trui is warmer volgens mij. Mo En deze? Dit is de dikste trui die ze hebben. Ko Ik pas ze alle twee. Dit wordt ’m. Deze trui is dunner, maar wel het warmst.

LES 24 MOOI, MOOIER, MOOIST

179


1 Nazeggen Oefen de dialoog in tweetallen. Cursist A is Mo, cursist B is Ko. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

2 Heen en weer Werk in tweetallen. Kijk naar de trappen. Cursist A leest het woord op tree 1. Cursist B leest de woorden op tree 2 en 3. Wissel daarna van rol. Wissel nog een keer van rol. Probeer de woorden op tree 2 en 3 zonder het boek te doen. het duurst

het dikst

duurder dan

dikker dan

duur

dik het dunst

het grootst

dunner dan

groter dan

dun

groot het lekkerst

het liefst

lekkerder dan

liever dan

lekker

lief het warmst

het zachtst

warmer dan

zachter dan

warm

zacht het zwaarst zwaarder dan

zwaar 180

GEREGELD SPREKEN


3 Samen Kijk naar de tekeningen en maak samen de zinnen af.

1 Jan is lang

Ko is … dan Jan.

Mo is het …

2 Het meisje is klein.

Het jongetje is …

De baby is het …

3 De fiets is snel.

De scooter is …

De auto is het …

4 De broek is vies.

Deze broek is …

Die broek is het …

De flat is …

De toren is het …

Een koekje is …

Taart is het …

5 Het huis is hoog.

6 De boterham is lekker.

LES 24 MOOI, MOOIER, MOOIST

181


4 Samen Werk in tweetallen. Maak 123-zinnen. Voorbeeld: Koffie is lekkerder dan thee. 1

koffie

thee

lekkerder dan

2

mijn moeder

mijn vader

ouder dan

3

het kind

de opa

langer dan

4

de poes

de hond

liever dan

5

de auto

de fiets

sneller dan

6

een hond

een olifant

zwaarder dan

7

mijn laptop

mijn mobiel

duurder dan

8

de stad

het dorp

drukker dan

5 Samen Werk in tweetallen. Maak ‘123, maar 123’-zinnen. Voorbeeld: Dit huis is groot, maar dat huis is het grootst. 1

dit huis

dat huis

groot

grootst

2

de jas

de trui

goedkoop

goedkoopst

3

het meisje

de jongen

slim

slimst

4

de stoel

de bank

hard

hardst

5

het T-shirt

de trui

warm

warmst

6

Amsterdam

Rotterdam

ver

verst

7

de tas

de rugzak

zwaar

zwaarst

8

dit liedje

dat liedje

mooi

mooist

182

GEREGELD SPREKEN


Spreekhulp goed

beter

het best

graag

liever

het liefst

veel

meer

het meest

weinig

minder

het minst

6 Samen Werk in tweetallen. Maak de zinnen af. Gebruik de spreekhulp. 1 2 3 4 5

Ko kan goed voetballen, Mo kan het …, maar Tim is … in voetbal. Ik kook graag, mijn man kookt …, maar onze dochter kookt … Hier staan veel bloemen, in die tuin staan er …, maar daar staan er … Jij snoept weinig, Bella snoept nog …, maar Noor snoept … Wij gaan … naar Alkmaar, mijn dochter gaat … naar Groningen en onze zoon gaat … naar Parijs. 6 Bij de Albert Heijn betaal je … voor de boodschappen, bij de PLUS betaal je … en bij de Aldi … 7 Mijn oom vindt PSV …, hij vindt Ajax …, maar Feyenoord …

STAP 3: DOEN

7 Lees en vertel Werk in tweetallen. Vergelijk jezelf met koningin Máxima. Voorbeeld: Ik ben even oud als Máxima. Mijn schoenmaat is groter dan de schoenmaat van Máxima. Ik ben korter dan Máxima in Nederland.

Naam: koningin Máxima Leeftijd: 46 jaar Lengte: 1 meter 78 Gewicht: 70 kilogram Schoenmaat: 42 Getrouwd in: 2002 Aantal jaar in Nederland: 16 jaar

LES 24 MOOI, MOOIER, MOOIST

183


8 Heen en weer Ga allemaal staan. Stel de volgende vragen aan elkaar. 1

Hoelang woon je in Nederland? Ik woon 1 jaar en 5 maanden in Nederland.

2

jonger

meer

minder

langer

korter

meer

minder

meer

minder

Hoeveel zussen heb je? Ik heb 1 zus.

7

ouder

Hoelang ben je getrouwd? Ik ben 5 jaar en 2 maanden getrouwd.

6

kleiner

Hoeveel kinderen heb je? Ik heb 2 kinderen.

5

langer

Hoe oud ben je? Ik ben 32 jaar oud.

4

korter

Hoe lang ben je? Ik ben 1 meter 75.

3

langer

Hoeveel broers heb je? Ik heb 2 broers.

Loop door het lokaal en ga per vraag op volgorde in een rij staan. Vertel het verschil aan je buurman. Voorbeeld: Ik ben ouder dan jij. Ik woon langer in Nederland dan jij. Ik heb meer kinderen dan jij.

184

GEREGELD SPREKEN


9 Wat vind jij? Maak groepjes van drie cursisten. Stel elkaar de vragen. Help elkaar om de goede woorden te gebruiken. 1 2 3 4 5 6

Wat vind jij lekker om te eten? Wat vind je lekkerder? En wat het lekkerst? Wat vind jij vies om te eten? Wat vind je viezer? En wat vind je het viest? Waar word jij boos van? Wat maakt je bozer? En wat maakt je het boost? Wat vind jij duur? Wat vind jij nog duurder? En wat vind je het duurst? Welk programma op tv vind jij leuk? Wat vind je leuker? En wat vind je het leukst? Waar ben je goed in? Waar ben je nog beter in? Waar ben jij het best in?

STAP 4: KILOMETERS MAKEN

10 Maak de zinnen af 1 lekker Ik vind koffie

dan thee.

2 oud

Mijn vader is

dan mijn moeder.

3 lang

De opa is

dan het kind.

4 snel

De auto is

dan de fiets.

5 zwaar Een olifant is

dan een hond.

6 duur

Mijn laptop is

dan mijn mobiel.

7 druk

De stad is

8 goed Mo is

dan het dorp. in voetbal dan Ko.

9 graag Mijn man kookt

dan ik.

10 veel

bloemen dan hier.

In die tuin staan

LES 24 MOOI, MOOIER, MOOIST

185


11 Maak de zinnen af 1 Dit huis is groot, maar dat huis is het 2 De jas is goedkoop, maar de trui is het 3 De jongen is boos, maar het meisje is het 4 Het plastic is hard, maar de steen is het 5 Het shirt is warm, maar de trui is het 6 Amsterdam is ver, maar Rotterdam is het 7 De tas is zwaar, maar de rugzak is het 8 Jij snoept weinig, maar Noor snoept het 9 Ik kook graag, maar onze dochter kookt het 10 Hier staan veel bloemen, maar daar staan er het

12 Vergelijk jezelf met koningin Máxima Voorbeeld: Ik ben even oud als Máxima. Mijn schoenmaat is groter dan de schoenmaat van Máxima. Ik ben korter dan Máxima in Nederland.

Naam: koningin Máxima Leeftijd: 46 jaar Lengte: 1 meter 78 Gewicht: 70 kilogram Schoenmaat: 42 Getrouwd in: 2002 Aantal jaar in Nederland: 16 jaar

Naam: Leeftijd: Ik ben

Máxima.

Lengte: Ik ben

Máxima.

Gewicht: Ik ben Schoenmaat: Mijn schoenmaat is Getrouwd in: Ik ben Aantal jaar in Nederland: Ik ben

186

GEREGELD SPREKEN

Máxima. de schoenmaat van Máxima. Máxima. Máxima in Nederland.


LES 25 EERST, DAN, DAARNA A2 - Ik kan in een paar zinnen vertellen wat ik ga doen.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

Wat ga jij morgen doen? 3 2 1 3 Eerst ga ik naar school. Dan ga ik naar huis. Daarna heb ik een afspraak

3 bij de dokter.

Kijk en luister naar de docent. Bij Ko thuis Ko HÊ lieverd, heb je lekker gewerkt? bella Bella Gewoon, het was een rustige dag. En jij? Ko Ik heb hard gewerkt. Ik ben blij dat het weekend is. Bella Wat ga jij morgen doen? Ko Eerst ga ik lekker uitslapen. Dan ga ik een uurtje sporten. Daarna kunnen we samen naar de markt gaan. Bella Gezellig! We kunnen daar verse groenten en kaas kopen. Ko Goed idee. En jij? Wat ga jij morgenochtend doen? Bella Eerst wil ik boodschappen doen bij de supermarkt. ’s Ochtends is het nog niet zo druk. Dan ga ik koffie drinken met de buurvrouw. En daarna ga ik gezellig met jou naar de markt. Ko Klinkt goed. Ik ga nu een lekker kopje thee maken. Wil jij ook? Bella Graag, dank je wel.

ko

LES 25 EERST, DAN, DAARNA

187


1 Nazeggen Oefen de dialoog in tweetallen. Cursist A is Ko, cursist B is Bella. Wissel daarna van rol. STAP 2: OEFENEN

2 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag, cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol.

3 1

Wat gaat Jamal vanmiddag doen?

2a

1

Eerst moet Dan gaat Daarna gaat

hij hij hij

3 2

Wat gaan jullie morgen doen?

Eerst willen Dan gaan Daarna moeten

3 3

Wat gaan de buren zaterdag doen?

188

Wat ga jij zondag doen? Eerst ga Dan ga Daarna ga

GEREGELD SPREKEN

2

Eerst gaan Dan halen Daarna willen

3 3

2

2a

1

2b werken. eten. sporten.

3

we op visite. we naar huis. we naar bed.

1 ze ze ze

1 ik ik ik

3

3

op verjaardag bij familie. boodschappen op de markt. lekker naar huis.

3 tot tien uur een ontbijtje een half uur

2b uitslapen. eten. hardlopen.


3 Samen Werk in viertallen. Maak een goede 32a12b-zin of een 3213-zin. Cursist A stelt de vraag: Wat ga jij morgen doen? Cursist B kiest een 3 of 2b en geeft antwoord met Eerst ... Cursist C kiest een 3 of 2b en geeft antwoord met Dan … Cursist D kiest een 3 of 2b en geeft antwoord met Daarna … Wissel daarna van rol. Voorbeeld: Cursist A: ‘Wat ga jij morgen doen?’ Cursist B: ‘Eerst ga ik naar school.’ Cursist C: ‘Dan moet ik werken.’ Cursist D: ‘Daarna wil ik op visite.’ Kies een 3

Of kies een 2b

naar school naar de huisarts op visite naar een verjaardag naar de film naar mijn familie naar het park naar huis op vakantie

sporten werken zwemmen koken lezen fietsen slapen eten bellen

LES 25 EERST, DAN, DAARNA

189


4 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. De binnenkring stelt de vraag met de tijd: ‘Wat ga jij om vier uur doen?’ De buitenkring antwoordt in drie zinnen met eerst, dan en daarna en gebruikt de woorden hieronder. Voorbeeld: Vraag: Wat ga jij om vier uur doen? Antwoord: Eerst ga ik naar de huisarts bellen. Dan ga ik naar huis fietsen. Daarna ga ik tv kijken.

3 om negen uur tot zes uur vanavond ’s ochtends om twaalf uur ’s middags een uurtje de hele dag een paar uur

190

GEREGELD SPREKEN

3 naar school naar de huisarts op visite naar een verjaardag naar de film naar mijn familie naar het park naar huis op vakantie

2b sporten werken zwemmen koken lezen fietsen slapen eten bellen


STAP 3: DOEN

5 Vertel De docent zet muziek op. Loop door het lokaal. Sta stil als de muziek stopt. Praat met de cursist die dichtbij staat. Geef elke keer antwoord op de vraag van de docent. Wat doe je eerst? Wat dan? En wat daarna? Vragen van de docent 1 Wat ga je na de les doen? 2 Wat ga je vanavond doen? 3 Wat ga je op school doen? 4 Wat ga je in de supermarkt doen? 5 Wat ga je op het feest doen? 6 Wat ga je in het ziekenhuis doen?

6 Eerst ga ik uitrusten en dan ... Denk na over de vraag: 'Wat ga je doen als je zo thuis bent?' Ga in een kring staan. Geef één voor één antwoord op de vraag. Maar let op: je herhaalt ook de antwoorden van de anderen. Als je het niet meer weet, ben je af. Voorbeeld: Cursist A: Eerst ga ik uitrusten. Cursist B: Eerst ga ik uitrusten. Dan ga ik eten. Cursist C: Eerst ga ik uitrusten. Dan ga ik eten. Daarna wil ik een stukje lopen. Cursist D: Eerst ga ik uitrusten. Dan ga ik eten. Daarna wil ik een stukje lopen. Eerst moet ik een uurtje slapen. Cursist E: Eerst ga ik uitrusten. Dan ga ik eten. Daarna wil ik een stukje lopen. Eerst moet ik een uurtje slapen. Dan ga ik koffie drinken. Enzovoort.

LES 25 EERST, DAN, DAARNA

191


STAP 4: KILOMETERS MAKEN

7 Geef antwoord op de vragen

1 Wat ga je na de les doen? Eerst Dan Daarna 2 Wat ga je vanavond doen? Eerst Dan Daarna 3 Wat ga je morgen doen? Eerst Dan Daarna 4 Wat ga je zondag doen? Eerst Dan Daarna 5 Wat ga je in de zomervakantie doen? Eerst Dan Daarna

192

GEREGELD SPREKEN


LES 26 EERST, TOEN, DAARNA A2 - Ik kan in een paar zinnen vertellen wat ik heb gedaan.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

Wat heb je in het weekend gedaan?

Eerst ben ik met mijn zoon

3 2a 1 3

Daarna hebben we thuis

3 2b naar zijn

geweest.

voetbalwedstrijd

een broodje gegeten.

Toen zijn we naar mijn broer in Rotterdam

gegaan.

Kijk en luister naar de docent.

collega Op het werk Collega Goedemorgen Mo, hoe was je weekend? Mo Druk, maar wel erg gezellig. Collega Wat heb je gedaan? mo Mo Eerst heb ik zaterdagochtend nog gewerkt. Toen ben ik snel naar huis gegaan. Broodje gegeten, andere kleren aangetrokken. Daarna zijn Bella, de kinderen en ik met de trein naar Den Haag gegaan. Collega Waarom ging je naar Den Haag? Mo Mijn broertje woont daar. Hij ging zaterdag trouwen. Het was een mooi en groot feest. Collega Gefeliciteerd! Mo Dank je wel. En jij? Wat heb jij dit weekend gedaan? Collega Niet zo veel eigenlijk. Eerst heb ik zaterdag uitgeslapen. Toen heb ik een paar uur in de tuin gewerkt. Daarna zijn mijn vrouw en ik uit eten geweest.

LES 26 EERST, TOEN, DAARNA

193


Mo Ah lekker. Naar welk restaurant zijn jullie geweest? Collega Dat nieuwe Italiaanse restaurant in het centrum. Het was heerlijk! Mo Goed om te weten. Dan ga ik daar binnenkort ook eens eten.

1 Nazeggen Oefen de dialoog in tweetallen. Cursist A is de collega, cursist B is Mo. Wissel daarna van rol.

STAP 2: OEFENEN

2 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag, cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol.

3 1

Wat heeft Jamal gisteren gedaan?

Eerst heeft Toen heeft Daarna heeft

3 2

Wat hebben jullie zaterdag gedaan?

194

Wat heb jij zondag gedaan?

GEREGELD SPREKEN

2a

Eerst zijn Toen zijn Daarna zijn

3 3

2a

2a

Eerst heb Toen heb Daarna heb

1 hij hij hij

1

3 tot vijf uur een salade een half uur

3

we op visite we naar huis we naar bed

1 ik ik ik

3

2b gewerkt. gegeten. gesport.

2b geweest. gegaan. gegaan.

3

2b

tot tien uur in mijn bed gelegen. met mijn dochter een broodje gegeten. een half uur heel hard gesport.


3 4

Wat heeft de docent in de vakantie gedaan?

2a

Eerst heeft Toen is Daarna heeft

1 zij zij zij

3

3

2b

de toetsen heel goed nagekeken. een dagje naar Texel geweest. een paar dagen lekker niets gedaan.

3 Samen Werk in viertallen. Maak een goede 32a132b- of 32a1332b-zin. Cursist A stelt de vraag: Wat heb je gisteren gedaan? Cursist B kiest een 3 + 2b of 3 en geeft antwoord met Eerst ... Cursist C kiest een 3 + 2b of 3 en geeft antwoord met Toen … Cursist D kiest een 3 + 2b of 3 en geeft antwoord met Daarna … Wissel daarna van rol. Voorbeeld: Cursist A: ‘Wat heb je gisteren gedaan?’ Cursist B: ‘Eerst ben ik naar school geweest.’ Cursist C: ‘Toen heb ik tot zes uur gewerkt.’ Cursist D: ‘Daarna ben ik een uurtje op visite geweest.’

3 om negen uur tot zes uur bij de buren ’s ochtends om twaalf uur ’s middags een uurtje de hele dag een paar uur

3 naar school naar de huisarts op visite naar een verjaardag naar de film naar mijn familie naar het park naar huis op vakantie

2b sporten werken zwemmen koken lezen fietsen slapen eten bellen

LES 26 EERST, TOEN, DAARNA

195


STAP 3: DOEN

4 Vertel De docent zet muziek op. Loop door het lokaal. Sta stil als de muziek stopt. Praat met de cursist die dichtbij staat. Geef antwoord op de vraag van de docent. Wat heb je eerst gedaan? Wat toen? En wat daarna? Herhaal dit een paar keer. Vragen van de docent 1 Wat heb je gisteren gedaan? 2 Wat heb je vanochtend gedaan? 3 Wat heb je vorige week gedaan? 4 Wat heb je dit weekend gedaan? 5 Wat heb je in de vakantie gedaan?

5 Vertel Denk na over de vraag: 'Wat heb je gisteravond gedaan?' Ga in een kring staan. Geef één voor één antwoord op de vraag. Maar let op: je herhaalt ook de antwoorden van de anderen. Als je het niet meer weet, ben je af. Voorbeeld: Cursist A: Eerst heb ik een uurtje geslapen. Cursist B: Eerst heb ik een uurtje geslapen. Toen heb ik gegeten. Cursist C: Eerst heb ik een uurtje geslapen. Toen heb ik gegeten. Daarna heb ik een stukje in het park gelopen. Cursist D: Eerst heb ik een uurtje geslapen. Toen heb ik gegeten. Daarna heb ik een stukje in het park gelopen. Toen heb ik televisie gekeken. Cursist E: Eerst heb ik een uurtje geslapen. Toen heb ik gegeten. Daarna heb ik een stukje in het park gelopen. Toen heb ik televisie gekeken. Toen heb ik koffie gedronken. Enzovoort.

196

GEREGELD SPREKEN


STAP 4: KILOMETERS MAKEN

6 Geef antwoord op de vragen 1 Wat heb je gisteravond gedaan? Eerst Toen Daarna 2 Wat heb je zondag gedaan? Eerst Toen Daarna 3 Wat heb je donderdag gedaan? Eerst Toen Daarna 4 Wat heb je vanochtend gedaan? Eerst Toen Daarna 5 Wat heb je in de zomervakantie gedaan? Eerst Toen Daarna

LES 26 EERST, TOEN, DAARNA

197


LES 27 WANNEER? ALS … A2 - Ik kan antwoord geven met als.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

Wanneer ga je een auto kopen? Als

1 ik

3 2 geld heb.

Kijk en luister naar de docent. Te laat op het werk Chef Hé Ko, je bent weer te laat! chef Ko Sorry, maar mijn auto is weer eens stuk. Chef Dat is vervelend, maar je komt nu wel vaak te laat. Wanneer kom je weer eens op tijd? Ko Als ik een andere auto heb. ko Chef Wanneer koop je dan een andere auto? Ko Als ik geld heb. Ik ben aan het sparen … Chef Maar je kunt niet te laat blijven komen. Waarom ga je niet met de bus? Ko Omdat de bus te duur is. Chef Wanneer zou je wel met de bus gaan? Ko Als ik het geld voor de bus terugkrijg. Chef Oké, dan betalen wij het geld voor de bus. Als je maar niet meer te laat komt! Ko Mooi, dat is dan afgesproken.

1 Nazeggen Oefen de dialoog in tweetallen. Cursist A is de chef, cursist B is Ko. Wissel daarna van rol.

198

GEREGELD SPREKEN


STAP 2: OEFENEN

2 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag, cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol. Wissel nog een keer van rol en probeer het sneller te doen. Probeer het dan nog een keer en geef antwoord zonder in het boek te kijken.

1

3

2

1

Wanneer gaan jullie trouwen?

Als

we

een huis

hebben.

2

Wanneer lig je de hele dag in bed?

Als

ik

heel erg ziek

ben.

3

Wanneer ga je naar de dokter?

Als

ik

pijn in mijn buik

heb.

4

Wanneer ga je naar de gemeente?

Als

ik

een nieuw paspoort

wil.

5

Wanneer ga je naar de supermarkt?

Als

de koelkast

leeg

is.

6

Wanneer heb je tijd?

Als

ik

examen

heb gedaan.

7

Wanneer kom je langs?

Als

ik

met mijn werk klaar

ben.

8

Wanneer draag je geen Als jas?

het

warm

is.

9

Wanneer praat je met je buurvrouw?

Als

we

samen

wandelen.

10

Wanneer moet je lopen?

Als

mijn fiets

kapot

is.

LES 27 WANNEER? ALS ...

199


3 Samen Werk in tweetallen. Zoek samen het goede antwoord op de vraag. Daarna stelt cursist A de vraag. Cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol. 1 2 3 4 5 6

Wanneer ga je naar de snackbar? Wanneer drink je water? Wanneer lach je? Wanneer ga je met de auto? Wanneer ga je naar bed? Wanneer draag je een bril?

a b c d e f

Als ik blij ben. Als ik patat wil eten. Als ik moe ben. Als ik het niet goed kan lezen. Als ik dorst heb. Als het regent.

4 Smoesjes Werk in tweetallen. Cursist A vraagt: ‘Wanneer kom jij te laat op school?’ Cursist B geeft antwoord: ‘Als …’ Let op 1 3 2! De vraag: 1 Wanneer heb je je huiswerk niet gedaan? 2 Wanneer ga je te laat naar bed? 3 Wanneer kom je te laat? Het antwoord: - Mijn fiets is kapot. - Ik sta in de file. - Ik kijk naar een leuke film. - Het regent. - Ik begrijp het niet. - De bus is te laat. - Ik heb de trein gemist. - Ik ben de tijd vergeten. - Mijn auto is stuk. - Mijn boek is kwijt.

200

GEREGELD SPREKEN


STAP 3: DOEN

5 Dobbelsteen Werk in groepjes van vier cursisten. Gooi de dobbelsteen. Geef antwoord op de vraag. Begin met: ‘Als …’ Gooi daarna de dobbelsteen naar iemand anders. Vraag: ‘En jij?’ Voorbeeld: Vraag: Wanneer ga je niet naar school? Antwoord: Als ik ziek ben. = Wanneer ga je naar de tandarts? = Wanneer praat je met de buurman / buurvrouw? = Wanneer ga je niet naar school? = Wanneer blijf je in bed liggen? = Wanneer ga je met de bus / tram / trein? = Wanneer ga je naar de supermarkt?

6 Samen Werk in viertallen. Vraag wanneer je een nieuwe fiets koopt. Cursist A maakt de vraag: 'Wanneer koop je een nieuwe fiets?' Cursist B geeft antwoord: 'Als ik mijn fiets niet kan maken.' Cursist C geeft een ander antwoord: 'Als ik geld heb.' Cursist D geeft ook een ander antwoord: 'Als mijn vrouw jarig is.' 1 2 3 4

Vraag wanneer je naar de kapper gaat. Vraag wanneer je boos bent. Vraag wanneer je het raam dichtdoet. Vraag wanneer je een nieuwe jas koopt.

LES 27 WANNEER? ALS ...

201


5 6 7 8 9 10

Vraag wanneer je niet goed slaapt. Vraag wanneer je naar de gemeente gaat. Vraag wanneer je naar de politie gaat. Vraag wanneer je eet. Vraag wanneer je te laat komt op school. Vraag wanneer je naar de dokter gaat.

STAP 4: KILOMETERS MAKEN

7 Geef antwoord op de vragen Kies uit: blij – regent – moe – dorst – patat – niet goed lezen. 1 Wanneer ga je naar de snackbar? 2 Wanneer drink je water? 3 Wanneer lach je? 4 Wanneer ga je met de auto? 5 Wanneer ga je naar bed? 6 Wanneer draag je een bril?

8 Geef antwoord op de vragen

1 Wanneer ga je naar de tandarts? Als 2 Wanneer praat je met de buurman / buurvrouw? Als 3 Wanneer ga je niet naar school? Als

202

GEREGELD SPREKEN


4 Wanneer blijf je in bed liggen? Als 5 Wanneer ga je met de bus / tram / trein? Als 6 Wanneer ga je naar de supermarkt? Als 7 Wanneer ga je naar de kapper? Als 8 Wanneer ga je naar de gemeente? Als 9 Wanneer ga je naar de politie? Als 10 Wanneer ben je boos? Als

LES 27 WANNEER? ALS ...

203


LES 28 IK VIND, IK DENK, IK GELOOF DAT … A2 - Ik kan mijn mening geven.

STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord

1 2 dat 1 3 Ik vind dat de soep erg lekker Ik denk dat Ko heel hard Ik geloof dat tomaten heel gezond

2 is. werkt. zijn.

Kijk en luister naar de docent.

ko

Groentesoep Ko En wat vinden jullie van mijn soep? Luuk Ik geloof dat ik mama’s soep lekkerder vindt. Sorry, papa. luuk Ko Waarom vind je het niet lekker? Luuk Er zit zoveel groente in. Ko Ja, het is groentesoep. Dus dan zit er groente in. Lara, wat vind jij? Lara Ik denk dat ik het wel lekker vind. Heel anders dan mama’s soep. Maar het smaakt wel goed. Ko Dat is mooi. En jij, lieverd? Wat vind jij? Bella Ik vind dat er een beetje meer zout in mag. Zo. Eens even proeven. Ja, zo is de soep heerlijk.

1 Nazeggen Oefen de dialoog in viertallen. Cursist A is Ko, cursist B is Luuk, cursist C is Lara en cursist D is Bella. Wissel daarna van rol.

204

GEREGELD SPREKEN


STAP 2: OEFENEN

2 Vraag en vertel Cursist A stelt de vraag, cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol. Wissel nog een keer van rol en probeer het sneller te doen. Probeer het dan nog een keer en geef antwoord zonder in het boek te kijken.

1

3

2

1

Hoe vind je deze jas?

Ik vind dat

jouw jas

mooi

is.

2

Wat vind je van deze supermarkt?

Ik denk dat

deze supermarkt

te duur

is.

3

Wat is jouw mening Ik vind dat over roken?

roken

heel ongezond en vies

is.

4

Hoe denk jij over de Ik denk dat examens?

het schrijfexamen

heel moeilijk

is.

5

Hoe vind je de film? Ik vind dat

de film

erg spannend

is.

6

Wat vind je van de les?

deze les

goed

is.

7

Wat is jouw mening Ik geloof dat over die docent?

zij

heel goed

les geeft.

8

Wat vind je van het Hollandse weer?

het

te koud

is.

Ik denk dat

Ik vind dat

LES 28 IK VIND, IK DENK, IK GELOOF DAT ...

205


3 Puzzelen Werk in tweetallen. Maak een goede 12dat132-zin. Wissel daarna van rol.

Ik vind dat Ik denk dat Ik geloof dat

Amsterdam

de wedstrijd

leren.

Nederlands praten

erg lekker

is.

koude limonade

heel hard

verdienen.

de eindtoets

een gevaarlijke stad

smaakt.

ons elftal

ontzettend vroeg

opstaat.

alle cursisten

heel belangrijk

is.

een bakker

bloemen

is.

alle vrouwen

niet zo moeilijk

wint.

4 Vertel Werk in tweetallen. Cursist A leest de zin. Cursist B maakt er een mening van. Begin de mening met: Ik vind / denk / geloof dat … Maak een goede 12dat132-zin. Wissel daarna van rol. Voorbeeld: Cursist A: ‘Nederland is een klein land.’ Cursist B: ‘Ik denk dat Nederland een klein land is.’ 1 2 3 4 5 6 7 8

206

Fietsen is gezond. De agent maakt een fout. Het examen is heel makkelijk. De kinderen schreeuwen te hard. De scheidsrechter is niet eerlijk. Je collega is erg aardig. Het eten smaakt heel erg goed. De verkoper praat onduidelijk.

GEREGELD SPREKEN


5 Geef je mening Werk in tweetallen. Kijk naar de acht zinnen van oefening 4. Cursist A geeft zijn mening. Begin de mening met: ‘Ik vind / denk / geloof dat …’ Maak een goede 12dat132-zin. Cursist B zegt of hij het eens of oneens is met die mening. Gebruik de spreekhulp. Wissel daarna van rol. Spreekhulp eens

oneens

Dat vind ik ook.

Dat vind ik niet.

Dat denk ik ook.

Dat denk ik niet.

Dat geloof ik ook.

Dat geloof ik niet.

Daar ben ik het mee eens.

Daar ben ik het niet mee eens.

STAP 3: DOEN

6 Dobbelsteen Werk in groepjes van vier cursisten. Gooi de dobbelsteen. Geef antwoord op de vraag. Begin met: ‘Ik vind / denk / geloof dat …’ Gooi daarna de dobbelsteen naar iemand anders. Vraag: ‘En wat vind jij?’ Gebruik voor het antwoord de spreekhulp. = Wat vind je van je werk?

= Wat vind je van de cursus?

= Wat vind je van je buren?

= Wat vind je van roken?

= Wat vind je van het weer?

= Wat vind je van Nederland?

Voorbeeld: Cursist A: ‘Wat vind je van Nederland?’ Cursist B: ‘Ik vind dat Nederland een vrij land is.’ Cursist C: ‘Daar ben ik het mee eens.’

LES 28 IK VIND, IK DENK, IK GELOOF DAT ...

207


7 Eens of oneens? Werk in drietallen. Lees de zinnen hieronder. Ben je het ermee eens? Of oneens? Vertel wat jij vindt. Geef eerst een zin uit de spreekhulp. Geef daarna je mening. 1 2 3 4 5 6

Er zal altijd ergens in de wereld oorlog zijn. Reclame voor alcohol moet verboden worden. Nederlands is een makkelijke taal. Het openbaar vervoer moet gratis zijn. Amsterdam is de mooiste stad van de wereld. Het is goed dat je in cafĂŠs niet meer mag roken.

Ik ben het ermee eens. Ik vind / denk / geloof / hoop dat ...

Ik ben het er niet mee eens. Ik vind / denk / geloof / hoop dat ...

STAP 4: KILOMETERS MAKEN

8 Schrijf acht goede 12dat132-zinnen

Ik vind dat Ik denk dat Ik geloof dat Ik hoop dat

Amsterdam

de wedstrijd

leren.

Nederlands praten

erg lekker

is.

koude limonade

heel hard

verdienen.

de eindtoets

een gevaarlijke stad

smaakt.

ons elftal

ontzettend vroeg

opstaat.

alle cursisten

heel belangrijk

is.

een bakker

bloemen

is.

alle vrouwen

niet zo moeilijk

wint.

1 2 3

208

GEREGELD SPREKEN


4 5 6 7 8 9 Lees de zinnen en maak er een mening van Begin de mening met: Ik vind / geloof / hoop dat ‌ Maak een goede 12dat132-zin. Voorbeeld: Nederland is een klein land. Ik vind dat Nederland een klein land is. 1 Fietsen is gezond. 2 De agent maakt een fout. 3 Het examen is heel makkelijk. 4. De kinderen schreeuwen te hard. 5 De scheidsrechter is niet eerlijk. 6 Je collega is erg aardig.

LES 28 IK VIND, IK DENK, IK GELOOF DAT ...

209


7 Het eten smaakt heel erg goed. 8 De verkoper praat onduidelijk.

10 Wat is jouw mening? Schrijf op. Maak een goede 12dat132-zin. 1 Wat vind je van je werk? 2 Wat vind je van je buren? 3 Wat vind je van het weer? 4 Wat vind je van de cursus? 5 Wat vind je van roken? 6 Wat vind je van Nederland?

210

GEREGELD SPREKEN


AANTEKENINGEN


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook