Geregeld spreken
tte
Di st
Oo & eS
iqu
on
M
Regels begrijpen, oefenen en doen
rl oo
ch
Geregeld spreken
Met onderstaande unieke code krijg je toegang tot het extra materiaal bij Geregeld spreken. • • • • •
Ga naar www.nt2school.nl. Maak een account aan en log in. Klik op ‘Activeer nieuw lesmateriaal’ en voer hier eenmalig onderstaande code in. Klik op 'Bevestigen'. Je kunt nu direct beginnen.
Geregeld spreken
Ditte Oost & Monique Schoorl
Regels begrijpen, oefenen en doen
Derde oplage, 2020 © Ditte Oost & Monique Schoorl en Boom uitgevers Amsterdam, 2018 Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van de artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb. 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht (postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van artikel 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912. Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.stichting-pro.nl). No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher. De uitgever heeft getracht alle rechthebbenden van de illustraties te achterhalen. Mocht iemand desondanks menen dat zijn rechten niet zijn gehonoreerd, dan kan hij zich wenden tot de uitgever. Verzorging omslag en binnenwerk: JACKY-O, Rotterdam Illustraties: Shutterstock, JACKY-O, Rotterdam Praatplaten: Marius van Dokkum, Ugchelen ISBN 9789024422012 NUR 110 www.boomuitgeversamsterdam.nl www.nt2.nl
VOORWOORD In april 2017 ontstond op een terras in de zon het idee voor deze spreekmethode, waarin we grammatica combineren met spreken. Vervolgens hebben we lessen ontworpen, laten uitproberen, veel oefeningen herzien en nogmaals herzien met de hulp van ervaren en onervaren NT2-docenten. Mede door hun kritische houding en tijdsinvestering hebben wij deze methode kunnen schrijven en verbeteren. Grote dank is er voor Marcia Schouten en Ber Fontaine, die ons veel werk uit handen hebben genomen. IdeeĂŤn kregen wij van Linda Stamkot, Marloes Veelbehr en Irma Krake op momenten dat onze creativiteit het even liet afweten. De lessen zijn uitgeprobeerd door docenten van Fiolet Taaltrainingen. Hun reacties en observaties van cursisten zijn van groot belang geweest voor de verbeteringen van oefeningen en de opbouw. Ook de feedback van cursisten zelf heeft ons weer teruggebracht op het juiste spoor. Wij zien dit boek als een levend document. Het is nooit klaar: wij blijven ons ontwikkelen en door nieuwe ervaringen onze visie bijstellen. Dit zal ook gelden voor deze methode. Uw feedback is dan ook van harte welkom. U kunt deze sturen naar nt2@bua.nl. We wensen alle docenten en cursisten veel lesplezier met Geregeld spreken.
Ditte Oost & Monique Schoorl Hoorn, juni 2018
INHOUD Inleiding 8 DEEL 1
13
Les 1 - ik ben, jij bent A1 - Ik kan het werkwoord zijn goed gebruiken. Ik kan vertellen wie ik ben en waar ik ben.
14
Les 2 - Wie is het? A1 - Ik kan de persoonsnamen gebruiken.
19
Les 3 - 1 2 3 A1 - Ik kan in korte 123-zinnen spreken.
29
Les 4 - 3 2 1 A1 - Ik kan in korte 321- of 3213-zinnen spreken.
37
Les 5 - doe-woorden A1 - Ik kan de doe-woorden bij ik, jij, hij, zij, u, wij, jullie en zij goed gebruiken.
42
Les 6 - op, in, voor, naast, achter, tussen, onder A1 - Ik kan vertellen waar iets of iemand ligt, staat of zit.
52
Les 7 - ik heb, jij hebt, zij heeft A1 - Ik kan het werkwoord hebben goed gebruiken.
60
Les 8 - een vrouw, meer vrouwen A1 - Ik kan het meervoud maken van personen en dingen.
68
Les 9 - een vraag maken A1 - Ik kan een vraag maken.
75
Les 10 - antwoord geven met ja A1 - Ik kan antwoord geven met ja.
83
Les 11 - antwoord geven met nee A1 - Ik kan antwoord geven met nee.
90
Les 12 - wat, waar, wie, hoe, wanneer, hoeveel, welke A1 - Ik kan vragen maken met wat, waar, wie, hoe, wanneer, hoeveel, welke.
99
Les 13 - Van wie is het? A1 - Ik kan vertellen van wie iets is: het is mijn huis en zijn auto.
107
Les 14 - gaan, kunnen, willen, moeten, mogen 111 A1 - Ik kan met gaan, kunnen, willen, moeten en mogen een goede 123-zin maken. Les 15 - gaan, kunnen, willen, moeten, mogen A1 - Ik kan met deze werkwoorden een goede 12a32b-zin maken.
117
Les 16 - groot, nieuw, koud A1 - Ik kan iets vertellen over dingen en personen.
125
DEEL 2
133
Les 17 - grote, nieuwe, koude A2 - Ik kan iets extra’s vertellen over dingen en personen
134
Les 18 - waarom & omdat A2 - Ik kan een waarom-vraag maken en antwoord geven met omdat.
141
Les 19 - werkwoorden (klaar) A2 - Ik kan vertellen wat ik heb gedaan.
147
Les 20 - dit, dat, deze, die A2 - Ik kan vertellen welke ik bedoel.
153
Les 21 - opruimen A2 - Ik kan een goede zin maken met werkwoorden als opruimen.
159
Les 22 - opgeruimd A2 - Ik kan een goede zin maken met werkwoorden als opruimen.
166
Les 23 - want, en, maar, dus, of 173 A2 - Ik kan van twee zinnen één zin maken met de woorden want, en, maar, dus, of. Les 24 - mooi, mooier, mooist A2 - Ik kan vertellen wat ik mooi vind, nog mooier en het mooist.
179
Les 25 - eerst, dan, daarna A2 - Ik kan in een paar zinnen vertellen wat ik ga doen.
187
Les 26 - eerst, toen, daarna A2 - Ik kan in een paar zinnen vertellen wat ik heb gedaan.
193
Les 27 - Wanneer? Als … A2 - Ik kan antwoord geven met als.
198
Les 28 - Ik vind, ik denk, ik geloof dat … A2 - Ik kan mijn mening geven.
204
INLEIDING Het ontstaan van Geregeld spreken In gesprekken met cursisten over de lessen vertellen ze vaak dat ze graag meer willen spreken tijdens de les. In gesprekken met docenten over de lessen vertellen ze vaak dat ze het moeilijk vinden om grammaticaregels uit te leggen aan laagopgeleiden. Deze twee zaken hebben we in Geregeld spreken gecombineerd: een methode waarin grammaticaregels worden uitgelegd en in de les tijdens spreekoefeningen worden ingeoefend. Met dit als uitgangspunt zijn we verder gaan bouwen aan deze spreekmethode, waarin de volgende vier aspecten een rol spelen: 1 regels op een eenvoudige manier aanbieden; 2 spreken regelmatiger en systematischer aanbieden; 3 de mogelijkheid tot veel herhaling, ook thuis; 4 de toepasbaarheid in het dagelijks leven. Het gebruik Dit boek kan worden gebruikt naast alle methoden. We hebben een indeling gemaakt waarin de moeilijkheidsgraad van de onderwerpen bepalend was, maar iedere les kan op elk moment gebruikt worden. Ons advies is: kies het onderwerp waaraan behoefte is bij jouw cursisten. Je hoeft dus niet bij les 1 te beginnen als dit onderwerp voor jouw cursisten gesneden koek is. Spreken en niet schrijven Geregeld spreken is een spreekmethode. Bijna alle lessen zijn getest in verschillende lesgroepen bij Fiolet Taaltrainingen. De behoefte van cursisten om te noteren is groot, maar het remt de cursisten in hun aandacht bij de les. Ons advies is dan ook om heel streng te zijn op pennen of potloden in de handen van de cursisten. Schrijven gaan ze doen tijdens de herhalingsoefeningen in het onderdeel Kilometers maken. Woordenschat We hebben geprobeerd het aanbod van woorden in de zinnen zo eenvoudig mogelijk te houden, zodat de woordenschat geen belemmering hoeft te vormen voor het inoefenen van de regels. Tijdens het testen bleek namelijk dat cursisten bijvoorbeeld vragen gingen stellen over de eigennamen, waardoor het doel van de oefening ondergesneeuwd raakte. De opbouw Deze methode leert de cursisten stap voor stap eenvoudige regels van de Nederlandse taal toe te passen in het dagelijks leven. Wij hebben een BOD-model ontwikkeld voor
8
GEREGELD SPREKEN
grammaticaonderwijs, waarbij de rol van de docent en die van de cursist worden beschreven volgens de volgorde: Begrijpen, Oefenen, Doen. Deze begrippen zijn ook goed uit te leggen aan de cursisten zelf, zodat zij weten in welke fase van het leerproces zij zitten. Het spreekt voor zich dat de oefenfase de langste fase is en dat het huiswerk maken daar een vast onderdeel van uitmaakt. De opbouw van de lessen is steeds hetzelfde: de cursist
de docent
stap 1
Begrijpen = kijken, luisteren en vragen stellen
instrueren
De docent haalt de cursisten naar het bord en legt aan de hand van voorbeelden de regel uit. De aandacht van de cursist is nu bij de instructie. De docent checkt bij de cursisten of de regel begrepen wordt.
stap 2
Oefenen = spreken
begeleiden
De docent zorgt dat de cursisten de spreekoefeningen actief gaan uitvoeren. De oefeningen zijn opgebouwd van eenvoudig naar minder eenvoudig, van geleide naar minder geleide opdrachten. De spreekoefeningen zijn bedoeld om de regel de kans te geven te beklijven. De oefeningen bieden ook mogelijkheden voor differentiatie. Alle spreekoefeningen kunnen indien nodig als herhaling vaker worden gebruikt.
stap 3
Doen = gebruiken
op de achtergrond
Tijdens deze stap wordt ervan uitgegaan dat de cursisten de regels zelfstandig kunnen gebruiken in de aangeboden oefeningen.
Huiswerk = Kilometers maken = Herhalen
De huiswerkoefeningen zijn bedoeld om thuis de regels nog een keer te herhalen. Hiervoor worden de spreekoefeningen uit de lessen gebruikt. Op die manier is het huiswerk voor de cursist herkenbaar en met plezier te maken.
INLEIDING
9
Onderdelen in iedere les Stap 1: Begrijpen 1. Op het schoolbord komt zo gestileerd mogelijk de nieuwe informatie voor de cursist te staan. De cursisten komen bij het bord staan en de docent legt de regels uit met behulp van de voorbeelden uit het boek. 2. Nazeggen: in de eerste oefening luisteren de cursisten naar de docent, die de nieuwe informatie in zinnen heeft gezet, en spreken zij deze zinnen na. 3. De volgende stap is twee cursisten die met elkaar de zinnen voorlezen en elkaar helpen met de uitspraak. De cursisten zitten tegenover elkaar en hebben beiden het boek in handen. 4. De laatste stap is dat twee cursisten met de rug naar elkaar toe gaan zitten waarbij één cursist geen boek heeft: hij/zij luistert en zegt na. De rollen worden daarna omgedraaid. (Dit komt in deel 2 niet meer voor.) 5. De docent checkt bij de cursisten of ze de informatie begrijpen door de informatie op het bord te herhalen. 6. De 123-methode loopt als een rode draad door de lessen, zodat de woordvolgorde altijd kan worden gebruikt als ondersteuning voor het maken van een goede zin. 7. Deel 2 start met een dialoog uit het dagelijks leven, waarin het grammaticale onderwerp naar voren komt. Stap 2: Oefenen 1. De opbouw van de oefeningen is van geleide naar minder geleide opdrachten. 2. De cursisten hebben in deze fase de docent als begeleider nodig om de oefeningen goed uit te kunnen voeren. 3. Vrijwel alle oefeningen worden door kleine groepjes uitgevoerd, zodat alle cursisten continu actief bezig zijn. 4. Differentiatie: als de oefeningen te makkelijk zijn voor een cursist, kan de oefening met het boek dicht uitgevoerd worden. Hierdoor kan iedere cursist de oefening op zijn of haar eigen niveau doen. 5. In het boek zijn een aantal praatplaten opgenomen, die kunnen worden gebruikt in de oefen- of doe-fase. 6. In deze fase wordt regelmatig een ‘snel’-oefening aangeboden, waarbij de cursisten leren om tempo te gaan maken. Stap 3: Doen 1. Als de informatie voldoende begrepen wordt en genoeg geoefend is, krijgen de cursisten vrijere oefeningen waarin ze deze moeten gaan toepassen. 2. De meeste lessen worden afgerond met een spontane spreekoefening.
10
GEREGELD SPREKEN
Stap 4: Kilometers maken Een aantal oefeningen uit elke les wordt als huiswerk opgegeven, om thuis nog een keer de informatie op een makkelijke manier te herhalen. De zinnetjes zijn precies hetzelfde, zodat dit de cursist thuis makkelijk afgaat. Dit werkt motiverend en op die manier oefenen ze weer. De uitwerkingen van de oefeningen staan op de website. De woordvolgorde volgens de 123-methode De 123-methode is een systeem om cursisten de woordvolgorde van de Nederlandse zin uit te leggen zonder grammaticale termen te gebruiken. 1 = het onderwerp, 2 = het werkwoord, 2a = het werkwoord dat bij 1 hoort, 2b = de andere werkwoorden in de zin, 3 = extra informatie Taalniveau A1: Mijn moeder
werkt
iedere dag
in Utrecht
in het ziekenhuis.
1
2
3
3
3
Iedere dag
werkt
mijn moeder
in Utrecht
in het ziekenhuis.
3
2
1
3
3
Werkt
mijn moeder
iedere dag
in Utrecht
in het ziekenhuis?
2
1
3
3
3
Mijn moeder
heeft
iedere dag
in het ziekenhuis
gewerkt.
1
2a
3
3
2b
Mijn moeder
gaat / wil / moet ‌
iedere dag
in het ziekenhuis
werken.
1
2a
3
3
2b
INLEIDING
11
Taalniveau A2: Jaap
gaat
naar de dokter
1
2
3
Jaap
gaat
naar de dokter
1
2
3
want en maar dus of
als omdat
hij
heeft
pijn
in zijn buik.
1
2
3
3
hij
pijn
in zijn buik
heeft.
1
3
3
2
Werkvorm binnen- en buitenkring Doel Het automatiseren van veelvoorkomende vragen. Antwoord leren geven op eenvoudige vragen over de eigen situatie. Uitvoering - Zoek een geschikte ruimte waar cursisten in een kring kunnen staan. - Verdeel de groep in tweeën: een binnenkring voor de vraag en een buitenkring voor het antwoord. - Laat de cursisten het boek meenemen naar de kring. - De cursisten uit de binnenkring stellen alle vragen aan één persoon uit de buitenkring. - Daarna schuift de buitenkring één persoon op, zodat iedereen een nieuwe gesprekspartner heeft. - Daarna stellen ze dezelfde vragen aan deze persoon uit de buitenkring. - Als iedereen geweest is, wisselen de cursisten van de binnen- naar de buitenkring. - Het doel van deze oefening is het laten inslijpen van veelvoorkomende vragen en antwoorden. Ook is deze oefening voor cursisten een goede manier om over eventuele spreekangst heen te komen.
12
GEREGELD SPREKEN
DEEL 1
13
LES 1 IK BEN, JIJ BENT A1 - Ik kan het werkwoord zijn goed gebruiken. Ik kan vertellen wie ik ben en waar ik ben.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
ik ben jij / je / u bent hij / zij is wij / jullie / zij zijn
1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na. 1
Ik
ben
een vrouw.
2
Jij / Je
bent
in Amsterdam.
3
U
bent
de baas.
4
Hij
is
cursist.
5
Zij
is
de oudste.
6
Wij
zijn
vrienden.
7
Jullie
zijn
thuis.
8
Zij
zijn
ziek.
Let op! 9
Morgen
ben
jij / je
10
Ben
jij / je
op school?
14
GEREGELD SPREKEN
op school.
2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest zin 1. Daarna leest cursist B zin 2. Help elkaar om het goed te zeggen.
3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest een zin, B kijkt niet in zijn boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
4 Wie ben ik? Waar ben ik? Werk in tweetallen. Vertel aan elkaar wie je bent. Maak vijf zinnen. Begin met: ‘Ik ben …’ Spreekhulp wie
waar
Ik ben een vrouw. Ik ben Maria. Ik ben 40 jaar. Ik ben groot. Ik ben blij.
Ik ben thuis. Ik ben op school. Ik ben in Amsterdam. Ik ben in de kamer. Ik ben in de supermarkt.
Kies uit: wie
waar
groot, klein, dik, dun, oud, jong, moe, ziek, blij, mooi, gezond
in de stad, op school, thuis, in de slaapkamer, in de keuken, bij de gemeente, in de supermarkt, bij mijn familie, op straat, buiten, in de winkel, bij de buren
LES 1 IK BEN, JIJ BENT
15
5 Wie ben je? Waar ben je? Werk in tweetallen. Vertel nu aan elkaar wie en waar de ander is. Begin met: ‘Jij bent …’ Wissel daarna van rol.
6 Wie is hij / zij? Waar is hij / zij? Werk in drietallen. Cursist A vertelt: ‘Ik ben …’ Cursist B vertelt aan C: ‘Zij is …’ Wissel daarna van rol.
7 Wie zijn wij? Wie zijn jullie? Wie zijn zij? De mannen gaan aan de ene kant van het lokaal staan. De vrouwen aan de andere kant. De vrouwen zeggen: ‘Wij zijn vrouwen. Jullie zijn mannen. Wij zijn op school.’ De mannen zeggen: ‘Wij zijn mannen. Jullie zijn vrouwen. Wij zijn op school.’ Er liggen drie woorden in het lokaal: jong, blij en gezond. Ga bij een van de woorden staan. In elke groep maakt een cursist een goede zin over de drie groepen. Dan legt de docent nieuwe woorden neer. Ga bij een van de woorden staan. Maak per groep weer zinnen. Voorbeeld: Wij zijn jong. Jullie zijn blij. Zij zijn gezond.
16
GEREGELD SPREKEN
8 Samen Werk in tweetallen. Maak samen tien goede zinnen. Kies uit deze woorden en kijk goed naar de spreekhulp. Kies uit: ben – bent – is – zijn. 1
Het meisje
blij.
2
De dokter
in het ziekenhuis.
3
De kinderen
op school.
4
De man
bij de gemeente.
5
De docent
in de auto.
6
Ik
thuis.
7
De cursisten
moe.
8
De baas
klein.
9
Jij
lief.
10
De docenten
aardig.
STAP 3: DOEN
9 Dobbelsteen Kijk op het bord: = ik
= wij
= jij
= jullie
= hij / zij = zij De docent geeft een voorbeeld in de grote groep. Gooi de dobbelsteen. Maak een zin met de juiste persoon, bijvoorbeeld als je 3 gooit: ‘Hij is 25 jaar.’ Maak nu kleine groepjes met vier tot vijf cursisten. Elke groepje krijgt een dobbelsteen. Maak om de beurt een goede zin. LES 1 IK BEN, JIJ BENT
17
10 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. Vertel aan elkaar in vijf zinnen wie je bent en waar je bent. Vertel daarna in vijf zinnen wie de ander is.
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
11 Maak de zinnen af Kies uit: ben – bent – is – zijn.
is
1
Het meisje
2
De dokter
in het ziekenhuis.
3
De kinderen
op school.
4
De man
bij de gemeente.
5
De docent
in de auto.
6
Ik
thuis.
7
De cursisten
moe.
8
De baas
klein.
9
Jij
lief.
10
De docenten
aardig.
18
GEREGELD SPREKEN
blij.
LES 2 WIE IS HET? A1 - Ik kan de persoonsnamen gebruiken.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
een persoon meer personen ik wij / we jij / je jullie u hij zij / ze zij / ze
1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na. 1
Ik
werk
in Den Haag.
2
Jij
woont
in Utrecht.
3
Je
woont
in Utrecht
4
U
bent
docent.
5
Hij
zit
in de bus.
6
Zij
zit
in de trein.
7
Ze
zit
in de trein.
8
Wij
drinken
koffie.
LES 2 WIE IS HET?
19
9
We
drinken
koffie.
10
Jullie
kopen
tomaten.
12
Zij
gaan
naar school.
13
Ze
gaan
naar school.
2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest zin 1. Daarna leest cursist B zin 2. Help elkaar om het goed te zeggen.
3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest een zin, cursist B kijkt niet in het boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol. Spreekhulp
20
ik
wij = we
jij = je
jullie
u
u
hij
zij = ze
GEREGELD SPREKEN
zij = ze
STAP 2: OEFENEN
4 Wie is het? Kijk naar het plaatje. Werk in tweetallen. Cursist A maakt een zin. Daarna maakt cursist B een zin. Gebruik de spreekhulp.
1 bent
mevrouw Radi.
zijn
cursisten.
ga
naar de dokter.
maken
huiswerk.
is
een vrouw.
gaan
naar de stad.
bent
aardig.
spreekt
Nederlands.
2
3
4
5
6
7
8
LES 2 WIE IS HET?
21
5 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest een zin. Cursist B verandert het persoonswoord. Kies uit: hij – zij / ze – jullie – wij / we. Klaar? Wissel van rol. Gaat het goed? Dan doet cursist B de oefening met de ogen dicht. 1
Jij en ik
gaan
naar de stad.
2
De jongen
speelt
met de bal.
3
Jij en jij
4
Vader en moeder
5
Wij
gaan
naar de stad.
speelt
met de bal.
drinken thee.
drinken
thee.
zijn
thuis.
zijn
thuis.
De buurvrouw is
ziek.
is
ziek.
6
Mijn vader
is
oud.
is
oud.
7
De dokter
werkt
in het ziekenhuis.
werkt
in het ziekenhuis.
8
De mannen
maken
huiswerk.
maken
huiswerk.
9
De meisjes
zijn
blij.
zijn
blij.
6 Ik, jij, hij / zij Werk in drietallen. Cursist A vertelt: ‘Ik ben …’ Cursist B herhaalt: ‘Jij …’ Cursist C herhaalt: ‘Hij / Zij …’ Cursist A kiest uit: ziek, aardig, een man, een vrouw, cursist, op school, in de stad, op het station, oud, jong, dik, dun, groot, klein, in het lokaal, in het restaurant, thuis, moe, blij. Voorbeeld: Cursist A: ‘Ik ben ziek.’ Cursist B: ‘Jij bent ziek.’ Cursist C: ‘Hij is ziek.’ Let goed op: is cursist A een man of een vrouw? 22
GEREGELD SPREKEN
7 Met de bal Ga met de hele groep in een kring staan. Op het bord staat: zij – hij – wij – jullie. De docent gooit de bal naar cursist A en leest de zin. Cursist A verandert ‘het meisje’ in ‘zij’. Daarna leest cursist A een zin en gooit de bal naar cursist B. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Het meisje is op school. De kinderen zijn ziek. De buurman is aardig. De buurvrouw is blij. De cursisten zijn in het lokaal. De cursist is in Amsterdam. Jij en ik zijn vrienden. Jij en jij zijn vrouwen. Opa en oma zijn ziek. De docent is op school.
8 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest een vraag. Cursist B geeft antwoord. Klaar? Wissel van rol. 1
Ben
jij
op school?
Ja,
2
Bent
u
thuis?
Ja,
3
Is
hij
in de supermarkt?
Ja,
4
Is
zij
ziek?
Ja,
5
Zijn
wij
aardig?
Ja,
6
Zijn
jullie
moe?
Ja,
7
Zijn
zij
op school?
Ja,
LES 2 WIE IS HET?
23
Jij of u? jij je
voor kinderen voor jonge mensen voor mensen die je goed kent (familie, vrienden, collega’s)
Je gebruikt de voornaam: - Dag Ali, waar woon jij? - Dag Mina, wil je koffie?
u
voor oude mensen voor mensen die je niet goed kent voor mensen die je niet kent
Je gebruikt 'meneer' of 'mevrouw' en de achternaam: - Dag meneer Peters, wil u thee? - Dag mevrouw Hussein, bent u ziek?
9 Samen Jij of u? Praat samen. Wat zeg je in jouw land? Wat zeg je in Nederland? jouw land jij of u? 1
Je praat met je zoon.
2
Je praat met je man of vrouw.
3
Je praat met de buurvrouw. Zij is 80 jaar.
4
Je praat met je collega op het werk. Hij is 25 jaar.
5
Je praat met de buurman. Hij is 30 jaar.
6
Je praat met de directeur.
7
Je praat met je zus.
8
Je praat met een man van de gemeente.
24
GEREGELD SPREKEN
Nederland jij of u?
STAP 3: DOEN
10 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. De buitenkring stelt vragen aan de binnenkring. Klaar? Wissel van rol. de vraag
het antwoord
1
Wie ben jij?
2
Wie is de docent?
3
Wie zijn jullie?
4
Waar ben jij?
5
Waar is de docent?
6
Waar zijn jullie?
11 Dobbelsteen Werk in groepjes van drie of vier cursisten. Gooi de dobbelsteen. Maak een goede zin.
=
=
=
=
of
=
=
LES 2 WIE IS HET?
25
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
12 Wie is het? Kijk naar het plaatje. Maak een goede zin. Gebruik de spreekhulp.
1
2
3
1 bent
mevrouw Radi.
zijn
cursisten.
ga
naar de dokter.
maken
huiswerk.
is
een vrouw.
gaan
naar de stad.
bent
aardig.
spreekt
Nederlands.
2
3
4
5
6
7
8
26
GEREGELD SPREKEN
13 Schrijf het antwoord op
1
Ben
jij
op school?
Ja,
2
Bent
u
thuis?
Ja,
3
Is
hij
in de supermarkt?
Ja,
4
Is
zij
ziek?
Ja,
5
Zijn
wij
aardig?
Ja,
6
Zijn
jullie
moe?
Ja,
7
Zijn
zij
op school?
Ja,
14 Schrijf het antwoord op
de vraag 1
Wie ben jij?
2
Wie is de docent?
3
Wie zijn jullie?
4
Waar ben jij?
5
Waar is de docent?
6
Waar zijn jullie?
het antwoord
LES 2 WIE IS HET?
27
15 Jij of u? Wat zeg je in jouw land? Wat zeg je in Nederland? jouw land jij of u? 1
Je praat met je zoon.
2
Je praat met je man of vrouw.
3
Je praat met de buurvrouw. Zij is 80 jaar.
4
Je praat met je collega op het werk. Hij is 25 jaar.
5
Je praat met de buurman. Hij is 30 jaar.
6
Je praat met de directeur.
7
Je praat met je zus.
8
Je praat met een man van de gemeente.
28
GEREGELD SPREKEN
Nederland jij of u?
LES 3 1 2 3 A1 - Ik kan in korte 123-zinnen spreken.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
Ik 1
woon 2
in een klein huis. 3
zit 2
op de bank. 3
Ik 1
woon 2
De kat 1
zit 2
De kat 1
drie jaar 3
in een klein huis. 3
de hele dag 3
op de bank. 3
1 = mensen, dieren, dingen 2 = werkwoord 3 = extra informatie
1 Nazeggen Luister naar de docent. Hij leest zinnen voor en steekt vingers op. Zeg de zinnen na en steek het juiste aantal vingers op. Voorbeeld: Wij = 1 = de wijsvinger opsteken wonen = 2 = de middelvinger erbij twee jaar = 3 = de duim erbij in Amsterdam = nog een keer de drie vingers laten zien
LES 3 1 2 3
29
1
Wij
wonen
1 2
Wij
2 wonen
1 3
Mijn kinderen
Mijn kinderen
De koffie
De koffie
7
De hond
8
staat
staat
10
GEREGELD SPREKEN
op tafel.
3
3
vlees.
2
3 iedere dag
2
3
vlees.
3
op dinsdag.
2 is
1
30
nu
is
De les
3
2
1
3
op tafel.
eet
De les
op straat.
3
2
1 9
vandaag
eet
De hond
3
2
1
3
op straat.
spelen
1
in Amsterdam.
3
2
1 6
twee jaar
spelen
1 5
3
2
1 4
in Amsterdam.
3 op dinsdag
2
3
in Rotterdam.
3
2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de zinnen en gebruikt de vingers om de 1, de 2 en de 3 te laten zien. Cursist B kijkt of cursist A de juiste 123-vingers opsteekt. Wissel daarna van rol.
3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest een zin, cursist B kijkt niet in zijn boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
4 Puzzelen Maak groepjes van vier of vijf cursisten. De docent geeft ieder groepje een aantal A4’tjes: een met een 1, een met een 2, een met een 3. Zoek steeds de goede woorden bij je nummer. Maak samen zo veel mogelijk goede 1233-zinnen door in de juiste volgorde te gaan staan. De docent controleert de zinnen. Wissel na iedere zin van nummer. Presenteer de laatste zin aan de andere groep.
De dokter
in de winter
De koe
Wij
leggen
werkt
eten
binnen.
vis.
iedere week
iedere maandag
in de lente
staat
slaap
De vogels
in het ziekenhuis.
een ei.
op de bank.
Ik
vandaag
LES 3 1 2 3
31
5 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt vragen aan cursist B. Cursist B geeft antwoord in goede 123- of 1233-zinnen. Wissel daarna van rol. 1 Waar woon je? Ik
in ...
2 Hoeveel tassen heeft de docent? De docent
heeft
3 Wat drinkt zij in de pauze? Zij
drinkt
in ...
4 Hoeveel jaar woont hij in dit dorp? Hij
woont
in ...
5 Waar koopt je vader brood? Mijn vader
32
GEREGELD SPREKEN
koopt
in ...
6 Praatplaat Werk in tweetallen. Kijk naar de praatplaat Vol en bol. Zoek de goede 1, 2 en 3 bij elkaar.
Voorbeeld: De familie is in de kamer.
De familie
slaapt
aan de muur.
De grote man
ligt
op tafel.
De klok
eet
in de kamer.
De peuter
staat
taart.
De vrouw
kijkt
televisie.
Het meisje
hangt
rode wijn.
De jonge man
drinkt
op de grond.
De koffie
is
op de laptop.
De dikke man
werkt
in de stoel.
LES 3 1 2 3
33
STAP 3: DOEN
7 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. De binnenkring stelt de vraag. De buitenkring geeft antwoord en steekt de vingers op bij de 1, 2 en 3. Wissel daarna van rol. Binnenkring
1
Hoe oud ben jij?
2
In welke stad of welk dorp woon jij?
3
Hoeveel kamers heeft jouw huis?
4
Uit welk land kom jij?
5
Wat eet jij vandaag?
34
GEREGELD SPREKEN
Buitenkring
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
8 Schrijf de zinnen op bij de 1, 2 en 3 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
1
Wij wonen in Amsterdam. Wij wonen twee jaar in Amsterdam. Mijn kinderen spelen op straat. Mijn kinderen spelen vandaag op straat. De koffie staat op tafel. De koffie staat nu op tafel. De hond eet vlees. De hond eet iedere dag vlees. De les is op dinsdag. De les is op dinsdag in Rotterdam.
Wij
wonen
in Amsterdam.
2 3 4 5 6 7 8 9 10
LES 3 1 2 3
35
9 Maak vijf goede 1233-zinnen met de woorden
De dokter
in de winter
De koe
Wij
leggen
werkt
eten
binnen.
vis.
iedere week
iedere maandag
in de lente
staat
slaap
De vogels
in het ziekenhuis.
een ei.
op de bank.
Ik
vandaag
1 2 3 4 5
10 Schrijf een goede 123- of 1233-zin
1
Hoe oud ben jij?
2
In welke stad of welk dorp woon jij?
3
Hoeveel kamers heeft jouw huis?
4
Uit welk land kom jij?
5
Wat eet jij vandaag?
36
GEREGELD SPREKEN
LES 4 3 2 1 A1 - Ik kan in korte 321- of 3213-zinnen spreken.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
Ik 1
werk 2
vandaag 3
in Alkmaar. 3
Wij 1
eten 2
vanavond 3
kip. 3
Vandaag 3
Vanavond 3
werk 2
eten 2
ik 1
in Alkmaar. 3
we 1
kip. 3
1 Nazeggen De docent leest de zinnen voor en steekt het juiste aantal vingers op. Zeg de zinnen na en doe mee met je vingers. 1
In Amsterdam
wonen
wij
twee jaar.
2
Vandaag
spelen
mijn kinderen
op straat.
LES 4 3 2 1
37
3
Nu
staat
de koffie
op tafel.
4
Iedere dag
eet
de hond
vlees.
5
Op dinsdag
is
de les
in Rotterdam.
2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de zinnen en gebruikt de vingers om de 1, de 2 en de 3 te laten zien. Cursist B kijkt of cursist A de juiste 123-vingers opsteekt. Wissel daarna van rol.
3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, cursist B kijkt niet in zijn boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
4 Puzzelen Maak groepjes van vier of vijf cursisten. De docent geeft ieder groepje een aantal A4’tjes: een met een 1, een met een 2, een met een 3. Zoek steeds de goede woorden bij je nummer.
38
GEREGELD SPREKEN
Maak samen zo veel mogelijk goede 3213-zinnen door in de juiste volgorde te gaan staan. De docent controleert de zinnen. Wissel na iedere zin van nummer. Presenteer de laatste zin aan de andere groep. de kinderen
met de auto
rijdt
Snel
ik
spelen
wil
de bus
Met mijn mobiel
naar de kapper.
In de vakantie
naar het station.
met de bal.
mijn zus
Vandaag
bel
gaat
naar Utrecht.
hij
Morgen
5 Loop! Rechts in het lokaal is 1 2 3. Links in het lokaal is 3 2 1. In het midden: de zin is fout. De docent leest een zin uit deze les voor. Is het een 123- of een 321-zin of is de zin fout? Loop zo snel mogelijk naar de juiste kant van het lokaal.
STAP 3: DOEN
6 Met de bal Ga in de kring staan. De docent heeft de bal. Op het bord staan vragen. Geef antwoord in een 321-zin als je de bal krijgt. Oefen daarna in tweetallen. 1 2 3 4 5 6 7 8
Hoelang woon je in Nederland? Wat eet je vandaag? Hoe ga jij naar school? Wanneer doe je examen? Hoe laat is de pauze? Hoeveel boeken heb jij in huis? Wanneer pin jij 100 euro? Wat drink jij ’s morgens?
LES 4 3 2 1
39
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
7 Schrijf de zinnen in het schema 1 2 3 4 5
In Amsterdam wonen wij twee jaar. Vandaag spelen mijn kinderen op straat. Nu staat de koffie op tafel. Iedere dag eet de hond vlees. Op dinsdag is de les in Rotterdam.
3
2
1
3
1 2 3 4 5
8 Puzzelen Maak vijf goede 3213-zinnen met onderstaande woorden.
40
de kinderen
met de auto
rijdt
Snel
ik
spelen
wil
de bus
Met mijn mobiel
naar de kapper.
In de vakantie
naar het station.
met de bal.
mijn zus
Vandaag
bel
gaat
naar Utrecht.
hij
Morgen
GEREGELD SPREKEN
3
2
1
3
1
3
1 2 3 4 5
9 Schrijf een goede 321- of 3213-zin 1 2 3 4 5 6 7 8
Hoelang woon je in Nederland? Wat eet je vandaag? Hoe ga jij naar school? Wanneer doe je examen? Hoe laat is de pauze? Hoeveel boeken heb jij in huis? Wanneer pin jij 100 euro? Wat drink jij ’s morgens?
3
2
1 2 3 4 5 6 7 8
LES 4 3 2 1
41
LES 5 DOE-WOORDEN A1 - Ik kan de doe-woorden bij ik, jij, hij, zij, u, wij, jullie en zij goed gebruiken.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
ik drink
wij / we drinken
hij drinkt zij / ze drinkt
zij / ze drinken
jij drinkt jullie drinken u drinkt
Let op: drink jij / je
1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na.
1
2
3
1
Ik Jij
kijk kijkt
tv.
2
Ik Jij
drink drinkt
koffie.
3
Ik U
werk werkt
in de supermarkt.
4
Ik Hij
zoek zoekt
de telefoon.
42
GEREGELD SPREKEN
5
Ik Zij
lig ligt
in bed.
6
De vrouw
ligt
in bed.
7
Ik Wij
luister luisteren
naar muziek.
8
Ik Jullie
roep roepen
het kind.
9
Ik Zij
rijd rijden
auto.
3 10
Op zaterdag Op maandag Op zondag
2 werk werk werken
1 ik jij wij
3 in de winkel. op de markt. niet.
2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest een zin. Daarna leest cursist B een zin. Help elkaar om het goed te zeggen.
3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, cursist B kijkt niet in het boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.
LES 5 DOE-WOORDEN
43
STAP 2: OEFENEN
4 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A maakt een goede 123-zin. Daarna maakt cursist B een goede 123-zin. Kies uit deze doe-woorden: drinken – lig – rijden – rijd – drink – luisteren – drinkt – liggen – rijdt – ligt.
1
2
3
1
Jij
bier.
2
Mijn zus
in het ziekenhuis.
3
Wij
water.
4
Ik
melk.
5
Ik
in bed.
6
De man en de vrouw
in de bus.
7
De jongens
naar muziek.
8
Wij
in bed.
9
Hij
in een nieuwe auto.
10
Ik
op de fiets.
5 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest een zin. Cursist B zet de 2 in het meervoud. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Cursist A zegt de zin, cursist B maakt het meervoud met de ogen dicht.
44
GEREGELD SPREKEN
1
2
3
1
2
3
werken
in Amsterdam.
1
Ik
werk
in Amsterdam.
Wij
2
Het kind
huilt
veel.
De kinderen
veel.
3
Mijn broer
rijdt
auto.
Mijn broers
auto.
4
Jij
komt
uit Eritrea.
Jullie
uit Eritrea.
5
Zij
werkt
in Amsterdam.
Zij
in Amsterdam.
6
Hij
zoekt
het station.
Zij
het station.
7
De man
zingt
een lied.
De mannen
een lied.
8
Jij
werkt
op de laptop.
Jullie
op de laptop.
9
Ik
wacht op de bus.
Wij
op de bus.
10
Het boek
ligt
De boeken
op tafel.
op tafel.
6 Puzzelen Maak groepjes van drie cursisten. De docent geeft ieder groepje een aantal A4’tjes: een met een 1, een met een 2, een met een 3. De groepjes maken met elkaar een goede 123-zin met de woorden die hieronder staan. Presenteer de zin aan de andere groepen. Doe het nog een keer. Iedere cursist krijgt nu een ander nummer.
1
2
3 op de laptop. bier.
Ik, Jij, U, Mijn moeder De cursist Wij Jullie De vrouwen
woon, woont, wonen kijk, kijkt, kijken drink, drinkt, drinken zoek, zoekt, zoeken
het station. in een supermarkt. in Engeland. in Spanje. thee. koffie.
LES 5 DOE-WOORDEN
45
7 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A maakt een goede 3213-zin. Daarna maakt cursist B een goede 3213-zin. Gaat het goed? Maak dan van de 3213-zin een 1233-zin. Kies uit deze doe-woorden: werkt – drinken – drink – luistert – werk – drinkt – werken – luister – drink – werkt.
3
2
1
3
1
Nu
hij
naar muziek.
2
In de pauze
de cursist
koffie.
3
Op zondag
wij
niet.
4
In de pauze
ik
thee.
5
In de klas
jij
naar de docent.
6
Op zondag
de docent
niet.
7
In de pauze
jij
thee.
8
Op zondag
u
niet.
9
Op zondag
jij
niet.
10
In de pauze
de cursisten
water.
8 Puzzelen Maak groepjes van vier cursisten. De docent geeft ieder groepje een aantal A4’tjes: een met een 1, een met een 2 en twee met een 3. De groepjes maken met elkaar een goede 321-zin of een goede 3213-zin met de woorden die hieronder staan. Presenteer de zin aan de andere groepen. Doe het nog een keer. Iedere cursist krijgt nu een ander nummer.
46
GEREGELD SPREKEN
op zondag
hij
werk
jij
de man
om vier uur
naar Londen
kijken
luistert
een film
werkt
de vrouwen
luister
het vliegtuig
jullie
kijk
vliegt
werken
wij
hij
in de klas
kijkt
naar de docent
vliegen
tv
op maandag
luister
ik
vlieg
in de supermarkt
9 Praatplaat Werk met de hele groep. Wijs de woorden aan op de praatplaat Dames en heren. de rugzak de gele trui het meisje de oude man de oude vrouw de man de vrouw het perron de hond het horloge de paraplu de rollator de stok de koffer
LES 5 DOE-WOORDEN
47
10 Samen Werk in tweetallen. Maak goede zinnen bij de praatplaat Dames en heren. Kies uit deze doe-woorden: maken – hebben – lezen – kijken – sturen – liggen – zijn – zitten – luisteren – komen – wachten – gaan – drinken. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17
Het meisje met de rugzak … een foto. Het meisje in de gele trui … geen mobieltje. De hond … op het perron. De mevrouw … op haar horloge. De man … een paraplu in zijn hand. De oude mevrouw … een rollator. De oude man … een stok. De man … een appje. De vrouw … een appje naar haar vriend. De man … op zijn koffer. De dames … een mobieltje. De trein … laat. Ik … om zes uur thuis. De trein … om half zes. Ik … een kop koffie op het station. De mensen … op de trein. De man … naar muziek.
STAP 3: DOEN
11 Dobbelsteen Maak groepjes van drie cursisten. Gooi de dobbelsteen. Hoeveel gooi je? Maak een goed doe-woord. Voorbeeld: Ik gooi 3. Ik zeg: ‘Hij luistert.’ Gaat het goed? Maak dan een 123-zin of een 1233-zin.
48
GEREGELD SPREKEN
= ik
= u
= jij
= wij (jullie / zij)
= hij / zij
= jij
a luisteren b zoeken c kijken d drinken e huilen
f rijden g zingen h wachten i vliegen j werken
12 Wat doe ik, jij en wij? Werk in groepjes van drie cursisten. Je krijgt een paar voorwerpen van je docent. Bijvoorbeeld: een glas, een pen, een bal, een boek, een lepel, enzovoort. Bedenk zelf dingen die je met de voorwerpen kunt doen. Maak zinnen. Voorbeeld bij het glas: Cursist A drinkt water. Cursist B zegt: ‘Jij drinkt water.’ Cursist A zegt: ‘Ja, ik drink water.’ Cursist C zegt: ‘Wij drinken water.’
13 Vragen aan elkaar: wat doe jij? Werk in groepjes van drie cursisten. Stel de vragen aan elkaar. Voorbeeld: Cursist A vraagt: ‘Wat doe jij op zondag?’ Cursist B zegt: ‘Ik kijk tv. En wat doe jij op zondag?’ Cursist C zegt: ‘Ik …’ Wat doe jij op zaterdag? Wat doe jij op maandag? Wat doe jij ’s avonds? Wat doe jij in de vakantie?
LES 5 DOE-WOORDEN
49
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
14 Schrijf een 2 op
1
2
drinkt
3
1
Jij
bier.
2
Wij
op de bus.
3
Ik
in bed.
4
De docent
op woensdag.
5
De jongen en het meisje
naar muziek.
6
Jullie
water.
7
Ik
in een mooie auto.
8
Jij
tv.
9
De kinderen
in bed.
10
De cursisten
tv.
15 Maak goede 123-zinnen
op zondag
hij
werk
jij
de man
om vier uur
naar Londen
kijken
luistert
een film
werkt
de vrouwen
luister
het vliegtuig
jullie
kijk
vliegt
werken
wij
hij
in de klas
kijkt
naar de docent
vliegen
tv
op maandag
luister
ik
vlieg
in de supermarkt
50
GEREGELD SPREKEN
123
Ik vlieg naar Londen. 1 2 3 4 5 6 7 8
LES 5 DOE-WOORDEN
51
LES 6 OP, IN, VOOR, NAAST, ACHTER, TUSSEN, ONDER A1 - Ik kan vertellen waar iets of iemand ligt, staat of zit.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
Hij staat in de doos.
Hij staat achter de doos.
Hij staat voor de doos.
Hij staat naast de doos.
Hij staat tussen de dozen.
Hij ligt onder de doos.
52
GEREGELD SPREKEN
Hij zit op de doos.
1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na.
1
2
3
1
De cursist
zit
in het lokaal.
2
De docent
staat
voor het bord.
3
De pen
ligt
tussen het boek en de map.
4
De cursist
staat
achter de stoel.
5
De pen
ligt
naast het boek.
6
De cursist
zit
op de bank.
7
De pen
ligt
onder de tafel.
2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest zin 1. Daarna leest cursist B zin 2. Help elkaar om het goed te zeggen.
3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, cursist B kijkt niet in het boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
4 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B geeft antwoord. Cursist B kiest uit: op – in – naast – tussen – achter – onder – voor. Klaar? Wissel van rol. LES 6 OP, IN, VOOR, NAAST, ACHTER, TUSSEN, ONDER
53
1
Waar ligt de map?
De map ligt … de tafel.
2
Waar staat de docent?
De docent staat … het bord.
3
Waar liggen de boeken?
De boeken liggen … de kast.
4
Waar zitten de kinderen?
De kinderen zitten … vader en moeder.
5
Waar staan de fietsen?
De fietsen staan … het huis.
6
Waar zit Ali?
Ali zit … Ahmad.
7
Waar ligt de hond?
De hond ligt … de stoel.
5 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B geeft antwoord. Kies uit: lig – ligt – liggen – zit – zitten – sta – staat – staan. Klaar? Wissel van rol. 1
Waar … de tafels?
De tafels … in / op het lokaal.
2
Waar … de bal?
De bal … voor / achter de stoel.
3
Waar … de docent?
De docent … in / voor het bord.
4
Waar … de cursisten?
De cursisten … tussen / op een stoel.
5
Waar … de pennen?
De pennen … tussen / naast het boek en de map.
6
Waar … jij?
Ik … op / in bed.
7
Waar … het meisje?
Het meisje … op / tussen een stoel.
8
Waar … jij?
Ik … naast / in het raam.
9
Waar … mijn schoenen?
Mijn schoenen … onder / op het raam.
54
GEREGELD SPREKEN
6 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B geeft antwoord. Kies uit: op – in – naast – tussen – onder – achter – voor. 1
Waar ligt de gum?
De gum ligt …
2
Waar zit de jongen?
De jongen zit … en …
3
Waar staat de auto?
De auto staat …
4
Waar staan de stoelen?
De stoelen staan …
5
Waar zit jij?
Ik zit …
6
Waar ligt de bal?
De bal ligt …
7
Waar ligt mijn pen?
De pen ligt …
7 Puzzelen Werk in drietallen. De docent geeft ieder groepje een aantal A4’tjes: een met een 1, een met een 2, een met een 3. De groepjes maken met elkaar een goede 123-zin met de woorden die hieronder staan. Presenteer de zin aan de andere groepen. Doe het daarna nog een keer. Iedere cursist krijgt nu een ander nummer.
1 Wij Jij De pennen Het meisje De cursisten
3
2
naast het raam. ligt zitten staat staan zit
tussen de ramen. achter de stoel. op de stoel. voor het bord.
De bal
op de stoel.
De tafel
voor het huis.
De koffie
tussen het boek en de map. in het lokaal. LES 6 OP, IN, VOOR, NAAST, ACHTER, TUSSEN, ONDER
55
STAP 3: DOEN
8 Waar is mijn mobiel? Werk in tweetallen. Cursist A geeft zijn mobiel, zijn tas en zijn pen aan cursist B. Cursist B legt de drie dingen ergens in het lokaal. Cursist A vraagt: ‘Waar is mijn mobiel?’ Cursist B geeft het goede antwoord. Wissel daarna van rol.
9 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. De buitenkring stelt vragen over de groep aan de binnenkring. Klaar? Wissel van rol.
Waar 2 1? Waar is de gum? 1
Waar is de pen?
2
Waar zijn de kopjes?
3
Waar zijn de cursisten?
4
Waar zijn de boeken?
5
Waar is je mobiel?
6
Waar ben jij?
56
GEREGELD SPREKEN
123 De gum ligt op tafel.
10 Praatplaat Werk in tweetallen. Kijk naar de praatplaat Doe mij maar eh… Maak zes goede 123-zinnen. Gebruik deze woorden: op – in – naast – achter – onder – voor – tussen. En: zit / zitten – staat / staan – ligt / liggen. Voorbeeld: De hond zit voor de man.
11 Klassenfoto De docent gaat een klassenfoto maken. Hij zegt: ‘Cursist 1, wil jij op de stoel gaan zitten, alsjeblieft.’ Cursist 1 gaat op de stoel zitten. Hij zegt: ‘Cursist 2, wil jij achter cursist 1 gaan staan, alsjeblieft.’ Cursist 2 gaat achter cursist 1 staan. Enzovoort. De docent maakt een foto met zijn mobiel en stuurt die naar alle cursisten. Vertel elkaar nu in groepjes waar iedereen op de foto zit of staat. Voorbeeld: Cursist 1 zit op de stoel. Cursist 2 staat achter de stoel. Enzovoort.
LES 6 OP, IN, VOOR, NAAST, ACHTER, TUSSEN, ONDER
57
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
12 Maak de zinnen af Waar is het? Gebruik de woorden: op – in – naast – achter – voor – tussen.
123 1
Waar ligt de map?
De map ligt
de tafel.
2
Waar staat de docent?
De docent staat
het bord.
3
Waar liggen de boeken?
De boeken liggen
de kast.
4
Waar zitten de kinderen?
De kinderen zitten
vader en moeder.
5
Waar staan de fietsen?
De fietsen staan
het huis.
6
Waar zit Ali?
Ali zit
Ahmed.
13 Schrijf acht goede 123-zinnen
1
2
Wij
3 naast het raam.
Jij De pennen Het meisje De cursisten
ligt zitten staat staan zit
tussen de ramen. achter de stoel. op de stoel. voor het bord.
De bal
op de stoel.
De tafel
voor het huis.
De koffie
tussen het boek en de map. in het lokaal.
58
GEREGELD SPREKEN
123
Ik zit op de stoel. 1 2 3 4 5 6 7 8
14 Praatplaat Kijk nog een keer naar de praatplaat bij oefening 10. Maak zes goede 123-zinnen. Gebruik de woorden: op – in – naast – achter – onder – voor – tussen. En: zit / zitten – staat / staan – ligt / liggen.
123
De man zit op de bank. 1 2 3 4 5 6
LES 6 OP, IN, VOOR, NAAST, ACHTER, TUSSEN, ONDER
59
LES 7 IK HEB, JIJ HEBT, ZIJ HEEFT A1 - Ik kan het werkwoord hebben goed gebruiken.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
hebben
ik heb
wij / we hebben
hij heeft zij / ze heeft
zij / ze hebben
jij / je hebt u heeft
jullie hebben
Let op: heb jij / je
1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na.
1
2
3
1
Ik
heb
een groot huis.
2
Jij / je
hebt
een afspraak.
3
U
heeft
een boek.
4
Hij
heeft
een mooie auto.
5
Zij / ze
heeft
twee zussen.
60
GEREGELD SPREKEN
6
Wij / we
hebben
veel huiswerk.
7
Jullie
hebben
zwart haar.
8
Zij / ze
hebben
een mobiel.
Let op: Op maandag heb jij een afspraak. Heb jij vandaag een afspraak?
2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest zin 1. Daarna leest cursist B zin 2. Help elkaar om het goed te zeggen.
3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, cursist B kijkt niet in het boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
4 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A maakt een goede 123-zin. Daarna maakt cursist B een goede 123-zin. Kies een goede 2. Kies uit deze doe-woorden: heb – hebt – heeft – hebben.
1
2
3
1
Mijn zus
een tuin.
2
De cursisten
twee boeken.
3
Ik
een afspraak.
4
De kinderen
een rode bal.
LES 7 IK HEB, JIJ HEBT, ZIJ HEEFT
61
5
Jij
een blauwe rok.
6
Mijn vader
een fiets.
7
Jullie
een klein huis.
8
U
veel pennen.
9
Wij
een witte tas.
5 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A maakt een goede 123-zin. Daarna maakt cursist B een goede 123-zin. Bedenk een goede 1.
1
2
3
1
hebben
een ID-kaart.
2
heb
een opa en een oma.
3
heeft
een mooie jas.
4
hebt
twee docenten.
5
hebben
een zoon.
6
heeft
een laptop.
7
hebt
huiswerk.
62
GEREGELD SPREKEN
6 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest een zin. Cursist B zet de 2 in het meervoud. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Doe het nu andersom: cursist B leest het meervoud, cursist A maakt het enkelvoud. Kies uit deze doe-woorden: heb – hebt – heeft – hebben.
1
2
3
1
2
3
1
Ik
een zoon.
Wij
een zoon.
2
Het kind
een bal.
De kinderen
een bal.
3
Mijn broer
twee telefoons.
Mijn broers
twee telefoons.
4
Jij
drie slaapkamers.
Jullie
drie slaapkamers.
5
De cursist
een laptop.
De cursisten
een laptop.
6
De buurvrouw
een grote auto.
De buurvrouwen
een grote auto.
7
De man
een bril.
De mannen
een bril.
8
Jij
blauwe ogen.
Jullie
blauwe ogen.
7 Puzzelen Werk in drietallen. De docent geeft ieder groepje een aantal A4’tjes: een met een 1, een met een 2, een met een 3. De groepjes maken met elkaar een goede 123-zin met de woorden die hieronder staan. Presenteer de zin aan de andere groepen. Doe het nog een keer. Iedere cursist krijgt nu een ander nummer.
LES 7 IK HEB, JIJ HEBT, ZIJ HEEFT
63
ik
vakantie
zij
een fiets
wij
drie kinderen
de cursisten
een bril
een afspraak
hebt
hij
hoofdpijn
een tas
jij
veel boeken
een mobiel
een auto
heb
10 euro
een klein huis
heeft
jullie
een gum
de docent
twee dochters
de vrouw
een laptop
een zwarte broek
een boek
hebben
8 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. De binnenkring leest de vragen. De buitenkring geeft antwoord met: ‘Ja, …’ vraag
antwoord
1
Heeft hij een auto?
Ja, hij heeft een auto.
2
Hebben zij veel huiswerk?
Ja, zij …
3
Heb jij Nederlandse les?
Ja, ik …
4
Heeft u een laptop?
Ja, ik …
5
Hebben jullie een boek?
Ja, wij …
6
Heeft zij hoofdpijn?
Ja, zij …
7
Hebben jullie les?
Ja, wij …
64
GEREGELD SPREKEN
STAP 3: DOEN
9 Met de bal Ga met de hele groep in een kring staan. Op het bord staat:
1
2
3
ik jullie mijn broer wij de buren jij de kinderen de cursist de docent de meisjes het meisje de vader en moeder
heb hebt heeft hebben
?
De docent gooit de bal naar cursist A en kiest een 1. Cursist A kiest een goede 2. Cursist A gooit de bal naar cursist B. Cursist B bedenkt een 3. Cursist B gooit de bal naar cursist C en kiest een nieuwe 1.
10 Vertel en luister Werk in tweetallen. Vertel aan elkaar in drie zinnen wat je hebt. Voorbeeld: (thuis) Ik heb een auto. (familie) Ik heb een dochter. (bij de dokter) Ik heb pijn in mijn voet.
LES 7 IK HEB, JIJ HEBT, ZIJ HEEFT
65
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
11 Maak de zinnen af Schrijf een 2 op. Kies uit deze doe-woorden: heb – hebt – heeft – hebben.
1
2
3
1
Mijn zus
een tuin.
2
De cursisten
twee boeken.
3
Ik
een afspraak.
4
De kinderen
een rode bal.
5
Jij
een blauwe rok.
6
Mijn vader
een fiets.
7
Jullie
een klein huis.
8
U
veel pennen.
9
Wij
een witte tas.
66
GEREGELD SPREKEN
12 Schrijf acht goede 123-zinnen
ik
vakantie
zij
een fiets
wij
drie kinderen
de cursisten
een bril
een afspraak
hebt
hij
hoofdpijn
een tas
jij
veel boeken
een mobiel
een auto
heb
10 euro
een klein huis
heeft
jullie
een gum
de docent
twee dochters
de vrouw
een laptop
een zwarte broek
een boek
hebben
123
Jullie hebben een boek. 1 2 3 4 5 6
LES 7 IK HEB, JIJ HEBT, ZIJ HEEFT
67
LES 8 EEN VROUW, MEER VROUWEN A1 - Ik kan het meervoud maken van personen en dingen.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
enkelvoud meervoud 1 stoel 5 stoelen 1 hond 3 honden
1 1 1 1 1
meisje 4 meisjes tafel 6 tafels jongen 2 jongens vinger 10 vingers vakantie 4 vakanties
1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na. 1
De stoel staat in het lokaal.
De stoelen staan in het lokaal.
2
De hond loopt in het park.
De honden lopen in het park.
3
Het meisje drinkt water.
De meisjes drinken water.
4
De tafel staat in de kamer.
De tafels staan in de kamer.
5
De jongen luistert naar muziek.
De jongens luisteren naar muziek.
6
Mijn vinger doet pijn.
Mijn vingers doen pijn.
7
De vakantie begint morgen.
De vakanties beginnen morgen.
68
GEREGELD SPREKEN
2 Samen Cursist A leest zin 1. Daarna leest cursist B zin 2. Help elkaar om het goed te zeggen. 3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, cursist B kijkt niet in het boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
4 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest een zin. Cursist B maakt het meervoud. Wissel daarna van rol. 1
De buurman heeft een hond.
De buurman heeft twee …
2
Mijn huis heeft een kamer.
Mijn huis heeft drie …
3
De a is een letter.
De a en b zijn …
4
Ik eet een appel.
Ik eet twee …
5
De bushalte is ver.
De … zijn ver.
6
De lepel ligt in de keuken.
De … liggen in de keuken.
7
De bank staat in de kamer.
De … staan in de kamer.
8
Het meisje ligt in bed.
De … liggen in bed.
LES 8 EEN VROUW, MEER VROUWEN
69
5 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest een zin. Cursist B zet de zin in het enkelvoud. Wissel daarna van rol. 1
De vrouwen werken bij de gemeente.
De vrouw werkt bij de gemeente.
2
De docenten zijn op school.
De … is op school.
3
De boeken liggen op tafel.
Het … ligt op tafel.
4
De vaders rijden op een fiets.
De … rijdt op een fiets.
5
De moeders rijden in een auto.
De … rijdt in een auto.
6
De tafels staan in het lokaal.
De …
7
De jongens luisteren naar muziek.
De …
8
De meisjes werken tot twee uur.
Het …
9
De letters zijn moeilijk.
De …
10
De kopjes staan op tafel.
Het …
Let op! Deze woorden zijn anders: kind – kinderen ei – eieren glas – glazen dag – dagen stad – steden koe – koeien oom – ooms broer – broers
70
GEREGELD SPREKEN
6 Puzzelen Werk in drietallen. Zoek uit: hoeveel woorden krijgen -en en hoeveel krijgen -s? het kopje de tafel de familie de bakker de stad de krant het boek het kind de nagel de vrouw de pauze
de slager het koekje het papier de mens de vinger de voet de koe de arm de broer de hand de fiets
de moeder het glas het bord de vader de pincode de dag de oom het woord de winkel de keuken het ei
7 Tempo De docent leest in snel tempo de woorden voor. De cursisten staan in de kring. Alle cursisten geven snel het meervoud.
STAP 3: DOEN
8 Samen Werk in tweetallen. Cursist A kiest een woord en maakt een vraag met: Hoeveel? Cursist B geeft antwoord. Voorbeeld: Cursist A: ‘Hoeveel buiken heb jij?’ Cursist B: ‘Ik heb één buik.’ Wissel daarna van rol.
LES 8 EEN VROUW, MEER VROUWEN
71
hand
docent
oom
buik
voet
boek
kamer
schouder
arm
moeder
kopje
sleutel
hoofd
glas
vinger
pincode
kind
tand
keuken
vakantie
9 Praatplaat Kijk naar de praatplaat Vol en bol. Wat zie je? Maak goede 123-zinnen. Gebruik deze woorden: stoel – plant – tafel – bank – vrouw – jongen – dikke buik – kopje – lamp – broek – boek – vinger – schoen – koekje – dochter. Voorbeeld: Ik zie twee planten.
72
GEREGELD SPREKEN
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
10 Maak de zinnen af Schrijf het meervoud op. 1
De buurman heeft een hond. De buurman heeft twee ...
2
Mijn huis heeft een kamer.
Mijn huis heeft drie ...
3
De a is een letter.
De a en b zijn ...
4
Ik eet een appel.
Ik eet twee ...
5
De bushalte is ver.
De ... zijn ver.
6
De lepel ligt in de keuken.
De ... liggen in de keuken.
7
De bank staat in de kamer.
De ... staan in de kamer.
8
Het meisje ligt in bed.
De ... liggen in bed.
honden
11 Maak de zinnen af Schrijf het enkelvoud op. Zet de 1 en de 2 in het enkelvoud. 1
De vrouwen werken bij de gemeente.
De vrouw
werkt
2
De docenten zijn op school.
De is op school.
3
De boeken liggen op tafel.
Het ligt op tafel.
4
De vaders rijden op een fiets.
De
5
De moeders rijden in een auto.
De rijdt in een auto.
6
De tafels staan in het lokaal.
De
7
De jongens luisteren naar muziek.
De
8
De meisjes werken tot twee uur.
Het
9
De letters zijn moeilijk.
De
10
De kopjes staan op tafel.
Het
bij de gemeente.
rijdt op een fiets.
LES 8 EEN VROUW, MEER VROUWEN
73
12 Praatplaat Kijk naar de praatplaat Vol en bol. Wat zie je? Schrijf tien goede 123-zinnen. Kies uit deze woorden: stoel – plant – tafel – bank – vrouw – jongen – dikke buik – kopje – lamp – broek – boek – vinger – schoen – koekje – dochter.
1
Ik 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
74
GEREGELD SPREKEN
2
zie
3
twee planten.
LES 9 EEN VRAAG MAKEN A1 - Ik kan een vraag maken.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
de zin de vraag
Het meisje slaapt. Slaapt het meisje? 1 2 2 1
De man kookt rijst. Kookt de man rijst? 1 2 3 2 1 3
1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na. Hoor je de vraag? de zin.
1
2
de vraag?
3.
2
1
3?
1
Hij
koopt
een auto.
Koopt
hij
een auto?
2
Mijn zus
woont
in een dorp.
Woont
mijn zus
in een dorp?
3
De vrouwen
werken
in Amsterdam.
Werken de vrouwen in Amsterdam?
4
Jij
eet
brood met kaas.
Eet
jij
brood met kaas?
5
Jullie
kijken
naar de film.
Kijken
jullie
naar de film?
LES 9 EEN VRAAG MAKEN
75
2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de zin. Daarna leest cursist B de vraag. Help elkaar om het goed te zeggen.
3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, B kijkt niet in zijn boek en maakt de vraag. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
4 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de zin. Cursist B maakt de vraag. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Cursist A zegt de zin, cursist B maakt de vraag met de ogen dicht.
1 2 3.
2 1 3?
1
De jongen fietst naar school.
Fietst de jongen naar school?
2
De kinderen eten rijst.
Eten de kinderen rijst?
3
Het meisje leert de woorden.
Leert
?
4
De man loopt op straat.
Loopt
?
5
De dokter schrijft een brief.
Schrijft
?
6
Zijn vrienden drinken bier.
Drinken
?
7
De cursisten lezen het boek.
Lezen
?
8
Mijn broers kijken naar de film.
Kijken
?
9
Deze vrouwen zijn zussen.
Zijn
?
10
De man gaat naar een feest.
Gaat
?
76
GEREGELD SPREKEN
5 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de zin, cursist B maakt een vraag. Wissel daarna van rol.
1 2 3.
2 1 3?
1
Hij koopt een brood.
2
Jouw buurman heeft een nieuwe auto.
3
Jouw dochter koopt een broek.
4
Hij gaat zijn examen halen.
5
Haar dochter gaat haar rijbewijs halen.
6
Haar tante gaat kip met rijst maken.
7
De cursist kijkt op zijn mobiel.
8
Mijn vriendin schrijft op het bord.
9
Zijn moeder loopt naar het station.
10
De jongens luisteren naar muziek.
6 Heen en weer Werk in tweetallen. Kijk goed naar de 1. Bedenk samen een 2.
2 Ga
1
3
3
ik
vanavond
naar mijn familie?
1
hij
vandaag
een boek?
2
zij
haar woorden
goed?
3
ik
jouw pen
vandaag?
4
u
nu
een broodje?
5
wij
om zeven uur
naar de televisie?
LES 9 EEN VRAAG MAKEN
77
6
zij
met hun vrienden
op de bank?
7
jullie
kip
op de markt?
8
ik
een e-mail
aan mijn baas?
9
jullie
een woning
in Utrecht?
10
jij
’s avonds
naar huis?
7 Puzzelen Maak groepjes van vier of vijf cursisten. De docent geeft ieder groepje een aantal A4’tjes: een met een 1, een met een 2, een met een vraagteken en twee met een 3. De groepjes maken met elkaar drie vragen met de woorden die hieronder staan. Presenteer de laatste vraag aan de andere groep. Doe het nog een keer. Iedere cursist krijgt nu een ander nummer.
78
gaat
wij
iedere dag
eten
een broodje
vanavond
mag
jouw broer
ik
aan zijn moeder
jij
rijst met kip
schrijft
morgen
slaap
een mooie brief
om half acht
naar de film
vragen
aan de docent
de cursisten
hij
iets
over de toets
misschien
?
?
?
?
?
GEREGELD SPREKEN
8 Dobbelsteen De docent schrijft 213? en de volgende woorden op het bord: = koop jij ?
= loop jij ?
= drink jij ?
= lees jij ?
= eet jij ?
= betaal jij ?
De docent gooit de dobbelsteen en maakt met de woorden een goede vraag. Gooi de dobbelsteen daarna om de beurt en maak ook een goede vraag. Als iedereen het goed kan, kunnen de vragen langer worden met extra 3’en.
9 Praatplaat Bekijk de praatplaat Familie aan de lijn. Maak met de werkwoorden goede vragen bij de praatplaat. Begin met de 2. Kies uit: slaapt – kijkt – belt – drinkt – eet – ligt – rookt – luistert – zapt – staat. Voorbeeld: kijkt – Kijkt de vrouw blij?
LES 9 EEN VRAAG MAKEN
79
STAP 3: DOEN
10 Samen Werk in drietallen. Bedenk drie 2133-vragen voor de docent. Ga daarna allemaal in de kring zitten. Iedereen stelt één vraag aan de docent. De docent geeft antwoord.
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
11 Hardop zeggen Lees onderstaande zinnen en vragen hardop. Spreek ze in op je mobiel. Luister daarna naar jezelf. de zin.
1
2
de vraag?
3.
2
1
3?
1
Hij
koopt
een auto.
Koopt
hij
een auto?
2
Mijn zus
woont
in een dorp.
Woont
mijn zus
in een dorp?
3
De vrouwen
werken
in Amsterdam.
Werken de vrouwen in Amsterdam?
4
Jij
eet
brood met kaas.
Eet
jij
brood met kaas?
5
Jullie
kijken
naar de film.
Kijken
jullie
naar de film?
80
GEREGELD SPREKEN
12 Schrijf de vraag op
1 2 3. 1
De jongen fietst naar school.
2
De kinderen eten rijst.
3
Het meisje leert de woorden.
4
De man loopt op straat.
5
De dokter schrijft een brief.
6
Zijn vrienden drinken bier.
7
De cursisten lezen het boek.
8
De broers kijken naar de film.
9
Deze vrouwen zijn zussen.
10
De man gaat naar een feest.
2 1 3?
Fietst de jongen naar school? Eten ...
13 Schrijf een 2 op
2
Ga
1
3
3
ik
vanavond
naar mijn familie?
1
hij
vandaag
een boek?
2
zij
haar woorden
goed?
3
ik
jouw pen
vandaag?
4
u
nu
een broodje?
5
wij
om zeven uur
naar de televisie?
6
zij
met hun vrienden
op de bank?
7
jullie
kip
op de markt?
8
ik
een e-mail
aan mijn baas?
9
jullie
een woning
in Utrecht?
10
jij
’s avonds
naar huis? LES 9 EEN VRAAG MAKEN
81
14 Maak een goede vraag
2
1
3
morgen
3
naar de stad?
Ga
jij
1
Koop
jij
?
2
Drink
jij
?
3
Eet
jij
?
4
Loop
jij
?
5
Lees
jij
?
82
GEREGELD SPREKEN
LES 10 ANTWOORD GEVEN MET JA A1 - Ik kan antwoord geven met ja.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
de vraag het antwoord Slaapt het meisje? Ja, Ja, 2 1 Kookt de man rijst? Ja, Ja, 2 1 3
het meisje slaapt. ze slaapt. 1 2 de man kookt rijst. hij kookt rijst. 1 2 3
Spreekhulp in de vraag
in het antwoord
in de vraag
in het antwoord
ik
jij
wij
jullie
u / jij
ik
jullie
wij
de man
hij
de kinderen
zij
de vrouw
zij
LES 10 ANTWOORD GEVEN MET JA
83
1 Nazeggen Luister naar de docent. Hoor je de melodie in de vraag en het antwoord? A = de vraag
B = het antwoord
Werk ik deze week vier dagen?
Ja, jij werkt deze week vier dagen.
Werk jij deze week vier dagen?
Ja, ik werk deze week vier dagen.
Werkt u deze week vier dagen?
Ja, ik werk deze week vier dagen.
Werkt de man deze week vier dagen?
Ja, hij werkt deze week vier dagen.
Werkt de vrouw deze week vier dagen?
Ja, zij werkt deze week vier dagen.
Werken wij deze week vier dagen?
Ja, jullie werken deze week vier dagen.
Werken jullie deze week vier dagen?
Ja, wij werken deze week vier dagen.
Werken de kinderen deze week vier dagen? Ja, zij werken deze week vier dagen.
2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B leest het antwoord. Wissel daarna van rol.
3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de vraag, B kijkt niet in zijn boek en geeft het antwoord met ja. Wissel daarna van rol.
84
GEREGELD SPREKEN
STAP 2: OEFENEN
4 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag. B geeft antwoord met ja. Gebruik de spreekhulp. Wissel daarna van rol. Kies uit: ik – zij – wij – zij – hij – jullie.
2 1 3?
Ja, 1 2 3
Wil jij een koekje?
Ja, ik wil een koekje.
1
Wil u een kopje koffie?
Ja, … wil een kopje koffie.
2
Wil de buurman een nieuwe auto?
Ja, … wil een nieuwe auto.
3
Wil je zus naar huis?
Ja, …
4
Willen wij om vijf uur eten?
Ja, …
5
Willen jullie vandaag naar de markt?
Ja, …
6
Willen de kinderen een nieuwe mobiel?
Ja, …
5 Allemaal familie Werk in drietallen. Zoek in het schema. Hoeveel keer horen onderstaande woorden bij: 1 hij 2 zij (één persoon) 3 zij (meer personen) de man
de moeder
de nicht
de tante
de zussen
de vriendinnen
de vader
de schoonmoeder
de ouders
de oom
de zus
de broers
de neef
de broer
de opa
de kleindochter
de oma
de zoon
de dochter
de kinderen
LES 10 ANTWOORD GEVEN MET JA
85
6 Tempo De docent leest een voor een de personen van oefening 5 voor. Zeg zo snel mogelijk: ‘hij’ of ‘zij’.
7 Met de bal Ga met de hele groep in een kring staan. De vragen staan op het bord: 1 Heeft de dokter een auto? 2 Spreken jullie een beetje Nederlands? 3 Hebben alle jongens een boek? 4 Kopen de kinderen een ijsje? 5 Heb ik een mooie jas? 6 Kookt je zus vandaag? 7 Maak jij het huiswerk vanavond? De docent gooit de bal naar cursist A en kiest een vraag. Cursist A begint zijn antwoord met: ‘Ja, …’ Daarna gooit cursist A de bal naar een andere cursist en kiest een nieuwe vraag van het bord. Begrijpt iedereen de oefening? Doe het in tweetallen en kies een vraag van het bord.
86
GEREGELD SPREKEN
STAP 3: DOEN
8 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag. B geeft antwoord met ja. Wissel daarna van rol.
2 1 3?
Ja, 1 2 3
Wil jij een koekje?
Ja, ik wil een koekje.
1
Stuurt u een e-mail?
Ja, …
2
Hebben wij het antwoord goed?
Ja, …
3
Moeten de meisjes vandaag naar school?
Ja, …
4
Heb ik mijn sleutels in mijn tas?
Ja, …
5
Stop jij met roken?
Ja, …
6
Loopt Mohammed 10 kilometer?
Ja, …
7
Kom je met de auto?
Ja, …
8
Gaan jullie vanavond naar de film?
Ja, …
9
Komen de buren morgen bij ons?
Ja, …
10
Kijkt Rachida op haar mobiel?
Ja, …
11
Heb jij buren?
Ja, …
12
Heeft de buurvrouw een auto?
Ja, …
13
Drinken jullie koffie met de buren?
Ja, …
14
Spreekt de buurman Nederlands?
Ja, …
15
Eten de buren vlees?
Ja, …
LES 10 ANTWOORD GEVEN MET JA
87
9 Praatplaat Werk in tweetallen. Kijk naar de praatplaat Familie aan de lijn. Cursist A maakt een vraag: 2 1 3? Cursist B geeft antwoord met: Ja, 1 2 3. Klaar? Wissel van rol.
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
10 Schrijf het antwoord op Kies uit: ik – zij – wij – zij – hij – jullie.
2 1 3?
Ja, 1 2 3
ik
wil een koekje.
Wil jij een koekje?
Ja,
1
Wil u een kopje koffie?
Ja,
wil een kopje koffie.
2
Wil de buurman een nieuwe auto?
Ja,
wil een nieuwe auto.
3
Wil je zus naar huis?
Ja,
4
Willen wij om vijf uur eten?
Ja,
5
Willen jullie vandaag naar de markt?
Ja,
6
Willen de kinderen een nieuwe mobiel?
Ja,
88
GEREGELD SPREKEN
11 Schrijf het antwoord op
2 1 3?
Ja, 1 2 3
Wil jij een koekje?
Ja,
1
Stuurt u een e-mail?
Ja,
2
Hebben wij het antwoord goed?
Ja,
3
Moeten de meisjes vandaag naar school?
Ja,
4
Heb ik mijn sleutels in mijn tas?
Ja,
5
Stop jij met roken?
Ja,
6
Loopt Mohammed 10 kilometer?
Ja,
7
Kom je met de auto?
Ja,
8
Gaan jullie vanavond naar de film?
Ja,
9
Komen de buren morgen bij ons?
Ja,
10
Kijkt Rachida op haar mobiel?
Ja,
11
Heb jij buren?
Ja,
12
Heeft de buurvrouw een auto?
Ja,
13
Drinken jullie koffie met de buren?
Ja,
14
Spreekt de buurman Nederlands?
Ja,
15
Eten de buren vlees?
Ja,
ik wil een koekje.
LES 10 ANTWOORD GEVEN MET JA
89
LES 11 ANTWOORD GEVEN MET NEE A1 - Ik kan antwoord geven met nee.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
Nee, de man kookt geen rijst. GEEN geen boek geen auto geen brood geen mobiel
Nee, het meisje slaapt niet. NIET loopt niet werkt niet eet niet leest niet
1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na. Hoor je de melodie?
geen 2
1
3?
1
2
3
1
Heb
je
een auto?
Nee,
ik
heb
geen auto.
2
Spreek
jij
Nederlands?
Nee,
ik
spreek
geen Nederlands.
3
Heeft
jouw kinderen? broer
Nee,
hij
heeft
geen kinderen.
4
Heb
jij
een nieuwe fiets?
Nee,
ik
heb
geen nieuwe fiets.
5
Koopt
u
bananen?
Nee,
ik
koop
geen bananen.
90
GEREGELD SPREKEN
niet 2
1
1
Rook
jij?
2
Drink
jij
3
Kom
4 5
3?
1
2
3
3
Nee,
ik
rook
niet.
veel?
Nee,
ik
drink
niet
veel.
jij
naar mij?
Nee,
ik
kom
niet
naar jou.
Ga
jij
naar de markt?
Nee,
ik
ga
niet
naar de markt.
Speelt
jouw kind
buiten?
Nee,
hij
speelt
niet
buiten.
2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B leest het antwoord. Wissel daarna van rol.
3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de vraag, B kijkt niet in zijn boek en zegt na. Cursist A leest het antwoord, B kijkt niet in zijn boek en zegt na. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
4 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag, cursist B geeft antwoord met niet of geen. Klaar? Wissel van rol.
LES 11 ANTWOORD GEVEN MET NEE
91
2 1 3?
Nee, 1 2 3
1
Loopt hij in de supermarkt?
Nee, … (niet)
2
Rijd jij naar Schagen?
Nee, … (niet)
3
Slaapt Peter vannacht op de bank?
Nee, … (niet)
4
Kijk jij met je vriend naar voetbal?
Nee, … (niet)
5
Mag ik een broodje?
Nee, … (geen)
6
Heeft Maria morgen een vrije dag?
Nee, … (geen)
7
Kopen wij een zak chips?
Nee, … (geen)
8
Lezen jullie een mooi boek?
Nee, … (geen)
9
Heeft u een rode fiets?
Nee, ... (geen)
5 Heen en weer Werk in tweetallen. Lees de vraag. Kies eerst samen voor het antwoord uit niet of geen. Daarna leest A de vraag. B geeft het goede antwoord. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Luister naar de vraag en geef het antwoord met je ogen dicht. Kies uit: niet – geen.
2 1 3?
Nee, 1 2 3
1
Kijkt hij met zijn dochter naar de film?
Nee, hij kijkt ...
2
Heb jij een nieuwe broek?
Nee, ik heb ...
3
Reist jouw vriendin met de trein?
Nee, zij reist ...
4
Heb ik rood haar?
Nee, jij hebt ...
5
Gaat de bus op tijd?
Nee, de bus ...
6
Hebben jullie morgen les?
Nee, ...
7
Luister je naar muziek?
Nee, ...
8
Heeft Maxima blauwe ogen?
Nee, ...
92
GEREGELD SPREKEN
9
Hebben wij brood in huis?
Nee, ...
10
Kook jij met je moeder?
Nee, ...
6 Staan of zitten? Iedereen gaat staan. Luister naar de vraag van de docent. Weet je het antwoord op deze vraag? Ja = zitten, nee = staan, geen idee = armen omhoog. Spreekhulp ? Geen idee. Sorry, ik heb geen idee. Ik weet het niet. Sorry, ik weet het niet.
213? 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Eet de koning veel tomaten? Betaal jij in de supermarkt met je pinpas? Heeft het buurmeisje een auto? Regent het morgen? Eten Nederlanders veel rijst? Is Amsterdam de hoofdstad van Duitsland? Kom je op de fiets naar school? Eet jij veel appels? Ga jij om elf uur naar bed? Spreek jij Nederlands met je buurvrouw?
LES 11 ANTWOORD GEVEN MET NEE
93
7 Praatplaat Bekijk de praatplaat Dames en heren. Wijs de volgende woorden aan: de trui, de rollator, de rugzak, de paraplu, het horloge. Werk in tweetallen. Cursist A vraagt. Cursist B antwoordt. Wissel daarna van rol. 1 Is de trein laat? Nee, de trein is ... 2 Heeft het meisje in de gele trui een mobieltje? Nee, zij heeft ... 3 Heeft de oude man een rollator? Nee, hij ... 4 Heeft de oude vrouw een rugzak? Nee, zij ... 5 Heeft de man met de koffer een paraplu? Nee, hij ... 6 Kijkt het meisje met de rugzak op haar horloge? Nee, zij ...
94
GEREGELD SPREKEN
8 Nee! Cursist A vraagt. Cursist B antwoordt met een 123-zin. Wissel daarna van rol. Voorbeeld: Reis jij met de trein? Nee, ik reis niet met de trein. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Reis jij met de trein? Heb je een ov-chipkaart? Ga jij met de bus? Ga jij met de auto? Heb je een mobieltje? Heb jij een rollator? Heb jij een paraplu? Vind jij honden lief? Heb jij een horloge? Heb jij een rugzak?
STAP 3: DOEN
9 Nee zeggen Werk in groepjes van drie of vier cursisten. Maak samen goede nee-antwoorden op de vragen van oefening 6. Gebruik niet of geen.
10 Binnen- en buitenkring Hieronder staan tien vragen en tien antwoorden uit het dagelijks leven. De docent leest de vragen voor. Zeg de vragen na. Werk daarna in tweetallen. Lees samen hardop de vragen en daarna de antwoorden. Verdeel dan de groep in een binnen- en buitenkring. De binnenkring leest de vragen, de buitenkring geeft de goede antwoorden.
LES 11 ANTWOORD GEVEN MET NEE
95
vragen
antwoorden
1
Heeft u een zorgverzekering?
1
Nee, sorry, ik heb geen geld.
2
Komt u alleen?
2
Nee, dank u.
3
Kunt u woensdag om één uur?
3
Nee, nog niet.
4
Mag ik u iets vragen?
4
Ja hoor, alstublieft.
5
Wil u pinnen?
5
Ja, dat is goed.
6
Heeft u twintig cent erbij?
6
Nee, die heb ik niet.
7
Wil u de bon mee?
7
Nee, we komen samen.
8
Heeft u een afspraak?
8
Ja, dat is prima.
9
Mag ik uw ID-kaart even?
9
Ja, natuurlijk.
10
Wil u dit formulier invullen?
10 Ja, graag.
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
11 Schrijf het antwoord op
2 1 3?
Nee, 1 2 3
Nee, hij loopt niet in de supermarkt.
1
Loopt hij in de supermarkt?
2
Rijd jij naar Schagen?
(niet)
3
Slaapt Peter vannacht op de bank?
(niet)
4
Kijk jij met je vriend naar voetbal?
(niet)
5
Mag ik een broodje?
(geen)
6
Heeft Maria morgen een vrije dag?
(geen)
7
Kopen wij een zak chips?
(geen)
8
Lezen jullie een mooi boek?
(geen)
9
Heeft u een rode fiets?
(geen)
96
GEREGELD SPREKEN
12 Schrijf het antwoord op Kies uit: niet – geen.
2 1 3?
Nee, 1 2 3
1
Kijkt hij met zijn dochter naar de film?
Nee, hij kijkt …
2
Heb jij een nieuwe broek?
Nee, ik heb …
3
Reist jouw vriendin met de trein?
Nee, zij reist …
4
Heb ik rood haar?
Nee, jij hebt …
5
Gaat de bus op tijd?
Nee, de bus …
6
Hebben jullie morgen les?
Nee, …
7
Luister je naar muziek?
Nee, …
8
Heeft Maxima blauwe ogen?
Nee, …
9
Hebben wij brood in huis?
Nee, …
10
Kook jij met je moeder?
Nee, …
13 Schrijf het antwoord op Kies uit: ja – nee – ik weet het niet.
2 1 3? Koop jij een nieuwe broek?
1
Eet de koning veel tomaten?
2
Betaal jij in de supermarkt met je pinpas?
3
Heeft het buurmeisje een auto?
4
Gaat het morgen regenen?
5
Eten Nederlanders veel rijst?
Nee, 1 2 3
Ja, ik koop een nieuwe broek. of: Nee, ik koop geen nieuwe broek. of: Sorry, ik heb geen idee.
LES 11 ANTWOORD GEVEN MET NEE
97
6
Is Amsterdam de hoofdstad van Duitsland?
7
Kom je op de fiets naar school?
8
Eet jij veel appels?
9
Ga jij om elf uur naar bed?
10
Spreek jij Nederlands met je buurvrouw?
98
GEREGELD SPREKEN
LES 12 WAT, WAAR, WIE, HOE, WANNEER, HOEVEEL, WELKE A1 - Ik kan vragen maken met wat, waar, wie, hoe, wanneer, hoeveel, welke.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
Wat zeg je? Waar woon je? Wie ben je? Hoe heet je? Wanneer ga je? Hoeveel kinderen heb je? Welke schoenen koop je?
1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na. Luister naar de melodie. de vraag
het antwoord
1
Wat
drink
je?
Ik
drink
koffie.
2
Waar
werk
jij?
Ik
werk
in Utrecht.
3
Wie
ben
jij?
Ik
ben
de docent.
4
Hoe oud
ben
jij?
Ik
ben
38 jaar.
5
Wanneer
kom
je?
Ik
kom
morgen.
6
Hoeveel broers
heb
jij?
Ik
heb
twee broers.
7
Welke appels
wil
je?
Ik
wil
zoete appels.
LES 12 WAT, WAAR, WIE, HOE, WANNEER, HOEVEEL, WELKE
99
2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest een vraag. Daarna leest cursist B het antwoord. Wissel daarna van rol.
3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de vraag, cursist B kijkt niet in het boek en zegt de vraag na. Daarna leest cursist A het antwoord. Cursist B kijkt niet in het boek en zegt het antwoord na. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
4 Heen en weer Werk in tweetallen. Maak een 123-zin. Cursist A leest de vraag. Cursist B geeft het antwoord. Kies uit: een cursist – zes appels – koffie – in de zomer – Maria – op straat. Wissel daarna van rol. de vraag
het antwoord
1
2
1
Wat
drinken
de cursisten?
De cursisten drinken
2
Waar
loopt
de man?
De man
loopt
3
Wie
is
zij?
Zij
is
4
Hoeveel appels
koop
jij?
Ik
koop
5
Wanneer
zwemmen de kinderen?
De kinderen
zwemmen
6
Hoe
heet
Ik
heet
100
GEREGELD SPREKEN
jij?
3
5 Puzzelen Werk in tweetallen. Maak de vraag af. Kijk eerst goed naar het antwoord. Kies uit: wat – waar – wie – hoe – wanneer – hoeveel – welke. de vraag
het antwoord
1
2
3
1
werk
jij?
Ik
werk
op maandag.
2
werkt
hij?
Hij
werkt
in een winkel.
heeft
zij?
Zij
heeft
drie zussen.
4
ben
jij?
Ik
ben
Ali.
5
gaan
jullie?
Wij
gaan
met de bus.
6
eten
zij?
Zij
eten
soep.
is
het?
Het
is
maart.
3
7
... zussen
... maand
6 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol. de vraag
het antwoord
123
1
Wie kookt vandaag?
Mijn moeder ...
2
Waar is jouw school?
De school …
3
Wat drinkt de docent?
Hij …
4
Hoe gaan jullie naar het centrum?
Wij …
5
Wanneer komt de bus?
De bus …
6
Hoeveel pennen heb jij?
Ik …
7
Welke broek koop je?
Ik …
LES 12 WAT, WAAR, WIE, HOE, WANNEER, HOEVEEL, WELKE
101
7 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. De buitenkring stelt vragen aan de binnenkring. Klaar? Wissel van rol. de vraag 1
Wie ben jij?
2
Waar woon jij?
3
Wat drink je?
4
Hoe oud ben je?
5
Wanneer werk jij?
6
Hoeveel koffie drink jij?
7
Welke kleur vind je mooi?
het antwoord
123
STAP 3: DOEN
8 Dobbelsteen Werk in groepjes van drie cursisten. Cursist A gooit de dobbelsteen. Hoeveel gooi je? Maak een goede vraag. Cursist B geeft antwoord. Daarna gooit cursist B de dobbelsteen en maakt hij een goede vraag. Cursist C geeft antwoord.
102
= wat?
= wanneer?
= wie?
= hoe?
= waar?
= hoeveel?
GEREGELD SPREKEN
9 Praatplaat Werk in tweetallen. Kijk naar de praatplaat Mannenhuishouding. Maak vragen bij de zinnen. Voorbeeld: Het bier staat op de kast. Waar staat het bier? 1 2 3 4 5 6 7
Hij is 39 jaar. Hij heeft vijf katten. Hij kookt bonen. De vrouwen kijken naar de man. Over vijf minuten gaat hij eten. De motor staat in de kamer. De zwarte poes is de moeder.
LES 12 WAT, WAAR, WIE, HOE, WANNEER, HOEVEEL, WELKE
103
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
10 Hardop zeggen Lees onderstaande vragen en antwoorden hardop. Spreek ze in op je mobiel. Luister daarna naar jezelf. de vraag
het antwoord
1
Wat
drink
je?
Ik
drink
koffie.
2
Waar
werk
jij?
Ik
werk
in Utrecht.
3
Wie
ben
jij?
Ik
ben
de docent.
4
Hoe oud
ben
jij?
Ik
ben
38 jaar.
5
Wanneer
kom
je?
Ik
kom
morgen.
6
Hoeveel broers
heb
jij?
Ik
heb
twee broers.
7
Welke appels
wil
je?
Ik
wil
zoete appels.
11 Maak de vraag af Kies uit: wat – waar – wie – hoe – wanneer – hoeveel – welke. de vraag
het antwoord
1
werk
jij?
Ik
werk
op maandag.
2
werkt
hij?
Hij
werkt
in een winkel.
heeft
zij?
Zij
heeft
drie zussen.
4
ben
jij?
Ik
ben
Ali.
5
gaan
jullie?
Wij
gaan
met de bus.
6
eten
zij?
Zij
eten
soep.
is
het?
Het
is
maart.
3
7
104
... zussen
... maand
GEREGELD SPREKEN
12 Schrijf het goede antwoord op Maak hele zinnen. de vraag 1
Wie ben jij?
2
Waar woon jij?
3
Wat drink je?
4
Hoe oud ben je?
5
Wanneer werk jij?
6
Hoeveel koffie drink jij?
7
Welke kleur vind je mooi?
het antwoord
Ik ben ...
13 Taalsafari Je gaat buiten de school Nederlands praten. Wat moet je doen? 1 2 3 4
Pak de vragen van de oefening binnen- en buitenkring (oefening 7). Stel je vragen aan iemand die goed Nederlands spreekt. Schrijf de antwoorden kort op. Presenteer je antwoorden in de volgende les aan de groep.
LES 12 WAT, WAAR, WIE, HOE, WANNEER, HOEVEEL, WELKE
105
Taalsafari vraag 1
?
antwoord
vraag 2
?
antwoord
vraag 3
?
antwoord
vraag 4
?
antwoord
vraag 5
?
antwoord
vraag 6
?
antwoord
vraag 7 antwoord
106
GEREGELD SPREKEN
?
LES 13 VAN WIE IS HET? A1 - Ik kan vertellen van wie iets is: het is mijn huis en zijn auto.
STAP 1: BEGRIJPEN
Samen bij het bord
Van wie is de jas?
Ik: Het is mijn jas. Jij: Het is jouw jas. U: Het is uw jas. Zij: Het is haar jas. Hij: Het is zijn jas. Wij: Het is onze jas. Jullie: Het is jullie jas. Zij: Het is hun jas. Let op: De jas Het is onze jas. Het huis Het is ons huis.
1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na.
1
2
3
1
Het
is
mijn mobiel.
2
Het
is
jouw boek.
3
Het
is
uw pen.
LES 13 VAN WIE IS HET?
107
4
Het
is
zijn gum.
5
Het
is
haar map.
6
Het
is
ons lokaal.
7
Het
is
onze groep.
8
Het
is
ons bord.
9
Het
is
jullie docent.
10
Het
zijn
hun pennen.
2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest zin 1. Daarna leest cursist B zin 2. Help elkaar om het goed te zeggen. 3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, cursist B kijkt niet in het boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
4 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest een zin. Cursist B kiest het goede woord. Daarna leest cursist B een zin. Cursist A kiest het goede woord. Kies uit: mijn – jouw – uw – haar – zijn – ons / onze – jullie – hun. Gaat het goed? Luister naar de zin en doe de oefening met je ogen dicht.
108
GEREGELD SPREKEN
1
2
3
1
2
3
1
Ik
heb
een boek.
Het
is
mijn boek.
2
Zij
heeft
een auto.
Het
is
… auto.
3
Jij
hebt
een appel.
Het
is
… appel.
4
Wij
hebben
een dochter.
Het
is
… dochter.
5
U
heeft
een laptop.
Het
is
… laptop.
6
Jullie
hebben
potloden.
Het
zijn
… potloden.
7
Zij
hebben
boeken.
Het
zijn
… boeken.
8
Ik
heb
een fiets.
Het
is
… fiets.
9
Hij
heeft
pennen.
Het
zijn
… pennen.
10
Wij
hebben
een huis.
Het
is
… huis.
5 Hoeveel? Werk in drietallen. Zoek in het schema. Hoeveel keer horen onderstaande woorden bij: 1 ik 2 jij 3 u 4 hij 5 zij (één persoon) 6 wij 7 jullie 8 zij (meer personen) jouw telefoon
uw jas
jullie auto
hun fietsen
haar boeken
hun tas
mijn huiswerk
uw telefoon
uw huis
ons kind
ons examen
onze afspraak
onze pennen
hun school
mijn kinderen
zijn docent
haar broek
onze auto
zijn trui
haar schoenen
zijn moeder
haar man
jouw kinderen
jullie hond
mijn moeder
hun kinderen
mijn broodje
jullie tuin
jouw bril
jouw huiswerk
mijn gum
uw kleinkind
jullie probleem
jouw tas
uw kopje koffie
LES 13 VAN WIE IS HET?
109
STAP 3: DOEN
6 Van wie is het? Iedereen legt voorwerpen op tafel: een boek, een gum, een map, een pen, een potlood, een papier, een tas, een mobiel, een bril, een puntenslijper, een laptop enzovoort. De docent pakt een voorwerp en stelt een vraag aan de eigenaar van het voorwerp of aan een andere cursist. Gebruik de woorden: mijn – jouw – uw – haar – zijn – ons / onze – jullie – hun. Daarna pakt cursist A een voorwerp en stelt een vraag aan een andere cursist. Voorbeeld: Docent: ‘Van wie is de gum?’ Cursist A: ‘Het is zijn gum.’
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
7 Maak de zin af Kies uit: mijn – jouw – uw – haar – zijn – ons / onze – jullie – hun.
1
2
3
1
2
3
mijn
1
Ik
heb
een boek.
Het
is
2
Zij
heeft
een auto.
Het
is
auto.
3
Jij
hebt
een appel.
Het
is
appel.
4
Wij
hebben
een dochter.
Het
is
dochter.
5
U
heeft
een laptop.
Het
is
laptop.
6
Jullie
hebben
potloden.
Het
zijn
potloden.
7
Zij
hebben
boeken.
Het
zijn
boeken.
8
Ik
heb
een fiets.
Het
is
fiets.
9
Hij
heeft
pennen.
Het
zijn
pennen.
10
Wij
hebben
een huis.
Het
is
huis.
110
GEREGELD SPREKEN
boek.
LES 14 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN A1 - Ik kan met gaan, kunnen, willen, moeten en mogen een goede 123-zin maken.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
werkwoord 1 gaan 2 willen 3 mogen 4 kunnen 5 moeten
Wij gaan elke week naar school. Jij wil vandaag een pizza. Ik mag morgen een ijsje. Zij kunnen het niet goed. Ik moet morgen naar de tandarts.
1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na.
1 gaan
willen
mogen
kunnen moeten
2
3
3
Ik
ga
met de bus
naar huis.
Hij
gaat
met de bus
naar huis.
Ik
wil
graag
een paspoort.
Zij
willen
graag
een paspoort.
Jij
mag
om twee uur
naar huis.
Jullie
mogen
om twee uur
naar huis.
Zij
kan
morgen
niet.
Wij
kunnen
morgen
niet.
Hij
moet
om vier uur
naar de les.
Zij
moeten
om vier uur
naar de les.
LES 14 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN
111
2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de zinnen en gebruikt de vingers om de 1, de 2 en de 3 te laten zien. Cursist B kijkt of cursist A de juiste 123-vingers opsteekt. Wissel daarna van rol.
3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, cursist B kijkt niet in zijn boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN Spreekhulp gaan
willen
mogen
kunnen
moeten
ik ga jij / u gaat hij / zij gaat
ik wil jij / u wil hij / zij wil
ik mag jij / u mag hij / zij mag
ik kan jij / u kan hij / zij kan
ik moet jij / u moet hij / zij moet
wij gaan jullie gaan zij gaan
wij willen jullie willen zij willen
wij mogen jullie mogen zij mogen
wij kunnen jullie kunnen zij kunnen
wij moeten jullie moeten zij moeten
112
GEREGELD SPREKEN
4 Heen en weer Werk in tweetallen. Kies de goede 2 in elke zin. Gebruik de spreekhulp.
1
3
3
Ik
met mijn moeder
naar de supermarkt.
Mijn broer
morgen
naar Groningen.
Jij
elke dag
naar het centrum.
De kinderen
vandaag
vrij.
Het meisje
de oefening
niet.
De mannen
niet
naar huis.
Mijn dochter
vandaag
naar het ziekenhuis.
Mijn kinderen
morgen
naar school.
Ik
vrijdag
een nieuwe tas.
Wij
een lekker koekje
bij de thee.
Kies uit: ga / gaat / gaan
wil / willen
kan / kunnen
moet / moeten
mag / mogen
2
5 Heen en weer Werk in tweetallen. Maak de zinnen af. Kies uit: moet – moeten – mag – mogen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Jullie … elke dag een ijsje. Hij … van zijn moeder naar de film. Ik … mijn nieuwe jas aan. Het meisje … op tijd naar huis. Mijn broertje … niet op de fiets naar school. De deur … dicht. Een jongen van 17 … geen alcohol. De auto is kapot en … naar de garage. De bloemen … water. Jouw dochter … om half acht naar bed.
LES 14 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN
113
6 Heen en weer Werk in tweetallen. Maak samen goede zinnen en kies zelf het juiste werkwoord. Gebruik de spreekhulp. 1 2 3 4 5 6 7 8
… je koffie of thee? Nee, ik … morgen niet. … je mee naar Assen? Ja, het raam … open. Ik … nu echt naar binnen. Hij … graag op vrijdag naar school. Het is koud. De deur … dicht. … ik eerst?
STAP 3: DOEN
7 Wat vraag je? Lees eerst de situatie. Voorbeeld: Je vindt het koud op school. Het raam staat open. Je vraagt: ‘Mag het raam dicht?’ Kies uit: mogen – willen – gaan – kunnen. Situatie 1 Je mobiel is leeg. Je moet iemand bellen. Je vraagt aan je vriend: … Situatie 2 De buurvrouw komt koffie drinken. Je vraagt aan de buurvrouw: … Situatie 3 Je gaat naar een feest. Je wil niet alleen. Je vraagt aan je vriendin: … Situatie 4 Je hebt keelpijn. Je gaat naar de apotheek. Je weet niet of je een drankje nodig hebt of een paracetamol. Je vraagt bij de apotheek: …
114
GEREGELD SPREKEN
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
8 Kies uit elke zin de goede 2 Gebruik de spreekhulp.
1
Kies uit: ga / gaat / gaan
wil / willen
kan / kunnen
moet / moeten
mag / mogen
2
ga
Ik
3
3
met mijn moeder naar de supermarkt.
Mijn broer
morgen
naar Groningen.
Jij
elke dag
naar het centrum.
De kinderen
vandaag
vrij.
Het meisje
de oefening
niet.
De mannen
niet
naar huis.
Mijn dochter
vandaag
naar het ziekenhuis.
Mijn kinderen
morgen
naar school.
Ik
vrijdag
een nieuwe tas.
Wij
een lekker koekje bij de thee.
9 Maak de zinnen af Kies uit: moet – moeten – mag – mogen.
mogen
1
Jullie
elke dag een ijsje.
2
Hij
van zijn moeder naar de film.
3
Ik
mijn nieuwe jas aan.
4
Het meisje
op tijd naar huis.
5
Mijn broertje
niet op de fiets naar school.
6
De deur
dicht.
7
Een jongen van 17
geen alcohol.
LES 14 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN
115
8
De auto is kapot en
naar de garage.
9
De bloemen
water.
10
Jouw dochter
om half acht naar bed.
10 Maak goede zinnen en kies zelf het juiste werkwoord Gebruik de spreekhulp. 1
… je koffie of thee?
2
Nee, ik … morgen niet.
3
… je mee naar Assen?
4
Ja, het raam … open.
5
Ik … nu echt naar binnen.
6
Hij … graag op vrijdag naar school.
7
Het is koud. De deur … dicht.
8
… ik eerst?
116
GEREGELD SPREKEN
LES 15 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN A1 - Ik kan met deze werkwoorden een goede 12a32b-zin maken.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
1 De vrouw De jongen Mijn moeder 1 De vrouwen De jongens Mijn ouders
wil mag gaat
2a
3 om twee uur vanavond in de zomer
2a willen mogen gaan
2b
eten. voetballen. fietsen.
3 om twee uur vanavond in de zomer
2b
eten. voetballen. fietsen.
1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na.
1
2a
3
3
2b
1
Maria
gaat
zaterdag
een nieuwe fiets
kopen.
2
Wij
kunnen
vandaag
in zee
zwemmen.
3
Mijn buurman
wil
volgend jaar
in Amsterdam
wonen.
4
Zij
moeten
morgen
examen
doen.
5
Je
mag
in dit gebouw
niet
roken.
LES 15 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN
117
3
2a
1
3
2b
1
Zaterdag
gaat
Maria
een nieuwe fiets
kopen.
2
Vandaag
kunnen
wij
in zee
zwemmen.
3
Volgend jaar
wil
mijn buurman
in Amsterdam
wonen.
4
Morgen
moeten
zij
examen
doen.
5
In dit gebouw
mag
je
niet
roken.
2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de zinnen en gebruikt de vingers om de 1, de 2 en de 3 te laten zien. Cursist B kijkt of cursist A de juiste 123-vingers opsteekt. Wissel daarna van rol.
3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar toe zitten. Cursist A leest de zin, cursist B kijkt niet in zijn boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
4 1 2a 3 3 2b
Werk in tweetallen. Maak samen goede zinnen. Bedenk samen een 2b.
1
2a
3
3
1
Jij
moet
in de supermarkt
bij de kassa
2
Mijn tante
gaat
op de markt
vis
118
GEREGELD SPREKEN
2b
3
Ik
wil
vandaag
mijn huis
4
Jouw oom
kan
40 kilometer
naar Amsterdam
5
Haar dochter
mag
iedere dag
in de vakantie
6
De buurjongen moet
nu
de rijst
7
Maria en Jan
willen
altijd
het huiswerk
8
De cursist
mag
in de pauze
thee of koffie
9
De meisjes
kunnen
tot vier uur
in het centrum
10
De directeur
gaat
snel
zijn brood
5 3 2a 1 3 2b Werk in tweetallen. Maak samen van bovenstaande zinnen goede 32a132b-zinnen. Voorbeeld: Om vier uur ga ik brood kopen.
6 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt een vraag. Cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol.
2a 1 3 2b 2b?
Ja, 1 2a 3 2b
1
Mag ik een pen lenen?
Ja, jij … een pen …
2
Gaat hij een nieuwe auto kopen?
Ja, hij … een nieuwe auto …
3
Kan u mij met dit formulier helpen?
Ja, ik … u met dit formulier …
4
Gaat hij zijn rijbewijs halen?
Ja, hij … zijn rijbewijs …
5
Mag zij deze film zien?
Ja, zij … deze film …
6
Moet de baby in bed blijven?
Ja, de baby … in bed …
7
Kan het meisje mooi zingen?
Ja, het meisje … mooi …
LES 15 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN
119
8
Wil hij de boodschappen betalen?
Ja, hij … de boodschappen …
9
Kan jouw dochter al zwemmen?
Ja, mijn dochter … al …
7 Praatplaat Bekijk de praatplaat Doe mij maar eh… Luister naar de docent. Hij zegt een woord. Zeg het woord daarna samen na. Werk in tweetallen. Cursist A zegt het woord. Cursist B wijst het woord aan. - het restaurant - het menu - de ober - het terras - de hond Cursist B zegt het woord. Cursist A wijst het woord aan. - het biertje - het mobieltje - de rugzak - de tas - het horloge
120
GEREGELD SPREKEN
8 Samen Maak samen een goede 12a32b- of 12a332b-zin. Voorbeeld: (mogen / zitten) De hond … naast de stoel … De hond mag naast de stoel zitten. 1 2 3 4 5 6 7
(moeten / wachten) De klant … lang … (willen / drinken) Wat … u …? (willen / bestellen) Ik … graag een biertje … (mogen / hebben) De hond … geen bier … (kunnen / kiezen) De jongen … niet goed … (moeten / sturen) De vrouw … een appje naar haar dochter … (kunnen / luisteren) De hond … goed …
STAP 3: DOEN
9 Een lange zin maken Werk in groepjes van vier of vijf cursisten. Elk groepje krijgt een paar woorden en maakt een goede 12a32b- of 12a332b-zin. Iedere cursist neemt een woord. Ben je klaar met de zin? Vraag de docent of de zin goed is. 1 2 3 4 5
gaan, schoonmaken, moeder, vandaag, het huis willen, werken, ik, na mijn examen moeten, betalen, mijn broer, in de supermarkt, de boodschappen kunnen, mijn man, helpen, met het huiswerk, mij mogen, niet, roken, in dit gebouw, wij
LES 15 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN
121
10 Wat zeg je? Werk in drietallen. Bedenk samen een zin bij de woorden die je hieronder ziet.
1 2a 3 3 2b
2a 1
roken
mogen
Je mag hier niet roken.
2
stoppen voor een rood stoplicht
moeten
3
de huur betalen
moeten
4
vanaf 5 jaar naar school gaan
moeten
5
vanaf 4 jaar naar school gaan
mogen
6
water drinken in de les
mogen
7
je ID-bewijs bij je hebben
moeten
8
een studie kiezen
mogen
9
een regering kiezen
mogen
10
op tijd op je werk komen
moeten
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
11 1 2a 3 3 2b Maak goede zinnen. Bedenk een 2b.
1
2a
3
3
1
Jij
moet
in de supermarkt
bij de kassa
2
Mijn tante
gaat
op de markt
vis
3
Ik
wil
vandaag
mijn huis
4
Jouw oom
kan
40 kilometer
naar Amsterdam
5
Haar dochter
mag
iedere dag
in de vakantie
6
De buurjongen
moet
nu
de rijst
122
GEREGELD SPREKEN
2b
7
Maria en Jan
willen
altijd
het huiswerk
8
De cursist
mag
in de pauze
thee of koffie
9
De meisjes
kunnen
tot vier uur
in het centrum
10
De directeur
gaat
snel
zijn brood
12 3 2a 1 3 2b Maak van bovenstaande zinnen goede 32a132b-zinnen. Voorbeeld: Om vier uur ga ik brood kopen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
LES 15 GAAN, KUNNEN, WILLEN, MOETEN, MOGEN
123
13 Schrijf het antwoord op
2a 1 3 2b 2b?
Ja, 1 2a 3 2b
Mag ik een pen lenen?
Ja, jij
2
Gaat hij een nieuwe auto kopen?
Ja, hij
een nieuwe auto
3
Kan u mij met dit formulier helpen?
Ja, ik
u met dit formulier
4
Gaat hij zijn rijbewijs halen?
Ja, hij
zijn rijbewijs
Mag zij deze film zien?
Ja, zij
deze film
6
Moet de baby in bed blijven?
Ja, de baby
7
Kan het meisje mooi zingen?
Ja, het meisje
8
Wil hij de boodschappen betalen?
Ja, hij
9
Kan jouw dochter al zwemmen?
Ja, mijn dochter
1
5
124
GEREGELD SPREKEN
een pen
. . . . .
in bed
.
mooi
.
de boodschappen al
. .
LES 16 GROOT, NIEUW, KOUD A1 - Ik kan iets vertellen over dingen en personen.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
De De De De
1 man man man telefoon
is is is
2
3 lang en dik. duur en klein.
1 Nazeggen Luister naar de docent en zeg daarna samen na.
1
2
3
1
De tafel
is
wit en hoog.
2
Het raam
is
vies en groot.
3
De docent
is
aardig en goed.
4
Het boek
is
leuk en makkelijk.
5
De tas
is
zwaar en zwart.
2 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de zin hardop, cursist B leest daarna dezelfde zin hardop. Help elkaar om de woorden goed te zeggen.
LES 16 GROOT, NIEUW, KOUD
125
3 Rug aan rug Werk in tweetallen. Ga met de rug naar elkaar zitten. Cursist A leest de zin voor, cursist B kijkt niet in het boek en zegt de zin na. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
4 Samen Werk in tweetallen. Maak samen een goede 123-zin met de woorden. Cursist A zegt de woorden, cursist B maakt een goede 123-zin. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Cursist A zegt de woorden, cursist B maakt een 123-zin met de ogen dicht.
1 de tomaat, rood
De tomaat
2 is
3 rood.
1
het brood, bruin
2
de jas, zwart
3
de fles, leeg
4
dik, de hond
5
slim, de cursist
6
de stoel, zacht, vies
… en …
7
dik, oud, het boek
… en …
8
schoon, hard, het bed
… en …
126
GEREGELD SPREKEN
5 Puzzelen Maak groepjes van vier cursisten. Iedere groep krijgt een woord (groep 1 de jongen, groep 2 de auto, enzovoort). Maak met elkaar 123-zinnen met de woorden uit de lijst. Vertel jullie zin samen aan de andere groep. Groep 1 = de jongen Groep 2 = de auto Groep 3 = de buurvrouw Groep 4 = de bal Voorbeeld: de pen Cursist 1: De pen Cursist 2: is Cursist 3: duur Cursist 4: en blauw. dik
hoog
goedkoop
groot
gevaarlijk
vies
droog
moeilijk
nat
duur
klein
vol
kort
dun
laatst
eerst
gezond
schoon
ziek
lang
makkelijk
veilig
goed
laag
lief
snel
onaardig
leeg
langzaam
slecht
LES 16 GROOT, NIEUW, KOUD
127
6 Puzzelen Maak andere groepjes van vier cursisten. Maak met onderstaande woorden een zo lang mogelijke 123-zin. Presenteer jullie zinnen aan de andere groepen. ik
druk
bruin
mooi
zijn
moe
hij
blond
wij is
gezellig
ben
de tafel
vies
lief
jij
vrij
bent
leuk
klein
en
langzaam
aardig
gezond
lang
actief
sportief
duur
ziek
STAP 3: DOEN
7 Verboden woord Ga in een kring zitten. Kijk in het lokaal. Cursist A krijgt een woord van de docent en zegt niet wat het is. De andere cursisten stellen om de beurt vragen. Cursist B vraagt: ‘Is het blauw?’ Cursist A zegt: ‘Nee.’ Cursist C vraagt: ‘Is het rood?’ Cursist A zegt: ‘Ja.’ Cursist C mag nog een keer. Hij vraagt: ‘Is het groot?’ Cursist A zegt: ‘Ja.’ Cursist C mag nog een keer. Hij vraagt: ‘Is het rond?’ ‘Ja.’ Is het een tomaat? JA! Doe hetzelfde nog een keer in tweetallen.
128
GEREGELD SPREKEN
8 Praatplaat Bekijk de praatplaat Mannenhuishouding. De docent wijst de woorden aan op de praatplaat. De docent zegt de woorden. Zeg de docent samen na. Werk in tweetallen. Cursist A zegt een woord. Cursist B wijst aan. Wissel daarna van rol. Cursist A: - de kat - de sigaret - de pan - de was - de stofzuiger Cursist B: - de motor - de strijkplank - de keuken - de krant
LES 16 GROOT, NIEUW, KOUD
129
9 Praatplaat Werk in tweetallen. Bekijk de praatplaat Mannenhuishouding. Praat over het huishouden. Gebruik de volgende woorden in je antwoord: vies – schoon – groen – klein – rood – groot – blauw – lief – lang – leeg – vol – leuk – mooi – oud – nieuw – veel – weinig – goed – slecht – lelijk. Voorbeeld: Vertel over de was. ‘Ik heb veel vieze was. Ik heb veel jonge kinderen. Zij hebben blauwe, rode en groene kleren.’ 1 2 3 4 5
Vertel over jouw keuken. Vertel over jouw pannen. Vertel over jouw stoelen. Vertel over jouw stofzuiger. Vertel over jouw strijkplank.
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
10 Schrijf een goede zin
1 de tomaat, rood
De tomaat
2
is
3
rood.
1
het brood, bruin
2
de jas, zwart
3
de fles, leeg
4
dik, de hond
5
slim, de cursist
6
de stoel, zacht, vies
… en …
7
dik, oud, het boek
… en …
8
schoon, hard, het bed
… en …
130
GEREGELD SPREKEN
11 Puzzelen Maak vijf lange 123-zinnen. Gebruik woorden uit de lijst. Schrijf de zinnen in het schema. dik
hoog
goedkoop
groot
gevaarlijk
vies
droog
moeilijk
nat
duur
klein
vol
kort
dun
laatst
eerst
gezond
schoon
ziek
lang
makkelijk
veilig
goed
laag
lief
snel
onaardig
leeg
langzaam
slecht
123 de pen
1
de jongen
2
de auto
3
de buurvrouw
4
de bal
De pen is dun, duur, klein en leeg. De pen is licht, lang, dik en makkelijk.
LES 16 GROOT, NIEUW, KOUD
131
12 Puzzelen Maak vijf lange zinnen met de woorden. ik
druk
bruin
mooi
zijn
wij
slim
moe
hij
blond
is
gezellig
ben
de tafel
vies
lief
jij
vrij
bent
leuk
klein
en
langzaam
aardig
gezond
lang
stout
sportief
duur
ziek
123
Jij bent sportief, aardig en gezond. 1 2 3 4 5
132
GEREGELD SPREKEN
DEEL 2
133
LES 17 GROTE, NIEUWE, KOUDE A2 - Ik kan iets extra’s vertellen over dingen en personen.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
1
De docent De lange, dikke docent De lange, dikke docent
schrijft schrijft
2
3 op het bord.
Kijk en luister naar de docent. Op het schoolplein Ko Hoi buurman, gaat jouw zoon vandaag ook naar school? Jan Ja, het is zijn eerste dag. Hij heeft zijn korte, blauwe broek en zwarte T-shirt aan voor deze belangrijke dag. En jouw dochter? In welke groep zit zij? Ko Mijn dochter zit in de tweede groep. Ze loopt daar met haar vriendin, dat blonde meisje met dat gele jurkje. Jan Vindt ze het een leuke school? Ko Ja hoor, en ze heeft een lieve juf en jouw zoon krijgt een jonge, nieuwe meester. Nou, Jan, ik spreek je weer. jan Jan Ja, tot de volgende keer.
KO
1 Samen Oefen in tweetallen het gesprek. Cursist A is Jan, cursist B is Ko. Wissel daarna van rol.
134
GEREGELD SPREKEN
2 Nazeggen Luister naar de docent en zeg na. Hoor je de laatste ‘e’? dik
de dikke man
groot
de grote broer
klein
het kleine meisje
stil
de stille man
vol
de volle tas
gezond
het gezonde eten
lief
de lieve jongen
leuk
het leuke feest
rood
de rode jas
schoon
de schone trui
3 Samen Werk in tweetallen. Cursist A leest de woorden, cursist B leest daarna dezelfde woorden. Help elkaar om de woorden goed te zeggen.
STAP 2: OEFENEN
4 Heen en weer Werk in tweetallen. De een leest A, de ander zegt de B. Let op de ‘e’. Wissel daarna van rol.
A
B
A
B
1
licht
de … tas
6
lelijk
het … huis
2
lang
de … straat
7
makkelijk
het … boek
3
hard
het … bed
8
duur
de … supermarkt
4
groot
de … pizza
9
leeg
de … fles
5
jong
het … meisje
10
snel
de … auto
LES 17 GROTE, NIEUWE, KOUDE
135
5 Heen en weer Werk in tweetallen. De een leest de A-zin, de ander maakt de B-zin. Let op de ‘e’. Wissel daarna van rol.
A
B
De tomaat is rood en groot.
De rode, grote tomaat.
1
Het brood is rond en bruin.
2
De jas is zwart en kort.
3
De fles is leeg en groen.
4
De hond is dik en lui.
5
De cursist is slim en sterk.
6
De stoel is zacht en vies.
7
Het boek is saai en oud.
8
Het bed is schoon en hard.
6 Zoek Werk in tweetallen. Zoek bij de woorden met een nummer de tegenstelling. Voorbeeld: 1 dik – dun 2 vies – schoon 1. dik
8. hoog
licht
groot
17. lekker
2. vies
9. droog
moeilijk
nat
duur
3. klein
vol
13. kort
dun
laatst
4. eerst
10. donker
schoon
16. stout
lang
5. makkelijk
11. fout
goed
laag
lief
6. leeg
12. gezond
14. goedkoop
ziek
vies
15. lui
langzaam
actief
7. snel 136
GEREGELD SPREKEN
7 Puzzelen Maak groepjes van vier cursisten. Iedere groep krijgt een woord (groep 1 de jongen, groep 2 de auto, enzovoort). Zeg iets extra’s over het woord. Presenteer het aan de andere groepen. Gebruik de woorden van oefening 6. Groep 1 = de jongen Groep 2 = de auto Groep 3 = de buurvrouw Groep 4 = de bal Voorbeeld: de pen Cursist 1: de dure, Cursist 2: kleine, Cursist 3: vieze, Cursist 4: rode pen
8 En jij? Werk in tweetallen. Gebruik de tegenstellingen van oefening 6. Cursist A zegt: ‘Ik heb een dikke jas. En jij?’ Cursist B zegt: ‘Ik heb een dunne jas.’ Wissel daarna van rol. Kies uit: de auto – de mobiel – de wc – de oefening – de docent – de fles – de stoel – de pizza – de broek – de douche.
LES 17 GROTE, NIEUWE, KOUDE
137
9 Praatplaat Werk in kleine groepjes. Bekijk de praatplaat Mannenhuishouding. Gebruik de tien woorden hieronder om te vertellen wat je ziet. lekker – oud – blauw – hard – goed – warm – bruin – klein – zwart – leuk – rood – vies – leeg Voorbeeld: koud – het koude huis
138
GEREGELD SPREKEN
STAP 3: DOEN
10 Markt Werk in tweetallen. Cursist A is de verkoper en stelt de vraag. Cursist B komt iets kopen en geeft antwoord. Gebruik de informatie uit de tweede kolom. Oefen met elkaar de zinnen. Wissel daarna van rol. de vraag
het antwoord
Welk T-shirt wil je?
blauw
Ik wil graag het blauwe T-shirt.
1
Welke broek wil je?
rood, kort
Ik wil …
2
Welke vis wil je?
dik, wit
3
Welk horloge bedoel je?
zwart, groot
4
Welke appels wil je?
rood, groen
5
Welke paprika wil je?
geel, klein
6
Welk brood wil je?
bruin, rond
7
Welke schoenen bedoelt u?
zwart, hoog
8
Welke bloemen vind je mooi?
oranje, groot
11 Ik ga naar de markt en ik koop ... De cursisten zitten in een kring. De eerste cursist zegt: ‘Ik ga naar de markt en ik koop gele bananen.’ De tweede cursist zegt: ‘Ik ga naar de markt en ik koop rode tomaten en gele bananen.’ Maak de lijst zo steeds langer.
LES 17 GROTE, NIEUWE, KOUDE
139
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
12 Schrijf het woord op de goede manier
leuke
leuk
de
jongen
1
licht
de
tas
6
lelijk
het
huis
2
lang
de
straat
7
makkelijk
het
boek
3
hard
het
bed
8
duur
de
supermarkt
4
groot
de
pizza
9
leeg
de
fles
5
jong
het
meisje
10
snel
de
auto
13 Praatplaat Bekijk de praatplaat Mannenhuishouding. Gebruik de tien woorden hieronder om iets te schrijven over de plaat. lekker 1
oud
2
blauw
3
hard
4
goed
5
warm
6
bruin
7
klein
8
zwart
9
leuk
10
rood
140
de lekkere soep
GEREGELD SPREKEN
LES 18 WAAROM & OMDAT A2 - Ik kan een waarom-vraag maken en antwoord geven met omdat.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
Waarom 3 Omdat
Kijk en luister naar de docent.
kijk 2 ik 1
je 1
een appje 3
op je mobiel? 3 krijg. 2
ko
baas Op het werk: vrij vragen aan je baas Ko Baas, mag ik volgende week vrij? Baas Waarom? Ko Omdat mijn moeder naar het ziekenhuis moet. Baas Vervelend dat je moeder ziek is. Waarom moet je mee? Ko Omdat ze niet zelf kan rijden. Ze heeft een gebroken been. Baas Ik begrijp ’t. Maar ik heb een probleem. Dinsdag zijn er al twee mensen vrij. Kan iemand anders haar brengen? Ko Nee, ze heeft niemand anders. Mijn vader leeft niet meer. Ik heb geen broers of zussen. Baas Oké. Hoe laat moet ze naar het ziekenhuis? Ko Waarom wil u dat weten? Baas Omdat je dan misschien een halve dag vrij kunt nemen. Ko Ze moet er om half tien zijn. Dan kan ik om één uur beginnen. Baas Prima, afgesproken.
LES 18 WAAROM & OMDAT
141
1 Samen Lees in tweetallen het gesprek. Cursist A is Ko, cursist B is de baas. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
2 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag, cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Geef dan zelf antwoord op de vraag. 1 2 3 4 5
Waarom ga je naar de dokter? Waarom luister je niet? Waarom heb je geen auto? Waarom ga je naar de gemeente? Waarom gooi je het brood weg?
Omdat ik pijn in mijn buik heb. Omdat ik het niet begrijp. Omdat ik geen geld heb. Omdat ik een paspoort wil. Omdat ik het niet lekker vind.
3 Waarom? Kies samen een goede 2. Kies uit: is – neemt – drinken – gaat – eet.
3
2
1
3
1
Waarom
je dochter
naar school?
2
Waarom
je neef
paracetamol?
3
Waarom
jouw collega
te laat?
4
Waarom
jullie
melk?
5
Waarom
dat meisje
weinig?
Zoek het antwoord bij de vraag. Cursist A leest de vraag, cursist B geeft het antwoord. Wissel daarna van rol.
142
GEREGELD SPREKEN
a b c d e
Omdat hij pijn in zijn hoofd heeft. Omdat zijn fiets kapot is. Omdat ze te dik is. Omdat zij graag veel wil leren. Omdat het gezond is.
4 Dobbelsteen Maak groepjes van vier of vijf cursisten. Ieder groepje krijgt een dobbelsteen. Bedenk om de beurt een antwoord bij de vraag. = Waarom bel jij je broer? = Waarom drink jij koffie? = Waarom praat jij met de buren?
Omdat – 1 – 3 – 2
= Waarom slaap jij veel? = Waarom kom je morgen niet? = Waarom koop je een nieuw mobieltje?
5 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. De binnenkring stelt de vraag. De buitenkring geeft het antwoord en steekt de vingers op bij het antwoord. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Geef dan zelf een antwoord. Vraag
Antwoord
1
Waarom ga je naar de markt?
Omdat het goedkoop is.
2
Waarom eet je fruit?
Omdat het gezond is.
3
Waarom drink je koffie?
Omdat ik moe ben.
4
Waarom ga je met de taxi?
Omdat het snel is.
5
Waarom eet je koekjes?
Omdat het lekker is.
LES 18 WAAROM & OMDAT
143
6
Waarom ben je boos?
Omdat de bus te laat is.
7
Waarom drink je water?
Omdat ik dorst heb.
8
Waarom ga je naar de tandarts?
Omdat ik kiespijn heb.
9
Waarom lach je?
Omdat ik blij ben.
10
Waarom ga je naar de snackbar?
Omdat ik patat wil.
6 Waarom – 2 – 1 – 3? Werk in tweetallen. Gebruik de antwoorden van oefening 5. Maak samen nieuwe waarom-vragen. Voorbeeld: Antwoord: Omdat het goedkoop is. Nieuwe vraag: Waarom koop jij die broek?
STAP 3: DOEN
7 Maak een vraag Cursist A maakt een goede vraag en stelt hem aan cursist B. Cursist B geeft antwoord. Voorbeeld: Vraag waarom de winkel dicht is. Cursist A: ‘Waarom is de winkel dicht?’ Cursist B: ‘Omdat het zondag is.’ 1 2 3 4 5 6 7 8
144
Waarom 2 – 1 – 3 Omdat 1 1–3–2
Vraag waarom jij geen auto hebt. Vraag waarom het raam dicht is. Vraag waarom de koffie niet lekker is. Vraag waarom de buurvrouw niet komt. Vraag waarom de baby huilt. Vraag waarom hij naar de dokter gaat. Vraag waarom Maria niet naar school gaat. Vraag waarom je vriend een nieuwe jas heeft.
GEREGELD SPREKEN
8 Maak een vraag Werk in tweetallen. Maak een waarom-vraag en bedenk een antwoord bij de volgende situaties. Voorbeeld: Je man is moe. De vraag: Waarom is je man moe? Het antwoord: Omdat hij hard heeft gewerkt. 1 2 3 4 5 6 7 8
Je buurvrouw is blij. Je zoontje is boos. Je neefje huilt. Je collega komt te laat op het werk. De huisarts geeft je geen medicijnen. Je zorgverzekering betaalt de rekening niet. Je kan vandaag niet pinnen in de supermarkt. Je kind heeft een slecht cijfer voor een belangrijke toets.
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
9 Kies een goede 2 Kies uit: is – neemt – drinken – gaat – eet.
3
2
1
3
1
Waarom
je dochter
naar school?
2
Waarom
je neef
paracetamol?
3
Waarom
jouw collega
te laat?
4
Waarom
jullie
melk?
5
Waarom
dat meisje
weinig?
LES 18 WAAROM & OMDAT
145
Zoek het antwoord bij de vraag. Schrijf het nummer van de vraag op. a Omdat hij pijn in zijn hoofd heeft. b Omdat zijn fiets kapot is. c Omdat ze te dik is. d Omdat zij graag veel wil leren. e Omdat het gezond is.
10 Geef antwoord met een goede omdat-132-zin Voorbeeld: Waarom drink jij water? Omdat ik dorst heb. 1 Waarom bel jij je broer? 2 Waarom drink jij koffie? 3 Waarom praat jij met de buren? 4 Waarom slaap jij veel? 5 Waarom kom je morgen niet? 6 Waarom koop je een nieuw mobieltje?
146
GEREGELD SPREKEN
LES 19 WERKWOORDEN (KLAAR) A2 - Ik kan vertellen wat ik heb gedaan.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
Wat ben je aan het doen? Ik maak rijst met kip. 1 2 3
Wat heb jij gisteren gemaakt? Ik heb patat met sla gemaakt. 1 2a 3 2b
Kijk en luister naar de docent.
ko Met je collega praten over het weekend Mo Hé Ko, heb je een leuk weekend gehad? Ko Zeker! We hebben feest gevierd. Mijn dochter was jarig. Mo Gefeliciteerd! MO Ko Dank je. Mo Wat heeft ze gekregen? Ko We hebben haar een gele fiets gegeven. Ze is zo blij. Mo Top. Heb je foto’s gemaakt? Ko Ja, kijk maar. Mo Mooie fiets hoor. Ko En hoe was jouw weekend? Wat heb jij gedaan? Mo Zaterdag heb ik gewerkt. ’s Avonds was ik heel moe. Ik ben vroeg naar bed gegaan. Ko En zondag? Mo Toen zijn we naar het park geweest. We hebben gewandeld. En we hebben een ijsje gegeten. Het is acht uur, we gaan beginnen. Ko Ja, we spreken elkaar later. LES 19 WERKWOORDEN (KLAAR)
147
1 Samen Lees in tweetallen het gesprek. Cursist A is Ko, cursist B is Mo. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
2 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag, cursist B leest het antwoord. Gebruik je vingers om de 1 2a 3 2b te laten zien. Wissel daarna van rol.
1 Wat heb je gisteren gedaan?
148
GEREGELD SPREKEN
3
3
2b
Ik
heb
gisteren
de hele dag
gewerkt.
Ik
heb
gisteren
boodschappen
gedaan.
Ik
heb
gisteren
met mijn schoonzus
gepraat.
Ik
heb
gisteren
mijn kinderen
gehaald.
1 Wat heb je gisteren gedaan?
2a
2a
3
3
2b
Ik
ben
gisteren
naar de markt
geweest.
Ik
ben
gisteren
naar huis
gefietst.
Ik
ben
gisteren
naar Eindhoven
gereden.
Ik
ben
gisteren
naar mijn broer
gegaan.
Spreekhulp
1
2a
3
3
2b
maken
Ik
heb
in het weekend
mijn huiswerk
gemaakt.
slapen
Ik
heb
vannacht
niet
geslapen.
wonen
Ik
heb
drie jaar
in Rotterdam
gewoond.
koken
Ik
heb
de hele week
voor mijn familie
gekookt.
bellen
Ik
heb
gisteravond
mijn broer
gebeld.
kopen
Ik
heb
zaterdag
nieuwe schoenen
gekocht.
zijn
Ik
ben
vorige week
naar Amsterdam
geweest.
lopen
Ik
ben
vanmorgen
naar het station
gelopen.
gaan
Ik
ben
om drie uur
naar huis
gegaan.
fietsen
Ik
ben
vanmiddag
naar school
gefietst.
3 Samen Werk in tweetallen. Maak samen de zin compleet. Kijk naar het voorbeeld.
1
2a
3 gisteren
3 het examen
2b
1
maken
Ik
heb
gemaakt.
2
slapen
Ik
heb
geslapen.
3
wonen
Ik
heb
gewoond.
4
koken
Ik
heb
gekookt.
5
bellen
Ik
heb
gebeld.
6
kopen
Ik
heb
gekocht.
7
zijn
Ik
ben
geweest.
8
lopen
Ik
ben
gelopen.
9
gaan
Ik
ben
gegaan.
10
fietsen
Ik
ben
gefietst. LES 19 WERKWOORDEN (KLAAR)
149
4 Samen Maak samen van de 12a332b-zinnen in oefening 3 32a132b-zinnen. Voorbeeld: Ik heb gisteren het examen gemaakt. Gisteren heb ik het examen gemaakt.
5 Vertel en luister Werk in tweetallen. Vertel aan elkaar wat je vorige week hebt gedaan. Maak minimaal vier zinnen. Gebruik de spreekhulp. Gebruik je vingers om de 1 2a 3 3 2b te laten zien. Presenteer het aan de groep. Luister goed naar elkaar. De docent vraagt daarna: ‘Wat heeft zij vorige week gedaan?’ Jij zegt: ‘Zij heeft gisteren het eten gekookt.’
150
Ik
heb
gisteren
het examen
gemaakt.
1
2a
3
3
2b
Gisteren
heb
ik
het examen
gemaakt.
3
2a
1
3
2b
GEREGELD SPREKEN
STAP 3: DOEN
6 Dobbelsteen Werk in groepjes van vier cursisten. Gooi de dobbelsteen. Maak een 12a332b-zin met de woorden. Voorbeeld: in het weekend Ik heb in het weekend met mijn tante gebeld. = op school
= vanmorgen
= vorig jaar
= in de vakantie
= in het weekend
= gisteravond
7 Dobbelsteen Doe hetzelfde als in oefening 6, maar dan met onderstaande vragen. Je geeft antwoord en dan gooi je de dobbelsteen naar de volgende persoon en vraagt: ‘En jij?’ = Wat heb je thuis gedaan? = Wat heb je op school geleerd? = Wat heb je in de winkel gekocht? = Wat heb je vanochtend gegeten? = Wat heb je in de pauze gedronken? = Wat heb je van je zus gekregen?
LES 19 WERKWOORDEN (KLAAR)
151
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
8 Vul zelf twee 3'en in
1
2a
3
3
het examen
2b gemaakt.
1
maken
Ik
heb
2
slapen
Ik
heb
geslapen.
3
wonen
Ik
heb
gewoond.
4
koken
Ik
heb
gekookt.
5
bellen
Ik
heb
gebeld.
6
kopen
Ik
heb
gekocht.
7
zijn
Ik
ben
geweest.
8
lopen
Ik
ben
gelopen.
9
gaan
Ik
ben
gegaan.
10
fietsen
Ik
ben
gefietst.
9 Stel de vragen aan je buurman, taalcoach of docent Daarna stelt hij de vragen aan jou. Geef in goede 12a32b-zinnen antwoord en neem je antwoorden op. Luister samen op school naar de antwoorden op je mobieltje. 1 Wat heb je gisteren gedaan? 2 Wat heb je vanochtend gedaan? 3 Wat heb je vorige week gedaan?
152
GEREGELD SPREKEN
LES 20 DIT, DAT, DEZE, DIE A2 - Ik kan vertellen welke ik bedoel.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
hier daar de-woorden deze die het-woorden dit dat Kijk en luister naar de docent. In de winkel Bakker Goedemorgen, wat kan ik voor u doen? Ko Goedemorgen, ik wil graag twee broden. Wat kost dat brood? Bakker Dit brood kost 2,95 euro. Ko Hm. Heeft u ook goedkoper brood? ko Bakker Ja hoor, deze broden kosten 2 euro. Ko Dan wil ik twee van die broden graag. Bakker Bruin of wit? Ko Bruin, alstublieft. BAKKER Bakker Anders nog iets? Ko Ja, ik wil graag vijf van die grote koeken. Bakker Alstublieft. Dan is het 9 euro 50. Ko O jee, ik ben mijn pinpas vergeten. Bakker Is die pas misschien van u? Daar op de grond? Ko Ja, dat pasje is van mij. Dank u! 9 euro 50. Alstublieft. Bakker Dank u wel. Fijne dag verder. Wie is er dan?
LES 20 DIT, DAT, DEZE, DIE
153
1 Nazeggen Oefen de dialoog in tweetallen. Cursist A is de bakker, cursist B is Ko. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
2 Hier en daar Cursist A leest een zin uit rij 1. Cursist B leest een zin uit rij 2 of 3 en wijst naar hier of daar. Wissel daarna van rol. Wissel nog een keer van rol en probeer de zin over hier of daar zonder het boek te doen. hier daar De kast is groot. Deze kast is groot. Die kast is groot. De sleutel is van jou. Deze sleutel is van jou. Die sleutel is van jou. De koffie is warm. Deze koffie is warm. Die koffie is warm. De deur staat open. Deze deur staat open. Die deur staat open. De appel is groen. Deze appel is groen. Die appel is groen. De stoel is zwaar. Deze stoel is zwaar. Die stoel is zwaar.
3 Samen Cursist A leest een zin uit rij 1. Cursist B leest een zin uit rij 2 of 3 en wijst naar hier of daar. Wissel daarna van rol. Wissel nog een keer van rol en probeer de zin over hier of daar zonder het boek te doen. hier daar Het kantoor is klein. Dit kantoor is klein. Dat kantoor is klein. Het geld is van mij. Dit geld is van mij. Dat geld is van mij. Het koekje is lekker. Dit koekje is lekker. Dat koekje is lekker.
154
GEREGELD SPREKEN
Het licht is uit. Het brood is oud. Het schrift is dun.
Dit licht is uit. Dit brood is oud. Dit schrift is dun.
Dat licht is uit. Dat brood is oud. Dat schrift is dun.
4 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. Cursist A leest woorden uit het eerste rijtje. Cursist B kiest de goede woorden uit het tweede rijtje. de krant hier de krant daar de appel hier de appel daar de docent hier de docent daar de pen hier de pen daar de jas hier de jas daar
die krant / deze krant deze krant / die krant die appel / deze appel deze appel / die appel die docent / deze docent deze docent / die docent die pen / deze pen deze pen / die pen die jas / deze jas deze jas / die jas
het water daar het water hier het geluid hier het geluid daar het licht daar het licht hier
dit water / dat water dat water / dit water dit geluid / dat geluid dat geluid / dit geluid dit licht / dat licht dat licht / dit licht
5 Kies De docent legt een pen, een mobiel, een tas, een portemonnee, een pinpas en een laptop op tafel. Kom bij de tafel staan. De docent vraagt: ‘Welke pen bedoel je?’ De cursist antwoordt: ‘Ik bedoel deze pen.’ Hierna gaan alle cursisten achter in het lokaal staan, de docent blijft bij de tafel. De docent vraagt weer: ‘Welke pen bedoel je?’ De cursist antwoordt: ‘Ik bedoel die pen.’ Daarna legt de docent een boek, een glas, een kopje, een horloge bij de andere spullen. Herhaal dezelfde oefening.
LES 20 DIT, DAT, DEZE, DIE
155
6 Puzzelen Werk in tweetallen. Cursist A kiest, cursist B zoekt wat erbij hoort. Voorbeeld: Cursist A zegt: ‘Het glas hier.’ Cursist B zegt: ‘Dit glas.’ Cursist A zegt: ‘Dit glas.’ Cursist B zegt: ‘Het glas hier.’ het water hier
die auto
dat brood
de pinpas hier
deze melk
de melk hier
die melk
het ID-bewijs hier
die broek
de auto hier
deze auto
het brood daar
het glas hier
dat water
dit water
het water daar
deze pinpas
dat ID-bewijs
de broek daar
dit glas
die pinpas
dit ID-bewijs
dit brood
het ID-bewijs daar
deze broek
het brood hier
de broek hier
de auto daar
de pinpas
de melk daar
STAP 3: DOEN
7 Samen Kijk naar de tekeningen. Praat er samen over. Wat hoort erbij: deze of die, dit of dat?
deze / die beker dit / dat brood deze / die appel
deze / die kopjes deze / die vork dit / dat mes
156
GEREGELD SPREKEN
8 Dobbelsteen Werk in groepjes van vier of vijf cursisten. De vragen staan op het bord. Gooi de dobbelsteen. Gebruik het antwoord en die, deze, dit of dat. = Welke telefoon is van jou?
de telefoon hier
= Welk schrift is van jou?
het schrift daar
= Welk glas is van jou?
het glas hier
= Welke thee is van jou?
de thee daar
= Welke koekjes zijn van jou?
de koekjes hier
= Welke jas is van jou?
de jas hier
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
9 Kies Lees de zin in het eerste rijtje. Kijk naar het tweede rijtje en het derde rijtje. Wat hoort erbij? Deze of dit, of die of dat? Streep het foute woord door.
hier daar
1 De appel is groen.
Deze / Dit appel is groen.
Die / Dat appel is groen.
2 Het koekje is lekker.
Deze / Dit koekje is lekker.
Die / Dat koekje is lekker.
3 Het licht is uit.
Deze / Dit licht is uit.
Die / Dat licht is uit.
4 De stoel is zwaar.
Deze / Dit stoel is zwaar.
Die / Dat stoel is zwaar.
5 Het brood is oud.
Deze / Dit brood is oud.
Die / Dat brood is oud.
6 De koffie is warm.
Deze / Dit koffie is warm.
Die / Dat koffie is warm.
LES 20 DIT, DAT, DEZE, DIE
157
7 Het schrift is dun.
Deze / Dit schrift is dun.
Die / Dat schrift is dun.
8 Het kantoor is klein.
Deze / Dit kantoor is klein.
Die / Dat kantoor is klein.
9 De kast is groot.
Deze / Dit kast is groot.
Die / Dat kast is groot.
10 De sleutel is van jou. Deze / Dit sleutel is van jou.
Die / Dat sleutel is van jou.
11 Het geld is van mij.
Deze / Dit geld is van mij.
Die / Dat geld is van mij.
12 De deur staat open.
Deze / Dit deur staat open.
Die / Dat deur staat open.
10 Kies Lees het eerste rijtje. Maak het tweede rijtje af. Vul in: deze, dit, die of dat. 1 de krant hier
krant
2 het fruit daar
fruit
3 de bril daar
bril
4 de beker hier
beker
5 het glas hier
glas
6 de schriften daar
schriften
7 het mes hier
mes
8 het geluid daar
geluid
9 de kast daar
kast
10 het geld hier
geld
11 het water hier
water
12 de appel daar
appel
158
GEREGELD SPREKEN
LES 21 OPRUIMEN A2 - Ik kan een goede zin maken met werkwoorden als opruimen.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
1 2a 3 2b schoonmaken Ik maak een kantoor schoon. weggooien Ik gooi mijn oude broek weg. opruimen Ik ga de schuur meenemen Zij kan mandarijnen
opruimen. meenemen.
Kijk en luister naar de docent.
KO Luuk is ziek Ko Luuk, sta je op? Je moet zo naar school. LUUK Luuk Papa, ik ben ziek. Ik kan niet naar school. Ko O jee, je bent helemaal warm. Ik denk dat je koorts hebt. Even kijken … 38,5 … dat is niet zo erg. Maar je kunt niet naar school. Luuk Moet jij werken? Ik wil niet alleen zijn. Ko Ja, op dinsdag maak ik een kantoor schoon. Ik los het op. Even nadenken. Weet je wat? Ik ga oma bellen. Misschien kan zij komen en mandarijnen voor je meenemen.
1 Nazeggen Oefen de dialoog in tweetallen. Cursist A is Ko, cursist B is Luuk. Wissel daarna van rol.
LES 21 OPRUIMEN
159
STAP 2: OEFENEN
2 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag, cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Probeer dan zonder het boek antwoord te geven.
1
2a
3
2b
1
nadenken
Denk jij over mijn vraag na?
Ik
denk
over jouw vraag
na.
2
neerzetten
Zet jij de zware tas neer?
Ik
zet
de zware tas
neer.
3
schoonmaken Maak jij het kantoor schoon?
Ik
maak
het kantoor
schoon.
4
invullen
Vul jij de woorden in?
Ik
vul
de woorden
in.
5
afzeggen
Zeg jij onze afspraak af?
Ik
zeg
onze afspraak
af.
6
ademhalen
Ga je heel diep ademhalen?
Ik
ga
heel diep
ademhalen.
7
uitrusten
Kan jij morgen uitrusten?
Ik
kan
morgen
uitrusten.
8
inpakken
Wil jij de tas inpakken?
Ik
wil
de tas
inpakken.
9
opruimen
Ga jij de kast opruimen?
Ik
ga
de kast
opruimen.
10
dichtdoen
Wil jij het raam dichtdoen?
Ik
wil
het raam
dichtdoen.
160
GEREGELD SPREKEN
3 Samen Werk in tweetallen. Cursist A zegt het hele werkwoord. Cursist B maakt de zin. Wissel daarna van rol. Voorbeeld: Cursist A zegt: ‘Afzeggen.’ Cursist B zegt: ‘Ik zeg af.’
1 1
samenwonen
Ik
2
invullen
Jij
3
oplossen
Mijn moeder
4
afwassen
Mijn broers
5
terugbrengen
De buurvrouw
6
uitnodigen
Mijn vriend
7
meenemen
Jij
8
afdrogen
Jullie
9
neerzetten
Ik
10
uitrusten
Mijn oma
2a
2b
4 Puzzelen Maak bij oefening 3 de zin langer met een 3. Kies uit: volgende week – met mijn vriend – de oefening – vanmiddag – het probleem – de kopjes – de glazen – de buren – mijn boeken – de suiker.
5 Maak een goede zin Werk in tweetallen. Maak samen een goede 12a32b-zin met de woorden. Voorbeeld: moeten schoonmaken – Ik moet de badkamer schoonmaken.
LES 21 OPRUIMEN
161
1
2a
3
1
gaan samenwonen
Ik
volgend jaar
2
kunnen invullen
Jij
het formulier
3
gaan oplossen
Mijn moeder
de puzzel
4
willen afwassen
Mijn broers
niet
5
gaan terugbrengen
De buurvrouw
de krant
6
willen uitnodigen
Mijn vriend
iedereen
7
mogen meenemen
Jij
de bloemen
8
moeten afdrogen
Jullie
nu
9
kunnen neerzetten
Ik
de zware doos
10
willen uitrusten
Mijn oma
eventjes
2b
6 Samen Werk in tweetallen. Maak samen een zin van de losse woorden. Begin met het vetgedrukte woord. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
162
bel – Ik – je – op – vanavond Oma – fruit – meenemen – kan gaat – Jij – heel vroeg – opstaan de kopjes – wast – af – Lara pakt – Hij – zijn koffer – in dicht – de deur – doet – Zij gaat – Ko – de afspraak – afzeggen Wij – morgen – afspreken – kunnen haalt – adem – diep – Mama kan – Noor – de koffer – inpakken
GEREGELD SPREKEN
7 Puzzelen Maak groepjes van vier cursisten. Maak samen een goede 12a32b-zin. ik
zij
af
Lara
jij
de telefoon
wij
de bekers
gaan
moeilijk
het boek
ik
geeft
lost
kan
op
afspreken
Mo en Ko
neem
morgen
op
gaat
het formulier
bloemen
ademhalen
drogen
neerzetten
de puzzel
jullie
invullen
kunnen
weg
STAP 3: DOEN
8 Hints Cursist A kiest een werkwoord en beeldt het uit voor de groep. Wat doet hij / zij? De cursist die het raadt, maakt de zin: Hij … De cursist die de zin heeft gemaakt, beeldt het volgende woord uit. afwassen
uitrusten
opruimen
nadenken
dichtdoen
uitdoen
opnemen
weggeven
opstaan
neerzetten
schoonmaken
invullen
9 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. Cursist A vraagt: ‘Wat ga jij morgen doen?’ Cursist B geeft antwoord. Vraag ook wat je medecursist vanmiddag en volgende week gaat doen. Cursist B maakt een goede 12a332b-zin. Kies voor de 2a uit: willen – kunnen – gaan – moeten. Kies zelf een 2b.
LES 21 OPRUIMEN
163
Voorbeeld: Cursist A: ‘Wat ga jij morgen doen?’ Cursist B: ‘Ik ga morgen mijn kamer opruimen.’ Cursist A: ‘En wat ga je vanmiddag doen?’ Cursist B: ‘Ik wil vanmiddag mijn huis schoonmaken.’ Cursist A: ‘En volgende week?’ Cursist B: ‘Volgende week moet ik formulieren invullen.’
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
10 Schrijf het werkwoord goed op 1 samenwonen ik woon
samen
2 invullen ik 3 oplossen ik 4 afwassen ik 5 terugbrengen ik 6 uitnodigen ik 7 meenemen ik 8 afdrogen ik 9 neerzetten ik 10 uitrusten ik
11 Maak een zin van de losse woorden Begin met het vetgedrukte woord. 1 ruim – Ik – het kantoor – op – vanavond 2 Oma – fruit – meenemen – kan 3 gaat – Jij – heel vroeg – opstaan 4 de kopjes – wast – af – Lara
164
GEREGELD SPREKEN
5 pakt – Hij – zijn koffer – in 6 dicht – de deur – doet – Zij 7 gaat – Ko – de afspraak – afzeggen 8 Wij – morgen – afspreken – kunnen 9 haalt – adem – diep – Mama 10 kan – Noor – de koffer – inpakken
12 Maak acht goede 12a32b-zinnen en schrijf ze op
ik
zij
af
Lara
jij
de telefoon
wij
de bekers
gaan
moeilijk
het boek
ik
geeft
lost
kan
op
afspreken
Mo en Ko
neem
morgen
op
gaat
het formulier
bloemen
ademhalen
drogen
neerzetten
de puzzel
jullie
invullen
kunnen
weg
1 2 3 4 5 6 7 8
LES 21 OPRUIMEN
165
LES 22 OPGERUIMD A2 - Ik kan een goede zin maken met werkwoorden als opruimen.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
1 2a 3 2b schoonmaken Ik heb een kantoor schoongemaakt. weggooien Ik heb mijn oude broek weggegooid. opruimen Ik heb de schuur meenemen Zij heeft mandarijnen Kijk en luister naar de docent.
opgeruimd. meegenomen.
MO
Op straat Mo Hé, Ko, fijn je weer te zien. Wij zijn met de bus naar Duitsland gegaan. Ko Waar zijn jullie geweest? Mo We zijn in Berlijn uitgestapt. Daar hebben we een nachtje geslapen. We hebben oma van het vliegveld opgehaald, want de busreis was voor haar te zwaar. Ko Wie zijn er nog meer meegegaan? KO Mo Mijn broer en zijn vrouw. En jij? Wat heb jij in de vakantie gedaan? Ko Ik heb mijn huis opgeruimd, schoongemaakt en veel dingen weggegooid. Dat was weleens nodig. Ik ben dus niet weggegaan.
166
GEREGELD SPREKEN
1 Nazeggen Oefen de dialoog in tweetallen. Cursist A is Ko, cursist B is Mo. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
2 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag, cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol. Gaat het goed? Probeer dan zonder het boek antwoord te geven.
1
2a
3
2b
1
nadenken
Ik denk na.
Ik
heb
nagedacht.
2
neerzetten
Ik zet neer.
Ik
heb
de tas
neergezet.
3
schoonmaken Ik maak schoon. Ik
heb
het kantoor
schoongemaakt.
4
invullen
Ik vul in.
Ik
heb
de woorden
ingevuld.
5
afzeggen
Ik zeg af.
Ik
heb
onze afspraak afgezegd.
6
ademhalen
Ik haal adem.
Ik
heb
heel diep
ademgehaald.
7
uitrusten
Ik rust uit.
Ik
heb
vandaag
uitgerust.
8
inpakken
Ik pak in.
Ik
heb
de tas
ingepakt.
9
opruimen
Ik ruim op.
Ik
heb
alles
opgeruimd.
10
dichtdoen
Ik doe dicht.
Ik
heb
het raam
dichtgedaan.
LES 22 OPGERUIMD
167
3 Samen Werk in tweetallen. Cursist A zegt het hele werkwoord. Cursist B maakt de zin. Wissel daarna van rol. Voorbeeld: Cursist A zegt: ‘Afzeggen.’ Cursist B zegt: ‘Ik heb afgezegd.’
1
2a
1
samenwonen
Ik
heb
2
invullen
Jij
hebt
3
oplossen
Mijn moeder
heeft
4
afwassen
Mijn broers
5
terugbrengen
De buurvrouw
6
uitnodigen
Mijn vriend
7
meenemen
Jij
8
afdrogen
Jullie
9
neerzetten
Ik
10
uitrusten
Mijn oma
2b
4 Puzzelen Maak bij oefening 3 de zin langer met een 3. Kies uit: vorige week – met mijn vriend – de oefening – vanmiddag – het probleem – de kopjes – de glazen – de buren – mijn boeken – de suiker.
168
GEREGELD SPREKEN
5 Puzzelen Werk in tweetallen. Maak samen een zin van de losse woorden. Begin met het vetgedrukte woord. Zet de werkwoorden in de juiste vorm. Voorbeeld: afzeggen – ik – de afspraak – hebben – vandaag Ik heb vandaag de afspraak afgezegd. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Ik – de zolder – opruimen – vanmiddag – hebben Oma – fruit – meenemen – hebben weggooien – de oude kranten – We – hebben de kopjes – afwassen – hebben – Lara hebben – Hij – zijn koffer – inpakken dichtdoen – de deur – hebben – Zij hebben – Ko – de afspraak – afzeggen Wij – gisteren – afspreken – hebben ademhalen – diep – Mama – hebben hebben – Ko – de koffer – inpakken
STAP 3: DOEN
6 Hints Cursist A kiest een werkwoord en beeldt het uit voor de groep. Wat doet hij / zij? De cursist die het raadt, maakt de zin: Hij heeft … De cursist die de zin heeft gemaakt, beeldt het volgende woord uit. afwassen
uitrusten
opruimen
nadenken
dichtdoen
uitdoen
opnemen
weggeven
opstaan
neerzetten
schoonmaken
invullen
LES 22 OPGERUIMD
169
7 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. Cursist A vraagt: ‘Wat heb jij vanochtend gedaan?’ Cursist B geeft antwoord. Vraag ook wat je medecursist gisteren en vorige week heeft gedaan. Cursist B maakt een goede 12a332b-zin. Voorbeeld: Cursist A: ‘Wat heb jij vanochtend gedaan?’ Cursist B: ‘Ik heb vanochtend mijn kamer opgeruimd.’ Cursist A: ‘En wat heb je gisteren gedaan?’ Cursist B: ‘Ik heb gisteren mijn huis schoongemaakt.’ Cursist A: ‘En vorige week?’ Cursist B: ‘Vorige week heb ik formulieren ingevuld.’
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
8 Schrijf het werkwoord goed op 1 samenwonen
ik heb
2 invullen ik heb 3 oplossen ik heb 4 afwassen ik heb 5 terugbrengen
ik heb
6 uitnodigen ik heb 7 meenemen ik heb 8 afdrogen ik heb 9 neerzetten ik heb 10 uitrusten ik heb
170
GEREGELD SPREKEN
9 Maak acht goede 12a32b-zinnen en schrijf ze op
ik
zij
afgedroogd
Lara
jij
de telefoon
wij
de bekers
hebben
de afspraak
het boek
ik
heeft
heeft
heb
heb
afgesproken
morgen
opgenomen
gisteren
opgelost
hebt
het formulier
bloemen
afgezegd
hebben
neergezet
de puzzel
jullie
ingevuld
hebben
weggegeven
1 2 3 4 5 6 7 8
LES 22 OPGERUIMD
171
10 Maak een goede zin Zet de werkwoorden in de goede vorm. Voorbeeld: afzeggen – ik – de afspraak – hebben – vandaag Ik heb vandaag de afspraak afgezegd. 1 Ik – de keuken – opruimen – vanmiddag – hebben 2 Oma – fruit – meenemen – hebben 3 weggooien – de oude kranten – We – hebben 4 de kopjes – afwassen – hebben – Lara 5 hebben – Hij – zijn koffer – inpakken 6 dichtdoen – de deur – hebben – Zij 7 hebben – Ko – de afspraak – afzeggen 8 Wij – gisteren – afspreken – hebben 9 ademhalen – diep – Mama – hebben 10 hebben – Ko – de koffer – inpakken
172
GEREGELD SPREKEN
LES 23 WANT, EN, MAAR, DUS, OF A2 - Ik kan van twee zinnen één zin maken met de woorden want, en, maar, dus, of.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
1 2 3 want en maar dus of
123
Kijk en luister naar de docent.
DOKTER
Bij de dokter Dokter Kom binnen. Vertel eens. Wat is er aan de hand? Ko Ik heb pijn in mijn rug en ik heb zere schouders. KO Dokter Wat doet u voor werk? Ko Ik werk bij een machine, dus ik sta de hele dag. Dokter Moet u echt de hele dag staan of mag u ook even zitten? Ko Ik moet staan, want de machine is groot. Alleen tijdens de pauze kan ik zitten. Dokter Ik ga even naar uw rug kijken. Ja, ik zie het al. U staat recht, maar uw rug is een beetje scheef. Maak uw rug eens recht en doe uw schouders omlaag. Ja, zo. Hoe voelt dat? Ko Een beetje gek. Dokter U moet eraan denken en u moet ermee oefenen. Uw rugpijn gaat dan weg. Ko Oké, ik zal erop letten. Dank u wel, dokter. Tot ziens. Dokter Tot ziens.
LES 23 WANT, EN, MAAR, DUS, OF
173
1 Nazeggen Oefen de dialoog in tweetallen. Cursist A is de dokter, cursist B is Ko. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
2 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A leest de zinnen uit het eerste rijtje. Cursist B leest de lange zin uit het tweede rijtje. Wissel daarna van rol.
1 1
De docent gaat naar huis. De les is klaar.
De docent gaat naar huis, want
2
De kinderen eten kip. Ik eet rijst.
De kinderen eten kip en
3
De kleine jongen heeft honger. De kleine jongen heeft honger, Ik heb geen brood. maar
4
Ik ga met de trein. Ik ga met de bus.
Ik ga met de trein of
5
Mijn collega heeft rugpijn. Hij gaat naar de dokter.
Mijn collega heeft rugpijn, dus
174
GEREGELD SPREKEN
2
3
3 Samen Maak samen van twee zinnen één zin. Let op 1 2 3! 1 2 3 4 5 6 7 8
en of maar dus want maar of want
Ko kijkt televisie. Mo leest een boek. Adam speelt met zijn auto’s. Hij maakt een tekening. Ik wil graag komen. Ik kan niet lang blijven. Je bent verkouden. Je stem klinkt schor. Mijn vader drinkt geen bier. Hij vindt het niet lekker. Bella drinkt thee. Ze drinkt geen koffie. We lopen naar huis. We gaan met de bus. Bas krijgt een boete. Hij rijdt te hard.
4 Maak een goede zin Hieronder staan vragen. Cursist A stelt de vraag aan cursist B. Cursist B maakt de goede zin. 1 2 3 4 5 6 7 8
Waarom ga jij met de auto? Wat eet Mo? Welke auto wil Kees het liefst? Wanneer werken zij? Waarom ben je te laat? Wat eet en drink jij? Wat gaan we eten? Waarom blijf je thuis?
a b c d e f g h
regent / het / heel hard hij / een broodje / eet een rode auto / wil / hij ’s avonds / zij / werken kapot / was / de trein ik / een koekje / eet eten / we / patat ik / thuis / blijf
Ik ga met de auto, want … Mo heeft honger, dus … Kees wil geen blauwe auto, maar … Zij werken ’s middags of … Ik ben te laat, want … Ik drink koffie en … We eten pizza, of … Het regent heel hard, dus …
LES 23 WANT, EN, MAAR, DUS, OF
175
5 Samen Werk in tweetallen. Maak de zinnen af. Kies samen uit: want – en – maar – dus – of. 1 2 3 4 5 6 7 8
Ik ben vandaag vrij, … ik moet morgen werken. Ik heb een rijbewijs, … ik mag autorijden. Ik ga naar Parijs … ik blijf daar een week. Ik kom naar jou toe … jij komt naar mij toe. Ik ben heel moe, … ik slaap slecht. Het is droog, … ik ga naar huis. Ik kook het eten … jij dekt de tafel. Ik krijg een cadeau, … ik ben jarig.
STAP 3: DOEN
6 Dobbelsteen Op het bord staat het begin van een zin. Gooi de dobbelsteen en maak de zin af. Let op 1 2 3! = Ik moet lopen, want …
= Ik ben thuis of …
= Ik heb dorst, dus …
= Ik vind appels lekker, maar …
= Ik ga naar school en …
= Ik eet een broodje en …
7 Met de bal Ga met de hele groep in een kring staan. De docent maakt een lange zin met en, of, want, maar, dus. Daarna gooit hij de bal naar cursist A. Cursist A zegt de tweede helft van de lange zin en maakt de zin af. Hij mag zelf weten welk woord hij gebruikt: en, of, want, maar, dus. Cursist A gooit de bal naar cursist B. Cursist B zegt de tweede helft van de lange zin van cursist A en maakt de zin af, enzovoort.
176
GEREGELD SPREKEN
Voorbeeld: Docent: ‘Ik eet een appel en ik eet een banaan.’ Cursist A: ‘Ik eet een banaan, want ik heb honger.’ Cursist B: ‘Ik heb honger, dus ik ga naar de bakker.’ Is de groep groot? Maak dan twee groepen.
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
8 Maak van twee zinnen één zin Let op 1 2 3! 1 en
Ko kijkt televisie. Mo leest een boek.
2 of
Adam speelt met zijn auto’s. Hij maakt een tekening.
3 maar
Ik wil graag komen. Ik kan niet lang blijven.
4 dus
Je bent verkouden. Je stem klinkt schor.
5 want
Mijn vader drinkt geen bier. Hij vindt het niet lekker.
6 maar
Bella drinkt thee. Ze drinkt geen koffie.
7 of
We lopen naar huis. We gaan met de bus.
8 want
Bas krijgt een boete. Hij rijdt te hard.
LES 23 WANT, EN, MAAR, DUS, OF
177
9 Maak de zin af Let op 1 2 3! 1 regent / het / heel hard Ik ga met de auto, want 2 hij / een broodje / eet Mo heeft honger, dus 3 een rode auto / wil / hij Kees wil geen blauwe auto, maar 4 ’s avonds / zij / werken Zij werken ’s middags of 5 kapot / was / de trein Ik ben te laat, want 6 ik / een koekje / eet Ik drink koffie en 7 eten / we / patat We eten pizza, of 8 ik / thuis / blijf Het regent heel hard, dus
10 Maak de zin af Je mag het zelf verzinnen. Let wel op 1 2 3! 1 Ik ga naar school, want 2 Ik mis mijn moeder, dus 3 Ik hou van wandelen en 4 Ik drink geen alcohol, maar 5 Ik eet vanavond rijst, of
178
GEREGELD SPREKEN
LES 24 MOOI, MOOIER, MOOIST A2 - Ik kan vertellen wat ik mooi vind, nog mooier en het mooist.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
De rode jurk is mooi. De blauwe jurk is mooier dan de rode. De groene jurk is het mooist.
mooi
mooier
het mooist
Kijk en luister naar de docent.
MO In de kledingwinkel Mo Vind je deze broek mooi? Ko Nee, ik vind die andere mooier. KO Mo Oh kijk, dit is ook een mooie broek. Die ga ik passen. Wat vind je? Ko Ja, deze groene vind ik het mooist. Is ’ie duur? Mo Nee, gelukkig niet. Het is de goedkoopste in de winkel. Ik neem hem. En jij? Heb jij nog iets nodig? Ko Ik ben op zoek naar een dikke, warme trui. Mo Deze trui is lekker dik. Ko Hm, maar hij is niet warm. Deze trui is warmer volgens mij. Mo En deze? Dit is de dikste trui die ze hebben. Ko Ik pas ze alle twee. Dit wordt ’m. Deze trui is dunner, maar wel het warmst.
LES 24 MOOI, MOOIER, MOOIST
179
1 Nazeggen Oefen de dialoog in tweetallen. Cursist A is Mo, cursist B is Ko. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
2 Heen en weer Werk in tweetallen. Kijk naar de trappen. Cursist A leest het woord op tree 1. Cursist B leest de woorden op tree 2 en 3. Wissel daarna van rol. Wissel nog een keer van rol. Probeer de woorden op tree 2 en 3 zonder het boek te doen. het duurst
het dikst
duurder dan
dikker dan
duur
dik het dunst
het grootst
dunner dan
groter dan
dun
groot het lekkerst
het liefst
lekkerder dan
liever dan
lekker
lief het warmst
het zachtst
warmer dan
zachter dan
warm
zacht het zwaarst zwaarder dan
zwaar 180
GEREGELD SPREKEN
3 Samen Kijk naar de tekeningen en maak samen de zinnen af.
1 Jan is lang
Ko is … dan Jan.
Mo is het …
2 Het meisje is klein.
Het jongetje is …
De baby is het …
3 De fiets is snel.
De scooter is …
De auto is het …
4 De broek is vies.
Deze broek is …
Die broek is het …
De flat is …
De toren is het …
Een koekje is …
Taart is het …
5 Het huis is hoog.
6 De boterham is lekker.
LES 24 MOOI, MOOIER, MOOIST
181
4 Samen Werk in tweetallen. Maak 123-zinnen. Voorbeeld: Koffie is lekkerder dan thee. 1
koffie
thee
lekkerder dan
2
mijn moeder
mijn vader
ouder dan
3
het kind
de opa
langer dan
4
de poes
de hond
liever dan
5
de auto
de fiets
sneller dan
6
een hond
een olifant
zwaarder dan
7
mijn laptop
mijn mobiel
duurder dan
8
de stad
het dorp
drukker dan
5 Samen Werk in tweetallen. Maak ‘123, maar 123’-zinnen. Voorbeeld: Dit huis is groot, maar dat huis is het grootst. 1
dit huis
dat huis
groot
grootst
2
de jas
de trui
goedkoop
goedkoopst
3
het meisje
de jongen
slim
slimst
4
de stoel
de bank
hard
hardst
5
het T-shirt
de trui
warm
warmst
6
Amsterdam
Rotterdam
ver
verst
7
de tas
de rugzak
zwaar
zwaarst
8
dit liedje
dat liedje
mooi
mooist
182
GEREGELD SPREKEN
Spreekhulp goed
beter
het best
graag
liever
het liefst
veel
meer
het meest
weinig
minder
het minst
6 Samen Werk in tweetallen. Maak de zinnen af. Gebruik de spreekhulp. 1 2 3 4 5
Ko kan goed voetballen, Mo kan het …, maar Tim is … in voetbal. Ik kook graag, mijn man kookt …, maar onze dochter kookt … Hier staan veel bloemen, in die tuin staan er …, maar daar staan er … Jij snoept weinig, Bella snoept nog …, maar Noor snoept … Wij gaan … naar Alkmaar, mijn dochter gaat … naar Groningen en onze zoon gaat … naar Parijs. 6 Bij de Albert Heijn betaal je … voor de boodschappen, bij de PLUS betaal je … en bij de Aldi … 7 Mijn oom vindt PSV …, hij vindt Ajax …, maar Feyenoord …
STAP 3: DOEN
7 Lees en vertel Werk in tweetallen. Vergelijk jezelf met koningin Máxima. Voorbeeld: Ik ben even oud als Máxima. Mijn schoenmaat is groter dan de schoenmaat van Máxima. Ik ben korter dan Máxima in Nederland.
Naam: koningin Máxima Leeftijd: 46 jaar Lengte: 1 meter 78 Gewicht: 70 kilogram Schoenmaat: 42 Getrouwd in: 2002 Aantal jaar in Nederland: 16 jaar
LES 24 MOOI, MOOIER, MOOIST
183
8 Heen en weer Ga allemaal staan. Stel de volgende vragen aan elkaar. 1
Hoelang woon je in Nederland? Ik woon 1 jaar en 5 maanden in Nederland.
2
jonger
meer
minder
langer
korter
meer
minder
meer
minder
Hoeveel zussen heb je? Ik heb 1 zus.
7
ouder
Hoelang ben je getrouwd? Ik ben 5 jaar en 2 maanden getrouwd.
6
kleiner
Hoeveel kinderen heb je? Ik heb 2 kinderen.
5
langer
Hoe oud ben je? Ik ben 32 jaar oud.
4
korter
Hoe lang ben je? Ik ben 1 meter 75.
3
langer
Hoeveel broers heb je? Ik heb 2 broers.
Loop door het lokaal en ga per vraag op volgorde in een rij staan. Vertel het verschil aan je buurman. Voorbeeld: Ik ben ouder dan jij. Ik woon langer in Nederland dan jij. Ik heb meer kinderen dan jij.
184
GEREGELD SPREKEN
9 Wat vind jij? Maak groepjes van drie cursisten. Stel elkaar de vragen. Help elkaar om de goede woorden te gebruiken. 1 2 3 4 5 6
Wat vind jij lekker om te eten? Wat vind je lekkerder? En wat het lekkerst? Wat vind jij vies om te eten? Wat vind je viezer? En wat vind je het viest? Waar word jij boos van? Wat maakt je bozer? En wat maakt je het boost? Wat vind jij duur? Wat vind jij nog duurder? En wat vind je het duurst? Welk programma op tv vind jij leuk? Wat vind je leuker? En wat vind je het leukst? Waar ben je goed in? Waar ben je nog beter in? Waar ben jij het best in?
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
10 Maak de zinnen af 1 lekker Ik vind koffie
dan thee.
2 oud
Mijn vader is
dan mijn moeder.
3 lang
De opa is
dan het kind.
4 snel
De auto is
dan de fiets.
5 zwaar Een olifant is
dan een hond.
6 duur
Mijn laptop is
dan mijn mobiel.
7 druk
De stad is
8 goed Mo is
dan het dorp. in voetbal dan Ko.
9 graag Mijn man kookt
dan ik.
10 veel
bloemen dan hier.
In die tuin staan
LES 24 MOOI, MOOIER, MOOIST
185
11 Maak de zinnen af 1 Dit huis is groot, maar dat huis is het 2 De jas is goedkoop, maar de trui is het 3 De jongen is boos, maar het meisje is het 4 Het plastic is hard, maar de steen is het 5 Het shirt is warm, maar de trui is het 6 Amsterdam is ver, maar Rotterdam is het 7 De tas is zwaar, maar de rugzak is het 8 Jij snoept weinig, maar Noor snoept het 9 Ik kook graag, maar onze dochter kookt het 10 Hier staan veel bloemen, maar daar staan er het
12 Vergelijk jezelf met koningin Máxima Voorbeeld: Ik ben even oud als Máxima. Mijn schoenmaat is groter dan de schoenmaat van Máxima. Ik ben korter dan Máxima in Nederland.
Naam: koningin Máxima Leeftijd: 46 jaar Lengte: 1 meter 78 Gewicht: 70 kilogram Schoenmaat: 42 Getrouwd in: 2002 Aantal jaar in Nederland: 16 jaar
Naam: Leeftijd: Ik ben
Máxima.
Lengte: Ik ben
Máxima.
Gewicht: Ik ben Schoenmaat: Mijn schoenmaat is Getrouwd in: Ik ben Aantal jaar in Nederland: Ik ben
186
GEREGELD SPREKEN
Máxima. de schoenmaat van Máxima. Máxima. Máxima in Nederland.
LES 25 EERST, DAN, DAARNA A2 - Ik kan in een paar zinnen vertellen wat ik ga doen.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
Wat ga jij morgen doen? 3 2 1 3 Eerst ga ik naar school. Dan ga ik naar huis. Daarna heb ik een afspraak
3 bij de dokter.
Kijk en luister naar de docent. Bij Ko thuis Ko HÊ lieverd, heb je lekker gewerkt? bella Bella Gewoon, het was een rustige dag. En jij? Ko Ik heb hard gewerkt. Ik ben blij dat het weekend is. Bella Wat ga jij morgen doen? Ko Eerst ga ik lekker uitslapen. Dan ga ik een uurtje sporten. Daarna kunnen we samen naar de markt gaan. Bella Gezellig! We kunnen daar verse groenten en kaas kopen. Ko Goed idee. En jij? Wat ga jij morgenochtend doen? Bella Eerst wil ik boodschappen doen bij de supermarkt. ’s Ochtends is het nog niet zo druk. Dan ga ik koffie drinken met de buurvrouw. En daarna ga ik gezellig met jou naar de markt. Ko Klinkt goed. Ik ga nu een lekker kopje thee maken. Wil jij ook? Bella Graag, dank je wel.
ko
LES 25 EERST, DAN, DAARNA
187
1 Nazeggen Oefen de dialoog in tweetallen. Cursist A is Ko, cursist B is Bella. Wissel daarna van rol. STAP 2: OEFENEN
2 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag, cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol.
3 1
Wat gaat Jamal vanmiddag doen?
2a
1
Eerst moet Dan gaat Daarna gaat
hij hij hij
3 2
Wat gaan jullie morgen doen?
Eerst willen Dan gaan Daarna moeten
3 3
Wat gaan de buren zaterdag doen?
188
Wat ga jij zondag doen? Eerst ga Dan ga Daarna ga
GEREGELD SPREKEN
2
Eerst gaan Dan halen Daarna willen
3 3
2
2a
1
2b werken. eten. sporten.
3
we op visite. we naar huis. we naar bed.
1 ze ze ze
1 ik ik ik
3
3
op verjaardag bij familie. boodschappen op de markt. lekker naar huis.
3 tot tien uur een ontbijtje een half uur
2b uitslapen. eten. hardlopen.
3 Samen Werk in viertallen. Maak een goede 32a12b-zin of een 3213-zin. Cursist A stelt de vraag: Wat ga jij morgen doen? Cursist B kiest een 3 of 2b en geeft antwoord met Eerst ... Cursist C kiest een 3 of 2b en geeft antwoord met Dan … Cursist D kiest een 3 of 2b en geeft antwoord met Daarna … Wissel daarna van rol. Voorbeeld: Cursist A: ‘Wat ga jij morgen doen?’ Cursist B: ‘Eerst ga ik naar school.’ Cursist C: ‘Dan moet ik werken.’ Cursist D: ‘Daarna wil ik op visite.’ Kies een 3
Of kies een 2b
naar school naar de huisarts op visite naar een verjaardag naar de film naar mijn familie naar het park naar huis op vakantie
sporten werken zwemmen koken lezen fietsen slapen eten bellen
LES 25 EERST, DAN, DAARNA
189
4 Binnen- en buitenkring Verdeel de groep in een binnen- en buitenkring. De binnenkring stelt de vraag met de tijd: ‘Wat ga jij om vier uur doen?’ De buitenkring antwoordt in drie zinnen met eerst, dan en daarna en gebruikt de woorden hieronder. Voorbeeld: Vraag: Wat ga jij om vier uur doen? Antwoord: Eerst ga ik naar de huisarts bellen. Dan ga ik naar huis fietsen. Daarna ga ik tv kijken.
3 om negen uur tot zes uur vanavond ’s ochtends om twaalf uur ’s middags een uurtje de hele dag een paar uur
190
GEREGELD SPREKEN
3 naar school naar de huisarts op visite naar een verjaardag naar de film naar mijn familie naar het park naar huis op vakantie
2b sporten werken zwemmen koken lezen fietsen slapen eten bellen
STAP 3: DOEN
5 Vertel De docent zet muziek op. Loop door het lokaal. Sta stil als de muziek stopt. Praat met de cursist die dichtbij staat. Geef elke keer antwoord op de vraag van de docent. Wat doe je eerst? Wat dan? En wat daarna? Vragen van de docent 1 Wat ga je na de les doen? 2 Wat ga je vanavond doen? 3 Wat ga je op school doen? 4 Wat ga je in de supermarkt doen? 5 Wat ga je op het feest doen? 6 Wat ga je in het ziekenhuis doen?
6 Eerst ga ik uitrusten en dan ... Denk na over de vraag: 'Wat ga je doen als je zo thuis bent?' Ga in een kring staan. Geef één voor één antwoord op de vraag. Maar let op: je herhaalt ook de antwoorden van de anderen. Als je het niet meer weet, ben je af. Voorbeeld: Cursist A: Eerst ga ik uitrusten. Cursist B: Eerst ga ik uitrusten. Dan ga ik eten. Cursist C: Eerst ga ik uitrusten. Dan ga ik eten. Daarna wil ik een stukje lopen. Cursist D: Eerst ga ik uitrusten. Dan ga ik eten. Daarna wil ik een stukje lopen. Eerst moet ik een uurtje slapen. Cursist E: Eerst ga ik uitrusten. Dan ga ik eten. Daarna wil ik een stukje lopen. Eerst moet ik een uurtje slapen. Dan ga ik koffie drinken. Enzovoort.
LES 25 EERST, DAN, DAARNA
191
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
7 Geef antwoord op de vragen
1 Wat ga je na de les doen? Eerst Dan Daarna 2 Wat ga je vanavond doen? Eerst Dan Daarna 3 Wat ga je morgen doen? Eerst Dan Daarna 4 Wat ga je zondag doen? Eerst Dan Daarna 5 Wat ga je in de zomervakantie doen? Eerst Dan Daarna
192
GEREGELD SPREKEN
LES 26 EERST, TOEN, DAARNA A2 - Ik kan in een paar zinnen vertellen wat ik heb gedaan.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
Wat heb je in het weekend gedaan?
Eerst ben ik met mijn zoon
3 2a 1 3
Daarna hebben we thuis
3 2b naar zijn
geweest.
voetbalwedstrijd
een broodje gegeten.
Toen zijn we naar mijn broer in Rotterdam
gegaan.
Kijk en luister naar de docent.
collega Op het werk Collega Goedemorgen Mo, hoe was je weekend? Mo Druk, maar wel erg gezellig. Collega Wat heb je gedaan? mo Mo Eerst heb ik zaterdagochtend nog gewerkt. Toen ben ik snel naar huis gegaan. Broodje gegeten, andere kleren aangetrokken. Daarna zijn Bella, de kinderen en ik met de trein naar Den Haag gegaan. Collega Waarom ging je naar Den Haag? Mo Mijn broertje woont daar. Hij ging zaterdag trouwen. Het was een mooi en groot feest. Collega Gefeliciteerd! Mo Dank je wel. En jij? Wat heb jij dit weekend gedaan? Collega Niet zo veel eigenlijk. Eerst heb ik zaterdag uitgeslapen. Toen heb ik een paar uur in de tuin gewerkt. Daarna zijn mijn vrouw en ik uit eten geweest.
LES 26 EERST, TOEN, DAARNA
193
Mo Ah lekker. Naar welk restaurant zijn jullie geweest? Collega Dat nieuwe Italiaanse restaurant in het centrum. Het was heerlijk! Mo Goed om te weten. Dan ga ik daar binnenkort ook eens eten.
1 Nazeggen Oefen de dialoog in tweetallen. Cursist A is de collega, cursist B is Mo. Wissel daarna van rol.
STAP 2: OEFENEN
2 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag, cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol.
3 1
Wat heeft Jamal gisteren gedaan?
Eerst heeft Toen heeft Daarna heeft
3 2
Wat hebben jullie zaterdag gedaan?
194
Wat heb jij zondag gedaan?
GEREGELD SPREKEN
2a
Eerst zijn Toen zijn Daarna zijn
3 3
2a
2a
Eerst heb Toen heb Daarna heb
1 hij hij hij
1
3 tot vijf uur een salade een half uur
3
we op visite we naar huis we naar bed
1 ik ik ik
3
2b gewerkt. gegeten. gesport.
2b geweest. gegaan. gegaan.
3
2b
tot tien uur in mijn bed gelegen. met mijn dochter een broodje gegeten. een half uur heel hard gesport.
3 4
Wat heeft de docent in de vakantie gedaan?
2a
Eerst heeft Toen is Daarna heeft
1 zij zij zij
3
3
2b
de toetsen heel goed nagekeken. een dagje naar Texel geweest. een paar dagen lekker niets gedaan.
3 Samen Werk in viertallen. Maak een goede 32a132b- of 32a1332b-zin. Cursist A stelt de vraag: Wat heb je gisteren gedaan? Cursist B kiest een 3 + 2b of 3 en geeft antwoord met Eerst ... Cursist C kiest een 3 + 2b of 3 en geeft antwoord met Toen … Cursist D kiest een 3 + 2b of 3 en geeft antwoord met Daarna … Wissel daarna van rol. Voorbeeld: Cursist A: ‘Wat heb je gisteren gedaan?’ Cursist B: ‘Eerst ben ik naar school geweest.’ Cursist C: ‘Toen heb ik tot zes uur gewerkt.’ Cursist D: ‘Daarna ben ik een uurtje op visite geweest.’
3 om negen uur tot zes uur bij de buren ’s ochtends om twaalf uur ’s middags een uurtje de hele dag een paar uur
3 naar school naar de huisarts op visite naar een verjaardag naar de film naar mijn familie naar het park naar huis op vakantie
2b sporten werken zwemmen koken lezen fietsen slapen eten bellen
LES 26 EERST, TOEN, DAARNA
195
STAP 3: DOEN
4 Vertel De docent zet muziek op. Loop door het lokaal. Sta stil als de muziek stopt. Praat met de cursist die dichtbij staat. Geef antwoord op de vraag van de docent. Wat heb je eerst gedaan? Wat toen? En wat daarna? Herhaal dit een paar keer. Vragen van de docent 1 Wat heb je gisteren gedaan? 2 Wat heb je vanochtend gedaan? 3 Wat heb je vorige week gedaan? 4 Wat heb je dit weekend gedaan? 5 Wat heb je in de vakantie gedaan?
5 Vertel Denk na over de vraag: 'Wat heb je gisteravond gedaan?' Ga in een kring staan. Geef één voor één antwoord op de vraag. Maar let op: je herhaalt ook de antwoorden van de anderen. Als je het niet meer weet, ben je af. Voorbeeld: Cursist A: Eerst heb ik een uurtje geslapen. Cursist B: Eerst heb ik een uurtje geslapen. Toen heb ik gegeten. Cursist C: Eerst heb ik een uurtje geslapen. Toen heb ik gegeten. Daarna heb ik een stukje in het park gelopen. Cursist D: Eerst heb ik een uurtje geslapen. Toen heb ik gegeten. Daarna heb ik een stukje in het park gelopen. Toen heb ik televisie gekeken. Cursist E: Eerst heb ik een uurtje geslapen. Toen heb ik gegeten. Daarna heb ik een stukje in het park gelopen. Toen heb ik televisie gekeken. Toen heb ik koffie gedronken. Enzovoort.
196
GEREGELD SPREKEN
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
6 Geef antwoord op de vragen 1 Wat heb je gisteravond gedaan? Eerst Toen Daarna 2 Wat heb je zondag gedaan? Eerst Toen Daarna 3 Wat heb je donderdag gedaan? Eerst Toen Daarna 4 Wat heb je vanochtend gedaan? Eerst Toen Daarna 5 Wat heb je in de zomervakantie gedaan? Eerst Toen Daarna
LES 26 EERST, TOEN, DAARNA
197
LES 27 WANNEER? ALS … A2 - Ik kan antwoord geven met als.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
Wanneer ga je een auto kopen? Als
1 ik
3 2 geld heb.
Kijk en luister naar de docent. Te laat op het werk Chef Hé Ko, je bent weer te laat! chef Ko Sorry, maar mijn auto is weer eens stuk. Chef Dat is vervelend, maar je komt nu wel vaak te laat. Wanneer kom je weer eens op tijd? Ko Als ik een andere auto heb. ko Chef Wanneer koop je dan een andere auto? Ko Als ik geld heb. Ik ben aan het sparen … Chef Maar je kunt niet te laat blijven komen. Waarom ga je niet met de bus? Ko Omdat de bus te duur is. Chef Wanneer zou je wel met de bus gaan? Ko Als ik het geld voor de bus terugkrijg. Chef Oké, dan betalen wij het geld voor de bus. Als je maar niet meer te laat komt! Ko Mooi, dat is dan afgesproken.
1 Nazeggen Oefen de dialoog in tweetallen. Cursist A is de chef, cursist B is Ko. Wissel daarna van rol.
198
GEREGELD SPREKEN
STAP 2: OEFENEN
2 Heen en weer Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag, cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol. Wissel nog een keer van rol en probeer het sneller te doen. Probeer het dan nog een keer en geef antwoord zonder in het boek te kijken.
1
3
2
1
Wanneer gaan jullie trouwen?
Als
we
een huis
hebben.
2
Wanneer lig je de hele dag in bed?
Als
ik
heel erg ziek
ben.
3
Wanneer ga je naar de dokter?
Als
ik
pijn in mijn buik
heb.
4
Wanneer ga je naar de gemeente?
Als
ik
een nieuw paspoort
wil.
5
Wanneer ga je naar de supermarkt?
Als
de koelkast
leeg
is.
6
Wanneer heb je tijd?
Als
ik
examen
heb gedaan.
7
Wanneer kom je langs?
Als
ik
met mijn werk klaar
ben.
8
Wanneer draag je geen Als jas?
het
warm
is.
9
Wanneer praat je met je buurvrouw?
Als
we
samen
wandelen.
10
Wanneer moet je lopen?
Als
mijn fiets
kapot
is.
LES 27 WANNEER? ALS ...
199
3 Samen Werk in tweetallen. Zoek samen het goede antwoord op de vraag. Daarna stelt cursist A de vraag. Cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol. 1 2 3 4 5 6
Wanneer ga je naar de snackbar? Wanneer drink je water? Wanneer lach je? Wanneer ga je met de auto? Wanneer ga je naar bed? Wanneer draag je een bril?
a b c d e f
Als ik blij ben. Als ik patat wil eten. Als ik moe ben. Als ik het niet goed kan lezen. Als ik dorst heb. Als het regent.
4 Smoesjes Werk in tweetallen. Cursist A vraagt: ‘Wanneer kom jij te laat op school?’ Cursist B geeft antwoord: ‘Als …’ Let op 1 3 2! De vraag: 1 Wanneer heb je je huiswerk niet gedaan? 2 Wanneer ga je te laat naar bed? 3 Wanneer kom je te laat? Het antwoord: - Mijn fiets is kapot. - Ik sta in de file. - Ik kijk naar een leuke film. - Het regent. - Ik begrijp het niet. - De bus is te laat. - Ik heb de trein gemist. - Ik ben de tijd vergeten. - Mijn auto is stuk. - Mijn boek is kwijt.
200
GEREGELD SPREKEN
STAP 3: DOEN
5 Dobbelsteen Werk in groepjes van vier cursisten. Gooi de dobbelsteen. Geef antwoord op de vraag. Begin met: ‘Als …’ Gooi daarna de dobbelsteen naar iemand anders. Vraag: ‘En jij?’ Voorbeeld: Vraag: Wanneer ga je niet naar school? Antwoord: Als ik ziek ben. = Wanneer ga je naar de tandarts? = Wanneer praat je met de buurman / buurvrouw? = Wanneer ga je niet naar school? = Wanneer blijf je in bed liggen? = Wanneer ga je met de bus / tram / trein? = Wanneer ga je naar de supermarkt?
6 Samen Werk in viertallen. Vraag wanneer je een nieuwe fiets koopt. Cursist A maakt de vraag: 'Wanneer koop je een nieuwe fiets?' Cursist B geeft antwoord: 'Als ik mijn fiets niet kan maken.' Cursist C geeft een ander antwoord: 'Als ik geld heb.' Cursist D geeft ook een ander antwoord: 'Als mijn vrouw jarig is.' 1 2 3 4
Vraag wanneer je naar de kapper gaat. Vraag wanneer je boos bent. Vraag wanneer je het raam dichtdoet. Vraag wanneer je een nieuwe jas koopt.
LES 27 WANNEER? ALS ...
201
5 6 7 8 9 10
Vraag wanneer je niet goed slaapt. Vraag wanneer je naar de gemeente gaat. Vraag wanneer je naar de politie gaat. Vraag wanneer je eet. Vraag wanneer je te laat komt op school. Vraag wanneer je naar de dokter gaat.
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
7 Geef antwoord op de vragen Kies uit: blij – regent – moe – dorst – patat – niet goed lezen. 1 Wanneer ga je naar de snackbar? 2 Wanneer drink je water? 3 Wanneer lach je? 4 Wanneer ga je met de auto? 5 Wanneer ga je naar bed? 6 Wanneer draag je een bril?
8 Geef antwoord op de vragen
1 Wanneer ga je naar de tandarts? Als 2 Wanneer praat je met de buurman / buurvrouw? Als 3 Wanneer ga je niet naar school? Als
202
GEREGELD SPREKEN
4 Wanneer blijf je in bed liggen? Als 5 Wanneer ga je met de bus / tram / trein? Als 6 Wanneer ga je naar de supermarkt? Als 7 Wanneer ga je naar de kapper? Als 8 Wanneer ga je naar de gemeente? Als 9 Wanneer ga je naar de politie? Als 10 Wanneer ben je boos? Als
LES 27 WANNEER? ALS ...
203
LES 28 IK VIND, IK DENK, IK GELOOF DAT … A2 - Ik kan mijn mening geven.
STAP 1: BEGRIJPEN Samen bij het bord
1 2 dat 1 3 Ik vind dat de soep erg lekker Ik denk dat Ko heel hard Ik geloof dat tomaten heel gezond
2 is. werkt. zijn.
Kijk en luister naar de docent.
ko
Groentesoep Ko En wat vinden jullie van mijn soep? Luuk Ik geloof dat ik mama’s soep lekkerder vindt. Sorry, papa. luuk Ko Waarom vind je het niet lekker? Luuk Er zit zoveel groente in. Ko Ja, het is groentesoep. Dus dan zit er groente in. Lara, wat vind jij? Lara Ik denk dat ik het wel lekker vind. Heel anders dan mama’s soep. Maar het smaakt wel goed. Ko Dat is mooi. En jij, lieverd? Wat vind jij? Bella Ik vind dat er een beetje meer zout in mag. Zo. Eens even proeven. Ja, zo is de soep heerlijk.
1 Nazeggen Oefen de dialoog in viertallen. Cursist A is Ko, cursist B is Luuk, cursist C is Lara en cursist D is Bella. Wissel daarna van rol.
204
GEREGELD SPREKEN
STAP 2: OEFENEN
2 Vraag en vertel Cursist A stelt de vraag, cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol. Wissel nog een keer van rol en probeer het sneller te doen. Probeer het dan nog een keer en geef antwoord zonder in het boek te kijken.
1
3
2
1
Hoe vind je deze jas?
Ik vind dat
jouw jas
mooi
is.
2
Wat vind je van deze supermarkt?
Ik denk dat
deze supermarkt
te duur
is.
3
Wat is jouw mening Ik vind dat over roken?
roken
heel ongezond en vies
is.
4
Hoe denk jij over de Ik denk dat examens?
het schrijfexamen
heel moeilijk
is.
5
Hoe vind je de film? Ik vind dat
de film
erg spannend
is.
6
Wat vind je van de les?
deze les
goed
is.
7
Wat is jouw mening Ik geloof dat over die docent?
zij
heel goed
les geeft.
8
Wat vind je van het Hollandse weer?
het
te koud
is.
Ik denk dat
Ik vind dat
LES 28 IK VIND, IK DENK, IK GELOOF DAT ...
205
3 Puzzelen Werk in tweetallen. Maak een goede 12dat132-zin. Wissel daarna van rol.
Ik vind dat Ik denk dat Ik geloof dat
Amsterdam
de wedstrijd
leren.
Nederlands praten
erg lekker
is.
koude limonade
heel hard
verdienen.
de eindtoets
een gevaarlijke stad
smaakt.
ons elftal
ontzettend vroeg
opstaat.
alle cursisten
heel belangrijk
is.
een bakker
bloemen
is.
alle vrouwen
niet zo moeilijk
wint.
4 Vertel Werk in tweetallen. Cursist A leest de zin. Cursist B maakt er een mening van. Begin de mening met: Ik vind / denk / geloof dat … Maak een goede 12dat132-zin. Wissel daarna van rol. Voorbeeld: Cursist A: ‘Nederland is een klein land.’ Cursist B: ‘Ik denk dat Nederland een klein land is.’ 1 2 3 4 5 6 7 8
206
Fietsen is gezond. De agent maakt een fout. Het examen is heel makkelijk. De kinderen schreeuwen te hard. De scheidsrechter is niet eerlijk. Je collega is erg aardig. Het eten smaakt heel erg goed. De verkoper praat onduidelijk.
GEREGELD SPREKEN
5 Geef je mening Werk in tweetallen. Kijk naar de acht zinnen van oefening 4. Cursist A geeft zijn mening. Begin de mening met: ‘Ik vind / denk / geloof dat …’ Maak een goede 12dat132-zin. Cursist B zegt of hij het eens of oneens is met die mening. Gebruik de spreekhulp. Wissel daarna van rol. Spreekhulp eens
oneens
Dat vind ik ook.
Dat vind ik niet.
Dat denk ik ook.
Dat denk ik niet.
Dat geloof ik ook.
Dat geloof ik niet.
Daar ben ik het mee eens.
Daar ben ik het niet mee eens.
STAP 3: DOEN
6 Dobbelsteen Werk in groepjes van vier cursisten. Gooi de dobbelsteen. Geef antwoord op de vraag. Begin met: ‘Ik vind / denk / geloof dat …’ Gooi daarna de dobbelsteen naar iemand anders. Vraag: ‘En wat vind jij?’ Gebruik voor het antwoord de spreekhulp. = Wat vind je van je werk?
= Wat vind je van de cursus?
= Wat vind je van je buren?
= Wat vind je van roken?
= Wat vind je van het weer?
= Wat vind je van Nederland?
Voorbeeld: Cursist A: ‘Wat vind je van Nederland?’ Cursist B: ‘Ik vind dat Nederland een vrij land is.’ Cursist C: ‘Daar ben ik het mee eens.’
LES 28 IK VIND, IK DENK, IK GELOOF DAT ...
207
7 Eens of oneens? Werk in drietallen. Lees de zinnen hieronder. Ben je het ermee eens? Of oneens? Vertel wat jij vindt. Geef eerst een zin uit de spreekhulp. Geef daarna je mening. 1 2 3 4 5 6
Er zal altijd ergens in de wereld oorlog zijn. Reclame voor alcohol moet verboden worden. Nederlands is een makkelijke taal. Het openbaar vervoer moet gratis zijn. Amsterdam is de mooiste stad van de wereld. Het is goed dat je in cafĂŠs niet meer mag roken.
Ik ben het ermee eens. Ik vind / denk / geloof / hoop dat ...
Ik ben het er niet mee eens. Ik vind / denk / geloof / hoop dat ...
STAP 4: KILOMETERS MAKEN
8 Schrijf acht goede 12dat132-zinnen
Ik vind dat Ik denk dat Ik geloof dat Ik hoop dat
Amsterdam
de wedstrijd
leren.
Nederlands praten
erg lekker
is.
koude limonade
heel hard
verdienen.
de eindtoets
een gevaarlijke stad
smaakt.
ons elftal
ontzettend vroeg
opstaat.
alle cursisten
heel belangrijk
is.
een bakker
bloemen
is.
alle vrouwen
niet zo moeilijk
wint.
1 2 3
208
GEREGELD SPREKEN
4 5 6 7 8 9 Lees de zinnen en maak er een mening van Begin de mening met: Ik vind / geloof / hoop dat ‌ Maak een goede 12dat132-zin. Voorbeeld: Nederland is een klein land. Ik vind dat Nederland een klein land is. 1 Fietsen is gezond. 2 De agent maakt een fout. 3 Het examen is heel makkelijk. 4. De kinderen schreeuwen te hard. 5 De scheidsrechter is niet eerlijk. 6 Je collega is erg aardig.
LES 28 IK VIND, IK DENK, IK GELOOF DAT ...
209
7 Het eten smaakt heel erg goed. 8 De verkoper praat onduidelijk.
10 Wat is jouw mening? Schrijf op. Maak een goede 12dat132-zin. 1 Wat vind je van je werk? 2 Wat vind je van je buren? 3 Wat vind je van het weer? 4 Wat vind je van de cursus? 5 Wat vind je van roken? 6 Wat vind je van Nederland?
210
GEREGELD SPREKEN
AANTEKENINGEN