12 minute read

De innerlijke criticus bestaat niet

Bas Snippert

Schaamte is een actueel onderwerp in zowel populaire boeken als professionele opleidingen voor coaching of therapie. Onderbelicht hierbij is de rol die taal speelt en vooral hoe ons taalgebruik een oplossing voor schaamte verhult. In zijn artikel besteedt Bas Snippert aandacht aan statisch taalgebruik zoals ‘de innerlijke criticus’ of ‘de saboteur’ en hoe dit voorbij kan gaan aan wat schaamte echt is: een proces.

Hoewel taalgebruik als ‘de innerlijke criticus’ of ‘het innerlijk kind’ enerzijds kan helpen om gevoelens zoals schaamte inzichtelijk te maken, kan het mensen een doodlopend pad insturen. Dat komt omdat we hierbij een zelfstandig naamwoord gebruiken. Dit impliceert dat het gaat over iets ‘zelfstandigs’ – iets wat op zichzelf staat. Ik hoor dit zowel onder coaches als coachees regelmatig terug, waarbij zij spreken over hun ‘innerlijke criticus’ alsof dit, als vanzelfsprekend, een opzichzelfstaande entiteit is die invloed heeft op hun innerlijke belevingswereld.

Vervolgens maken mensen het zelfstandig naamwoord – bijvoorbeeld ‘innerlijke criticus’ – tot onderwerp van hun taalgebruik rondom schaamte. Een coachee zegt dan bijvoorbeeld: ‘mijn innerlijke criticus weerhoudt mij ervan te uiten wat ik echt voel en wil’. De innerlijke criticus wordt het onderwerp en de coachee wordt daarmee het lijdend voorwerp. Dit taalgebruik impliceert dus dat de coachee onderworpen wordt aan de invloed van de innerlijke criticus.

Dit taalgebruik impliceert dat de coachee onderworpen wordt aan de invloed van de innerlijke criticus

Welke taal past schaamte dan beter? Daarvoor helpt het om eerst een kijkje ‘onder’ de taal te nemen, in de psychobiologie van schaamte.

De psychobiologie van schaamte

Gevoelens die we aanduiden met ‘schaamte’ ontstaan volgens psychiaters als Daniel Siegel wanneer we in een moment van ongeremde levendigheid onverwachts hard geremd worden, meestal door een ouder of ander autoriteitsfiguur (familie, buren, leraren, enzovoorts) – in het bijzonder in de kindertijd (Siegel, 2015).

Het simpelste voorbeeld is een jong kind dat buiten rondrent en opeens een vijver in dreigt te struikelen. Een oplettende verzorger ziet dit en schreeuwt: ‘hé! stop!’ Het kind komt dan direct en met grote schrik tot stilstand – een instinctief, biologisch bevriezingsmechanisme ter overleving – en begint vervolgens meestal na een moment van verstarring spontaan te huilen. Samengevat is dit de biologie van schaamte: een hoge, levendige energie wordt plots geremd door een intense bevriezing van alle beweging. Alsof gelijktijdig het gas- en rempedaal van ons lichaam ingetrapt worden. Dit leidt tot de zeer onprettige lichaamssensaties en gevoelens van schaamte.

Vooral bij jonge kinderen is dit een cruciaal moment in de ontwikkeling. Want hoewel momenten van (milde) schaamte nodig zijn om een kind te helpen socialiseren, is het essentieel om na dit moment van beschaming snel de verbinding ‘te repareren’. (Hill, 2015) Een jong kind heeft namelijk nog niet het vermogen zelf onderscheid te maken tussen het slechte (lichamelijke) gevoel van schaamte en de identificatie hiermee als zijnde dit slechte gevoel. Kortom, in de jonge geest van een kind wordt ‘ik voel me slecht’ onbewust ervaren als ‘ik ben slecht’. (Heller & LaPierre, 2012)

Wanneer ouders en andere autoriteitsfiguren dit naderhand onvoldoende repareren[1] , zal een kind een identiteit beginnen op te bouwen op een wankel fundament dat voelt als ‘ik ben slecht’. Afhankelijk van de beschaming kan dit ertoe leiden dat de latere volwassene in meer of mindere mate gelooft dat er fundamenteel iets mis is met hem of haar – in z’n geheel of soms specifieker gericht op bijvoorbeeld een lichaamsdeel of lichaamsfunctie tot aan algehele zelfexpressie.

Internaliseren

Belangrijk om te weten als coach hierbij is dat mensen deze beschamende dynamieken internaliseren. Traditioneel in de psychodynamica een objectrelatie genoemd. We internaliseren als subject (onderwerp) onze relaties met belangrijke objecten (voorwerpen), zoals onze ouders. Deze subject-objectrelaties worden bij elkaar gehouden door affect: de gevoelens die gepaard gingen met deze objectrelatie, in dit geval ervaringen van schaamte en bijbehorende ongereguleerde pijn of verdriet. (Heller & LaPierre, 2012)

Vooral bij jonge kinderen is dit een cruciaal moment in de ontwikkeling

Als volwassene gaan we ons onbewust identificeren met zowel het onderwerp als het voorwerp van de objectrelatie. Zodra een ervaring van beschaming geïnternaliseerd is, zetten wij dit daarna zelf voort in onze innerlijke belevingswereld – door onszelf te beschamen.

Hoewel dit nogal confronterend kan klinken, is het goede nieuws hierbij dat zodra we ons hiervan bewust worden er nieuwe mogelijkheden ontstaan. Want als we zien hoe we de vroegere beschaming nu zelf innerlijk voortzetten, kunnen we ook onderzoeken wat onze interne verwachtingen zijn over wat er gebeurt als we op dit punt in de tijd zouden stoppen onszelf te beschamen.

Schaamte ontleden met taal

Nu komen we terug bij het belang van ons taalgebruik. De eerste stap naar het doorzien van schaamte, is om de schaamte niet als voorwerp te duiden – de innerlijke criticus, de saboteur, enzovoorts – maar als werkwoord, oftewel, als proces: beschamen, beschuldigen, enzovoorts. (Cornell, 2013) Dit gaat in tegen de neiging om met taal processen te verzelfstandigen tot entiteiten of opzichzelfstaande objecten. (Gendlin & Parker, 2017) Want als we het vroegere – en nu geïnternaliseerde – proces van beschamen gaan aanduiden met ‘de schaamte’ of ‘de innerlijke criticus’, maken we hiervan een statisch zelfstandig naamwoord dat – bijna als vanzelfsprekend – lijkt te bestaan.

Door schaamte te duiden als een proces van beschaming – wat het psychobiologisch ook daadwerkelijk is – kan er een nieuw perspectief vormen. Stel ik zeg: ‘Ik schaam me voor wat ik écht voel en wil.’ Als ik dit vervolgens verander naar het werkwoord: ‘Iets in mij schaamt zich voor wat ik écht voel en wil’, merk je dan het verschil tussen deze twee?

En wat merk je als we nog een stap verder gaan: ‘Iets in mij beschaamt mij voor wat ik écht voel en wil’? Of nog een laatste zet: ‘Ik beschaam mijzelf voor wat ik écht voel en wil.’ Merk je de verschillen?

Schaamte onderzoeken met compassie en nieuwsgierigheid Als coach kun je met bovenstaande taal een zelfonderzoek in de coachee initiëren met een compassievolle houding en nieuwsgierigheid. Je kunt dan om te beginnen vragen: ‘Wie beschaamt je voor wat je écht voelt en wilt?’ Dit is een vraag waarbij de meeste mensen nog nooit hebben stilgestaan, vanwege de vanzelfsprekendheid in hun taal en denken over schaamte. Deze vraag begint de vanzelfsprekendheid op een vriendelijke manier uit te dagen.

Het kan zijn dat er dan herinneringen opkomen uit het verleden, waarmee je wilt werken als coach. Je kunt ook in het hier-en-nu blijven verkennen: ‘Wie beschaamt jou nu voor wat je écht voelt en wilt?’ Dan is er een grote kans dat de coachee ontdekt dat op dit moment hij- of zijzelf degene is die zich beschaamt. Hierdoor kan iemand gaan doorzien dat zij niet simpelweg een ‘lijdend voorwerp’ is in het proces van innerlijke beschaming, maar dat zij ook het onderwerp is – dat zij nu zichzelf onderwerpt aan zelfbeschaming. (Heller & Doerne, 2020)

Dit bewustwordingsproces vraagt tact en timing. De relatie tussen de coach en coachee is hierbij essentieel, omdat deze impliciet de kwaliteiten bevat die in vroegere ervaringen van beschaming juist afwezig waren: oordeelvrije aanwezigheid en een vriendelijke, compassievolle nieuwsgierigheid naar wat er omgaat in de persoon. Vanuit de coachingsrelatie kan de coachee deze kwaliteiten internaliseren en daarmee de eigen innerlijke relatie tot schaamte – en andere lastige gevoelens – transformeren. (Hill, 2015)

Zodra we in de tegenwoordige tijd ons eigen aandeel in de innerlijke dynamiek van zelfbeschaming doorzien, komen we bij een volgende stap: verkennen waarom we het innerlijke proces van zelfbeschaming voortzetten. Zodra we onderzoeken waar de zelfbeschaming toe dient, komen we achter de zelfbeschermende functie van schaamte. Maar de beste manier om dat uit te leggen is door het zelf te ervaren.

Zelfonderzoek: de beschermende functie van zelfbeschaming

Als je in de gelegenheid bent kun je de volgende oefening doen om je relatie met zelfbeschaming (of zelfbeschuldiging, zelfbekritisering) te onderzoeken. Kies – net als in onze eigen coaching – een veilige, vertrouwde ander om dit mee te doen of doe de oefening als monoloog. Dan kun je hardop uitspreken wat je tegenkomt, alsof je tegen een vriendelijke – zelfs liefdevolle – vriend(in) over je innerlijke belevingswereld vertelt.

Door schaamte te duiden als een proces van beschaming kan er een nieuw perspectief vormen

Neem op z’n minst 10 minuten om de volgende vragen hardop te beantwoorden. Als er een ander is, stelt deze persoon vragen en luistert vervolgens aandachtig, zonder jou in de rede te vallen. Ga niet te snel en observeer hoe datgene wat je hardop uitspreekt een effect heeft op je lichamelijke gewaarwordingen en gevoelens. Als emoties onverwachts toenemen of je overvallen: pauzeer of stop de oefening, open je ogen om in het hier-en-nu te blijven of ga even wandelen.

1 Begin het zelfonderzoek met een situatie waarin je schaamte ervaart. Als schaamte voor jou snel kan escaleren, kies dan liefst een milde ervaring met schaamte om mee te beginnen.

2 Spreek vervolgens hardop zonder jezelf te censureren. Bijvoorbeeld: ‘ik schaam me voor…’ of ‘ik ben bang dat ik veroordeeld word voor…’ of ‘ik voel me schuldig wanneer ik…’

3 Merk een moment op hoe het is om dit hardop uit te spreken: welke lichamelijke, emotionele en mentale reacties komen hierbij op?

4 Ga vervolgens verder met het deconstrueren van de schaamte (of schuld), door jezelf af te vragen: ‘Wie beschaamt/beschuldigt mij hiervoor?’

5 Herhaal zo nodig de vraag enkele keren en merk opnieuw je innerlijke reacties op.

6 Merk op of je kan zien of je jezelf hierbij beschaamt, of dat je gelooft dat iemand anders dat doet. In dat laatste geval: ‘Ben je het eens met datgene waarvoor zij jou beschamen?’ De intentie hierbij is om te verkennen of en waar er in de innerlijke dynamiek van schaamte er een eigen aandeel te vinden is.

7 Als je ontdekt dat je inderdaad jezelf beschaamt, stel dan vervolgens de vraag: ‘Wat vrees je dat er gebeurt als je jezelf stopt te beschamen hiervoor?’ Kies eventueel woorden die voor jou beter passen, zoals: ‘Waar ben je bang voor?’ of ‘Wat vind je het engst?’ De intentie hierbij is te verkennen wat het proces van zelfbeschaming probeert te voorkomen, of waartegen het beschermt.

8 Merk ook hierbij weer je innerlijke reacties op en herhaal zo nodig een paar keer deze vraag. Spreek hierbij wederom spontaan uit wat er opkomt, zonder jezelf te censureren. Het maakt niet uit als het onlogisch of irrationeel klinkt. Het gaat om het toelaten van een ‘stream of consciousness’ – het contact maken met een dieper, veelal onbewust ‘weten’ dat schuilgaat achter het proces van zelfbeschaming en zelfbescherming.

9 In deze laatste stap kunnen waardevolle inzichten, emotionele processen en mogelijkheden opkomen. Beslist voor jezelf wat je hiermee wilt doen en pas zo nodig eigen coachingstools toe om hiermee verder te werken. Sluit daarna dit zelfonderzoek bewust af.

Als je de oefening hebt kunnen uitvoeren, is er een grote kans dat je in de laatste stappen ontdekt dat we vaak onszelf beschamen om iemand anders te beschermen. Specifiek willen we vaak een relatie beschermen, meestal de vroegere hechtingsrelatie met onze verzorgers. (Heller & Doerne, 2020) Als we stoppen met onszelf te beschamen, komt de onderliggende levendigheid en energie omhoog die in de oorspronkelijke situatie juist leidde tot de beschaming die onvoldoende werd gerepareerd. Hierbij komt vaak eerst enige pijn of ‘oud’ verdriet omhoog, over de verbroken connectie en alleenheid die het kind ervoer.

Als we deze primaire emoties laten ‘voltooien’, begint meestal ook de gestagneerde levensenergie en zelfexpressie te stromen. Daarbij ontdekken we ook dat de innerlijke criticus er in de eerste plaats nooit is geweest. In essentie was het een plek in ons wezen waar de natuurlijke stroming van levendigheid geremd en gestagneerd raakte, door gemis van voldoende verbinding en ondersteuning uit onze (vroege) omgeving.

Conclusie

Ons taalgebruik rondom schaamte (evenals schuld en kritiek) leidt voor veel mensen helaas tot een vanzelfsprekend en opzichzelfstaand bestaan van een schijnbaar onaantastbare innerlijke criticus. Ironisch en enigszins tragisch is hoe mensen soms hun innerlijke criticus beginnen te bekritiseren of aanvallen. We bevechten dan een probleem dat we, mede met onze taal, zelf in het leven hebben geroepen. Het is daarom nodig onze geïnternaliseerde dynamieken van zelfbeschaming te leren doorzien als zijnde precies dat: een dynamiek.

Specifiek willen we vaak een relatie beschermen

Het vervangen van zelfstandige naamwoorden rondom schaamte voor procesgerichte werkwoorden is hierbij een simpele – maar in mijn ervaring radicale – omslag. Dit daagt de vanzelfsprekendheid van schaamte uit, helpt ons te disidentificeren van de innerlijke ‘beschamer’ en stelt ons uiteindelijk in staat gestagneerde levendigheid onder schaamte te ontdooien.

Referenties

• Cornell, A. W. (2013). Focusing in Clinical Practice: The Essence of Change. W. W. Norton & Company.

• Gendlin, E., & Parker, R. A. (2017). A Process Model. Northwestern University Press.

• Heller, L., & Aline LaPierre, P. D. (2012). Healing Developmental Trauma: How Early Trauma Affects Self-Regulation, Self-Image, and the Capacity for Relationship. North Atlantic Books.

• Heller, L., & Doerne, A. (2020). Befreiung von Scham und Schuld: Alte Überlebensstrategien auflösen und Lebenskraft gewinnen. Das Neuroaffektive Beziehungsmodell – NARM TM .

• Hill, D. (2015). Affect Regulation Theory: A Clinical Model. WW Norton & Company.

• Siegel, D. J. (2015). The Developing Mind, Second Edition: How Relationships and the Brain Interact to Shape Who We Are. Guilford Publications.

• Winfrey, O., & Perry, B. D. (2021). What Happened to You?: Conversations on Trauma, Resilience, and Healing. Flatiron Books.