Goede Vrijdag 2021
geloofsgemeenschap H. Hippolytus, Kamerik geloofsgemeenschap St. Franciscus, Oudewater in de parochie Pax Christi
2
STILTE
INLEIDING Vandaag op Goede vrijdag, staan we stil bij het lijden van onze Heer Jezus Christus: hoe Hij de weg gegaan is tot het uiterste toe en bereid was om voor ons te sterven. Hij is niet halverwege omgekeerd, maar heel de weg gegaan. Hij is trouw gebleven aan de opdracht waar Hij voor stond en Hij heeft de beker gedronken, tot de bodem toe. Wij gedenken Hem die weet wat lijden is en die de dood heeft gezien. Hij is het toonbeeld van de mens die de consequenties van zijn levenswijze onder ogen durfde te zien, die van geen wijken wilde weten, zelfs niet met zijn eigen dood voor ogen. Kunnen wij Hem daarin volgen? Wie zal het zeggen… Niet alleen bij het lijden van Christus staan wij stil. In onze wereld zijn er veel mensen die weten wat het is om [ijn te lijden, verdriet te hebben. De media vertellen ons dagelijks over het lijden dichtbij en ver weg. Al dit leed raakt ook ons. Zo vieren wij in dit uur Goede Vrijdag, met eerbied en mededogen voor het lijden van Christus en voor het lijden van mensen in onze wereld. Laten we het stil maken in onszelf om te kunnen bidden tot God…
3
GEBED Gedenk, Heer, wat Gij gedaan hebt in uw barmhartigheid. Blijf uw zegen en bescherming verlenen aan uw dienaren voor wie Christus, uw Zoon, met zijn bloed het paasfeest heeft ingewijd. Die leeft en heerst in de eeuwen der eeuwen. Amen
Lezing Jesaja. ( 52.13 – 53.12) Zie, mijn dienaar zal slagen, hij zal oprijzen en hoog , zeer hoog verheven zijn. Er was een tijd dat velen ontzet waren: zijn verschijning was onmenselijk geschonden, en zijn uiterlijk had niets meer van een mensenkind. Maar eens zal hij alle volken opschrikken, dan sluiten koningen hun monden vanwege hem omdat zij zien wat hen niet is verteld, en begrijpen wat zij nooit hebben gehoord. Wie heeft er geloofd in wat wij hebben gehoord? Aan wie is de arm van Heer getoond? Als een jonge plant schoot hij recht omhoog, als een wortel die in de dorre grond ontkiemt. Zijn uiterlijk noch zijn schoonheid waren het bekijken waard, hij was geen verschijning die onze bewondering wekt.
4
Geminacht en gemeden werd hij door mensen, man van smarten met ziekte vertrouwd, een mens die zijn gezicht voor ons verbergt, door ons geminacht en als niet de moeite waard beschouwd. Hij heeft onze ziekten op zich genomen en onze smarten heeft hij gedragen; wij echter beschouwden hem als een geslagene, door God gekastijd en vernederd. Hij werd doorstoken vanwege onze opstandigheid, vanwege onze zonden werd hij gebroken. Hij werd gestraft; ons bracht het vrede, en dankzij zijn striemen is er genezing voor ons. Wij allen zijn als schapen verloren gelopen, en ieder van ons is eigen wegen gegaan; maar de Heer heeft de schuld van ons allen op hem laten neerkomen. Hij werd gefolterd, maar hij onderwierp zich; hij heeft zijn mond niet geopend, En zoals een schaap dat stom is voor zijn scheerders heeft hij zijn mond niet geopend. Door een gewelddadig vonnis werd hij weggenomen; wie denkt nog over zijn bestemming na? Toch is hij uit het land van de levenden weggerukt, geslagen vanwege de opstandigheid van mijn volk.
5
Men gaf hem een graf bij de boosdoeners en een laatste rustplaats bij de rijken, hoewel hij geen onrecht heeft begaan en er in zijn mond geen bedrog is geweest. Maar het heeft de Heer behaagd hem ziek te maken en te breken. Waarlijk, hij heeft zichzelf tot een zoenoffer gemaakt. Hij zal zijn nakomelingen mogen zien, en lang blijven leven; en wat de Heer behaagt zal door zijn hand slagen. Vanwege het doorstane lijden zal hij het licht mogen zien en met kennis verzadigd worden. Mijn dienstknecht zal zich een rechtvaardige tonen voor velen, hun zonden laadt hij op zich. Daarom geef ik hem zijn deel te midden van de velen, en samen met hun machthebbers verdeelt hij de buit omdat hij zijn leven gaf om te sterven, en zich tot de zondaars liet rekenen. Hij had echter de schuld van velen op zich genomen en kwam zo voor de zondaars op.
Muziek
6
Lijdensverhaal volgens Johannes Rolverdeling
: V, J, P, voorgangers : A, allen
V: In die tijd ging Jezus met zijn leerlingen naar de overkant van de Kidronbeek. Daar liep hij een olijfgaard in, met zijn leerlingen. Judas, zijn verrader, kende deze plek ook, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen. Judas ging ernaartoe, samen met een cohort soldaten en dienaren van de hogepriesters en de Farizeeën. Ze waren gewapend en droegen fakkels en lantaarns. Jezus wist precies wat er met hem zou gebeuren. Hij liep naar hen toe en vroeg: J: ‘Wie zoeken jullie?’ V: Ze antwoordden: A: ‘Jezus uit Nazaret.’ J: ‘Ik ben het,’ V: Judas, zijn verrader, stond erbij. Toen hij zei: ‘Ik ben het,’ deinsden ze achteruit en vielen op de grond. Weer vroeg Jezus: J: ‘Wie zoeken jullie?’ V: en weer zeiden ze: A: ‘Jezus uit Nazaret.’ J: ‘Ik heb jullie al gezegd: Ik ben het, als jullie mij zoeken, laat deze mensen dan gaan.’ V: Zo gingen de woorden in vervulling die hij gesproken had: ‘Geen van hen die u mij gegeven hebt, heb ik verloren laten gaan.’ Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, haalde uit naar de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af; Malchus heette die slaaf. Maar Jezus zei tegen Petrus: 7
J: ‘Steek je zwaard in de schede. Zou ik de beker die de Vader mij gegeven heeft niet drinken?’ V: De soldaten met hun tribuun en de Joodse gerechtsdienaars grepen Jezus en boeiden hem. Ze brachten hem eerst naar Annas, de schoonvader van Kajafas. Kajafas was dat jaar hogepriester en hij was het die de Joden had voorgehouden: ‘Het is goed dat één man sterft voor het hele volk.’ Simon Petrus liep met een andere leerling achter Jezus aan. Deze andere leerling kende de hogepriester en ging met Jezus het paleis van de hogepriester in, maar Petrus bleef buiten bij de poort staan. Daarop kwam de andere leerling, de kennis van de hogepriester, weer naar buiten; hij sprak met de portierster en nam Petrus mee naar binnen. Het meisje sprak Petrus aan: P: ‘Ben jij soms ook een leerling van die man?’ V: Hij zei: P: ‘Nee, ik niet,’ V: De slaven en de gerechtsdienaars stonden zich te warmen bij een vuur dat ze hadden aangelegd omdat het koud was; ook Petrus ging zich erbij staan warmen. De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en over zijn leer. V:Jezus zei: J: ‘Ik heb in het openbaar tot de wereld gesproken. Ik heb steeds onderricht gegeven op plaatsen waar de Joden bij elkaar komen, in synagogen en in de tempel, en nooit heb ik iets in het geheim gezegd. Waarom ondervraagt u mij? Vraag het toch aan de mensen die mij gehoord hebben, zij weten wat ik gezegd heb.’ 8
V: Toen Jezus dat zei, gaf een van de dienaren die erbij stonden, hem een klap in het gezicht: P: ‘Is dat een manier om de hogepriester te antwoorden?’ V: Jezus zei: J: ‘Als ik iets verkeerds gezegd heb, zeg dan wat er verkeerd was, maar als het juist is wat ik heb gezegd, waarom slaat u me dan?’ V: Daarna stuurde Annas hem geboeid naar Kajafas, de priester. Simon Petrus stond zich intussen nog steeds te warmen toen iemand hem vroeg: P: ‘Ben jij soms ook een leerling van hem?’ V: Hij ontkende het en zei: P: ‘Nee, ik niet.’ V: Maar een van de slaven van de hogepriester, een familielid van de man van wie Petrus het oor had afgeslagen, zei: P: ‘Maar ik heb toch gezien dat je bij hem was in de olijfgaard?’ V: Weer ontkende Petrus, en meteen kraaide er een haan. V: Toen werd Jezus van Kajafas naar het pretorium gebracht. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf gingen ze niet naar binnen, om zich niet te verontreinigen voor het pesachmaal. Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg: P: ‘Waarvan beschuldigt u deze man?’ V: Ze antwoordden: A: ‘Als hij geen misdadiger was, zouden we hem niet aan u uitgeleverd hebben.’ V:Pilatus zei: 9
P: ‘Neem hem dan mee, en veroordeel hem volgens uw eigen wet.’ V: Maar de Joden wierpen tegen: A: ‘Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen.’ V: Zo ging de uitspraak van Jezus in vervulling waarin hij aanduidde welke dood hij sterven zou. Nu ging Pilatus het pretorium weer in. Hij liet Jezus bij zich komen en vroeg hem: P: ‘Bent u de koning van de Joden?’ V: Jezus antwoordde: J: ‘Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over mij gezegd?’ V: Pilatus zei: P: ‘Ik ben toch geen Jood, uw volk en uw hogepriesters hebben u aan mij uitgeleverd – wat hebt u gedaan?’ V: Jezus antwoordde: J: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.’ V: Pilatus zei: P: ‘U bent dus koning?’ V: Jezus zei: J: ‘U zegt dat ik koning ben, Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat ik zeg.’ V: Hierop zei Pilatus: P: ‘Maar wat is waarheid?’ 10
V: Na deze woorden ging hij weer naar de Joden buiten en zei: P: ‘Ik heb geen schuld in hem gevonden, maar het is bij u gebruikelijk dat ik met Pesach iemand vrijlaat – wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’ V: Toen begon iedereen te schreeuwen: A: ‘Hem niet, maar Barabbas!’ V: Barabbas was een misdadiger. Toen liet Pilatus Jezus geselen. De soldaten vlochten een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en deden hem een purperen mantel aan. Ze liepen naar hem toe en zeiden: A: ‘Leve de koning van de Joden!’ V: en ze sloegen hem in het gezicht. V. Pilatus liep weer naar buiten en zei: P: ‘Ik zal hem hier buiten aan u tonen om u duidelijk te maken dat ik geen enkel bewijs van zijn schuld heb gevonden.’ V: Daarop kwam Jezus naar buiten, met de doornenkroon op en de purperen mantel aan. Pilatus zei: P: ‘Hier is hij, de mens,’ V: Maar toen de hogepriesters en de gerechtsdienaars hem zagen begonnen ze te schreeuwen: A: ‘Kruisig hem, kruisig hem!’ V: Toen zei Pilatus: P: ‘Neem hem dan maar mee en kruisig hem zelf, want ik zie niet waaraan hij schuldig is.’ V: De Joden zeiden: A: ‘Wij hebben een wet die zegt dat hij moet sterven, omdat hij zich de Zoon van God heeft genoemd.’
11
V: Toen Pilatus dat hoorde werd hij erg bang. Hij ging het pretorium weer in en vroeg aan Jezus: P: ‘Waar komt u vandaan?’ V: Maar Jezus gaf geen antwoord. Pilatus vroeg: P: ‘Waarom zegt u niets tegen mij? Weet u dan niet dat ik de macht heb om u vrij te laten of u te kruisigen?’ V: Jezus antwoordde: J: ‘De enige macht die u over mij hebt, is u van boven gegeven. Daarom draagt degene die mij aan u uitgeleverd heeft de meeste schuld.’ V: Vanaf dat moment wilde Pilatus hem vrijlaten. Maar de Joden riepen: A: ‘Als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer, want iedereen die zichzelf tot koning uitroept pleegt verzet tegen de keizer.’ V: Pilatus hoorde dat, liet Jezus naar buiten brengen en nam plaats op de rechterstoel op het zogeheten Mozaïekterras, in het Hebreeuws Gabbata. Het was rond het middaguur op de voorbereidingsdag van Pesach. Pilatus zei tegen de Joden: P: ‘Hier is hij, uw koning.’ V: Meteen schreeuwden ze: A: ‘Weg met hem, weg met hem, aan het kruis met hem!’ V: Pilatus vroeg: P: ‘Moet ik uw koning kruisigen?’ V: Maar de hogepriesters antwoordden: A: ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’ V: Toen droeg Pilatus hem aan hen over om hem te laten kruisigen.
12
Zij voerden Jezus weg; Hij droeg zelf het kruis naar de zogeheten Schedelplaats, in het Hebreeuws Golgota. Daar kruisigden ze hem, met twee anderen, aan weerskanten één, en Jezus in het midden. Pilatus had een inscriptie laten maken die op het kruis bevestigd werd. Er stond op ‘Jezus uit Nazaret, koning van de Joden’. Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks, en omdat de plek waar Jezus gekruisigd werd dicht bij de stad lag, werd deze inscriptie door veel Joden gelezen. De hogepriesters van de Joden zeiden tegen Pilatus: A: ‘U moet niet “koning van de Joden” schrijven, maar “Deze man heeft beweerd: Ik ben de koning van de Joden”.’ P: ‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.’ V: Nadat ze Jezus gekruisigd hadden, verdeelden de soldaten zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel. Maar zijn onderkleed was in één stuk geweven, van boven tot beneden. Ze zeiden tegen elkaar: A: ‘Laten we het niet scheuren, maar laten we loten wie het hebben mag.’ V: Zo ging in vervulling wat de Schrift zegt: ‘Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot om mijn mantel.’ Dat is wat de soldaten deden.
13
Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria uit Magdala. Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder: J: ‘Dat is uw zoon,’ V: en daarna tegen de leerling: J: ‘Dat is je moeder.’ V: Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis. Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei hij: J: ‘Ik heb dorst.’ V: Er stond daar een vat water met azijn; ze staken er een majoraantak met een spons in en brachten die naar zijn mond. Nadat Jezus ervan gedronken had zei hij: J: ‘Het is volbracht.’ V: Hij boog zijn hoofd en gaf de geest. Als u kunt mag u tijdens de stilte knielen Aangezien het voorbereidingsdag was en de Joden niet wilden dat de lichamen op Sabbath aan het kruis bleven, het was bovendien een grote Sabbath, vroegen zij aan Pilatus verlof de benen van de gekruisigden te breken en hen weg te nemen. Daarom kwamen de soldaten en sloegen zowel bij de ene als bij de andere die met Hem gekruisigd was de benen stuk. Toen zij echter bij Jezus kwamen en zagen dat Hij reeds dood was, sloegen zij Hem de benen niet stuk, maar een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans. Terstond kwam er bloed en water uit. Die het gezien heeft getuigt hiervan. 14
Zijn getuigenis is waar en hij weet dat hij de waarheid zegt, opdat ook gij zoudt geloven. Dit is gebeurd opdat de Schrift zou worden vervuld: ‘Van zijn gebeente zal niets worden verbrijzeld’, terwijl nog een ander Schriftwoord zegt: ‘Zij zullen opzien naar Hem die zij hebben doorstoken.’ Na deze gebeurtenissen vroeg Josef uit Arimatea – die uit vrees voor de Joden in het geheim een leerling van Jezus was – aan Pilatus of hij het lichaam van Jezus mocht meenemen. Pilatus gaf toestemming en Josef nam het lichaam mee. Nikodemus, die destijds ’s nachts naar Jezus toe gegaan was, kwam ook; hij had een mengsel van mirre en aloë bij zich, wel honderd litra’s. Ze wikkelden Jezus’ lichaam met de balsem in linnen, zoals gebruikelijk is bij een Joodse begrafenis. Dicht bij de plaats waar Jezus gekruisigd was lag een olijfgaard, en daar was een nieuw graf, waarin nog nooit iemand begraven was. Omdat het voor de Joden voorbereidingsdag was en dat graf dichtbij was, legden ze Jezus daarin.
Muziek
15
Voorbede Na elke intentie gebed in stilte;
Omwille van dit overleven, omwille van ons voortbestaan richten we ons tot U, God, U die ons uw Naam bekendmaakte: Ik Ben, U bent er, voor ons, hier en nu, vandaag. Hoor ons dan als wij U bidden: • voor kinderen, vrouwen en mannen die lijden onder oorlogsgeweld, die dakloos geraakt zijn door plundering en verwoesting, die geliefden moeten achterlaten niet wetend of ze nog in leven zijn; wees voor hen de hand die hen behoedt... • voor mensen, waar ter wereld ook, die gemarteld worden, geïntimideerd, verkracht, vermoord om hun schamel bezit, om een standvastige overtuiging, om volharding en moed; wees voor hen de hand die hen opvangt... • voor mensen die lijden aan het leven, beschadigd door vele teleurstellingen, voor wie vastgelopen zijn, geen hoop meer koesteren, voor allen die ziek zijn en geen perspectief hebben op genezing; wees voor hen de hand die hen ondersteunt... 16
• voor mensen die leven met het grote verdriet van een lege plaats in hun midden, die slechts met herinneringen een nieuw bestaan moeten opbouwen, die zich zo dikwijls eenzaam voelen en onbegrepen; wees voor hen de hand die hen troost en vasthoudt... God, maak uw heilige Naam waar. Wees er voor ons, wees er voor allen die in hun nood tot U bidden. strek uw handen naar ons uit en bewaar ons. Laat ons nooit los, niet in het leven, niet in de dood, niet in alle eeuwigheid. Amen.
Kruishulde: V. (3x) Aanschouwt dit kostbaar kruis waar aan de Redder heeft gehangen A.
Komt, laten wij aanbidden. Komt, laten wij aanbidden. .
Nadat de voorgangers de kruishulde hebben gebracht wordt U in de gelegenheid gesteld eer te brengen aan Jezus Christus door naar voren te komen, in een stille tocht langs het kruis te trekken, een bloem te leggen of een waxinelichtje te ontsteken en eenvoudig het hoofd te buigen. 17
Onze Vader Onze Vader,die in de hemel zijt, uw naam worde geheiligd, uw rijk kome, uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren, en breng ons niet in beproeving, maar verlos ons van het kwade. Amen.
Muziek
Gebed over het volk Heer, wij bidden U: laat overvloedige zegen neerdalen over uw volk dat in de hoop op zijn verrijzenis de dood van uw Zoon heeft herdacht. Schenk het vergeving en bied het vertroosting, laat het geloof groeien en de verlossing voor altijd bevestigd worden. Door Christus onze Heer. Amen.
We verlaten in stilte de kerk. De lichten worden gedoofd.
18
19
20