Als schoonheidsspecialist behandel je het gehele lichaam.
Het lichaam is opgebouwd uit verschillende soorten weefsel. Het verschilt per behandeling met welk type weefsel je te maken hebt. Bij een gezichtsbehandeling heb je bijvoorbeeld te maken met epitheelweefsel, maar bij een massage vooral met bindweefsel en spierweefsel. Deze weefsels bestaan uit cellen. Een cel is het kleinste onderdeel van het lichaam.
Celmembraan
Cellichaam
Cytoplasma
Celkern
Kernmembraan Kernplasma
Chromosomen
1.1
Cellen
Cellen komen voor in levende organismes, zoals mensen, dieren en planten. Een cel is het kleinste zelfstandige onderdeel van een levend organisme. Elke cel heeft functies voor belangrijke levensverrichtingen, zoals groei, voortplanting, beweging, stofwisseling en prikkelbaarheid.
Ons lichaam bestaat uit miljoenen cellen die samen weefsels vormen. Deze weefsels vormen weer organen en alle organen samen vormen ons lichaam. Er zijn ook organismen die uit maar één cel staan. Dit zijn bijvoorbeeld de amoebe (een dierlijke cel) of bacteriën (een plantaardige cel).
Bouw van de cel
Een cel bestaat uit een celmembraan, een cellichaam en een celkern. Het cellichaam en de celkern bestaan elk uit verschillende onderdelen.
Celmembraan
Het celmembraan is een heel dun vliesje om de cel. Dit is zo dun dat het bepaalde stoffen kan doorlaten. Dit wordt halfdoorlaatbaar of semipermeabel genoemd. De stoffen kunnen zowel de cel in als de cel uit. Zo worden er voedingsstoffen en zuurstof opgenomen en afvalstoffen afgegeven.
Doorsnede van een cel
Cellichaam
Het cellichaam bestaat uit cytoplasma
Het cytoplasma bestaat voor 75% uit water. Voor de rest bestaat het uit voedingsstoffen zoals eiwitten, koolhydraten, mineralen en lipoïden (vetachtige stoffen). De stoffen in het cytoplasma zijn belangrijk voor de celstofwisseling en de energievoorziening in het lichaam.
Organellen
In het cellichaam zitten verschillende organellen. Dat zijn onderdelen van de cel met een speciale functie. Voorbeelden van organellen zijn mitochondriën, ribosomen en vacuolen. Mitochondriën spelen een belangrijke rol bij de energievoorziening, ribosomen zorgen voor de opbouw van eiwitten en vacuolen slaan vocht op. De celkern is ook een organel.
Celkern
Binnen in de cel zit de celkern (nucleus). De celkern is, net als de cel zelf, omgeven door een wand. Dat is de kernwand of het kernmembraan. Binnen de kernwand zit kernplasma. Het kernplasma heeft dezelfde samenstelling als het cytoplasma. Het kernplasma en het cytoplasma heten samen het protoplasma.
WIST JE DAT?
HET CYTOPLASMA
IN ONZE CELLEN WORDT
MINDER VLOEIBAAR ALS
WE OUDER WORDEN.
In de celkern worden alle levensprocessen van de cel geregeld, zoals stofwisseling en groei. In de celkern zit ook de stof chromatine, in de vorm van chromatinekorrels. Als de celkern zich deelt, vormen deze chromatinekorrels lange draden. Dit zijn chromosomen. Chromosomen bestaan uit DNA. In bepaalde delen van het DNA zit erfelijke informatie, de genen. De genen zorgen voor het doorgeven van erfelijke eigenschappen. Een menselijke celkern bevat 46 chromosomen, verdeeld over 23 paren.
Functies van cellen
Elke soort cel heeft een eigen bouw en functie. Sommige cellen kunnen bewegen, zoals witte bloedcellen. Andere cellen, zoals spiercellen, zijn met elkaar verbonden en kunnen zich niet verplaatsen. De functies van de cel, ook wel de levensverrichtingen, zijn verdeeld in animale levensverrichtingen en vegetatieve levensverrichtingen.
Animale levensverrichtingen
Animale levensverrichtingen zijn functies die ervoor zorgen dat de cel kan reageren op veranderingen van de omgeving. Deze levensverrichtingen zijn prikkelbaarheid, prikkelverwerking en beweging. Een cel kan bijvoorbeeld reageren op mechanische en chemische prikkels, hormonen en prikkels vanuit de omgeving zoals warmte, kou, druk en licht. Daarnaast kunnen het cellichaam en onderdelen van het cellichaam veranderen van vorm en plaats. Cellen kunnen zich daardoor bewegen.
Vegetatieve levensverrichtingen
Train je kennis over celopbouw met de online trainer. Snelcode 26028
In de celkern worden alle levensprocessen van de cel geregeld.
Vegetatieve levensverrichtingen zijn functies die het voortbestaan mogelijk maken, zoals groei, stofwisseling en voortplanting. Groei vindt plaats doordat de grootte van cellen toeneemt of het aantal cellen toeneemt door celdeling. Stofwisseling is de opname van voedingsstoffen en zuurstof en de afgifte van afvalstoffen. De cel heeft voedingsstoffen en zuurstof nodig om goed te kunnen functioneren. Bij de verbranding van voedingsstoffen komen warmte, energie en afvalstoffen vrij. De warmte zorgt voor een lichaamstemperatuur van ongeveer 37 °C bij de mens. Afvalstoffen verlaten de cel en worden in het bloed opgenomen en zo afgevoerd.
Voor het voortbestaan van een soort is het belangrijk dat cellen zich kunnen voortplanten.
Bij de mens en veel diersoorten gebeurt dit uit de samensmelting van een zaadcel en een eicel. Het moment van bevruchting kun je niet zelf regelen en is daarom een vegetatieve levensverrichting.
Celdeling
Hoe intensiever een cel gebruikt wordt, hoe korter de cel leeft. De levensduur verschilt dus per soort cel. Een huidcel leeft ongeveer 28 dagen, maar een witte bloedcel leeft vier tot vijf dagen. De meeste cellen vernieuwen zich zelfstandig, door celdeling. Er zijn twee vormen van celdeling: directe celdeling en indirecte celdeling.
Bij directe celdeling delen het cellichaam en de celkern zich tegelijkertijd. De cel wordt in tweeën gesplitst en zo ontstaat er een nieuwe cel. Directe celdeling komt alleen voor bij eencellige organismen. Menselijke cellen delen zich altijd door indirecte celdeling . Hierbij deelt de celkern zich eerst, daarna volgt pas de deling van het cellichaam. Er zijn twee vormen van indirecte celdeling: mitose en meiose.
WIST JE DAT?
RODE BLOEDCELLEN DELEN ZICH NIET, MAAR WORDEN IN HET BEENMERG AANGEMAAKT. ZENUWCELLEN HEB JE VANAF JE GEBOORTE GENOEG EN HOEVEN NIET TE WORDEN VERNIEUWD.
WIST JE DAT?
EEN VOLLEDIGE
CELDELING DUURT
30 MINUTEN TOT
TWEE UUR.
Mitose en meiose
Mitose is een indirecte celdeling. Er ontstaat een exacte kopie van de oorspronkelijke cel. Meiose is een indirecte celdeling die alleen plaatsvindt bij geslachtscellen. Bij meiose halveert het aantal chromosomen in de cel. Meiose wordt daarom ook wel reductiedeling genoemd. Meiose bestaat uit twee fases.
Test je kennis over cellen met de online boekcheck. Snelcode 27254
Behoefte aan uitleg van een expert?
Bekijk dan de online masterclass over cellen. Snelcode 21253
Mitose
1 In een cel liggen 23 chromosomenparen. Elk chromosomenpaar verdubbelt zich. Daardoor ontstaan twee identieke draden die aan elkaar vastzitten. Deze draden hebben een Xvorm en heten chromatiden
2 Geleidelijk aan verdwijnt het kernmembraan van de celkern. Vervolgens verplaatsen alle chromatiden zich naar het midden van de cel.
3 Er ontstaan dunne draden die de chromatiden uit elkaar trekken.
4 Er ontstaan nieuwe kernmembranen rondom de chromosomen en het cytoplasme snoert zich in. De celdeling heeft plaatsgevonden. Nu zijn er twee identieke cellen met 23 chromosomenparen ontstaan.
TIP IN HET HOOFDSTUK ‘HORMOONSTELSEL’ LEES JE WAAROM MEIOSE NODIG IS BIJ DE VOORTPLANTING.
Meiose
Fase 1
1 De 23 chromosomenparen verdubbelen zich en er ontstaan Xvormige chromatiden.
2 De chromatiden gaan bij elkaar liggen en het kernmembraan verdwijnt. Er ontstaan dunne draden die de chromatiden naar de uiteinden van de cel toe trekken.
3 Aan elke kant van de cel ligt nu van elk chromosomenpaar één chromatide. Er zijn nu 23 chromatiden in plaats van 23 chromosomenparen.
4 Er komt een kernmembraan om elk groepje chromatiden en de cel deelt zich in tweeën.
Fase 2
5 De Xvormige chromatiden gaan in het midden van de cel liggen.
6 Beide pootjes van de Xvormige chromatide worden uit elkaar getrokken. Zo liggen er aan elke kant van de cel 23 losse chormosomen. Om elk groepje van 23 chromosomen ontstaat een kernmembraan en de cel deelt zich in tweeën.
7 Er zijn nu vier verschillende cellen met verschillende chromosomen ontstaan.
1.2 Epitheelweefsel
De cellen van ons lichaam verschillen nogal van elkaar. Dat is ook nodig omdat ze verschillende taken hebben. Een groep cellen met dezelfde vorm, functie, celtussenstof en celafkomst vormt een weefsel. Elk weefsel in ons lichaam heeft een eigen functie:
Epitheelweefsel functioneert als beschermend dekweefsel of scheidt stoffen af.
Steunweefsel geeft steun en stevigheid aan het lichaam.
Zenuwweefsel geeft in het lichaam signalen door en verwerkt ze.
Spierweefsel maakt beweging mogelijk.
In deze paragraaf wordt epitheelweefsel behandeld, de andere weefsels in de volgende paragrafen.
Epitheelweefsel is opgebouwd uit epitheelcellen. De cellen liggen dicht tegen elkaar aan, omdat er weinig of geen celtussenstof aanwezig is. Epitheelweefsel bekleedt alle inwendige en uitwendige oppervlakken van het lichaam, zoals vliezen, bloedvaten en de huid. Klieren zijn ook opgebouwd uit epitheelweefsel. Epitheelweefsel wordt ingedeeld op basis van:
het aantal lagen
de vorm
de functie
Aantal lagen
Epitheelweefsel kan uit één of meerdere lagen cellen bestaan. Eenlagig epitheel bestaat uit één laag cellen. Dit wordt ook wel endotheel genoemd. De binnenbekleding van alle bloedvaten is eenlagig epitheel. Meerlagig epitheel bestaat uit meerdere lagen cellen. Onder andere de opperhuid is meerlagig epitheel.
Vorm
Cellen van het epitheelweefsel kunnen verschillende vormen hebben. Alle vormen zijn zowel eenlagig als meerlagig terug te vinden in het lichaam.
Cilindrisch epitheel
Vorm
bestaat uit hoge cellen
Lagen
altijd eenlagig
lijkt meerlagig, omdat de celkernen op verschillende hoogten liggen
In het lichaam
in het slijmvlies van de darmen en de maag
in de basaalcellenlaag van de opperhuid
Kubisch eptiheel
Vorm
bestaat uit vierkante cellen
cellen zijn even hoog als breed
Lagen
eenlagig of meerlagig
In het lichaam
eenlagig kubisch epitheel in de eierstokken en nierkanaaltjes
meerlagig kubisch epitheel in de opperhuid
Plaveiselepitheel
Vorm
bestaat uit platte cellen
Lagen eenlagig of meerlagig
In het lichaam
eenlagig plaveiselepitheel aan de binnenkant van de bloed en lymfevaten, in het hart en aan de binnenkant van de wanden van de luchtpijptakjes en de longblaasjes
meerlagig plaveiselepitheel in de slokdarm en in de opperhuid
Functie
Epitheelweefsel kan verschillende functies hebben. Het kan bedekkend of afscheidend zijn en een vervoersfunctie hebben.
Bedekkend epitheel
Bedekkend epitheel beschermt het lichaam tegen schadelijke invloeden van buitenaf. De opperhuid is het bekendste voorbeeld van bedekkend epitheel.
Daarnaast bekleedt epitheelweefsel de binnenkant van de inwendige, holle organen zoals het hart, de longen, de bloed en lymfevaten en de blaas.
Afscheidend epitheel
Afscheidend epitheel wordt ook klierweefsel genoemd. Klierweefsel scheidt stoffen in of buiten het lichaam af en heeft daardoor ‘afscheiden’ als functie. Er zijn twee soorten klieren: eencellige klieren en meercellige klieren. De eencellige klieren zijn slijmvliezen zoals het neusslijmvlies. De slijmvliezen scheiden slijm af, waardoor het oppervlak van het weefsel vochtig en glad blijft.
Epitheel met een vervoersfunctie
Trilhaarepitheel is epitheel met een vervoersfunctie. Het is een bijzondere vorm van cilindrisch epitheel. Dit is eenlagig epitheelweefsel met trilharen aan de oppervlakte van de cellen. De kleine trilharen kunnen door hun beweging stoffen vervoeren. Deze trilharen bewegen zich langzaam in één richting en keren daarna snel terug in hun oorspronkelijke stand. Dit werkt als een lopende band, waardoor het weefsel stoffen kan verplaatsen.
De trilharen in de luchtwegen zorgen er bijvoorbeeld voor dat de stofdeeltjes en de bacteriën die je inademt, in het slijm blijven hangen. Het stof gaat via de trilharen naar de mondholte en vervolgens slik je dit stof door. Zo beschermen je trilharen je longen tegen vreemde stoffen.
Trilhaarepitheel komt onder andere voor in de slijmvliezen van de luchtwegen, in de eileiders en in de buis van Eustachius.
De meeste klieren zijn meercellige klieren. Deze klieren kunnen ingedeeld worden op basis van de manier van afscheiden en de functie. Er zijn exocriene klieren, endocriene klieren en endoexocriene klieren.
Exocriene klieren hebben een afvoerbuis. Het product dat de klier maakt, wordt afgescheiden via die afvoerbuis. De afvoerbuis van exocriene klieren kan drie verschillende vormen hebben. Er zijn: buisvormige klieren (tubulaire klieren), zoals de zweetklieren;
trosvormige klieren (alveolaire klieren), zoals de talgklieren, de melkklieren en de speekselklieren;
gemengde klieren (tubulo alveolaire klieren), zoals de oorspeekselklier. Gemengde klieren zijn zowel buis als trosvormig.
Buisvormige, trosvormige en gemengde klieren
Trilhaarepitheel
Soorten exocriene klieren
Er zijn drie soorten exocriene klieren:
Eccriene klieren scheiden alleen het product af dat in de klier gemaakt wordt. Voorbeelden: speekselklier, kleine zweetklier.
Apocriene klieren scheiden het product en een deel van de kliercel af. Voorbeelden: grote zweetklier in de oksel, melkklier, oorsmeerklier.
Holocriene klieren scheiden het product en de gehele kliercel af. Voorbeeld: talgkier. Die scheidt de hele talgkliercel en het product talg af.
Endocriene klieren hebben geen afvoerbuis, maar geven hun afscheiding direct aan het bloed af. Hormoonklieren zijn allemaal endocriene klieren. Je vindt ze in de borst en buikholte, de schedel en in de hals.
Endo-exocriene klieren scheiden hun product direct aan het bloed af, maar hebben ook een afvoerbuis. Voorbeelden hiervan zijn de geslachtsklieren en de alvleesklier. De geslachtsklieren geven bijvoorbeeld geslachtshormonen af aan het bloed (endocrien) en zaad of eicellen aan het lichaam (exocrien). De alvleesklier geeft via een afvoerbuis alvleessap aan de twaalfvingerige darm (exocrien) en de hormonen insuline en glucagon direct aan het bloed (endocrien).
Endocriene klieren, exocriene klieren en endoexocriene klieren kunnen verschillende stoffen uitscheiden. Dat kunnen nuttige stoffen of afvalstoffen zijn. Het afscheiden van nuttige stoffen heet secretie of incretie. Het uitscheiden van afvalstoffen heet excretie.
Secretieklieren scheiden stoffen af die nuttig zijn voor het lichaam. Voorbeelden van secreten zijn talg, dat de huid en het haar soepel houdt, en speeksel, dat de spijsvertering helpt.
Incretieklieren geven stoffen direct aan het bloed. Hormonen zoals insuline en glucagon zijn voorbeelden van increten.
Excretieklieren scheiden afvalstoffen uit. Zweet is bijvoorbeeld een excreet.
1.3
Steunweefsel
Steunweefsel heeft een andere opbouw dan epitheelweefsel. De cellen van steunweefsel liggen niet tegen elkaar aan, maar zijn juist gescheiden door celtussenstof. Er zijn drie soorten steunweefsel, met allemaal een andere soort celtussenstof:
bindweefsel, met een vezelige tussenstof;
kraakbeenweefsel, met een veerkrachtige tussenstof;
beenweefsel, met een harde tussenstof.
Bindweefsel
Bindweefsel is het meest voorkomende steunweefsel in het lichaam. Het bestaat uit bindweefselcellen, bindweefselvezels en celtussenstof.
Hierin zitten weer verschillende andere stoffen en cellen (zie schema). Je vindt bindweefsel in de huid, pezen, gewrichten, botten en wanden van bloedvaten.
Bindweefselcellen
Er zijn drie soorten bindweefselcellen: fibroblasten, mestcellen en macrofagen.
Fibroblasten spelen een belangrijke rol bij:
aanmaak van bindweefsel
opbouw van bindweefselvezels
vorming van celtussenstof
vorming van hyaluronzuur
Mestcellen hebben als functie:
wondreparatie
produceren van histamine
Macrofagen zorgen voor fagocytose.
De schildklier in de hals is een endocriene KLIER.
Fibroblasten
Bindweefselcellen
Macrofagen
Collagene vezels
Bindweefselvezels
Elastische vezels
Reticulinevezels
Anatomie van bindweefsel
Celtussenstof
Mestcellen
Histamine
Anatomie van bindweefsel
Als er bindweefselvorming nodig is op een bepaalde plek in het lichaam, worden fibroblasten geactiveerd. Ze delen zichzelf en gaan naar de plek waar ze nodig zijn. Fibroblasten kunnen zich bewegen omdat ze de eiwitvezels actine en myosine bevatten.
Bindweefselvezels
Er zijn drie soorten bindweefselvezels: collagene vezels, elastische vezels en reticulinevezels.
Collagene vezels zijn opgebouwd uit het eiwit collageen. Dit is erg sterk en kan niet meerekken. Hoe meer collagene vezels in het bindweefsel zitten, hoe sterker het weefsel is. Collagene vezels komen bijvoorbeeld voor in de lederhuid.
Elastische vezels zijn opgebouwd uit het eiwit elastine. De vezels kunnen tot twee keer hun eigen lengte uitgerekt worden en veren dan weer terug tot hun eigen lengte. Dit werkt net als elastiek. Elastische vezels zitten op veel plekken in het lichaam.
Reticulinevezels bestaan net als collagene vezels uit eiwitten. Deze vezels zijn veel dunner en fijner van structuur dan collagene vezels en vormen een groot netwerk. Reticulinevezels zitten op plaatsen waar bindweefsel grenst aan ander weefsel, bijvoorbeeld rond organen en in de lederhuid.
WIST JE DAT?
ELASTISCHE VEZELS
ZIJN VAAK IN COMBINATIE
MET COLLAGEENVEZELS
TE VINDEN. ZO WORDT
WEEFSEL STEVIG DOOR
HET COLLAGEEN, MAAR
REKBAAR DOOR DE ELASTISCHE VEZELS.
Reticulinevezels
Mestcellen
Elastische vezels
Collagene vezels
Bindweefsel kan verschillende soorten vezels bevatten.
Celtussenstof
Celtussenstof is de stof die cellen en vezels met elkaar verbindt en de ruimte ertussen opvult. Het wordt ook wel grondsubstantie genoemd. De bindweefseltussenstof verschilt voor verschillende typen bindweefsel. In de meeste bindweefsels is het grootste gedeelte water, waardoor het vloeibaar en zacht is. Andere typen tussenstof bestaan uit suiker of eiwitketens, die het elastisch maken. Bindweefseltussenstof in het bot is juist keihard door kalkzouten.
Soorten bindweefsel
De verhouding tussen bindweefseltussenstof en de vezels bepaalt het soort bindweefsel. Er zijn verschillende soorten bindweefsel.
Vast bindweefsel bevat veel collagene vezels en weinig elastische en reticulinevezels. De collagene vezels vormen samen vezelbundels die een grote trekkracht kunnen opvangen. In ons lichaam zijn het beenvlies, de pezen en de banden om gewrichten opgebouwd uit vast bindweefsel.
Dicht bindweefsel bestaat uit een dicht netwerk van elastische en collagene vezels. De lederhuid bestaat uit dicht bindweefsel, waardoor de huid stevigheid krijgt.
Losmazig bindweefsel is een los netwerk van elastische en reticulinevezels. Er zitten weinig collagene vezels in dit netwerk. Daardoor is het zacht en gemakkelijk te vervormen. Het losmazige weefsel van de onderhuid zorgt ervoor dat de huid op de onderlaag heen en weer kan schuiven.
Reticulair bindweefsel heeft een losmazige structuur, maar bestaat uit alleen reticulinevezels.
TIP IN HET HOOFDSTUK ‘HUID’ LEES JE MEER OVER DE OPBOUW VAN DE HUID.
Functie van bindweefsel
Alle typen bindweefsels steunen en verbinden de weefsels in het lichaam. Op sommige plekken in het lichaam maakt bindweefsel bloedcellen aan of slaat het vet op.
Reticulair bindweefsel heeft bijvoorbeeld een belangrijke functie bij het aanmaken van bloedcellen en bloedplaatjes. Dit weefsel zit in het rode beenmerg en in het lymfoïde weefsel in de lymfeknopen. In de lymfeknopen worden onder andere de lymfecellen gevormd. Deze zijn belangrijk voor de afweer en het immuunsysteem.
In losmazig weefsel kan vet worden opgeslagen. Er ontstaat dan vetweefsel dat bestaat uit losmazig weefsel met veel vetcellen. Het lichaam slaat voedsel dat niet direct gebruikt wordt op als vetbolletjes in de vetcellen. Dit vet kan later weer gebruikt worden als voeding. Vetweefsel heeft, naast een opslagfunctie, ook een steunfunctie voor organen en een isolerende functie voor het lichaam. In de huid zorgt vetweefsel voor spanning in de huid en geeft het vorm aan het lichaam, bijvoorbeeld bij de borsten en in de schouders.
Bekijk de uitleg van een expert over bindweefsel in de online masterclass.
Snelcode 21034
Pezen en banden bestaan uit vast bindweefsel.
Kraakbeenweefsel
Kraakbeen is een elastisch en veerkrachtig steunweefsel. Het is wit van kleur en glad aan de oppervlakte. Kraakbeen bevat weinig bloedvaten en geneest daardoor moeilijk. Kraakbeenweefsel heeft verschillende functies:
Het biedt steun aan weke delen in het lichaam.
Het verbindt verschillende beenderen, zoals de tussenwervelschijven de rugwervels verbinden.
Het is een glijvlak voor gewrichten, zoals in je enkel.
Het geeft vorm aan het lichaam, zoals in je neus of je oren.
Soorten kraakbeen
Er zijn drie soorten kraakbeen. Deze soorten verschillen van elkaar in structuur en bouw.
Elastisch kraakbeenweefsel is gemakkelijk vervormbaar. Er zitten namelijk veel elastische vezels in. Elastisch kraakbeen komt voor in de neusvleugels en in de oorschelpen.
Glasachtig kraakbeenweefsel wordt ook wel hyalien kraakbeen genoemd. Het weefsel is opgebouwd uit een doorschijnende tussenstof, dunne collagene vezels en elastische vezels. Het kraakbeen is daardoor stevig, maar wel soepel.
Glasachtig kraakbeenweefsel bekleedt de uiteinden van de gewrichten en komt voor als verbinding tussen de ribben en het borstbeen. Daardoor kan de borstkas op en neer bewegen tijdens de ademhaling.
Vezelig kraakbeenweefsel is sterk en stevig omdat het veel collagene vezels heeft. Dit kraakbeen komt daardoor voor op plaatsen in het lichaam waar grote druk en kracht op staat, zoals de tussenwervelschijven en de meniscus.
Tussenwervelschijven zijn van vezelig kraakbeen.
Beenweefsel
Het beenweefsel is een hard en stevig weefsel. Het wordt ook wel botweefsel genoemd en is de basis van het skelet. Beenweefsel heeft verschillende functies:
Het geeft vorm en steun aan het lichaam.
Het beschermt belangrijke organen, zoals de hersenen.
Het zorgt voor vorming van bloedcellen.
Het is een aanhechtingsplaats voor de spieren.
Opbouw van beenweefsel
Beenweefsel bestaat uit cellen met een vaste, harde tussenstof en collageenvezels. Het heeft veel bloedvaten en is hard en stevig. Dat komt door kalkzouten.
Botten bestaan uit verschillende gedeeltes. Van buiten naar binnen is een bot als volgt opgebouwd:
beenvlies
compact been
sponsachtig been
mergholte
TIP IN HET HOOFDSTUK ‘SKELET’ LEES JE MEER OVER DE BOUW EN FUNCTIES VAN HET SKELET.
Glasachtig kraakbeen
Glasachtig kraakbeenweefsel is soepel en stevig. Deze doorschijnende tussenstof bekleedt de uiteinden van de gewrichten. Het weefsel bestaat uit dunne collagene vezels en elastische vezels.
Compact
been
Compact been is de buitenste laag van het bot. Het is een dicht, aaneengesloten geheel zonder openingen en is hard en wit van kleur.
Sponsachtig been
Sponsachtig been zit in het compacte been. Het wordt ook wel spongieus been genoemd. De structuur van sponsachtig been is open: er zitten allerlei holtes in.
Er is een netwerk van beenbalkjes die gerangschikt zijn in de richting van de grootste druk of trek op het bot. In de ruimte die ontstaat tussen de balkjesstructuur zit rood beenmerg.
Beenvlies
Beenvlies zit om het beenweefsel heen. Het wordt ook wel periost genoemd. Deze bindweefsellaag zit om het bot heen en bevat veel zenuwen en bloedvaten. Het vlies is belangrijk voor de groei van het bot. Vanuit het beenvlies lopen er in de lengte en dwarsrichting kanaaltjes door het been die het hele beenweefsel voorzien van bloed.
Mergholte
De mergholte is de holte in het bot die gevuld is met rood en geel beenmerg. Geel beenmerg is vooral aanwezig in het middelste gedeelte van pijpbeenderen. In het gele beenmerg in de mergholte zit veel vet.
Zijaanzicht van een bot
Dwarsdoorsnede van een bot
1.4
Zenuwweefsel
Het zenuwstelsel is opgebouwd uit zenuwweefsel.
Het vangt prikkels op, verwerkt ze en geeft impulsen door. Daardoor speelt het een belangrijke rol bij het uitvoeren en het reguleren van onze lichaamsfuncties.
Bouw van zenuwweefsel
Het zenuwweefsel bestaat uit zenuwcellen, die ook wel neuronen genoemd worden. Een zenuwcel bestaat uit een zenuwlichaam met een kern en verschillende uitlopers. De uitlopers worden ook wel neurofibrillen genoemd. Er zijn twee soorten neurofibrillen: neurieten en dendrieten.
De neurieten worden ook wel axonen genoemd. Ze hebben lange uitlopers en geleiden prikkels van het zenuwcellichaam af. Dendrieten hebben juist korte uitlopers en geleiden prikkels naar het zenuwcellichaam toe. Een zenuwcel heeft één neuriet en meerdere dendrieten.
De neurieten in het lichaam zijn omgeven door myeline. Deze vetachtige stof isoleert de neuriet, waardoor prikkels sneller doorgegeven kunnen worden. Het omhulsel van myeline wordt de myelineschede of de mergschede genoemd.
Soorten zenuwen
Een zenuw is een groep van neurieten of dendrieten. Er zijn drie typen zenuwen: motorische zenuwen, sensibele zenuwen en gemengde zenuwen. Welk type het is, hangt af van het type prikkels dat doorgegeven wordt.
Motorische zenuwen
Motorische zenuwen geleiden prikkels vanaf de hersenen en het ruggenmerg naar de spieren of klieren toe. Ze kunnen daar beweging veroorzaken en worden daarom ook wel bewegingszenuwen genoemd. Motorische zenuwen bestaan uit een bundel neurieten. Deze neurieten eindigen in een motorisch eindplaatje. Als een spiervezel of
Celkern
Dendriet
Cellichaam
Myelineschede
Neuriet
Motorisch eindplaatje
Spiervezel
kliervezel een prikkel ontvangt van een neuriet, reageert deze door de spier samen te trekken of een stof af te scheiden. Als de prikkelgeleiding door motorische zenuwen geblokkeerd is, kan er verlamming optreden.
Sensibele zenuwen
Sensibele zenuwen geleiden prikkels vanuit het lichaam, via het ruggenmerg naar de hersenen. Sensibele zenuwen bestaan uit een bundel dendrieten. Het lichaam herkent de prikkels als ze aankomen in de hersenen. Je voelt dan bijvoorbeeld pijn als je valt. Omdat deze zenuwen gevoel doorgeven, worden ze ook wel gevoelszenuwen genoemd. Als de prikkelgeleiding door de sensibele zenuwen geblokkeerd is, verandert de gevoelswaarneming. Je voelt bijvoorbeeld pijn of tintelingen of je hebt juist geen gevoel meer.
Gemengde zenuwen
Gemengde zenuwen bestaan uit motorische en sensibele zenuwen. De zenuwen geleiden daardoor zowel bewegingsprikkels als gevoelsprikkels.
1.5
Spierweefsel
De belangrijkste eigenschap van spierweefsel is dat het zich kan samentrekken. Om zich te kunnen samentrekken heeft de spier een zenuwprikkel nodig. Het overbrengen van een zenuwprikkel naar het spierweefsel wordt innervatie genoemd. Er zijn drie soorten spierweefsel, namelijk glad spierweefsel, dwarsgestreept spierweefsel en hartspierweefsel.
De pijnprikkel bij een val wordt doorgegeven door sensibele zenuwen
Test je kennis over weefsels met de online boekcheck. Snelcode 27029
Glad spierweefsel
Glad spierweefsel bestaat uit langgerekte, spoelvormige cellen. In de cellen komen in de lengterichting dunne draden voor die zich kunnen samentrekken. Deze draden worden myofibrillen genoemd. De gladde spiercellen zijn met elkaar in de lengte verbonden. De myofibrillen lopen via de uiteinden van een spiercel over in een andere spiercel.
Glad spierweefsel trekt zich langzaam en gelijkmatig samen. Daar kun je zelf geen invloed op uitoefenen; het gaat buiten de wil om. Het wordt daarom onwillekeurig spierweefsel genoemd. Glad spierweefsel zit in de inwendige organen, zoals de maag, darmen en bloedvaten.
Dwarsgestreept spierweefsel
Dwarsgestreept spierweefsel bestaat uit grote, cylindervormige cellen. In deze cel kunnen meerdere celkernen zitten. Dwarsgestreept spierweefsel trekt zich snel en krachtig samen als het een prikkel ontvangt. Het spierweefsel staat onder invloed van de wil en wordt daarom ook wel willekeurig spierweefsel genoemd.
Een dwarsgestreepte spier is opgebouwd uit spiervezels met daaromheen een bindweefselvlies. Om een grotere groep vezels zit weer een bindweefselvlies. Zo ontstaat er uit een groep spiervezels een spierbundel. Een aantal spierbundels samen vormt een spier. Om de spier heen ligt weer een bindweefselvlies dat de spierschede of de spierfascie wordt genoemd. Aan het einde van
WIST JE DAT? DE SPIERCELLEN IN DWARSGESTREEPT SPIERWEEFSEL ZIJN
SOMS LANGER DAN 10 CENTIMETER.
de spier loopt het bindweefselvlies over in een pees. De spier wordt met de pees bevestigd aan het bot.
Dwarsgestreept spierweefsel zit in de mimische spieren en in de skeletspieren. Dwarsgestreepte spieren sturen bewegingen aan, zoals rennen, zwaaien en lachen. Door een behandeling zoals een massage kun je de spieren laten ontspannen, beter laten doorbloeden of de afvoer van afvalstoffen verbeteren.
Hartspierweefsel
Hartspierweefsel is een bijzondere combinatie van spierweefsel. De structuur van hartspierweefsel lijkt erg op die van dwarsgestreept spierweefsel, maar het weefsel functioneert onwillekeurig. De hartspier moet krachtig kunnen samentrekken, net als willekeurig spierweefsel, maar je kunt geen invloed uitoefenen op de bewegingen van het spierweefsel.
Test nu je kennis over de verschillende weefsels met de online trainer. Snelcode 26037
Bot
TIP IN HET HOOFDSTUK ‘SPIEREN’ LEES JE MEER OVER DE BOUW EN DE FUNCTIE VAN DE SPIEREN IN HET LICHAAM.
Pees Spier
Bindweefselvlies
Spierbundel
Spiervezel
Myofibrillen
Opbouw van een spier
2.Skelet
Wist je dat het skelet uit ongeveer 208 botten bestaat? In allerlei soorten en maten. Het skelet heeft belangrijke functies: het ondersteunt en beschermt je lichaam en helpt met bewegen. In dit hoofdstuk leer je daar meer over. Ook leer je welke botten er zijn en hoe ze met elkaar zijn verbonden.
2.1
Skelet
Botten noem je ook wel beenderen. Het skelet heet dus ook wel beenderstelsel
Het beenderstelsel heeft meerdere functies:
Het geeft vorm en steun aan je lichaam. Zonder skelet zou je lichaam in elkaar zakken.
Het beschermt de belangrijke organen. Je schedel beschermt bijvoorbeeld de hersenen en je ribben beschermen de longen en het hart.
Het zorgt ervoor dat je kunt bewegen. De beenderen bewegen zelf niet, maar ze worden bewogen door de aangehechte spieren. Het skelet wordt daarom een passief bewegingsapparaat genoemd. Spieren noemen we juist een actief bewegingsapparaat
Het maakt rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes aan. Dit wordt gedaan door rood beenmerg.
WIST JE DAT?
HET GROOTSTE BOT
IN JE LICHAAM IS HET DIJBEEN. DE KLEINSTE IS DE STIJGBEUGEL. DIT IS EEN GEHOORBEENTJE IN JE OOR.
Rood en geel beenmerg
Beenmerg bevindt zich in de holte van botten. Je hebt rood en geel beenmerg. In het rode beenmerg worden bloedcellen gemaakt. Rond de geboorte komt rood beenmerg in bijna alle botten voor. Dit verandert als je ouder wordt. Als een kind ongeveer 5 jaar is, wordt het rode beenmerg bijna helemaal vervangen door geel beenmerg. Dit gebeurt vooral in de schacht van de pijpbeenderen. Geel beenmerg is geel van kleur doordat het veel gelige vetcellen bevat.
Bouwstoffen in botten
Botten bestaan uit calciumzouten en lijmstof. Calciumzout is een stof dat het bot hard en stevig maakt, terwijl lijmstof ervoor zorgt dat het bot een beetje buigzaam blijft. De botten van baby’s bestaan voornamelijk uit kraakbeenweefsel. Ze bevatten veel lijmstof en zijn dus buigzamer dan botten van een volwassene. Later gaan botten meer calciumzouten bevatten, waardoor ze steviger worden. Bij ouderen kan botontkalking (osteoporose) ontstaan. De botten worden dan erg broos en kunnen sneller breken.
De botten van jonge kinderen bevatten dus nog veel rood beenmerg. Dit betekent dat er bij hen in bijna alle botten bloedcellen aangemaakt worden. Bij volwassenen komt het rode beenmerg in veel minder botten voor. Bij hen worden bloedcellen vooral aangemaakt in het bekken, het borstbeen, de ribben en de ruggenwervels. Als het volwassen lichaam meer bloedcellen nodig heeft, wordt het gele beenmerg in de overige botten weer omgezet in rood beenmerg.
Zonder skelet zou je lichaam in elkaar zakken.
Baby’s hebben een andere verhouding bouwstoffen en beenmerg dan volwassenen.
Beenderen
Het beenderstelsel bestaat uit vier soorten beenderen:
pijpbeenderen
platte beenderen
onregelmatige beenderen
sesambeentjes
In de lengte groeien
Pijpbeenderen zorgen ervoor dat je lichaam in de lengte kan groeien. De buis en de uiteinden worden van elkaar gescheiden door een groeischijf. Aan de ene kant van de groeischijf wordt nieuw kraakbeen aangemaakt en aan de andere kant verbeent het kraakbeen. Het bot wordt dus beetje bij beetje langer. De groei door de verbening van kraakbeen is een vorm van indirecte groei.
Onregelmatige beenderen
Platte beenderen
Pijpbeen
Sesambeentje
Pijpbeenderen
Kenmerken
kunnen zowel lang als kort zijn
een duidelijk eindstuk aan weerszijden
hol van binnen (zoals een buis)
holte is gevuld met geel of rood beenmerg
Functie
Lange pijpbeenderen maken grote bewegingen mogelijk doordat ze een hefboom vormen met de spieren. De gewrichten moeten dan wel grote bewegingen toestaan.
Alle pijpbeenderen maken lengtegroei van het lichaam mogelijk.
Voorbeelden
dijbeen (lang)
opperarmbeen (lang)
vingerkootjes (kort)
middenhandsbeentjes (kort)
Platte beenderen
Kenmerken
platte vorm
gevuld met rood beenmerg (zeer bloedrijk)
Functie
kwetsbare organen beschermen
bloedcellen en bloedplaatjes aanmaken (door het rode beenmerg)
Voorbeelden
ribben
borstbeen
schouderblad
schedel
heupbeen
Onregelmatige beenderen
Kenmerken
geen specifieke structuur of vorm
meestal massief (niet hol)
kunnen groeien in de lengte, breedte en dikte
bevatten rood beenmerg
Functie
kwetsbare organen beschermen
Voorbeelden
handwortelbeentjes
voetwortelbeentjes
wervels
Sesambeentjes
Kenmerken
kleine botjes die in de pees liggen
geen verbinding met andere beenderen
zitten in de knieën, handen en voeten
Functie
Helpen de pezen bij beweging, omdat ze ervoor zorgen dat de spier meer kracht op de pees kan uitoefenen.
Voorbeelden
tongbeen
knieschijf (grootste sesambeen)
Elk bot heeft een eigen rol in het lichaam.
Samenvattend
Het beenderstelsel heeft verschillende functies. In de tabel hieronder lees je de functies en de beenderen die hiervoor verantwoordelijk zijn nog een keer terug.
Functie van beenderstelsel: Deze beenderen zorgen daarvoor:
vorm en steun aan het lichaam geven alle soorten beenderen
lengtegroei mogelijk maken pijpbeenderen
kwetsbare organen beschermen
vooral de platte beenderen (zoals ribben, borstbeen en schedel) en onregelmatige beenderen (zoals sommige schedelbeenderen)
beweging mogelijk maken alle soorten beenderen
Dat weet je omdat:
… alle beenderen stevig en hard zijn.
… pijpbeenderen groeischijven bevatten.
… vooral platte beenderen om de organen heen zitten. Denk bijvoorbeeld aan de ribben, het borstbeen en de schedel.
Gewrichten
Beenderen worden bewogen door spieren. Die beweging is mogelijk door een beweeglijke verbinding tussen twee beenderen: het gewricht. Voorbeelden van gewrichten zijn de ellebogen, enkels en het kaakgewricht. Kapsels en banden zorgen ervoor dat de botdelen bij elkaar blijven.
Beweeglijkheid van gewrichten
bloedcellen en bloedplaatjes aanmaken
bij jonge kinderen alle beenderen, bij volwassenen vooral platte beenderen en onregelmatige beenderen
… spieren zich aan alle soorten beenderen kunnen hechten.
Denk bijvoorbeeld aan je:
dijbeen (pijpbeen)
schouderblad (plat been)
wervels (onregelmatig been)
… sesambeentjes ervoor zorgen dat de spier meer kracht op de pees kan uitoefenen.
… deze beenderen rood beenmerg bevatten waarin bloedcellen aangemaakt worden.
Gewrichten kun je indelen naar beweeglijkheid. Gewrichten die weinig beweging van de verschillende botdelen toelaten, noem je straffe gewrichten. Bij straffe gewrichten zijn gewrichtsvlakken vergroeid tot een taai kussentje van kraakbeen. Voorbeelden van straffe gewrichten zijn: de handwortelbeenderen onderling de meeste voetwortelbeenderen onderling de verbinding tussen de voetwortelbeenderen en de middenvoetsbeenderen
de verbinding tussen het scheenbeen en het kuitbeen
de verbinding tussen het heiligbeen en het darmbeen
Gewrichten die een grote beweeglijkheid toelaten, noem je beweeglijke gewrichten. De elleboog, de knie en de verbinding tussen het dijbeen en het heupbeen zijn hier voorbeelden van.
Op de volgende pagina’s zie je welke soorten beweeglijke gewrichten er zijn.
Gewrichtskapsel
Rond het gewricht zit het gewrichtskapsel dat de gewrichtsholte vormt. Het kapsel houdt de botten bij elkaar. De binnenbekleding van het gewrichtskapsel wordt gevormd door een slijmvlieslaag dat het gewrichtssmeer aanmaakt. Het gewrichtskapsel wordt verstevigd door de gewrichtsbanden die de botten onderling stevig aan elkaar verbinden.
Gewrichtsbanden
Gewrichtsbanden worden ook wel ligamenten genoemd. Ze verbinden de botten of het kraakbeen met elkaar en versterken het gewrichtskapsel. Ze zorgen ervoor dat bewegingen van het gewricht niet te ruim worden, zodat het gewricht niet ontwricht raakt. Een voorbeeld is de knieband. Ook wervels zijn door ligamenten met elkaar verbonden.
Gewrichtsuiteinden
Dit zijn de botuiteinden die samen het gewricht vormen. Ze zijn bekleed met kraakbeen en worden door de gewrichtskapsels en gewrichtsbanden bij elkaar gehouden.
Slijmbeurs
Dit is een gesloten zakje met vocht. Het vormt een stootkussen tussen botten, spieren en pezen. Slijmbeurzen verminderen de wrijving en voorkomen beschadiging van het gewricht.
Gewrichtsholte
In de gewrichtsholte zit gewrichtssmeer (synoviaal vocht). Dankzij dit kleverige vocht kunnen de beenderen soepel langs elkaar bewegen. Ook voorkomt het gewrichtssmeer slijtage en warmteontwikkeling van het gewricht.
Gewrichtskraakbeen
Gewrichtskraakbeen is een glasachtig laagje dat de wrijving vermindert tussen de gewrichtsuiteinden. Zo kan beweging gemakkelijk plaatsvinden.
Scharniergewricht
Kenmerken
kan alleen buigen en strekken
Voorbeelden
kniegewricht
ellebooggewricht
de verbinding van de vingerkootjes onderling
de verbinding van de teenkootjes onderling
de verbinding van de middenhandsbeentjes met de vingerkootjes
de verbinding van de middenvoetsbeentjes met de teenkootjes
Rolgewricht
Kenmerken kan naar links of naar rechts draaien
het ene beenstuk draait om het andere beenstuk heen
Voorbeelden de verbinding van het spaakbeen met de ellepijp
Draaigewricht
Kenmerken het bot draait in een ring die door een ander bot gevormd wordt
Voorbeelden de verbinding van de atlas (bovenste halswervel) met de draaier (tweede halswervel)
Kogelgewricht
Kenmerken bestaat uit een kop en een kom
de kop heeft de vorm van een kogel
meest beweeglijke gewricht
laat bewegingen in een volledige draai toe (bijvoorbeeld het omhoogbrengen van je gehele arm)
Voorbeelden
schoudergewricht: de verbinding van het opperarmbeen (kop) met het schouderblad (kom)
heupgewricht: de verbinding van het dijbeen (kop) met het heupbeen (kom)
Eigewricht
Kenmerken
lijkt op het kogelgewricht
de kop is eivormig
lange kant kan ver draaien
korte kant kan beperkt worden gedraaid
Voorbeelden
de verbinding tussen de atlas en de gewrichtsvlakjes van het achterhoofd
de verbinding tussen de middenhandsbeentjes en de vingers
Zadelgewricht
Kenmerken maakt beweging mogelijk in twee vlakken die loodrecht op elkaar staan
Voorbeelden de verbinding van de duim met de handwortel
Train je kennis over beweeglijke gewrichten met de online trainer. Snelcode 26053
Andere typen botverbindingen
Niet alle beenderen zijn verbonden door gewrichten: ze kunnen ook verbonden zijn door een tussenliggend weefsel. Er is dan sprake van een beenvergroeiing, bindweefselverbinding of kraakbeenverbinding.
Beenvergroeiingen
Bij beenvergroeiingen zijn beenstukken met elkaar vergroeid. Door deze vergroeiing is de verbinding niet beweeglijk. Beenvergroeiingen zijn de sterkste botverbindingen die in het skelet voorkomen. Voorbeelden van beenvergroeiingen zijn:
de verbeende naden tussen de botten van de schedel
het heiligbeen: de met elkaar vergroeide heiligbeenwervels
het heupbeen: het met elkaar vergroeide darmbeen, zitbeen en schaambeen
het staartbeen: de met elkaar vergroeide staartbeenwervels
Het heupbeen lijkt uit één deel te bestaan
Kleine fontanel
Grote fontanel
Voorhoofdsbeenderen
Wandbeenderen
Gewrichten en kraakbeenverbindingen tussen wervels
Tussen de wervels zitten tussenwervelschijven. Dit zijn kraakbeenschijven die schokken opvangen. De wervels zijn onderling beweeglijk, zodat je de wervelkolom bijvoorbeeld kunt buigen en draaien. Tussen de wervels zitten dus ook gewrichten. Om deze gewrichten zitten kleine gewrichtsbanden die ervoor zorgen dat de tussenwervelschijven op hun plaats blijven.
Bindweefselverbindingen
Botten kunnen door middel van bindweefselvezels (collageen en elastine) met elkaar verbonden zijn.
Bindweefselverbindingen zijn niet of nauwelijks beweeglijk. Een voorbeeld is het vlies tussen het kuitbeen en het scheenbeen.
Ook fontanellen zijn voorbeelden van bindweefselverbindingen. Dat zijn de vliezen die de schedelbeenderen van een baby met elkaar verbinden. Een baby heeft twee fontanellen: de grote en de kleine fontanel. Deze sluiten de twee open ruimtes af. In de eerste twee levensjaren veranderen deze bindweefselvliezen in bot. De grote fontanel sluit zich in het eerste levensjaar. De kleine fontanel sluit zich in het tweede levensjaar.
Kraakbeenverbindingen
Beenstukken kunnen ook met elkaar verbonden zijn door kraakbeen. Een kraakbeenverbinding is een weinig beweeglijke verbinding. Voorbeelden van kraakbeenverbindingen zijn:
De verbinding tussen beide schaambeenderen (schaambeenvoeg of symfyse). Dit stukje kraakbeen wordt bij vrouwen soepeler als ze gaan bevallen.
De verbinding tussen wervels (tussenwervelschijven). Deze tussenwervelschijven vangen schokken op.
De verbinding tussen de ribben en het borstbeen. Omdat de verbinding iets beweeglijk is, maakt het adembewegingen mogelijk.
Topografie van het lichaam
De topografische anatomie beschrijft hoe verschillende organen en structuren in het lichaam ten opzichte van elkaar liggen. Je hebt deze kennis nodig om een massage uit te voeren, maar ook om bepaalde klachten te kunnen bespreken met een cliënt. Deze kennis helpt je ook om termen in vakbladen te begrijpen.
Wanneer je een plaats in het lichaam aan wilt geven, zie je altijd de anatomische stand voor je. Dit is een rechtopstaand mens met de voeten licht gespreid. De tenen wijzen naar voren en de armen hangen naar beneden en worden iets van het lichaam gehouden. De handpalmen zijn naar voren gericht.
Vanuit de anatomische stand gezien gebruik je de volgende begrippen:
centraal in het midden gelegen perifeer aan de rand gelegen
distaal van de romp af gelegen proximaal naar de romp toe gelegen lateraal aan de buitenzijde gelegen
mediaal aan de binnenzijde gelegen ventraal aan de buikzijde (voorkant) gelegen
dorsaal aan de rugzijde (achterkant) gelegen
palmair aan de handpalmzijde gelegen plantair aan de voetzoolzijde gelegen
Test je kennis over het skelet met de online boekcheck. Snelcode 27046
Meer weten over gewrichten? Bekijk de online masterclass. Snelcode 21052
Plantair
Palmair
2.2
Schedel
De beenderen van het hoofd vormen de schedel. De schedel bestaat uit de hersenschedel en de aangezichtsschedel. De hersenschedel is een beschermende kap om de hersenen. De aangezichtsschedel geeft vorm en steun aan het gezicht.
hersenschedel
De hersenschedel ligt als een beschermende kap om de hersenen heen.
WIST JE DAT?
BIJ BABY’S ZIJN DE SCHEDELBEENDEREN VERBONDEN DOOR BINDWEEFSEL. LATER VERBEENT DIT WEEFSEL. DE BEENDEREN ZIJN DAN MET ELKAAR VERGROEID.
De hersenen liggen in de schedelholte, boven in de schedel. De schedelholte wordt omringd door de hersenschedel. Het bovenste deel van de hersenschedel is het schedeldak dat als een beschermende kap om de hersenen heen ligt. Het schedeldak bestaat uit:
het voorhoofdsbeen
twee wandbeenderen
het achterhoofdsbeen
twee slaapbeenderen
Voorhoofdsbeen
Os frontale
Het voorhoofdsbeen is een plat, gebogen beenstuk aan de voorkant en bovenkant van de schedel. Het vormt: het voorhoofd
de bovenzijde van de oogkassen het bovenste gedeelte van de neusholte
de onderzijde van de schedelholte
Vlak boven de oogkassen zitten openingen waar bloedvaten en zenuwen door naar buiten lopen. Aan beide zijden van de neus liggen de voorhoofdsholten. Deze staan in verbinding met de neusholte.
Wandbeen
Os parietale
Het wandbeen is een plat, gebogen beenstuk. Er zijn twee wandbeenderen: aan beide zijden van het schedeldak één.
Slaapbeen
Os temporale
De slaapbeenderen liggen aan weerszijden van de hersenschedel.
Achterhoofdsbeen
Os occipitale
Het achterhoofdsbeen vormt de achterkant en de onderkant van de schedel. Onderaan zit een ovale opening: het achterhoofdsgat. Hier lopen zenuwen en bloedvaten doorheen. Het achterhoofdsgat vormt de verbinding tussen de hersenholte en de ruggenmergholte.
Samen met de atlas (bovenste halswervel) vormt het achterhoofdsbeen een eigewricht. Aan beide kanten van het achterhoofdsgat ligt een gewrichtsknobbel. Die knobbels passen in de gewrichtskommen van de bovenste halswervel (atlas). Dit gewricht maak jaknikken mogelijk.
Schelp
Een licht gebogen plaat waarin onder andere de gewrichtskom voor de onderkaak zit. Ook zit hier de uitwendige ooropening met een deel van de gehoorgang.
Jukbeen
Dit is een uitsteeksel van het slaapbeen. Dit vormt samen met het slaapuitsteeksel van het jukbeen de jukboog.
Rotsbeen
Het rotsbeen steekt uit naar binnen en vormt een deel van de schedelbasis. Hierin liggen het inwendige gehoororgaan en het evenwichtsorgaan.
Tepelvormig uitsteeksel
Dit uitsteeksel ligt onder en achter de oorschelp. Hier is de borstbeensleutelbeentepelspier aan gehecht.
Het tepelvormig uitsteeksel heeft een functie bij het buigen van het hoofd en het openen van de mond met de onderkaak.
Schedelbasis
Het onderste deel van de hersenschedel is de schedelbasis. De schedelbasis vormt de bodem van de schedelholte. Het is een dikke, onregelmatig gevormde plaat onder de hersenen. In de schedelbasis zitten openingen waar bloedvaten en zenuwen doorheen lopen.
De schedelbasis bestaat uit de volgende botstukken:
het zeefbeen
het wiggebeen
het rotsbeen
het onderste gedeelte van het achterhoofdsbeen
Zeefbeen
Os ethmoidale
Het zeefbeen is een horizontaal plaatje met twee zijstukken. Het plaatje vormt het dak van de neusholte. De zijstukken vormen voor een deel de binnenzijde van de oogkassen.
Het zeefbeen dankt zijn naam aan de vele openingen in het bot. Hier lopen bloedvaten en reukzenuwen doorheen.
Wiggebeen
Os spenoidale
Het wiggebeen loopt horizontaal door de schedel en vormt het grootste deel van de schedelbasis. Samen met het voorhoofdsbeen vormt het wiggebeen de achterwanden van de oogkassen. In het midden van het wiggebeen zit een uitholling. Dit is het Turks zadel, waarin de hypofyse (het hersenaanhangsel) ligt.
Voorhoofdsbeen
Turks zadel
Rotsbeen
De schedelbasis vormt de bodem van de schedelholte. voor midden achter
Achterhoofdsgat
Achterhoofdsbeen
De schedelbasis bestaat uit drie ruimten. Dit zijn de voorste, de middelste en de achterste schedelgroeve.
De aangezichtsschedel geeft vorm en steun aan het gezicht.
Aangezichtsschedel
De aangezichtsschedel van de mens is kleiner dan de hersenschedel. Dit deel van het skelet bepaalt voor een groot deel de vorm van je gezicht. De aangezichtsschedel ondersteunt ook een aantal zintuigen. Denk aan de neus, de ogen en de tong.
De aangezichtsschedel bestaat uit de volgende beenderen:
het neusbeen
het ploegschaarbeen
het jukbeen
de bovenkaak
de onderkaak
het tongbeen
Tongbeen
Aan de achterzijde van de tong ligt het tongbeen (os hyoideum). Het is een sesambeen en heeft dus geen directe verbinding met andere botdelen. Pezen houden het tongbeen op zijn plaats. Aan het tongbeen zijn de tongspieren en de tweebuikige kaakspier bevestigd.
Neusbeen
Os nasale
Het neusbeen bestaat uit twee met elkaar vergroeide neusbeentjes. Het is aan de bovenkant verbonden met het voorhoofdsbeen en aan de zijkanten met de bovenkaak. De neusbeentjes vormen het harde gedeelte van de neusbrug.
Ploegschaarbeen
Vomer
Het ploegschaarbeen vormt samen met het zeefbeen (os ethmoidal) het neustussenschot (septum nasi). Dit been deelt de neusholte dus in tweeën.
Jukbeen
Os zygomaticum
Het jukbeen ligt aan de onderkant en aan de buitenkant van de oogkas en vormt de ondergrond van de wang. Het jukbeen ligt voor het wiggebeen en het slaapbeen. Aan de onderzijde van het jukbeen zit het slaapuitsteeksel, dat samen met het jukbeenuitsteeksel van het slaapbeen de jukboog vormt.
Bovenkaak
Maxilla
De bovenkaak ligt aan de voorzijde van de aangezichtsschedel. De bovenkaak is een botvergroeiing van twee beenderen en is het grootste botstuk van de aangezichtsschedel. Aan de bovenkant vormt de bovenkaak de bodem van de oogkassen. De bovenkaak draagt de wortels van de bovenste tanden en kiezen.
Neusholte
De zijwanden van de bovenkaak vormen de neusholte. De neusholte staat in verbinding met de neusbijholten en filtert de ingeademde lucht. Vanuit de schedelbasis lopen reukzenuwen naar het bovenste gedeelte van de neusholte.
Gewrichtskop van de onderkaak
Caput mandibulae
De gewrichtsuitsteeksels of gewrichtskopjes van de onderkaak liggen aan beide kanten van de onderkaak, in het achterste gedeelte. Deze vormen samen met het slaapbeen het kaakgewricht.
Kaakhoek
Angulus mandibulae
De kaakhoek ligt aan beide zijden, aan de onderzijde van de onderkaak.
Onderkaak
Mandibula
De onderkaak is een hoefijzervormig bot dat is ontstaan uit de vergroeiing van twee botstukken. In de onderkaak zitten openingen waar bloedvaten en zenuwen doorheen lopen. Het horizontale deel van de onderkaak vormt de basis van de kin. De onderkaak draagt de wortels van de onderste tanden en kiezen.
Voorste uitsteeksel
Processus coronoideus
De voorste uitsteeksels liggen ter hoogte van het jukbeen, aan beide zijden van de onderkaak. Deze uitsteeksels zijn een aanhechtingsplaats voor de slaapkauwspieren. Je noemt ze ook wel spieruitsteeksels.
Kaakrand
Daar waar de onderkaak overgaat in de hals, ligt de kaakrand.
Maak je er liever een wedstrijdje van?
Speel dan zo snel mogelijk alle vragen weg in de online trainer.
Snelcode 26077
Test je kennis over de schedel met de online boekcheck. Snelcode 27074
2.3
Romp
De romp is de benaming van het lichaam zonder armen, benen en hoofd. De romp bestaat uit de borstkas en de wervelkolom.
Borstkas
De borstkas bestaat uit:
het borstbeen
twaalf borstwervels
twaalf paar ribben
De borstwervels zijn niet alleen onderdeel van de borstkas, maar ook van de wervelkolom.
Borstbeen
Sternum
Het borstbeen is een plat beenstuk. Het bestaat uit drie delen die met elkaar vergroeid zijn: het handvat, het lichaam en het zwaardvormig aanhangsel.
Handvat
Manubrium
De eerste rib is verbonden aan het handvat van het borstbeen. Je kunt de bovenkant van het handvat voelen: dit is het kuiltje tussen je sleutelbeenderen.
Lichaam
Corpus
De volgende zes ware ribben zijn direct verbonden aan het lichaam van het borstbeen. De valse ribben zijn indirect verbonden aan het lichaam.
Zwaardvormig aanhangsel
Borstwervels worden ook wel rugwervels genoemd.
Processus xiphoideus
Het zwaardvormig aanhangsel is het onderste deel van het borstbeen. Het middenrif is hier deels aan verbonden. De vorm van het zwaardvormig aanhangsel kan per persoon verschillen.
Bij kinderen bestaat het zwaardvormig aanhangsel nog uit kraakbeen, maar later verbeent dit.
Ribben Costae
Ribben zijn smalle, platte, gebogen beenstukken die de borstholte vormen.
Ze bevatten rood beenmerg. Ze zitten aan de rugzijde (dorsaal) met kleine gewrichten vast aan de borstwervels.
Aan de buikzijde (ventraal) zijn ze met kraakbeen verbonden aan het borstbeen, met uitzondering van de zwevende ribben.
De ribben hebben verschillende functies.
Ze beschermen het hart en de longen. Verder helpen ze bij de ademhaling, doordat ze uitzetten en krimpen. Bovendien maken ze bloedcellen aan (door het rode beenmerg).
Borstwervels
Vertebrae thoracales
De borstwervels zijn zowel onderdeel van de wervelkolom als van de borstkas. Je hebt twaalf borstwervels.
De ribben zijn aan dit deel van de wervelkolom verbonden.
Ware ribben
Costae verea
De zeven bovenste paren ribben zijn de ware ribben. De ware ribben zijn met glasachtig kraakbeen direct verbonden met het borstbeen.
Valse ribben
Costae spuriae
De vijf onderste paren ribben zijn de valse ribben: ze zijn niet direct verbonden met het borstbeen. De bovenste drie paren valse ribben zijn indirect aan het borstbeen verbonden, namelijk via een kraakbeenstuk van de vorige rib. De onderste twee paren valse ribben zijn zwevende ribben: ze zijn helemaal niet verbonden met het borstbeen.
Wervelkolom
De wervelkolom (columna vertebralis) noem je ook wel de ruggengraat. Bovenaan is de wervelkolom verbonden met het hoofd, in het midden met de ribben en onderaan met het bekken. De functies van de wervelkolom zijn:
stevigheid aan de romp geven; het ruggenmerg (zenuwweefsel) beschermen; beweging van de romp mogelijk maken.
De wervelkolom heeft de vorm van twee Sen die boven elkaar geplaatst zijn. Maar zo word je niet geboren: bij pasgeboren baby’s is de wervelkolom bijna recht. De kromming in de nek ontstaat wanneer de baby na enkele weken het hoofd gaat heffen. De kromming in de lendenen ontstaat wanneer de baby gaat zitten.
Wervels
Een wervel (vertebrae) bestaat uit:
Een doornuitsteeksel (processus spinosus) en twee dwarsuitsteeksels (processus transversus vertebrae) waar spieren en banden aan zijn verbonden.
Het wervellichaam (corpus vertebrae) aan de voorzijde en de wervelboog (arcus vertebrae) aan de achterzijde.
Het wervelgat (foramen vertebrae): de opening tussen het wervellichaam en de wervelboog.
Vier gewrichtsvlakken (articulatio intervertebralis): de contactpunten met de wervel erboven en de wervel eronder.
Opbouw wervelkolom
De wervelkolom is opgebouwd uit 33 wervels (vertebrae):
zeven halswervels
twaalf rug of borstwervels
vijf lendenwervels
vijf heiligbeenwervels
vier staartbeenwervels
Bizonbult
De zevende halswervel heeft een groter doornuitsteeksel dan andere wervels. Als vet zich hieromheen vastzet, ontstaat er een bult in de nek. Dit verschijnsel wordt een bizonbult genoemd. Bij massages en behandelingen is het belangrijk om hier aandacht aan te besteden. Door massage kan de doorbloeding verbeterd worden.
De wervels liggen allemaal boven elkaar. Hierdoor vormen de wervelgaten samen een kanaal. Door het wervelkanaal lopen zenuwen naar de bekkengordel en de onderste extremiteit (de benen). Het wervelkanaal eindigt bij de laatste heiligbeenwervel.
Doornuitsteeksel
Wervelboog
Dwarsuitsteeksel
Wervelgat
Gewrichtsvlak
Wervellichaam
Jaknikken en nee schudden met de atlas en de draaier
De bovenste wervel van de wervelkolom is de atlas. Deze draagt het hoofd. De bovenste twee gewrichtsuitsteeksels van de atlas zijn zo gevormd, dat de achterhoofdsknobbels van de schedel hierin passen. Hierdoor kun je jaknikken.
De tweede halswervel, de draaier, heeft een tandvormig uitsteeksel aan de bovenkant. Dit uitsteeksel past precies in het wervelgat van de atlas. Bij het draaien van het hoofd (nee schudden) draait de atlas om dit uitsteeksel.
Bovenaanzicht van een wervel
Halswervels
Vertebrae cervicales
De zeven halswervels zijn verbonden door gewrichten en tussenwervelschijven. Deze verbindingen zijn beweeglijk en worden verstevigd door ligamenten (gewrichtsbanden).
Lendenwervels
Vertebrae lumbales
De vijf lendenwervels zijn verbonden door gewrichten en tussenwervelschijven. Deze verbindingen zijn beweeglijk en worden verstevigd door ligamenten (gewrichtsbanden).
Staartbeenwervels
Os coccygis
De staartbeenwervels zijn met elkaar vergroeid en zijn dus niet beweeglijk met elkaar verbonden. Ze vormen samen het staartbeen, waar veel zenuwuiteinden in zitten. Sommige mensen hebben drie wervels, andere mensen vier.
Borstwervels
Vertebrae thoracales
De twaalf borstwervels zijn verbonden door gewrichten en tussenwervelschijven. Deze verbindingen zijn beweeglijk en worden verstevigd door ligamenten (gewrichtsbanden).
Borstwervels zijn niet alleen met elkaar verbonden, maar ook met de ribben. Ze zijn daardoor onderdeel van zowel de wervelkolom als de borstkas. Je noemt de borstwervels ook wel rugwervels.
Tussenwervelschijven
Discus intervertebralis
De wervels worden met elkaar verbonden door tussenwervelschijven. Het binnenste deel van een tussenwervelschijf is geleiachtig. Deze gelei dient als stootkussen voor de wervels.
Heiligbeenwervels
Os sacrum
De vijf heiligbeenwervels zijn met elkaar vergroeid en zijn dus niet beweeglijk met elkaar verbonden.
Train je kennis over de romp met de online trainer. Snelcode 26073
Test je kennis over de romp met de online boekcheck. Snelcode 27070
2.4 Bovenste extremiteit
De bovenste extremiteit is de verzamelnaam voor de armen, handen en schoudergordel.
Schoudergordel
De schoudergordel bestaat uit vier botten: twee schouderbladen en twee sleutelbeenderen.
De schouder verbindt de armen met de romp: het opperarmbeen is door het schoudergewricht verbonden met het schouderblad.
Kwetsbare gewrichten
De schouderkom is een kleine, ondiepe kom, terwijl de kop van de bovenarm groot is. Daarnaast zijn er bijna geen sterke gewrichtsbanden die het gewricht ondersteunen. Dit zorgt ervoor dat je je armen goed kunt bewegen, maar het maakt je schouders tegelijkertijd kwetsbaar. Zo kan de schouder bij een grote kracht van buitenaf uit de kom schieten. Dit noem je luxatie
Schouderblad
Scapula
Het schouderblad ligt tegen de achterkant van de borstkas aan. Het is plat en driehoekig. Het is een vrij dun, maar sterk bot. Dit komt doordat het schouderblad licht gebogen is.
Het schouderblad heeft een aantal herkenbare uiteinden. Dit zijn de schouderbladkam, de schoudertop en het ravenbekuitsteeksel. Het ravenbekuitsteeksel, de buitenranden van het schouderblad en de schouderbladkam zijn een aanhechtingsplaats voor veel spieren die naar de arm en wervelkolom toe lopen.
Schouderbladkam
Spina scapulae
Aan de achterkant van het schouderblad zit de schouderbladkam. Deze wordt ook wel schouderbladgraat genoemd. Het is een scherpe rand die je meestal goed kunt voelen. De schouderbladkam loopt uit in de schoudertop.
Schoudertop
Acromion
De schoudertop ligt aan de buitenzijde van het schouderblad en is het uiteinde van de schouderbladkam. De schoudertop is met een gewricht verbonden aan het sleutelbeen. De schoudertop vormt samen met het ravenbekuitsteeksel een beschermend dak boven het schoudergewricht.
Ravenbekuitsteeksel
Processus coracoideus
Aan de voorzijde van het schouderblad zit een stomp uitsteeksel: het ravenbekuitsteeksel. Het dient als aanhechtingsplaats van spieren en banden. Het ravenbekuitsteeksel vormt samen met de schoudertop een beschermend dak boven het schoudergewricht.
Schouderkom
Cavitas glenoidalis
Onder het dakje van de schoudertop en het ravenbekuitsteeksel ligt de schouderkom. De schouderkom vormt samen met de schouderkop het schoudergewricht. De schouderkop noem je ook wel humeruskop en is de kop van het opperarmbeen. De schouder is dus een kogelgewricht.
De schouderkom is ondiep en heeft een ruim kapsel. Hierdoor is de beweeglijkheid groot, maar de arm kan hierdoor ook snel ontwricht raken.
Sleutelbeen
Clavicula
Het sleutelbeen is een Svormig pijpbeen. Het buitenste uiteinde van het sleutelbeen is verbonden met de schoudertop. Het andere uiteinde is met een gewricht verbonden aan het handvat van het borstbeen. Bij veel mensen is vooral dit deel van het sleutelbeen goed te zien.
Schouderkop
Opperarmbeen
De schouder verbindt de armen met de romp.
Train je kennis over de schoudergordel met de online trainer. Snelcode 26060
Arm
De arm (brachium) bestaat uit de bovenarm, de onderarm en de hand. De bovenarm is via het schoudergewricht verbonden met de schouder. De onderarm en bovenarm zijn met elkaar verbonden via het ellebooggewricht. De pols verbindt de onderarm met de hand.
Spaakbeen
Radius
Het spaakbeen ligt aan de duimzijde van de onderarm. Samen met de ellepijp vormt het een eivormige kom in de pols waarin de handwortel kan bewegen. Het spaakbeen is zowel aan de onderzijde als aan de bovenzijde met een gewricht aan de ellepijp verbonden. Beide botten zijn licht gekromd, zodat het spaakbeen om de ellepijp kan draaien.
Ellepijp
Ulna
De ellepijp ligt aan de pinkzijde van de onderarm. De ellepijp vormt samen met het spaakbeen een eivormige kom in de pols waarin de handwortel kan bewegen. De ellepijp is zowel aan de onderzijde als aan de bovenzijde met een gewricht aan het spaakbeen verbonden. Beide botten zijn licht gekromd, zodat het spaakbeen om de ellepijp kan draaien. Hierdoor kun je je hand draaien. Spaakbeenknobbel
Caput radii
Aan de voorzijde van het spaakbeen, ongeveer 2 centimeter onder de kop, vind je de spaakbeenknobbel. Deze ruwe knobbel is het aanhechtingspunt van de biceps (bovenarmspier, de ‘spierbal’ ).
werkelijk aanzicht
Opperarmbeen
Humerus
Het opperarmbeen is een lang pijpbeen in de bovenarm. Samen met het schouderblad vormt het opperarmbeen het schoudergewricht. Aan de kop van het opperarmbeen zitten twee knobbels.
Ellebooggewricht
Articulus cubiti
Het ellebooggewricht bestaat uit drie verschillende soorten gewrichten:
Het scharniergewricht verbindt de ellepijp en het opperarmbeen.
Het kogelgewricht verbindt het spaakbeen en het opperarmbeen.
Het rol of draaigewricht verbindt het spaakbeen en de ellepijp.
De onderarm en bovenarm zijn met elkaar verbonden via het ellebooggewricht.
Elleboogpunt
Olecranon
De ellepijp loopt bij het ellebooggewricht uit in de elleboogpunt. Dit is een breed, plat en haakvormig uitsteeksel. De elleboogpunt is een aanhechtingsplaats voor de triceps (bovenarmspier aan de achterzijde van de arm).
Grote opperarmbeenknobbel
Tuberculum majus humeri
Kleine opperarmbeenknobbel
Tuberculum minus humeri
Opperarmbeenkop
Caput humeri
Hand
De hand (manus) bestaat uit veel beenderen en gewrichten, waardoor er veel bewegingen mogelijk zijn. De hand bevat acht handwortelbeentjes, vijf middenhandsbeentjes en veertien vingerkootjes.
Opponeren van de duim
De mens kan als enige mensachtige de duim opponeren. Dit komt onder andere doordat het middenhandsbeen van de duim beweeglijker is dan dat van de overige vingers. Opponeren betekent dat je je duim tegenover je vingers kunt plaatsen. Bovendien kan de mens de duim en de vingers hard tegen elkaar aan knijpen. Zo kun je een voorwerp tussen je vingers vasthouden. Bij kleine voorwerpen gebruik je alleen je duim, wijs en middelvinger. Bij grotere voorwerpen heb je ook je ringvinger en pink nodig.
Handwortelbeentjes
Ossa carpi
Handwortelbeentjes zijn onregelmatige beenderen. Onderling vormen ze een straf gewricht: de handwortel. De handwortel is zelf dus niet zo beweeglijk. Samen vormen de handwortelbeentjes met de ellepijp en het spaakgewricht het polsgewricht.
De duim is door een zadelgewricht verbonden met de handwortel. Door deze verbinding kun je dingen vastpakken tussen je vingers en je duim.
Middenhandsbeentjes
Ossa metacarpalia
Het grootste deel van de handpalm wordt gevormd door de middenhandsbeenderen. Ze zijn door eigewrichten met de vingers verbonden. De knokkels die je ziet als je een vuist maakt, zijn de uiteinden van de middenhandsbeentjes in deze eigewrichten.
Het gewricht waarmee de duim met het middenhandsbeentje is verbonden, is beweeglijker dan die van de overige vingers. Dit is een zadelgewricht.
Vingerkootjes
Phalanges
De vingerkootjes zijn met elkaar verbonden door scharniergewrichten. De duim heeft twee vingerkootjes, terwijl de overige vingers er drie hebben. Pols
De pols bestaat uit meerdere gewrichten. Hierdoor kun je veel verschillende bewegingen maken met je pols, zoals op en neer en van links naar rechts. De pols lijkt als geheel nog het meeste op een eigewricht. Het spaakbeen en de ellepijp vormen samen een eivormige kom waarin de handwortel kan bewegen. Hierdoor kun je de pols een beetje draaien.
Het gewricht tussen het spaakbeen (radius) en de ellepijp (ulna) noem je het distale radioulnaire gewricht. Het gewricht tussen het spaakbeen en de handwortelbeentjes en het gewricht tussen de ellepijp en de handwortelbeentjes noem je het radiocarpale gewricht.
Test je kennis over de bovenste extremiteit met de online boekcheck. Snelcode 27058
De hand bevat acht handwortelbeentjes, vijf middenhandsbeentjes en veertien vingerkootjes.
Dankzij het opponeren van de duim kun
jij je kopje koffie vasthouden.
2.5 Onderste extremiteit
De onderste ledematen zorgen ervoor dat je je kunt voortbewegen. Daarnaast geven ze het lichaam extra steun. De verzamelnaam van het bekken, de dijbenen, de onderbenen en de voeten is de onderste extremiteit.
Bekkengordel
De bekkengordel is het deel van het lichaam tussen de buik en de benen. De bekkengordel is opgebouwd uit het heiligbeen, het staartbeen, de schaambeenvoeg en twee heupbeenderen. De heupbeenderen zijn een vergroeiing van het zitbeen, het darmbeen en het schaambeen.
De bekkengordel heeft een belangrijke rol bij zowel de houding als beweging. Het bekken doet namelijk mee met de beweging van de benen én met de rompbewegingen. Wel is de bekkengordel minder beweeglijk dan bijvoorbeeld de schoudergordel.
De bekkengordel heeft meerdere functies:
de organen in de buikholte beschermen
steun geven aan het lichaam en de organen
een oorsprongsplaats bieden voor spieren
een aanhechtingsplaats bieden voor spieren
Darmbeen
Os illium
Het darmbeen is een aanhechtingspunt voor spieren. De spieren zijn via de pezen aan de darmbeendoornen bevestigd. De voorste bovenste doorn en de voorste onderste doorn zijn uitsteeksels van de darmbeenkam. Ze zitten aan de voorzijde. De darmbeenkam vormt de rand van de darmbeenvleugel. Je kunt het voorste deel van de darmbeenkam in je zij voelen.
Heiligbeen
Os sacrum
Het heiligbeen bestaat uit aan elkaar gegroeide wervels.
Schaambeenvoeg
Symfyse
De schaambeenvoeg verbindt de schaambeenderen met kraakbeen aan elkaar. Normaal is de schaambeenvoeg weinig beweegbaar, maar bij vrouwen wordt de symfyse aan het eind van de zwangerschap zachter en daardoor beweeglijk. Dit gebeurt onder invloed van hormonen.
Darmbeenkam
Crista iliaca
Darmbeenvleugel
Ala ossis illium
Voorste bovenste
darmbeendoorn
Spina iliaca anterior superior
Voorste onderste
darmbeendoorn
Spina iliaca anterior inferior
Heupbeen
Os coxa
Het heupbeen is een vergroeiing van het darmbeen, het zitbeen en het schaambeen. Er zijn twee heupbeenderen.
Zitbeen
Os ischii
Het zitbeen is een dik gebogen beenstuk. De verbreding aan de onderkant zijn de zitbeenknobbels.
Het bekken doet mee met de beweging van de benen én met de rompbewegingen.
Schaambeen
Os pubis
Het schaambeen vormt samen met het zitbeen een ronding. Dit is het bekken. Aan de voorzijde zijn de schaambeenderen door middel van kraakbeen (de schaambeenvoeg) gesloten.
Staartbeen
Os occygis
Het staartbeen bestaat uit drie of vier met elkaar vergroeide staartwervels. Het staartbeen heeft bij de mens geen functie.
Gewrichtskom
Op de plek waar het darmbeen, het zitbeen en het schaambeen samenkomen, ligt de gewrichtskom van het heupgewricht (articulatio coxae).
Band van Poupart
Tussen de voorste bovenste darmbeendoornen en het schaambeen zit een ligament. Dit is de band van Poupart. De band vormt de bodem van het lieskanaal. Hier lopen belangrijke aderen en slagaderen doorheen.
Been
Het been bestaat uit:
het dijbeen
het scheenbeen
het kuitbeen
de knieschijf
Enkelgewricht
Articulatio talocruralis
Het kuitbeen vormt samen met het scheenbeen en een deel van de voetwortelbeentjes het enkelgewricht. Het enkelgewricht bestaat uit het bovenste en het onderste spronggewricht. Het bovenste spronggewricht is een scharniergewricht. Dit gewricht zorgt ervoor dat de voet op en neer kan bewegen. Het onderste spronggewricht zorgt ervoor dat de voet kan kantelen.
Kuitbeen
Fibula
Het kuitbeen loopt vanaf het kniegewricht tot aan het enkelgewricht.
Het kuitbeen en het scheenbeen zijn met elkaar verbonden door bindweefselvlies en een straf gewricht. De beenderen zijn niet beweeglijk ten opzichte van elkaar.
Scheenbeen
Tibia
Het scheenbeen ligt aan de voorzijde van het been en loopt vanaf het kniegewricht tot aan het enkelgewricht. Van de beenderen in het onderbeen is het scheenbeen het sterkst ontwikkeld.
Buitenenkel
Malleolus lateralis
Aan de onderkant van de buitenzijde heeft het kuitbeen een verdikking. Dat is de buitenenkel. Deze knobbel kun je goed zien aan de buitenkant van je enkel.
Binnenenkel
Malleolus medialis
Ter hoogte van de enkel is het scheenbeen verdikt. Deze verdikking heet de binnenenkel. Deze knobbel kun je goed zien aan de binnenkant van je enkel.
Kuitbeenhoofd
Caput fibulae
Ter hoogte van het kniegewricht is het kuitbeen verdikt. Deze verdikking noem je het kuitbeenhoofd.
Voorste scheenbeenknobbel
Tuberositas tibiae
De verdikking aan de voorzijde van het scheenbeen is de voorste scheenbeenknobbel. Deze knobbel is de aanhechtingsplaats van de vierhoofdige dijbeenspier.
werkelijk aanzicht
Kniegewricht
Articulatio genus
Het scheenbeen en de dijbeenknobbels vormen samen het kniegewricht. Het is een scharniergewricht tussen het dijbeen en het scheenbeen. Tussen deze twee gewrichtsuiteinden liggen de menisci. Een meniscus is een halvemaanvormig kraakbeenstuk dat ervoor zorgt dat de uiteinden van het dijbeen en het scheenbeen goed op elkaar aansluiten.
Knieschijf
Patella
De knieschijf is een schijfvormig beenstuk dat voor het kniegewricht ligt. Dit beenstuk is geheel opgenomen in de pees van de vierhoofdige dijbeenspier. De knieschijf is het grootste sesambeen van het lichaam.
Dijbeen
Femur
Het dijbeen is het grootste pijpbeen van het lichaam. De kop van het dijbeen vormt samen met het heupbeen het heupgewricht.
Dijbeenknobbels
Condylus medialis femoris
Condylus lateralis femoris
Scheenbeenknobbels
Condyles medialis tibiae
Condyles lateralis tibiae
Het scheenbeen heeft aan de bovenzijde een dubbele verdikking. Dit zijn de scheenbeenknobbels.
Aan de onderzijde heeft het dijbeen een dubbele gewrichtsknobbel. Dit zijn de dijbeenknobbels. Samen met het scheenbeen vormen de dijbeenknobbels het kniegewricht. De knieschijf ligt voor dit gewricht.
Dijbeenhals
Collum femoris
De dijbeenhals is een versmalling onder de dijbeenkop.
X-vormige ruwe lijn
Linea aspera
Aan de achterkant van het dijbeen loopt over de gehele lengte een Xvormige ruwe lijn. Dit is een aanhechtingsplaats voor verschillende bovenbeenspieren.
Grote draaier
Trochanter major
De grote draaier is een uitsteeksel onder de dijbeenhals, aan de buitenkant van het dijbeen. Het uitsteeksel vormt een aanhechtingsplaats voor spieren.
Dijbeenkop
Caput femoris
De dijbeenkop vormt samen met het heupbeen het heupgewricht.
Kleine draaier
Trochanter minor
De kleine draaier is een uitsteeksel onder de dijbeenhals, aan de binnenkant van het dijbeen. Het uitsteeksel vormt een aanhechtingsplaats voor spieren.
Hoe onthoud je Latijnse namen?
De Latijnse namen van beenderen geven vaak precies aan om wat voor been of knobbel het gaat en waar deze ligt. Kijk maar eens naar de Latijnse namen van de dijbeenknobbels (condylus medialis femoris en condylus lateralis femoris):
condylus: knobbel
femoris: van het dijbeen
mediaal: aan de binnenzijde gelegen
lateraal: aan de buitenzijde gelegen
De condylus medialis femoris is dus de dijbeenknobbel die aan de binnenzijde ligt. De condylus lateralis femoris is de dijbeenknobbel die aan de buitenzijde ligt.
Voet
Voeten moeten je lichaam kunnen dragen.
Daarom moeten ze een stevige structuur hebben.
Elke voet heeft 26 beenderen:
zeven voetwortelbeentjes
vijf middenvoetsbeentjes
veertien teenkootjes
De voetwortelbeentjes zijn onregelmatige beenderen. Ze zijn massief (niet hol) en dus heel stevig.
De kracht en stevigheid worden niet alleen door deze beenderen verzorgd, maar vooral door de bindweefselbanden (ligamenten). Deze verbinden:
de voetwortel met het onderbeen
de voetwortelbeenderen onderling
de middenvoet met de voetwortel
de middenvoetsbeenderen onderling
De voetwortelbeentjes zijn onregelmatige beenderen.
Ze zijn massief (niet hol) en dus heel stevig.
Train je kennis over het been met de online trainer. Snelcode 26066
voetwortelbeentjes
Ossa tarsi
De zeven voetwortelbeentjes vormen samen de voetwortel. De meeste voetwortelbeentjes hiervan zijn onderling verbonden door een straf gewricht. Het hielbeen is het grootste voetwortelbeentje. Dit been steekt met een knobbel naar achteren. Hieraan zit de achillespees vastgehecht.
Middenvoetsbeentjes
Metatarsalia
De vijf middenvoetsbeentjes zijn kleine pijpbeenderen. Samen met de teenkootjes vormen ze scharniergewrichten.
Hielbeen
Calcaneus
Teenkootjes
Phalanges
In de grote teen zitten twee teenkootjes, terwijl de overige tenen er drie hebben. De teenkootjes onderling vormen scharniergewrichten.
Test je kennis over de onderste extremiteit met de online boekcheck. Snelcode 27063
3.Spieren
Wist je dat er ook spieren actief zijn als je niet beweegt? Voor elke beweging heb je spieren nodig, dus ook bijvoorbeeld bij je ademhaling. Het spierstelsel zet ons lichaam in beweging als reactie op impulsen uit de hersenen. Een lichaamsbehandeling, zoals een massage, heeft invloed op de spieren. In dit hoofdstuk leer je welke spieren er zijn en hoe ze werken. Dit helpt je om een massage op een verantwoorde manier uit te voeren.
3.1
Spieren
In totaal zitten er in je lichaam ongeveer 700 spieren, van verschillende grootte. Al deze spieren liggen direct onder je huid. Ze werken snel, maar worden beïnvloed door je wilskracht en raken gauw vermoeid. Spieren hebben verschillende functies. Zo zorgen ze ervoor dat:
je lichaam kan bewegen, zodat je kunt lopen;
je lichaam kan fixeren, zodat je rechtop kunt zitten of staan;
je organen zijn beschermd.
Spierstelsel
Het spierstelsel bestaat uit dwarsgestreepte spieren. Deze spieren noem je ook wel willekeurige spieren. Ze zijn opgebouwd uit dwarsgestreepte spiervezels. Deze spiervezels worden omgeven door een bindweefsel en vormen samen een spierbundel. Om de verschillende spierbundels ligt
ook weer een bindweefsel. Dit bindweefsel noem je spierfascie of spierschede. Deze spierschede loopt uit in een pees. Alle spierbundels samen vormen een spier.
Het begin van een spier noem je de spieroorsprong of origo. Deze zit vaak aan een bot dat je helemaal niet kunt bewegen. Het einde van een spier noem je de spieraanhechting of insertio. Deze zit aan een meer beweeglijk bot. Een spier is vaak weinig tot niet beweeglijk op de plek van de oorsprong en aanhechting. Deze plaatsen bestaan namelijk uit vast bindweefsel, de pezen.
TIP IN HET HOOFDSTUK
‘CELLEN EN WEEFSELS’ LEES JE MEER OVER DE VERSCHILLENDE SOORTEN SPIERWEEFSELS.
Spierverloop
In dit hoofdstuk leer je de oorsprong, de aanhechting en de werking van verschillende spieren. Voor het geven van massages is het belangrijk om ook het spierverloop te weten. Vaak loopt een spier in een rechte lijn van de oorsprong tot de aanhechting. Wanneer dat niet zo is, wordt het verloop apart beschreven.
Opbouw van een spier
Bot
Pees
Spier
Spierbundel Spiervezel
Bevestiging aan het lichaam
Spieren kunnen op verschillende manieren bevestigd zijn aan het lichaam. De skeletspieren zitten zowel aan de oorsprong als aan de aanhechting aan het skelet vast, met behulp van pezen en peesbladen. Mimische spieren, de spieren in het gezicht, kunnen ook aan het skelet vastzitten met pezen of peesbladen. Daarnaast kunnen mimische spieren aan de huid bevestigd zijn met bindweefselvezels.
Spieren in het lichaam
Om een lichaamsmassage goed te kunnen uitvoeren, moet je weten welke skelet en mimische spieren in het lichaam voorkomen en wat de eigenschappen zijn van deze spieren. In de volgende paragrafen leer je meer hierover. Peeslengte
Een pees verbindt een spier met een bot en brengt spierkracht over op het skelet. Pezen verdragen meer kracht dan een spier, maar kunnen zichzelf niet samentrekken. Een peesblad is een brede, platte pees. Pezen en peesbladen bestaan uit bindweefsel met collagene vezels die doorlopen in de spierschede. Om de pees heen ligt een dubbele bindweefselkoker. Deze bindweefselkoker noem je de peesschede. De binnenkant van de peesschede is glad en slijmerig. Hierdoor kan de pees zich makkelijk in de koker bewegen.
De spier ligt niet altijd dicht bij het bot. De pezen die de spier met het bot verbinden kunnen namelijk nogal lang zijn. Zo worden de vingerkootjes bewogen door de buigspieren die vlakbij de elleboog ontspringen. Deze buigspieren gaan halverwege de onderarm al over in pezen, die via de pols naar de vingerkootjes lopen.
Aanhechting van mimische spieren
Mimische spieren bepalen je gezichtsuitdrukking.
Deze gezichtsuitdrukking noem je de mimiek.
De meeste mimische spieren ontspringen aan een beenstuk door middel van een pees, maar zijn met elastische bindweefselvezels aan de huid gehecht.
Een voorbeeld van zo’n mimische spier is de jukbeenspier. Deze spier beweegt zich van de aanhechting naar de oorsprong. Sommige mimische spieren zijn zowel aan de oorsprong als aanhechting bevestigd aan de huid. Deze spieren noem je huidspieren. Een voorbeeld van een huidspier is de mondkringspier.
Doorsnede
Spiervormen
Er zijn verschillende spiervormen.
Deze spiervormen kun je onderverdelen in:
het aantal spierhoofden: eenhoofdige en meerhoofdige spieren
het aantal spierbuiken: eenbuikige en meerbuikige spieren
het aantal pezen: eenpezige en meerpezige spieren
de vorm: waaiervormige spieren, kringspieren en platte spieren
Veel mimische spieren zitten op meerdere plekken aan het bindweefsel van de huid vast. Daarom bestaan er zoveel verschillende gezichtsuitdrukkingen. Mimische spieren kunnen ook via peesbladen aan de schedel verbonden zijn. Een voorbeeld hiervan is de voorhoofdspier. Deze spier ontspringt aan het schedelpeesblad en zit vast aan de huid van de wenkbrauwen en aan de huid van de neuswortel.
LET OP! HOUD ER BIJ EEN
MASSAGE REKENING MEE
DAT MIMISCHE SPIEREN
DOOR HUN BEVESTIGING
KWETSBAARDER ZIJN DAN SKELETSPIEREN.
Mimische spieren bepalen je gezichtsuitdrukking
Eenhoofdige spieren
Kenmerken
één oorsprongsplaats
één aanhechtingsplaats
Voorbeelden
bovenlipheffer
slanke dijbeenspier
Meerhoofdige spieren
Kenmerken
twee of meer oorsprongsplaatsen
één aanhechtingsplaats
Voorbeelden
tweehoofdige dijbeenspier
vierhoofdige dijbeenspier
tweehoofdige armspier
driehoofdige armspier
tweehoofdige kuitspier
Eenbuikige spieren
Kenmerken
één spierbuik
erg elastisch
Voorbeelden
de meeste gezichtsspieren
deltaspier
tweehoofdige armspier
Meerbuikige spieren
Kenmerken
twee of meer spierbuiken, gescheiden door peesstroken
erg elastisch
Voorbeelden
tweebuikige kaakspier
rechte buikspier
Eenpezige spieren
Kenmerken
één aanhechtingsplaats
Voorbeelden
grote jukbeenspier
tweehoofdige armspier
driehoofdige armspier
Meerpezige spieren
Kenmerken meerdere, van elkaar gescheiden aanhechtingsplaatsen
Voorbeelden
bovenlip en neusvleugelheffer
schoudergedeelte van de monnikskapspier
halfvliesachtige spier
Train je kennis over spiervormen met de online trainer. Snelcode 26088
zorgen dat de opening kan sluiten en openen door samentrekking of ontspanning
Voorbeelden
oogkringspier
mondkringspier
anusspieren
Platte spieren
Kenmerken
platte spierbuik
lange oorsprong en aanhechting
Voorbeelden
voorhoofdspier
achterhoofdspier
buikspieren
Spierwerking
Het kenmerk van spierweefsel is dat spiercellen kunnen samentrekken (spiercontractie). Spiercontractie wordt veroorzaakt doordat een zenuw een prikkel aan de spier afgeeft (spierinnervatie).
Het samentrekken verkort de spier of verhoogt de spanning van de spier (spiertonus). Dit brengt een spierbeweging teweeg.
In deze subparagraaf leer je meer over spierinnervatie, spiercontractie, spiertonus en spierbeweging.
Synergisten en antagonisten
Synergisten zijn spieren die elkaars werking ondersteunen: ze veroorzaken een beweging in dezelfde richting.
De slaapkauwspier en de wangkauwspier zijn voorbeelden van synergisten. Deze sluiten beide de onderkaak.
Antagonisten zijn spieren die elkaar tegenwerken. De biceps en de triceps in de bovenarm zijn antagonisten. De biceps buigt de arm en de triceps strekt de arm.
De biceps en triceps bewegen samen de arm.
Soorten spiercontracties
Spierinnervatie
Spieren zijn altijd verbonden met zenuwen. Het overbrengen van een prikkel van een zenuw naar een spier noem je spierinnervatie. Bij dwarsgestreepte willekeurige spieren is goed te zien hoe dit werkt. Het spierweefsel van deze spieren kan zich namelijk snel samentrekken. Dat gebeurt bijvoorbeeld als de spier een prikkel ontvangt.
De geprikkelde spier trekt zich dan samen (contraheert) en wordt korter. Zodra de prikkel stopt, verlengt de spier zich weer. Als je een spier te lang prikkelt, ontstaat er kramp. Wanneer het contact tussen een zenuwbaan en een spier onderbroken wordt, kan de zenuwbaan de prikkel
niet meer doorgeven. Je spreekt dan van verlamming. Verlamming kan onder andere optreden bij een wervelbreuk.
Spiercontracties
Als spieren samentrekken, spreek je van spiercontractie. Elektrische, chemische en mechanische prikkels kunnen een spier direct tot contractie prikkelen. Deze prikkels gebruik je in de schoonheidssalon bijvoorbeeld bij een massagebehandeling. Zo zorgen lange, langzame grepen voor ontspanning van spieren, terwijl stevige, dwarse, korte grepen zorgen voor samentrekkingen en een hogere spiertonus. Ook warmte en kou zorgen voor spanning of juist ontspanning. Hier zijn verschillende apparaten voor te gebruiken.
Er zijn verschillende soorten spiercontracties. Bij isometrische contractie levert de spier wel kracht, maar beweegt niet. Je noemt deze contractie daarom ook wel statische contractie. Tegen een dichte deur duwen om te voorkomen dat deze opengaat, is hier een voorbeeld van. Het tegenovergestelde van isometrische contractie is dynamische contractie
De spier zet dan kracht en wordt korter of langer. Bijvoorbeeld tijdens het trainen van de biceps. Als je een gewicht vanaf heuphoogte naar je borst haalt, worden de biceps korter (concentrische contractie). Laat je het gewicht weer zakken, dan worden de biceps langer (excentrische contractie).
Met stimulerende massages kun je de spiertonus verhogen
Spiertonus
De spiertonus is de basisspanning van de spier in rusttoestand. Deze basisspanning ontstaat doordat verschillende delen van de spier telkens samentrekken. Dit zorgt ervoor dat het skelet niet in elkaar zakt. De spiertonus wordt beïnvloed door het autonome (onwillekeurige) zenuwstelsel dat voortdurend prikkels naar de spieren stuurt. De spiertonus kan tijdelijk verlaagd of verhoogd zijn. Dit kan verschillende oorzaken hebben, zoals ziekte, spanningen of vermoeidheid.
Een hypertonische spier heeft een te hoge spier tonus. Deze spier is verkrampt en voelt hard aan. Een verhoogde spiertonus kan ontstaan door intensief spiergebruik of nervositeit. Hypertonische spieren hebben daarom baat bij warmte, massage en ontspanning. Lange, langzame massagegrepen zorgen ervoor dat je spieren ontspannen.
Is de spiertonus te laag, dan spreek je van een hypotonische spier. Deze spier is verslapt en voelt deegachtig aan. Een verlaagde spiertonus kan het gevolg zijn van onvoldoende spiergebruik, ziekte, ouderdom, slaaptekort of vermoeidheid. Door middel van stimulerende massages en lichaamsoefeningen kun je de spiertonus verhogen. Zo kun je met stevige, dwarse en korte massagegrepen zorgen voor samentrekkingen en een hogere spiertonus. Door deze grepen toe te passen, spannen je spieren zich aan.
Spierbeweging
Een spierbeweging noem je kinesis. Kinesiologie is de leer van de beweging. Door spieren goed te bewegen, kun je vergroeiingen, pijn en een slechte lichaamshouding voorkomen. Als je een spier een tijdje niet of nauwelijks gebruikt, neemt deze in omvang af. De spier wordt dan dunner en slapper en verschrompelt. Dit verschrompelen van de spier noem je spieratrofie. Spieratrofie kan ook het gevolg zijn van een lage spiertonus.
TIP IN HET HOOFDSTUK
LEES
JE MEER OVER DE WEG DIE EEN PRIKKEL AFLEGT.
Door spieren goed te bewegen, kun je een slechte lichaamshouding voorkomen.
Bewegingsvormen
Skeletspieren hebben verschillende bewegingsvormen. De bewegingsvormen zeggen iets over in welke richting het lichaamsdeel draait. Elke beweging heeft een tegenbeweging. De bewegingsvormen komen daarom altijd voor in paren.
Voor de bewegingsvormen gebruiken we de begrippen die in de tabel staan.
abduceren van het lichaam af voeren
adduceren naar het lichaam toe voeren
exoroteren het buitenwaarts draaien van een lichaamsdeel
endoroteren het binnenwaarts draaien van een lichaamsdeel
extenseren het strekken van een lichaamsdeel
flexeren het buigen van een lichaamsdeel
proneren de handpalm naar beneden draaien, waarbij de duim naar het lichaam wijst (speciale vorm van endorotatie)
supineren de handpalm naar boven draaien, waarbij de duim van het lichaam af wijst (speciale vorm van endorotatie)
Als je in beweging bent, gebruiken spieren meer energie.
Spierstofwisseling
Spieren verbruiken brandstof. Voor iedere contractie (spiersamentrekking) is brandstof nodig. De spiercellen verbruiken veel energie om het spierweefsel intact te houden en om bewegingen uit te kunnen voeren. Een spier in werking verbruikt ongeveer vijftien keer zo veel energie als een spier in rust.
Als je lichaam glucose niet direct nodig heeft als brandstof, wordt het met behulp van het hormoon insuline omgezet in glycogeen. In de spieren en in de lever slaat je lichaam dit op als reservevoorraad. Het lichaam kan de reservevoorraad glycogeen onder invloed van de hormonen glucagon en adrenaline weer omzetten in glucose. Dit gebeurt als er te weinig glucose in het bloed aanwezig is.
Test je kennis over spieren met de online boekcheck. Snelcode 27085
Hoor je graag een expert vertellen over spieren? Bekijk dan de online masterclass. Snelcode 21087
Een spier in werking verbruikt ongeveer vijftien keer zo veel energie als een spier in rust.
De koolhydraten uit voedsel dienen als brandstof voor je lichaam. In het spijsverteringsstelsel breken koolhydraten af tot glucose. Als je lichaam energie nodig heeft om te bewegen, wordt de glucose die in het bloed aanwezig is, verbonden met zuurstof. Daardoor komt energie vrij en ontstaan koolstofdioxide en water. Dit zijn afvalstoffen die via het bloed afgevoerd worden. Voor het vrijmaken van energie uit glucose is zuurstof nodig. Dit proces noem je het aeroob proces Als er te weinig zuurstof is, kan het vrijmaken van energie uit glucose ook zonder zuurstof plaatsvinden, bijvoorbeeld bij intensief spiergebruik. Je spreekt dan van een anaeroob proces. Bij dit proces ontstaat melkzuur dat als afvalstof via het bloed wordt afgevoerd. Een grote hoeveelheid melkzuur in de spieren veroorzaakt pijnlijke en vermoeide spieren (spierpijn).
Myogelosen
Myogelosen zijn verhardingen in het spierweefsel die ontstaan door een slechte doorbloeding. Hierdoor gaat de spierstofwisseling minder snel. Dit gebeurt bijvoorbeeld door ophoping van melkzuur, bij ongewone of grote inspanning of bij verkeerd spiergebruik. Myogelosen komen vooral voor op plaatsen waar de spier het slechtst doorbloed is, zoals de oorsprong en aanhechting. Tijdens een massage kun je myogelosen voelen. Ze hebben een korrelige structuur en kunnen pijn doen bij aanraking.
TIP
LEES IN HET HOOFDSTUK ‘HORMOONSTELSEL’ MEER OVER DE ALVLEESKLIER, INSULINE, GLUCAGON EN ADRENALINE.
3.2 Aangezicht
Aangezichtsspieren spelen een rol bij de gezichtsuitdrukking (mimiek) en bij het bewegen van de mond en de ogen. Je kunt ze onderverdelen in mimische spieren en skeletspieren van het gezicht.
Mimische spieren bepalen bijvoorbeeld of je boos, blij of verdrietig kijkt: ze zorgen voor je gezichtsuitdrukking (mimiek). Skeletspieren van het gezicht heb je nodig voor het kauwen.
Aangezichtsspieren zijn opgebouwd uit dwarsgestreepte (willekeurige) spieren, net als alle andere skeletspieren. Een gezichtsmassage heeft invloed op je spieren. Om deze massage goed te kunnen uitvoeren, moet je dus weten welke spieren er in het gezicht, de hals en het decolleté voorkomen.
Mimische spieren
Mimische spieren bepalen je gezichtsuitdrukking. Deze gezichtsuitdrukking noem je de mimiek. In de illustratie zie je welke spieren in het gezicht voorkomen en waar ze zitten.
Neusspier
Kleine jukbeenspier
Grote jukbeenspier
Bovenlipheffer
Mondhoekheffer Lachspier
Mondhoekomlaagtrekker
Onderlipomlaagtrekker
Voorhoofdsspier
Wenkbrauwrimpelaar
Slanke neusspier
Oogkringspier
Wangkauwspier
Trompetspier
Mondkringspier
Kinspier
Slaapkauwspier
Grote jukbeenspier
Mondkringspier Lachspier
Mondhoek omlaagtrekker
Borstbeen-sleutelbeentepelspier
Brede halsspier
Oorsprong, aanhechting, werking en verloop Mimische spieren hebben een verschillende oorsprong, aanhechting en werking. De oorsprong en aanhechting bepalen het verloop van de spier. In het overzicht hiernaast en op de volgende pagina’s lees je hier meer over.
Bij het samentrekken van mimische spieren beweegt de aanhechting in de richting van de oorsprong. De tekeningen geven de oorsprong aan met een open cirkel en de aanhechtingsplaats met een gesloten cirkel. De streepjes in de tekeningen geven het verloop van de spieren aan.
oorsprong aanhechting
Om een gezichtsmassage goed te kunnen uitvoeren, moet je weten welke spieren er in het gezicht, de hals en het decolleté voorkomen.
Voorhoofdspier
Musculus frontalis
Oorsprong aan het schedelpeesblad
Aanhechting aan de huid bij de wenkbrauwen en neuswortel
Werking
trekt de wenkbrauwen omhoog
veroorzaakt horizontale voorhoofdrimpels
Achterhoofdspier
Musculus occipitalis
Oorsprong aan het achterhoofdsbeen
Aanhechting aan het schedelpeesblad
Werking
trekt het schedelpeesblad naar achteren
strijkt rimpels glad
WIST JE DAT? DE ACHTERHOOFDSPIER IS BIJ DE MENS SLECHT
ONTWIKKELD: JE KUNT DEZE SPIER MOEILIJK IN BEWEGING BRENGEN.
Wenkbrauwrimpelaar
Musculus corrugator supercilii
Oorsprong aan het neusdeel van het voorhoofdsbeen
Aanhechting
aan de huid midden boven de wenkbrauwen
Werking
trekt de wenkbrauwen naar binnen en omlaag
veroorzaakt verticale voorhoofdsrimpels, vooral boven de neus
Slanke neusspier
Musculus procerus
Oorsprong aan het neusbeentje
Aanhechting
aan de huid tussen en boven de wenkbrauwen
Werking
trekt de huid boven de neuswortel omlaag waardoor een diepe plooi dwars over de neuswortel ontstaat
Oogkringspier
Musculus orbicularis oculi
Oorsprong aan het bot en het bindweefsel van de binnenooghoek
Aanhechting
aan de zijkant aan de huid van de buitenooghoek
aan de bovenkant aan de huid onder de wenkbrauwen
aan de onderkant aan de huid van de wangen
Werking
sluit de ogen
door verslapping en intensief gebruik ontstaan fijne rimpeltjes rondom de ogen (kraaienpootjes)
Neusspier
Musculus nasalis
Oorsprong aan de bovenkaak boven de hoek en snijtanden
Aanhechting
aan de huid en het kraakbeen van de neusrug
aan de huid van de neusvleugels
Werking
verwijdt de neusgaten
trekt de neustop naar beneden
Bovenlip- en neusvleugelheffer
Musculus levator labii superioris alaeque nasi
Oorsprong aan de neusooghoek
Aanhechting
aan de huid van de neusvleugels en het buitenste deel van de bovenlip
Werking
trekt de neusvleugels omhoog
trekt de bovenlip omhoog
Bovenlipheffer
Musculus levator labii superioris
Oorsprong aan de oogkasrand, onder de oogkringspier
Aanhechting
aan de huid van het buitenste deel van de bovenlip
Werking
trekt het buitenste gedeelte van de bovenlip omhoog
door verslapping van de spier kan de neuslippenplooi dieper worden
Kleine jukbeenspier
Musculus zygomaticus minor
Oorsprong aan het jukbeen, onder de oogkringspier
Aanhechting
aan de huid van het buitenste deel van de bovenlip
Werking
trekt het buitenste gedeelte van de bovenlip omhoog
Grote jukbeenspier
Musculus zygomaticus major
Oorsprong aan het jukbeen, onder de oogkringspier
Aanhechting
aan de huid van de mondhoek
Werking
trekt de mondhoek naar boven en naar buiten
Mondhoekheffer
Musculus levator anguli oris
Oorsprong
aan het naar boven stekende deel van de bovenkaak, onder de oogholte
Aanhechting
aan de huid van de mondhoek
Werking
trekt de mondhoek naar boven
Lachspier
Musculus risorius
Oorsprong
aan de bindweefselvliezen van de oorspeekselklieren die in het wanggedeelte van de mondholte liggen
Aanhechting aan de mondhoek
Werking
trekt de mondhoek opzij
door volgroeiing met de wangenhuid ontstaan er kuiltjes in de wangen
Train je kennis over mimische spieren met de online trainer. Snelcode 26096
Mondhoekomlaagtrekker
Musculus depressor anguli oris
Oorsprong
aan het middengedeelte van de onderkaakrand
is deels een voortzetting van de brede halsspier
Aanhechting
aan de mondhoek
aan het buitenste deel van de bovenlip
Werking
trekt de mondhoek naar beneden
door verslapping van de spier in combinatie met huidverslapping kan de mondhoek gaan hangen
Onderlipomlaagtrekker
Musculus depressor labii inferioris
Oorsprong
aan de rand van de onderkaak onder de mondhoekomlaagtrekker
is deels een voortzetting van de brede halsspier
Aanhechting
aan de huid van de onderlip en de mondhoek
Werking trekt de onderlip en de mondhoek omlaag
Kinspier
Musculus mentalis
Oorsprong aan het kingedeelte van de onderkaak, onder de snijtanden
Aanhechting aan de huid van de kin
Werking
trekt de kinhuid omhoog, waardoor je een pruillip krijgt
door vergroeiingen van de linker en rechter kinspier met de vezels in de huid ontstaat het kuiltje in de kin
Trompetspier
Musculus buccinator
Oorsprong aan de bovenkaak en aan de onderkaak bij de kiezen
Aanhechting aan de mondkringspier, waar de twee spierbundels van de bovenkaak en de onderkaak elkaar bij de mondhoek kruisen
Werking
trekt de wangenhuid tegen de kiezen aan
trekt de mondhoeken opzij
verslapping van deze spier in combinatie met huidverslapping veroorzaakt hangwangen
Mondkringspier
Musculus orbicularis oris
Oorsprong aan de mondhoek
Aanhechting aan de huid rondom de mond
Werking
spitst en sluit de mond
verslapping van deze spier in combinatie met huidverslapping veroorzaakt verticale rimpels rondom de mond
Brede halsspier
Platysma
Oorsprong aan het huidgebied tussen het sleutelbeen en de tweede rib, doorlopend tot de schoudertop
Aanhechting
aan de huid van de kaakrand
aan de onderkant van de wangen
Werking
trekt de halshuid omhoog
trekt de mondhoeken omlaag
verslapping van deze spier in combinatie met huidverslapping veroorzaakt horizontale rimpels in de hals
Skeletspieren van het GEZICHT
Alle spieren die nodig zijn voor het kauwen noem je skeletspieren van het gezicht. Voor kauwen heb je veel spierkracht nodig. Daarom moeten de spieren die je daarvoor nodig hebt goed vastzitten. Kauwspieren trekken zich samen door een prikkel van de onderste tak van de drielingzenuw.
Skeletspieren van het gezicht hebben een verschillende oorsprong, aanhechting en werking. Wat ze met elkaar gemeen hebben, is dat ze zowel hun oorsprong als aanhechting aan een botdeel hebben. In het overzicht lees je meer over de verschillende skeletspieren. Ook hier geven de tekeningen de oorsprong met een open cirkel en de aanhechting met een gesloten cirkel aan. De streepjes geven het verloop van de spieren aan.
Alle
spieren die nodig zijn voor het kauwen noem je skeletspieren van het gezicht.
Wangkauwspier
Musculus masseter
Oorsprong aan de jukboog
Aanhechting
aan de buitenzijde van de onderkaak, bij de kaakhoek
Werking
heft de onderkaak
fungeert bij het kauwen als kaaksluiter
Slaapkauwspier
Musculus temporalis
Oorsprong waaiervormige oorsprong aan het zijvlak van het slaapbeen
Aanhechting
gaat onder de jukboog door naar het voorste uitsteeksel van de opstijgende tak van de onderkaak
Werking
heft de onderkaak
trekt de onderkaak iets naar achteren
fungeert bij kauwen als kaaksluiter
Tweebuikige onderkaakspier
Musculus digastricus
Oorsprong
achterste spierbuik: aan het tepelvormige uitsteeksel van het slaapbeen
Aanhechting
voorste spierbuik: hecht aan het kingedeelte van de onderkaak, via het tongbeen
Werking
voorste spierbuik: opent de onderkaak
achterste spierbuik: trekt het tongbeen naar achteren
antagonist van de slaapkauwspier en de wangspier, die de mond sluiten
Borstbeensleutelbeen-tepelspier
Musculus sternocleidomastoideus
Oorsprong aan het borstbeen en het sleutelbeen
Aanhechting
aan het tepelvormig uitsteeksel van het slaapbeen
Werking
dubbelzijdige samentrekking: buigt het hoofd naar voren
enkelzijdige samentrekking: draait het hoofd opzij (abductie)
hulpspier bij inademing
Test je kennis over aangezichtsspieren met de online boekcheck. Snelcode 27094
3.3 Romp
De spieren in je romp zorgen voor stabiliteit in je lichaam. Ze zorgen dat je rechtop blijft staan en zijn bij elke beweging die je doet aangespannen. Daarnaast brengen ze kracht over van je bovenlichaam naar je onderlichaam en andersom. In de romp bevinden zich de volgende spiergroepen:
borstspieren
buikspieren
rugspieren
De spieren in je romp zorgen dat je rechtop blijft staan en zijn bij elke beweging die je doet aangespannen.
Borstspieren
De spieren in de borst ondersteunen de ademhaling. Ze zorgen ervoor dat de borstkas op en neer beweegt tijdens de ademhaling. Onder de borstspieren vallen de volgende spieren:
het middenrif
de grote borstspier
de kleine borstspier
Middenrif
Diafragma
Het middenrif scheidt de borstholte van de buikholte. Het is een koepelvormige spier. In het midden zit een peesblad, met openingen voor onder andere de slokdarm, de zwervende zenuw en de grote bloedvaten.
Oorsprong
aan de achterkant van de lendenwervels
aan de zijkant van de zes onderste ribben
aan de voorkant van het zwaardvormig aanhangsel van het borstbeen
Aanhechting
aan het centrale peesblad in het midden van de spier
Werking
wordt afgeplat bij inademing, waardoor de borstkas uitzet
ontspant zich en wordt koepelvormig bij uitademing, waardoor de borstkas krimpt
Borstspieren zorgen
ervoor dat je borstkas op en neer beweegt tijdens de ademhaling.
Grote borstspier
Musculus pectoralis major
Van de borstspieren ligt de grote borstspier het dichtst onder de huid. De grote borstspier is waaiervormig en hoort bij de voorzijde van de oksel.
Oorsprong
aan het middenuiteinde van het sleutelbeen
aan het borstbeen
aan het kraakbeen van de tweede tot de zesde rib
aan de bindweefselomhulling van de rechte buikspier
Aanhechting aan de kam van de grote opperarmbeenknobbel
Werking
helpt bij het heffen van de tweede tot de zesde rib tijdens de inademing
voert de arm aan (adductie)
draait de arm naar binnen (endorotatie)
Kleine borstspier
Musculus pectoralis minor
De kleine borstspier bestaat uit drie spierhoofden. De kleine borstspier ligt onder de grote borstspier.
De grote en kleine borstspier vormen samen de voorzijde van de oksel.
Oorsprong
aan de tweede tot de vijfde rib
Aanhechting
aan het ravenbekuitsteeksel van het schouderblad
Werking
trekt vanaf de aanhechting het schouderblad naar voren en naar beneden
werkt vanaf de oorsprong als hulpspier bij de inademing
Buikspieren
Rechte buikspier
Musculus rectus abdominis
De buikspieren zijn erg elastisch en beschermen de organen in de buikholte. De belangrijkste spieren in de buik zijn:
de rechte buikspier
de buitenste schuine buikspier
de binnenste schuine buikspier
de dwarse buikspier
Bij een goed getrainde rechte buikspier zorgen dwarslopende pezen voor een blokjesbuik.
De rechte buikspier loopt aan beide kanten van de buik. De spier heeft meerdere spierbuiken. Het verschilt per persoon of dat er vier of vijf zijn. De spierbuiken ontstaan doordat dwarslopende pezen het verloop van de spiervezels onderbreken. De dwarslopende pezen zorgen ervoor dat bij een goed getrainde rechte buikspier een ‘blokjesbuik’ ontstaat.
Vanaf het zwaardvormig aanhangsel scheidt een smal peesblad de rechte buikspier in twee delen. Dit peesblad heet de witte lijn (linea alba).
Oorsprong
aan het kraakbeen van de vijfde tot zevende rib
aan het zwaardvormig uitsteeksel van het borstbeen
Aanhechting aan het schaambeen Werking
trekt de borstkas omlaag
buigt de romp (flexie)
heft het bekken omhoog als de borstkas niet kan bewegen
Buitenste schuine buikspier
Musculus obliquus externus abdominis
De buitenste schuine buikspier werkt nauw samen met de binnenste schuine buikspier. Samen draaien en buigen ze de wervelkolom.
Oorsprong
aan de onderrand van de vijfde tot de twaalfde rib
Aanhechting
aan de witte lijn
aan de bekkenkam
Werking
buigt de wervelkolom voorover (flexie)
draait de wervelkolom in beide richtingen (exorotatie en endorotatie)
Binnenste schuine buikspier
Musculus obliquus internus abdominis
De binnenste schuine buikspier werkt samen met de buitenste schuine buikspier bij het buigen en draaien van de wervelkolom.
Oorsprong
aan de bekkenkam
Aanhechting
aan de witte lijn
Werking
buigt de wervelkolom voorover (flexie)
draait de wervelkolom in beide richtingen (exorotatie en endorotatie)
Dwarse buikspier
Musculus transfersus abdominis
De dwarse buikspier ligt onderin de buik en drukt op de ingewanden in de buik.
Oorsprong
aan de onderste ribben
aan de bekkenkam
Aanhechting
aan de witte lijn
Werking
verkleint de buikholte voor de uitademing
De witte lijn is een peesblad dat de rechter buikspier vanaf het zwaardvormig aanhangsel in twee delen scheidt.
Rugspieren
De rugspieren vormen samen met de buikspieren de kernspieren van het lichaam. De rugspieren zitten om de wervelkolom heen. De belangrijkste spieren in de rug zijn:
de monnikskapspier
de brede rugspier
de ruggenstrekkers
Ruggedeelte
Oorsprong
aan de doornuitsteeksels van de onderste borstwervels Aanhechting
aan de onderkant van de schouderbladkam
Werking trekt het schouderblad omlaag
Monnikskapspier
Musculus trapezius
De monnikskapspier bestaat uit drie delen: een hoofd en halsdeel, een schouderdeel en een rugdeel.
Hoofd- en halsdeel
Oorsprong
aan de onderkant van de achterschedel
aan de doornuitsteeksels van de bovenste halswervels
Aanhechting aan het buitenste uiteinde van het sleutelbeen
Werking
beweegt de schouderbladen naar binnen en omhoog
Schoudergedeelte
Oorsprong
aan de doornuitsteeksels van de onderste en bovenste halswervels Aanhechting
aan de schouderbladkam
aan de schoudertop
Werking trekt het schouderblad naar binnen en omhoog
Brede rugspier
Musculus latissimus dorsi
De brede rugspier ligt dicht onder de huid. Hij vormt de achterkant van de oksel.
Oorsprong
aan de onderste vier ribben
aan de doornuitsteeksels van de onderste borstwervels
aan het lendenpeesblad
aan de darmbeenkam
Aanhechting aan de kam van de kleine opperarmbeenknobbel
Werking
brengt de armen naar achteren
draait de armen naar binnen (endorotatie)
brengt de armen naar het lichaam toe (adductie)
Ruggenstrekkers
Musculi erector spinae
De ruggenstrekkers liggen aan beide kanten van de wervelkolom, onder de brede rugspier.
Oorsprong
aan het heiligbeen
aan de bekkenrand
Aanhechting aan de doornuitsteeksels van alle wervels en ribben
Werking
stabiliseert de romp
strekt het lichaam (extensie)
buigt het lichaam zijwaarts (flexie)
draait de wervelkolom (exorotatie en endorotatie)
Train je kennis over rugspieren met de online trainer. Snelcode 26113
Test je kennis over de romp met de online boekcheck. Snelcode 27109
3.4 Bovenste extremiteit
De spieren in de schouder en arm worden samen de spieren van de bovenste extremiteit genoemd. Een extremiteit is een deel van het lichaam dat vastzit aan de romp.
Schouderspieren
De schouder verbindt de armen met de romp. De schouderspieren hebben allemaal een rol bij het bewegen van de armen. De schouderspieren bestaan uit de deltaspier en de voorste zaagspier.
De schouderspieren hebben allemaal een rol bij het bewegen van de armen.
Deltaspier
Musculus deltoideus
De deltaspier ligt dicht tegen de oppervlakte aan en is daarom goed zichtbaar op de bovenarm. De spier bestaat uit drie delen: het voorste, middelste en achterste gedeelte.
Oorsprong
het voorste gedeelte ontspringt bij het sleutelbeen
het middelste gedeelte bij het schouderdak
het achterste gedeelte begint bij de achterzijde van de schouderbladkam Aanhechting halverwege het opperarmbeen aan de buitenzijde Werking
het voorste gedeelte heft de arm naar voren en draait de arm naar binnen (endorotatie)
het middelste gedeelte heft de arm naar buiten (abductie)
het achterste gedeelte van de deltaspier heft de arm vanuit de gewrichten naar achteren
De drie gedeeltes samen zorgen ervoor dat je je arm zijwaarts van je lichaam af kunt bewegen.
Voorste zaagspier
Musculus serratus anterior
De voorste zaagspier ligt aan zowel de linker als de rechterzijde van het lichaam tussen de ribbenkast en het schouderblad. De spier zorgt ervoor dat de bovenarm makkelijk geheven kan worden. Je gebruikt de spier bijvoorbeeld als je een zwaar voorwerp vooruit duwt. De spier bestaat uit drie delen: het bovenste, middelste en onderste gedeelte.
Oorsprong aan de buitenzijde van de eerste tot de negende rib Aanhechting aan de binnenkant van het schouderblad
Werking trekt het onderste punt van het schouderblad naar voren, zodat de bovenarm makkelijker geheven kan worden
Armspieren
De armspieren kunnen veel verschillende bewegingen maken. Ze kunnen bijvoorbeeld naar voren en naar achter zwaaien, omhoog en voor de borst worden gehouden. De schouder is de basis van de arm. De meeste armspieren hebben daarom hun oorsprong aan de schouder. Sommige bovenarmspieren kunnen een aanhechtingsplaats aan de onderarm hebben. Deze aanhechting maakt de beweging van het ellebooggewricht mogelijk.
De armspieren bestaan uit de tweehoofdige armspier, driehoofdige armspier en de opperarmspaakbeenspier.
Tweehoofdige armspier (biceps)
Musculus biceps
De tweehoofdige armspier ligt aan de voorzijde van de bovenarm. De spier zorgt voor bewegingen in het schouderen ellebooggewricht en bestaat uit twee spierhoofden: een lang en een kort hoofd.
Oorsprong
aan de bovenkant van de gewrichtskom van het schouderblad
bij het ravenbekuitsteeksel
Aanhechting via een korte eindpees aan de spaakbeenknobbel
Werking
buigt de elleboog in het ellebooggewricht (flexie)
draait de arm en pols naar buiten (open draaien)
heft de arm voorwaarts
Lange hoofd
Dit deel ontspringt aan het uitsteeksel net boven de kom van de schouder.
Korte hoofd
Dit deel ontspringt bij het ravenbekuitsteeksel van het schouderblad.
ARMSPIER WORDT OOK WEL DE SPIERBAL GENOEMD. JE ZIET DEZE
Buitenste hoofd
Dit deel ontspringt aan de buitenzijde van de achterzijde van het opperarmbeen.
Langste hoofd
Dit deel ontspringt aan de onderkant van de gewrichtskom aan de achterzijde van het schouderblad.
Binnenste hoofd
Dit deel ontspringt aan de binnenzijde van de achterzijde van het opperarmbeen.
Driehoofdige armspier/triceps
Musculus triceps
De driehoofdige armspier ligt aan de achterkant van de bovenarm en bestaat uit drie hoofden: het langste, binnenste en buitenste hoofd.
Oorsprong
aan de achterzijde van het schouderblad, aan de onderkant van de gewrichtskom
aan de buiten en binnenkant van de achterzijde van het opperarmbeen
Aanhechting
via een pees aan de elleboogpunt van de ellepijp
Werking
strekt de elleboog (extensie)
beweegt de arm naar achteren
het langste hoofd beweegt de arm naar het lichaam toe
Opperarmspaakbeenspier
Musculus brachioradialis
De opperarmspaakbeenspier bevindt zich aan de voorkant en buitenzijde van de onderarm, bij de elleboog.
Oorsprong
begint bij het opperarmbeen
Aanhechting
eindigt in de kop van het spaakbeen
Werking
buigt de onderarm bij de elleboog (flexie)
hulpspier bij het naar beneden draaien (supinatie) en naar boven draaien (pronatie) van de onderarm
Train je kennis over schouder- en armspieren met de online trainer. Snelcode 26100
Test je kennis over de bovenste extremiteit met de online boekcheck. Snelcode 27097
3.5
Onderste extremiteit
Alle spieren in de benen heten samen de spieren van de onderste extremiteit. De onderste extremiteit bestaat uit de heup en dijbeenspieren, de achterdijbeenspieren en de onderbeenspieren.
Grote aanvoerder van het dijbeen
Spanspier van de dijschede
Halfpeesachtige spier
Halfvliesachtige spier
Tweehoofdige dijbeenspier
Grote bilspier
Heup-lendenspier
Schaambeenkamspier
Lange aanvoerder van het dijbeen Kleermakerspier
Slanke dijbeenspier
Vierhoofdige dijbeenspier
Lange kuitbeenspier
Voorste scheenbeenspier
Tweehoofdige kuitspier
Korte kuitbeenspier
Dijbeenspieren
De dijbeenspieren zitten aan de voorkant en binnenkant van het bovenbeen.
Vierhoofdige dijbeenspier
Musculus quadriceps femoris
De vierhoofdige dijbeenspier heeft vier spierhoofden. De spier komt samen in één aanhechting.
Oorsprong
aan de voorste, onderste darmbeendoorn
aan de binnenkant van het dijbeen
aan de buitenkant van het dijbeen
aan de voorkant van het dijbeen
Aanhechting
aan de scheenbeenknobbel
Verloop
De rechte kop loopt van de voorste onderste darmbeendoorn, over het heupgewricht en kniegewricht naar het scheenbeen.
De andere koppen lopen vanaf hun oorsprong over het kniegewricht naar het scheenbeen.
Werking
heft het bovenbeen vanuit het heupgewricht
strekt het been in het kniegewricht (extensie)
Kleermakerspier
Musculus sartorius
De kleermakersspier zit aan de voorkant van het bovenbeen en loopt van buiten naar binnen.
Oorsprong
aan de voorste darmbeendoorn
Aanhechting
aan de binnenkant van het scheenbeen, naast de scheenbeenknobbel
Werking
beweegt het been voorwaarts
draait het been buitenwaarts in het heupgewricht (exorotatie)
buigt de knie (flexie)
draait het onderbeen in gebogen toestand naar binnen (endorotatie)
Spanspier van de dijschede
Musculus tensor fasciae latae
De spanspier van de dijschede zit aan de buitenkant van het bovenbeen en gaat halverwege over in een peesblad.
Het peesblad hecht net voorbij de knie aan.
Oorsprong
aan de voorste darmbeendoorn
Aanhechting
aan de bindweefselomhulling net boven de knie
Werking
spant de dijschede aan
voert het dijbeen af (abductie)
Slanke dijbeenspier
Musculus gracilis
De slanke dijbeenspier is een van de adductoren van het bovenbeen. Deze spier draait het bovenbeen naar binnen.
Oorsprong
aan de onderzijde van het schaambeen
Aanhechting
aan de bovenbinnenzijde van het scheenbeen, naast de scheenbeenknobbel
Werking
voert het bovenbeen aan (adductie)
buigt het been in het kniegewricht (flexie)
draait het onderbeen naar binnen (endorotatie)
Schaambeenkamspier
Musculus pectineus
De schaambeenkamspier is, net als de slanke dijbeenspier, een adductor van het bovenbeen.
Oorsprong
aan de kam van het schaambeen
Aanhechting
aan de binnenzijde van het dijbeen
Werking
voert het bovenbeen aan (adductie)
is een hulpspier bij het buitenwaarts draaien van het bovenbeen in het heupgewricht (exorotatie)
is een hulpspier bij het heffen van het bovenbeen
Lange aanvoerder van het dijbeen
Musculus adductor longus
De lange aanvoerder van het dijbeen is de middelste van de aanvoerders van het dijbeen.
Oorsprong
aan de voorzijde van het heupbeen
Aanhechting
aan de binnenzijde van het dijbeen
Werking
voert het bovenbeen aan (adductie)
draait het bovenbeen naar buiten (exorotatie)
Grote aanvoerder van het dijbeen
Musculus adductor magnus
De grote aanvoerder van het dijbeen is de grootste adductor van het dijbeen.
Deze spier is het grootste in oppervlakte en ligt onder de korte en lange aanvoerder van het dijbeen.
Oorsprong
aan de voorzijde van het heupbeen
Aanhechting
aan de binnenzijde van het dijbeen, over de gehele lengte van het dijbeen
Werking
voert het bovenbeen aan (adductie)
draait het bovenbeen naar buiten (exorotatie)
heft het bovenbeen achterwaarts
strekt het been in de heup (extensie)
Heup-lendenspier
Grote bilspier
Halfpeesachtige spier
Tweehoofdige dijbeenspier
Halfvliesachtige spier
Tweehoofdige kuitspier
Lange kuitbeenspier
Voorste scheenbeenspier
Korte kuitbeenspier
De achterdijbeenspieren worden samen de hamstring genoemd.
Achterdijbeenspieren
De achterdijbeenspieren worden samen de hamstring genoemd. De hamstring buigt de knie.
Halfvliesachtige spier
Musculus semimembranosus
De halfvliesachtige spier is een grote, vlezige spier. Deze spier ligt onder de halfpeesachtige spier en heeft twee eindpezen.
Oorsprong
aan achteronderkant van de bil, aan de zitbeenknobbel
Aanhechting
aan de achterzijde van het scheenbeen
Werking
strekt het heupgewricht (extensie)
draait het heupgewricht naar binnen (endorotatie)
voert het heupgewricht aan (adductie)
buigt het kniegewricht (flexie)
draait het kniegewricht naar binnen (endorotatie)
Halfpeesachtige spier
Musculus semitendinosus
De halfpeesachtige spier loopt boven de halfvliesachtige spier. Halverwege het bovenbeen gaat de spierbuik over in een eindpees.
Oorsprong
aan de achter/onderkant van de bil, aan de zitbeenknobbel
Aanhechting
aan de binnen/voorzijde van het scheenbeen
Werking
buigt het onderbeen in het kniegewricht (flexie)
draait bij een gebogen knie het onderbeen naar binnen (endorotatie)
helpt het bovenbeen naar buiten te draaien (exorotatie)
draait het heupgewricht naar binnen (endorotatie)
Tweehoofdige dijbeenspier
Musculus biceps femoris
De tweehoofdige dijbeenspier is de grootste spier van de hamstring.
De Latijnse naam biceps zegt het al: deze spier heeft twee spierhoofden.
Oorsprong
aan het bekken
aan de zitbeenknobbel
aan de achterkant van het dijbeen
Aanhechting
aan het kuitbeenhoofd
Werking
buigt het onderbeen in het kniegewricht (flexie)
draait bij een gebogen knie het onderbeen naar buiten (exorotatie)
helpt het bovenbeen naar buiten te draaien
Onderbeenspieren
Het onderbeen bestaat uit het scheenbeen en het kuitbeen.
Tweehoofdige kuitspier
Musculus gastrocnemius
De tweehoofdige kuitspier heeft twee spierkoppen met allebei een andere oorsprong.
Oorsprong
de buitenste spierkop aan de buitenste dijbeenknobbel
de binnenste spierkop aan de binnenste dijbeenknobbel
Aanhechting
aan de achterkant van het onderbeen
Werking
buigt de knie naar achteren (flexie)
buigt de voet naar de voetzool toe (flexie)
draait de voet naar buiten (exorotatie)
Voorste scheenbeenspier
Musculus tibialis anterior
De voorste scheenbeenspier ligt aan de voorkant van het onderbeen.
Iets boven de enkel gaat de spier over in een lange pees.
Oorsprong
aan de bovenste helft van het scheenbeen, vlak onder de knie
Aanhechting aan de voetwortelbeentjes
Verloop
van onder de knie tot aan de voetwortelbeentjes
van de buitenzijde naar het midden van de voorkant van het onderbeen
Werking
zorgt voor het neerkomen van de voorkant van de voet tijdens het lopen
Lange kuitbeenspier
Musculus peroneus longus
De lange kuitbeenspier is de langste van de twee kuitbeenspieren (musculi peronei) die samenwerken om de voet
te laten strekken (extensie).
Oorsprong
aan het bovenste deel van de schacht van het kuitbeen
Aanhechting
aan het middenvoetsbeentje van de grote teen
Korte kuitbeenspier
Musculus peroneus brevis
De korte kuitbeenspier is de kortste van de twee kuitbeenspieren (musculi peronei) die samenwerken om de voet te laten strekken (extensie).
Oorsprong aan het lagere deel van het kuitbeen
Aanhechting aan het middenvoetsbeentje van de kleine teen
Heupspieren
De heupspieren hebben een belangrijke functie bij het lopen.
Grote bilspier
Musculus gluteus maximus
De grote bilspier geeft de bil de kenmerkende, ronde vorm.
Oorsprong
aan de achterzijde van het darmbeen, aan het heiligbeen en aan het staartbeen
aan de zitbeenknobbel
Aanhechting
aan de boven/achterzijde van het dijbeen, onder de grote draaier
Werking
strekt het dijbeen achterwaarts (extensie)
draait het bovenbeen naar buiten (exorotatie)
Heup-lendenspier
Musculus iliopsoas
De heuplendenspier is de belangrijkste spier voor het optillen van het bovenbeen. Deze spier bestaat uit twee spieren die met elkaar vergroeid zijn.
Oorsprong
aan de twaalfde borstwervel en de vierde lendenwervel
aan de bekkenkam
Aanhechting
aan het kleine uitsteeksel van het bovenbeen
Werking
buigt de heup (flexie)
draait het bovenbeen naar buiten (endorotatie)
draait de heup naar buiten (exorotatie)
roteert het bekken naar boven
Train je kennis over boven- en onderbeenspieren met de online trainer. Snelcode 26106
Test je kennis over de onderste extremiteit met de online boekcheck. Snelcode 27103
4.Huid
IN DIT HOOFDSTUK
4.1
Zintuigelijke en communicatieve functie 106 Aanmaak vitamine D 107
Beauty Level Online
Huidlagen 20013
Functies en aspecten van de huid 20014
Huidtypen, huidcondities en invloeden 20015
Aanhangsels van de huid 20016
Als schoonheidsspecialist verzorg je de huid van cliënten. Kennis van de huid is daarom onmisbaar in het vak. Als je weet hoe de huid is opgebouwd, kun je deze nog beter behandelen. In dit hoofdstuk leer je uit welke lagen de huid bestaat en welke functies de huid heeft. Ook zitten er in de huid talg- en zweetklieren en groeien er nagels en haren uit de huid. Dit komt ook in dit hoofdstuk aan bod.
4.1
Huidlagen
De huid (cutis) bestaat uit drie huidlagen met verschillende eigenschappen. Van buiten naar binnen onderscheiden we: de opperhuid, lederhuid en onderhuid.
WIST JE DAT?
DE OPPERHUID IS SLECHTS 0,05 TOT 0,1 MM DIK EN IS DAARMEE DE DUNSTE HUIDLAAG.
Opperhuid
De buitenste laag is de opperhuid (epidermis). Dankzij verhoorning en pigmentatie beschermt de opperhuid ons tegen ziekteverwekkers, schadelijke stoffen en uvstraling. Ook kan de opperhuid bepaalde stoffen opnemen. Over deze functies van de opperhuid lees je meer verderop in de paragraaf.
De opperhuid bestaat uit meerlagig epitheelweefsel en bevat geen zenuwen, bloed en lymfevaten of klieren. De opperhuid is van binnen naar buiten opgebouwd uit de volgende lagen (zie hiernaast).
Doorsnede huid
Opperhuid
Lederhuid
Onderhuid
1
Basaalcellenlaag
Stratum cylindricum
De basaalcellenlaag ligt tegen de lederhuid aan en bestaat uit eenlagig cilindrisch epitheel. Deze laag is verantwoordelijk voor de aanmaak van nieuwe huidcellen en voor pigmentvorming. De basaalcellenlaag bevat namelijk snel delende huidcellen (basaalcellen) en pigmentcellen (melanocyten).
2 Stekelcellenlaag
Stratum spinosum
De stekelcellenlaag bestaat uit kubisch epitheel. De huidcellen hebben stekelvormige uitlopers die bruggetjes vormen naar de andere cellen in de stekelcellenlaag. Zo houden de stekels alle cellen stevig bij elkaar. In de stekelcellenlaag vindt ook celdeling plaats, maar bij volwassenen alleen bij huidbeschadiging.
3 Korrellaag
Stratum granulosum
De korrellaag bestaat uit plaveiselepitheel. Deze laag dankt de naam aan de keratohyalinekorreltjes die in de huidlaag zitten. Keratohyaline is een voorloper van hoornstof (keratine). In de korrellaag beginnen huidcellen af te sterven.
4 Doorschijnende laag
Stratum lucidum
De doorschijnende laag bestaat ook uit plaveiselepitheel. In deze laag wordt keratohyaline omgezet in eleïdine, een tussenvorm van keratine. Omdat eleïdine kleurloos is, worden de huidcellen doorschijnend. In de doorschijnende laag verliezen huidcellen hun kern en sterven ze af.
5 Hoornlaag
Stratum corneum
De hoornlaag bevindt zich aan de oppervlakte van de huid en bestaat uit plaveiselepitheel. Zoals de naam al zegt, is deze laag verhoornd: de laag is opgebouwd uit afgestorven huidcellen en hoornstof (keratine). Een ‘cement’ van vetachtige stoffen, de kitsubstantie, houdt de cellen bijeen.
WIST JE DAT?
Doorsnede opperhuid
Levende en dode cellagen
Je kunt de opperhuidlagen onderverdelen in levende en dode cellagen. De binnenste twee cellagen (de basaal en stekelcellenlaag) zijn levend: hier delen de huidcellen zich. Deze lagen worden samen ook wel kiemlaag of laag van Malpighi genoemd. In de buitenste drie cellagen (de korrellaag, doorschijnende laag en hoornlaag) sterven huidcellen af en verhoornen ze. Deze drie lagen noem je daarom dode cellagen.
De levende en dode cellagen verschillen op een aantal punten van elkaar:
Levende cellagen Dode cellagen
bevatten ongeveer 70% water bevatten maximaal 10% water
wel celdeling geen celdeling vetachtige stoffen in de cel vetachtige stoffen buiten de cel
De hoornlaag hydrateren
Dode cellagen bevatten veel minder water (maximaal 10%) dan levende cellagen (ongeveer 70%). Dit geldt met name voor de hoornlaag omdat die het meest oppervlakkig is. Door de huid met hydraterende producten te behandelen, houd je het vochtgehalte in de hoornlaag op peil.
Verhoorningsproces
In de binnenste opperhuidlagen, de basaal en stekelcellenlaag, ontstaan nieuwe cellen door celdeling. Door de constante aanmaak van nieuwe cellen worden huidcellen naar de bovenliggende opperhuidlagen geduwd. Daardoor komen de cellen steeds verder af te liggen van de bloedvaten in de lederhuid; de aanvoer van voedsel en zuurstof vermindert en de cellen sterven af. De cellen verliezen hun celkern en worden steeds platter. Uiteindelijk belanden ze als dood celmateriaal verschilferd aan de oppervlakte, in de hoornlaag. Dit proces duurt ongeveer dertig dagen en noem je het verhoorningsproces
WIST JE DAT?
DE OPPERHUID IS NIET
OVERAL EVEN DIK. DE HOORNLAAG IS OP JE VOETZOLEN DIKKER DAN OP JE OOGLEDEN.
Door het verhoorningsproces veranderen huidcellen in hoorncellen. Hoorncellen vormen samen met de huidvetten eromheen de huidbarrière: een soort filter die alleen bepaalde stoffen doorlaat. De huidbarrière laat de volgende stoffen door:
straling, zoals uv stralen en infraroodstralen
gassen, zoals koolzuurgas en zuurstofgas
lipoïden (vetten)
stoffen die in vetten oplosbaar zijn, zoals vitamine A, D, E en K
De huidbarrière wordt gevormd door de dode cellagen en beschermt de onderliggende levende huidlagen.
WIST JE DAT?
DE OPPERHUID LAAT GEEN WATER DOOR. GELUKKIG MAAR, ANDERS ZOU JE OPZWELLEN TIJDENS HET ZWEMMEN.
Een verdikte hoornlaag (eelt) op de voetzolen
Melanine
Melanosomen
Melanocyten
Basaalcellenlaag
Pigmentatieproces
Naast het verhoorningsproces speelt zich in de opperhuid het pigmentatieproces af. Hierbij ontstaat melanine (pigment). Pigment voorkomt dat ultraviolette straling uit zonlicht (uv A en uv Bstraling) te diep doordringt in het weefsel. Het beschermt dus de cellen in de diepere huidlagen.
In de basaalcellenlaag bevinden zich pigmentvormende cellen: melanocyten. In melanocyten zit een ongekleurd eiwit, melanogeen. Omdat melanogeen de voorloper van melanine is, noem je het ook wel propigment.
Zodra uvstralen een melanocyt bereiken, zet een enzym de kleurloze melanogeen om in de gekleurde melanine. Deze wordt in kleine celpakketjes (melanosomen) doorgegeven aan de bovenliggende huidlagen. Daar wordt de melanine afgegeven aan de huidcellen, waar de melanine uvstralen blokkeert.
Donkere en lichte huid
Iedereen heeft evenveel melanocyten. Wat wel per persoon verschilt, is het vermogen om van melanocyten melanine te maken: een donkere huid maakt meer melanine aan dan een lichte huid.
Een ander verschil is de afgifte van melanine door de celpakketjes. In een donkere huid verspreidt de melanine zich gelijkmatiger over de huidcellen dan in een lichte huid.
De hoornlaag helpt ook een handje mee met de uvbescherming. Onder invloed van de zon verdikt de hoornlaag zich, zodat de uv A en uv Bstralen moeilijker kunnen doordringen. Melanine en een dikkere hoornlaag vormen zo samen een pantser tegen uvstralen.
Een donkere huid maakt meer melanine aan dan een lichte huid.
Pigmentatieproces bij de donkere en lichte huid
Opnamevermogen
De opperhuid is in staat om bepaalde stoffen op te nemen. De vakterm hiervoor is transcutane resorptie. ‘Trans’ betekent door, ‘cutus’ betekent huid en ‘resorptie’ betekent het opnemen van stoffen.
Er zijn twee soorten transcutane resorptie: transepidermale resorptie en transfolliculaire resorptie. Bij transepidermale resorptie neemt de huid stoffen op via het hele huidoppervlak. Hierbij passeren de stoffen de verhoornde opperhuid. Bij transfolliculaire resorptie neemt de huid stoffen op via afvoerbuisjes van klieren en haarfollikels (haarzakjes).
Het resorptievermogen van de huid hangt af van de hoornlaagdikte, huidtemperatuur en stofstructuur. Hoe dunner de hoornlaag, hoe makkelijker de stofopname. En hoe warmer de huid – dus hoe beter de doorbloeding – hoe beter stoffen worden opgenomen. Tenslotte neemt de huid stoffen met fijne molecuulstructuren beter op dan stoffen met grove molecuulstructuren.
Lederhuid
De lederhuid (dermis/corium) is de middelste huidlaag, tussen de opperhuid en de onderhuid. De huid dankt haar stevigheid aan de lederhuid. In deze laag liggen:
bloedvaten die de opperhuid van voedingsstoffen voorzien en de lichaamstemperatuur regelen;
lymfevaten die afvalstoffen en ziekteverwekkers opruimen;
receptoren en zenuwen die de zintuigelijke functie van de huid vervullen;
zweet en talgklieren.
De functies van de bloed en lymfevaten en de tastlichaampjes en zenuwen worden verderop in deze paragraaf toegelicht. Over zweet en talgklieren lees je meer in paragraaf 4.7 Klieren.
Opbouw van de lederhuid
De naam lederhuid verwijst naar leder (leer): net als leer is de lederhuid stevig maar ook soepel. Dat komt doordat de lederhuid uit dicht bindweefsel bestaat.
TIP
WETEN HOE DICHT BINDWEEFSEL IS OPGEBOUWD? LEES HET HOOFDSTUK ‘CELLEN EN WEEFSELS’.
Een hoop informatie over zo’n dun laagje huid. Wil je het nog eens uitgelegd krijgen? Bekijk dan de online masterclass over de opperhuid.
Snelcode 21134
De lederhuid bestaat uit twee lagen: de papillenlaag en de netlaag. Deze lagen worden van de opperhuid gescheiden door een basaal membraan.
Cellen in de lederhuid
Fibroblasten maken onder andere collagene, elastische en reticulinevezels aan die voor stevigheid en elasticiteit zorgen.
Mestcellen maken weefselenzymen en hormonen aan die onmisbaar zijn in huidprocessen zoals reparatie.
Histiocyten (macrofagen) vernietigen bacteriën en andere ziektekiemen.
Fibroblasten
Basaal membraan
Membrana basalis
Het basale membraan is een soort uitwisselingsstation tussen de leder en de opperhuid. Bloedvaatjes in de papillenlaag (lederhuid) geven via het basale membraan voedingsstoffen af aan de basaalcellenlaag (opperhuid). De basaalcellen hebben de voeding nodig om zich te delen.
Papillenlaag
Stratum papillare
De papillenlaag ligt direct onder de opperhuid en bestaat uit uitstulpingen (papillen) die de opperhuid binnendringen, de zogenaamde corium of dermispapillen. In de papillenlaag zitten bloedvaten. Die voorzien de basaalcellen in de opperhuid van voedingsstoffen die nodig zijn voor celdeling. Daarnaast bevat de papillenlaag veel receptoren die prikkels zoals aanraking en kou opvangen.
Netlaag
Stratum reticulare
De netlaag is het dikste deel van de lederhuid. In de netlaag bevinden zich bloed en lymfevaten, zenuwen en zweet en talgklieren. Ook bevat de netlaag vezels die ervoor zorgen dat de huid soepel, rekbaar en stevig is.
AAN DE HUIDOPPERVLAKTE. DEZE NOEM JE OOK WEL CUTISLIJSTEN OF HUIDLIJSTEN.
Splijtrichting
De vezelstructuren in de netlaag zijn belangrijk voor een cosmetisch chirurg. Als een chirurg een insnijding (een incisie) moet maken, kijkt hij/zij altijd naar de lengterichting van deze vezels. Deze lengterichting noem je ook wel splijtrichting. Een chirurg zal het liefste in de lengterichting snijden omdat dwarse sneden sneller littekens veroorzaken.
doorsnede van de huid
De dermispapillen van de papillenlaag dringen de bovenliggende opperhuid binnen.
Bloed- en lymfevaten
De bloed en lymfevaten liggen verspreid door de lederhuid en lopen door de papillen en netlaag heen. Hoe dieper deze vaten in de lederhuid liggen, hoe groter ze zijn.
De bloedvaten voorzien de opperhuid van zuurstof en voedingsstoffen en voeren afvalstoffen af. Daarnaast regelen de bloedvaten de lichaamstemperatuur. Bij kou trekken de bloedvaten samen zodat het bloed zo min mogelijk warmte kwijtraakt aan de omgeving. Bij warmte verwijden de bloedvaten zodat het bloed warmte kan afgeven aan de omgeving.
De lymfevaten voeren ook afvalstoffen af en spelen een belangrijke rol in het afweersysteem. In lymfe zitten namelijk lymfocyten (een type witte bloedcellen) die ziekteverwekkers vernietigen.
Receptoren en zenuwen
De huid is het gevoelszintuig. Met de receptoren en zenuwen in de lederhuid neem je sensaties waar. Denk aan aanrakingen, lichte druk en pijn en aan veranderingen in temperatuur. In het vakjargon noem je dit de sensorische functie van de lederhuid.
Receptoren kunnen bepaalde prikkels ontvangen en doorgeven. Je kunt een receptor vergelijken met een sleutelgat: er past maar één sleutel op. Een pijnreceptor bijvoorbeeld, kan alleen pijnprikkels ontvangen. Receptoren bevinden zich aan het einde van een zenuw.
Wanneer een receptor een prikkel ontvangt, geeft het de prikkel door aan de zenuw. Die stuurt het signaal vervolgens door naar de hersenen. Doordat de prikkel je hersenen bereikt, neem je de sensatie waar.
De hersenen kunnen besluiten om op een prikkel te reageren door een motorische prikkel af te geven. Zo’n motorische prikkel kan bijvoorbeeld de zweetklieren activeren (bij warmte) of de bloedvaten vernauwen (bij kou).
Er zijn verschillende receptoren in de lederhuid. De meeste zijn tastlichaampjes: kleine communicatieorgaantjes die aan het einde van gevoelszenuwen liggen.
Soort prikkel Type receptor Ligging
kou
WIST JE DAT?
HISTIOCYTEN EN LYMFOCYTEN VERNIETIGEN ZIEKTEKIEMEN DOOR ZE OP TE SLOKKEN. DIT NOEM JE FAGOCYTOSE. MEER HIEROVER LEES JE IN HET HOOFDSTUK ‘BLOED EN LYMFEVATENSTELSEL’.
tastlichaampje van Krause papillenlaag
warmte tastlichaampje van Ruffini netlaag
lichte aanraking en zachte druk
zwaardere druk
tastlichaampje van Merkelgrensgebied opperhuid en papillenlaag
tastlichaampje van VaterPacini grensgebied opperhuid en papillenlaag onderhuid
tast tastlichaampje van Meissnergrensgebied opperhuid en papillenlaag pijn pijnreceptor in de vrije zenuwuiteinden die in de opperhuid liggen
De huid neemt via tastlichaampjes aanrakingen waar.
Onderhuid
De onderhuid (subcutis) is de onderste huidlaag. Deze is voor het grootste deel opgebouwd uit losmazig bindweefsel: het bestaat uit losse in elkaar verweven vezels. In de mazen tussen deze vezels liggen vetcellen.
Het vet in de onderhuid heeft een aantal belangrijke lichaamsfuncties:
Bescherming: de vetlaag vormt een soort stootkussen voor de onderliggende organen.
Lichaamsvorm: de hoeveelheid vet bepaalt je onderhuiddikte en daarmee je lichaamsvorm.
Reservevoorraad: het opgeslagen vet kun je verbranden wanneer je te weinig voeding binnen hebt gekregen.
Temperatuurregulatie: vet vormt een isolerende laag die je beschermt tegen kou.
De vetcellen in de onderhuid zijn in staat om vet op te nemen. Hoe meer vet de vetcellen opnemen, hoe dikker de onderhuid wordt. Je maakt tot aan de puberteit vetcellen aan. Deze raak je daarna nooit meer kwijt. Het volume, dus de inhoud van de vetcellen, kan wel toe of afnemen.
Benieuwd of je de paragraaf begrepen hebt? Doe de online boekcheck.
Snelcode 27132
Of train je kennis over de huidlagen met de online trainer.
Snelcode 26138
Afvallen
Je gaat pas vet verbranden als alle andere energiebronnen in je lichaam, zoals koolhydraten en eiwitten, zijn verbruikt. Omdat dit bij de meeste mensen niet vaak voorkomt, is het moeilijk om op bepaalde plaatsen vet te verliezen en af te vallen.
WIST JE DAT? VETOPNAME
VERSCHILT PER PERSOON EN LICHAAMS DEEL. BIJ VROUWEN ZIT VET
VOORAL OP BOVENBENEN EN BILLEN, BIJ MANNEN OP DE BUIK.
4.2 Functies van de huid
Als je opsomt welke functies de huid heeft, kom je op een lange lijst uit. De belangrijkste functies zijn:
lichaamsbescherming
warmteregulatie
ontvangen en doorgeven van prikkels (zintuigelijke en communicatieve functie)
aanmaak van vitamine D
opname en opslag van stoffen
productie van weefselhormonen
In deze paragraaf worden deze functies toegelicht.
Graadmeter gezondheid
De huid geeft je ook aanwijzingen over je gezondheid. Ben je gezond, dan heb je meestal een glanzende en goed doorbloede huid. Ben je ziek, dan is je huid mat en bleek. Je ziet bijvoorbeeld bleek bij bloedarmoede doordat er te weinig zuurstof in het bloed zit.
Lichaamsbescherming
De huid beschermt de onderliggende organen tegen verschillende invloeden van buitenaf. Hier gebruikt de huid twee beschermingsmechanismen voor: de huidbarrière en de zuurmantel.
Huidbarrière
De verhoornde huidcellen en de huidvetten in de opperhuid vormen samen de huidbarrière. Dit is een soort filter die alleen bepaalde stoffen doorlaat, zoals gassen en vetten. De huidbarrière houdt water en veel schadelijke stoffen tegen.
Zuurmantel
De zuurmantel ligt als een beschermende emulsie op het huidoppervlak en wordt ook wel huidemulsie genoemd. De zuurmantel bestaat uit talg, zweet en stoffen die tijdens het verhoorningsproces ontstaan. Deze stoffen zijn hydrofiel (vochtopnemend) en hygroscopisch (vochtaantrekkend) en houden dus vocht vast.
De huid heeft een zuurgraad tussen 4,5 en 5,5 en is dus licht zuur. Ziekteverwekkers houden niet van een zure omgeving. Daarom biedt de zuurmantel bescherming tegen ziekteverwekkers. Dit noem je immunologische bescherming Daarnaast geeft het zure laagje de huidvriendelijke microorganismen (de huidflora) een fijn thuis.
Wassen met water en het gebruik van zeep tasten de pHwaarde van de zuurmantel aan. Water en zeep verhogen namelijk de pHwaarde en maken de zuurmantel basisch (pHwaarde boven de 7).
Daardoor neemt de immunologische bescherming tegen ziektekiemen af.
WIST JE DAT? NA HET DOUCHEN DUURT HET 2,5 UUR TOT DE ZUURMANTEL WEER HERSTELD IS.
Waar beschermt de huid tegen?
Dankzij de huidbarrière en de zuurmantel is de huid in staat om allerlei invloeden van buitenaf te weren. En ook andere onderdelen van de huid helpen mee. In de tabel lees je waar de huid je tegen beschermt.
Invloed Bescherming
chemische stoffen Door de hoornlaag en zuurmantel dringen chemische stoffen niet of moeilijk binnen.
elektriciteit De hoornlaag is vochtarm en daardoor een slechte geleider voor elektrische stroom.
uitdroging en vochtverdamping De hydrofiele en hygroscopische zuurmantelstoffen beschermen tegen vochtverlies.
warme weersinvloeden De bloedvaatjes in de lederhuid verwijden zodat lichaamswarmte kan worden afgegeven.
De zweetklieren in de lederhuid produceren meer zweet dat verdampt. Verdampt zweet onttrekt warmte aan het lichaam.
koude weersinvloeden De bloedvaatjes in de lederhuid vernauwen zodat lichaamswarmte wordt vastgehouden.
De zweetklieren in de lederhuid produceren minder of geen zweet, zodat het zweet minder warmte aan het lichaam onttrekt.
De vetlaag in de onderhuid beschermt tegen afkoeling.
ultraviolette stralen (uv A en uv Bstralen)
De melanocyten in de opperhuid vormen melanine (pigment) die uv stralen blokkeren.
De hoornlaag verdikt waardoor uv stralen er moeilijker doorheen komen.
Warmteregulatie
Bij de stofwisseling van lichaamscellen komt warmte vrij. Hoe actiever het lichaam is, hoe hoger de celverbranding en hoe meer warmte er vrijkomt. Deze warmte wordt voor het grootste gedeelte afgegeven aan het bloed. Het bloed geeft de warmte vervolgens af aan de huid en zo aan de omgeving. Het lichaam kan de warmte ook vasthouden. Dit gebeurt wanneer het lichaam te veel dreigt af te koelen doordat je bijvoorbeeld buiten loopt in de kou. Zo blijft de lichaamstemperatuur zo constant mogelijk (tussen de 36,5 en 37,5 °C). Dit noem je warmteregulatie.
ziekmakende microorganismen (bacteriën, schimmels en gisten)
De hoornlaag, zuurmantel en huidflora vormen een pantser tegen ziektekiemen.
Bloed en lymfe in de lederhuid bestrijden de ziekteverwekkers die alsnog door de opperhuid komen.
WIST JE DAT? DE BESCHERMING TEGEN
UV STRALEN VERLOOPT LANGZAAM. DAAROM MOET DE HUID LANGZAAM WENNEN AAN HET ZONLICHT.
De huid helpt het lichaam bij het afgeven en vasthouden van warmte. Hoe gaat deze warmteregulatie in zijn werk?
1 Tastlichaampjes voor warmte (van Ruffini) en kou (van Krause) registreren de temperatuur en geven die door aan de hersenen.
2 De hersenen ontvangen het signaal en sturen vervolgens een motorische prikkel naar de kleine bloedvaatjes, zweetklieren en/of haarspiertjes in de huid.
a Als de lichaamstemperatuur dreigt te stijgen, verwijden de bloedvaatjes zodat ze warmte afgeven aan de huid. Daarnaast worden de zweetklieren geactiveerd. Het zweet verdampt op de huid, waardoor het warmte aan het lichaam onttrekt.
b Als het lichaam dreigt af te koelen, trekken de bloedvaatjes juist samen en produceren de zweetklieren minder zweet. De haarspiertjes trekken de huidhaartjes overeind: er ontstaat kippenvel. De lucht tussen de rechtopstaande haartjes vormt een extra isolatielaag.
WIST JE DAT?
ALS EEN MOTORISCHE
PRIKKEL BLOEDVATEN
VERNAUWT OF VERWIJDT, SPREEK JE VAN EEN
VASOMOTORISCHE PRIKKEL.
WIST JE DAT?
ZWEETKLIEREN
SCHEIDEN AFVALSTOFFEN
UIT. JE NOEMT DE HUID
DAAROM EEN UITSCHEIDINGSORGAAN.
Zintuigelijke en communicatieve functie
Van druk, tast en pijn tot temperatuursveranderingen: dankzij de huid als gevoelszintuig neem je deze sensaties allemaal waar. Je huid ontvangt deze prikkels en geeft ze door aan de hersenen, zodat die erop kunnen reageren. De huid vervult op deze manier een zintuigelijke of sensorische functie. Ook is de huid hiermee een communicatieorgaan voor de zenuwen en hersenen.
De huid voert deze functies uit met behulp van receptoren in de lederhuid. De receptoren ontvangen prikkels zoals warmte, kou (door thermoreceptoren) of druk en tast (door mechanoreceptoren).
Vervolgens geven deze een signaal door aan een gevoelszenuw. De zenuw geleidt het signaal naar de hersenen, waardoor je de sensatie waarneemt. De hersenen kunnen vervolgens besluiten te reageren door een motorische prikkel af te geven. Zo’n motorische prikkel activeert bijvoorbeeld de kleine bloedvaatjes of zweetklieren in de huid (zie het kopje ‘Warmteregulatie’).
Aanmaak vitamine D
Onder invloed van de ultraviolette straling uit zonlicht (uv Bstralen) maakt je huid vitamine D aan. De uvstralen zetten een voorloper van vitamine D, ergosterol (ook wel provitamine D of dehydrocholesterol), om naar vitamine D. Vitamine D zorgt ervoor dat je calcium uit voeding opneemt en is daarom belangrijk voor de botopbouw.
Opname van stoffen
De huid is in staat om bepaalde stoffen op te nemen. De huidbarrière laat namelijk bepaalde stoffen wel door en andere niet. Lipoïden (vetten) en stoffen die in lipoïden oplosbaar zijn, worden bijvoorbeeld wél opgenomen. Voorbeelden van in vet oplosbare stoffen zijn de vitaminen A, D, E en K. Deze vitaminen zie je terug in huidproducten, zoals vitamine A (retinol) tegen huidveroudering en vitamine E voor herstel van de huid.
TIP
LEES MEER OVER HET OPNAMEVERMOGEN
VAN DE HUID IN PARAGRAAF 4.1 ‘HUIDLAGEN’, SUBPARAGRAAF ‘OPPERHUID’.
Productie van weefselhormonen
Wanneer je de zenuwen in de huid prikkelt, produceert de huid weefselhormonen. Histamine en acetylcholine zijn de weefselhormonen van de huid.
Als de huid door bijvoorbeeld zonnebrand of huidbeschadiging geprikkeld wordt, maken de mestcellen in de lederhuid histamine aan. Histamine zorgt voor verwijding van de kleine slagaders. Door deze verwijding neemt de doorbloeding van de geprikkelde huid plaatselijk toe.
Daardoor maakt het meer uitwisseling mogelijk van afval en voedingsstoffen. Zo wordt het genezingsproces bevorderd en kan de beschadigde huid sneller herstellen.
Als je de huid van een cliënt masseert, zie je dat de huid rood wordt zonder dat er sprake is van irritatie. Deze egale rode kleur ontstaat doordat de huid beter doorbloed raakt, maar ook doordat het weefselhormoon acetylcholine vrijkomt. Massagegrepen prikkelen namelijk de motorische eindplaatjes in de huid. Door deze prikkeling wordt acetylcholine aangemaakt. Dit hormoon verwijdt
de bloedvaten, waardoor voedingsstoffen de huidcellen beter bereiken en afvalstoffen beter worden afgevoerd.
Histamine en allergieën
Histamine wordt ook bij veel allergische reacties aangemaakt. Om allergische reacties te verminderen, schrijven artsen daarom vaak medicijnen voor die de aanmaak van histamine remmen. Zulke medicijnen heten antihistaminica
Train je kennis over de functies van de huid met de online trainer.
Snelcode 26128
TIP
WAT ZIJN MOTORISCHE EINDPLAATJES OOK ALWEER? LEES HET IN HET HOOFDSTUK ‘CELLEN EN WEEFSELS’.
4.3
Huidaspecten
Om je cliënten een goed en compleet huidadvies te kunnen geven, moet je hun huidconditie juist inschatten. Als schoonheidsspecialist onderzoek je daarom de volgende huidaspecten:
huiddikte
huidreliëf
vochtigheidsgraad
huidflora
huidglans
huidspanning
huidskleur
Huiddikte
De diktes van de opperhuid, lederhuid en onderhuid zijn verschillend. De opperhuid is tussen de 0,05 en 0,1 millimeter dik en daarmee de dunste laag van de huid. De lederhuid is dikker en varieert van 0,5 tot 3 millimeter. De dikte van de onderhuid wordt bepaald door de vetopname in de vetcellen. Hoe meer vet de vetcellen opnemen, hoe dikker de onderhuid wordt.
Huidreliëf
Kijk je van heel dichtbij naar de huid, dan zie je groefjes, lijntjes en putjes. De huid is niet glad, maar heeft reliëf. Het huidreliëf is bij elk mens verschillend en is afhankelijk van de leeftijd. Het wordt bepaald door huidveldjes, huidlijsten en talgklierporiën.
De structuur van de bindweefselvezels in de lederhuid is aan de huidoppervlakte zichtbaar als kleine drie en vierhoekige veldjes: huidveldjes. Deze zie je bijvoorbeeld goed op de bovenkant van je handen.
De dermispapillen van de lederhuid veroorzaken boogvormige lijntjes aan de oppervlakte van de huid. Die lijntjes noem je huidlijsten of cutislijsten. Je ziet ze duidelijk op de vingertoppen.
Bij een jonge huid is er minder huidreliëf zichtbaar dan bij de RIJPERE huid
Huidlijsten zijn voor elk mens uniek. Daarom zijn vingerafdrukken (gevormd door huidlijsten) geschikt als identificatiemiddel.
Huidporiën
Huidporiën zijn de openingen van de zweet en talgkliertjes in de huid. Er zijn onzichtbare poriën die vocht afscheiden (zweetklierporiën) en zichtbare poriën die talg afscheiden (talgklierporiën). De wijdte en diepte van poriën en de afstand tussen de poriën varieert per persoon: de poriestructuur van een cliënt kan grof of fijn zijn.
Grove poriën zijn groter dan normaal en daardoor goed zichtbaar, vooral op de neus, het voorhoofd en de wangen. Grove poriën zien we vaak bij mensen die een vette of gecombineerde huid hebben. Verstopping van de porïen en genetische invloeden veroorzaken grove poriën. Ook neemt de hoeveelheid collageen in de huid af als je ouder wordt. Daardoor worden de poriewanden slapper en de poriën grover.
Vochtigheidsgraad
De vochtigheidsgraad van de huid wordt vaak aangeduid met de Natural Moisturizing Factor (NMF). De NMF bestaat uit een aantal stoffen (aminozuren) die van nature in de huid voorkomen en die vochtaantrekkend (hygroscopisch) werken. Zo beschikt de huid over een natuurlijke vochtgraad.
De vochtgraad is afhankelijk van een aantal zaken. Factoren die de huid droger maken, zijn:
een dikke hoornlaag
een grote hoeveelheid keratine (hoornstof) in de hoornlaag
een tekort aan huidvetten (kitsubstantie)
een tekort aan talg in de zuurmantel
Huidflora
Op de huid leven huidvriendelijke microorganismen zoals bacteriën, schimmels en gisten. Ze zijn microscopisch klein en daarom niet te zien met het blote oog. Deze microorganismen worden ook wel huidflora of huidmicrobioom genoemd. De huidflora vormt een beschermlaag tegen ziekteverwekkende microorganismen die van buitenaf op de huid komen.
Een goede balans tussen de verschillende microorganismen van de huidflora is belangrijk. Als bepaalde microorganismen te veel toenemen, kunnen ze ontstekingsziekten van de huid veroorzaken zoals acne of eczeem.
Fijne poriën zijn minder zichtbaar dan grove poriën. Hoe fijner de porie, hoe droger en dunner de huid meestal is. Kleine poriën produceren meestal minder talg.
Vochtarm en vochtrijk
Als schoonheidsspecialist gebruik je bij het bepalen van de vochtigheidsgraad de termen ‘vochtarm’ en ‘vochtrijk’. Een vochtarme huid herken je aan kleine nerfjes. Die geven een craqueléachtig effect. Een vochtrijke huid ziet er gladder en strakker uit.
Huidflora: kolonie van microorganismen
Voor de geboorte is de huid nog vrij van microorganismen. Snel na de geboorte wordt de hoornlaag gekoloniseerd door microorganismen uit de omgeving. Deze ontwikkelen zich vlot tot een complex microbieel ecosysteem: de huidflora.
WIST JE DAT?
DE HUIDFLORA GEDIJT
HET BESTE IN EEN IETS
ZURE OMGEVING. DAAROM
VORMT DE ZUURMANTEL
EEN FIJN THUIS VOOR DE HUIDFLORA.
Huidglans
Een huid kan veel of weinig glanzen. Is de huid erg mat, dan kan dit een signaal zijn dat de huid niet gezond is. De huidglans is afhankelijk van: de zweet en talgafscheiding: hoe meer afscheiding, hoe meer glans; fijne donshaartjes op de huid: donshaartjes geven de huid een mat uiterlijk; de conditie van de huid: een gezonde huid glanst.
Huidspanning
De huidspanning geeft aan hoe strak de huid staat. Dit is afhankelijk van de rekbaarheid en veerkracht van de huid en de hoeveelheid onderhuids vet. Een huid die los om het onderhuids bindweefsel hangt, heeft een lage huidspanning. Dit zie je bijvoorbeeld bij ouderen en mensen met weinig onderhuids vet. Staat de huid strak, dan spreek je van een hoge huidspanning. Dit komt vooral voor bij jongere en vollere mensen.
Je kunt de huidspanning meten door een huidplooi te pakken op de handrug van een cliënt. De grootte van de plooi laat zien hoe rekbaar de huid is. Hoe snel de plooi weer verdwijnt wanneer je deze loslaat, toont de veerkracht. Hoe rekbaarder en veerkrachtiger de plooi, hoe groter de huidspanning.
Factoren die de huidspanning verhogen
een goede gezondheid
een gezonde lederhuid: goed functionerend(e) bindweefselcellen en celtussenstof zijn nodig voor de aanmaak van bindweefselvezels
een goede doorbloeding en lymfedoorstroom
een hoge celspanning (turgor)
een hoge spierspanning (tonus)
onderhuids vetweefsel
Met een huidplooi kun je de huidspanning meten.
Naast vetweefsel zorgen ook stevige spieren voor een hoge huidspanning.
Huidskleur
Je huidskleur wordt onder andere bepaald door de pigmenten in je huid. De volgende pigmenten spelen een rol.
Melanine maakt de huid donker: hoe meer melanine, hoe donkerder de huidskleur. Hoeveel melanine je huid bevat, hangt af van het vermogen van je huid om van melanocyten melanine te maken. Dit vermogen verschilt per persoon en is grotendeels genetisch bepaald: het hangt samen met je afkomst.
Caroteen is een kleurstof die een gele tot roodachtige kleur geeft. Wanneer je veel bètacaroteen eet, wat in wortels zit, kan je huid iets geler worden.
Hemoglobine (met name de variant waar zuurstof aan gebonden is: oxyhemaglobine) is rood van kleur. Aan dit eiwit heeft bloed zijn rode kleur te danken. Als er veel (zuurstofrijk) bloed door je huid stroomt, bijvoorbeeld als de bloedvaatjes ver wijden bij inspanning, kleurt de huid rood. (Oxy)hemoglobine veroorzaakt ook de ‘gezonde blos’ bij een goed doorbloede huid.
Keratine (hoornstof) bepaalt de mate van verhoorning en de dikte van de hoornlaag. Een sterk verhoornde, dikke hoornlaag (veel keratine) maakt de huid dof. Een weinig verhoornde, dunne hoornlaag (weinig keratine) maakt de huid doorzichtiger en daardoor vaak roder.
Kleurveranderingen
De huidskleur waarmee je wordt geboren, noem je de aangeboren huidskleur of basiskleur. Dit is je genetisch bepaalde huidskleur.
De aangeboren huidskleur kun je vaststellen
Blauwe kleur
Als bloed het zuurstof uit de longen heeft afgegeven aan de lichaamcellen, wordt het bloed zuurstofarm. In zuurstofarm bloed zit minder oxyhemoglobine, waardoor het bloed zijn rode kleur deels verliest. Aderen met zuurstofarm bloed kleuren daardoor blauw. Ook je vingers of lippen kunnen een blauwe kleur krijgen door een gebrek aan zuurstofrijk bloed.
door te kijken naar de huid die niet aan zonlicht is blootgesteld, bijvoorbeeld de huid van de billen.
In de loop der jaren kan de aangeboren huidskleur veranderen. Als iemand bijvoorbeeld veel in de zon werkt, wordt de huidskleur gepigmenteerder (donkerder). Soms houden deze kleurveranderingen maar enkele minuten aan. Soms zijn ze definitief. Iemand die veel is blootgesteld aan zonlicht kan op latere leeftijd bijvoorbeeld ouderdomsvlekken krijgen. Bij een lichte huid zijn deze effecten vaak beter te zien dan bij een donkere huid.
Train je kennis over de aspecten van de huid met de online trainer. Snelcode 26131
Benieuwd of je de paragrafen ‘Functies van de huid’ en ‘Huidaspecten’ begrepen hebt? Doe de online boekcheck. Snelcode 27125
Het pigment caroteen zie je terug in de vorm van sproeten.
4.4
Huidtypen en huidcondities
Het is belangrijk dat jouw keuze voor een huidbehandeling of een verzorgingsproduct goed past bij het huidtype en de huidconditie van de cliënt. Je kunt verschillende huidtypen en huidcondities herkennen.
Verschil huidtype en huidconditie
Iedereen wordt geboren met een bepaald huidtype (normaal, droog, vet of gecombineerd). Maar je huid blijft niet je hele leven hetzelfde: je huidconditie kan veranderen. Dit kan door interne of externe invloeden gebeuren. In de puberteit bijvoorbeeld, verandert er veel in de hormoonhuishouding (interne invloed). Dit kan tot een vettere, onzuivere huid leiden.
Huidtypen
Welke huidtype je hebt, wordt bepaald door de hoeveelheid talg die de talgklieren produceren en de aanleg van je huid om te reageren op prikkels.
Er zijn vier huidtypen te onderscheiden:
de normale huid
de droge huid
de vette huid
de gecombineerde huid
Normale huid
Huidkenmerken
talgklieren produceren een normale hoeveelheid talg
poriën zijn fi jn van structuur
Uiterlijke kenmerken
huid is zacht, veerkrachtig, gaaf en fris van kleur
neus en kin kunnen een beetje vet en daardoor glanzend zijn
Droge huid
Sebostase
Huidkenmerken
talgklieren produceren te weinig talg
hoornlaag is dun
poriën zijn fi jn van structuur
Uiterlijke kenmerken huid is droog en vaak schilferig
Overige kenmerken gevoelig voor invloeden van buitenaf, zoals warmte en kou
WIST JE DAT?
DROGE HUID VORMT
Gevoelige huid
Naast normaal, droog, vet of gecombineerd, kan een huid ook gevoelig zijn. De gevoelige huid reageert snel of hevig op prikkels. Allergische reacties, roodheid en eczeem komen vaak voor. Daarnaast reageert de gevoelige huid snel op invloeden van buitenaf, zoals producten of het weer, en invloeden van binnenuit, zoals voeding en emoties.
Vaak is een erg droge huid ook gevoelig. Maar een gevoelige huid kan ook andere oorzaken hebben.
Vette huid
Seborrhoe
Huidkenmerken
talgklieren produceren te veel talg
hoornlaag is dik
poriën zijn grof en rond
Uiterlijke kenmerken
huid is stevig en kan glimmen
een sterk verhoornde huid voelt stug en hard
soms schilferig
Overige kenmerken
vatbaar voor onzuiverheden: er kunnen comedonen en acné ontstaan
Gecombineerde huid
Huidkenmerken
talgproductie varieert: op sommige plaatsen te veel en andere plaatsen te weinig
vertoont kenmerken van zowel vette als droge, normale of gevoelig huid
Uiterlijke kenmerken
vertoont uiterlijke kenmerken van zowel vette als droge, normale of gevoelige huid
Seborrhoe
Een vette huid wordt ook wel seborrhoe genoemd. Deze huid heeft een te hoge talgproductie. Seborrhoe kent twee vormen: seborrhoe oleosa en seborrhoe sicca. Seborrhoe oleosa herken je aan een olieachtige, glimmende huid. Seborrhoe sicca betekent dat de huid vet maar ook schilferig is. De schilfers ontstaan doordat de huid vochtarm is dankzij een verdikte hoornlaag. De schilfertjes blijven plakken op de overmatige talg.
Huidcondities
Een huidconditie is de staat van de huid die bepaald wordt door interne en externe invloeden. Interne invloeden zijn bijvoorbeeld hormonen, stress, ziekte en je eetpatroon. Bij externe invloeden kun je denken aan uvstraling en weersinvloeden. De tabel laat zien aan welke kenmerken je de verschillende huidcondities herkent.
Train je kennis over huidtypen en huidcondities met de online trainer.
Snelcode 26142
HuidconditieHuidkenmerken
dunne huid fijne poriestructuur
vaak droog of gevoelig
gestuwde (congestieve) huid
kleine bloedvaatjes zijn verwijd (teleangiëctasieën) of gesprongen
vollere huid omdat bloedvaten meer gevuld zijn
roodheden
grove huid
vaak vet
dikke hoornlaag
grove poriën (wel of niet gevuld met talg)
vezels in de lederhuid kunnen wat dikker zijn
onzuivere huidonzuiverheden zoals comedonen (meeeters) en pustels
Overige kenmerken
komt vaak voor bij de rijpere huid kan van nature voorkomen maar ook ontstaan door medicatie (bijvoorbeeld cortisonen/ hormonen)
roodheden verergeren door zonnebaden, temperatuurschommelingen, gekruid eten en alcohol
huid dient gekalmeerd te worden: behandelen als gevoelige huid
komt vooral voor bij rokers en mensen die veel in de zon komen
ruwe huid
slecht doorbloede huid
komt vooral voor bij de vette huid
onzuiverheden zijn geen gevolg van slechte reiniging of verkeerde crème, maar van hormonen en bacteriën (P. acnes)
voelt ruwer aan
schilfertjes en schubjes zichtbaar
vale, bleke en grauwe huid
vermoeide huid vale, doffe huid
oogt grauw en futloos
vochtarme huid
droogtelijntjes (craquelé), schilfers en roodheid rond de ogen
kan sterk verhoornd zijn: de huid voelt stugger en harder
komt vaak voor bij rokers en ouderen
kan ontstaan door ziekte (bijvoorbeeld diabetes) en medicatie
komt vaak voor bij de rijpere huid
vertoont eerder rimpels dan een normale huid
Onzuivere huid
4.5
Invloed van leeftijd, geslacht en huids kleur
Ondanks dat iedereen dezelfde huidlagen heeft, is elke huid uniek. Het maakt verschil of je jong of oud, man of vrouw, donker of lichtgekleurd bent. Een mannenhuid is bijvoorbeeld vaak vetter dan de huid van een vrouw. In deze paragraaf wordt uitgelegd welke invloed je leeftijd, geslacht en huidskleur hebben op je huid.
Invloed van leeftijd
Met het ouder worden, neemt de kwaliteit van alle huidweefsels af. Dit noem je degeneratie De afname van celactiviteit, kwaliteit van de bindweefselvezels en vocht in de cellen zijn de belangrijkste oorzaken van huiddegeneratie. Hierdoor ontstaan bijvoorbeeld rimpels.
Naast rimpels zijn er meer verschillen tussen de jonge en rijpere huid. In de tabel wordt toegelicht welke invloed leeftijd op je huid heeft.
Huidaspect Invloed leeftijd
talgklierwerking
zweetklierwerking
Door een teveel aan androgenen zijn tijdens de puberteit de talgklieren actiever.
De productie van nieuwe talgkliercellen wordt lager naarmate je ouder wordt. Daardoor neemt de talgproductie af en wordt huid droger.
Bij kinderen zijn alleen de kleine (eccriene) zweetklieren actief. Pas in de pubertijd worden ook de grote (apocriene) zweetklieren actief.
huidreliëf en huiddikteAls je ouder wordt, verdunt de lederhuid en neemt het onderhuids bindweefsel af. Als gevolg hiervan ontstaan er rimpels en verslapt de huid. Het huidreliëf wordt grover en gezichtscontouren vervagen.
beharing In de puberteit neemt de lichaamsbeharing toe door de aanmaak van geslachtshormonen.
Vooral mannen kunnen last krijgen van kaalheid als ze ouder worden.
littekenvorming
In een jonge huid zal een litteken groter en dikker worden dan in een rijpere huid, omdat bij jonge mensen sneller te veel weefsel wordt gevormd.
doorbloeding
Bij het ouder worden neemt de huiddoorbloeding af. De huid ziet er daarom grauwer uit.
In een rijpere huid zie je blijvende verwijding van huidadertjes (teleangiëctasieën). Deze schijnen vaak door de huid heen.
vochtgraad Het vermogen van de rijpere huid om vocht vast te houden neemt af. Daardoor bevat de huid minder vocht en wordt deze vochtarm. TIP
Invloed van geslacht
De mannenhuid verschilt van de vrouwenhuid.
Dit heeft te maken met het verschil in hormoonspiegel. Mannen maken meer androgenen (mannelijke geslachtshormonen) aan dan vrouwen, wat invloed heeft op bepaalde huidprocessen.
De voornaamste verschillen tussen de mannenen vrouwenhuid lees je in de tabel.
WIST JE DAT?
BIJ VROUWEN GAAT HET HAAR SNELLER GROEIEN TIJDENS DE ZWANGERSCHAP.
Huidaspect Invloed geslacht
talgklierwerking
Mannen hebben grotere en dikkere talgklieren en produceren meer talg. Ze hebben daardoor een vettere huid, waarbij vaker comedonen optreden. zweetklierwerking
Mannen hebben grotere zweetklieren en transpireren meer.
pHwaarde De pHwaarde van de vrouwenhuid is lager dan die van de mannenhuid. Dit maakt de zuurmantel van een vrouw zuurder en moeilijker doordringbaar voor ziekmakende microorganismen. Vrouwen hebben daarom een hogere weerstand.
huidreliëf en huiddikteMannen hebben:
een sterkere verhoorning van de huid door snellere celdeling;
een grovere en dikkere opperhuid door grotere cellen en poriën;
een dikkere lederhuid (gemiddeld 20% dikker).
Vrouwen hebben meer onderhuids vetweefsel en daardoor een betere warmteisolatie.
beharing
Mannen hebben meer en dikkere beharing dan vrouwen en krijgen vaker last van kaalheid als ze ouder worden. littekenvorming Mannen hebben vaker acnelittekens.
doorbloeding
Mannen hebben meer doorbloedingsafwijkingen en meer doorbloeding aan het huidoppervlak.
Dankzij het hormoon testosteron hebben mannen meer en dikkere lichaamsbeharing dan vrouwen.
Invloed van huidskleur
De huid van huidskleurtypen 4 tot en met 6 (Fitzpatrickindeling) kan beter omgaan met warmte en zonlicht dan de huid van huidskleurtypen 1 tot en met 3. Dit komt door de betere doorbloeding (meer warmteafgifte) en daarnaast door de grotere hoeveelheid melanine en de dikkere hoornlaag (meer uvbescherming). Dankzij dit uvpantser komt huidkanker minder voor bij mensen met een donkere huid.
Verschillen tussen de donkere, getinte en lichte huid lees je in de tabel.
Doorbloeding bepalen
Als je de huiddoorbloeding van een cliënt wilt bepalen, moet je rekening houden met de huidskleur. Een normale, goede doorbloeding geeft de lichte huid een roze tint en de donkere huid een normale bruine kleur. Is de doorbloeding te sterk, dan kleurt de lichte huid rood en de donkere huid paars tot purper. Bij een slechte of onregelmatige doorbloeding is zowel de lichte als donkere huid bleek of vlekkerig.
Huidaspect Invloed huidskleur
talgklierwerking De donkere huid heeft meer en grotere talgklieren dan de lichte huid. De huid produceert meer talg en is daarmee vetter.
zweetklierwerking Het zweet van de donkere huid bevat naast vocht ook vetachtige stoffen.
Na verdamping van het vocht blijft er een vet laagje achter die de huid beschermt.
huidreliëf en huiddikte
beharing
Het huidreliëf van de donkere huid is vaak grover: de poriën van de zweet en talgklieren zijn groter. Ook bevatten de klierporiën meer pigment waardoor ze beter zichtbaar zijn.
De donkere huid heeft een dikkere hoornlaag dan de lichte huid.
Mensen met een getinte huid hebben vaak meer haargroei dan mensen met een lichte huid.
littekenvorming Bij een donkere huid treedt er eerder littekenvorming op. Ook ontstaan er sneller hypertrofische (dikke) littekens, atrofische (diepliggende) littekens en keloïde (grotere) littekens.
doorbloeding De donkere huid heeft een hogere huiddoorbloeding. Zo kan de huid beter warmte afgeven.
pigmentvorming
Een donkere huid verbrandt minder snel door de zon. De huid bevat meer melanine en is daardoor beter beschermd tegen uv straling.
Hoe donkerder de huid, hoe eerder de huid pigment vormt na een huidbeschadiging. Littekens worden hierdoor donker.
vochtgraad De donkere huid heeft een dikkere hoornlaag. Hierdoor kan het vochtgehalte lager zijn.
WIST JE DAT?
UIT DE LANDEN ROND DE EVENAAR KOMEN OORSPRONKELIJK DE MENSEN MET DE DONKERSTE HUIDSKLEURTYPEN.
Huidskleurtype bepalen
Hoe donkerder getint een huid is, hoe eerder de huid pigment zal vormen na een huidbeschadiging. Wil je weten hoe groot het risico is dat de huid pigment vormt na een huidbeschadiging? Gebruik dan de indeling van Fitzpatrick. Wanneer je wilt adviseren over zonbescherming, gebruik je daarvoor ook de Fitzpatrickindeling. Hoe donkerder het huidskleurtype, hoe langer de huid onbeschermd zonlicht kan verdragen.
De indeling van Fitzpatrick bestaat uit een vragenlijst waarmee je een cliënt in één van de zes huidskleurtypen indeelt. Hoe hoger het niveau, hoe gevoeliger de huid is voor huidbeschadiging en pigmentvorming. Het huidskleurtype bepaalt ook welke bescherming iemand nodig heeft tegen de zon. De niveaus zijn:
Huidtype 1: zeer lichte huid, vaak rood/ lichtblond haar
Huidtype 2: lichte huid, blond haar
Huidtype 3: licht getinte huid, donkerblond tot bruin haar
Huidtype 4: meestal een getinte huid, donker haar
Huidtype 5: donkere huid, donker tot zwart haar
Huidtype 6: zeer donkere huid, zwart haar
Hoe hoger het Fitzpatrickniveau, hoe groter de kans op huidbeschadiging en pigmentvorming.
Huidtype 3 volgens de indeling van Fitzpatrick
4.6
Invloed van leefomstandigheden
Niet alleen iemands leeftijd, geslacht of huidskleurtype hebben invloed op de conditie van de huid. Ook leefomstandigheden spelen een belangrijke rol. Het maakt bijvoorbeeld verschil of je huid vaak wordt blootgesteld aan zonlicht of luchtvervuiling. Maar ook leefstijlkeuzes, zoals je voedingspatroon, bepalen je huidconditie.
Invloed van zon
Zonlicht bestaat uit drie soorten ultraviolette straling: uv A, uv B en uv C. Vooral de uv A en uv Bstralen bereiken de aarde en daarmee je huid. De ozonlaag filtert de uv Cstralen, waardoor ze de aarde moeilijk kunnen bereiken.
Uv A en uv B hebben beide een pigmenteffect: ze beïnvloeden de aanmaak van melanine in de huid. Ook start uv Bstraling het aanmaakproces van vitamine D in de huid.
Negatieve effecten van uvstralen zijn:
Uv A stralen verouderen je huid.
Te veel uv straling kan zonnebrand (erytheem solaris) veroorzaken. Met name uv B stralen zijn hiervoor verantwoordelijk.
Uv B stralen en zonnebrand verdikken de hoornlaag waardoor de hoornlaag vochtarmer kan worden.
Zowel uv A als uv B tast de huidstructuur aan, wat vroegtijdige huidveroudering en huidkanker kan geven.
Uv C stralen die de huid wél bereiken, veranderen de structuur van kerneiwitten in de huid. Hierdoor kan huidkanker ontstaan.
Zonnebank
Te veel uv Bstraling kan zonnebrand veroorzaken. Daarom geven de meeste zonnebanken weinig uv B en vooral uv A af. Je huid veroudert daardoor snel van zonnebanklicht.
TIP
EEN EZELSBRUGGETJE
OM DE MOGELIJKE
GEVOLGEN VAN UV
STRALING TE ONTHOUDEN:
UV AGE (VEROUDERING)
UV BURN (VERBRANDING)
UV CANCER (KANKER)
Huidskleurtype en onbeschermde zontijd
Wat het effect is van zonlicht op de huid, heeft te maken met je huidtype. Met de Minimale Erytheem Dosis (MED) kun je uitrekenen hoelang je ongeveer onbeschermd in de zon kunt blijven zonder dat je verbrandt. De rekensom hiervoor is: de basis onbeschermde zontijd gedeeld door de zonkracht. Je kunt hierbij de MEDFitzpatricktabel gebruiken. Bijvoorbeeld: je hebt huidskleurtype 4. De basis onbeschermde zontijd voor dit huidtype is 300 minuten. De zonkracht is vandaag 8. 300 gedeeld door 8 is 37,5. Dit betekent dat je ongeveer 37 minuten onbeschermd in de zon kunt zitten zonder dat je verbrandt.
Je insmeren met sunblock beschermt je tegen de negatieve effecten van uv straling.
SPF
SPF staat voor Sun Protection Factor. Het beschermt je huid tegen uv A en uv Bstraling. SPF vermenigvuldigt de tijd waarin je zonder te verbranden in de zon kunt zitten. Met huidskleurtype 4 kun je bij zonkracht 8 met SPF 15 37 x 15 minuten beschermd in de zon zitten. Dit is 555 minuten, oftewel 9 uren. Gedurende deze periode moet je wel regelmatig de zonnebrandcrème aanbrengen.
Ozonlaag
De ozonlaag filtert de uv Cstralen. Zonder de ozonlaag zou uvstraling al het leven op aarde vernietigen. De ozonlaag wordt steeds dunner. Hierdoor komen de schadelijke uv Cstralen makkelijker bij de aarde. Dit kan huidkanker veroorzaken. Het wordt steeds gevaarlijker om in de zon te liggen, vooral tussen twaalf en drie uur ’s middags. Dan is de zonkracht het hoogst.
Invloed van luchtvervuiling
Luchtvervuiling is niet alleen slecht voor het milieu maar ook voor je huid. Schadelijke stoffen, zoals CO2, bevatten sterke oxidanten en vrije radicalen
Deze stoffen tasten de natuurlijke huidbarrière van de opperhuid aan. De huid kan zichzelf dan niet meer goed beschermen. Hierdoor kan de huid er futloos uitzien, minder stevig voelen en sneller verouderen. Het vuil in de lucht kan daarnaast poriën verstoppen waardoor acne kan ontstaan.
Invloed van leefstijl
Een gezonde leefstijl kan je huidconditie verbeteren. Regelmatig bewegen, gezond eten, het laten staan van genotmiddelen en jezelf niet in de stress werken helpt dus om je huid gezond te houden.
Dat betekent ook dat ongezonde keuzes de huid kunnen aantasten. Voorbeelden hiervan:
Te veel zuivel, suikers en vetten verergeren acne.
Nicotine vernauwt de bloedvaten, waardoor de huid onvoldoende wordt gevoed. Daardoor ziet een rokershuid er grauwer uit en is deze slapper.
Alcohol onttrekt vocht aan de huid en laat de huid er dof en ouder uitzien. Daarnaast vermindert alcohol de collageenproductie die zorgt voor stevigheid. Verder verwijdt alcohol bloedvaatjes, waardoor er sneller teleangiëctasieën ontstaan.
Stress verlaagt de weerstand en maakt de huid vatbaarder voor bacteriën. Hierdoor kan acne verergeren of ontstaat er huidirritatie.
Zeker weten dat je niks vergeet? Doe dan de online trainer over de invloeden op de huid. Snelcode 26144
WIST JE DAT?
DOOR TOENEMENDE LUCHTVERVUILING IN STEDEN HEBBEN STEEDS MEER MENSEN LAST VAN EEN OVERGEVOELIGE HUID.
Of test je kennis van de invloeden op de huid met de online boekcheck. Snelcode 27139
4.7
Klieren
De huid bestaat uit meer dan huidlagen alleen. Er zitten bloedvaten, lymfevaten en zenuwen in én talg en zweetklieren. Deze klieren ondersteunen de huidfuncties en beïnvloeden de conditie van de huid. Het is daarom belangrijk dat je de bouw en werking van de klieren kent.
Talgklieren
Talgklieren maken een vettige, beschermende stof aan: talg. Talg (sebum) is een mengsel van lipiden (vetachtige stoffen) en celresten (hoorncellen).
Talg heeft verschillende functies:
Het houdt de huid en de haren vet en daardoor soepel.
Het beschermt de huid tegen uitdroging en vochtverlies.
Als bestanddeel van de zuurmantel draagt het bij aan de afweer van ziektekiemen.
De ergosterolen ( provitamine D) in talg vormen uiteindelijk vitamine D.
WIST JE DAT? TALG EN ZWEETKLIEREN NOEM JE AANHANGSELS (ADNEXA) VAN DE HUID.
Bouw van de talgklier
Talgklieren zijn trosvormige (alveolaire) huidklieren. Ze bestaan uit stofafscheidend epitheelweefsel. Talgklieren zijn exocriene klieren: ze gebruiken een afvoerbuis om het product af te scheiden. De afvoerbuizen van talgklieren monden uit in duidelijk zichtbare huidporiën.
Veel talgklieren gebruiken het haarzakje (haarfollikel) als afvoerbuis. Daar waar de haar de huid uitgaat, ligt de afvoerbuis van de talgklier. Meestal liggen er twee talgklieren om één haarfollikel. Er zijn ook talgklieren met een eigen afvoerbuis: solitaire talgklieren
TIP
MEER INFORMATIE OVER KLIEREN VIND JE IN HET HOOFDSTUK ‘CELLEN EN WEEFSELS’.
Haarfollikel met twee talgklieren
Talgklier
Haarfollikel
Ligging van de talgklier
Talgklieren liggen in de bovenste laag van de lederhuid. Omdat veel talgklieren haarfollikels als afvoerbuisjes voor talg gebruiken, ligt het grootste
WIST JE DAT?
OP DE HANDPALMEN, VOETZOLEN EN DE HUID TUSSEN VINGERS EN TENEN KOMEN GEEN TALGKLIEREN VOOR.
aantal talgklieren op plaatsen met haren. De lederhuid van de behaarde hoofdhuid, het gezicht en de bovenste delen van de borst en de rug bevatten veel talgklieren. De solitaire talgklieren vind je op de lippen, neusvleugels en tepels.
Werking van de talgklier
In de talgklier liggen kliercellen. Tijdens hun levensloop slaan deze cellen grote hoeveelheden vet op in hun cellichaam (het cytoplasma). Als het cellichaam volledig is omgezet in vet, is de celkern verdwenen. Daarna sterft de kliercel af en barst de kliercel open. Wat overblijft, is een vettige
WIST JE DAT? EEN VERSTOORDE
TALGKLIER WERKING KAN ONDER ANDERE SEBORRHOE (VETTE HUID) EN SEBOSTASE (DROGE HUID) VEROOR ZAKEN. IN HET HOOFDSTUK ‘HUIDAFWIJK INGEN’ LEES JE HIER MEER OVER.
substantie: talg (sebum). Zowel de opengebarsten kliercel als de talg wordt door de klier afgescheiden en komt op de huid terecht.
Door hun manier van werken noem je talgklieren ook wel holocriene klieren. Holocriene klieren scheiden namelijk niet alleen een afscheidingsproduct (talg) uit, maar ook de cel die het afscheidingsproduct produceert (talgkliercel).
De talgklier is dus een exocriene klier (met afvoerbuis) met een holocriene afscheiding (kliercel gaat verloren).
De talgklier is een exocriene klier met een holocriene afscheiding.
De behaarde hoofdhuid bevat veel talgklieren.
Invloed van geslachtshormonen
De werking van de talgklieren wordt onder andere beïnvloed door geslachtshormonen. Oestrogenen (vrouwelijke geslachtshormonen) remmen de talgklierwerking. Androgenen (mannelijke geslachtshormonen), zoals testosteron, stimuleren de werking van de talgklier. Vooral tijdens de puberteit kunnen androgenen de talgafscheiding te veel stimuleren, wat acne veroorzaakt of verergert.
Talgsamenstelling
De lipiden in talg zijn onder te verdelen in triglyceriden, vetzuren en vetalcoholen. De overeenkomst tussen deze lipoïde stoffen is dat ze hydrofoob (waterafstotend) zijn. De vetalcoholen in talg zijn onder te verdelen in cholesterol, ergosterol en squalenen.
Cholesterol: een vetachtige, niet in water oplosbare stof die helpt bij de opbouw van de celwand en de aanmaak van hormonen (bijnierschors en geslachtshormonen).
Ergosterol: een provitamine D waaruit de huid vitamine D vormt.
Squalenen: de basisstoffen waaruit cholesterol en ergosterol bestaan. Ook zijn squalenen hulpstoffen die cholesterol en ergosterol helpen verbinden.
LET OP!
PROGESTERON IS EEN VROUWELIJK GESLACHTSHORMOON, MAAR HEEFT TOCH EEN
LICHTE ANDROGENE
WERKING: HET STIMULEERT DE TALGPRODUCTIE.
Zweetklieren
Zweetklieren produceren zweet: gemiddeld 0,75 liter per 24 uur. Zweet bestaat voor 99% uit water en voor het overige deel uit zout (NaCl) en afbraakproducten van de stofwisseling. Zweet heeft verschillende functies:
Het regelt de lichaamstemperatuur. Als de temperatuur in de huid stijgt, produceren de zweetklieren meer zweet. Het zweet verdampt, waardoor de huid afkoelt.
Het scheidt afvalstoffen uit die je lichaam produceert. Daarom behoort je huid, samen met je longen en nieren, tot de uitscheidingsorganen.
Als bestanddeel van de zuurmantel draagt zweet bij aan het afweersysteem van de huid.
Meestal is zweet niet zichtbaar. Dit noem je perspiratie. Zweet dat zichtbaar is, heet transpiratie. Niet alleen lichaamswarmte veroorzaakt zweetafscheiding, ook van psychische factoren (zoals angst) kun je zweten.
Bouw en ligging van de zweetklier
Zweetklieren zijn buisvormige klieren. Ze lijken op een bolletje van opgewonden draad. Een zweetklier bestaat uit eenlagig epitheelweefsel. Het is omgeven door een dun laagje glad spierweefsel en door zenuwuitlopers. De hoeveelheid zweet die een zweetklier afscheidt, is afhankelijk van de grootte van de klier.
Zweetklieren zijn, net zoals talgklieren, exocriene klieren: ze gebruiken een afvoerbuis om het product af te scheiden. De afvoerbuisjes van zweetklieren eindigen in zweetporiën aan de opperhuid. In tegenstelling tot de talgporie is de zweetporie niet zichtbaar. Een zweetporie verwijdt of vernauwt niet onder invloed van de huidtemperatuur.
WIST JE DAT?
ZWEET BEVAT ZURE AFBRAAKPRODUCTEN VAN DE STOFWISSELING, ZOALS MELKZUUR (KOOLHYDRAATSTOF WISSELING) EN UREUM (EIWITSTOF WISSELING). DAARDOOR IS ZWEET NAAST ZOUT OOK ZURIG.
Zweet bestaat voor 99%
Zweet
Talgklier
Haarfollikel
Eccriene zweetklier
Apocriene zweetklier
WIST JE DAT?
ECCRIENE
ZWEETKLIEREN WERKEN AL VANAF DE GEBOORTE. APOCRIENE ZWEETKLIEREN GAAN PAS WERKEN ALS IEMAND IN DE PUBERTEIT GESLACHTSRIJP WORDT.
Zweetklieren liggen in het onderste deel van de lederhuid, op de grens van de onderhuid. Ze komen in de hele huid voor, maar de meeste liggen in de handen, voeten en oksels.
Soorten zweetklieren
Er zijn twee soorten zweetklieren: eccriene en apocriene zweetklieren.
Eccriene zweetklieren zijn kleine zweetklieren die over het hele lichaam voorkomen. Deze zweetklieren worden aangestuurd door het onwillekeurige (autonome) zenuwstelsel. Bij de uitscheiding van zweet door de eccriene zweetklieren blijft de kliercel behouden.
Apocriene zweetklieren zijn grote zweetklieren die vaak verbonden zijn met een haarzakje. Deze zweetklieren liggen in de oksels en rond de tepels en de uitwendige geslachtsorganen. Apocriene zweetklieren worden aangestuurd door het hormoon adrenaline. Apocriene zweetklieren scheiden niet alleen zweet af, maar ook een deel van de kliercel.
Train je kennis over talg- en zweetklieren met de online trainer. Snelcode 26120
Haarfollikel met zweet en talgklieren
4.8 Nagels
Denk je aan de huid, dan denk je waarschijnlijk niet meteen aan nagels. Toch maken nagels, als aanhangsels (adnexa) van de huid, ook deel uit van de huid. Als schoonheidsspecialist mag je gezonde nagels behandelen. Het is dus de moeite waard om je erin te verdiepen.
Functies van de nagel
Nagels hebben verschillende functies:
Ze beschermen vingers en tenen: de nagelplaat beschermt tegen beschadiging en de nagelriem houdt ziektekiemen en vuil tegen.
Ze spelen een rol bij de tastzin: nagels waarschuwen voor aanrakingen. Zonder nagels zou je je eerder stoten. Ook kun je met je nagels fijne voorwerpen oppakken.
Ze dragen bij aan de warmteverdeling in tenen en vingers: via kleine bloedvaten in het nagelbed wordt warmte verspreid.
Bouw van de nagel
Als je een nagel goed bekijkt, zie je dat de nagel meer is dan een nagelriem en een nagelplaat. In totaal bestaat de nagel uit acht verschillende onderdelen.
Nageluiteinde
Nagelplooi Nagelplaat
Nagelwal Half maantje Nagelriem
Nagelplaat
De nagelplaat bestaat uit drie lagen:
De hoornlaag (schubbenlaag) komt bij uitdroging los. Dat noemen we splijtende nagels.
De sponslaag neemt voedingsstoffen op en houdt vet en vocht vast.
De epitheellaag is de onderste laag en bevestigt de nagelplaat aan het nagelbed.
Bovenaanzicht van de nagel
Nagelwal
Perionychium/vallum unguis
De nagelwal is de huid die de nagel aan de zijkanten en aan de achterkant omsluit.
Half maantje
Lunula
Het halve maantje is het bleke gedeelte aan het begin van de nagelplaat.
Nagelriem
Eponychium
De zichtbaar verhoornde rand van de nagelwal is de nagelriem.
Nagelplooi
Sulcus matrices unguis
De nagelplooi is het uiteinde van de nagelwal.
Nageluiteinde
Par distalis unguis
Het vrije einde van de nagelplaat heet het nageluiteinde. Het nageluiteinde ligt buiten het nagelbed.
Nagelplaat
Corpus unguis
De nagelplaat, ook wel nagellichaam genoemd, is de zichtbare bovenkant van de nagel.
Nagelbed
Lectulus unguis
Het nagelbed is het weefsel onder en achter de nagelplaat en ligt in de lederhuid.
Nagelwortel
Radix unguis
De nagelwortel ligt onder de huid, aan de basis van de nagelplaat. De nagelwortel ontstaat uit de nagelmatrix.
Nagelmatrix
Matrix unguis
De nagelmatrix is het weefsel waaruit de nagelplaat ontstaat en bestaat uit cellen met keratohyalinekorrels. WIST JE DAT? DE CELLEN IN HET
Doorsnede van de nagel
Nagelgroei
De nagelcellen worden ‘geboren’ in de nagelmatrix. Hier vindt de celdeling plaats. De nagelmatrix wordt daarom ook wel de kiemlaag van de nagelplaat genoemd. In de nagelmatrix liggen bloedvaatjes. Deze voorzien de nagelcellen van zuurstof en voedingsstoffen en voeren afvalstoffen af.
De jonge nagelcellen in de nagelmatrix zijn nog zacht omdat ze nog niet verhoornd zijn. Tijdens de groei van de nagel verhoornen de nagelcellen zich langzaam. De cellen van de nagelmatrix bevatten keratohyalinekorrels. Deze korrels helpen de nagelcellen om te verhoornen (keratiniseren).
Tijdens de groei van de nagel verhoornen de nagelcellen langzaam.
WIST JE DAT?
HET DUURT VIJF À ZES
MAANDEN VOORDAT DE NAGEL VAN DE MATRIX TOT HET UITEINDE IS GEGROEID.
WIST JE DAT?
HET NAGELBED BEVAT
BLOEDVATEN EN ZENUWEN.
VIA HET BLOED KRIJGT
HET NAGELBED VOEDINGS
STOFFEN, ZODAT DE NAGEL
KAN GROEIEN.
Nagelgroei is een continu proces.
Doordat er continu nieuwe nagelcellen worden aangemaakt, schuiven de cellen naar voren. Zo belanden ze van de nagelmatrix in de nagelwortel. Hier zijn ze ook nog zacht. Vervolgens schuiven de nagelcellen verder door en komen ze onder de nagelwal vandaan: ze komen in aanraking met lucht. In de lucht bevinden zich stoffen (calcium, zwavel, glycogeen en fosforzure kalk) die de cellen laten verhoornen. De nagels zijn nu volledig verhoornd en hoeven niet meer gevoed te worden.
Hoe snel de nagel groeit, verschilt per persoon en situatie. In de tabel lees je welke factoren invloed hebben op nagelgroei.
klimaat in een warm klimaat/seizoen bij langdurige kou
persoonlijke kenmerken
bij mannen
als je jong bent
bij zwangerschap
WIST JE DAT?
GEMIDDELD
GROEIEN NAGELS 0,1 MM PER DAG.
bij vrouwen
als je ouder wordt
plaats van de nagel op de vingers op de tenen
gewoonten
als je nagelbijt
als je pianospeelt of op een andere manier je vingers intensief gebruikt (typen)
ziekte bij bepaalde huidziekten, zoals psoriasis
stoffen door proteïnerijke voeding en bepaalde vitaminen
door roken
bij langdurige koorts
bij ondervoeding
bij gebruik van bepaalde geneesmiddelen
door schadelijke stoffen
Als je veel typt, gaan je nagels sneller groeien.
4.9 Haar
Net zoals talg en zweetklieren en nagels is het haar een aanhangsel (adnexum) van de huid. Een haar lijkt misschien een simpel sprietje, maar zit ingewikkeld in elkaar.
Bouw van een haar
Een haar bestaat uit een zichtbaar en een onzichtbaar deel. Het zichtbare, uitwendige deel is de haarschacht. Het onzichtbare, inwendige deel is de haarwortel. De haarwortel ligt vast in een haar follikel (haarzakje). Zoom je verder in op de haar dan zie je nog meer haaronderdelen (zie afbeelding).
WIST JE DAT? ALLE HAARZAKJES WORDEN VOOR DE GEBOORTE AANGEMAAKT.
WIST JE DAT? DE HAARSCHACHT
BESTAAT UIT VERHOORNDE HAARCELLEN EN IS DUS EIGENLIJK HET DODE DEEL VAN DE HAAR.
Doorsnede van haarfollikel
Haarschacht Haarwortel
Haarfollikel
Een haarfollikel of haarzakje is een buisvormige (tubulaire) en zakvormige holte in de huid die doorloopt tot in het onderhuids bindweefsel.
Het bestaat grotendeels uit epitheelweefsel en voor een klein deel uit bindweefsel. Een haarfollikel is uit verschillende onderdelen opgebouwd:
Om de haarwortel ligt de wortelschede.
Deze bestaat uit twee delen: de inwendige en de uitwendige wortelschede.
De haarui (bulbus) is het onderste verdikte gedeelte van het haarzakje.
In de haarui ligt de haarmatrix of kiemlaag. Hier ontstaan door celdeling nieuwe haarcellen.
In de haarmatrix ligt de haarpapil (papillae pili).
Deze bestaat uit bindweefsel met haarvaatjes. De haarpapil voorziet de nieuwe haarcellen van voedingstoffen en pigment.
Rondom een haarfollikel liggen meestal twee talgklieren. Die gebruiken de ruimte tussen de haar en het haarzakje om talg af te scheiden.
Ook haarspiertjes (musculus arrector pili) bevinden zich in de buurt van de haarfollikel. Deze zijn opgebouwd uit onwillekeurig glad spierweefsel.
De spiertjes trekken samen bij kou of een schrikreactie. Daardoor gaan de haren, die doorgaans schuin ingeplant zijn, overeind staan. Er ontstaat dan kippenvel.
Haar
Een haar (haarschacht plus haarwortel) is van buiten naar binnen opgebouwd uit de volgende onderdelen:
het haaropperhuidvlies (cuticula), dat uit platte, kernloze cellen bestaat;
de haarschors (cortex), die veel keratine (hoornstof) bevat;
het haarmerg (medulla), dat uit ronde cellen met een celkern bestaat.
WIST JE DAT?
DE CELLEN VAN HET
HAAROPPERHUIDVLIES
VORMEN SCHUBBEN. HET
VLIES WORDT DAAROM
OOK WEL SCHUBBENLAAG
GENOEMD. BIJ GEZOND
HAAR ZIJN DE SCHUBBEN GESLOTEN.
Haarmerg
Dwarsdoorsnede (links) en doorsnede (rechts) van een haar
Haaropperhuidvlies
Haarschors
Haartypen
Haren op het menselijk lichaam variëren van zachte donsharen tot stugge baardharen. Op het lichaam komen verschillende typen haar voor:
lanugohaar
vellushaar
intermediair haar
terminaal haar
Haarkleur en pigment
Net als de kleur van je huid wordt je haarkleur bepaald door melanine (pigment). De haarschors bevat twee soorten pigment: eumelanine (donker pigment) en feomelanine (licht pigment). De verhouding tussen licht en donker pigment bepaalt je haarkleur.
Haartype Kenmerken
lanugohaar
lang, dun, zijdeachtig
enkele centimeters lang
geen pigment
mergloos
vellushaar
zacht
zelden langer dan een centimeter
meestal ongepigmenteerd
mergloos
intermediair haar
terminaal haar
haren worden langzamerhand dikker, grover en meer
gepigmenteerd
overgangsfase van vellushaar naar terminaal haar
grof
verschillende lengtes
gepigmenteerd
zes soorten:
1. wimpers en wenkbrauwen
2. hoofdhaar
3. snor en baardhaar
4. okselhaar
5. schaamhaar
6. lichaamshaar
Komt voor bij …
embryo’s en foetussen (vanaf 6 weken na de bevruchting tot 7/8 maanden zwangerschap), daarna valt het lanugohaar uit en wordt het vervangen door velus en terminaal haar
kinderen (op het hele lichaam)
vrouwen (in het gezicht)
jongens in de puberteit (eerste baardharen)
alle leeftijden
WIST JE
DAT?
ALLEEN IN DE HAARSCHORS ZIT MELANINE (PIGMENT).
Ontwikkeling van haar
De ontwikkeling van haar start al in de embryonale fase. De eerste haarfollikels ontwikkelen zich bij de wenkbrauwen, op de bovenlip en de kin. Dit begint rond de negende week van de zwangerschap.
De overige lichaamsbeharing ontstaat vanaf de vierde maand. Vanaf dit moment is het haar ook goed herkenbaar.
Haargroeifasen
Een haar heeft een levensloop: de haar groeit, sterft en maakt tot slot plaats voor een nieuwe haar. Het haargroeiproces bestaat dus uit drie fasen:
de anagene fase (groeifase)
de katagene fase (overgangsfase)
de telogene fase (rustfase)
Anagene fase
De anagene fase duurt 2 tot wel 25 jaar. De haarvaatjes in de haarpapil geven voedingsstoffen af aan de haarmatrix. Met deze voedingstoffen kan de haarmatrix nieuwe haarcellen vormen. Door de constante aanmaak van nieuwe cellen worden nieuwe haren naar de oppervlakte geduwd. Het haar groeit.
Zoom je tijdens deze fase in op een haar, dan zie je dat mergcellen in schorscellen veranderen. Schorscellen veranderen vervolgens in opperhuidvlies. Tijdens dit groeiproces vindt er in de haar ook pigmentvorming plaats.
Katagene fase
De katagene fase duurt enkele weken. De haarfollikel sluit, waardoor geen contact meer mogelijk is tussen de haarwortel en de haarui. De haarpapil kan geen voedingsstoffen meer afgeven aan de haarmatrix en de celdeling stopt. De haarfollikel krimpt en wordt korter. De haar wordt hierdoor omhooggeduwd, maar zit nog wel in de huid. Tijdens de katagene fase neemt de pigmentvorming af. Daardoor wordt de haarwortel geleidelijk kleurloos.
De eerste baardharen bij jongens zijn intermediair haar.
Telogene fase
De telogene fase duurt enkele maanden. Er vormt zich onder de oude haar een nieuwe haar. De oude haar komt los te zitten, doordat de cellen van de inwendige wortelschede hun onderlinge structuur verliezen. Ondertussen groeien de onderste haarcellen verder in de diepte en omsluiten ze de haarpapil. Daardoor ontstaat een nieuwe haarmatrix. De nieuwe haar groeit en duwt de oude haar uit de haarfollikel.
Invloeden op haargroei
Er zijn verschillende factoren die de haargroei beïnvloeden. Belangrijke factoren zijn:
hormonen
voeding en leefstijl
leeftijd
lichamelijke en geestelijke gezondheid
Hormonen
Bepaalde hormonen hebben een effect op haargroei. Bij vrouwen spelen oestrogenen (vrouwelijke geslachtshormonen) een grote rol. Een vrouw die zwanger is, heeft een verhoogd oestrogeengehalte en krijgt daardoor vaak een vollere haardos: het haar wordt langer vastgehouden en groeit sneller. Als een vrouw in de overgang komt, neemt het oestrogeengehalte juist af. Daardoor wordt het haar dunner en ontstaat er soms ‘mannelijke beharing’, zoals in het gezicht.
WIST JE DAT? ONGEVEER 80% VAN ALLE HAREN BEVINDT ZICH IN DE ANAGENE FASE.
Bij mannen hebben androgenen (mannelijke geslachtshormonen) een grote invloed op de haargroei. Androgenen stimuleren lichaamsen gezichtsbeharing, maar zorgen er ook voor dat de haarfollikels op het hoofd afsterven. Daardoor worden veel mannen kaler naarmate ze ouder worden.
Voeding en leefstijl
Gezonde voeding bevordert je algehele gezondheid en ook de conditie van je haar. Kom je voedingsstoffen tekort, zoals bepaalde vitaminen, dan heeft dit een ongunstig effect op je huid en haar.
Ook je leefstijl heeft invloed op de conditie van je haar. Zo laat onderzoek zien dat het risico op haaruitval en kaalheid groter is bij rokers dan bij nietrokers. Dit komt doordat de huid van rokers een verminderde doorbloeding heeft, waardoor de kwaliteit van het haar achteruitgaat. Het kan zelfs gedeeltelijk uitvallen.
Leeftijd
Naast de hormonale invloeden op het haar op latere leeftijd, worden ook de omstandigheden voor haargroei steeds minder gunstig. De huid wordt dunner en de haarfollikels worden kleiner. Hierdoor verandert de textuur van het haar.
Ook verandert je haar van kleur als je ouder wordt. Dit komt doordat de hoeveelheid pigment in het haar afneemt. Nieuwe haren groeien dan zonder pigment. Ook ontstaan er luchtblaasjes (vacuolen) in de haarcellen. Als hier licht op valt, geeft dat een grijze tint aan het haar.
Lichamelijke en geestelijke gezondheid
Bepaalde aandoeningen kunnen de haargroei remmen. Een voorbeeld hiervan is een te traag werkende schildklier. Hierdoor vertraagt de stofwisseling en worden er minder voedingstoffen aan het haar afgegeven. Dunner wordend haar en haarverlies kunnen het resultaat zijn.
Ook je geestelijke gesteldheid kan zijn weerslag hebben op de huid en het haar. Een lange periode van stress kan je hormoonhuishouding uit balans brengen, je stofwisseling vertragen en je lichaam uitputten. Hierdoor gaat het lichaam op den duur voedingsstoffen onttrekken aan lichaamsdelen die het minder hard nodig hebben. Haaruitval kan hier een gevolg van zijn.
Tot slot kan ook medicatie zorgen voor dunner wordend haar, en soms juist voor overbeharing.
Nog eens oefenen met de stof over nagels en haar? Doe de online trainer. Snelcode 26124
Test je kennis over aanhangsels van de huid (klieren, nagels en haar) met de online boekcheck. Snelcode 27117
Op oudere leeftijd kan een grijze tint in het haar ontstaan doordat pigment afneemt
WIST JE DAT?
DAGELIJKS VALLEN
ER HAREN UIT. BIJ NORMALE
HAARUITVAL VERLIES JE
GEMIDDELD 100 HAREN
PER DAG.
5.Bloed- en lymfevatenstelsel
Een lichaam bevat ongeveer vijf liter bloed. Dit bloed is belangrijk om allerlei stoffen door je lichaam te verplaatsen en zo je lichaam te laten functioneren. Wist je dat er naast het bloedvatenstelsel nog een ander vatenstelsel is? Dit is het lymfevatenstelsel. Het bloed- en lymfevatenstelsel werken nauw samen om het lichaam te laten functioneren en gezond te houden.
5.1
Bloed
In je lichaam stroomt ongeveer vijf liter bloed door de bloedbaan. Dit bloed bestaat voor ongeveer de helft (4045%) uit bloedcellen en bloedplaatjes. De andere helft (5560%) bestaat uit bloedplasma. In deze paragraaf leer je de eigenschappen van deze bestanddelen van bloed.
Bloedcellen en bloedplaatjes
Plasma-eiwitten Water
Opgeloste stoffen
Bloedplaatjes Witte bloedcellen
Rode bloedcellen
Samenstelling van bloed
Rode bloedcellen
Bloed is rood doordat er rode bloedcellen (erytrocyten) in zitten. Rode bloedcellen worden voortdurend aangemaakt in het rode beenmerg. Dit rode beenmerg zit in platte beenderen, de uiteinden van de pijpbeenderen en in onregelmatige beenderen.
Rode bloedcellen vervoeren zuurstof van de longen naar de lichaamscellen. In mindere mate nemen de rode bloedcellen koolstofdioxide uit de lichaamscellen mee terug naar de longen, zodat je die weer uit kunt ademen.
Rode bloedcellen bevatten het roodgekleurde eiwit hemoglobine. Hemoglobine bevat ijzer, waardoor zuurstof en koolstofdioxide zich aan hemoglobine binden. Bij de binding van zuurstof ontstaat het zogenaamde oxyhemoglobine.
Een rode bloedcel leeft ongeveer 120 dagen. Hierna wordt de cel in de milt, de lever of in het rode beenmerg afgebroken. Hierbij splitst het ijzer zich af van de hemoglobine. Dit ijzer wordt weer gebruikt voor de aanmaak van nieuwe rode bloedcellen.
Bloedarmoede
Je hebt bloedarmoede (anemie) wanneer er te weinig hemoglobine in je bloed zit of als je te weinig rode bloedcellen hebt. Hierdoor wordt er minder zuurstof naar organen en weefsels vervoerd en kun je bijvoorbeeld vermoeid en duizelig worden. Bloedarmoede kan ontstaan door bloedverlies of door een tekort aan bouwstoffen voor rode bloedcellen, zoals ijzer of vitamine B12.
Witte bloedcellen
Witte bloedcellen (leukocyten) zijn groter dan rode bloedcellen, maar je hebt er veel minder van. Ze beschermen tegen bacteriën en virussen. Bij een infectie kan het aantal witte bloedcellen sterk toenemen. Ze vormen dan een legertje dat tegen lichaamsvreemde stoffen vecht. Witte bloedcellen kunnen zich zelfstandig voortbewegen naar de plaats in het lichaam waar ze nodig zijn. Dit doen ze met hun protoplasmauitsteeksels, ook wel schijnvoetjes genoemd.
Er zijn verschillende soorten witte bloedcellen, onder andere granulocyten en lymfocyten.
TIP IN HET HOOFDSTUK ‘SKELET’ LEES JE MEER OVER DE VERSCHILLENDE SOORTEN BEENDEREN.
Rode bloedcellen
Witte bloedcel
Granulocyten
Granulocyten worden aangemaakt in het rode beenmerg. Het zijn de cellen die als eerste bacteriële infecties of ontstekingsreacties tegengaan. Als er lichaamsvreemde stoffen of ziekteverwekkers het lichaam binnendringen, treden de granulocyten buiten de bloedbaan. Granulocyten kunnen namelijk van vorm veranderen en zich door de semipermeabele wand van een haarvat wringen. Ze komen dan in het weefselvocht terecht. Hier pakken ze de indringers aan.
De granulocyt omhult de ziekteverwekker en verteert deze. Dit proces noem je fagocytose
De granulocyt sterft hierbij zelf ook af. Zo ontstaat er pus (etter). Pus bestaat uit witte bloedcellen die vol zitten met ziekteverwekkers, weefselvocht en afgestorven weefsel.
Lymfocyten
Lymfocyten zijn veel kleiner dan granulocyten. Ze worden aangemaakt in de lymfeknopen en in de milt. Lymfocyten komen in bloed voor, maar vooral in lymfe.
Terwijl granulocyten alles wat vreemd is ‘opvreten’, gaan lymfocyten veel preciezer te werk. Lymfocyten maken namelijk antistoffen aan tegen specifieke indringers (antigenen). In het lichaam zijn voor iedere mogelijke antigeen al aparte lymfocyten aanwezig. Pas na een besmetting met het antigeen gaan die specifieke lymfocyten zich vermenigvuldigen en antistoffen aanmaken. Het duurt een tijdje voordat er voldoende antistoffen zijn aangemaakt. In die periode kan een mens ziek worden. Zodra er genoeg antistoffen zijn aangemaakt, kan de ziekteverwekker uitgeschakeld worden.
Na een tweede besmetting worden er veel sneller antistoffen gevormd. Dit komt doordat er tijdens de eerste besmetting geheugencellen aangemaakt zijn. De ziekteverwekker is dan veel sneller uitgeschakeld: je bent immuun voor de ziekte.
bloedcel
IN HET HOOFDSTUK ‘HUIDAANDOENINGEN’ LEES JE MEER OVER INFECTIES DOOR MICRO ORGANISMEN.
Fagocytose
Ziekteverwekker
Haarvat
Witte
Actieve en passieve immunisatie
Om je te beschermen tegen infectieziekten, kun je je laten inenten. Er wordt een verzwakte of gedode ziekteverwekker ingespoten, waardoor je lichaam antistoffen aanmaakt en je immuun wordt.
Dit noem je actieve immunisatie: je lichaam maakt zelf antistoffen aan.
Bij passieve immunisatie krijg je kantenklare antistoffen (antitoxinen) geïnjecteerd. Dit gebeurt wanneer je lichaam zelf niet snel genoeg of onvoldoende antistoffen aan kan maken.
Bloedplaatjes
Bloedplaatjes (trombocyten) worden aangemaakt in het rode beenmerg. Het zijn eigenlijk geen cellen, maar stukjes van cellen. Bloedplaatjes zorgen ervoor dat bloed stolt als het buiten de bloedvaten treedt. De bloedstolling is een belangrijk middel van het lichaam om bloedverlies te voorkomen.
Voor een goede stolling zijn ook de stollingseiwitten fibrinogeen en protrombine nodig.
Deze worden aangemaakt in de lever, onder invloed van vitamine K. Ze zijn opgelost in het bloedplasma: het zijn plasmaeiwitten.
Als iemand zich verwondt, blijven bloedplaatjes plakken aan de randen van de wond. Ze activeren de protrombine en fibrinogeen, zodat deze samen de stof fibrine vormen. Fibrine vormt een netwerk van draden op de wond. Dit vormt de basis voor een korstje. Na een tijdje geneest de wond.
Bloedplaatjes
Bloedplaatjes, fibrinogeen en protrombine zorgen samen voor de vorming van een korstje op een wond.
WIST JE DAT?
OM DE WARMTE AF TE GEVEN AAN DE OMGEVING, VERWIJDEN DE BLOEDVATEN ZICH. DAAROM KLEURT DE HUID ROOD BIJ INSPANNING.
Bloedplasma
Bloedplasma is de lichtgele vloeistof waarin de rode en witte bloedcellen en de bloedplaatjes rondzweven. De samenstelling van bloedplasma lijkt op die van zeewater. Het bestaat voor 91% uit water en 7% uit plasmaeiwitten. De overige 2% zijn antistoffen, voedingsstoffen en afvalstoffen.
Transportfunctie
Bloedplasma heeft een belangrijke transportfunctie voor het lichaam. Hierdoor komen nuttige stoffen op de plekken terecht waar ze nodig zijn en worden afvalstoffen afgevoerd. Zo kan je lichaam functioneren en wordt het beschermd tegen ziekteverwekkers.
Homeostase
De uitwisseling van stoffen tussen bloedplasma en lichaamscellen noem je homeostase. Dit proces vindt plaats in de ruimte tussen de haarvaten en lichaamscellen: de intercellulaire ruimte. Bloedplasma brengt voedingsstoffen en, via de rode
Bloedplasma transporteert … van … naar …
voedingsstoffen maagdarmstelsel lichaamscellen
zuurstof (via de rode bloedcellen) longen lichaamscellen
koolstofdioxide lichaamscellen longen
afvalstoffen lichaamscellen nieren
plasmaeiwitten lever plekken waar bloed moet stollen
antistoffen lymfocyten ziekteverwekkers
hormonen hormoonklieren plekken waar ze nodig zijn warmte plekken waar warmte wordt geproduceerd koudere delen van het lichaam
bloedcellen, zuurstof naar de intercellulaire ruimte. Vervolgens nemen de lichaamscellen dit op. Die geven op hun beurt weer afvalstoffen af aan de intercellulaire ruimte, die het weer afgeeft aan het bloed.
Voor deze uitwisseling van stoffen zijn bijzondere manieren van transport nodig: filtratie, diffusie en osmose.
Bij filtratie gaan er stoffen vanuit de bloedbaan de intercellulaire ruimte in. De wanden van de haarvaten zijn semipermeabel (halfdoorlaatbaar) en werken als een filter. Hierdoor kan het bloedplasma met voedingsstoffen en de zuurstof buiten de haarvaten treden en blijft de rest van het bloed in het haarvat. Het bloedplasma komt dan in de intercellulaire ruimte terecht. Het heet dan weefselvocht.
Het bloedplasma stroomt niet zomaar de haarvaten uit. Hier is bloeddruk voor nodig. Die druk is het grootst in het slagaderlijk gedeelte. Door de druk van het bloed op de wand van het bloedvat wordt het plasma door de wand geduwd.
WIST JE DAT?
DANKZIJ HOMEOSTASE BLIJFT DE SAMENSTELLING VAN BLOEDPLASMA EN WEEFSELVOCHT CONSTANT.
Lichaamscel
Intercellulaire ruimte
Aderlijk haarvat
Slagaderlijk haarvat
Bij diffusie worden stoffen uitgewisseld tussen de intercellulaire ruimte en de lichaamscellen. Net als de wand van een haarvat is het celmembraan (het omhulsel van een cel) semipermeabel. Lichaamscellen kunnen daardoor voedingstoffen en zuurstof uit het weefselvocht opnemen en afvalstoffen aan het weefselvocht afgeven. Hierdoor wordt ook de celspanning in balans gehouden. De cel neemt water op of geeft het juist af, waardoor de cel zwelt of krimpt als dat nodig is.
Bij osmose gaan er stoffen vanuit de intercellulaire ruimte terug de bloedbaan in. Door filtratie raakt het bloed steeds meer water kwijt, terwijl de eiwitten in de bloedbaan blijven zitten. De concentratie eiwitten in het bloed neemt dus toe. Om de eiwitconcentratie in het bloed en de intercellulaire ruimte gelijk te krijgen, wordt het weefselvocht de bloedbaan weer ingezogen. Dit proces heet osmose.
De afvalstoffen die door diffusie in het weefselvocht terecht zijn gekomen, komen dankzij osmose in de bloedbaan. Ze kunnen nu afgevoerd worden.
1 Filtratie
Bloedplasma met voedingsstoffen en de zuurstof uit de rode bloedcellen treden het haarvat uit.
2 Diffusie
Lichaamscellen nemen voedingsstoffen en zuurstof op en geven afvalstoffen af aan het weefselvocht.
3 Osmose
Afvalstoffen worden met het weefselvocht de bloedbaan ingezogen.
TIP MEER LEZEN OVER DIFFUSIE? LEES IN HET HOOFDSTUK ‘ADEMHALING’ OVER DE WERKING VAN DE LONGEN.
Homeostase
5.2 Bloedsomloop
Om de transportfunctie van bloed te kunnen vervullen, pompt het hart het bloed rond door de slagaderen en de aderen. Het rondstromen van bloed noem je de bloedsomloop of bloedcirculatie.
Grofweg kun je de bloedsomloop in twee stukken verdelen: de grote en de kleine bloedsomloop. De grote bloedsomloop of lichaamscirculatie is de circulatie van bloed door het gehele lichaam. Hierbij worden de cellen, weefsels en organen van voedsel en zuurstof voorzien en afvalstoffen afgevoerd. De kleine bloedsomloop of longcirculatie is de circulatie van bloed naar de longen. De kleine bloedsomloop heeft als taak om de koolstofdioxide uit het lichaam in de longen af te geven en de zuurstof uit de longen op te nemen in het bloed.
De bloedsomloop van de mens wordt een dubbele bloedsomloop genoemd. In de reis door het gehele lichaam gaat het bloed namelijk twee keer door het hart. TIP
MEER WETEN OVER HET INADEMEN VAN ZUURSTOF?
LEES IN HET HOOFDSTUK ‘ADEMHALING’ OVER DE LONGEN.
LET OP! IN AFBEELDINGEN IS ZUURSTOFRIJK BLOED ROODGEKLEURD. ZUURSTOFARM BLOED WORDT BLAUW WEERGEGEVEN.
1 Naar het lichaam
Vanuit het hart start het bloed met de grote bloedsomloop. Zuurstofrijk bloed stroomt vanuit het hart via de aorta (lichaamsslagader) naar het lichaam.
2 In het lichaam
In het lichaam geeft het bloed zuurstof af aan de lichaamscellen. Zuurstof wordt in de cellen omgezet in koolstofdioxide. Dit wordt opgenomen door het bloed. Het bloed wordt dus zuurstofarm en koolstofdioxiderijk.
3 Terug naar het hart
Het zuurstofarme en koolstofdioxiderijke bloed stroomt weer terug naar het hart.
4 Naar de longen
Vanuit het hart start de kleine bloedsomloop: het bloed stroomt naar de longen.
5 In de longen
In de longen wordt de koolstofdioxide afgegeven, zodat de longen dit uit kunnen ademen. Bij het inademen komt er nieuw zuurstof binnen.
6 Terug naar het hart
Het bloed neemt het zuurstof uit de longen op en stroomt weer terug naar het hart. Het hart pompt het vervolgens weer de grote bloedsomloop in, naar het lichaam.
5.3
Bloedvaten -
stelsel
Bloed stroomt door het bloedvatenstelsel. De bloedsomloop begint in het hart. Vanuit het hart komt het bloed in de slagaderen terecht. Grote slagaderen noem je arteriën. De kleinste slagaderen heten arteriolen
Vanuit de slagaderen komt het bloed in de haarvaten (capillairen) terecht. De haarvaten vormen een netwerk van zeer fijne vaten die voedingsstoffen en afvalstoffen uitwisselen tussen het bloed en de cellen, weefsels en organen.
Slagaderen voeren het bloed van het hart af. Aderen voeren het bloed naar het hart toe.
Vanuit de haarvaten stroomt het bloed de aderen in: eerst in de kleinste aderen (venulen), die samenkomen en zo grote aderen (venen) vormen. Aderen voeren het bloed weer terug naar het hart.
Aders (venen)
Zuurstofarm bloed
Kleinste aders (venulen)
Hart Slagaders (arteriën)
Zuurstofrijk bloed
Kleinste slagaders (arteriolen)
Haarvaten (capillairen)
WIST JE DAT?
OM BLOED BIJ DE CELLEN VAN WEEFSELS EN ORGANEN TE KRIJGEN, IS HET HART AANGESLOTEN OP 100.000 KILOMETER BLOEDVATEN.
Hart
Het hart is een pomp die 5 tot 6 liter bloed per minuut rondpompt. Het is een holle spier die in de borstholte ligt, links achter het borstbeen. De onderzijde van het hart ligt op het middenrif.
Het hart wordt door een verticale wand, de harttussenwand, verdeeld in een linker en rechterhelft. De linkerhelft van het hart pompt het bloed richting weefsels en organen en de rechterhelft pompt het bloed naar de longen. Hartkleppen scheiden het hart in een bovenste en onderste helft. Zo ontstaan er vier ruimten. De bovenste ruimten zijn de boezems (linkeren rechterboezem), de onderste zijn de kamers (linker en rechterkamer).
Afbeeldingen van het hart
In afbeeldingen van het hart zijn links en rechts altijd omgedraaid: de linkerkamer staat bijvoorbeeld rechts op de afbeelding. Dit komt doordat links en rechts wordt benoemd vanuit de cliënt: de linkerkamer is voor de cliënt links en voor jou dus rechts.
Het hart is ongeveer zo groot als een gebalde vuist
Bovenste holle ader
De bovenste holle ader brengt zuurstofarm bloed naar het hart. Dit bloed is afkomstig van de hersenen en de armen.
Rechterboezem
In de rechterboezem stroomt zuurstofarm bloed uit het lichaam binnen. Zodra de rechterboezem gevuld is, trekt deze samen. Zo wordt het bloed door de rechterhartkleppen naar de rechterkamer gepompt. Dit pompen kost niet veel kracht en daarom is de wand van de rechterboezem dun.
Hartkleppen
Hartkleppen worden ook wel boezemkamerkleppen genoemd. Ze zorgen ervoor dat het bloed niet van de kamers terug naar de boezems stroomt.
Rechterkamer
De rechterkamer pompt het zuurstofarme bloed door de longslagader naar de longen. De rechterkamer heeft een dikke wand, omdat deze veel kracht moet zetten om het bloed naar de longen te duwen. De wand is echter dunner dan die van de linkerkamer. De route vanuit de rechterkamer naar de longen is namelijk korter (kleine bloedsomloop) dan die van de linkerkamer (grote bloedsomploop).
Hartwand
Onderste holle ader
De onderste holle ader brengt zuurstofarm bloed naar het hart. Dit bloed is afkomstig uit de buikholte en de onderste extremiteit.
Aorta
Via de aorta (lichaamsslagader) stroomt zuurstofrijk bloed naar organen, cellen en weefsels van het lichaam.
Longslagader
Via de longslagader stroomt zuurstofarm bloed vanuit de rechterkamer naar de longen. Daar wordt koolstofdioxide afgegeven en zuurstof in het bloed opgenomen.
Longader
De longader brengt zuurstofrijk bloed vanuit de longen naar de linkerboezem.
Linkerboezem
Zodra de linkerboezem gevuld is, trekt deze samen. Zo wordt het zuurstofrijke bloed door de linkerhartkleppen naar de linkerkamer gepompt. Dit pompen kost niet veel kracht en daarom is de wand van de linkerboezem dun.
Linkerkamer
De linkerkamer pompt het zuurstofrijke bloed via de aorta het hele lichaam rond. Hier is veel kracht voor nodig, daarom is de wand van de linkerkamer dik. De wand is dikker dan die van de rechterkamer. De route vanuit de linkerkamer door het gehele lichaam is namelijk langer (grote bloedsomloop) dan die van de rechterkamer (kleine bloedsomloop).
Slagaderkleppen
Slagaderkleppen worden vanwege hun vorm ook wel halvemaanvormige kleppen genoemd. Ze zorgen ervoor dat het bloed niet van de slagaders terug in de kamers stroomt.
Hartslag en hartkleppen
De hartslag bestaat uit drie fasen die zich telkens herhalen:
de boezemsystole: de samentrekking van de boezems;
de kamersystole: de samentrekking van de kamers;
de diastole: de pauze waarin het hart ontspant en de boezems zich weer vullen met bloed.
De fase waarin de boezems en kamers van het hart samentrekken, noem je systole. De pauze daarna noem je diastole.
Tijdens de boezemsystole wordt het bloed dat in de boezems zit de kamers in geduwd. Dankzij de hartkleppen kan het niet meer terug de boezems in stromen. Deze kleppen hebben geen spierweefsel, maar worden door het bloed opengeduwd tijdens de boezemsystole en dichtgedrukt tijdens de kamersystole. De boezemkamerkleppen zijn dus in werking als de boezems en kamers samentrekken.
Door de kamersystole wordt de kamer kleiner. Hierdoor neemt de druk van het bloed in de kamer toe, waardoor de halvemaanvormige kleppen worden opengeduwd. Het bloed stroomt de longslagader of de aorta in.
Tijdens de diastole ontspant het hart zich. De halvemaanvormige kleppen gaan dicht om te voorkomen dat bloed terug het hart in stroomt. De halvemaanvormige kleppen zijn dus in werking als het hart ontspannen is.
Door de ontspanning van het hart wordt het bloed uit de longader en de onderste en bovenste holle ader in de boezems gezogen. Zodra de boezems gevuld zijn met bloed, trekken de boezems zich weer samen. Het gehele proces begint nu weer opnieuw.
TIP
HEB JE MOEITE OM TE ONTHOUDEN WAT DE BOEZEMS ZIJN EN WAT DE KAMERS? KIJK EENS NAAR DEZE BEGINLETTERS: BOEZEMS – BOVEN KAMERS – KELDER
Diastole en boezemsystole
Kamersystole
Bloeddruk
Doordat het hart het bloed rondpompt, komt er druk op de bloedvaten te staan. Dit noem je de bloeddruk (ook wel tensie). Er worden twee waardes gemeten: de bovendruk en de onderdruk. De bovendruk wordt gemeten als je hart samentrekt. De bloeddruk is dan het hoogst. De onderdruk wordt gemeten als het hart zich ontspant. De bloeddruk is dan op het laagste punt.
Een normale bloeddruk is 120/80 wanneer je in rust bent. Dit betekent dat de gemiddelde bovendruk 120 is en de onderdruk 80. Als de gemiddelde bovendruk 140 is of hoger, dan spreek je van een hoge bloeddruk (hypertensie). Dit geeft een groter risico op hart en vaatziekten. Je bloeddruk kan ook te laag zijn (hypotensie). Vrouwen hebben een lage bloeddruk bij waardes onder de 100/60 en mannen onder de 110/70.
Hartwand
De buitenkant van het hart noem je de hartwand.
De hartwand is opgebouwd uit:
De buitenste laag (epicardium), een dunne laag bindweefsel met veel elastische vezels. Dankzij de elastische vezels kan deze buitenste laag de samentrekkende bewegingen van het hart goed volgen.
De middelste laag (myocardium), de dikste laag, bestaat uit dwarsgestreept onwillekeurig spierweefsel ( hartspierweefsel). Dit spierweefsel komt alleen in het hart voor. De structuur hiervan lijkt erg op die van dwarsgestreepte spieren (om krachtig te kunnen samentrekken), maar het weefsel functioneert onwillekeurig, want de hartslag gaat buiten je wil om.
De binnenste laag (endocardium) bestaat uit eenlagig epitheelweefsel (endotheel) en een laag elastisch bindweefsel.
Om de buitenste laag zit een bindweefselvlies: het hartzakje (pericard). Tussen het hartzakje en de buitenste laag van het hart zit een laagje vocht. Dankzij dit vocht blijven de wanden glad en kunnen ze soepel over elkaar schuiven bij het samentrekken van de hartspier.
TIP
MEER WETEN OVER BIND EN SPIERWEEFSEL?
GA NAAR HET HOOFDSTUK ‘CELLEN EN WEEFSELS’.
Kransslagaderen en kransaderen
Als een krans rondom het hart lopen de kransslagaderen en de kransaderen. De kransslagaderen voorzien het hart van zuurstofrijk bloed. Ze komen vanuit de aorta en vertakken zich in steeds kleinere slagaderen. Ze komen uiteindelijk uit in de haarvaten van de hartspier, waar ze zuurstof en afvalstoffen uitwisselen.
De kransaderen voeren het zuurstofarme bloed uit de hartspier weg. Ze monden uit in de rechterboezem. Vanaf de rechterkamer pompt het hart het zuurstofarme bloed naar de longen.
Soorten bloedvaten
Vanuit het hart komt het bloed in de slagaderen terecht. Daarna stroomt het via een netwerk van haarvaten de aderen in, die het bloed weer terugvoeren naar het hart.
Longslagader en -ader
Over het algemeen geldt dat slagaderen zuurstofrijk bloed vervoeren en aderen zuurstofarm bloed. Maar de bloedvaten in de kleine bloedsomloop zijn een uitzondering op deze regel. De longslagader met vertakkingen vervoert namelijk zuurstofarm bloed van het hart naar de longen.
De longader met vertakkingen brengt zuurstofrijk bloed van de longen naar het hart.
TIP
WIL JE MEER WETEN
OVER DE UITWISSELING VAN STOFFEN TUSSEN BLOED EN WEEFSELVOCHT?
LEES DAN DE PARAGRAAF ‘LYMFEVATEN STELSEL’.
Slagaderen
Slagaderen (arteriën) voeren bloed van het hart af. De longslagader en aorta zijn hier voorbeelden van. De aorta kun je duidelijk in je hals voelen kloppen.
De slagaderwand is opgebouwd uit drie lagen:
De binnenste laag bestaat uit eenlagig plaveisel epitheel, ook wel endotheel genoemd. Dit epitheeltype laat een vloeistof of gas door. Zo kan er bijvoorbeeld zuurstof en koolstofdioxide uitgewisseld worden. De binnenste laag van heel grote vaten bestaat naast epitheel ook uit bindweefsel.
De middelste laag is opgebouwd uit bindweefsel met elastische vezels en uit glad spierweefsel. Doordat de spiervezels samentrekken, stuwt het bloed voort. De elastische vezels zorgen voor rekbaarheid van de vaatwand.
De buitenste laag is opgebouwd uit bindweefsel dat de vaatwand stevigheid geeft. Een slagader moet bestand zijn tegen de bloeddruk en mag niet scheuren.
In de wanden van de kleinste slagaderen, de arteriolen, zit veel glad spierweefsel. Dit spierweefsel kan de wanden van de arteriolen verwijden en vernauwen. Zo regelen de arteriolen de doorbloeding van de weefsels.
Slagader
Haarvaten in organen en weefsels
Ader
Arteriolen verwijden zich om warmte af te geven of spieren van zuurstof te voorzien.
Haarvaten
Haarvaten (capillairen) zijn verbindingssystemen tussen de kleinste slagaderen (arteriolen) en de kleinste aderen (venulen). Het bloed stroomt in de haarvaten heel langzaam en de wanden van de haarvaten zijn heel dun. Hierdoor kan er een optimale uitwisseling van stoffen plaatsvinden tussen bloed en weefselvocht.
Er zijn zowel slagaderlijke als aderlijke haarvaten. Slagaderlijke haarvaten geven voedingsstoffen, vocht en zuurstof af aan delen van het lichaam. Ze gaan over in aderlijke haarvaten. Aderlijke haarvaten voeren de afvalstoffen af die na verbranding in de weefsels ontstaan, zoals koolstofdioxide. Deze gaan over in kleine aderen.
Aderen
Aderen (venen) voeren bloed naar het hart toe. De kleinste aderen worden venulen genoemd. Ze zijn ruim 80 keer zo dun als een menselijke haar. De venulen verzamelen zuurstofarm bloed om dit terug te voeren naar de aderen.
De wanden van aderen lijken op die van slagaderen: ze zijn vanbinnen bekleed met endotheel en aan de buitenkant met bindweefsel. De aderwand is echter dunner en bevat nauwelijks spierweefsel, omdat er in de aderen geen persing optreedt, zoals in de slagaderen, maar een zuiging.
De grote aderen van ledematen zijn aan de binnenkant voorzien van klepvliezen. Dit zijn plooien die de aderen in één richting afsluiten. Ze zorgen ervoor dat het bloed alleen in de richting van het hart kan stromen. De onderste en bovenste holle ader en de longader bevatten geen klepvliezen, omdat de aanzuigende werking van het hart het bloed terugvoert naar de boezems.
Spataderen
Spataderen (varices) zijn verwijde aderen. Door deze verwijding sluiten de kleppen niet goed meer. Het bloed kan hierdoor minder goed terugstromen naar het hart dan bij gezonde aderen. Ze schijnen blauwpaars door op de huid en komen vooral op de benen voor: in de oppervlakkig gelegen beenaderen kunnen spataderen ontstaan.
WIST JE DAT?
HAARVATEN ZIJN NOG DUNNER DAN EEN HAAR.
TIP
IN HET HOOFDSTUK ‘HUIDAFWIJKINGEN’ LEER JE MEER OVER SPATADEREN.
IN HET HOOFDSTUK ‘CELLEN EN WEEFSELS’ LEER JE ALLES OVER EPITHEEL , BIND EN SPIERWEEFSEL.
Spatader
Bloed vaten in de romp
Linker sleutelbeenader
Rechter sleutelbeenader
Linker ongenaamde ader
Rechter ongenaamde ader
Longader
Bovenste holle ader
Onderste holle ader
Leverader
Poortader Nierader
Rechter gemeenschappelijke darmbeenader
Inwendige darmbeenader
Uitwendige darmbeenader
Rechter gemeenschappelijke halsslagader
Linker gemeenschappelijke halsslagader
Rechter sleutelbeenslagader
Linker sleutelbeenslagader
Ongenaamde slagader
Longslagader
Aorta
Borstslagader
Buikslagader Nierslagader
Rechter gemeenschappelijke darmbeenslagader
Inwendige darmbeenslagader
Uitwendige darmbeenslagader
Slagaderen
Rechter gemeenschappelijke halsslagader
is het vervolg van de ongenaamde slagader
voorziet de rechterhelft van de hals en het hoofd van bloed
splitst zich ter hoogte van het strottenhoofd op tot de in en uitwendige halsslagader
Linker gemeenschappelijke halsslagader
komt vanuit de aortaboog
voorziet de linkerhelft van de hals en het hoofd van bloed
Linker sleutelbeenslagader ontspringt uit de aortaboog
Rechter sleutelbeenslagader
ontspringt uit de ongenaamde slagader
gaat over in de okselslagader
Ongenaamde slagader
loopt vanuit de aortaboog naar rechts
de rechter sleutelbeenslagader ontspringt hier uit
Longslagader
komt vanuit de rechterkamer van het hart
transporteert zuurstofarm bloed naar de longen
Aorta ( lichaamsslagader)
komt vanuit de linkerkamer van het hart
de kransslagaderen ontspringen hieruit
gaat over in de aortaboog , waar slagaderen naar hals, hoofd en armen en de linkersleutelbeenslagader uit ontspringen
Borstslagader
is het vervolg van de aortaboog
doorboort het middenrif
Buikslagader
is het vervolg van de borstslagader
heeft veel vertakkingen richting de organen in de buikholte
Nierslagaderen
zijn vertakkingen van de buikslagader
voorzien de nieren en de bijnieren van bloed
Linker en rechter gemeenschappelijke darmbeenslagader
zijn vertakkingen van de buikslagader
splitsen zich beide op in een inwendige en een uitwendige darmbeenslagader, die de buikorganen van bloed voorzien
Aderen
Linker en rechter sleutelbeenader
zijn het vervolg van de okselader en de uitwendige halsader
Linker en rechter ongenaamde ader
zijn het vervolg van de sleutelbeenader
komen uit in de bovenste holle ader
Longader
komt vanuit de longen
transporteert zuurstofrijk bloed naar de linkerboezem van het hart
Bovenste holle ader
start waar de linker en rechter ongenaamde aderen bij elkaar komen
transporteert het bloed dat afkomstig is uit het hoofd en de armen
komt uit in de rechterboezem van het hart
Onderste holle ader
start waar de linker en rechter darmbeenaderen samenkomen
doorboort het middenrif
komt uit in de rechterboezem van het hart
Leverader mondt uit in de onderste holle ader
Poortader
transporteert het bloed dat afkomstig is van de maag, milt, darmen en alvleesklier naar de lever
Nierader mondt uit in de onderste holle ader
LET OP! IN AFBEELDINGEN IS ZUURSTOFRIJK BLOED ROODGEKLEURD. ZUURSTOFARM BLOED IS IN BLAUW WEERGEGEVEN.
Bloedvaten in de onderste ledematen
Slagaderen
Dijbeenslagader
is het vervolg van de darmbeenslagader
ligt aan de voorzijde van het dijbeen
splitst op in een oppervlakkige en een dieper gelegen dijbeenslagader
Kniekuilslagader
is het vervolg van de dijbeenslagader
splitst zich bij de knieholte in twee grote takken: de voorste scheenbeenslagader en de achterste scheenbeenslagader
Kuitbeenslagader
is een aftakking van de achterste scheenbeenslagader
loopt van de binnenenkel naar de voetzool
Voetslagaderen
De voet heeft twee belangrijke slagaderen:
De voetrugslagader is het vervolg van de voorste scheenbeenslagader, loopt boven op de voet en vertakt zich in de teenslag aderen
De voetzoolslagader is het vervolg van de achterste scheenbeenslagader en loopt vanaf het hielbeen naar de onderkant van de voet.
Aderen
Grote huidader der dij
voert bloed vanuit de tenen af
is een oppervlakkige beenader, ligt dicht onder de huid
loopt langs de binnenzijde van het onderbeen
wordt ook wel rozenkransader genoemd
Kleine huidader der dij
loopt van de voetrand naar de kniekuilader
is een oppervlakkige beenader, ligt dicht onder de huid
Dijbeenader
komt voort uit de rozenkransader en de kniekuilader
passeert de band van Poupart
Kniekuilader
is het vervolg van de oppervlakkige beenader, de achterste scheenbeenader, de voorste scheenbeenader en de kuitbeenader
is dieper gelegen
Voorste en achterste scheenbeenader zijn dieper gelegen
Kuitbeenader is dieper gelegen
Voetaderen
De voet heeft twee belangrijke aderen:
De voetrugader ligt op de bovenkant van de voet en komt uit in de voorste scheenbeenader.
De voetzoolader zit aan de onderkant van de voet en komt uit in de achterste scheenbeenader.
Inwendige darmbeenader
(zie ‘Bloedvaten in de romp’)
Grote huidader der dij
Inwendige darmbeenslagader (zie ‘Bloedvaten in de romp’)
Dijbeenslagader
Dijbeenader
Kniekuilader
Kleine huidader der dij
Voorste scheenbeenader
Kuitbeenader
Achterste scheenbeenader
Kniekuilslagader
Voorste scheenbeenslagader
Achterste scheenbeenslagader
Kuitbeenslagader
Voetslagaderen en -aderen
Bloedvaten in hoofd en hals
Oppervlakkige slaapader
Voorste gelaatsader
Achterste gelaatsader
Achterhoofdader
Gemeenschappelijke gelaatsader
Inwendige halsader
Uitwendige halsader
Voorhoofdsslagader
Slaapslagader
Achterhoofdslagader
Gelaatsslagader
Inwendige halsslagader
Uitwendige halsslagader
Slagaderen
Voorhoofdsslagader
is het vervolg van de gelaatsslagader
voorziet het voorhoofd van bloed
Slaapslagader
is een vertakking van de uitwendige halsslagader
voorziet het bovenste deel van het hoofd van bloed
Achterhoofdslagader
is een vertakking van de uitwendige halsslagader
voorziet het achterhoofd van bloed
Gelaatsslagader
is een vertakking van de uitwendige halsslagader
loopt tot de binnenste ooghoeken
voorziet de wangen van bloed
Inwendige halsslagader
is het vervolg van de linker en rechter gemeenschappelijke halsslagader
voorziet de hersenen van bloed
Uitwendige halsslagader
is het vervolg van de linker en rechter gemeenschappelijke halsslagader
voorziet hals, nek en hoofd van bloed
Aderen
Oppervlakkige slaapader
voert bloed af vanaf de huid aan de bovenen zijkant van het hoofd en de achterzijde van de wangen
zet zich voort in de achterste gelaatsader
Achterhoofdader
komt samen met de achterste gelaatsader
Voorste gelaatsader
voert bloed af van het huidgebied van de linker en de rechterkant van het hoofd
Achterste gelaatsader
is het vervolg van de oppervlakkige slaapader
splitst zich in twee takken
Gemeenschappelijke gelaatsader
is het vervolg van de voorste en achterste gelaatsader
mondt uit in de inwendige halsader
Inwendige halsader
voert bloed af van het hoofd en de hals
Uitwendige halsader
start waar de achterhoofdader en de achterste gelaatsader samenkomen
voert bloed af van het hoofd en de hals
Bloedvaten in de bovenste ledematen
Slagaderen
Okselslagader
is het vervolg van de sleutelbeenslagader
gaat over in de armslagader
Armslagader
is het vervolg van de okselslagader
loopt tot de elleboogkuil
vertakt zich daarna in de ellepijpslagader en de spaakbeenslagader
Ellepijpslagader
is het vervolg van de armslagader
ligt aan de pinkzijde
gaat over in kleine slagaderen die de handen en de vingers van bloed voorzien
Spaakbeenslagader
is het vervolg van de armslagader
ligt aan de duimzijde
gaat over in kleine slagaderen die de handen en de vingers van bloed voorzien
Handrugslagaders
komen voort uit de spaakbeenslagader
liggen tegen de handrug aan
voorzien de achterkant van de middelste vingers van bloed
Handpalmslagaders
komen voort uit een diepe en oppervlakkige palmaire vaatboog
Aderen
Okselader
zet zich voort als de sleutelbeenader
de hoofdader mondt hierop uit
is een dieper gelegen armader
voert bloed uit de arm af
Armader
is het vervolg van de koningsader, de spaak beenader en de ellepijpader
is een dieper gelegen ader in de bovenarm
Hoofdader
ligt aan de duimzijde van de onderarm
voert bloed vanuit kleine adertjes in de hand af
Spaakbeenader
komt halverwege de arm samen met de ellepijpader
Koningsader
ligt aan de pinkzijde van de arm
voert bloed vanuit kleine adertjes in de hand af
Ellepijpader
komt halverwege de arm samen met de spaakbeenader
Handrugaders
zetten zich voort als de spaakbeenader
liggen tegen de handrug aan
voeren bloed vanuit de vingers af
Handpalmaders
monden uit in diepe en oppervlakkig gelegen aders
voeren bloed vanuit de vingers af
Linker sleutelbeenader
Rechter sleutelbeenader
Okselader Armader
Hoofdader
Spaakbeenader
Koningsader
Ellepijpader
Handrug- en handpalmaders
Rechter sleutelbeenslagader
Linker sleutelbeenslagader
Okselslagader
Armslagader
Ellepijpslagader
Spaakbeenslagader
Palmaire vaatboog
Handrug- en handpalmslagaders
Bijzondere vaatsystemen
Het normale patroon in je lichaam is dat slagaderen overgaan in haarvaten en haarvaten in aderen. Er komen in je lichaam echter ook afwijkende vaatsystemen voor, zoals anastomosen.
Anastomosen
Anastomosen zijn verbindingen tussen bloedvaten, bijvoorbeeld tussen slagaderlijke en aderlijke haarvaten. Ze komen voor in de huid, gewrichten, darmen en spieren.
Collaterale bloedvaten zijn zijtakken van de grotere bloedvaten die in dezelfde richting lopen als het hoofdbloedvat. Ze laten meestal weinig bloed door, maar kunnen de bloedtoevoer van het hoofdvat wel overnemen als deze afsluit, bijvoorbeeld door een bloedstolsel. De collaterale bloedvaten lopen in de handen en voeten en zijn hier vaak ook zichtbaar.
Arterioveneuze anastomosen (AVA) zijn rechtstreekse verbindingen tussen slagaderen en aderen, naast de haarvaten. Het bloed kan van deze verbindingstak gebruikmaken als een orgaan onvoldoende functioneert. Zodra de orgaanfunctie hersteld is, krijgt het bloed zijn normale verloop weer. Arterioveneuze anastomosen komen ook in de handen voor. Hier hebben ze een rol in de warmteregulatie.
bloedvat Ader (vene)
Anastomosen kunnen zich op twee manieren voordoen: als collaterale bloedvaten en als arterioveneuze verbindingen.
Anastomosen
Collateraal bloedvat
Collateraal
Arterioveneuze anastomose
5.4 Lymfevaten -
stelsel
Parallel aan de bloedbaan loopt nog een ander stelsel: het lymfevatenstelsel. Dit stelsel speelt een rol bij de homeostase en het afweersysteem.
Lymfe
Het bloedplasma dat buiten de bloedvaten getreden is (weefselvocht), wordt grotendeels terug in het bloed gezogen door osmose. Een deel van het weefselvocht blijft echter achter in de intercellulaire ruimte. Daar moet het uiteindelijk ook weg. Hier zorgt het lymfevatenstelsel voor: het weefselvocht dat achterblijft, verzamelt zich in kleine buisjes (kleine lymfevaten). Het wordt dan geen weefselvocht meer genoemd, maar lymfevocht of lymfe.
Lymfe is een witte, stroperige vloeistof. Dit is het vocht waarmee blaren bijvoorbeeld gevuld zijn. Het bevat water, eiwitten en afvalstoffen. Daarnaast bevat lymfe witte bloedcellen.
De samenstelling van lymfe komt grotendeels overeen met de samenstelling van bloedplasma. Toch zijn er wat verschillen. In bloedplasma zweven rode bloedcellen en bloedplaatjes rond. Lymfe heeft dat niet, waardoor het niet rood, maar
wittig van kleur is en minder snel stolt dan bloed. Een ander verschil is dat er in lymfe meer lymfocyten rondzweven dan in bloedplasma.
Lymfe stroomt via lymfevaten door lymfeknopen Dit zijn een soort zuiveringsstations die afvalstoffen uit het lymfe filteren. Als de lymfe door minstens één lymfeknoop is gegaan, komt het weer in de bloedbaan terecht als bloedplasma.
Weefselcellen
Weefselvocht
Haarvaten
Lymfehaarvaten
Slagader
Ader
Ontstoken lymfeknopen en lymfevaten
Lymfeknopen en lymfevaten kunnen ontstoken raken als er een infectie in het lichaam optreedt. Dit is vaak zichtbaar als een rode streep op de huid (lymfevatontsteking) of een verdikking (lymfeknoopontsteking).
Bloed en lymfevaten
Bouw van het lymfevatenstelsel
Het lymfevatenstelsel is een stelsel van lymfoïde weefsels, lymfevaten en lymfe. Het is een wijd vertakt stelsel dat door het gehele lichaam loopt, naast de bloedsomloop.
Lymfoïde weefsel is een opeenhoping van los bindweefsel en cellen die helpen het afweersysteem van het lichaam in stand te houden. Dit weefsel maakt namelijk lymfocyten aan, een type witte bloedcellen. Lymfocyten komen in bloed voor, maar vooral in lymfe. Ze zijn belangrijk bij de afweer, omdat ze antistoffen aanmaken.
Alle lymfoïde weefsels worden met elkaar verbonden door een netwerk van lymfevaten. Het lymfevatenstelsel begint in het bindweefsel van organen in de vorm van smalle weefselspleten Het heeft dus geen duidelijk beginpunt, maar begint ‘overal’ in het lichaam. De weefselspleten worden ook wel lymfehaarvaten of lymfecapillairen genoemd. Het zijn de kleinste lymfevaten en komen in alle weefsels van het lichaam voor. Ze monden uit in grotere lymfevaten, die lymfe door het lichaam vervoeren.
Amandelen
Lymfeknopen
Rechterlymfebuis
Zwezerik
Milt
Chylvaten
Lymfeknopen
WEEFSEL.
Het lymfevatenstelsel
Amandelen
De lymfeknopen in de amandelen (keel en neusamandelen) bestrijden infecties. Als er te veel ziekteverwekkers het lichaam binnendringen, kunnen de amandelen zelf ook ontstoken raken. Op ongeveer 8jarige leeftijd krimpen de neusamandelen. Uiteindelijk verdwijnen ze.
Lymfeknopen
Lymfe stroomt door een of meerdere lymfeknopen.
Deze lymfeknopen zitten op plaatsen waar verschillende lymfevaten overgaan in een groter vat. In de lymfeknopen worden ziekteverwekkers en afvalstoffen vernietigd door fagocytose.
Hierdoor komen de ziektekiemen niet in het bloed terecht.
In en om de lymfeknopen zit bindweefsel dat lymfoïde weefsel bevat. Als er ziekteverwekkers in het lichaam aanwezig zijn, gaan de lymfeknopen hard aan het werk. Lymfocyten vermenigvuldigen zich snel, waardoor de lymfeknopen kunnen opzetten. Dit kun je zien in de oksels, omdat de lymfeklieren daar dicht onder de huid liggen.
Milt
De milt zuivert de lymfe en bloed van schadelijke bacteriën en andere ziekteverwekkers en maakt nieuwe lymfecellen aan. Daarnaast heeft de milt een aantal andere functies. Het breekt oude of abnormale rode bloedcellen af en zorgt voor de splitsing van ijzer uit hemoglobine. Ook doet de milt dienst als bloedreservoir bij lichamelijke inspanning. Dit voel je als je pijn in je zij krijgt tijdens het sporten. Bij embryo’s vormt de milt nieuwe rode bloedcellen.
Een mens kan zonder milt leven. Andere organen nemen de functie van de milt dan over. Wel is het lichaam dan vatbaarder voor sommige ziekten.
WIST JE DAT?
VROEGER DACHT
MEN DAT LYMFEKNOPEN
KLIEREN WAREN. ZE
WORDEN DAAROM OOK
WEL LYMFEKLIEREN
GENOEMD. INMIDDELS
WETEN WE DAT
HET ORGANEN ZIJN.
Zwezerik
De zwezerik wordt ook wel borstklier of thymus genoemd. De zwezerik heeft een functie bij de afweer. Een speciaal soort witte bloedcellen (Tlymfocyten) rijpt er. Ook maakt de thymus geheugencellen van het afweersysteem aan.
De zwezerik is vooral actief bij kinderen, omdat er dan de meeste Tlymfocyten geproduceerd moeten worden. Daarna verandert de zwezerik in vetweefsel en verschrompelt het gedeeltelijk.
Als je pijn in je zij hebt tijdens het sporten, voel je waarschijnlijk je milt.
Voortbewegen van lymfe
Lymfevaten lijken veel op aderen. Ze hebben kleppen die voorkomen dat het lymfevocht terugstroomt. Lymfe stroomt daardoor maar één richting op: naar het hart.
De lymfecirculatie heeft geen pompsysteem. De lymfe wordt in beweging gehouden door:
het samentrekken van de spieren
de bewegingen van het middenrif
de bloedstroom
de aanzuigende werking van de longen tijdens de ademhaling
de druk in de weefsels
de eigen stuwkracht
het kleppensysteem
Test je kennis over het bloed- en lymfevatenstelsel met de online boekcheck. Snelcode 27145
Nog even oefenen met het onderscheid tussen bloed en lymfe? Doe dan de online trainer. Snelcode 26148
De lymfecirculatie is dus anders dan de bloedcirculatie:
Bloedvatenstelsel Lymfestelsel
bloed stroomt snel lymfe stroomt langzaam
heeft een pomp (hart) heeft geen pomp is een gesloten systeem is een open systeem
staat vocht af aan weefsels brengt vocht terug in de bloedbaan
TIP
OPGEZWOLLEN LYMFEKNOPEN ZIJN EEN CONTRAINDICATIE VOOR BIJVOORBEELD EEN MASSAGE.
Manuele lymfedrainage
Wanneer een cliënt last heeft van opgehoopt vocht of opgehoopte afvalstoffen, bijvoorbeeld bij vochtwallen of acne, moet het lymfevatenstelsel het vocht en de afvalstoffen afvoeren.
Een manuele lymfedrainage stimuleert deze afvoer. Je voert meerdere keren lichte druk uit in de richting van de lymfeknopen. Vanuit het probleemgebied werk je zo richting gezond lymfegebied.
6.Hormoonstelsel
Hormonen zijn stoffen die in kleine hoeveelheden een grote invloed hebben op je lichaam. Ze zorgen ervoor dat je organen goed met elkaar samenwerken. Daardoor kan je lichaam als geheel goed functioneren. Ook hebben ze invloed op hoe je je voelt. Weet jij al waar hormonen gevormd worden en wat de verschillen zijn tussen mannen en vrouwen?
6.1
Hormonen en hormoonklieren
Hormonen zijn afscheidingsproducten van hormoonklieren. Ze behoren daarom tot de increten. Dit zijn voor het lichaam nuttige stoffen die door klieren worden afgescheiden.
Hormonen kunnen organen of weefsels activeren of juist afremmen. Het orgaan of weefsel moet dan wel specifieke ontvangers (receptoren) voor het hormoon hebben. Een receptor is een soort sleutelgat van een cel. Als de sleutel (het hormoon) hierop past, worden bepaalde processen gestart of gestopt.
Direct en indirect werkende hormonen
Hormonen kunnen een directe werking hebben op het lichaam, maar ook een indirecte werking. Indirecte hormonen zetten andere klieren aan
tot het produceren van hormonen. Indirect werkende hormonen noem je ook wel glandotrope hormonen
Een voorbeeld van een direct werkend hormoon is het pigmenthormoon, dat zorgt voor pigmentatie (verkleuring) van de huid. Een voorbeeld van een indirect werkend hormoon is het luteïniserend hormoon (LH). Dit stimuleert de eierstokken om progesteron en oestrogeen aan te maken, de hormonen die de menstruatiecyclus van een vrouw regelen.
Hormoonklieren
Ons lichaam kent drie soorten klieren, waarvan er twee hormonen produceren:
Exocriene klieren produceren geen hormonen, maar alleen andere stoffen. Deze worden door een afvoerbuis naar andere plekken in het lichaam gebracht. Een voorbeeld is de speekselklier.
Endocriene klieren produceren alleen hormonen die rechtstreeks worden afgegeven aan het bloed. Endocriene klieren hebben geen afvoerbuis.
Endo-exocriene klieren produceren naast hormonen ook andere stoffen. De hormonen worden rechtstreeks afgegeven aan het bloed. De andere stoffen worden afgevoerd naar andere delen van het lichaam via een afvoerbuis. Voorbeelden van deze stoffen zijn eicellen of zaadcellen (door geslachtsklieren) of alvleessap (door alvleesklier).
Tijdens de zwangerschap kan de hormoonhuishouding pigmentvlekken in het gezicht veroorzaken. Dit noem je een zwangerschapsmasker of melasma.
In dit hoofdstuk worden alleen de hormoonklieren behandeld: de endocriene en endoexocriene klieren. De belangrijkste endocriene klieren zijn de hypofyse, de schildklier en de bijnieren. De belangrijkste endoexocriene klieren zijn de alvleesklier en de geslachtsklieren. In de volgende paragrafen worden deze hormoonklieren toegelicht.
Bloedvat
Afgifte hormonen
Kliercellen
Histamine veroorzaakt een vlekkerige roodheid aan het huidoppervlak, terwijl acetylcholine voor een egale roodheid zorgt.
Weefselhormonen
De meeste hormonen worden in endocriene of endoexocriene klieren gevormd. Weefselhormonen worden echter door weefsels aangemaakt. Ze ontstaan door een prikkeling van zenuwen in de huid. Voorbeelden zijn histamine en acetylcholine. Histamine en acetylcholine verwijden de bloedvaten. Histamine veroorzaakt een vlekkerige roodheid aan het huidoppervlak, terwijl acetylcholine voor een egale roodheid zorgt.
Bloedvat
Afgifte hormonen
Afgifte andere stoffen
Afvoerbuis
Endocriene klier
Endo exocriene klier
6.2
Hypofyse
Een belangrijke hormoonklier is de hypofyse, een aanhangsel in je hersenen dat zo groot is als een erwt. In de hypofyse worden hormonen aangemaakt.
De hypofyse ligt in een uitholling van het wiggebeen: het Turkse zadel. De hypofyse bestaat uit:
een voorkwab, die is opgebouwd uit klier weefsel (de adenohypofyse);
een middenkwab, die weinig ontwikkeld is;
een achterkwab, die is opgebouwd uit zenuwweefsel (de neurohypofyse).
De voorkwab is het belangrijkste deel van de hypofyse, omdat hier veel hormonen aangemaakt worden. Sommige hiervan werken direct, andere werken indirect.
De hypofyse in de hersenen
Hypofyse
Dwerggroei door een tekort aan het groeihormoon
Een voorbeeld van een direct werkend hormoon dat aangemaakt wordt door de voorkwab, is het groeihormoon. Dit hormoon stimuleert de lengtegroei in pijpbeenderen en de ontwikkeling van spierweefsel. Als een lichaam te weinig groeihormoon produceert, ontstaat er dwerggroei. Bij een teveel aan groeihormoon ontstaat er reuzengroei. Een ander voorbeeld is het pigmenthormoon. Deze zorgt voor de pigmentatie (verkleuring) van de huid.
In de achterkwab worden twee direct werkende hormonen aangemaakt: oxytocine en het antidiuretisch hormoon (ADH). Oxytocine, een geslachtshormoon, wekt de weeën op bij een bevalling en zorgt dat de melkklieren melk gaan produceren. ADH zorgt ervoor dat de nieren water vasthouden, zodat je niet te veel water uitplast.
Alcohol en ADH
Alcohol zorgt ervoor dat er minder ADH geproduceerd wordt. De nieren houden daardoor minder water vast waardoor je vaker moet plassen. Hierdoor ontstaat een vochttekort, waardoor je dorst krijgt en de volgende dag een kater hebt.
Dit deel van de hypofyse …
maakt dit hormoon aan: Dit hormoon stimuleert … tot het aanmaken van:
voorkwab thyroïd stimulerend hormoon (TSH) de schildklier schildklierhormoon (thyroxine, T4)
voorkwab adrenocorticotrope hormoon (ACTH) de bijnierschors corticoïden
voorkwab follikelstimulerend hormoon (FSH) de eierstokken progesteron en oestrogeen
voorkwab follikelstimulerend hormoon (FSH) de testikels testosteron
voorkwab luteïniserend hormoon (LH) de eierstokken progesteron en oestrogeen
voorkwab groeihormoon lengtegroei en spierontwikkeling
voorkwab pigmenthormoon huidverkleuring
achterkwab antidiuretisch hormoon (ADH) vasthouden van water in de nieren
achterkwab oxytocine samentrekkingen van de baarmoeder en melkproductie
6.3 Schildklier
De schildklier is een vlindervormige hormoonklier die zich net boven het kuiltje in je hals bevindt: onder je strottenhoofd en om je luchtpijp heen. De schildklier maakt onder andere het hormoon thyroxine ( T4) aan. T4 heeft invloed op:
stofwisseling in de cellen
geestelijke ontwikkeling
beenvorming
groei
Voor de aanmaak van T4 werkt de schildklier samen met de hypothalamus en de hypofyse.
Hypothalamus
De hypothalamus is een regelcentrum in je hersenen. Dit centrum regelt dat je honger, dorst, slaap en zin in seks krijgt. Ook reguleert het je emoties.
Hypothalamus
De hypothalamus maakt het thyreotrope hormoon (TRH) aan. TRH stimuleert de hypofyse om het thyroïd stimulerend hormoon (TSH) aan te maken.
Hypofyse
Door de toename van TRH, gaat de hypofyse het thyroïd stimulerend hormoon (TSH) aanmaken. Dit hormoon zet de schildklier aan om thyroxine (T4) aan te maken.
Schildklier
TSH stimuleert de schildklier om onder andere thyroxine (T4) aan te maken.
T4 wordt afgegeven aan weefsels, cellen en de bloedbaan.
De wisselwerking tussen schildklier, hypothalamus en hypofyse
Te snel of te traag werkende schildklier
Soms is het evenwicht tussen TRH, TSH en T4 verstoord. Bij een te snel werkende schildklier (hyperfunctie) spreek je van hyperthyreoïdie
De schildklier maakt dan te veel T4 aan, waardoor onder andere de stofwisseling wordt versneld. Andersom wordt de stofwisseling vertraagd door een tekort aan T4. Dit gebeurt bij een te traag werkende schildklier (hypofunctie). Dit noem je hypothyreoïdie. Een verstoorde schildklier kan veel klachten geven.
Pal naast de schildklier liggen vier bijschildkliertjes: de parathyreoïden. Deze kliertjes zijn slechts iets groter dan een rijstkorrel. Ze maken het parathyreoïdhormoon (PTH) aan. Dit hormoon wordt ook wel parathormoon genoemd.
Samen met vitamine D regelt PTH de calcium en fosfaathuishouding van je lichaam. PTH zorgt ervoor dat calcium uit de darm wordt opgenomen in het bloed en dat nieren fosfaat uitscheiden.
Een te trage schildklier leidt vaak tot vermoeidheid en lusteloosheid.
6.4
Bijnieren
De bijnieren zijn twee kleine organen die op de nieren liggen. Ze bestaan elk uit twee delen: het merg binnenin en de schors aan de buitenkant. Om de bijnieren heen ligt het bijnierkapsel en een beschermlaag van vetweefsel.
Bijnierschors
De bijnierschors maakt hormonen aan die we corticosteroïden of corticoïden noemen. Deze aanmaak wordt aangestuurd door het glandotrope (indirect werkende) adrenocorticotroop hormoon (ACTH) uit de hypofysevoorkwab. Er zijn drie soorten corticoïden:
mineraalcorticoïden
glucocorticoïden
geslachtscorticoïden
De mineraalcorticoïden beïnvloeden de mineraalhuishouding. Het bekendste mineraalcorticoïd is aldosteron. Aldosteron reguleert de mineraalhuishouding door de nieren minder zout uit te laten scheiden. Hiermee regelt aldosteron indirect ook de bloeddruk.
Glucocorticoïden spelen een rol in de glucosestofwisseling. De bekendste glucocorticoïd is cortisol, ook wel hydrocortison. Cortisol zorgt ervoor dat bepaalde eiwitten in spieren worden afgebroken, waarbij aminozuren vrijkomen. Cortisol zet deze aminozuren om in glucose.
Ook speelt cortisol een rol in het afweersysteem. Het heeft een remmende invloed op ontstekings
verschijnselen en allergische reacties. Daarom schrijven artsen bij ernstige eczeem vaak een zalf voor waar cortisol (hydrocortison) in zit.
De geslachtscorticoïden zijn de androgene (mannelijke) en oestrogene (vrouwelijke) corticoïden. Ze hebben dezelfde werking als de geslachtshormonen die zich in de geslachtsorganen vormen (testosteron en oestrogeen).
Na de overgang produceren de eierstokken geen oestrogenen meer. De bijnieren blijven wel mannelijke en vrouwelijke geslachtshormonen aanmaken.
Cortisonzalf
Onderdelen van de bijnieren
Bijnier
Nier
Kapsel
Schors
Merg
Bijniermerg
In het bijniermerg worden de hormonen adrenaline en noradrenaline gemaakt. Deze hormonen worden ook wel de vecht-of-vluchthormonen genoemd, omdat ze ervoor zorgen dat het lichaam een extra inspanning kan leveren bij gevaar of stress.
Bij emoties zoals angst, opwinding, spanning of blijdschap komt er adrenaline vrij. Hierdoor wordt glycogeen omgezet in glucose, voor extra energie. Om te kunnen vechten of vluchten, hebben sommige lichaamsdelen extra zuurstof nodig.
Daarom zorgt adrenaline ervoor dat:
de kransslagaders verwijden, waardoor het hart harder kan werken;
het hart sneller gaat kloppen;
de bloedvaten van onder andere de skeletspieren verwijden;
de fijnere luchtpijptakken verwijden;
de ademhaling versnelt.
Verder zorgt adrenaline ervoor dat de pupillen wijder worden en de spiertonus (spierspanning) wordt verhoogd. De bloedvaten van de spijsverteringsorganen vernauwen, omdat deze organen even geen extra zuurstof nodig hebben.
Wanneer het gevaar voorbij is, vermindert de adrenalineproductie en reageert het lichaam weer normaal.
Noradrenaline ondersteunt de werking van adrenaline. Noradrenaline heeft namelijk vooral een vaatvernauwende werking op de bloedvaten in de huid. Hierdoor komt er meer bloed beschikbaar voor de organen die in actie zijn. Een teveel aan noradrenaline kan leiden tot prikkelbaarheid of woedeuitbarstingen. Te weinig noradrenaline zorgt juist voor lusteloosheid en neerslachtigheid.
Stresshormoon en neurotransmitter
Noradrenaline is naast een stresshormoon ook een neurotransmitter: een stof die een signaal afgeeft aan zenuwcellen (neuronen). Noradrenaline geeft een signaal af aan je hersenen en zorgt zo voor motivatie, alertheid en concentratie. Hersenen hebben noradrenaline nodig om herinneringen te vormen.
WIST JE DAT? DE REACTIE VAN MENSEN OP GEVAAR HEET OOK WEL FIGHT (VECHTEN) FLIGHT (VLUCHTEN) OF FREEZE (BEVRIEZEN).
6.5
Alvleesklier
De alvleesklier wordt ook wel pancreas of buikspeekselklier genoemd. Deze ligt in de buikholte, links onder de lever en achter de maag. Het is een endoexocriene klier. Exocrien omdat de alvleesklier alvleessap produceert en dit via een buis naar de twaalfvingerige darm vervoert. Die gebruikt de enzymen uit het alvleessap voor de vertering van voeding. Endocrien omdat de alvleesklier insuline en glucagon aanmaakt. Dit wordt gedaan door cellen die in groepjes bij elkaar liggen: de eilandjes van Langerhans
Alvleesklier Twaalfvingerige darm
Alvleesklier en omliggende organen
Lever
Galblaas
Insuline en glucagon
De alvleesklier maakt insuline en glucagon aan. Deze hormonen hebben invloed op de koolhydraatstofwisseling.
Als de suikerspiegel hoog is (er zit veel suiker in het bloed), dan geeft de alvleesklier insuline af aan het bloed. Insuline zorgt ervoor dat je cellen glucose kunnen opnemen en verbranden. Ook zet insuline het teveel aan glucose om in glycogeen. Glycogeen wordt als reservevoorraad opgeslagen in de lever en de spieren. Doordat de glucose verbrand wordt door het lichaam en opgeslagen wordt als glycogeen, daalt de suikerspiegel.
Zodra de suikerspiegel te laag wordt, maakt de alvleesklier glucagon aan. Dit hormoon geeft de lever een seintje om de opgeslagen glycogeen om te zetten in glucose, wat weer verbrand kan worden door het lichaam. Zo houdt de alvleesklier, in samenwerking met de lever, de suikerspiegel in balans.
SUIKERSPIEGEL
lever zet glycogeen om in glucose
SUIKERSPIEGEL
glucose wordt verbrand cellen nemen glucose op
lever en spieren slaan glycogeen op
lever zet teveel aan glucose om in glycogeen
De werking van de alvleesklier
6.6
Geslachtsklieren
Naast de hypofyse maken ook de geslachtsklieren geslachtshormonen aan. De geslachtsklieren (gonaden) zijn endoexocriene klieren: ze maken hormonen en geslachtscellen (zaadcellen of eicellen) aan.
Samenwerking met hypofyse
De geslachtsklieren starten niet zomaar met het aanmaken van geslachtshormonen. Dit proces start in de hypofyse, die het follikelstimulerend hormoon (FSH) en het luteïniserend hormoon (LH) aanmaakt.
FSH en LH zorgen er bij vrouwen voor dat de vrouwelijke geslachtsklieren de geslachtshormonen progesteron en oestrogeen aanmaken. FSH zorgt daarnaast voor de rijping van de eicel. LH zorgt voor de eisprong.
Bij mannen stimuleren FSH en LH de mannelijke geslachtsklieren om het geslachtshormoon testosteron aan te maken. FSH zorgt daarnaast voor de aanmaak en rijping van zaadcellen in de testikels.
Geslachtsorganen
De geslachtsklieren bevinden zich in de geslachtsorganen. De geslachtsorganen zijn bij mannen en vrouwen verschillend. In de volgende subparagrafen leer je wat deze verschillen zijn.
Vrouwelijke geslachtsorganen
De vrouwelijke geslachtsklieren bevinden zich in de eierstokken (ovaria). Deze zijn onderdeel van de inwendige vrouwelijke geslachtsorganen (zie afbeelding).
De inwendige geslachtsorganen van de vrouw hebben elk hun eigen functie en zorgen er samen voor dat de vrouw kinderen kan krijgen. Hierbij is de menstruele cyclus van belang. Deze wordt aangestuurd door geslachtshormonen.
Eileiders
Eierstokken (ovaria)
Baarmoeder (uturus)
Baarmoederhals
Baarmoedermond Vagina (schede)
Inwendige geslachtsorganen van de vrouw
Vrouwelijke
geslachtshormonen
De eierstokken produceren de geslachtshormonen oestrogeen en progesteron. Deze hormonen zijn samen verantwoordelijk voor de menstruatiecyclus. Oestrogeen heeft daarnaast invloed op de ontspanning van glad spierweefsel. Progesteron heeft invloed op het gladde spierweefsel en bloedvaten. Het veroorzaakt een verhoogde spanning, waardoor je hoofpijn, gezwollen borsten en buikpijn kunt krijgen.
Menstruele cyclus
De menstruele cyclus begint in de puberteit en herhaalt zich tot aan de overgang gemiddeld iedere 28 dagen. De cyclus start in de hypofyse, die FSH en LH aanmaakt. Onder invloed van FSH rijpt er een eicel in de eierstokken. Er groeit een vochtblaasje om de eicel heen. Dit blaasje heet de follikel
Onder invloed van LH barst de rijpe eicel uit de follikel en komt met een klein ‘sprongetje’ in de eileider terecht. Dit is de ovulatie (eisprong). Na de ovulatie vormt het resterende omhulsel van de follikel om tot het gele lichaam (corpus luteum). Dit gele lichaam maakt progesteron aan, dat zorgt voor de groei van het baarmoederslijmvlies.
De rijping van de eicel, de ovulatie en de vorming van het gele lichaam
1 Rijping eicel
2 Eicel is rijp
3 Ovulatie
TIP IN HET HOOFDSTUK
‘CELLEN EN WEEFSELS’
LEES JE MEER OVER HET
PROCES VAN MEIOSE.
Als er geen bevruchting plaatsvindt, lost de onbevruchte eicel op. Het gele lichaam stopt met de productie van progesteron. Hierdoor stoot het lichaam het baarmoederslijmvlies uit. Hierbij scheuren ook wat kleine bloedvaten open. Dit is de menstruatie. Dit vindt ongeveer veertien dagen na de ovulatie plaats.
Zwangerschap
Wanneer er bevruchting met een zaadcel plaatsvindt, gaat de samengesmolten cel zich delen. Na een paar dagen beweegt het klompje cellen zich door de eileider naar de baarmoeder, waar het zich in het verdikte baarmoederslijmvlies kan innestelen. Het ontwikkelt zich hier tot embryo.
Meiose
Ouders geven hun genen door aan hun baby. Deze genen zitten in 46 chromosomen in de eicellen en zaadcellen. Maar wanneer beide ouders al hun 46 chromosomen door zouden geven, zou de baby dubbele erfelijke informatie krijgen. Daarom moet het aantal chromosomen gehalveerd worden. Dit gebeurt door reductiedeling of meiose. Een bevruchte eicel krijgt hierdoor weer 23 + 23 = 46 chromosomen.
Eicel in eileider
Rijping eicel en ovulatie 6 Innesteling
WIST JE DAT? VANAF DE GEBOORTE ZIJN IN DE EIERSTOKKEN DUIZENDEN EICELLEN AANWEZIG. HIERVAN KOMEN ER ONGEVEER 400 TOT RIJPING IN DE PERIODE VANAF DE PUBERTEIT TOT DE OVERGANG.
Bevruchting
Van bevruchting tot innesteling
Het gele lichaam blijft na de bevruchting progesteron aanmaken. Progesteron geeft een seintje aan de hypofyse, waardoor er tijdens de zwangerschap geen nieuwe eicellen meer rijpen. Ook zorgt progesteron ervoor dat de baarmoederwand verdikt blijft. Hierdoor kan de baarmoeder de embryo blijven vasthouden.
Op de plek waar de bevruchte eicel zich ingenesteld heeft, groeit de placenta (moederkoek).
Dit orgaan geeft de embryo zuurstof en voedingsstoffen, zodat die zich kan ontwikkelen tot foetus en baby. De placenta houdt de bloedsomloop van moeder en kind gescheiden. De placenta maakt belangrijke hormonen aan:
Progesteron zorgt ervoor dat het baarmoederslijmvlies in stand blijft en de baarmoeder niet samentrekt. Het gele lichaam vervalt zodra de placenta de progesteronaanmaak overgenomen heeft.
Oestrogeen zorgt ervoor dat de eierstokken niet actief zijn en dat de baarmoeder sterker wordt.
Humaan placentair lactogeen hormoon (HPL) voorkomt dat het lichaamsvreemde deel van de embryo (die immers ook de genen van de vader heeft) niet wordt afgestoten.
Het zwangerschapshormoon humaan choriongonadotrofine (hCG) stimuleert de groei van de embryo.
Overgang
De overgang is de periode waarin een vrouw onvruchtbaar wordt. Dit kan wel zeven tot tien jaar duren. De eierstokken produceren minder oestrogeen en de menstruatie wordt onregelmatig en houdt uiteindelijk op. Vrouwen kunnen minder zin in seks krijgen en last hebben van moeheid en vasomotorische storingen. Dit zijn storingen in de
vernauwing en verwijding van de bloedvaten, die gepaard gaan met opvliegers. De meeste vrouwen hebben hun laatste menstruatie rond hun vijftigste jaar. De laatste menstruatie heet de menopauze. Menopauze en overgang zijn dus niet hetzelfde.
Primaire en secundaire geslachtskenmerken
Primaire geslachtskenmerken zijn alle lichaamsdelen die bij de geboorte al het verschil maken tussen een jongen of meisje. Onder invloed van de geslachtshormonen ontwikkelt het lichaam in de puberteit de secundaire geslachtskenmerken. Dit zijn bij de vrouw onder andere borstontwikkeling en een verbreding van het bekken. Bij mannen zijn dit bijvoorbeeld de groei van het strottenhoofd en baardgroei.
Mannelijke geslachtsorganen en -hormonen
De mannelijke geslachtsklieren bevinden zich in de testikels (testes). Deze zijn onderdeel van de mannelijke geslachtsorganen (zie afbeelding).
De mannelijke geslachtsorganen zorgen er samen voor dat de man zich kan voortplanten. De testikels produceren zaadcellen. De zaadcellen worden verzameld en gerijpt in de bijballen
Via de zaadleiders worden de zaadcellen naar de zaadblaasjes vervoerd. Deze blaasjes maken spermavocht aan en de prostaat prostaatvocht. Samen vormen deze stoffen sperma. De zwellichamen en de eikel en zorgen ervoor dat de penis stijf wordt en de man een orgasme krijgt waardoor het sperma het lichaam via de urinebuis verlaat.
Mannelijke geslachtshormonen
Testikels maken naast zaadcellen ook mannelijke geslachtshormonen aan. Dit gebeurt onder invloed van LH en FSH. Mannelijke geslachtshormonen zijn nodig voor de ontwikkeling van de mannelijke geslachtsorganen. Mannelijke geslachtshormonen worden ook wel androgenen genoemd.
Androgenen bij mannen en vrouwen
Ook vrouwen maken een klein beetje androgenen aan, in de eierstokken. Dit zijn ovariële androgenen
Bij zowel mannen als vrouwen maakt ook de bijnierschors mannelijke geslachtshormonen aan: adrenale androgenen. Dit is echter zo’n klein beetje, dat het nauwelijks invloed heeft op de geslachtskenmerken.
Overgang
De aanmaak van testosteron neemt geleidelijk af bij het ouder worden. Dit wordt de andropauze of, minder serieus, de penopauze genoemd. Rond dezelfde leeftijd als vrouwen kunnen mannen ook klachten krijgen door het hormoontekort, zoals een afnemende behoefte aan seks, erectieproblemen, meer buikvet en minder spierkracht, slaapstoornissen en depressieve klachten.
Train je kennis over het hormoonstelsel met de online trainer.
Snelcode 26162
Test je kennis over het hormoonstelsel met de online boekcheck.
Snelcode 27160
Zwellichaam
Urinebuis
Eikel
Bijbal
Testikel
WIST JE DAT? EEN TEKORT AAN 5 ALFA REDUCTASE KAN ER BIJ EEN EMBRYO (JONGETJE) VOOR ZORGEN DAT DE MANNELIJKE GESLACHTS DELEN ZICH ONVOLDOENDE ONTWIKKELEN OF DAT ER VROUWELIJKE GESLACHTSDELEN GEVORMD WORDEN.
Geslachtsorganen van de man
Blaas
Zaadblaasje
Prostaat
Zaadleider
7.Zenuwstelsel
Een cliënt ligt bij jou in de stoel voor een hoofd- en nekmassage.
Je begint te masseren en merkt dat het pijn doet als je bij de nek aan komt. “Heb je veel last van spanning?” “Ja,” zegt je cliënt, “ik ben druk op school en mijn vriendinnen willen eigenlijk ook elk weekend uit.”
Je voelt de spanning in haar lichaam. “Allemaal signalen van je zenuwstelsel”, zeg je. “Gelukkig weet ik precies hoe dat zenuwstelsel werkt. Ik ga je een massage geven om ervoor te zorgen dat je spieren wat ontspannen.”
Prikkels
Je lichaam kan op verschillende manieren informatie ontvangen en daarop reageren.
Deze informatie wordt in de vorm van prikkels door je lichaam heen gestuurd en op de juiste plek verwerkt.
Zintuigen
Prikkels van buitenaf komen je lichaam binnen via je zintuigen. Een zintuig is een orgaan dat signalen uit de buitenwereld opvangt en omzet in een prikkel. Er zijn vijf zintuigen:
Het gevoelszintuig : de huid. In de huid zitten verschillende receptoren die tast, druk, kou en warmte opvangen.
Het reukzintuig : de neus. De neus vangt geuren op. Als je inademt, komen de geurcellen bij het reukslijmvlies terecht. Dat zit bovenin de neusholte.
Het smaakzintuig : de tong. Op de tong zitten smaakreceptoren, die ook wel smaakpapillen heten. De smaakpapillen zorgen ervoor dat je de smaken zoet, zuur, zout, bitter en umami kunt proeven.
Het gehoorzintuig : de oren. Het oor vangt geluiden op. Geluidstrillingen worden via het trommelvlies en door de gehoorgang overgebracht aan de gehoorzintuigcellen. Vanaf daar gaan de prikkels naar de hersenen.
Het gezichtszintuig : de ogen. De ogen vangen beelden op. Via het hoornvlies, de lens en het glasachtig lichaam komt er een beeld op het netvlies. De zintuigcellen zetten dit beeld om in prikkels.
De prikkels die de zintuigen ontvangen, worden verwerkt door de hersenen.
Het gehoorzintuig
Soorten prikkels
Er zijn verschillende soorten prikkels die je lichaam kan ontvangen of versturen:
Sensibele prikkels of gevoelsprikkels. Dit zijn tast, druk, warmte en kou. Je neemt deze waar met je huid.
Sensorische prikkels of zintuigelijke prikkels. Dit zijn zicht, gehoor, reuk en smaak. Je neemt deze waar met je ogen, oren, neus en tong.
Motorische prikkels of bewegingsprikkels. Deze worden verstuurd door het lichaam. Ze zorgen er bijvoorbeeld voor dat spieren bewegen of klieren geactiveerd worden.
Het lichaam reageert op deze prikkels. Zo trek je bijvoorbeeld automatisch je hand weg als je die brandt (sensibele prikkel) en steek je je hand uit als je iets wilt pakken (motorische prikkel).
7.2
Prikkelgeleiding
Prikkels worden doorgegeven door zenuwen: bundels van zenuwcellen. Een zenuwcel wordt ook wel een neuron genoemd. Een neuron bevat meerdere dendrieten en één neuriet. Neurieten en dendrieten zijn de uitlopers van de celkern en de belangrijkste onderdelen voor de prikkelgeleiding. Neurieten zijn lange uitlopers en geleiden prikkels van de zenuwcel af. Ze sturen bijvoorbeeld informatie naar een spier of klier. Neurieten
worden ook wel axonen genoemd. Dendrieten zijn korte uitlopers en geleiden prikkels naar de zenuwcel toe. Een dendriet vangt bijvoorbeeld prikkels vanuit je zintuigen op.
Wanneer een prikkel via een zintuig het lichaam binnenkomt, maakt het lichaam een elektrisch signaal aan. Dit wordt ook wel de impuls genoemd. Door een verschil in elektrische lading springt de impuls over van de ene naar de andere neuron en ontstaat prikkelgeleiding.
Myelineschede TIP IN HET HOOFDSTUK ‘CELLEN EN WEEFSELS’ LEES JE MEER OVER DE BOUW VAN ZENUWWEEFSEL.
Celkern
Dendriet
Neuriet (axon)
De onderdelen van een zenuwcel (neuron)
Synapsen en neurotransmitters
De plek waar de impuls overspringt, wordt de synaps genoemd. De prikkelgeleiding wordt versneld door de myelineschede die om de neurieten heen zit. Deze vettige laag werkt als een isolator.
Prikkelgeleiding wordt geholpen door chemische stoffen. Deze chemische stoffen ontstaan op de plek van de synaps. De chemische stoffen worden ook wel neurotransmitters genoemd. De meest bekende neurotransmitters zijn acetylcholine en noradrenaline. Bij motorische prikkels vormt zich alleen acetylcholine. Bij een sensibele prikkel vormt zich zowel acetylcholine als noradrenaline.
Ben je nog niet genoeg geprikkeld?
Bekijk de online masterclass over prikkels en prikkelgeleiding!
Snelcode 21174
Lichaam ontvangt of verstuurt impuls.
Neurieten of dendrieten vervoeren de prikkels.
Neurieten of dendrieten maken contact met elkaar. Er is prikkeloverdracht (de synaps)
Er vormen zich neurotransmitters op de plaats van de synaps.
Motorische prikkel? Er vormt zich acetylcholine.
Sensibele prikkel? Er vormen zich acetylcholine en noradrenaline.
7.3 Verschillende zenuwstelsels
Het zenuwstelsel is een netwerk van 30 tot 40 miljard zenuwcellen. Dit netwerk bepaalt samen onze reactie op prikkels van buitenaf en binnenuit. Er zijn verschillende manieren om het zenuwstelsel te bekijken:
Op basis van anatomie: deze indeling beschrijft het zenuwstelsel op basis van ligging in het lichaam.
Op basis van evolutieleer: deze indeling beschrijft hoe het zenuwstelsel zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld.
Op basis van functie: deze indeling beschrijft de werking van de verschillende delen van het zenuwstelsel.
De anatomische indeling is de meest gebruikte indeling. Hierbij maak je onderscheid tussen het centrale zenuwstelsel en het perifere zenuwstelsel. Het centrale zenuwstelsel bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. Alles hierbuiten is onderdeel van het perifere zenuwstelsel.
Het centrale en perifere zenuwstelsel bestaan uit een zenuwstelsel dat je zelf kunt aansturen en een zenuwstelsel dat je niet zelf kunt aansturen. Het zenuwstelsel dat je níét kunt aansturen, noem je het autonome zenuwstelsel of het vegetatieve zenuwstelsel. Dit stuurt bijvoorbeeld je hartslag aan en de assimilatie en dissimilatie.
Animaal zenuwstelsel
Een deel van het zenuwstelsel kun je zelf aansturen: het staat onder invloed van de wil. Dit noem je het animale zenuwstelsel. Mimische spieren en skeletspieren worden aangestuurd door het animale zenuwstelsel. Daardoor kun je zelf bepalen of je bijvoorbeeld loopt of knipoogt. Het animale zenuwstelsel ontvangt daarnaast sensorische en sensibele prikkels.
In de volgende paragrafen lees je meer over het centrale, perifere en autonome zenuwstelsel. In de laatste paragraaf worden de evolutionaire en functionele indelingen van het zenuwstelsel behandeld.
Het centrale zenuwstelsel bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. Alles daarbuiten is onderdeel van het perifere zenuwstelsel.
7.4 Centraal zenuwstelsel
Het centrale zenuwstelsel bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. De hersenen worden vaak gezien als het centrale besturingssysteem van het lichaam. Samen met het ruggenmerg is het verantwoordelijk voor de prikkelgeleiding en bewuste en onbewuste acties van de mens.
Hersenen
De hersenen sturen alle willekeurige en onwillekeurige handelingen in het lichaam aan. Ze zorgen er dus voor dat jij kunt functioneren. De hersenen zitten vol groeven, sleuven en kronkels, voor extra oppervlakte.
Grote hersenen
De grote hersenen (cerebrum) bestaan uit twee hersenhelften. Die worden ook wel hemisferen genoemd. De grote hersenen zorgen voor ons bewustzijn, geheugen, gevoel en de willekeurige spierbewegingen. Daarnaast coördineren ze alle sensorische prikkels die binnenkomen. Beide hemisferen zijn verbonden door een hersenbalk Hierin liggen de zenuwbundels die de linker en de rechterhersenhelft met elkaar verbinden.
De buitenste laag van de grote hersenen is de hersenschors. Dit is grijs van kleur door de opeenhoping van zenuwcellichamen. Elk gedeelte van de hersenschors heeft een eigen specialisatie. Zo is er een gedeelte waar de motorische informa
Motorische informatie
Gevoelsgebied
Spraakgebied
Spraakcentrum
Leesgebied
Hoorgebied
Zichtgebied
Grote hersenen
Hersenbalk Kleine hersenen
Hersenstam
Doorsnede van de hersenen
Elk gedeelte van de hersenschors heeft zijn eigen specialisatie.
tie verwerkt wordt, een gedeelte waar je spraak gestuurd wordt en een gedeelte waar je zicht verwerkt wordt. Tussen al deze gebieden liggen verbindingen om nieuwe gebeurtenissen te kunnen verwerken en ordenen.
Het binnenste gedeelte van de grote hersenen heet het hersenmerg. Het hersenmerg geeft impulsen vanuit het hele lichaam aan de hersenschors door en andersom. Dit is groter dan de hersenschors en is wit van kleur. De witte kleur ontstaat door de neurieten en myelinescheden daaromheen.
Hersenvliezen en hersenvocht
Om de grote hersenen heen liggen drie hersenvliezen:
het harde hersenvlies (dura mater)
het spinnenwebvlies (arachnoidea)
het zachte hersenvlies (piu mater)
Het harde hersenvlies ligt direct tegen de schedel aan. Het zachte hersenvlies zit om alle plooien van de hersenen heen. Het spinnenwebvlies ligt ertussenin en bevat bloedvaten die de hersenen voeden.
De ruimte tussen de hersenvliezen is gevuld met hersenvocht (cerebrospinaal vocht). Hersenvocht werkt als een stootkussen ter bescherming van de hersenen. Daarnaast vervoert het voedingsen afvalstoffen. Het hersenvocht vol afvalstoffen wordt daarna door bloed en lymfe afgevoerd.
WIST JE DAT?
HERSENVLIEZEN ZITTEN ZOWEL OM DE HERSENEN ALS HET RUGGENMERG HEEN.
WIST JE DAT?
NEURONEN IN HET
CENTRALE ZENUWSTELSEL
KUNNEN ZICHZELF NIET
HERSTELLEN. MET VEEL
OEFENING KUNNEN
NEURONEN WEL GETRAIND
WORDEN OM ELKAARS
FUNCTIES OVER TE NEMEN.
Hoofdhuid
Schedel Hard hersenvlies
Bloedvat
Spinnenwebvlies
Zacht hersenvlies
Hersenschors
Doorsnede van hersenvliezen
Kleine hersenen
De kleine hersenen (cerebellum) liggen aan de achterkant van het hoofd, onder de grote hersenen. Ze zijn met drie takken verbonden aan de hersenstam. De kleine hersenen coördineren de houding en beweging. Dat doen ze samen met het evenwichtsorgaan, dat in je oor zit. Ze zorgen er ook voor dat de juiste dosering prikkels bij de spieren aankomt.
Hersenstam
De hersenstam (truncus cerebri) ligt tussen de hersenen en het ruggenmerg in. De hersenstam geleidt prikkels van en naar de grote en kleine hersenen. Op de overgang van de hersenstam naar het ruggenmerg vindt de kruising van de zenuwen plaats. De hersenstam bestaat uit de middenhersenen, de pons en het verlengde merg.
Middenhersenen
De middenhersenen regelen de onwillekeurige bewegingen in het lichaam.
Pons
De pons wordt ook wel de brug van Varol genoemd.
De brug van Varol is de verbinding tussen de grote en kleine hersenen.
Verlengde merg
In het verlengde merg worden de vitale functies aangestuurd, zoals de ademhaling en de hartfunctie.
Onderdelen van de hersenstam
Ruggenmerg
Het ruggenmerg (de medulla spinalis) ligt in de wervelkolom. Het is de geleider voor veel verschillende zenuwimpulsen en zorgt met name voor de reflexen van het lichaam.
Bouw van het ruggenmerg
Het ruggenmerg is een zenuwweefselstreng die in de hersenstam begint en bij de tweede lendenwervel eindigt. Hoe lager je in de wervelkolom komt, hoe dunner de streng is. Er zitten twee verdikkingen in het ruggenmerg: ter hoogte van de hals en bij de lendenwervels. Ter hoogte van
de hals treden de zenuwen voor de armen in en uit het ruggenmerg. Bij de lendenwervels zijn dat de zenuwen voor de benen. Het ruggenmerg is bij de lendenwervels gevuld met een grote bundel zenuwen. Dit wordt ook wel de paardenstaart genoemd.
Van buiten naar binnen bestaat het ruggenmerg uit witte stof, grijze stof en een nauw kanaal met ruggenmergvocht. Om het ruggenmerg heen zitten drie ruggenmergvliezen, namelijk het harde ruggenmergvlies, het spinnenwebvlies en het zachte ruggenmergvlies.
Spinaal ganglion
Een ganglion is een opeenhoping van zenuwcellichamen buiten het centrale zenuwstelsel. Deze verdikking vind je onder andere in de sensibele achterwortels. Het is een ruggenmergzenuwknoop waarin de cellichamen van de sensibele zenuwcellen liggen. Deze zenuwknoop heet het spinale ganglion.
Witte stof
Witte stof bestaat uit neurieten die omgeven zijn door myelinescheden. Het zorgt ervoor dat zenuwimpulsen via het ruggenmerg van en naar de hersenen vervoerd worden.
Grijze stof
Grijze stof bestaat uit ongemyeliniseerde zenuwvezels. De grijze stof geeft prikkels door.
Achterhoorn
In de achterhoornen liggen sensibele zenuwcellen. Gevoelsprikkels komen hier vanuit de achterwortel het ruggenmerg binnen. Daarna worden ze verder geleid naar de hersenen.
Achterwortel
Nauw kanaal
Het nauwe kanaal is dunne buis. Er loopt ruggenmergvocht (cerebrospinaal vocht) doorheen. Dit vocht staat in verbinding met het hersenvocht.
Voorhoorn
In de voorhoornen liggen motorische zenuwcellen. Deze geleiden prikkels van het centrale zenuwstelsel via de voor wortel naar de spieren en klieren toe.
Zijhoorn
In de zijhoornen van de borst en lendenwervels liggen zenuwcellen van het autonome zenuwstelsel. Je leest hier meer over in paragraaf 7.6.
Voorwortel
Dwarsdoorsnede van ruggenmerg
Functies van het ruggenmerg
Het ruggenmerg heeft een functie als geleidingsorgaan en reflexorgaan.
Als geleidingsorgaan geeft het ruggenmerg prikkels door aan de hersenen en stuurt het prikkels vanuit de hersenen naar het lichaam.
Sensibele prikkels die vanaf de huid komen, worden via het ruggenmerg naar de hersenschors geleid. Motorische prikkels worden vanuit de hersenen via het ruggenmerg naar de spier of klier geleid die ze moeten aansturen.
Sensorische prikkels worden niet via het ruggenmerg geleid. Deze gaan direct vanaf de zintuigen naar de hersenen. In de hersenen komen alle prikkels tot bewustzijn, waardoor je weet wat je voelt, proeft, ruikt, hoort of ziet.
1 Prikkel komt binnen via de huid.
2 Via de achterwortel en achterhoorn komt de prikkel in het ruggenmerg aan.
3 De prikkel gaat via het ruggenmerg naar de hersenen.
4 In de grote hersenen komt de prikkel tot bewustzijn.
5 De prikkel wordt omgezet in een motorische prikkel die teruggaat naar het ruggenmerg.
6 Via de motorische voorhoorn en de voorwortels gaat de prikkel naar de spier die moet reageren.
7 De motorische prikkel zorgt voor spierbeweging.
Als reflexorgaan zorgt het ruggenmerg ervoor dat het lichaam snel kan reageren op prikkels. De reflexfunctie werkt bijvoorbeeld als je je hand brandt. Je trekt je hand al terug voordat je pijn hebt gevoeld. Een reflex vindt plaats buiten de hersenen om.
1 Sensibele zenuwen vangen een warmteprikkel op.
2 De prikkel wordt naar de achterwortel en achterhoorn van het ruggenmerg geleid.
3 Door schakelcellen gaat de prikkel direct over naar de voorhoorn.
4 Vanuit de voorhoorn wordt een motorische prikkel naar de spier gestuurd.
5 De spier trekt samen, waardoor je je hand optilt.
De reflexfunctie van het ruggenmerg verkort de reactietijd.
7.5 Perifeer zenuwstelsel
Het perifere zenuwstelsel zorgt ervoor dat prikkels van en naar het centrale zenuwstelsel door worden gegeven. Onder het perifere zenuwstelsel valt al het zenuwweefsel dat niet bij het centrale zenuwstelsel hoort. Het bestaat uit de hersenzenuwen en de ruggenmergzenuwen.
Afferenten en efferenten Zenuwtakken die naar het centrale zenuwstelsel toe lopen, zijn afferente zenuwbanen of afferenten. Afferenten geven informatie aan het zenuwstelsel. Zenuwtakken die van het zenuwstelsel af lopen, noem je efferente zenuwbanen of efferenten. Efferenten hebben een effect, bijvoorbeeld een motorische prikkel die naar een spier gaat.
Hersenzenuwen
De hersenzenuwen liggen aan de onderkant van de hersenen. Ze ontspringen in de hersenstam. Er zijn in totaal 12 paar hersenzenuwen. Dit zijn motorische, sensibele en gemengde zenuwen. Gemengde zenuwen geven zowel motorische als sensibele prikkels door.
Voor het werk als schoonheidsspecialist zijn drie paar hersenzenuwen belangrijk, namelijk de drielingzenuw, de aangezichtszenuw en de zwervende zenuw.
De drielingzenuw (nervus trigeminus) is de vijfde hersenzenuw. Het is een gemengde zenuw die bestaat uit een dikke sensibele wortel en een dunne motorische wortel. De sensibele wortel vertakt zich in drie takken: de oogtak, bovenkaaktak en onderkaaktak (zie afbeelding). De motorische wortel loopt gelijk aan de onderkaaktak. Deze prikkelt de slaap en wangkauwspier.
WIST JE DAT? ZENUWVEZELS IN HET PERIFERE ZENUWSTELSEL KUNNEN ZICHZELF HERSTELLEN. UIT BESCHADIGDE UITEINDEN GROEIEN NIEUWE ZENUWEN. HET IS EEN LANGDURIG PROCES, MAAR BETEKENT DAT ER KANS IS OP HERSTEL.
Perifeer zenuwstelsel
Aangezichtspijn
Aangezichtspijn is een aandoening in de drielingzenuw. Het is een pijnlijke gevoelsstoornis in het gebied van de bovenkaaktak of onderkaaktak. Griep, malaria, kaakholteontsteking of psychische klachten kunnen de oorzaak zijn.
Oogtak
De oogtak is een sensibele zenuw. Deze is verantwoordelijk voor het gevoel in het ooglid, de neus en het voorhoofd. De uittredingsplaats ligt in de bovenoogkasspleet.
Bovenkaaktak
De bovenkaaktak is een sensibele zenuw. Deze is verantwoordelijk voor het gevoel in de wangen, bovenkant van de mondhoeken, het bovengebit en de bovenlip. De uittredingsplaats ligt in de bovenkaak, onder de oogkasrand.
Onderkaaktak
De onderkaaktak is een gemengde zenuw. Deze is verantwoordelijk voor het gevoel in de onderlip, het ondergebit, het onderste deel van de wangen en de kin. De uittredingsplaats ligt in het kingedeelte van de onderkaak.
Aangezichtsverlamming
Aangezichtsverlamming is een aandoening aan de aangezichtszenuw. Het zorgt ervoor dat de mimische spieren eenzijdig of dubbelzijdig verlamd zijn. De aandoening ontstaat door beschadiging van de zenuw, bijvoorbeeld vanwege een ongeluk, ooroperatie, facelift of infectie van de neuskeelholte.
De aangezichtszenuw (nervus facialis) prikkelt alle mimische spieren. Deze zenuw wordt ook wel de zevende hersenzenuw genoemd. De uittredingsplaats ligt vlak voor het oor, onder de speekselklier. Van daaruit lopen allemaal kleine motorische banen naar de mimische spieren.
Drielingzenuw
Aangezichtszenuw
De zwervende zenuw (nervus vagus of nervus parasympathicus) is de tiende hersenzenuw. De zenuw zwerft via de hals naar de borstholte en buikholte. De zenuw beïnvloedt de bloeddruk en hartslag en is betrokken bij functies als slikken, spreken, afscheidingen van de maagklieren en het hongergevoel. De zwervende zenuw is de belangrijkste zenuw van het parasympathisch zenuwstelsel. Hierover lees je meer in paragraaf 7.6.
Ruggenmergzenuwen
Vanuit het lichaam komen allerlei zenuwtakken uit het perifere zenuwstelsel samen in de ruggenmergzenuw. Daar gaan ze het centrale zenuwstelsel binnen.
De ruggenmergzenuwen treden uit in het ruggenmerg. Het lichaam heeft 31, 32 of 33 paar ruggenmergzenuwen. Tussen elke wervel treedt telkens één paar wervels uit. Het precieze aantal wordt bepaald door het aantal staartbeentjes dat je hebt. Dat aantal is niet bij iedereen hetzelfde.
Ingewandstak
Deze zenuw gaat naar de ingewanden.
Kleine gemengde tak
Deze zenuw gaat naar de achterkant van het lichaam.
Grote gemengde tak
Deze zenuw gaat naar de voorkant van het lichaam en de ledematen.
Grensstreng
De grensstrengen bestaan uit zenuwknopen en zenuwvezels en behoren tot het autonome zenuwstelsel.
TIP
DE WERVELKOLOM
IS OP DEZELFDE MANIER IN GROEPEN INGEDEELD ALS DE RUGGENMERG ZENUWEN. BEKIJK DE INFOGRAPHIC IN HET HOOFDSTUK ‘SKELET’.
De ruggenmergzenuwen zijn van boven naar beneden te verdelen in vijf groepen:
acht paar halszenuwen
twaalf paar borstzenuwen
vijf paar lendenzenuwen
vijf paar heiligbeenzenuwen
maximaal drie paar staartbeenzenuwen
Het eerste paar ruggenmergzenuwen treedt uit tussen de schedel en de bovenste nekwervel. De andere paren treden uit via de openingen tussen de wervels, tot aan de paardenstaart.
Zenuwknopen
Aan beide kanten van de wervelkolom ligt een aantal zenuwknopen. Dit zijn opeenhopingen van zenuwcellen buiten het centrale zenuwstelsel. Zenuwknopen zijn onderling verbonden met zenuwvezels. De zenuwvezels en zenuwknopen vormen samen grensstrengen. Buiten de wervelkolom geeft iedere ruggenmergzenuw autonome zenuwvezels af aan de zenuwknopen van de grensstrengen. De zenuwknopen en grensstrengen zorgen dat prikkels aankomen op de plaatsen waar ze moeten zijn. Elke ruggenmergzenuw vertakt zich vervolgens in drie takken.
Onderdelen van een ruggenmergzenuw
7.6 Autonoom zenuwstelsel
Het autonome zenuwstelsel zorgt voor de aansturing van de automatische lichaamsfuncties. Het reguleert en bestuurt de inwendige organen en processen zonder dat wij het weten. Dit gebeurt onder invloed van neurotransmitters.
Het autonome zenuwstelsel bestaat uit twee delen: het parasympathisch zenuwstelsel en het sympathisch zenuwstelsel. De centra van het autonome zenuwstelsel liggen vooral in het centrale zenuwstelsel. De hersenstam en de hypothalamus werken samen om het autonome zenuwstelsel te besturen. Dit heet vegetatieve tuning . Vegetatieve tuning heeft invloed op beide delen van het autonome zenuwstelsel en daardoor ook op alle organen.
Parasympathisch zenuwstelsel
Het parasympathisch zenuwstelsel is vooral actief als jij rust. In het lichaam wordt dan gewerkt aan de herstel en opbouwprocessen. De belangrijkste functie is het opslaan van energie en het aanmaken van cellen en stoffen om het lichaam te herstellen (assimilatie). Dat gebeurt bijvoorbeeld doordat er meer darmbewegingen zijn en hogere nieractiviteit is. Dit zijn de trofotrope oftewel anabole processen.
De belangrijkste zenuwknooppunten voor het parasympathisch zenuwstelsel zitten in de hersenstam en bij het heiligbeen. De tiende hersenzenuw (nervus vagus) hoort bij het parasympathisch
zenuwstelsel. De prikkeloverdracht van het parasympathisch zenuwstelsel vindt plaats via de neurotransmitter acetylcholine.
Sympathisch zenuwstelsel
Het sympathisch zenuwstelsel bevordert verbranding in de cellen (dissimilatie) en zorgt er zo voor dat het lichaam zijn actieve functies kan uitvoeren. Het verbetert de werking van de skeletspieren, de hartfunctie, de bloedsomloop en de ademhaling. Dit zijn ergrotrope of katabole processen. De spijsvertering wordt juist geremd.
De centra van de zenuwknooppunten van het sympathisch zenuwstelsel liggen vooral in het gebied van de grensstrengen. Enkele centra liggen in de buik. Vanuit hier worden organen en weefsels geprikkeld, die vervolgens een respons geven. De prikkeloverdracht vindt plaats via de neurotransmitter adrenaline.
Specifiek vegetatieve functies
Om te kunnen overleven, moet je lichaam adequaat kunnen reageren op prikkels van buitenaf. Als het lichaam een onbekende prikkel krijgt of een prikkel die gevaar betekent, reageert je lichaam in eerste instantie door in de alarmfase te gaan. Vervolgens past je lichaam zich aan de situatie aan (aanpassingsfase) en tot slot komt het in de rust en herstelfase. Als de prikkel lang duurt, komt
het lichaam in de uitputtingsfase terecht. De alarmfase kost veel energie en herken je aan een betere waarneming door zintuigen en sterk toegenomen spierspanning. Door een betere waarneming kun je betere keuzes maken. Zo kun je gemakkelijk kiezen om te vechten, vluchten of bevriezen.
In de alarmfase vallen alle processen van het parasympathisch zenuwstelsel, de trofotrope processen, stil. De processen gericht op herstel, zoals spijsvertering en weefselherstel, worden niet meer uitgevoerd. Als deze fase te lang duurt, kan er weefselbeschadiging optreden.
WIST JE DAT?
HET AUTONOME ZENUWSTELSEL WORDT OOK WEL HET VEGETATIEVE ZENUWSTELSEL GENOEMD.
WIST JE DAT?
HET SYMPATHISCH
ZENUWSTELSEL WORDT
OOK WEL HET ‘VECHTENOF VLUCHTENSTELSEL’ GENOEMD, OMDAT HET REAGEERT IN NOODSITUATIES.
Na de alarmfase maak je een keuze: je past je aan de situatie aan en komt in de aanpassingsfase. Je richt alle energie die je hebt op de aanpassing. In de aanpassingsfase zijn er twee opties: je gaat over op de rust en herstelfase of je komt opnieuw in de alarmfase terecht.
Als je in de rust- en herstelfase komt, is het parasympathisch zenuwstelsel het meest actief. Je lichaam komt tot rust, de weefsels herstellen en het lichaam verteert het voedsel.
Als de gekozen aanpassing niet blijkt te werken, kom je opnieuw in de alarmfase terecht. Dit kost veel extra energie en kan leiden tot uitputting. Je zit dan in de uitputtingsfase. Dit heeft een negatief effect op de gezondheid van weefsels in het lichaam.
Test je kennis over het zenuwstelsel met de online boekcheck.
Snelcode 27172
Speel alle vragen over het zenuwstelsel weg met de online trainer.
Snelcode 26182
8. Ademhaling
Wist jij dat een volwassen mens zo’n tien keer per minuut in- en uitademt? Zo krijg je je zuurstof binnen. Wanneer je te weinig zuurstof binnenkrijgt, zie je dat direct aan de conditie van de huid. Die wordt grauw en verliest zijn glans. Ook andere cellen in je lichaam hebben continu zuurstof nodig om te functioneren. Bij het ademen gebruik je verschillende organen en spieren. 8.1
Ademhalingsorganen
Om te ademen gebruik je de ademhalingsorganen, ook wel de luchtwegen genoemd. Samen vormen ze het ademhalingsstelsel. Het ademhalingsstelsel bestaat uit de organen die je op de afbeelding ziet. In en uitgeademde lucht legt de weg af door het lichaam via deze organen. Van neus naar longen en weer terug. Ademhalingsorganen
Neusbeen
Dit bovenste deel van je neus bestaat uit een bot en voelt hard aan.
Neuskraakbeen
Dit kraakbeen begint waar het neusbeen stopt. Het voelt zacht aan en je kunt het bewegen als je ertegenaan duwt.
Neustussenschot
Het tussenschot verdeelt de neusholte in twee ruimten.
Neus
De natuurlijke manier om te ademen is via je neus. De neus is daarom het belangrijkste orgaan waardoor lucht je lichaam inkomt. Een andere manier is via je mond. Naast ademen gebruik je je neus om te ruiken. Verder is je neus belangrijk in de stemvorming: je vormt er klanken mee.
Bouw van de neus
De neus is opgebouwd uit twee delen: de uitwendige neus en de inwendige neusholte.
Wanneer je lucht inademt, komt dit in de neusholte terecht. De neusholte bestaat uit twee ruimten die gescheiden worden door het tussenschot. De neusholte staat in verbinding met verschillende holten in de schedel, zoals de voorhoofdsholten. Ook de traanbuis komt uit in de neusholte. De neusholte voert slijm en vocht af naar de keelholte.
De neusholte is bekleed met een slijmvlies. Dit slijmvlies bestaat uit twee delen: het ademhalingsgedeelte en het reukgedeelte. Op de volgende pagina zie je hoe de inwendige neus eruitziet.
WIST JE DAT?
IN HET NEUSSLIJMVLIES
ZITTEN ALLERLEI BLOEDVATEN. EEN BLOEDNEUS ONTSTAAT DOOR EEN SCHEUR IN DIE BLOEDVATEN.
Uitwendige neus
Ademen door je neus of mond?
Je kunt ook ademen door je mond, maar ademen door je neus heeft een aantal voordelen:
Stofdeeltjes en bacteriën worden tegengehouden door het trilhaarepitheel waardoor je minder snel ziek wordt.
Door het reukslijmvlies ruik je de ingeademde lucht. Als deze vreemd ruikt, dan is dit een waarschuwing.
De bloedvaatjes in het neusslijmvlies verwarmen de ingeademde lucht, waardoor deze niet koud in de longen komt.
Het neusslijmvlies bevochtigt de ingeademde lucht waardoor er geen droge lucht in de longen terechtkomt.
Zeefbeen
Het dak van de neusholte is het zeefbeen. Dit is een bot met openingen waardoor de reukzenuwen de schedel ingaan.
Reukgedeelte slijmvlies
Het slijmvlies achter in de neus gebruik je om mee te ruiken. Dit slijmvlies bevat reukzenuwen die in contact staan met je hersenen, zodat jij geuren kunt herkennen.
Ademhalingsgedeelte slijmvlies
Het slijmvlies aan de voorkant van de neus bevat trilharen. Je noemt dit daarom ook wel trilhaarepitheel. De trilharen vervoeren slijm en lucht naar de keelholte. Daarnaast filteren ze de lucht die je inademt en houden ze zo stofdeeltjes en bacteriën tegen.
Neusamandelen
De neusamandelen zijn samen met andere amandelen onderdeel van het afweersysteem van het lichaam. De neusamandelen vangen ziekteverwekkers op en maken deze onschadelijk.
Neusholte
Inwendige neus
Keelholte
In de keelholte komen de neusholte, de mondholte, het strottenhoofd en de slokdarm samen. De keelholte laat voedsel en in en uitgeademde lucht door. Je kan niet tegelijk ademen en doorslikken, omdat voedsel anders in de luchtpijp komt. Om dit te voorkomen sluit de huig tijdens het slikken de neusholte af. Het strottenklepje sluit dan de luchtpijp af.
Strottenhoofd
Ingeademde lucht komt via de keelholte door het strottenhoofd (larynx) en stroomt daarna door naar de luchtpijp. Het strottenhoofd bestaat uit kraakbeen. Hierin liggen je stembanden. Dit zijn slijmvliesplooien die van vorm kunnen veranderen door spierwerking. Ze kunnen net als de snaren van een gitaar strakker gespannen worden. Geluid ontstaat doordat uitstromende lucht vanuit de longen je stembanden laat trillen.
WIST JE DAT? DE LUCHTPIJP IS 10 TOT
12 CENTIMETER LANG EN 2 TOT 3 CENTIMETER BREED.
Luchtpijp
Neusholte
Mondholte
Huig
Keelholte
Strottenklepje
Slokdarm
Luchtpijp
Strottenhoofd
De luchtpijp (trachea) bestaat uit zo’n twintig kraakbeenringen die de vorm van een hoefijzer hebben. Door het kraakbeen is je luchtpijp buigzaam en ook stevig: de luchtpijp wordt niet dichtgedrukt wanneer je beweegt. Je kunt de vorm van de luchtpijp vergelijken met een stofzuigerslang. De kraakbeenringen worden door spier en bindweefsel met elkaar verbonden. De achterwand van de luchtpijp, waar geen kraakbeen zit, is beweeglijk. Hierdoor kunnen grote stukken voedsel door de slokdarm zakken.
De binnenkant van de luchtpijp is bekleed met trilhaarepitheel. Hierdoor worden stofdeeltjes en bacteriën uit de ingeademde lucht gefilterd en de luchtpijp uitgewerkt richting de mond. Dit is een continu proces en hier merk je niks van.
Hoestreflex
Van een kruimel in je luchtpijp krijg je een hoestreflex. Je gaat dan automatisch hoesten om de kruimel er via je mond weer uit te krijgen.
Luchtpijptakken
Onderaan splitst de luchtpijp op in een linker en rechterluchtpijptak (de bronchiën). Deze splitsen ook weer op in kleinere vertakkingen (bronchioli). In de kleine vertakkingen zit geen trilhaarepitheel meer. De luchtpijp en de luchtpijptakken lijken samen op een omgekeerde boom.
Longen
Uiteindelijk komt de ingeademde lucht in de longen (pulmones). In de longen wordt je lichaam voorzien van zuurstof en wordt koolstofdioxide uit het bloed verwijderd.
De kleine vertakkingen van de luchtpijp komen uit in de longblaasjes (alveolen). Dit zijn bolvormige zakjes met cellen die stoffen uitwisselen tussen de lucht in de longen en het bloed in je lichaam. Dit bloed zit in de haarvaten. Haarvaten zijn de kleine bloedvaatjes die om de longblaasjes liggen. Zo komt ingeademde zuurstof in je bloed terecht en wordt koolstofdioxide via je longen afgevoerd. Deze uitwisseling heet diffusie
Samenstelling in- en uitgeademde lucht
Ingeademde lucht bestaat uit:
20% zuurstof
0,03% koolstofdioxide
79% stikstof
waterdamp
Uitgeademde lucht bestaat uit:
16% zuurstof
4% koolstofdioxide
79% stikstof
waterdamp
WIST JE DAT? JE LONGBLAASJES VORMEN EEN OPPERVLAKTE VAN 100 M 2 . DIT IS DE AFMETING VAN TWEE GEMIDDELDE LESLOKALEN SAMEN.
De linkerlong is iets kleiner dan de rechter, omdat het hart ruimte nodig heeft
Bronchiën
Bronchioli
Longblaasjes omgeven met haarvaten
Werking van diffusie
Zuurstof en koolstofdioxide worden uitgewisseld, omdat er een concentratieverschil tussen de longblaasjes en de haarvaten is. Wanneer je inademt:
is het zuurstofgehalte in de longblaasjes hoger dan in het bloed. Hierdoor stroomt de zuurstof naar het bloed.
is het koolstofdioxidegehalte in het bloed hoger dan in de longen. Hierdoor stroomt de koolstofdioxide naar de longen. Deze adem je vervolgens uit.
Je ziet op de laatste afbeelding dat niet alle zuurstof naar de haarvaten stroomt: een deel blijft in de longblaasjes. Dat deel van de ingeademde zuurstof adem je dus direct weer uit. Andersom blijft er ook een deel van de koolstofdioxide in de haarvaten zitten.
Train je kennis over de ademhalingsorganen met de online trainer. Snelcode 26188
haarvat
longblaasje
TIP
MEER LEZEN OVER DIFFUSIE? ZOEK IN HOOFDSTUK 5 ‘BLOED EN LYMFEVATEN STELSEL’ NAAR HET KOPJE ‘HOMEOSTASE’.
zuurstof koolstofdioxide
Diffusie in longblaasje en haarvat
Diffusie van zuurstof of koolstofdioxide
8.2
Ademhalingsspieren en ademhaling
Naast de ademhalingsorganen heb je ook spieren nodig om te ademen. De belangrijkste ademhalingsspieren zijn:
het middenrif
de buikspieren
de tussenribspieren
Je gebruikt deze spieren bij twee soorten ademhaling: de buikademhaling en de borstademhaling. De ademhaling is meestal een combinatie van deze twee soorten, dit heet de gecombineerde ademhaling. De spieren zorgen ervoor dat je borstholte groter en weer kleiner wordt.
Buikademhaling
De buikademhaling heet ook wel de middenrifademhaling. Dit komt omdat je voor deze ademhaling het middenrif gebruikt. De buikademhaling is een diepe ademhaling waarbij je buik uitzet en weer inkrimpt. Naast het middenrif gebruik je hiervoor je buikspieren.
Middenrif
Het middenrif (diafragma) is de belangrijkste ademhalingsspier en heeft de vorm van een koepel. Deze spier vormt een scheidingswand tussen de borstholte en de buikholte. Wanneer je inademt, wordt het middenrif platter en beweegt het omlaag waardoor je borstholte ruimer wordt. Hierdoor kunnen je longen meer lucht opnemen. Wanneer je uitademt, ontspant het middenrif en komt het weer omhoog. Het neemt nu weer de
koepelvorm aan, waardoor de borstholte kleiner wordt. Zo helpt het middenrif lucht uit de longen te persen.
Buikspieren
Voor de buikademhaling gebruik je ook je buikspieren. Bij inademing ontspannen de buikspieren zich en komt de buik naar voren. Zo ontstaat er meer ruimte voor lucht. Bij de uitademing spannen de buikspieren zich en verkleint de borstholte.
Buikademhaling:
Borstademhaling
De borstademhaling heet ook wel de ribbenademhaling. Dit komt omdat je de spieren tussen je ribben gebruikt, de tussenribspieren. De borstademhaling is een oppervlakkige ademhaling. Je voelt bij deze ademhaling je borstkas uitzetten en inkrimpen.
Wanneer je inademt, bewegen de ribben en het borstbeen omhoog. Hierdoor wordt de borstholte groter en kunnen je longen zich vullen met lucht. Wanneer je uitademt, bewegen de ribben en het borstbeen weer omlaag. Zowel bij het in als uitademen span je je spieren aan. Hierdoor kost deze ademhaling meer energie dan de buikademhaling, want daarbij is je middenrif ontspannen bij het uitademen.
Ontspannen en gespannen ademhalen
De buikademhaling is de beste ademhaling voor je lichaam. Deze ademhaling geeft je hersenen een signaal om te ontspannen en te kalmeren.
Wanneer je gestrest bent, ga je automatisch opper vlakkig ademen met de borstademhaling. Die kost je meer energie en je ontspant er niet van. Een manier om dan weer te ontspannen is om bewust de buikademhaling te gebruiken.
Wanneer je ademhaling te snel en te diep is, heb je last van hyperventilatie. Dit kan ontstaan door spanning of angst. Bij hyperventilatie raakt de verhouding van zuurstof en koolstofdioxide in het bloed uit balans, waardoor je bijvoorbeeld benauwd, duizelig of misselijk kunt worden. Wanneer je een aanval hebt of voelt aankomen, kun je het beste proberen om rustig te blijven ademen.
Longvliezen
Longen zijn geen spieren en brengen zichzelf dus niet in beweging, maar volgen wel de ademhalingsbeweging van de borstkas. Dit komt door een dubbel vlies dat om de longen zit. Het buitenste vlies zit aan de binnenkant van de borstkas vast en heet het borstvlies. Het binnenste vlies zit vast aan de longen en heet het longvlies. In de ruimte ertussen zit vocht, waardoor de vliezen aan elkaar plakken. Hierdoor gaan de longen mee omhoog als de borstkas omhooggaat.
Ademcentrum
De ademhaling wordt aangestuurd door het ademcentrum in je hersenen. Dit ligt aan de onderkant van je hersenstam, in het verlengde merg. Vanuit het centrum lopen zenuwen naar de ademhalingsspieren.
Dit centrum stemt de ademhaling af op de behoefte van je lichaam. Dit doet het centrum door je bloed constant te testen op het gehalte aan koolstofdioxide. Wordt het gehalte koolstofdioxide te hoog, dan laat het centrum je sneller ademen. Doordat dit automatisch gaat, is het ademcentrum onderdeel van het autonome zenuwstelsel.
Hoeveel weet jij nu van de ademhaling? Doe de online boekcheck. Snelcode 27184
Ademcentrum
9.Stofwisseling en spijsvertering
Gezonde voeding en een goede werking van de stofwisseling en spijsvertering zijn erg belangrijk voor een gezonde huid. Via voeding krijgt het lichaam, en dus ook de huid, voedingsstoffen binnen die het nodig heeft om gezond te blijven. In dit hoofdstuk leer je hoe de stofwisseling en spijsvertering samenwerken om het lichaam gezond te houden.
9.1
Stofwisseling
Je merkt er niets van, maar je lichaam is 24 uur per dag bezig met het in stand houden van zichzelf. Zelfs als je helemaal in rust bent, werkt je lichaam door. Om lichaamsprocessen zoals je hartslag en ademhaling altijd door te laten gaan, heeft je lichaam energie nodig. Het proces van stofwisseling zorgt ervoor dat je lichaam daar altijd energie voor heeft.
De stofwisseling haalt voedingsstoffen zoals vetten, eiwitten en koolhydraten uit voeding en levert zo energie en bouwstoffen aan je lichaam. Stofwisseling is dus het opnemen, omzetten en verbranden van de voedingsstoffen die het lichaam binnenkrijgt. Dankzij dit proces worden lichaamsfuncties in stand gehouden. Afvalstoffen die overblijven na stofwisseling worden door het lichaam afgevoerd. Stofwisseling wordt ook wel metabolisme of het metabole systeem genoemd.
Er zijn vier stofwisselingsprocessen: assimilatie, anabolisme, katabolisme en dissimilatie.
TIP IN HET HOOFDSTUK
‘VOEDINGSLEER’ LEER JE MEER OVER VERSCHILLENDE VOEDINGSSTOFFEN EN WELKE FUNCTIE ZE HEBBEN IN HET LICHAAM.
Zelfs in rust is je lichaam aan het werk.
Assimilatie
Veel stoffen uit voeding, zoals vetten, koolhydraten en eiwitten, zijn lichaamsvreemde stoffen. De stofwisseling vervormt deze voedingstoffen net zo lang totdat ze veranderd zijn in lichaamseigen brandstoffen en bouwstoffen. Dit proces heet assimilatie. Assimilatie vindt plaats in darmwand en levercellen en wordt ook wel anabolisme genoemd. De lichaamseigen stoffen die ontstaan, zorgen voor de opbouw van het lichaam.
Dissimilatie
Nadat de cellen via assimilatie brandstoffen hebben ontvangen, verbranden ze die. Hierbij komt de energie vrij die in de oorspronkelijke voedingsstoffen was opgeslagen. Een deel van de energie wordt omgezet in warmte. Daarmee houden we ons lichaam op een constante temperatuur (tussen de 36,5 en 37,5 °C). De energie die overblijft, gebruikt je lichaam voor allerlei processen, zoals de werking van organen en spieractiviteit. Het proces waarbij cellen brandstoffen verbranden en daarmee warmte en energie vrijmaken, heet dissimilatie.
Anabolisme
Ook binnen het lichaam worden stoffen omgezet. De opbouwstofwisseling zorgt voor de vorming van eiwitten. Deze eiwitten worden vervolgens gebruikt voor de opbouw en reparatie van spieren, organen en andere weefsels.
Katabolisme
Katabolisme is het tegenovergestelde van anabolisme. Complexe stoffen in het lichaam, zoals koolhydraten en vetten, worden afgebroken tot eenvoudigere stoffen. Dit proces levert het lichaam energie op. Dissimilatie is zo’n proces dat energie vrijmaakt.
Energieproductie
De energie die bij verbranding (dissimilatie) vrijkomt, druk je uit in kilocalorieën (kcal) of in kilojoules (kJ). 1 kilocalorie (kcal) is de hoeveelheid warmte die nodig is om 1 liter water, 1 graad Celsius te laten stijgen. 1 kilojoule (kJ) is de hoeveelheid energie die nodig is om in 1 seconde een massa van 1 kilo te verplaatsen.
Hoeveel energie en warmte er bij dissimilatie vrijkomt, hangt af van de brandstof die wordt verbrand:
1 gram vet is 9 kcal of 38 kJ
1 gram eiwit is 4 kcal of 17 kJ
1 gram koolhydraat 4 kcal of 17 kJ
WIST JE DAT?
ASSIMILATIE WORDT
EEN PROCES VAN OPBOUW
GENOEMD, TERWIJL
DISSIMILATIE JUIST EEN AFBRAAKPROCES IS.
Hoeveel calorieën heeft je lichaam nodig?
Hoeveel energie je nodig hebt, hangt af van hoe actief je bent. Slaap kost je bijvoorbeeld 1 kilocalorie per uur per kilo lichaamsgewicht. Als je intensief studeert, kost het je al snel 1,5 tot 3 kcal/u per kilo lichaamsgewicht. Als je 60 kilo weegt, verbrand je dus met een uur slapen 60 kcal en met een uur studeren 90 tot 180 kcal.
Dissimilatie zorgt ervoor dat je energie hebt voor je activiteiten.
De stofwisseling beïnvloeden
Je kunt je stofwisseling beïnvloeden door jezelf veel of juist weinig in te spannen of door meer of minder voeding te nemen. Als je je relatief veel inspant, verbrandt je lichaam meer (dissimilatie) dan dat je lichaam opbouwt (assimilatie). Daardoor val je af. Als je lichaam meer voedingsstoffen binnenkrijgt (assimilatie) dan het kan verbranden (dissimilatie), kom je juist aan.
Als de dissimilatie lange tijd hoger is dan de assimilatie, krijgt je lichaam niet genoeg energie. Het lichaam haalt dan energie uit de reservevoorraad: je vet. Als deze reservevoorraad op is, worden eiwitten uit spieren verbrand. Daardoor worden spieren afgebroken.
Stofwisselings systemen
Stofwisselingsprocessen zoals assimilatie en dissimilatie werken niet uit zichzelf. Dankzij de hulp van vier systemen komt de stofwisseling tot stand:
de spijsvertering
de ademhaling
de bloedsomloop
de uitscheiding
Het spijsverteringssysteem moet de voeding eerst verteren zodat er daarna bruikbare voedingsstoffen overblijven voor de assimilatie. Om de voedingsstoffen vervolgens te verbranden (dissimilatie), is er zuurstof nodig. Deze zuurstof zit in de lucht die we inademen: het ademhalingssysteem neemt de zuurstof op.
9.2 Spijsvertering
Vaak halen we de stofwisseling en de spijsvertering door elkaar. Niet zo gek, want deze twee processen kunnen niet zonder elkaar. Maar ze zijn niet hetzelfde. Het spijsverteringssysteem zorgt er namelijk voor dat de stofwisseling zijn werk kan doen.
De bloedsomloop transporteert de zuurstof uit het ademhalingssysteem en de voedingsstoffen uit het spijsverteringsysteem naar de lichaamscellen. In de cellen worden de voedingsstoffen opgenomen en met behulp van zuurstof verbrand. Het bloed neemt de afvalstoffen die bij de verbranding vrijkomen weer mee.
Het uitscheidingssysteem bestaat uit uitscheidingsorganen (de longen, nieren en de zweetklieren) die de afvalstoffen uit het bloed filteren en afvoeren.
Heb je de informatie over de stofwisseling nog niet helemaal goed verteerd? Bekijk de uitleg van een expert in de online masterclass. Snelcode 21193
Het spijsverteringssysteem verteert voeding: het maakt voeding fijn. Zo kunnen de nuttige stoffen uit de voeding in het bloed en de lymfe terechtkomen en voor de stofwisseling gebruikt worden. Stofwisseling vindt dus altijd pas ná de spijsvertering plaats.
Door te sporten beïnvloed je je stofwisseling.
Om voeding zo fijn te maken dat het opgenomen kan worden in het bloed, zet de spijsvertering verschillende organen in:
de mondholte
de keelholte
de slokdarm
de maag
de dunne darm
de dikke darm
Samen vormen deze organen een verbinding tussen de mondholte en de anus. Deze verbinding wordt ook wel het spijsverteringskanaal genoemd.
Er zijn ook organen die niet bij het spijsverteringskanaal horen, maar de spijsvertering wel ondersteunen. De ondersteunende spijsverteringsorganen zijn:
de alvleesklier
de lever
de galblaas
Wand van spijsverteringsorganen
De wand van de spijsverteringsorganen is van binnen naar buiten opgebouwd uit vier lagen:
1. slijmvlies van epitheelweefsel met slijmproducerende cellen
2. circulair verlopend glad spierweefsel
3. glad spierweefsel in lengterichting
4. bindweefsel
Daarnaast zitten er om de mondholte en keelholtewand nog botten en spieren.
Mondholte
Keelholte
Slokdarm
Maag Lever
Alvleesklier
Galblaas
Dunne darm
Dikke darm
Tong
De tong verplaatst het voedsel in de mond en zorgt dat het zich goed kan mengen met het speeksel. Met de tong neem je ook de smaken zout, zuur, zoet, bitter en umami waar. Na het kauwen schuift de tong het voedsel naar het keelgat. Na het doorslikken komt het voedsel in de keelholte terecht.
Keelholte
De keelholte is de ruimte achter de mondholte en de neusholte. De keelholte gaat over in de slokdarm (richting de maag) en het strottenhoofd (richting de luchtpijp). In de keelholte kruisen het spijsverterings en het ademhalingsstelsel elkaar. De slikreflex zorgt ervoor dat het voedsel alleen in de slokdarm terechtkomt en niet in de neusholte of luchtpijp.
Mondholte
De spijsvertering begint in de mondholte.
Daar komt het voedsel in aanraking met:
het gebit
speeksel
de tong
Gebit
Het gebit hakt voedsel in kleine stukken en vermaalt het. De tanden en kiezen hebben hier elk hun eigen functie bij. De snijtanden snijden of bijten het voedsel af. De hoektanden houden een stuk voedsel stevig vast en helpen bij het afbijten. De kiezen vermalen het voedsel.
Speeksel
Het speeksel helpt bij het afbreken van voedsel. De oorspeekselklieren, ondertongspeekselklieren, onderkaakspeekselklieren en slijmcellen in het slijmvlies van de mondholte maken speeksel aan.
Speeksel bevat enzymen. Een enzym is een stof die de spijsvertering versnelt. Je kunt enzymen vergelijken met kleine scharen die voeding versnipperen tot voedingsstoffen. In speeksel zit bijvoorbeeld amylase. Dat maakt een begin met het afbreken van koolhydraten tot de voedingsstof glucose. Zo verloopt de vertering van het voedsel sneller. Deze versnellende invloed op lichaamsprocessen wordt ook wel katalyseren genoemd.
De slikreflex is de automatische slikbeweging die plaatsvindt wanneer de tong het voedsel naar het achterste deel van de mondholte verplaatst. Tijdens het slikken sluit de huig de neusholte af, waardoor het voedsel niet in de neus terecht kan komen. De tong sluit de luchtpijp af door het strottenklepje op het strottenhoofd naar beneden te duwen. Zo kan het voedsel ook niet in de luchtpijp terechtkomen.
Enzymen zijn een soort scharen die voeding versnipperen.
WIST JE DAT? JE TONG BESCHERMT JE TEGEN GIFTIG VOEDSEL. ALS JE TONG EEN SCHADELIJKE STOF HERKENT, SPUUG JE HET VANZELF WEER UIT.
Verslikken
Iedereen verslikt zich weleens, maar hoe komt dit? Wanneer je je verslikt, belandt een voedseldeeltje in je luchtpijp. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer je tegelijkertijd praat en slikt. Het strottenklepje blijft dan openstaan waardoor voedsel de luchtpijp in kan. Als reactie ga je hoesten, waardoor het voedseldeeltje uit de luchtpijp wordt geduwd.
Neusholte
Huig
Mondholte
Keelholte
Strottenklepje
Slokdarm Luchtpijp
Slikken
Slokdarm
De slokdarm verbindt de keelholte met de maag. De slokdarm verplaatst het voedsel met samentrekkende bewegingen. Deze bewegingen worden ook wel peristaltiek of peristaltische bewegingen genoemd.
Kringspieren zorgen voor deze peristaltische beweging. Boven de voedselbrok trekken deze spieren zich samen, terwijl ze onder de voedselbrok ontspannen. Hierdoor knijpen de spieren het voedsel vooruit in de slokdarm. Dankzij de peristaltiek beweegt de slokdarm vloeistoffen in gemiddeld zeven seconden naar de maag. Vaste stoffen doen er iets langer over.
WIST JE DAT?
PERISTALTIEK KOMT
NIET ALLEEN IN DE SLOKDARM, MAAR OOK IN DE MAAG EN DARMEN VOOR.
Maag
Vanuit de slokdarm komt het voedsel in de maag terecht. De maag heeft drie functies: het kneden en fijnmaken van voedselbrokken het doden van bacteriën het verder afbreken van eiwitten
Tijdens het kneden mengt de maag de voedselbrokken met maagsap. De maagsapklieren in de maagwand scheiden dit maagsap af. Het doodt bacteriën die met de voedingsbrokken mee naar binnen komen en breekt de voedingsbrokken in kleinere stukken af.
Maagsap bestaat uit zoutzuur, enzymen (proteasen) en water. Het zoutzuur heeft zo’n hoge zuurgraad dat bacteriën niet kunnen overleven.
Om te voorkomen dat het sterke zoutzuur de maagwand aantast, is de binnenkant van de maag bekleed met slijmvlies. De enzymen uit het maagsap maken een begin met de eiwitvertering.
Ze splitsen de eiwitten in kleinere deeltjes op.
Wanneer het voedsel in de maag tot een zure voedselbrij is gekneed, glijdt het door een gat aan het einde van de maag richting de dunne darm. Dit gat is een kringspier: de maagportier. De maagportier bewaakt de uitgang van de maag
WIST JE DAT? ALS JE ALLE
DARMVLOKKEN GLAD ZOU
STRIJKEN, ZOU DE DUNNE DARM ONGEVEER ZEVEN KILOMETER LANG ZIJN!
Peristaltiek van de slokdarm. Dankzij samentrekking en ontspanning van de kringspieren beweegt voedsel richting de maag.
en de ingang van de dunne darm. Meestal is deze kringspier gesloten zodat het voedsel in de maag blijft. Alleen wanneer de voedselbrij zuur genoeg is, gaat de maagportier even open en kan een deel van het voedsel de maag verlaten.
Dunne darm
In de dunne darm begint de spijsvertering eigenlijk pas echt. Hier worden de voedseldeeltjes zo klein dat ze kunnen worden opgenomen in de darmwand. Vanuit daar belanden ze in het bloed en de lymfe. Dit proces noem je resorptie
Om zo veel mogelijk voedseldeeltjes op te kunnen nemen, moet de darmwand een zo groot mogelijk oppervlak hebben. Daarom bestaat de dunne darm uit plooien. In de uitstulpingen van deze plooien liggen darmvlokken. Dankzij deze plooien en darmvlokken heeft de dunne darm een enorm groot verteringsoppervlak.
In de darmvlokken vindt de resorptie plaats. Elk vlokje heeft een minuscuul bloedvaatje. Deze vaatjes staan wijd open en zitten vol met bloed. Ze nemen de kleinst mogelijke deeltjes van koolhydraten (glucosemoleculen) en eiwitten (aminozurenmoleculen) op en vervoeren deze naar het bloedvatenstelsel. WIST JE DAT?
Voedseldeeltje
DE MICROSCOOP ZIE JE OP 1 MM² DUNNEDARM WAND WEL DERTIG DARMVLOKKEN.
Darmvlok
Bloedvat
Chylusvat
Resorptie in de dunne darm
Twaalfvingerige darm
Nuchtere darm
Verteringssappen
Kronkeldarm
Je kunt verteringssappen vergelijken met wasmiddel. Wasmiddel bevat verteringsenzymen en vetoplossers. Het ’verteert’ vettige, eiwithoudende of suikerachtige substanties en voert ze met het vuile water af. Dat gebeurt ook in de dunne darm. Hier lossen de verteringssappen ook eiwit, vet of koolhydraten op zodat ze via de darmwand met het bloed kunnen worden vervoerd.
Langs darmvlokken loopt een speciaal lymfevat: het chylusvat of chylvat. De verteringsproducten van vetten, vetzuren en glycerolmoleculen, komen via de chylvaten in de lymfe terecht. Lymfevocht waar vet in zit, noem je chylus. De voedingsstoffen in chylus komen via de lever uiteindelijk ook in de bloedsomloop terecht.
Hoe krijgt de dunne darm voedseldeeltjes zo klein dat ze kunnen worden opgenomen in het bloed en de lymfe? Dit komt door drie dunnedarmonderdelen:
de twaalfvingerige darm
de nuchtere darm
de kronkeldarm
Twaalfvingerige darm
De twaalfvingerige darm is het eerste deel van de dunne darm. In dit deel worden de voedseldeeltjes gemengd met verteringssappen. Ook neutraliseert de twaalfvingerige darm de zure spijsbrij uit de maag. In de twaalfvingerige darm komen drie soorten verteringssappen samen:
gal
alvleessap
darmsap
Vanuit de afvoerbuis van de galblaas komt gal in de twaalfvingerige darm terecht. Gal vormt zich in de lever en zorgt ervoor dat vetdeeltjes uit voeding verder verkleinen. Het verdeelt het vet in kleine bolletjes. Dat heet ook wel emulgeren.
Alvleessap wordt gemaakt in de alvleesklier (pancreas) en komt via een afvoerbuis binnen in de twaalfvingerige darm. In alvleessap zitten de enzymen amylase, lipase en protease. Deze enzymen breken koolhydraten, vetten en eiwitten af.
Darmsap wordt gemaakt door de darmsapklieren. Darmsap bevat net zoals alvleessap amylase, lipase en protease.
Onderdelen van de dunne darm
Karteldarm
Opstijgende tak
Dwarslopende tak
Afdalende tak
Sigmoïd
Blindedarm
Endeldarm
Nuchtere darm en kronkeldarm
De nuchtere darm en de kronkeldarm zijn het tweede en derde deel van de dunne darm. De darmsapklieren komen niet alleen in de twaalfvingerige darm, maar ook in deze delen voor. In de nuchtere darm en kronkeldarm vind je dus ook darmsappen die de voedseldeeltjes verder ‘opknippen’. In de kronkeldarm vindt het belangrijkste deel van de spijsvertering plaats: de resorptie van voedingsstoffen.
Dikke darm
De dikke darm houdt zich bezig met alles wat niet kon worden opgenomen in de dunne darm: de onverteerde voedingsresten. De dikke darm verzamelt deze voedingsresten en onttrekt er
vocht uit, waardoor ze indikken. De dikke darm biedt ook een thuishaven aan darmbacteriën die de laatste voedselresten ontbinden. Het resultaat van deze taken vind je terug in het toilet: feces, oftewel ontlasting of poep.
De dikke darm doet dus kort samengevat aan navertering en scheidt daarom geen verteringssappen meer af, maar slijm.
De dikke darm bestaat uit drie onderdelen: de blindedarm, de karteldarm en de endeldarm. De karteldarm kun je ook weer onderverdelen in:
de opstijgende tak
de dwarslopende tak
de afdalende tak
het sigmoïd
WIST JE DAT? AAN DE BLINDEDARM
ZIT HET WORMVORMIG
AANHANGSEL. BIJ EEN
BLINDEDARMONTSTEKING IS DIT AANHANGSEL ONTSTOKEN.
In de endeldarm verzamelt de ontlasting zich, waarna het via de anus het lichaam verlaat.
De anus is een kringspier die aan het uiteinde van de endeldarm ligt. De anus bestaat uit twee sluitspieren:
een uitwendige sluitspier (dwarsgestreept en willekeurig spierweefsel)
een inwendige sluitspier (glad en onwillekeurig spierweefsel)
Je voelt aandrang als de inwendige kringspier geopend is en de uitwendige kringspier gesloten. Bij het poepen open je de uitwendige kringspier en duw je de ontlasting eruit. Hierbij werken de buikspieren, de bekkenbodemspieren en het middenrif samen. Deze samenwerking heet de buikpers.
Darmflora
In de gehele dikke darm leven honderden tot duizenden verschillende typen darmbacteriën die je samen ook wel de darmflora noemt.
Alle bacteriën samen wegen wel 2 tot 3 kilo. De darmflora gebruikt de onverteerde voedingsresten in de dikke darm als voedingsbron en probeert er zo veel mogelijk voedingsstoffen uit te halen.
onderdelen van de dikke darm
Nietverteerbare vezels uit je voeding zijn een belangrijke voedingsbron voor de darmflora. De darmbacteriën laten deze vezels rotten en gisten. Dit wordt ook wel fermenteren genoemd. Door de vezels te fermenteren, zetten de darmbacteriën suikers en vezels om in voedingszuren.
Een belangrijk onderdeel van de darmflora zijn de colibacteriën. Deze leven in de dikke darm. De colibacteriën ontbinden (fermenteren) de laatste overgebleven voedselresten. Hierbij ontstaan gassen en voedingszuren die de spieren in de darmwand prikkelen. Zo ontstaan er samentrekkende darmbewegingen (de darmperistaltiek) die ervoor zorgen dat je geregeld naar het toilet kunt.
De voedingszuren die colibacteriën uitscheiden, houden ook de pHwaarde in de darm laag zodat ziekteverwekkers zich niet kunnen vermenigvuldigen. Verder verteren colibacteriën cellulose en vormen ze belangrijke vitaminen, zoals vitaminen van het Bcomplex en vitamine K.
Ondersteunende organen
Het spijsverterings en stofwisselingssysteem hebben drie onmisbare hulpkrachten: de alvleesklier, de lever en de galblaas.
Alvleesklier
De alvleesklier is een langgerekte klier die dwars achter de maag ligt. Dit orgaan is opgebouwd uit klierkwabjes die alvleessap produceren. In alvleessap zitten de enzymen protease, lipase en amylase. Via een afvoerbuis geeft de alvleesklier het alvleessap af aan de twaalfvingerige darm.
Naast alvleessap produceert de alvleesklier de hormonen insuline en glucagon. Deze hormonen organiseren de koolhydraatstofwisseling. Tijdens de spijsvertering worden koolhydraten omgezet in glucose. Insuline en glucagon zorgen ervoor dat de hoeveelheid glucose in het bloed (de bloedsuikerspiegel) op peil blijft en dat glucose door de lichaamscellen kan worden verbrand. De alvleesklier geeft insuline en glucagon direct af aan het bloed.
groef: de leverpoort. Daar gaan twee bloedvaten de lever binnen: de poortader en de leverslagader. Hier vind je ook de afvoerbuis die gal van de lever afvoert. De lever heeft allerlei functies. Eén functie is dat de lever werkt als opslagorgaan voor de vitaminen A, B12, D en K.
De lever ondersteunt net zoals de alvleesklier de koolhydraatstofwisseling . Als er te veel glucose in het bloed zit (hoge bloedsuikerspiegel), slaat de lever dit teveel op als glycogeen. Wanneer de bloedsuikerspiegel te laag is, wordt glycogeen weer afgebroken tot glucose en afgegeven aan het bloed. De lever werkt hierbij samen met de alvleesklier.
De lever speelt ook een rol in de eiwitstofwisseling. Lichaamsvreemde eiwitten uit de voeding worden in de lever omgezet tot lichaamseigen eiwitten door het proces van assimilatie. Eiwitten die niet nodig zijn voor de opbouw van het lichaam, breekt de lever af tot ammoniak. Ammoniak wordt omgezet in ureum en uitgescheiden door de nieren.
Train je kennis over de spijsverteringsorganen met de online trainer.
Snelcode 26198
Lever
De lever ligt naast de maag, tegen het middenrif aan. De lever is het grootste inwendige orgaan en bestaat uit twee kwabben: de rechterkwab en de linkerkwab. Aan de onderkant van de lever ligt een
Tot slot speelt de lever een rol in de vetstofwisseling. De lever vormt onder andere lichaamseigen vetten uit vetzuren en glycerol. De lever zorgt er ook voor dat de spijsvertering vetten goed kan afbreken. De lever produceert namelijk gal, dat vetten in de darmen emulgeert. Ook activeert gal het enzym lipase dat vetten helpt afbreken tot vetzuren en glycerolmoleculen. De gal die de lever produceert, wordt afgevoerd naar de galblaas.
Lever
Alvleesklier
De veelzijdige lever
De lever heeft in je lichaam ook de rol van controleur en ontgifter. Via het bloed passeren alle opgenomen voedingsstoffen de lever. Die test ze opnieuw en geeft ze door aan de grote bloedsomloop. Ook zet de lever schadelijke stoffen om of verbindt ze met andere stoffen. Het bloed ontvangt daardoor onschadelijke stoffen en geeft deze door aan de nieren. Via de urine verlaten de stoffen het lichaam.
Galblaas
De galblaas ligt onder de rechterleverkwab, in een groef. Het heeft de grootte en vorm van een peertje. De wand van de galblaas heeft een dikke slijmlaag om zich te beschermen tegen de gal.
De galblaas transporteert de gal die in de lever is geproduceerd naar de twaalfvingerige darm. Gal die niet direct nodig is, slaat de galblaas op.
Test je kennis over stofwisseling en spijsvertering met de online boekcheck.
Snelcode 27190
WIST JE DAT? DE LEVER VORMT MET VITAMINE K BLOEDSTOLLINGSEIWITTEN.
Galblaas
10. Voedingsleer
Je bent net te lang in je bed blijven liggen nadat de wekker ging. Je springt snel onder de douche en maakt je daarna vlug klaar om naar de salon te gaan. Je wilt natuurlijk niet dat je eerste cliënt voor een dichte deur staat. Nadat de eerste twee cliënten zijn geweest, voel je je moe en beginnen je handen te trillen. Oei, in alle haast ben je vergeten te ontbijten vanmorgen…
Elke hap eten of slok drinken die je neemt, bevat voedingsstoffen. Je lichaam heeft deze voedingsstoffen nodig om te kunnen functioneren. Je hebt ze nodig om te bewegen, na te denken en de lichaamsprocessen draaiende te houden, maar ook om te herstellen als je bijvoorbeeld een wond oploopt.
Voedingsstoffen kun je verdelen in:
brandstoffen, die energie leveren aan het lichaam;
bouwstoffen, die helpen bij de groei en het herstel van het lichaam;
hulpstoffen, die lichaamsprocessen ondersteunen.
De belangrijkste brandstoffen zijn koolhydraten en vetten. Belangrijke bouwstoffen zijn eiwitten en water. De hulpstoffen zijn vitaminen en mineralen. In dit hoofdstuk leer je meer over deze voedingsstoffen.
TIP IN HET HOOFDSTUK ‘STOFWISSELING EN SPIJSVERTERING’ LEES JE HOE HET LICHAAM VOEDINGSSTOFFEN VERWERKT EN GEBRUIKT.
hoofdstuk
10.1 Koolhydraten
Het lichaam gebruikt koolhydraten als energiebron. Je vindt ze in vooral in aardappelen, peulvruchten en graanproducten, maar ook in groenten en fruit. Koolhydraten ontstaan door de fotosynthese die plaatsvindt in groene planten. De plant neemt water uit de bodem en koolzuurgas uit de lucht op. Met behulp van zonnestralen vormt de plant
glucose en zuurstof. De glucose wordt in de plant omgezet in zetmeel. De plant slaat dit zetmeel op in de eigen bollen, knollen of zaden, zoals aardappelen of graankorrels.
Functie
Koolhydraten zijn brandstof voor je lichaam. 1 gram koolhydraten levert na verbranding in de cellen 17 kilojoule (4 kcal). Koolhydraten zorgen er ook voor dat je bloedsuikergehalte op peil blijft. Dat is belangrijk, omdat je minder energie hebt en je je minder goed kunt concentreren als je een lage bloedsuikerspiegel hebt.
WIST JE DAT?
JE BLOEDSUIKERSPIEGEL
IS ’S MORGENS NA HET
OPSTAAN VAAK LAAG. HET
ONTBIJT IS DAAROM EEN
BELANGRIJKE START VAN JE DAG.
Koolhydraten beïnvloeden de werking van de darmen. In celwanden van plantaardige cellen zit namelijk het onverteerbare koolhydraat cellulose. Cellulose bevat voedingsvezels die zorgen voor de darmperistaltiek. Als je te weinig voedingsvezels binnenkrijgt, kun je last krijgen van trage darmen of verstopping.
Stofwisseling
Koolhydraten worden met behulp van het enzym amylase afgebroken tot glucose. Glucose is de brandstof voor je spieren. Bij de verbranding van glucose komen kooldioxide en water vrij. Glucose die niet direct gebruikt wordt, wordt omgezet in glycogeen en als reservevoorraad opgeslagen in je spieren en lever. Je lichaam kan dit gebruiken als er te weinig glucose in het bloed zit. Zo houdt je lichaam de bloedsuikerspiegel stabiel.
Brood, aardappelen en pasta zijn voorbeelden van koolhydraatrijke producten.
10.2
Vetten
Het lichaam heeft vetten nodig, maar kan de belangrijke vetten niet zelf aanmaken. Daarom is het belangrijk om ze binnen te krijgen.
Vetten kunnen afkomstig zijn van planten of dieren. In plantaardige producten zitten vaak onverzadigde vetten, terwijl in dierlijke producten verzadigde vetten zitten. Onverzadigde vetten zijn goed voor je lichaam, maar een teveel daarvan kan ook schadelijk zijn. Verzadigde vetten verhogen het cholesterol en kunnen daardoor hart en vaatziekten veroorzaken.
Functie
Vetten zijn een belangrijke energiebron voor je lichaam. 1 gram vet levert ongeveer 38 kilojoule (9 kcal). Tijdens de verbranding van vet ontstaat warmte. Deze warmte wordt gebruikt om het lichaam op temperatuur te houden. Daarnaast heeft vet de volgende functies:
De onderhuidse vetlaag om organen heeft een warmte isolerende functie: het beschermt de organen tegen afkoeling.
Vet vormt de myelinescheden om de uitlopers van zenuwcellen. De myelinescheden zorgen voor isolatie en geleiding van prikkels.
Vet zorgt ervoor dat organen op hun plek blijven.
Vet in onderhuids bindweefsel werkt als een stootkussen.
Stofwisseling
Vetten worden door het enzym lipase afgebroken. Er ontstaan vetzuren en glycerol. Dit zijn brandstoffen voor het lichaam. Het vet dat niet verbrand wordt door het lichaam, wordt opgeslagen in onderhuids bindweefsel. Dit is een reserveenergiebron. Bij de verbranding van vetten komen kooldioxide en water vrij.
Naast vetzuren en glycerol, haalt het lichaam ook cholesterol uit vetten. Dit is een vetachtige stof die het lichaam nodig heeft om bijvoorbeeld cellen aan te maken. Cholesterol wordt ook door het lichaam zelf aangemaakt. Verzadigde vetten bevatten veel cholesterol en verhogen het cholesterolgehalte in het bloed. Als er te veel cholesterol in het bloed zit,
WIST JE DAT?
ALS HET LICHAAM TE VEEL VOEDINGSSTOFFEN
BINNENKRIJGT, WORDT DIT ALS RESERVE OPGESLAGEN IN DE VORM VAN VET.
kan dit aan de bloedvatwanden blijven plakken. Daardoor kunnen de bloedvaten geblokkeerd raken en kunnen hart en vaatziekten ontstaan. Onverzadigde vetten helpen het cholesterolgehalte op peil te houden.
Onverzadigde vetten vind je onder andere in vis, noten, plantaardige olie en vruchten.
10.3
Eiwitten
Eiwitten leveren calorieën, maar ook aminozuren die belangrijk zijn voor de opbouw van cellen. In bijna alle voedingsmiddelen zitten eiwitten. Deze eiwitten kunnen zowel plantaardig als dierlijk zijn. Belangrijke plantaardige bronnen zijn graanproducten, peulvruchten en noten. Dierlijke bronnen van eiwit zijn vlees, vis, melkproducten en eieren.
Ieder eiwit is opgebouwd uit vijf verschillende elementen, namelijk:
koolstof
waterstof
zuurstof
stikstof
zwavel
Deze elementen vormen samen verbindingen die aminozuren genoemd worden. In het lichaam komen wel twintig verschillende aminozuren voor die allemaal hun eigen opbouwende functie hebben.
Functie
Eiwitten zijn bouwstoffen voor de lichaamscellen: eiwit is nodig om cellen en weefsels op te bouwen en te herstellen. Voor de opbouw en het herstel breekt het lichaam eiwit af en vervangt dit door nieuw eiwit. Het lichaam verwijdert ook beschadigd eiwit zodat dit geen schade aan kan richten.
Eiwitten kunnen ook als brandstof dienen. 1 gram eiwit levert 17 kilojoule (4 kcal). Dit kan gebruikt worden wanneer het lichaam verzwakt is, bijvoorbeeld tijdens ziekte.
Stofwisseling
Eiwitten uit voeding worden door de enzymen protease en pepsine afgebroken. Hierdoor ontstaan de aminozuren. De afvalstoffen die bij de verbranding vrijkomen, zijn ammoniak en ureum. Deze worden uitgescheiden via de urine.
JE DAT?
ALS JE VEEL SPORT, HEEFT JE LICHAAM VEEL EIWITTEN NODIG OM JE SPIEREN GEZOND TE HOUDEN.
Eiwitten zijn nodig voor de spieropbouw.
10.4 Water
Je lichaam bestaat voor ongeveer 70% uit water. Je krijgt water binnen door te drinken, maar ook door te eten. Daarnaast ontstaat water bij de verbranding van brandstoffen. Om je vochtbalans goed te houden, moet de hoeveelheid water die je per dag binnenkrijgt ongeveer gelijk zijn aan de hoeveelheid die je verliest door plassen, zweten, ontlasting en ademen.
Functie
Water heeft verschillende functies in het lichaam. Allereerst functioneert het als bouwstof voor cellen. Een cel bestaat voor 75% uit water. In totaal bestaat ongeveer 70% van het lichaam uit water. Ongeveer 75% hiervan zit in cellen (intracellulair), de andere 25% bevindt zich buiten de cellen, in bloedplasma en weefselvocht.
Vochttekort
Een vochttekort is een ernstige verstoring van de vochtbalans. Het lichaam heeft te weinig water, waardoor lichaamsfuncties worden verstoord. Je kunt een vochttekort zien aan de huid: de huid heeft dan geen veerkracht meer.
TIP
IN DE PARAGRAAF
‘CELLEN’ VAN HET HOOFDSTUK ‘CELLEN
EN WEEFSELS’ LEES JE
MEER OVER DE OPBOUW
VAN EEN CEL.
Het lichaam gebruikt water ook als transportmiddel. Het bloedplasma vervoert voedingsstoffen naar alle cellen en afvalstoffen naar de uitscheidingsorganen. Dit bloedplasma bestaat voor het grootste deel uit water.
Een andere functie van water is de temperatuurregeling van het lichaam. Transpiratievocht (zweet) koelt af op de huid en laat daardoor het lichaam afkoelen. De lichaamstemperatuur blijft hierdoor constant.
Vitaminen
Vitaminen zijn hulpstoffen voor het lichaam. Je lichaam heeft ze nodig ter voorkoming van ziektes. Er zijn twee groepen vitaminen: vitaminen die oplosbaar zijn in vet; vitaminen die oplosbaar zijn in water.
Je lichaam maakt zelf geen vitaminen aan. Maar als je gevarieerd eet, krijg je alle belangrijke vitaminen binnen. Als je te weinig of te eenzijdig eet, kan er een gebrek aan sommige vitaminen ontstaan. Dat kan leiden tot ziektes.
Provitaminen
Je lichaam maakt zelf geen vitaminen aan, maar kan wel bepaalde vitaminen aanmaken vanuit provitaminen. Provitaminen zijn stoffen waaruit het lichaam in bepaalde omstandigheden vitaminen kan vormen. Voorbeelden zijn caroteen en ergosterol. De lever zet caroteen om in vitamine A. Uit ergosterol wordt in de huid met behulp van uv Bstraling vitamine D gemaakt.
WIST JE DAT? VITAMINE C EN VITAMINE E WERKEN ALS ANTIOXIDANT. DAT WIL ZEGGEN DAT ZE LICHAAMSCELLEN BESCHERMEN TEGEN VRIJE RADICALEN (AGRESSIEVE STOFFEN).
Als je veel zweet, moet je extra water drinken.
Vitamine Functie
Vitamine A verbetert gezichtsvermogen
beschermt epitheelweefsel
reguleert werking van de talgklieren
verhoogt weerstand
reguleert werking van de schildklier
beïnvloedt verhoorning; is nodig voor aanmaak van huidcellen
Vitamine B reguleert weefselstofwisseling
bevordert aanmaak rode bloedlichaampjes
vormt eiwitten
bevordert zenuwprikkelgeleiding
Vitamine C verbetert opbouw van bindweefselvezels en tussenstof
werkt verstevigend op bindweefsel
bevordert collageenvorming
helpt bloedvaten gezond en elastisch te houden
stimuleert vorming van rode bloedcellen
bevordert wondgenezing
Vitamine D bevordert beendervorming door opname van calcium en fosfor uit het bloed
bevordert vorming van tanden en kiezen
Vitamine E stimuleert huiddoorbloeding
beschermt bloedvaten
Vitamine K zorgt voor bloedstolling
zorgt ervoor dat de lever protrombine kan vormen
Oplosbaar in Komt voor in
vet volkorenbrood en bruin brood
peulvruchten
aardappelen
melk, eieren, vlees en vis
water
volkorenbrood en bruin brood
peulvruchten
aardappelen
melk, eieren, vlees en vis
water
groenten
fruit
aardappelen
vet levertraan
melk en eieren
vet tarwekiemolie
volkorenbrood en bruin brood
vlees en vis
groenten
vet
groenten
eieren
lever
aangemaakt door de colibacterie in de dikke darm
10.6
Mineralen
Mineralen zijn stoffen die in kleine hoeveelheden voorkomen in eten en drinken. Ze komen in de natuur voor; vooral in gesteentes. Planten en dieren nemen de mineralen op, waardoor ze in onze voeding terechtkomen.
Mineralen zijn onmisbaar voor een goede gezondheid en de groei en ontwikkeling van je lichaam. Mineralen leveren geen energie aan het lichaam.
Alle mineralen hebben een specifieke functie in het lichaam. Sommige elementen werken samen om een bepaalde functie in het lichaam te vervullen. Natrium en kalium zorgen er bijvoorbeeld samen voor dat de vochtbalans op orde blijft. De verhouding tussen natrium en kalium moet goed zijn, zodat de osmotische waarde van het lichaam goed blijft.
Sporenelementen
Naast mineralen heeft je lichaam sporenelementen nodig, zoals fluoride en jodium. Het verschil tussen mineralen en sporenelementen is de hoeveelheid die je ervan nodig hebt. Van mineralen heb je dagelijks enkele grammen nodig. Van sporenelementen heb je micro of milligrammen nodig.
Melkproducten bevatten het mineraal calcium.
Mineraal Functie
Calcium
zorgt voor opbouw van beenderen
zorgt bij kinderen voor opbouw van gebit
zorgt bij volwassenen voor instandhouding van beenderen en gebit
Fosfor
zorgt samen met calcium voor stevigheid in botten
heeft een rol in stofwisselingsprocessen
Fluoride
zorgt voor opbouw van tandglazuur
beschermt tanden tegen tandbederf
Jodium
zorgt voor aanmaak van schildklierhormoon
zorgt voor goede werking van schildklier
IJzer zorgt voor aanmaak van hemoglobine
Komt voor in
melkproducten
in bepaalde groene groenten
Zwavel speelt een rol bij het verhoorningsproces
is een bestanddeel van aminozuren, waaruit eiwitten zijn opgebouwd
Natrium
trekt vocht aan
is een bestanddeel van bloedplasma
Kalium drijft vocht uit
vlees en vis
eieren
melk
kaas
in kleine hoeveelheden in drinkwater
in veel andere voedingsmiddelen, zoals thee en zeevis
zeevis
gejodeerd zout
brood
eieren
melkproducten
vlees en vis
volkorenbrood
groene bladgroenten
peulvruchten
brood
kaas
eieren
uien, knoflook en prei
in de meeste voedingsmiddelen
wordt extra toegevoegd aan bijvoorbeeld kaas, brood en vleeswaren
melk
aardappelen
groenten en vruchten
bouillon
Weten of je het hoofdstuk ‘Voedingsleer’ begrepen hebt? Doe de online boekcheck. Snelcode 27203
Of oefen eerst met alle voedingsstoffen in de online trainer. Snelcode 26208
Schijf van Vijf
Met de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum kun je gezonder en duurzamer eten. Het Voedingscentrum heeft uitgezocht welke producten goed zijn voor je gezondheid. En welke producten zorgen voor genoeg energie en de voedingsstoffen die je lichaam nodig heeft. De Schijf van Vijf helpt je ook om keuzes te maken die beter zijn voor het milieu. Bijvoorbeeld door de aanbevolen hoeveelheden te eten voor de gezondheidswinst en voedingsstoffen, maar niet meer dan dat. Meer informatie over de Schijf van Vijf vind je op de website van het Voedingscentrum.
11.Nieren en urinewegen
Uit het voedsel dat je eet, neemt je lichaam voedingsstoffen op.
De stoffen die je niet nodig hebt, noem je afvalstoffen. De uitscheidingsorganen zorgen ervoor dat de afvalstoffen je lichaam verlaten.
Als dit proces verstoord is, kan dat invloed hebben op de huid.
Veel huidklachten worden namelijk veroorzaakt door een teveel aan afvalstoffen. In dit hoofdstuk leer je meer over de belangrijkste uitscheidingsorganen in je lichaam: de nieren en de urinewegen.
11.1
Uitscheidingsorganen
Het verwijderen van afvalstoffen uit je lichaam noem je uitscheiding of excretie. De uitscheidingsorganen zorgen ervoor dat dit proces wordt uitgevoerd. De belangrijkste uitscheidingsorganen zijn:
de nieren, die scheiden via urine afvalstoffen uit;
de longen, die scheiden via je adem koolstofdioxide en waterdamp uit;
de huid, die scheidt via transpiratie (zweetklieren) afvalstoffen uit.
Als je darmen niet voldoende werken of het aantal afvalstoffen in je lichaam te hoog is, gaat de huid steeds harder werken als uitscheidingsorgaan. Dit kun je vaak zien in de vorm van huiduitslag.
TIP
WETEN HOE HET WEEFSEL VAN DE UITSCHEIDINGS ORGANEN IS OPGEBOUWD? LEES IN HET HOOFDSTUK ‘CELLEN EN WEEFSELS’ DE PARAGRAAF ‘EPITHEELWEEFSEL’.
Het verwijderen van afvalstoffen uit je lichaam noem je uitscheiding of excretie.
De belangrijkste uitscheidingsorganen zijn de nieren en de urinewegen. Samen vormen deze organen het urinewegstelsel. Dit orgaanstelsel produceert urine en voert het af.
WIST JE DAT? DE ROODBRUINE
KIDNEYBOON HEEFT
ZIJN NAAM TE DANKEN
AAN HET ENGELSE WOORD VOOR NIER: KIDNEY.
Kidneybonen
11.2
Nieren
De nier is een boonvormig orgaan met een roodbruine kleur. In je lichaam bevinden zich twee nieren. Beide nieren liggen achter in de buikholte, tegen de binnenste laag van de rugspieren aan. Ze liggen achter het buikvlies, ter hoogte van de lendenstreek. De ene nier ligt links van de wervelkolom, de andere nier aan de rechterkant. Boven de rechternier ligt de lever, daarom ligt deze iets lager dan de linkernier. Een grote hoeveelheid vetmassa zorgt ervoor dat de nieren beschermd worden en op hun plaats blijven. Op de nieren liggen twee hormoonklieren: de bijnieren
Een grote hoeveelheid
vetmassa zorgt ervoor dat de nieren beschermd worden en op hun plaats blijven.
Bijnier Nier
TIP JE LEEST MEER OVER DE BIJNIEREN EN HUN FUNCTIE IN HET HOOFDSTUK ‘HORMOONSTELSEL’.
Ligging van de nieren
Bouw van de nieren
Een nier is van buiten naar binnen als volgt opgebouwd:
kapsel
nierschors
niermerg
nierbekken
nierpoort
De bijnieren zijn opgebouwd uit bijnierschors (buitenste laag) en bijniermerg (binnenste deel).
Functie van de nieren
De nieren produceren urine. Zo regelen ze de hoeveelheid vloeistoffen in je lichaam en bepalen ze de samenstelling van deze vloeistoffen. Om de hoeveelheid en samenstelling van je lichaamsvloeistoffen in balans houden, doen de nieren het volgende:
schadelijke stoffen uitscheiden
water en zout uitscheiden
de zuurgraad van het bloed reguleren
Schadelijke stoffen
De nieren hebben de taak om alle schadelijke stoffen af te voeren. Denk aan afvalstoffen van de eiwitstofwisseling (ureum) en overtollige zouten, hormonen en vitaminen. Ook afvalstoffen die bijvoorbeeld afkomstig zijn van medicijnen en stoffen die door de lever onschadelijk zijn gemaakt, worden door de nieren afgevoerd.
Bijnier
Nierschors
De nierschors ziet er gespikkeld uit. Dat komt door de lichaampjes van Malpighi die in dit weefsel zitten.
Kapsel
Het kapsel is een laag stevig bindweefsel dat de buitenkant van de nieren vormt. Het kapsel beschermt de nier, samen met de vetlaag eromheen.
Niermerg
Het niermerg ligt onder de nierschors. Dit merg bestaat uit buisjes die met de punten naar het nierbekken zijn gericht. Niermerg noem je ook wel piramidelaag omdat het merg driehoekig is.
Nierbekken
De holte aan de binnenkant van de nieren noem je het nierbekken. Het nierbekken vangt de gevormde urine op. Aan het einde van het nierbekken ligt de nierpoort. Op deze plek komen de bloedvaten in en uit de nier.
WIST JE DAT? PER DAG STROOMT ER ONGEVEER 1.500 LITER BLOED DOOR DE NIEREN. DE NIEREN CONTROLEREN HET BLOED OP DE SAMENSTELLING.
Nierpoort Urineleider Blaas
Water en zout
De nieren regelen de water en zouthuishouding van het lichaam. Ze scheiden het teveel aan water en zout uit. Dat betekent dat er stoffen uit de bloedbaan gaan. Deze stoffen komen via de nieren in de urine terecht.
De stoffen kunnen de bloedbaan verlaten omdat de bloeddruk in de slagaderlijke haarvaten van de nieren hoger is dan in de haarvaten elders in het lichaam. De hoeveelheid zouten in het lichaam heeft invloed op de osmotische druk van de lichaamsvloeistoffen. Keukenzout trekt vocht aan. Als er meer vocht in de weefsels komt, wordt de druk op de weefsels hoger. Deze druk wordt osmotische druk genoemd.
Zuurgraad
Bloed hoort een constante zuurgraad (pHwaarde) van 7.4 te hebben. Als de pHwaarde te hoog of te laag is, dan kun je levensbedreigende stofwisselingsstoornissen krijgen. De nieren reguleren de zuurgraad van het bloed. Hierdoor blijft de pHwaarde van het bloed constant. Je bloed wordt bijvoorbeeld zuurder als er in je spieren melkzuur ontstaat door een anaeroob proces. De bloedbaan neemt dit over en de nieren moeten ervoor zorgen dat de pHwaarde weer 7.4 wordt.
Om de pHwaarde constant te houden, scheiden de nieren zuren of alkaliën (basische stoffen) uit.
Als de zuurgraad van het bloed te hoog is, dan scheiden de nieren zuren uit. Als er te veel zout in het bloed zit, dan scheiden de nieren alkaliën uit. Omdat de nieren de zuurgraad van het bloed constant moeten houden, heeft de urine steeds een andere samenstelling.
Samenstelling van urine
De samenstelling van urine hangt af van de werking van de verschillende organen, voeding en medicijngebruik. De normale kleur van urine is heldergeel. Urine bestaat voor 95% uit water. De overige 5% bestaat uit ureum (afbraakproducten) en overtollige en schadelijke stoffen. Een medisch onderzoek naar urine kan belangrijke gegevens opleveren. Glucose in de urine kan bijvoorbeeld wijzen op een te hoge concentratie glucose in het bloed. Dit kan duiden op diabetes. Eiwit in de urine wijst meestal ook op een ziekte of vergiftiging.
Werking van de nieren
De nieren hebben als doel de hoeveelheid en samenstelling van lichaamsvloeistoffen constant te houden.
De nieren kunnen hun functies uitvoeren dankzij de slagaderlijke haarvaten in de lichaampjes van Malpighi (zie de afbeelding op de volgende bladzijde). Die zitten in het weefsel van de nierschors. De lichaampjes bestaan uit glomeruli en het kapsel van Bowman. De glomeruli zijn bolletjes. Deze bolletjes zijn kluwen van slagaderlijke haarvaatjes die bloed aan en afvoeren. De bloedvaatjes in de nieren zijn slagaderlijk, omdat de nieren het bloed moeten filtreren. Filtreren betekent dat stoffen die ín de bloedbaan zitten, naar buiten gaan. Door het verschil in bloeddruk en osmotische druk worden de stoffen verplaatst.
WIST JE DAT? DE HOEVEELHEID VOORURINE IS VEEL GROTER DAN DE UITEINDELIJKE HOEVEELHEID URINE. PER DAG VORMT ZICH ONGEVEER
150 LITER VOORURINE.
De glomeruli worden omhuld door het kapsel van Bowman. Door de slagaderlijke druk in de glomeruli vangt het kapsel van Bowman het vocht met de opgeloste stoffen uit het bloed op. Dit vocht noem je de voorurine. Het kapsel gaat over in een kronkelend buisje, dat van de nierschors naar het niermerg loopt. Het kronkelende buisje noem je de tubulus. In het niermerg gaat de tubulus over in een lus, de lis van Henle
In de lis van Henle gaan de nuttige stoffen uit de voorurine, zoals glucose en water, opnieuw de bloedbaan in. Dat heet resorptie. De afvalstoffen blijven achter. De lis van Henle gaat via het niermerg terug naar de schors en eindigt in een verzamelbuisje. In het niermerg verzamelen alle buisjes zich in groepen. Deze groepen komen uit in het nierbekken. Het nierbekken vangt de urine die uit de buisjes komt op en geeft de urine druppelsgewijs af aan de urineleider. Zo verlaten de afvalstoffen het lichaam. Dat heet excretie.
Wil je weten of je het hoofdstuk goed hebt begrepen? Doe de online boekcheck. Snelcode 27212
Of oefen eerst met de online trainer. Snelcode 26215
Nierader
Urineleider Nierslagader
ongefilterd bl oed
Urine gefilterd bl oed
Test je kennis over nieren en urinewegen met de online boekcheck. Snelcode 27212
Lichaampje van Malpighi
Glomerulus
Kapsel van Bowman
Tubulus
Lis van Henle
Nier met het lichaampje van Malpighi en de lis van Henle uitvergroot
11.3 Blaas en urine wegen
Vanuit het nierbekken druppelt de urine via de urineleiders naar de blaas. De blaas ligt in het bekken. Bij de vrouw ligt de blaas voor de baarmoeder, bij de man boven de prostaat. De buitenste laag van de blaas bestaat uit glad spierweefsel. Aan de binnenkant is de blaas bedekt met slijmvlies.
Het uiteinde van de blaas bestaat uit twee sluitspieren. De binnenste sluitspier bestaat uit glad spierweefsel. Deze sluitspier werkt zonder dat je je daarvan bewust bent, dus onwillekeurig. De buitenste sluitspier bestaat uit dwarsgestreept spierweefsel. Deze spier werkt willekeurig. Dit betekent dat je zelf de werking van deze spier beïnvloedt. De blaas verzamelt de urine. Tijdens het plassen werken het spierweefsel, de buikpers en de sluitspieren van de blaas samen.
Urineleider
Bij de vrouw ligt de blaas voor de baarmoeder,
bij de man boven de prostaat.
De urine verlaat het lichaam via de urinebuis
Deze urineweg heeft een stevige, elastische wand. Bij vrouwen is de urinebuis korter dan bij mannen. Vrouwen kunnen daarom sneller een blaasontsteking krijgen.
WIST JE DAT?
DE BLAAS KAN 1
TOT 1,5 LITER URINE
BEVATTEN. JE LEEGT JE
BLAAS ONGEVEER VIER
TOT VIJF MAAL PER DAG
DOOR TE PLASSEN.
Controle over je blaas
Als er in je blaas een bepaalde hoeveelheid urine zit, gaat er een zenuwprikkel via het ruggenmerg naar de hersenen. Baby’s kunnen het verband nog niet leggen tussen de prikkel en het moment waarop ze de blaas kunnen legen. Daarom dragen ze altijd een luier. Volwassen hebben soms ook geen controle meer over hun blaasspieren, bijvoorbeeld vanwege een aandoening. Je spreekt dan van incontinentie.
Blaas Urinebuis
Ligging van de blaas
12.huidveranderingen
Door huidafwijkingen of -aandoeningen kan de huid zichtbaar veranderen. Als je een huidverandering wilt behandelen, is het belangrijk dat je kiest voor de juiste behandeling. Om dat te kunnen doen, moet je de verschillende huidveranderingen herkennen.
Sommige veranderingen van de huid zijn een gevolg van een ontsteking. In dit hoofdstuk leer je welke huidveranderingen er zijn en wat een ontsteking is.
12.1
Efflorescenties
Door een afwijking van de huid of een aandoening (ziekte) kan de huid veranderen. Deze huidveranderingen noemen we efflorescenties. Voorbeelden van efflorescenties zijn blaren, zwellingen en vlekken. Een schoonheidsspecialist kan aan een efflorescentie zien welke huidafwijking of aandoening een cliënt heeft.
Efflorescenties kunnen ook andere oorzaken hebben dan een aandoening of een afwijking. Een blaar kan bijvoorbeeld een gevolg zijn van verkeerde schoenen, maar ook van verbranding. Zo zijn er nog meer factoren die invloed hebben op je huid. Denk maar aan voeding, zonlicht, temperatuur of allergische reacties.
Er zijn primaire en secundaire efflorescenties. Primaire efflorescenties zijn veranderingen van de huid door de afwijking of aandoening zelf, zoals een puist of een cyste. Secundaire efflorescenties zijn veranderingen van de huid als gevolg van klachten bij een primaire efflorescentie. Een puist is bijvoorbeeld een primaire efflorescentie. Krab je de puist open omdat deze jeukt, dan ontstaat een wondje. Het wondje is dan een secundaire efflorescentie.
Voorbeelden van efflorescenties zijn blaren, zwellingen en vlekken.
Als schoonheidsspecialist kun je niet alle efflorescenties behandelen. In sommige gevallen kun je een huidverandering alleen camoufleren en in andere gevallen moet je de behandeling overlaten aan een dermatoloog, verpleegkundige of pedicure.
Blaar
Bulla
Omschrijving
holte die tussen de lagen van de opperhuid of tussen de opperhuid en de lederhuid zit
gevuld met vocht of bloed (bloedblaar)
groter dan een centimeter
Behandeling
behandeling door pedicure of verpleegkundige
Inprikken met een steriele naald
vocht verwijderen
steriel afsluiten
Blaasje
Vesicula
Omschrijving
holte tussen de lagen van de opperhuid
kleiner dan een centimeter
gevuld met helder vocht
voorbeeld: koortslip
Behandeling
verdwijnt meestal vanzelf: behandeling niet nodig
eventueel camoufleren als het blaasje storend is
voor blaasjes met een virale oorzaak kan de cliënt een crème gebruiken
Litteken
Cicatrix
Omschrijving
ontstaat na een diepe huidverwonding (dieper dan de opperhuid, loopt door tot in de lederhuid of de onderhuid)
na verwonding vervangt bindweefsel de opperhuid
Behandeling
bindweefselmassage helpt om litteken minder zichtbaar te maken
littekenzalf of olie met vitamine E
Korst Crusta
Omschrijving
ontstaat na beschadiging opperhuid
stolling van lymfe, bloed en etter
Behandeling
behandeling niet nodig
eventueel camoufleren als de korst storend is
Holte
Cyste
Omschrijving
holte omgeven door een vlies
inhoud kan waterig of slijmerig zijn
voorbeeld: talgkliercyste, een holte gevuld met talg
Behandeling
geen behandeling nodig (cyste is namelijk goedaardig)
arts kan cystes verwijderen als dat wenselijk is
een talgkliercyste kan ingeprikt en uitdrukt worden door een gespecialiseerd schoonheidsspecialist
Roodheid
Erytheem/rubor
Omschrijving
tijdelijke roodheid van de huid
ontstaat door een verwijding van de bloedvaatjes in de huid
(bijvoorbeeld door hitte, kou, ontsteking, zonlicht of irritatie van de huid)
Behandeling
kalmerende behandeling
soms is een snelle behandeling nodig
in veel gevallen verdwijnt de roodheid vanzelf
Ontvelling/schaafwond
Excoriatie
Omschrijving
verwonding van de opperhuid
kan puntvormige bloedingen veroorzaken
Behandeling
schoonmaken met water (kan de cliënt zelf doen)
als de kleding het toelaat laten drogen aan de lucht
als er eenmaal een korst op zit, kun je de wond camoufleren
Omschrijving
een kleurverandering van de huid
er is geen verhevenheid te zien zoals bij een bobbel of puist
voorbeeld: een pigmentvlek of een bloeduitstorting
Behandeling
eventueel camoufleren als de vlek storend is
pigmentvlek kan behandeld worden met laser, peelings of microdermabasie
Huidverhevenheid
Papula
Omschrijving
een klein bultje of kleine pukkel zonder etterkopje
voelbaar en zichtbaar aan de huid
Behandeling
geen behandeling nodig
eventueel camoufleren als de pukkel storend is
Vlek
Macula
Kloof
Pustula
Omschrijving
een verhevenheid van de huid
daaronder een ruimte die is gevuld met etter (pustel of etterkopje)
Behandeling
puist verdwijnt vanzelf
een schoonheidsspecialist met specialisatie acne kan een puist inprikken en uitduwen
Raghade
Omschrijving
een scheurtje of barst in de huid
het kan oppervlakkig of diep zijn
Behandeling
behandelen met een vette, hydraterende crème
bij kloven op de voet kan een pedicure eelt verwijderen
Schub, schilfer
Squama
Omschrijving
een loslatende opeenhoping van hoorncellen
Behandeling
behandelen met hydraterende crème of lotion
het resultaat is tijdelijk
een dermatoloog kan cliënten hiervoor behandelen
Knobbel, bult
Nodus/tuber
Omschrijving
een verhevenheid van de onderhuid of de lederhuid.
een knobbel (nodus) is wel voelbaar, maar niet zichtbaar
een bult (tuber) is zichtbaar aan de buitenkant
Behandeling
in sommige gevallen kan een arts het verwijderen (afhankelijk van de oorzaak)
eventueel camoufleren als de knobbel of bult storend is
Zwelling
Tumor
Omschrijving
een verhevenheid van de huid die ontstaat door toename van cellen
een tumor kan aan de oppervlakte van de huid zitten, maar ook dieper in het lichaam
een kwaadaardige tumor is kanker
een goedaardige tumor is bijvoorbeeld een pukkel
Behandeling
behandeling is afhankelijk van het soort tumor
een dermatoloog maakt hiervoor een diagnose
eventueel camoufleren als de zwelling storend is
Zweer
Ulcus
Omschrijving
een ontsteking van de huid waarbij een open wond ontstaat
de huid is aangetast vanaf de opperhuid tot in de onderhuid
geneest moeilijk en er is sprake van ettervorming
na genezing ontstaat littekenweefsel
Behandeling
wondverzorging door een wondverpleegkundige met antibiotica en/of desinfecterende middelen
behandeling hangt af van oorzaak en type zweer
Kwaddel
Urtica
Omschrijving
jeukende uitslag van de huid
begint met rode vlekjes, kan daarna overgaan in verdikte bleke plekken
heet ook wel netelroos (urticaria) of galbulten
is vaak een allergische reactie
Behandeling
geen behandeling nodig, verdwijnt meestal vanzelf na enkele uren
een arts kan eventueel antiallergische middelen voorschrijven TIP
IN HOOFDSTUK 13 EN 14
LEER JE MEER OVER HUIDAFWIJKINGEN EN HUIDAANDOENINGEN.
12.2
Ontstekingsverschijnselen
Een ontsteking is een reactie van het weefsel op een schadelijke prikkel. De bloedvaten verwijden zich. Daardoor ontstaat roodheid (rubor) en warmte (calor). Er komt vocht uit de bloedvaten en dat veroorzaakt een zwelling (tumor). Doordat de zwelling drukt op zenuwuiteinden ontstaat pijn (dolor). Het weefsel functioneert niet goed meer (functio laesa). Een ontsteking is dus te herkennen aan roodheid, warmte, zwelling, pijn en een gestoorde functie van huidweefsel.
Als een ontsteking aan de oppervlakte van de huid ontstaat, kan een huidverandering (efflorescentie) optreden. Er zijn twee soorten ontstekingen, namelijk steriele en infectuele ontstekingen
Steriele ontsteking
Een steriele ontsteking ontstaat zonder infectie van bacteriën of virussen. Het kan veroorzaakt worden door langdurige irritatie (krabben, peuteren, wrijving) of door overbelasting zoals bij een slijmbeursontsteking.
Ook irritatie door hitte, bevriezing of chemische stoffen kan leiden tot een ontsteking. Een steriele ontsteking noem je ook wel een aseptische ontsteking. Aseptisch betekent letterlijk ‘vrij van ziektekiemen’.
Infectuele ontsteking
Een infectuele ontsteking ontstaat door een infectie van microorganismen zoals bacteriën, schimmels of virussen. Een infectuele ontsteking doorloopt drie stadia. De eerste twee stadia zijn besmetting en infectie. Het derde stadium is de ontsteking zelf.
Besmetting
Als microorganismen het lichaam binnendringen, dan spreken we van een besmetting. Dit kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld door besmet of bedorven voedsel, seksueel contact of vuil in een wond.
Infectie
Als het afweersysteem van het lichaam de microorganismen onschadelijk maakt, gebeurt er niets. Als microorganismen zich kunnen vermenigvuldigen en verspreiden, spreken we van een infectie.
Ontsteking
Uiteindelijk kan een infectie leiden tot een ontsteking. Een ontsteking heeft als doel schade aan het lichaam te herstellen. Een ontsteking hoeft niet tot problemen te leiden, maar het kan wel. Een abces is daar een voorbeeld van.
Abces
Een abces is een vorm van een ontsteking waarbij het lichaam de plek van de ontsteking als het ware inpakt. Dit inpakken noem je inkapselen. Het is een reactie van het lichaam om ervoor te zorgen dat een bacterie zich niet door het lichaam kan verspreiden. Door het inkapselen ontstaat een holte die is gevuld met pus, het abces.
Als het kapsel van het abces aan de oppervlakte van de huid knapt, kan het pus eruit. Het abces geneest spontaan. Als dit niet gebeurt, moet een arts het abces insnijden om het pus eruit te laten. Als een abces onder de huid knapt, kan dat gevaarlijk zijn voor je gezondheid. De bacteriën kunnen namelijk in de bloedbaan terechtkomen. Dat kan leiden tot bacteriëmie of sepsis. Als schoonheidsspecialist mag je een abces nooit behandelen!
Test je kennis over huidveranderingen met de online boekcheck.
Snelcode 27217
Maak je er liever een spelletje van?
Speel dan de vragen weg van de online trainer. Snelcode 26220
13.Huidafwijkingen
IN DIT HOOFDSTUK
Vochtarme huid of gedehydrateerde huid
Rimpels en plooien
Contourvervaging
Behandeling van de rijpere huid
Kringen en wallen onder de ogen
Afwijkingen in het bindweefsel Rokershuid
Droge huid, vette huid, acne, pigmentvlekken, rimpels; het zijn allemaal voorbeelden van afwijkingen aan de huid. Bijna iedereen heeft kleine of grotere huidafwijkingen. Als schoonheidsspecialist kun je veel betekenen voor cliënten die last hebben van een huidafwijking. Maar soms is het voor jou niet mogelijk om te behandelen en moet je doorverwijzen naar een arts of dermatoloog. Daarom is het belangrijk om huidafwijkingen te herkennen. In dit hoofdstuk leer je meer over de verschillende huidafwijkingen.
13.1
Talgklierafwijkingen
In de huid zitten talgklieren die talg aanmaken. De talg komt via talgklierafvoerbuisjes en talgklierporiën op de huid terecht. Talg is een vette stof die belangrijk is voor de huid. Talg heeft drie verschillende functies:
Talg houdt de huid en de haren vet en daardoor soepel.
Talg beschermt de huid tegen uitdroging en vochtverlies.
Talg vormt samen met zweet de zuurmantel.
Talg komt op de huid via talgklierafvoerbuisjes en de poriën. Vaak gebruikt de talgklier een haarzakje als afvoerbuisje, maar er zijn ook talgklieren met een eigen afvoerbuis. Deze zie je op lippen, neusvleugels en tepels.
Soms is er sprake van een afwijking in de talgklierwerking. Door hormonale veranderingen in het lichaam wordt te weinig of te veel talg aangemaakt. Hierdoor kan een droge huid (sebostase) of vette huid (seborrhoe) ontstaan. Talgklierafvoerbuisjes en talgklierporiën kunnen verstopt raken en ontsteken. Dan ontstaan meeeters (comedonen) of puistjes (acne).
Zuurmantel
De zuurmantel is een huidemulsie die bestaat uit talg, zweet en stoffen die tijdens het verhoorningsproces op de huid komen. Deze zuurmantel beschermt het lichaam tegen het binnendringen van ziektekiemen. Lees meer over de zuurmantel in het hoofdstuk ‘Huid’.
Droge huid
Een verminderde talgklierwerking noem je sebostase. De huid is dan droog. Kenmerken van een droge huid zijn:
fijne structuur
dunne hoornlaag
nauwelijks zichtbare poriën
weinig weerstand tegen invloeden als kou en wind
vochtarm
De talgklier produceert talg en gebruikt vaak het haarzakje als afvoerbuis.
De droge huid herstelt meestal zelf. Een behandeling is dan niet nodig. Als schoonheidsspecialist kun je een voedende behandeling uitvoeren en de cliënt adviseren een vetregulerende crème te gebruiken.
Droog, vet en vochtarm
Een droge huid en een vochtarme huid worden vaak met elkaar verward. Een droge huid bevat te weinig talg en een vochtarme huid te weinig vocht. Een vette huid kán ook vochtarm zijn.
Vette huid
Als de talgklieren te veel talg afscheiden, ontstaat een vette huid. Dit noemen we seborrhoe Deze overmatige werking van de talgklieren komt voor vanaf de puberteit. Het lichaam reageert dan sterk op hormonale veranderingen. Seborrhoe is er in twee vormen: seborrhoe oleosa en seborrhoe sicca. Bij seborrhoe oleosa is de huid glimmend. Je kunt dan goed zien dat de huid vet is. Bij seborrhoe sicca is de huid niet alleen vet, maar ook vochtarm, waardoor er sprake is van schilfervorming.
WIST JE DAT?
DOOR JE HUID VAAK TE WASSEN MET WATER EN ZEEP SPOEL JE HUIDVETTEN WEG. DIT VEROORZAAKT EEN DROGE HUID.
Een vette huid is verder te herkennen aan zichtbare verwijde poriën, een verdikte hoornlaag, comedonen en soms pustels. Als schoonheidsspecialist kun je een vette huid behandelen door deze goed te reinigen en comedonen en pustels te verwijderen. Het vet helemaal verwijderen met alcohol of agressieve producten kan ertoe leiden dat de huid meer talg gaat produceren en juist vetter wordt.
Blackheads en whiteheads
Seborrhoe kan ervoor zorgen dat talgklierafvoerbuisjes verstopt raken. De talg kan dan niet afvloeien. Zo’n verstopte talgklierafvoergang noem je een comedo of meeeter. Er zijn open en gesloten comedonen. Open comedonen liggen aan de oppervlakte van de huid en zijn zwart van kleur. Dit zijn blackheads. De zwarte kleur ontstaat doordat de kleurstof melanine die in deze comedonen zit, reageert met zuurstof. Gesloten comedonen liggen vlak onder de huid en zijn wit van kleur. Dit zijn whiteheads. Behalve talg bevatten white heads ook dode huidcellen.
Als een talgklierafvoergang is afgesloten door een laagje hoorncellen, ontstaat daaronder ophoping van talg. Dan is er sprake van een talgkliercyste Als de poriën verstopt raken met talg zonder dat ze boven het niveau van de huid uit komen, spreken we van verstopte poriën
Een gespecialiseerde schoonheidsspecialist kan comedonen uitdrukken en talgcystes en pustels inprikken en uitdrukken.
Open comedo of blackhead
Gesloten comedo of whitehead
Talgkliercyste
Acne
Als talgklieren verstopt en ontstoken raken, ontstaan puistjes en comedonen. Dan is er sprake van acne. De meest bekende vorm acne ontstaat tijdens de puberteit en heet acne vulgaris (jeugdpuistjes). Deze acne ontstaat onder invloed van androgenen.
Androgenen
Tijdens de puberteit maakt het lichaam van zowel jongens als meisjes mannelijke hormonen aan. Deze hormonen heten androgenen. De androgenen zorgen ervoor dat talgklieren groter worden en meer talg produceren. Doordat ook de opperhuid verdikt, kan de talg niet wegvloeien en hoopt het zich op in de talgklieren.
Puistjes van chocola?
Je hoort vaak dat vet eten en chocola acne veroorzaken. Dit was nooit echt bewezen, maar uit recente onderzoeken blijkt dat vetten, melkproducten en suikers een ongunstige invloed kunnen hebben op acne.
Andere oorzaken van acne
Behalve de verhoogde talgproductie tijdens de puberteit zijn er ook andere oorzaken van acne:
Cosmetica kunnen ervoor zorgen dat talgkliertjes en poriën verstopt raken waardoor deze gaan ontsteken.
Chemische stoffen (zoals chloor in het zwembad) kunnen de huid uitdrogen. Daardoor wil het lichaam meer talg produceren.
Druk op de huid, wrijving en krabben kan ervoor zorgen dat talgkliertjes openbarsten en ontsteken.
Sommige geneesmiddelen veroorzaken of verergeren acne.
Soorten acne
Naast acne vulgaris zijn er meer soorten acne.
Ze hebben elk hun eigen kenmerken.
Acne vulgaris
Omschrijving
bekend als jeugdpuistjes
komt vooral voor bij jongeren, maar ook volwassenen kunnen er last van hebben
open comedonen
gesloten comedonen
puisten
er zijn verschillende verschijningsvormen, bijvoorbeeld comedonica (vooral comedonen) en inflammatoire (rood en geirriteerd)
LET OP!
SOMMIGE COSMETISCHE PRODUCTEN, ZOALS ZEEP, KUNNEN DE
Oorzaak ontstaat onder invloed van androgenen
Plek op het lichaam gezicht, borst en rug
Acne conglobata
Omschrijving
meest ernstige vorm van acne
onderhuidse holten met etter staan met elkaar in verbinding
dikke rode en pijnlijk bobbels (infiltraten)
littekenvorming
komt vaker voor bij mannen, soms nog ver na de puberteit
Oorzaak
bij volwassenen onbekend
bij pubers waarschijnlijk de gestegen hormoonspiegel
Plek op het lichaam
gezicht en rug
soms op de borst
Acne keloïdalis
Omschrijving
ontsteking van de haarwortelzakjes
komt vooral voor bij mannen met een donkere huid
ernstige littekenvormig (keloïden)
Oorzaak
onbekende oorzaak
ontstaat vaak als gevolg van andere soorten acne
Plek op het lichaam achterhoofd en nek
13.2
Zweetklierafwijkingen
Transpireren (zweten) is een belangrijke manier voor het lichaam om af te koelen. Zweetklieren in de huid zorgen hiervoor. Als zweetklieren te veel zweet produceren, heeft een cliënt last van hyperhidrosis (overmatig transpireren). Dit komt meestal voor in de oksels, in de handpalmen of onder de voetzolen. De oorzaak van hyperhidrosis is onbekend.
De cliënt zelf of de schoonheidsspecialist kan de plekken behandelen met middelen die aluminiumchloride bevatten. Deze middelen hebben echter maar een tijdelijk effect. Er zijn klinieken die gespecialiseerd zijn in de behandeling van hyperhydrosis. Artsen kunnen de zweetklier operatief verwijderen, maar tegenwoordig worden ook botoxinjecties gebruikt om de zweetproductie op bepaalde plaatsen af te remmen.
De zweetklieren worden aangestuurd door zenuwen. Bij sommige mensen komt het voor dat die aansturing niet goed verloopt en de zweetklieren onvoldoende werken. Het lichaam zweet dan te weinig: er is sprake van hypohidrosis Het lichaam koelt onvoldoende af waardoor iemand zich bij warmte of inspanning ongemakkelijk voelt en last krijgt van hoofdpijn en moeheid.
Behandeling van hypohidrosis door een schoonheidsspecialist is niet mogelijk omdat het om een zenuwafwijking gaat. Een cliënt met hypohydrosis moet warmte en zware inspanning zoveel mogelijk vermijden.
Overmatige transpiratie (hyperhidrosis) in de oksels
13.3
Afwijkingen
in de verhoorning
De huid is continu bezig zichzelf te vervangen. Levende huidcellen worden steeds verder naar de oppervlakte van de huid geduwd en sterven dan af. De dode huidcellen laten uiteindelijk los en maken ruimte voor nieuwe huidcellen. Dit is het verhoorningsproces
Als het verhoorningsproces niet normaal verloopt, noemen we dat een verhoorningsafwijking.
Als het verhoorningsproces niet normaal verloopt, noemen we dat een verhoorningsafwijking. Er worden dan te veel hoorncellen gevormd. Dit heet hyperkeratose. Eelt, likdoorns, schilferende huid, gerstekorrels en verhoornde haarzakjes kunnen het gevolg zijn van hyperkeratose. Deze huidafwijkingen zijn niet ernstig. Psoriasis en Ichthyosis zijn ook huidafwijkingen door een afwijking in het verhoorningsproces. Dit zijn wél ernstige huidafwijkingen.
Eelt
Bij voortdurende druk op bepaalde plaatsen van de huid, zoals de voetzolen, verdikt de hoornlaag. Deze verdikte hoornlaag noem je eelt (callus/ tyloma). Dit kan gewenst zijn, want het zorgt voor bescherming. Het kan ook te dik worden, waardoor iemand last krijgt van eelt. Als eelt naar binnen groeit als een soort kegeltje spreken we van een likdoorn. Een pedicure kan eelt en likdoorns verwijderen.
Schilferige huid
Iedere huid verliest dode huidcellen in de vorm van schilfers. Meestal is dat niet zichtbaar. Bij een vochtarme huid zijn deze schilfers wel zichtbaar. De huid houdt dan te weinig vocht vast om de hoorncellen bij elkaar te houden en gaat schilferen. Dit kan bij zowel bij een droge als een vette huid voorkomen.
Als schoonheidsspecialist kun je de hoornlaag verdunnen waardoor overtollige schilfers worden verwijderd. Daarnaast kun je een behandeling geven om de vochtgraad van de huid te verbeteren. Dit wordt ook wel een hydraterende behandeling genoemd.
Likdoorn
Schilferige huid
Milia
Milia (gerstekorrels) zijn kleine witte bobbeltjes die gevuld zijn met hoorncellen. Ze zijn afgesloten door een dunne laag van de opperhuid. Daarom zijn ze goed zichtbaar aan de oppervlakte van de huid. Milia komen vooral voor bij mensen met een droge huid. Zij hebben fijne poriën die makkelijk afgesloten raken. Milia kun je verwijderen door ze in te prikken en uit te drukken.
Verhoornde haarzakjes
Verhoornde haarzakjes (keratosis pilaris) zijn kleine, soms rode bobbeltjes die zichtbaar zijn op plekken waar haren uit de huid komen. Het lijkt op kippenvel en de huid voelt droog en schraal. Het komt vooral voor op de buitenkant van de armen en de binnenkant van de benen.
Als schoonheidsspecialist kun je de huid behandelen met een peeling waardoor de hoornlaag zachter en dunner wordt. Daarnaast kun je de cliënt adviseren om zelf wekelijks te scrubben of te peelen. Preventief kan een vochtvasthoudende en vetregulerende crème worden gebruikt.
Psoriasis en ichthyosis
Als het verhoorningsproces ernstig verstoord is, ontstaan huidafwijkingen die ernstiger zijn dan eelt of milia, zoals psoriasis en ichthyosis.
Psoriasis
Bij psoriasis gaat het verhoorningsproces abnormaal snel. De huidcellen krijgen daardoor niet de kans zich volledig te ontwikkelen en de huid gaat schilferen. Daarbij treden ook ontstekingen van de huid op. Psoriasis kan op elke leeftijd beginnen, maar vaak worden de eerste symptomen tijdens de puberteit zichtbaar.
De precieze oorzaak is nog steeds niet bekend, maar het is wel aangetoond dat stress, griep, keelontsteking en het gebruik van sommige medicijnen de klachten kunnen verergeren. Psoriasis is erfelijk: de kans dat iemand het krijgt, is groter als de ziekte in de familie zit. Als beide ouders het hebben, is de kans 50% dat kinderen het ook krijgen. Als één van de ouders het heeft, is de kans 10%.
Ichthyosis
Bij ichthyosis ontstaan te veel hoorncellen. De huid wordt daardoor dikker en er ontstaan plakken of schubben. Daarom wordt de ziekte ook wel visschubziekte genoemd. De plakken huid drogen uit waardoor kloven en schilfers ontstaan.
De oorzaak van deze ziekte is een afwijking in de genen. Het is daardoor ook erfelijk. Uiteindelijk wordt de hele huid aangetast. Er zijn verschillende soorten ichthyosis waarvan sommige al bij de geboorte ontstaan. De ernstige vormen van ichthyosis zijn zeer zeldzaam.
Milia
Verhoornde haarzakjes
Behandeling van psoriasis en ichthyosis
Psoriasis en ichthyosis zijn ernstige huidaandoeningen waarvoor een specialistische behandeling nodig is. Een schoonheidsspecialist kan dit alleen behandelen in overleg met een dermatoloog of huisarts.
Psoriasis en ichthyosis zijn ernstige huidaandoeningen waarvoor een specialistische behandeling nodig is.
Behandelingen van psoriasis bestaan bijvoorbeeld uit het gebruik van crème, zalf of lotion met corticosteroïde. Dit kan in het beginstadium gebruikt worden. Ichthyosis is niet te genezen, maar middelen met ureumzuur en melkzuur zorgen voor een afbraak van verhoornde cellen waardoor de huid meer vocht op kan nemen. Psoriasis en ichthyosis worden ook wel behandeld met lichttherapie. Om de jeuk en het trekkerige gevoel te onderdrukken, kan de cliënt zelf de huid meerdere malen per dag insmeren met een vette zalf. 13.4
Afwijkingen in de pigmentering
Pigment is een kleurstof die in de opperhuid zit. De hoeveelheid en het soort pigment in de huid bepaalt je huidskleur. Soms is er sprake van een afwijking in de pigmentering. Dan is er te veel, te weinig of zelfs helemaal geen pigment.
Hyperpigmentaties
Als pigment zich ophoopt in de huid ontstaan pigmentvlekjes. Er is dan een teveel aan pigment en dat noemen we hyperpigmentaties. Voorbeelden daarvan zijn sproeten, moedervlekken, ouderdomsvlekken en melasma.
Sunblock
Uvstraling is belangrijke oorzaak van hyperpigmentaties. Adviseer als schoonheidsspecialist om een goede sunblock te gebruiken (zonnecrème met een hoge beschermingsfactor). Daarmee kan de cliënt pigmentophopingen tegengaan.
Ichthyosis op de arm
Psoriasis op de knieën
Sproeten
Ephelides
Omschrijving
kleine pigmentophopingen in de huid
komt vaak voor bij mensen met lichte, zongevoelige huid en rood of blond haar
Oorzaak
ontstaan op jonge leeftijd
erfelijke oorzaak
zonlicht heeft invloed op kleur en hoeveelheid
Behandeling
verdwijnen meestal bij ouder worden
bleken of camoufleren
adviseer sunblock om de huid te beschermen
Moedervlek
Naevi pigmentosi
Omschrijving
pigmentophopingen
komen ze boven de huid uit, dan noem je ze verheven moedervlek
groter en donkerder dan sproeten
zijn onschuldig, maar kunnen bij irritatie veranderen in huidkanker (melanoom)
Oorzaak
aangeboren afwijking
Behandeling
camoufleren
adviseer sunblock
een arts kan moedervlekken eventueel verwijderen
Ouderdomsvlekken
Naevi pigmentosi senilis
Omschrijving
bruine, niet verheven vlekken op de huid
ontstaan vaak na 50e levensjaar op plekken die veel blootstaan aan de zon
zijn onschuldige vlekken
worden ook wel lentigo solaris of lentigo senilis genoemd
Oorzaak
uvstraling (zon, zonnebank)
Behandeling
camoufleren
adviseer sunblock
TIP IN HET HOOFDSTUK ‘HUIDAANDOENINGEN’ LEES JE MEER OVER MELANOOM.
Melasma
Chloasma
Omschrijving
grillige, bruine vlekken in het gezicht
andere benamingen zijn levervlekken of zwangerschapsmasker
als het ontstaat tijdens de zwangerschap spreken we van een zwangerschapsmasker (chloasma gradivarum)
Oorzaak
hormonale verandering door zwangerschap of anticonceptiepil
uv
straling zon(nebank)
Behandeling
camoufleren
adviseer sunblock
laserbehandeling
chemische peeling
Hypopigmentaties
Soms zit er te weinig pigment in de huid. Dan spreek je van hypopigmentatie. Vitiligo is een huidafwijking waarbij de huid te weinig pigment bevat. Het komt zelfs voor dat het pigment in de huid volledig ontbreekt. Dan spreken we van albinisme.
Vitiligo
Vitiligo is een huidafwijking waarbij grillige, witte vlekken op het lichaam zichtbaar zijn. De vlekken kunnen verschillen in grootte en hebben donkergekleurde randen. Op de plek van de witte vlekken is het pigment uit de huid verdwenen.
Wat de oorzaak is van vitiligo, is niet helemaal zeker. Er zijn verschillende theorieën over. Een daarvan is dat vitiligo een autoimmuunziekte is.
Dat betekent dat het afweersysteem van het lichaam eigen cellen aantast. Het afweersysteem vernietigt dus ook de pigmentcellen. Er is nog geen behandeling die vitiligo geneest, maar een schoonheidsspecialist kan de afwijking wel camoufleren.
De huid van een albino biedt geen bescherming tegen de zon.
Albinisme
Bij albinisme is er helemaal geen pigment in de huid aanwezig. Iemand die aan albinisme lijdt (een albino), heeft daarom een zeer witte huid en hoogblond haar. De huid van een albino biedt geen bescherming tegen de zon. Adviseer cliënten met albinisme dus altijd een goede sunblock te
gebruiken. Albino’s hebben vaak ook klachten aan de ogen zoals blindheid of slechtziendheid. Als het pigment ook in de ogen ontbreekt, is de iris rood van kleur. Albinisme heeft een erfelijke oorzaak en behandeling is niet mogelijk.
TIP
DE WITTE VLEKKEN VERBRANDEN SNEL. ADVISEER CLIËNTEN MET VITILIGO EEN GOEDE SUNBLOCK TE GEBRUIKEN.
Albinisme is al vanaf de geboorte zichtbaar.
Vitiligo op de hand
13.5
Afwijkingen in de bloed
vaten
Door de huid lopen kleine bloedvaatjes (adertjes).
Deze bloedvaatjes noemen we haarvaatjes. Er kunnen verschillende afwijkingen ontstaan aan deze bloedvaatjes. Sommige afwijkingen zijn blijvend en andere tijdelijk. Behandelingen van een schoonheidsspecialist zijn vaak gericht op camouflage. Vaak is doorverwijzing naar een dermatoloog nodig.
Tele’s
Teleangiëctasieën worden vaak tele’s genoemd. Een kleine woekering van tele’s met uitlopers noem je spinnaevus. Dit lijkt op een klein spinnetje met pootjes en is vaak maar enkele millimeters groot.
Teleangiëctasieën
Omschrijving
verwijde haarvaatjes in het gezicht
schijnen door de huid heen
helderrode (slagaderlijk) of donkerrode (aderlijk) kleur
Oorzaak
hormonale veranderingen tijdens zwangerschap, overgang of maagdarmstoornissen
temperatuurswisselingen
gebruik van agressieve cosmetica
overmatig gebruik van alcohol, prikkelende voeding en medicijnen
Behandeling
verdwijnen niet spontaan
camoufleren
elektrische behandeling (blendmethode of diathermie)
lasertherapie
Bloeduitstorting
Hematoom
Omschrijving
beschadiging van de bloedvaten in de huid
bloed komt buiten de bloedvaten
bloed schijnt door de huid heen (blauwe plek)
Oorzaak plotselinge, hevige druk op de huid
Behandeling
camoufleren
zalf met Arnica
Roodheid
Erytheem/rubor
Omschrijving
tijdelijke verwijding van de haarvaatjes waardoor de huid rood wordt
andere benaming is gestuwde huid
Oorzaak
warmte
cosmetische behandeling
zonnebrand (erythema solaris)
bevriezing of verbranding (erythema caloricum)
psychische prikkels zoals bij blozen (erythema pudoris)
Behandeling kalmeren van de huid
Spataderen
Varices
Omschrijving
verwijde, blijvende blauwe ader
ligt boven het huidniveau
meestal gekronkeld
kleppen in de ader werken niet goed meer, bloed stroomt niet terug en blijft in de ader staan
Oorzaak
erfelijke aanleg
hormonale verandering tijdens de zwangerschap
door de zwangerschap wordt de holle ader dichtgedrukt waardoor bloed minder goed terugstroomt vanuit de benen
Behandeling
camoufleren
beweging (wandelen)
specialistische behandeling door een dermatoloog (inspuiten, strippen of laseren)
Bezemrijs en berkelrijs
Rosacea
Omschrijving
verwijde haarvaatjes in de huid
gaan vaak samen met spataderen
donkerrood (aderlijk) heet bezemrijs
helderrood (slagaderlijk) heet berkelrijs
treed vooral op rond de knieën en de enkels
Oorzaak
bloedvaten worden slapper als gevolg van ouderdom
Behandeling
camoufleren
specialistische behandeling door een dermatoloog (inspuiten, of laseren)
Omschrijving
ontsteking van de haarvaatjes in de huid van het gezicht
kenmerken lijken op die van acne
puistvorming
er treedt geen comedonenvorming op
aanwezigheid teleangiëctasieën
komt vooral voor bij vrouwen tussen 30 en 50
Oorzaak onbekend
Behandeling
verwijderen van etterkopjes
camoufleren van rode vlekken
doorverwijzen naar een arts
antibiotica voor ontstekingen in combinatie met laserbehandeling voor de teleangiëctasieën
Winterhanden en wintervoeten
Perniones
Omschrijving
roodpaarse verkleuringen aan handen en/of tenen bij kou
haarvaatjes vlak onder de huid zijn te nauw, vaatjes daaronder raken te vol
jeuk en pijn
Oorzaak onbekend
Behandeling verbeteren bloedcirculatie door wisselbaden
Wijnvlek
Naevus flammeus
Omschrijving
aangeboren en blijvende woekering van verwijde haarvaten
roze tot paarse vlek(ken) in gezicht en hals
zichtbaar vanaf de geboorte
Oorzaak onbekend
Behandeling
camoufleren
een dermatoloog kan een laserbehandeling geven
1 3 . 6
Degeneratieverschijnselen
Als je ouder wordt, verandert er van alles in je lichaam. Dat is niet altijd zichtbaar, maar bij de huid wel. Denk maar aan rimpeltjes: de eerste verschijnen al na je 25e levensjaar. Het proces van het ouder worden van de huid noemen we huiddegeneratie Dit is op verschillende manieren zichtbaar, bijvoorbeeld als rimpels, contourvervaging van de kaak, plooien en wallen onder de ogen. De oudere huid heet ook wel rijpere huid.
De eerste rimpels verschijnen al na je 25e levensjaar.
Huiddegeneratie kan niemand voorkomen, maar een schoonheidsspecialist kan mensen wel helpen om de huid zo goed mogelijk in conditie te houden. Uvstraling van de zon of de zonnebank en roken zorgen ervoor dat het degeneratieproces versnelt. Als schoonheidsspecialist kun je cliënten hierin adviseren.
Atrofische huid
Als je ouder wordt, worden minder nieuwe cellen aangemaakt en worden cellen kleiner doordat ze vocht verliezen. Dit heet atrofie. Atrofie vindt plaats in het hele lichaam, maar op de huid is het goed te zien. De lederhuid wordt dunner en vet en spieren onder de huid verminderen. De huid wordt daardoor slapper, krijgt rimpels en gaat er grauw uitzien. Dit noem je een atrofische huid.
Elastosis
Collageen en elastine zijn bindweefselvezels in de huid. Ze zorgen ervoor dat de huid stevig en veerkrachtig blijft. Collageen zorgt vooral voor de stevigheid en elastine voor de veerkracht en elasticiteit. Bij het ouder worden vermindert de elastine waardoor de huid stram en minder elastisch wordt. Dit noem je elastosis.
Vochtarme huid of gedehydrateerde huid
Als je ouder wordt, neemt de celdeling af, bevatten cellen minder vocht en vermindert de werking van zweetklieren en talgklieren. Hierdoor wordt de hoornlaag steeds vochtarmer. Factoren zoals guur weer, verwarming en bepaalde cosmetica versnellen dit proces. Er ontstaan craqueléachtige nerfjes in de huid.
Rimpels en plooien
Door atrofie en elastosis ontstaan rimpels in de huid. Dat begint op plaatsen die vaak in beweging zijn, zoals de huid rondom de ogen en de mondhoeken. Daar is de huid dunner. Diepere rimpels noem je plooien. Deze ontstaan op plekken waar de huid dikker is, zoals tussen de neus en lippen.
Contourvervaging
Bij mensen die ouder worden zie je dat de contouren van de kaak minder goed zichtbaar zijn. Dit komt doordat vetweefsels onder de huid en vezels in de huid afnemen. Ook de halsspier krijgt minder volume.
Atrofische huid
Vochtarme huid, er zijn kleine craqueléachtige nerfjes te zien.
De kaaklijn die minder zichtbaar WORDT, is een voorbeeld van contourvervaging.
Een schoonheidsspecialist kan helpen de ouder wordende huid zo goed mogelijk in conditie te houden.
Behandeling van de RIJPERE huid
Veroudering van de huid is een onomkeerbaar proces. Een schoonheidsspecialist, arts of dermatoloog kan dit niet stoppen. Toch kan een schoonheidsspecialist veel betekenen.
Behandelingen om degeneratie tegen te gaan, heten regenererende behandelingen. Het doel van deze behandelingen is om de spierspanning en huidspanning te stimuleren, de huid te stimuleren om vocht vast te houden en om celdeling te stimuleren. Voorbeelden van deze behandelingen zijn:
bindweefsel of pincementsmassages
behandeling met hydraterende producten
behandeling met fruitzuren
Een gezonde leefstijl en goede voeding helpen om de huidconditie op peil te houden en degeneratieverschijnselen uit te stellen. Het gebruik van een goede sunblock is daarbij ook belangrijk. Ook daarin kan een schoonheidsspecialist adviseren.
Kringen en wallen onder de ogen
Rond de ogen is de huid erg dun. Het bloed onder de huid is daardoor zichtbaarder aan de buitenkant. In deze huid zitten ook minder talg en zweetklieren. Hierdoor is de huid rondom de ogen kwetsbaar en gevoeliger voor degeneratieverschijnselen zoals kringen en wallen. Deze hebben niet altijd te maken met het feit dat iemand ouder wordt.
Kringen
WIST JE DAT?
VETWALLEN HERKEN JE
DOORDAT ZE WEGZAKKEN
ALS EEN CLIËNT GAAT
LIGGEN. VOCHTWALLEN
BLIJVEN ZICHTBAAR.
Als het bloed onder de huid echt duidelijk zichtbaar is, spreek je van kringen onder de ogen. Kringen kunnen ontstaan door ziekte, slaaptekort, verdriet of zorgen. Deze kringen hebben dan een tijdelijk effect. Kringen bij magere mensen met een benige skeletbouw zijn vaak blijvend van aard. Kringen kunnen ook ontstaan door hyperpigmentaties onder het oog. Dat zie je vooral bij mensen met een donkere huid.
Dit gebeurt vooral ’s nachts waardoor iemand wakker wordt met dikke ogen. In de loop van de dag trekt dit weg doordat de lymfestroom weer op gang komt.
Behandeling van kringen en wallen Kringen kunnen gecamoufleerd worden met cosmetische producten. Bij wallen kan een afvoerende massage (lymfedrainage) helpen. Hiermee stimuleer je de lymfestroom. Dit werkt alleen bij vochtwallen. Vetwallen kunnen alleen operatief verwijderd worden.
Kringen kunnen ontstaan door ziekte, slaaptekort, verdriet of zorgen.
Wallen
Wallen onder de ogen ontstaan doordat vezels in de oogkringspier verslappen. Daardoor komt het vetweefsel vóór de oogkringspier te liggen. Dit vetweefsel houdt vocht vast. Dit vet en vocht samen vormen de wallen. Wallen kunnen ook ontstaan door alleen vochtophoping. Door een slappere huid kan het lymfevocht blijven staan.
Afwijkingen in het bindweefsel
Bindweefsel ondersteunt en verbindt organen, gewrichten en spieren. Bindweefsel speelt daarom ook een belangrijke rol in het grootste orgaan, de huid. Door verschillende oorzaken kunnen afwijkingen ontstaan in het bindweefsel. Voorbeelden hiervan zijn striae (striemen) of panniculose (sinaasappelhuid).
Striae
Doordat de huid uitgerekt wordt, ontstaan zichtbare littekens in het bindweefsel. Dit noem je striae. Ze kunnen wel 10 centimeter lang worden en zijn maximaal 1,5 centimeter breed. De littekens ontstaan vaak als gevolg van een zwangerschap of overgewicht en daarom worden ze ook wel zwangerschapsstriemen genoemd.
Door bindweefselmassages stimuleer je de doorbloeding waardoor striemen minder zichtbaar kunnen worden. Daarnaast kunnen crèmes met vitamine E de huid helpen om te herstellen. Bindweefsellittekens zullen echter nooit helemaal verdwijnen.
Panniculose
Panniculose wordt ook wel sinaasappelhuid of cellulite genoemd. Het zijn putjes in de huid die vooral zichtbaar zijn op de billen en bovenbenen. Het is een veelvoorkomend huidprobleem dat bijna alleen bij vrouwen voorkomt. Panniculose wordt vaak verward met cellulitis. Cellulitis is een pijnlijke ontsteking aan de huid. Het Engelse woord voor panniculose is cellulite en dat verklaart de verwarring.
Bij panniculose ontstaan vochtophopingen en vetafzettingen waardoor de huid niet meer egaal is. De oorzaak is een verstoring in het bindweefsel. Die ontstaat door een slechte doorbloeding of door hormonen (bijvoorbeeld in de puberteit of door pilgebruik). Door een gezonde levensstijl, goede voeding en beweging is panniculose gedeeltelijk te voorkomen. Toch zijn er ook mensen met een gezond leefpatroon die last hebben van panniculose. Aanleg speelt dan ook een rol. Er zijn behandelingen mogelijk die de doorbloeding stimuleren zoals bindweefselmassages, pakkingen of een scrub.
TIP IN HET HOOFDSTUK ‘CELLEN EN WEEFSELS’ LEES JE MEER OVER BINDWEEFSEL.
Door een gezonde levensstijl, goede voeding en beweging is panniculose gedeeltelijk te voorkomen.
Striae na de zwangerschap
Panniculose
Rokershuid
Ongezonde gewoontes kunnen ervoor zorgen dat de huid sneller degenereert. Roken is daar een bekend voorbeeld van. Door schadelijke stoffen in de sigaret veroudert de huid sneller. We spreken dan van een rokershuid. De kenmerken van een rokershuid zijn:
een grauwe en/of gele teint
dunne huid
verdikte hoornlaag waardoor grauwe teint ontstaat
rimpels
comedonen
Als iemand jong is, kan de rokershuid nog herstellen. Een schoonheidsspecialist kan dit proces versnellen. Het allerbeste is uiteraard dat de cliënt in ieder geval stopt met roken. Als de cliënt dat niet doet, kan een schoonheidsspecialist de klachten hooguit iets verminderen. Er zijn verschillende behandelingen mogelijk.
Behandeling
Werking
reinigen van de huid Door afvalstoffen als gevolg van roken te verwijderen, krijgt de huid kans om zich te herstellen.
peeling
scrubben
Een peeling zorgt ervoor dat dode huidcellen verwijderd worden, waardoor nieuwe huidcellen zich verder kunnen ontwikkelen en de huid er frisser uitziet.
Een scrub heeft ongeveer dezelfde werking als een peeling.
massage Een massage stimuleert de doorbloeding van de huid waardoor deze makkelijker herstelt.
huidverzorging met antioxidanten Antioxidanten kunnen de schade van giftige stoffen uit tabak beperken.
Test je kennis over huidafwijkingen met de online boekcheck.
Snelcode 27223
Liever wat tijdsdruk? Speel dan zo snel mogelijk alle vragen weg van de online trainer. Snelcode 26228
Door roken kun je rimpels krijgen.
14.Huidaandoeningen
IN DIT HOOFDSTUK
Huidveranderingen, huidafwijkingen, huidaandoeningen. Als jij die termen door elkaar haalt, ben je zeker niet de enige! Toch hebben ze elk een andere betekenis. Een huidaandoening is een ziekte die de huid aantast. Je spreekt van een huidafwijking als de normale functies van de huid (zoals de talgklierwerking) afwijkend zijn. Huidaandoeningen en huidafwijkingen zijn vaak de oorzaak van een huidverandering. Zo kunnen er door een schimmelinfectie (een huidaandoening) kloofjes ontstaan (een huidverandering).
In dit hoofdstuk leer je welke huidaandoeningen er zijn en hoe je ze kunt herkennen. Als schoonheidsspecialist kun je een huidaandoening vaak niet behandelen. Je moet dan doorverwijzen naar een dermatoloog.
Microorganismen
Levende organismen die je met het blote kunt zien (bijvoorbeeld planten, insecten en dieren) heten macro-organismen. Er zijn ook veel levende organismen die we niet met het blote oog kunnen zien. Dit noemen we micro-organismen. Deze kun je alleen onder een microscoop zien. Er zijn verschillende soorten microorganismen:
bacteriën
schimmels en gisten
virussen
Microorganismen komen van nature in en op ons hele lichaam voor. Veel microorganismen hebben een belangrijke functie in ons lichaam. De colibacterie speelt bijvoorbeeld een rol bij de spijsvertering. Die zit in de darmen en vormt samen met andere microorganismen de darmflora. De microorganismen die van nature op de huid zitten, vormen de huidflora. Nuttige microorganismen noem je commensalen
Er zijn ook microorganismen die ziekten kunnen veroorzaken. Deze noemen we pathogeen
Een bekend voorbeeld van een pathogeen microorganisme is het influenzavirus dat griep veroorzaakt. Microorganismen die geen ziekte veroorzaken, heten a-pathogeen
De colibacterie in de darmen is een commensaal.
Besmetting en infectie
Als pathogene microorganismen het lichaam binnenkomen, is er sprake van een besmetting. Antistoffen in je lichaam zorgen er meestal voor dat microorganismen zich niet kunnen vermenigvuldigen waardoor je niet ziek wordt. Als de microorganismen toch de kans krijgen om zich te vermenigvuldigen, spreken we van een infectie en word je ziek.
Immunisatie
Als je ziek wordt na een besmetting onthoudt je lichaam dat. Je maakt antistoffen tegen de microorganismen aan zodat je een volgende keer niet opnieuw ziek wordt: je wordt immuun. Lees meer over immunisatie in het hoofdstuk ‘Bloeden lymfevatenstelsel’, paragraaf ‘Bloed’.
14.2
Bacte riën
Er zijn verschillende soorten bacteriën die ziektes kunnen veroorzaken:
Bolvormige kokken zoals de stafylokokken en de streptokokken. Een bekend voorbeeld van een stafylokok is de staphylococcus aureus, die bij veel mensen op de huid of in de neus voorkomt. Deze bacterie kan steenpuisten veroorzaken. Roodvonk en keelontsteking zijn een gevolg van streptokokken.
Staafvormige bacillen zoals de colibacteriën, de tetanusbacillen en de tuberkelbacillen. Colibacteriën komen van nature in het darmkanaal voor. Tetanusbacillen kunnen na een verwonding in het lichaam komen en een infectie veroorzaken. De tuberkelbacillen veroorzaken tuberculose.
Spiraalvormige bacteriën die je ook wel spirocheten noemt. De geslachtszieke syfilis is een gevolg van een infectie van spirocheten.
WIST JE DAT?
DE TETANUSBACTERIE KAN IN STRAATVUIL ZITTEN. DAAROM MOET JE EEN TETANUSPRIK HALEN ALS JE EEN WOND HEBT OPGELOPEN BIJ EEN VAL OP STRAAT.
Bolvormige bacteriën
Staafvormige bacteriën
Spiraalvormige bacteriën
Groeivoorwaarden
Bacteriën zijn eencellige microorganismen. Ze planten zich voort door celdeling. Daarbij nemen ze voedingstoffen op en scheiden ze afvalstoffen uit. Bacteriën hebben dus een stofwisseling. Voor de groei en stofwisseling van bacteriën zijn enkele factoren belangrijk. Deze factoren noemen we de exogene groeifactoren
Temperatuur
De meeste bacteriën groeien het beste bij een temperatuur tussen de 20 en 40 °C. Is het kouder of warmer, dan stopt de groei of gaan bacteriën dood.
Zuurgraad
Als de zuurgraad laag is, dan is de omgeving zuur en kunnen bacteriën zich moeilijk voortplanten. Voor de meeste bacteriën is een neutrale pHwaarde van 7 het meest gunstig om zich te kunnen vermenigvuldigen. Als de zuurgraad heel laag wordt, sterven bacteriën af.
Zuurstof
Niet alle bacteriën hebben zuurstof nodig om te kunnen leven. Bacteriën die zonder zuurstof kunnen, noemen we anaeroob. Bacteriën die wel zuurstof nodig hebben voor de stofwisseling, noem je aeroob
Ziekteverwekkend vermogen
De afvalstoffen die bacteriën produceren, noem je toxinen. Een ander woord voor toxinen is gifstoffen. Deze toxinen zorgen ervoor dat iemand ziek wordt. Het lichaam kan ook antitoxinen tegen bacteriën aanmaken.
Bacteriële
huidaandoeningen
Er zijn verschillende aandoeningen die door bacteriën veroorzaakt worden. Voorbeelden hiervan zijn een ontstoken haarzakje, steenpuist, zweetklierabces en strontje.
Zweetklierabces
Hidradenitis
Omschrijving
chronische huidziekte
ontsteking van de haarzakjes die steeds terugkomt
kan leiden tot ontstoken talgklieren en zweetklieren
kan leiden tot abcessen
zichtbaar in de oksel, schaamstreek of onder de borsten.
Bacterie
staphylococcus aureus
staphylococcus milleri
Behandeling
TIP
CLIËNTEN DIE LAST
HEBBEN VAN HIDRADENITIS
HEBBEN BAAT BIJ LOSSE KLEDING. STRAK ZITTENDE KLEDING KAN DE KLACHTEN VERERGEREN.
een dermatoloog kan antibiotica voorschrijven
Steenpuist
Furunkel
Omschrijving
ontsteking van dieper gelegen haarzakje
pusvorming
ziekteverschijnselen zoals koorts
Bacterie
staphylococcus aureus
Behandeling
trekzalf verdund de huid waardoor pus kan weglopen
een arts kan de steenpuist insnijden zodat de pus kan weglopen
in sommige gevallen schrijft een arts antibiotica voor
Ontstoken haarzakje
Folliculitis
Omschrijving
ontstoken haarzakjes waardoor puistjes ontstaan
soms sprake van pusvorming
ontstaat soms na een ontharingsbehandeling
Bacterie staphylococcus aureus
Behandeling
geneest vaak spontaan
antibiotica bij steeds terugkerende folliculitis
Strontje
Hordeolum
Omschrijving
etterige ontsteking van de talgklieren bij de oogharen
kan ook ontstaan door een ontsteking van het zweetkliertje
zwelling onder of op het oog
steriele ontsteking die soms samengaat met een bacteriële ontsteking
Bacterie
stafylokokken
Behandeling
warme kompressen
antibiotica
een arts kan dit leegdrukken
14.3
Schimmels en gisten
Schimmels en gisten lijken erg op elkaar. Het verschil is dat schimmels meercellig zijn en gisten eencellig. Gisten en schimmels vermenigvuldigen zich door celdeling. Ze hebben daar dezelfde omstandigheden voor nodig als bacteriën.
Schimmels en gisten vormen sporen. Dat zijn kleine deeltjes waarin al het erfelijke materiaal van deze microorganismen zitten. Deze sporen kunnen overleven bij een hoge of lage temperatuur en in een zure, droge of vochtige omgeving.
Huidaandoeningen door schimmels
Schimmels zitten in de hoornlaag, de haren en de nagels. Er zijn maar weinig schimmels of gisten die een ziekte kunnen veroorzaken. Een huidziekte die wordt veroorzaakt door een schimmel noem je een dermatomycose.
Voorbeelden van een dermatomycose zijn:
voetschimmel (tinea pedis)
handschimmel (tinea manis)
schimmel op het lichaam (tinea corporis)
Schimmelinfecties zijn vaak te herkennen aan een witte schilfering en kloofjes. Ook is er sprake van blaasjes die indrogen en jeuken. Er zijn antischimmelmiddelen waarmee schimmelinfecties goed te behandelen zijn.
Handschimmel of tinea manis
Voetschimmel of tinea pedis
Schimmel op het lichaam of tinea corporis
Schimmelnagel of tinea unguium
Ringworm
Anders dan de naam doet vermoeden, is ringworm geen worm, maar een aandoening die door schimmel wordt veroorzaakt. Je herkent ringworm aan ronde, rode plekken die vaak jeuken en steeds groter worden. De plekken kunnen schilferen en hebben soms kleine pukkeltjes. Ringworm kan op het hele lichaam voorkomen. De plekken gaan vaak vanzelf weer weg, maar dat kan lang duren.
Huidaandoeningen door gisten
Candida is een gistsoort die veel in het lichaam voorkomt en wordt gezien als een nuttig microorganisme (commensaal). Soms kan deze gist leiden tot een infectie. Een bekend voorbeeld is de vaginale infectie door de candida albicans.
Smetuitslag
Een huidaandoening waarbij candida een belangrijke rol speelt, is smetuitslag of intertrigo. Dit wordt veroorzaakt door irritatie van de huid door overgewicht, (overmatig) zweten en wrijving. Er ontstaat een nattende uitslag waarbij ook infectie met de candida albicans (en eventueel andere schimmels en bacteriën) kan ontstaan.
Zwemmerseczeem
Schimmels doen het goed in een warme en vochtige omgeving, zoals tussen de tenen. Van de schimmelinfecties komt voetschimmel daarom het meest voor. Besmetting ontstaat vaak in kleedkamers van bijvoorbeeld zwembaden. Voetschimmel noem je daarom ook wel zwemmerseczeem.
WIST JE DAT?
SCHIMMELS KUNNEN OOK IN DE NAGELS ZITTEN. ALS EEN NAGEL GEEL EN BROKKELIG WORDT, IS ER MOGELIJK SPRAKE VAN SCHIMMELNAGEL OF TINEA UNGUIUM.
Smetplekken komen vaak voor in huidplooien.
14.4 Virussen
Virussen verschillen op veel manieren van andere microorganismen. Ze zijn veel kleiner, bewegen niet, eten niet en bestaan ook niet uit cellen. Een virus dringt een cel binnen van een ander organisme, bijvoorbeeld van bacteriën, planten, dieren of mensen. Deze cel heet de gastheercel. Het virus neemt de functies van die cel over en kan zichzelf kopiëren. Uiteindelijk breekt die cel open en komen virussen vrij. Ben je één keer geïnfecteerd met een virus, dan draag je dat de rest van je leven mee. Dat heeft niet altijd gevolgen.
Huidaandoeningen door virussen
Huidaandoeningen die worden veroorzaakt door virussen zijn:
koortsblaasjes (herpes simplex)
gordelroos (herpes zoster)
wratten (verrucae)
Koortsblaasjes
Het virus herpes labialis veroorzaakt koortsblaasjes (herpes simplex). Zolang ze niet zijn ingedroogd, zijn deze blaasjes besmettelijk. Het vocht in de blaasjes kan leiden tot besmetting. Vooral voor baby’s is dit gevaarlijk. Adviseer cliënten met een koortslip om daar rekening mee te houden. Koortsblaasjes ontstaan vaak bij een verlaagde weerstand zoals bij koorts. Ook uvstraling van de zon of de zonnebank kan de weerstand verlagen.
Gordelroos
Het virus dat bij kinderen waterpokken veroorzaakt, blijft in het lichaam zitten en trekt zich terug in een zenuwbaan. Op latere leeftijd kan dit virus gordelroos (herpes zoster) veroorzaken. Dit ontstaat meestal bij een verlaagde weerstand. Gordelroos herken je aan blaasjes gevuld met troebel vocht. Het zit vaak op plekken waar zenuwbanen lopen, zoals in de taille, en zit meestal maar aan één kant. Vandaar de naam gordelroos.
Koortsblaasje
Gordelroos is vaak zichtbaar in de taille.
Gewone wratten
Wratten (verruca vulgaris) ontstaan door het humaan papillomavirus. Door een infectie met dit virus versnelt het verhoorningsproces in de huid. Hierdoor ontstaan er ronde, bloemkoolachtige uitgroeisels. Besmetting met dit virus vindt vaak plaats door direct contact. Bijvoorbeeld door iemand een hand te geven. Wratten komen vaak bij kinderen voor op de handen en soms in het gezicht, op de ellebogen of op de knieën. Wratten bij oudere mensen noem je verruca senilis, ook wel ouderdomswratten genoemd. Deze wratten zijn niet besmettelijk.
Waterwratjes
Waterwratjes (mollusca contagiosa) worden door een ander virus veroorzaakt, namelijk door het virus molluscum contagiosum. Het zijn kleine witte ronde bultjes met in het midden een putje. Er kan een witte brij uit komen als er op de wratjes wordt gedrukt. Deze wratjes komen vaak voor bij kleine kinderen en zijn dan verspreid over het hele lichaam.
Behandeling van wratten
Wratten gaan meestal binnen een jaar of twee vanzelf weer weg. Er zijn middelen waarmee je een wrat kunt aanstippen, maar die zijn niet altijd effectief. Als wratten hinderlijk zijn, kan een dermatoloog of arts ze ook verwijderen.
Waterwratjes kunnen bij kinderen over het hele lichaam voorkomen.
Wratten zie je vaak op de binnenkant van de handen.
14.5
Soa’s
De afkorting soa betekent seksueel overdraagbare aandoening. Soa’s zijn ziektes die veroorzaakt worden door bepaalde microorganismen en die door seksueel contact overdraagbaar zijn van de ene persoon op de andere. Soa’s kunnen allerlei ziekteverschijnselen veroorzaken waarvan enkele zichtbaar zijn op de huid. Sommige soa’s worden veroorzaakt door een bacterie en andere door virussen.
Bacteriële soa’s
Soa’s die worden veroorzaakt door een bacteriële infectie kunnen behandeld worden met antibiotica.
Het is dan wel belangrijk dat de behandeling zo snel mogelijk gestart wordt. In de tabel lees je welke bacteriële soa’s er zijn.
in de laatste fase is behandeling niet meer mogelijk chlamydia chlamydia trachomatis (bolvormig)
pijn bij het plassen
afscheiding of bloedverlies
jeuk bij de anus
pijn in onderbuik of balzak
Soa’s verspreiden zich door wisselende seksuele contacten.
Virale soa’s
Virussen kunnen ook soa’s veroorzaken. Dan is behandeling anders, omdat virussen niet met een antibioticakuur zijn te bestrijden. De bekendste soa’s met een virale oorzaak zijn hepatitis en aids.
Hepatitis B
Hepatitis is een ontsteking in de lever. Het wordt veroorzaakt door het hepatitisvirus. Dit virus is er in drie varianten. De bekendste variant is het hepatitis Bvirus. Dit virus kan worden overgedragen door seksueel contact of door besmet bloed. Bijvoorbeeld door het gebruik van besmette naalden of scheermesjes.
Iemand met hepatitis B heeft last van vermoeidheid, koorts en pijn in de onderbuik. Ook aan de huid kan het zichtbaar zijn door een gele verkleu
LET OP!
HEPATITIS EN HIV KUNNEN WORDEN OVERGEBRACHT DOOR BESMET BLOED. HYGIËNE IS DAAROM VAN EXTRA GROOT BELANG ALS TIJDENS BEHANDELINGEN BLOED VRIJKOMT.
Hepatitis A en C
Het hepatitisvirus is er ook in twee andere varianten die niet seksueel overdraagbaar zijn. Besmetting met het hepatitis Avirus komt meestal door besmet voedsel. Besmetting met het hepatitis Cvirus kan alleen door besmet bloed. De klachten zijn vergelijkbaar met de Bvariant. Bij hepatitis C is er een grotere kans op langdurige ziekteverschijnselen.
ring van de huid (geelzucht). De ziekte verdwijnt in de meeste gevallen vanzelf, maar kan in ernstige gevallen leiden tot blijvende schade aan de lever. Voor hepatitis B is ook een vaccinatie beschikbaar waardoor je levenslang beschermd bent tegen deze ziekte.
Hiv
De vier meest voorkomende soa’s in Nederland zijn chlamydia, genitale wratten, herpes en gonorroe. De soa die daarna het meeste voorkomt, is besmetting met hiv. Dit virus kan het lichaam binnenkomen door besmet sperma of bloed. Het wordt overgedragen door seksueel contact, maar ook besmette injectienaalden kunnen hiv overdragen.
Hiv is gericht op het afweersysteem van je lichaam en kan koorts en huiduitslag veroorzaken. Hiv kan behandeld worden met hivremmers. Deze remmen de werking van hiv, maar het virus blijft in het lichaam. Als hiv niet behandeld wordt, verspreidt het virus zich door het lichaam en kan het de ziekte aids veroorzaken. Deze ziekte houdt in dat het afweersysteem van het lichaam niet meer werkt. Een kleine ontsteking kan dan al dodelijke gevolgen hebben.
Door besmette injectienaalden kan hiv overgedragen worden.
14.6
Parasieten
Bacteriën, schimmels en virussen zijn microorganismen. Je kunt ze niet met het blote oog zien. Er zijn ook organismen die je wél kan zien. Deze organismen noem je macro-organismen. Er zijn macroorganismen die huidaandoeningen veroorzaken. Dit zijn kleine beestjes die leven van het voedsel dat ze vinden in de huid. Ze heten parasieten.
Schurft
Schurft (scabiës) wordt veroorzaakt door de schurftmijt. De vrouwelijke mijt graaft gangetjes in de opperhuid en legt daar eitjes. Daardoor zie je korte geknikte lijntjes in de huid. Verder heeft iemand met schurft last van een sterk jeukende huiduitslag met puistjes. Een besmetting met schurftmijt ontstaat meestal door intiem contact,
zoals bij seks. Het wordt daarom ook wel gezien als een seksueel overdraagbare aandoening (soa). Schurft is te behandelen met medicijnen.
Teken
Een teek (ixodida) is een spinachtig insect dat in de natuur voorkomt. Teken kruipen op mensen of dieren en bijten zich vast in de huid. Daar zuigt de teek bloed op. Als een teek niet verwijderd wordt, groeit deze uit tot een grijze bol. Een teek kan namelijk meer dan tien keer het eigen lichaamsgewicht opzuigen.
Sommige teken zijn besmet met de bacterie borrelia burgdorferi. Bij een tekenbeet kan de teek deze bacterie overdragen op de mens. Deze besmetting veroorzaakt de ziekte van Lyme Bij deze ziekte ontstaat enkele weken na de besmetting een rode verkleuring op de huid, daarna volgen koorts, vermoeidheid en soms ook spier en gewrichtspijn. Als de ziekte van Lyme niet behandeld wordt, zijn deze klachten blijvend.
Daarom is het belangrijk om zo snel mogelijk te beginnen met een antibioticakuur. Een huisarts kan deze voorschrijven.
Hoofdluis
Hoofdluis (pediculosis) is een klein beestje dat zich nestelt in het hoofdhaar. Het krijgt voeding door een beet in de hoofdhuid en dat veroorzaakt jeuk. De vrouwelijke luis legt eitjes (neten) in het haar. Die zijn zichtbaar als kleine witte puntjes die vastkleven aan het haar. Hoofdluis komt vooral voor bij kinderen.
Besmetting met hoofdluis gebeurt vaak op plekken waar veel kinderen direct contact met elkaar hebben, zoals op school. Daar kan de luis via het haar van de ene hoofdhuid naar de andere overlopen. De luis verspreidt zich niet via kleding, maar kan zich soms verspreiden via borstels of haarelastieken waar nog haar op zit. Er zijn speciale kammen, shampoos en lotions waarmee hoofdluis bestreden kan worden.
De schurftmijt graaft gangen die lijntjes op de huid veroorzaken.
Als een teek niet verwijderd wordt, groeit
DEZE uit tot een grijze bol.
De hoofdluis voedt zich door een beet in de hoofdhuid.
Schaamluis
Naast de hoofdluis is er ook de schaamluis. Deze luis veroorzaakt dezelfde klachten, maar komt vooral voor in het schaamhaar. Besmetting vindt meestal plaats door seks. Schaamluis wordt daarom ook wel een seksueel overdraagbare aandoening (soa) genoemd.
Train je kennis over huidaandoeningen door micro-organismen en macroorganismen met de online trainer. Snelcode 26236
Trauma en letsel
Bij een ongeval kan schade ontstaan aan de huid. Denk aan een schaafwond op je knie als je met de fiets bent gevallen. De wetenschappelijke termen die gebruikt worden bij een ongeval zijn trauma en letsel. In het voorbeeld is de val van de fiets het trauma en de schaafwond het letsel. Letsel kan tijdelijk of blijvend zijn. Een oppervlakkige schaafwond is een voorbeeld van tijdelijk letsel. Een litteken kan blijvend letsel zijn.
Wonden
Als een wond ontstaat als gevolg van trauma, noemen we deze een acute wond. Voorbeelden hiervan zijn snijwonden en schaafwonden. Een wond geneest vanzelf, maar dit proces kan verstoord worden waardoor genezing moeizaam verloopt. De genezing van de wond verloopt altijd in drie fasen: de reactiefase, de regeneratiefase en de rijpingsfase.
TIP IN HET HOOFDSTUK
JE MEER OVER ONTSTEKINGSVERSCHIJNSELEN.
Het genezingsproces van de wond verloopt in drie fasen
Reactiefase
De eerste fase na het ontstaan van de wond heet de reactiefase. Eerst ontstaat een bloeding (bloedingsfase) die tot stilstand wordt gebracht door het stollingsproces. Bij dit proces vernauwen de bloedvaatjes zich en worden er fibrinedraden gevormd. Deze zorgen voor een netwerk dat de randen van een wond met elkaar verkleeft en verbindt. Als dit netwerk indroogt, ontstaat er een korst (crusta). Daarna gaat het lichaam de dode cellen en microorganismen opruimen. Dit heet de ontstekingsfase. Hierbij treedt vocht uit de bloedvaten, waardoor een zwelling ontstaat. Deze zwelling prikkelt de pijnzenuwen. Bij deze fase ontstaan ontstekingsverschijnselen, zoals roodheid, warmte, zwelling en pijn. Uiteindelijk zorgt deze fase ervoor dat de wond schoon wordt.
Regeneratiesfase
Als de wond schoon is, moet er nieuw huidweefsel worden aangemaakt. De wond wordt dan gesloten. Deze fase noem je de regeneratiefase. Het weefsel dat nieuw gevormd wordt, heet granulatieweefsel Dit weefsel is vochtig, rood en korrelig. Om granulatieweefsel te kunnen maken heeft het lichaam voedingstoffen nodig, zoals zuurstof, eiwitten en vitaminen. Als deze stoffen ontbreken, vertraagt dat de wondgenezing. Als de wond bedekt is met granulatieweefsel, kunnen de huidcellen langs de randen van de wond zich gaan vermenigvuldigen. De wond groeit dan dicht. Het weefsel dat dan ontstaat is nog erg kwetsbaar.
Rijpingsfase
TIP
IN HET HOOFDSTUK
‘BLOED EN LYMFEVATENSTELSEL’ LEES JE MEER OVER BLOED EN BLOEDSTOLLING.
Het granulatieweefsel dat nu bedekt is door een laagje nieuw huidweefsel moet uitrijpen tot dun, soepel en wit bindweefsel. Er ontstaat een litteken.
Dit heet de rijpingsfase of remodelleringsfase. In deze fase spelen fibroblasten een belangrijke rol. Fibroblasten zijn stofjes die zorgen voor de aanmaak van verschillende huidcellen. Dit proces kan een half jaar tot twee jaar duren. Dit is afhankelijk van de grootte van de wond.
Factoren die genezing beïnvloeden
Een aantal factoren beïnvloedt de genezing van wonden:
Factor Invloed
Meerdere fasen tegelijkertijd
Soms verlopen meerdere fasen van wondgenezing tegelijk. Dan zijn er bijvoorbeeld in het midden van de wond nog ontstekingsverschijnselen te zien (reactiefase), terwijl er aan de randen van de wond granulatieweefsel wordt gevormd (regeneratiefase). De huid sluit zich pas echt als alle fasen helemaal doorlopen zijn.
lichamelijke conditie Een goede conditie en weerstand zorgen ervoor dat het lichaam alle energie kan steken in de genezing van de wond.
roken Roken vertraagt de wondgenezing omdat de aanmaak van nieuwe cellen langzamer gaat.
voeding Voor het genezingsproces zijn verschillende voedingsstoffen nodig, zoals eiwitten en vitaminen. Gezonde voeding levert deze voedingsstoffen.
vocht Voldoende vocht (1,5 tot 2 liter per dag) is erg belangrijk voor wondgenezing. Alcohol kan schadelijk zijn.
beweging Beweging zorgt voor een goede doorbloeding. Dit is belangrijk omdat bloed voedingstoffen en zuurstof naar het wondgebied brengt.
medicijnen Sommige medicijnen (zoals corticosteroïden) kunnen de wondgenezing remmen. Andere (zoals antibiotica) hebben juist een positief effect.
Littekens
Na de genezing van een wond ontstaat een litteken. Als schoonheidsspecialist kun je helpen littekens minder zichtbaar te maken. Sommige littekens liggen niet gelijk aan het huidniveau. Deze zijn moeilijker te camoufleren. Dit zijn hypotrofische en hypertrofische littekens.
Soms wordt bij de genezing van een wond te weinig granulatieweefsel aangemaakt. Het litteken ligt dan onder het niveau van de huid. Deze littekens zijn soms grillig van vorm. Ze heten hypotrofische littekens
Littekens waarbij extra granulatieweefsel wordt gevormd kunnen dikker en groter worden. Ze liggen dan boven het huidniveau. Dit noem je hypertrofische littekens
Sommige hypertrofische littekens groeien verder dan de oorspronkelijke plek. Er ontstaat een woekering van littekenweefsel. Dit noem je keloïden. Keloïden en andere hypertrofische littekens kunnen jeuken en pijn doen.
Littekens behandelen
Als schoonheidsspecialist kun je de genezing van littekens bevorderen of de zichtbaarheid van littekens verminderen.
Dit kan door huidverbeterende massages, zoals een pincementsmassage, of door het gebruik van siliconenpleisters of littekencrème of olie.
LET OP! MEDICIJNEN MET CORTICOSTEROÏDEN WORDEN GEBRUIKT BIJ VERSCHILLENDE HUIDAANDOENINGEN EN AFWIJKINGEN, MAAR KUNNEN HET GENEZINGSPROCES VAN EEN WOND VERTRAGEN.
Hypotrofisch litteken
Hypertrofisch litteken
Hypertrofisch litteken met keloïdvorming
Roodheid
Bij trauma ontstaat niet altijd een beschadiging van het huidoppervlak. Ook in of onder de huid kunnen beschadigingen optreden. Deze beschadigen kunnen zichtbaar zijn door een verkleuring aan de oppervlakte van de huid. We noemen dit roodheid (erythema traumaticum).
Als de bloedvaten in de huid beschadigd raken, ontstaan er plaatselijke ophopingen van gestold bloed. Deze zijn vanaf de buitenkant zichtbaar. Je spreekt dan van een bloeduitstorting (hematoom) of een blauwe plek (ecchymose).
Een trauma kan er ook voor zorgen dat dieper gelegen weefsel beschadigd raakt. Er is dan sprake van een kneuzing (contusie). Kenmerken van kneuzingen zijn zwellingen en pijn.
Kneuzingen en bloeduitstortingen genezen vanzelf. Koelen met ijs of koude kompressen kan de genezing versnellen en zwellingen voorkomen. Als schoonheidsspecialist kun je een blauwe plek gedeeltelijk camoufleren. Daarnaast kun je Arnica (valkruid) adviseren. Dat is een middel dat bekendstaat om de positieve werking op kneuzingen en blauwe plekken.
14.8
Verbranding en bevriezing
Verbranding en bevriezing hebben gevolgen voor de huid die vergelijkbaar zijn. Die gevolgen kunnen ernstig en minder ernstig zijn. Als de huid rood kleurt door een verbranding of een bevriezing noemen we dat erythema caloricum
Verbranding
Verbranding van de huid kan ontstaan door zon (of zonnebank), vuur, heet water, chemische stoffen en elektriciteit. De ernst van de verbranding varieert: er zijn eerstegraads, tweedegraads en derdegraadsbrandwonden.
Verbranding door zon
Als roodheid ontstaat door zonnebrand heet dat erythema solare. Zonnebrand ontstaat door zonder bescherming in de felle zon te liggen. De rode huid voelt pijnlijk aan. Dit trekt binnen enkele dagen weer weg en de huid herstelt zich.
Een bloeduitstorting onder de huid is zichtbaar aan de oppervlakte.
Eerstegraadsverbranding
Omschrijving
minst ernstige vorm van verbranding
alleen de opperhuid is beschadigd
de huid kleurt rood en is pijnlijk
Herstel
behandelen met kalmerende, verkoelende en hydraterende producten
de huid is binnen 48 uur volledig hersteld
Tweedegraadsverbranding
Omschrijving
de huid is rood en pijnlijk en er ontstaan blaren (bulla)
de opperhuid en lederhuid zijn beschadigd
talgklieren en zweetklieren zijn nog intact
Herstel
is niet cosmetisch te behandelen, medische zorg is nodig
de huid herstelt zich in ongeveer twee weken
Derdegraadsverbranding
Omschrijving
zeer ernstige verbranding
de huid is wit of zwart van kleur en gevoelloos
de huid sterft af (necrose)
Herstel
is niet cosmetisch te behandelen, medische zorg is nodig
duurt erg lang en er is sprake van ernstige littekenvorming
Vierdegraadsverbranding
Sommige deskundigen spreken ook nog van een vierdegraadsverbranding.
Een andere term daarvoor is verkoling. De verbranding is zo diep dat ook bot en spierweefsel verbrand zijn.
Meestal is een vierdegraadsbrandwond dodelijk.
LET OP! EEN TWEEDE EN DERDEGRAADSVERBRANDING
KUN JE NIET COSMETISCH BEHANDELEN. DAARVOOR IS MEDISCHE ZORG NODIG.
Bevriezing
Ook bij bevriezing van de huid spreken we van eerste, tweede en derdegraadsbevriezingen. Bij een eerstegraadsbevriezing kleurt de huid grijs en voelt de cliënt een stekende pijn in de bevroren lichaamsdelen. Bij een tweedegraadsbevriezing ontstaan er ook blaren. Bij een derdegraadsbevriezing is de huid spierwit, gevoelloos en voelt deze hard aan. Na enige tijd sterft het weefsel af en wordt het zwart.
14.9 Stofwisselingsstoornissen
Bepaalde stoornissen in de stofwisseling kunnen leiden tot huidaandoeningen. Diabetes is een bekend voorbeeld van een stofwisselingsziekte die huidproblemen veroorzaakt. Xanthelasma is een huidaandoening die ook met de stofwisseling te maken heeft.
Diabetes mellitus
Het hormoon insuline zorgt ervoor dat suiker in het bloed afbreekt en wordt omgezet in energie. Bij mensen met de ziekte diabetes wordt te weinig of geen insuline aangemaakt en blijft er te veel suiker in het bloed. Daarom heet diabetes ook wel suikerziekte.
Er zijn twee typen diabetes. Bij type 1 wordt helemaal geen insuline aangemaakt, bij type 2 wordt te weinig insuline aangemaakt. De meeste diabetespatiënten hebben diabetes type 2. Deze ziekte wordt ook wel ouderdomssuiker genoemd. Met insuline (pillen of injecties) is diabetes goed te behandelen. Soms is daarnaast een koolhydraatarm dieet en meer beweging nodig.
Bij een tweedegraadsbevriezing ontstaan blaren.
Xanthelasma
Xanthelasma is een huidaandoening waarbij kleine vetophopingen te zien zijn op de oogleden van oudere mensen. Het is een gevolg van een stoornis in de vetstofwisseling en in sommige gevallen hebben mensen met xanthelasma een te hoog cholesterolgehalte.
Xanthelasma is te camoufleren, maar alleen een arts kan de bultjes verwijderen.
Complicaties
Diabetes kan schade veroorzaken aan de bloedvaten en zenuwuiteinden. Dit heeft gevolgen voor allerlei organen en ook voor de huid. Veelvoorkomende huidklachten zijn:
schimmelinfectie
droge huid
dikkere huid
verkleuringen door meer of minder pigment
Door de schade aan bloedvaatjes en zenuwen stroomt het bloed minder goed naar de benen en voeten. Hierdoor worden voeten gevoelloos en merk je niet dat er wondjes en ontstekingen ontstaan die niet goed genezen. Dit kan leiden tot grotere problemen waarbij zelfs weefsel afsterft. Tegenwoordig zijn er speciale voetpoliklinieken voor diabetespatiënten met voetproblemen.
Behandeling van cliënten met diabetes
Een schoonheidsspecialist kan de ziekte diabetes niet behandelen, maar cosmetische behandelingen zijn wel mogelijk. Hygiëne is dan erg belangrijk. Een pedicure met specialisatie diabetes kan helpen bij de controle van wondjes aan de voeten.
Onopgemerkte wondjes kunnen leiden tot ontstekingen.
xanthelasma rondom het oog
Aller gieën
Het afweersysteem van het menselijk lichaam zorgt ervoor dat er antistoffen aangemaakt worden die ziekteverwekkende stoffen in het lichaam tegengaan. Soms reageert dat afweersysteem te heftig op ziekteverwekkers of maakt het lichaam antistoffen aan tegen stoffen die niet schadelijk zijn. De reactie die dan plaatsvindt, noem je een allergische reactie. De stoffen waar het lichaam op reageert zijn allergenen. Bekende allergenen zijn graspollen, voedsel en huisdieren. De allergische reactie kan leiden tot een huidaandoening zoals eczeem, maar er zijn ook andere allergische reacties.
Allergische reacties
Er zijn verschillende allergische reacties. De belangrijkste worden hiernaast uitgelegd.
ZIT IN VEEL GEURTJES. ADVISEER JE CLIËNTEN VOORZICHTIG TE ZIJN MET GEURTJES EN ZONLICHT.
Berlocke huidonsteking
Berlocke dermatitis
Oorzaak combinatie van overgevoeligheid voor bergamotolie en zonlicht
Verschijnselen
grillige vlekken
Behandeling
vlekken kunnen vanzelf verdwijnen, maar zijn vaak blijvend
anti zonnebrand ter preventie
Fytofotodermatitis
Oorzaak
combinatie van bepaalde planten en zonlicht
Verschijnselen
grillige rode vlekken
blaren en blaasjes
pijn en jeuk
Behandeling
blaren openen en afdekken met nat gaas
zinkoxidezalf
Netelroos
Urticaria
Oorzaak
allergie voor bepaalde geneesmiddelen, levensmiddelen of planten (bijvoorbeeld brandnetel)
Verschijnselen
jeuk
verwijde haarvaatjes in de huid
rode vlekken die later verbleken
Behandeling
verdwijnt na enkele uren
koelen
Vochtophoping van Quinke
Oedeem van Quinke
Oorzaak
allergie voor bepaalde geneesmiddelen, levensmiddelen of planten
Verschijnselen
haarvaatjes die dieper in de huid liggen gaan lekken
vochtophopingen in de huid (zwellingen)
oedeem in de slokdarm kan luchtpijp dichtdrukken
Behandeling
verdwijnt vanzelf, maar kan levensbedreigend zijn als de luchtpijp dichtgedrukt wordt
altijd een arts inschakelen
Eczeem
Eczeem is een ontstekingsreactie van de huid. Soms is eczeem een allergische reactie, maar dat is niet altijd zo. De verschijnselen van eczeem zijn roodheid, zwelling, warm aanvoelen van de huid, jeuk, bobbeltjes en schilfering. Eczeem kan droog en gesloten zijn, maar ook open en nat. Open en nat eczeem is gevoeliger voor infecties van verschillende microorganismen. Eczeem kun je indelen in twee soorten, namelijk constitutioneel eczeem en contacteczeem.
Constitutioneel eczeem
Constitutioneel eczeem is een erfelijke vorm van eczeem en kan daarom niet genezen. Het wordt ook wel atopisch eczeem genoemd. De verschijnselen bij deze vorm van eczeem zijn roodheid, bultjes, jeuk, blaasjes en schilfering. De aandoening ontstaat vaak op jonge leeftijd en iemand kan er tijdelijk meer of minder last van hebben. Constitutioneel eczeem is geen allergische reactie op bepaalde stoffen zoals bij contacteczeem.
Mensen met constitutioneel eczeem hebben vaak ook last van andere aandoeningen, zoals hooikoorts, voedselallergie of astma. Dit noem je atopische aandoeningen
Contacteczeem
Contacteczeem is altijd een reactie op een stof die van buitenaf de huid binnendringt. Er zijn twee soorten contacteczeem: orthoergisch contacteczeem en allergisch contacteczeem.
Ortho-ergisch contacteczeem is een reactie van de huid op bepaalde irriterende stoffen zoals schoonmaakmiddelen, oplosmiddelen of bepaalde cosmetica. Er ontstaat een irritatie van de huid waarbij roodheid, droge huid, schilfering en jeuk optreden. Het is een rechtstreekse reactie van de
huid op de genoemde stoffen en daarom is het geen allergische reactie. Orthoallergisch eczeem komt bijvoorbeeld voor bij mensen die vaak hun handen moeten wassen, zoals chirurgen of automonteurs.
Allergisch contacteczeem is eczeem dat veroorzaakt wordt door een allergische reactie. Het lichaam maakt antistoffen aan tegen een bepaalde stof en die veroorzaken een reactie op de huid. De verschijnselen zijn vergelijkbaar met die van orthoergisch contacteczeem, maar bij allergisch contacteczeem kunnen ook blaasjes en natte plekken ontstaan. Een bekend voorbeeld van allergisch contacteczeem is nikkelallergie. Iemand met een allergie voor nikkel kan bijvoorbeeld geen oorbellen met nikkel dragen.
Een ernstige vorm van constitutioneel eczeem
Contacteczeem veroorzaakt door een allergie voor het nikkel in een ring.
WIST JE DAT? ECZEEM IS GEEN BESMETTELIJKE ZIEKTE.
Mondhoekeczeem
Een bijzondere vorm van eczeem is mondhoekeczeem. Andere namen voor deze huidaandoening zijn cheilitis angularis, perleche of anguli infectiosi. Dit is een eczeem waarbij kloofjes, rode plekken en jeuk in de mondhoeken ontstaan. De oorzaak is geen allergische reactie, maar een irritatie van de huid door te veel speeksel (kwijl) in de mondhoeken. Mondhoekeczeem komt bijvoorbeeld voor bij baby’s, jonge kinderen of kinderen met het downsyndroom. Door de hoge vochtigheid is er een grotere kans op besmetting met microorganismen. Bacteriën (streptokokken), schimmels en gisten (candida) kunnen bij deze vorm van eczeem een infectie veroorzaken.
Behandeling van eczemen
Eczeem is te behandelen met lotions en crèmes waar corticosteroïden in zitten. Dit zijn hormonen die eczeem kunnen bestrijden. Deze middelen mogen niet te lang achter elkaar gebruikt worden, omdat ze bijwerkingen geven als je ze te lang gebruikt. Verder zijn er middelen die jeuk kunnen verminderen. In die middelen zitten vaak antihistaminica die de werking van histamine tegengaan. Histamine is de stof die jeuk veroorzaakt. Als het gaat om een allergisch eczeem kan een arts achterhalen voor welke stof iemand gevoelig is. Deze stof zal de cliënt dan zoveel mogelijk moeten vermijden.
Als schoonheidsspecialist moet je weten of de cliënt overgevoelig is voor bepaalde cosmetica. Sommige producten kunnen eczeemklachten namelijk verergeren. Water, zeep en veelvuldig douchen ontvet de huid en kun je daarom beter afraden. Hydraterende en vetregulerende crèmes kun je wel aanraden, omdat deze crèmes ervoor zorgen dat de huid niet uitdroogt. Dit geldt ook voor vette zalven.
LET OP! SOMMIGE COSMETISCHE PRODUCTEN KUNNEN EEN ALLERGISCHE REACTIE EN ECZEEM VEROORZAKEN.
Mondhoekeczeem met een candida infectie
14.11
Gezwellen
Een woekering van cellen noemen we een tumor of een gezwel. Deze kunnen overal in het lichaam voorkomen. Er zijn twee soorten gezwellen, namelijk goedaardige en kwaadaardige (maligne) tumoren.
Goedaardige gezwellen
Een goedaardig gezwel (benigne gezwel) is een klompje cellen in een soort schil. Deze schil noem je het kapsel. Binnen dit kapsel delen de cellen zich steeds waardoor het gezwel kan groeien. Dit kan problemen veroorzaken. Een gezwel in de slokdarm kan bijvoorbeeld de luchtpijp dichtduwen waardoor de ademhaling bemoeilijkt wordt. Op de huid hebben goedaardige tumoren vooral een cosmetisch effect. Dat betekent dat het er niet mooi uitziet.
Bij een goedaardig gezwel blijven de cellen in het kapsel zitten. Ze zaaien dus niet uit naar andere organen. Er zijn verschillende soorten goedaardige gezwellen.
Epitheelgezwellen
Omschrijving opeenhoping van epitheelcellen
Voorbeeld wratten
Een goedaardig gezwel
Bindweefselgezwellen
Omschrijving
opeenhoping van bindweefsel
lijken soms op wratten maar hebben geen virale oorzaak
kunnen verwijderd worden door een arts
Voorbeeld steelwratjes en fibromen (foto)
Pigmentgezwellen
Omschrijving
opeenhoping van pigment
gevoelig voor zon
kunnen verwijderd worden door een arts
Voorbeeld moedervlekken
Vaatgezwellen
Omschrijving opeenhoping van bloedvaten
Voorbeeld
teleangiëctasieën
wijnvlek (foto)
Vetgezwellen
Omschrijving
opeenhoping van vetcellen
kunnen pijnlijk zijn als ze tegen een zenuw aandrukken
een arts kan ze verwijderen
Voorbeeld
xanthelasma
lipomen (foto)
TIP IN HET HOOFDSTUK ‘HUIDAFWIJKINGEN’ LEES JE MEER OVER AFWIJKINGEN IN HET PIGMENT EN DE BLOEDVATEN.
Kwaadaardige gezwellen
Een kwaadaardig gezwel (kanker) verschilt in een aantal opzichten van een goedaardig gezwel:
Het is niet ingekapseld en kan daarom uitzaaien naar andere organen.
Het groeit ongeremd en verwoest andere weefsels.
Het dringt binnen in andere weefsels en organen.
Kwaadaardige gezwellen worden ingedeeld naar het soort weefsel waar ze in ontstaan:
epitheelgezwel (carcinoom)
pigmentgezwel (melanoom)
bindweefselgezwel (sarcoom)
In de huid komen de gezwellen carcinoom en melanoom voor.
Carcinoom
Het gezwel carcinoom is er in twee soorten, namelijk basaalcelcarcinoom en plaveiselcelcarcinoom.
Een basaalcelcarcinoom is een gezwel met dezelfde of een donkerder kleur dan de huid dat langzaam groeit en vaak korstvorming in het midden laat zien. Onder dat korstje zit een nat wondje. Deze vorm van kanker zaait zelden uit en is niet dodelijk. Toch is het verstandig om een carcinoom altijd te laten verwijderen door een dermatoloog of een plastisch chirurg. Het gezwel kan namelijk groter worden en nare zweertjes in de huid geven. Basaalcelcarcinoom is de meest voorkomende vorm van huidkanker.
Plaveiselcelcarcinoom begint vaak met een wratachtig bobbeltje. Onder dit bobbeltje ontstaat een slecht genezend zweertje. Dit bobbeltje kan uitgroeien tot een tumor van ongeveer 1 cm en de kankercellen kunnen uitzaaien naar de lymfen. De tumor moet altijd volledig worden verwijderd door een huidarts. Daarna zal de patiënt vijf jaar onder controle moeten blijven.
Melanoom
Melanoom is de meest ernstige vorm van huidkanker. Melanoom ziet er in eerste instantie uit als een moedervlek, maar kan uitzaaien naar andere organen. Melanoom is te herkennen door de ABCDE-regel toe te passen.
A staat voor asymmetrie. Een gewone moedervlek is symmetrisch van vorm (beide helften zijn gelijk), maar dat is bij melanoom niet het geval.
B staat voor border (begrenzing). Melanoom heeft een grillige vorm (begrenzing), terwijl een gewone moedervlek mooi rond is.
C staat voor color (kleur). Een moedervlek is meestal egaal van kleur, terwijl een melanoom uit meer dan drie verschillende kleuren kan bestaan.
D staat voor diameter. Bij een melanoom is de diameter groter dan 0,6 cm.
E staat voor evolution (ontwikkeling). Als een vlek in korte tijd veranderd van vorm, kleur of diameter, dan is er mogelijk sprake van melanoom.
Basaalcelcarcinoom is de meest voorkomende vorm van huidkanker.
Plaveiselcelcarcinoom in het beginstadium
WIST JE DAT?
SUNBLOCKS HEBBEN
EEN HOGE SPF (SUN PROTECTION FACTOR)
EN BIEDEN DAARDOOR VEEL BESCHERMING.
Genieten van de zon?
Een belangrijke factor bij het ontstaan van huidkanker is uvstraling van de zon of zonnebank. Adviseer cliënten om verantwoord om te gaan met zonnebaden. Ook erfelijke factoren spelen een rol. Als huidkanker in de familie voorkomt, adviseer dan om niet onder de zonnebank te gaan en altijd een goede sunblock te gebruiken.
Melanoom op je smartphone?
Tegenwoordig zijn er apps ontwikkeld waarmee mensen met hun smartphone zichzelf kunnen controleren op de aanwezigheid van melanoom. Een schoonheidsspecialist kan helpen met het controleren op ‘verdachte’ moedervlekken, maar mag nooit een diagnose stellen. Daarvoor moet een cliënt altijd worden doorverwezen naar een dermatoloog.
Test je kennis over huidaandoeningen met de online boekcheck.
Snelcode 27232
De diagnose van melanoom moet altijd door een dermatoloog WORDEN GEDAAN.
15.Nagelen haarafwijkingen
Haren en nagels zijn belangrijk voor je uiterlijk. Bedenk maar eens hoeveel tijd je besteedt aan de verzorging van je nagels en je haar. Als schoonheidsspecialist mag je gezonde nagels altijd behandelen, maar niet iedereen die in jouw salon komt heeft gezonde nagels. Het is belangrijk dat jij weet wanneer je iemand moet doorverwijzen naar een pedicure. Dit geldt ook voor beharing. Sommige mensen hebben last van overbeharing of juist van te weinig haar. Ook dan moet je goed weten wat je als schoonheidsspecialist wel en niet kunt doen.
In dit hoofdstuk leer je meer over nagelafwijkingen en haarafwijkingen.
15.1
Nagelafwijkingen
Nagelafwijkingen kunnen aangeboren zijn of ontstaan door bepaalde oorzaken. In dat laatste geval spreek je van verworven nagelafwijkingen De oorzaken van verworven nagelafwijkingen kunnen zijn:
ongezonde voeding en leefstijl
ouderdom
ziekten
chemische middelen
verkeerde schoenen
Wel behandelen
Sommige nagels met een afwijking mag je wel behandelen, maar andere niet. Nagelafwijkingen die je wel mag behandelen, zijn dunne nagels, nicotinenagels en (de meeste) vlekjes, groeven en putjes in de nagels.
Oorzaak achterhalen
Het is belangrijk om te weten wat de oorzaak is van een nagelafwijking. Vlekjes kunnen veroorzaakt worden door een schimmel en dan mag je ze als schoonheidsspecialist niet behandelen! Verwijs dan door naar een pedicure. Putjes in de nagels kunnen veroorzaakt worden door psoriasis. Je kan dan wel de nagel behandelen, maar de ziekte niet.
LET OP! VLEKJES DIE NIET MEEGROEIEN MET DE NAGELS, KUNNEN WIJZEN OP SCHIMMEL.
Lijnen van Beau
Als de nagelplaat of het nagelbed beschadigd raakt, kan dat de groei van de nagelplaat tijdelijk onderbreken. De aanmaak van nieuwe hoorncellen is dan tijdelijk onvoldoende waardoor diepe dwarse groeven ontstaan. Deze groeven heten lijnen van Beau. Ook diabetes en schildklier of nieraandoeningen kunnen hiervan de oorzaak zijn.
Dunne nagels
Kenmerken
dun, zacht of week
scheuren of splijten snel
brokkelen soms af
Oorzaken
kunnen aangeboren of verworven zijn
te weinig celvorming door atrofie (veroudering)
tekort aan bepaalde voedingsstoffen zoals vitamine B2
veelvuldig gebruik van schoonmaakmiddelen
gebruik van agressieve cosmetische producten (nagellakremover)
na verwijderen van gellak en kunstnagels
Behandeling
nagelverharder gebruiken in plaats van basislak
nagels kort houden om splijten te voorkomen
Witte vlekjes
Leuconychia
Kenmerken
witte vlekjes of strepen in de nagels
volledig witte nagels komen ook voor
lucht tussen de hoorncellen zorgt voor de witte kleur
Oorzaken
verstoring in het verhoorningsproces
beschadiging van de nagelplaat door stoten van de nagel
Behandeling
camoufleren met een dekkende nagellak
Groeven en putjes
Kenmerken
fijne lijnen in de lengterichting van de nagel (overlangse groeven)
groeven over de breedte van de nagel (dwarse groeven)
putjes in de nagel
Oorzaken
veroudering (overlangs)
onderbreking van de nagelgroei door beschadiging (dwars)
nagelziekten
ziekten zoals psoriasis (dwarse groeven en putjes)
vormverandering van het nagelbed
Behandeling
camoufleren met nagelvuller
camoufleren met gellak
polijsten
Nicotineverkleuring
Kenmerken
gele verkleuring
droog en brokkelen snel af
groeien minder snel
Oorzaken
nicotine en teer in sigaretten
minder toevoer van zuurstof door roken
Behandeling
bleken met blekend product (bleacher)
weken in zeepoplossing en de huid schuren met puimsteentje
polijsten met een vijl
camoufleren met een dekkende nagellak of basecoat
Beschadigde nagels
Ook een ongeval (trauma) kan leiden tot nagelafwijkingen. Hard stoten of een klap van een hamer of ander voorwerp kan zorgen voor witte vlekjes of een blauwe verkleuring van de nagels.
Als de nagel blauw is, komt dat door een bloeduitstorting onder de nagel. Als de oorzaak een ongeval is en de cliënt geen pijnklachten heeft, mag je als schoonheidsspecialist de nagel gewoon behandelen. Bij pijnklachten kan een huisarts helpen door een gaatje in de nagel te boren waardoor het bloed kan wegstromen. Soms komt een blauwe nagel helemaal los van het nagelbed en valt de nagel eraf. In de meeste gevallen groeit de nagel dan vanzelf weer aan.
Verkleuring door andere oorzaken
Soms zijn meerdere nagels blauw of zwart zonder dat er een duidelijke aanleiding is zoals een ongeval. Dat kan duiden op een verstoring in de bloedsomloop of een andere ziekte. Een gele verkleuring die niet wordt veroorzaakt door nicotine kan het gevolg zijn een verstoring van het lymfestelsel. Verwijs een cliënt met deze verschijnselen altijd door naar een huisarts.
Niet behandelen
Als schoonheidsspecialist mag je pathologische nagelafwijkingen niet behandelen. Dat zijn nagelafwijkingen die ontstaan zijn door een ziekte of infectie of die infecties en ontstekingen tot gevolg hebben. Je moet de cliënt dan doorverwijzen naar een manicure, pedicure of dermatoloog. Voorbeelden van pathologische nagelafwijkingen zijn:
schimmelnagel
nagelontsteking
hoornnagel
ingegroeide teennagel
Vermijden van risico Pathologische nagelafwijkingen mag je niet behandelen omdat er een risico bestaat op verdere besmetting en infecties waardoor de klachten kunnen verergeren. Dat risico is er niet bij nagelafwijkingen als gevolg van psoriasis. Daarom mag je deze wél behandelen.
Na een trauma kan de nagel verkleuren.
Schimmelnagel
Een aandoening aan de nagels die wordt veroorzaakt door schimmels noem je onychomycose Het belangrijkste voorbeeld hiervan is de schimmelnagel (tinea unguium) of mycose nagel. Een schimmelnagel is brokkelig en geelbruin van kleur en heeft een ruw oppervlak. Soms komt de nagel gedeeltelijk los van het nagelbed.
Schimmelnagel wordt veroorzaakt door de schimmels die ook voetschimmel veroorzaken.
Deze schimmels doen het goed in een warme en vochtige omgeving. Schimmelnagel ontstaat vaak als vervolg van een langdurige voetschimmel. Soms wordt schimmelnagel veroorzaakt door vocht tussen de nagel en verkeerd aangebrachte kunstnagels. Omdat in de nagels geen bloedvaten zitten, kan het lichaam geen antistoffen inzetten tegen schimmels. Daarom is schimmelnagel vaak erg hardnekkig.
WIST JE DAT?
SCHIMMELNAGEL
WORDT OOK WEL
KALKNAGEL GENOEMD.
DEZE NAAM IS ONJUIST
OMDAT DE NAGEL NIET VERKALKT IS.
Behandeling van schimmelnagel
Een arts kan schimmelnagel behandelen met medicijnen. Omdat schimmels sporen vormen die moeilijk te bestrijden zijn, gaat de behandeling vaak door als de klachten zijn verdwenen. Ook in schoenen kunnen nog sporen zitten. Daarom moeten deze ook behandeld worden met antischimmelmiddelen.
Nagelontstekingen
Bij een infectie door microorganismen kunnen niet alleen afwijkingen in de nagel ontstaan, maar kan ook het gebied rondom de nagel ontsteken. Zo’n nagelontsteking noemen we paronychia. Als de nagelwal ontsteekt, ontstaat een rode, gezwollen, pijnlijke huid. Als het nagelbed ontsteekt, heeft de cliënt veel pijn onder de nagel en raakt de nagel misvormt. De ontsteking kan zich ook verder uitbreiden en zelfs het teen of vingerkootje aantasten. Dan is er sprake van fijt, een gevaarlijke aandoening die moeilijk te behandelen is en waarbij in het uiterste geval amputatie nodig is. Een nagelontsteking kan worden behandeld door een arts.
Een besmetting met microorganismen ontstaat sneller bij beschadigde nagelriemen dan bij gezonde. Het is belangrijk dat je als schoonheidsspecialist beschadigingen aan de nagelriem voorkomt. Wees daarom zorgvuldig bij hand en voetbehandelingen, vooral als je een vellentang gebruikt. Je kunt de cliënt daarnaast adviseren om de nagelriemen in een goede te conditie houden door ze met een bokkenpootje regelmatig terug te duwen en nagelriemcrème of olie te gebruiken.
WIST JE DAT?
BESCHADIGDE NAGEL
RIEMEN KUNNEN VEROORZAAKT WORDEN DOOR EEN DROGE HUID OF NAGELBIJTEN, MAAR OOK DOOR ECZEEM OF PSORIASIS.
Nagelontsteking (paronychia)
Schimmelnagel (tinea unguium)
Hoornnagel
Door een afwijking in het verhoorningsproces kan een dikke harde nagel ontstaan. Dit noem je een hoornnagel. Deze afwijking kan ontstaan door het dragen van te nauwe schoenen. Daardoor komt er druk op de nagel waardoor de nagelplaat niet makkelijk over het nagelbed kan schuiven. Daardoor kan de nagel niet in de lengte groeien en groeit deze in de hoogte. De nagel wordt dan steeds dikker. Een pedicure kan een hoornnagel behandelen.
Ingegroeide teennagels
WIST JE DAT?
EEN VERDIKTE
NAGEL NOEM JE EEN HYPERTROFISCHE NAGEL.
DIT VERSCHIJNSEL KAN
OOK VOORKOMEN
BIJ SCHIMMELNAGELS.
Te nauwe schoenen kunnen nog een nagelafwijking veroorzaken, namelijk ingegroeide teennagels. Door de druk op de nagel groeit de nagelwal over de nagel heen en snijdt de nagel in de huid. Dit kan erg pijnlijk zijn. Ingegroeide nagels kunnen ook ontstaan door verkeerd knippen.
Als de nagelplaat bol gevormd is noem je dat een tunnelnagel. De kans op ingroeien is dan groter. Een tunnelnagel kan aangeboren zijn. Een pedicure kan ingegroeide (tunnel)nagels behandelen.
Losse nagels
Bij losse nagels komen nagels helemaal los van het nagelbed waardoor ze wit of geelbruin verkleuren. Je kunt ze als schoonheidsspecialist niet behandelen. Psoriasis, eczeem en schimmelinfecties zijn oorzaken, maar ook te krappe schoenen, stoten of verkeerd aangebrachte kunstnagels.
Ingegroeide teennagel
Hoornnagel
15.2
Haar -
afwijkingen
In de beharing van zowel mannen als vrouwen kunnen verschillende afwijkingen ontstaan. Als er sprake is van te veel haargroei, heet dat hyper trichose of overbeharing. Te weinig haargroei of haaruitval noemen we hypotrichose. Vooral bij hypertrichose kun je als schoonheidsspecialist veel doen voor een cliënt.
Hypertrichose
Overbeharing (hypertrichose) is voor zowel vrouwen als mannen een vervelend verschijnsel. Het kan een gevolg zijn van een ziekte, zoals een vertraagde schildklierwerking, of van het gebruik van bepaalde medicijnen, zoals corticosteroïden bij eczeem. Overbeharing die ontstaat door medicijnen noemen we latrogene hypertrichose Overbeharing kan ook een erfelijke oorzaak hebben. Dan spreken we van een idiopatische hypertrichose
Hirsutisme
Een bijzondere vorm van een hypertrichose is de aandoening hirsutisme. Dit is een aandoening waarbij vrouwen een mannelijk beharingspatroon krijgen. Een vrouw heeft dan te maken met haren op de rug, de buik, het gezicht en tussen de borsten. Hirsutisme heeft een hormonale oorzaak. De hormoonhuishouding kan veranderen door ouder worden of door bepaalde ziekten of medicijnen. Het vrouwelijk lichaam maakt dan te veel mannelijke hormonen (androgenen) aan waardoor mannelijke beharing ontstaat.
Bij hirsutisme heeft een vrouw te maken met haren op de rug, de buik, het gezicht en tussen de borsten.
Harsen is een mogelijke behandeling bij hypertrichose.
Bij hirsutisme hebben vrouwen een mannelijk beharingspatroon.
Behandeling van hypertrichose
Als hypertrichose wordt veroorzaakt door een aandoening kan deze vaak medicinaal behandeld worden. Daarom is het belangrijk dat je een cliënt met een ernstige overbeharing adviseert een arts te bezoeken. Als de overbeharing niet medisch te behandelen is, kun je ontharingsbehandelingen uitvoeren zoals epileren of laseren.
Hypotrichose
Te weinig haargroei of haaruitval noemen we hypotrichose. De meest voorkomende hypotrichose is de aandoening alopecia (kaalheid). Alopecia komt bij mannen en vrouwen voor. Bij mannen is kaalheid een ‘normaal’ verschijnsel en daarom valt het bij vrouwen meer op. Er zijn verschillende soorten alopecia. De bekendste zijn alopecia androgenetica en alopecia areata.
Alopecia androgenetica
Alopecia androgenetica wordt ook wel mannelijke kaalheid genoemd. Bij deze aandoening zijn de haarzakjes extra gevoelig voor mannelijke hormonen (androgenen), waardoor de haargroei steeds minder wordt en kaalheid ontstaat. Ook vrouwen kunnen last hebben van alopecia androgenetica, maar dan spelen mannelijke hormonen geen rol. Wat bij vrouwen de oorzaak is van deze kaalheid, is niet bekend.
Alopecia areata
Bij de aandoening alopecia areata ontstaan kale plekken op het hoofd en soms ook op de rest van het lichaam. Wimpers en wenkbrauwen kunnen ook aangetast worden en vallen dan uit. Waarschijnlijk is alopecia areata een autoimmuunziekte. Dat wil zeggen dat het lichaam antistoffen tegen het eigen lichaam aanmaakt. Wat de oorzaak is van deze ziekte is onbekend. Bij ernstige vormen van alopecia areata is het zelfs mogelijk dat er helemaal geen haar meer groeit.
Behandeling van alopecia
Als schoonheidsspecialist kun je alopecia niet behandelen. Adviseer een cliënt met haaruitval altijd een dermatoloog te bezoeken. Met kleding, makeup of pruiken is alopecia wel te camoufleren. Een schoonheidsspecialist die daarvoor een extra cursus heeft gevolgd, kan ook permanente makeup aanbrengen waardoor alopecia minder zichtbaar is.
Bij alopecia areata ontstaan kale plekken op het hoofd.
WIST JE DAT?
ALOPECIA KAN
VEROORZAAKT WORDEN DOOR
MEDICIJNEN ZOALS EEN
CHEMOKUUR BIJ KANKER.
Train je kennis over nagel- en haarafwijkingen met de online trainer. Snelcode 26250
Ben je klaar voor een test? Doe dan de online boekcheck. Snelcode 27247
Alopecia KUN je camoufleren met kleding en make up.