Skip to main content

BW_BESP152_BL_FAPboek #2_2026

Page 1


Inhoud

5. Bloed- en lymfevaten

1. Cellen en weefsels

1.1 Cellen

1.2 Epitheelweefsel

1.3 Steunweefsel 15

1.4 Zenuwweefsel 22

1.5 Spierweefsel 23

2. Skelet

3. Spieren

2.1 Skelet

2.2 Schedel

2.3 Romp

2.4 Bovenste

2.5 Onderste

4. Huid

6. Hormoonstelsel

7. Zenuwstelsel

8. Ademhaling

9. Stof wisseling

11.Nieren en

10. Voedings

14.Huidaandoeningen

13.Huidafwijkingen

13.3 Afwijkingen in de verhoorning

13.4 Afwijkingen in de pigmentering

Afwijkingen in de bloedvaten

Degeneratieverschijnselen

15.Nagelen haar-

1.Cellen en weefsels

Als schoonheidsspecialist behandel je het gehele lichaam.

Het lichaam is opgebouwd uit verschillende soorten weefsel. Het verschilt per behandeling met welk type weefsel je te maken hebt. Bij een gezichtsbehandeling heb je bijvoorbeeld te maken met epitheelweefsel, maar bij een massage vooral met bindweefsel en spierweefsel. Deze weefsels bestaan uit cellen. Een cel is het kleinste onderdeel van het lichaam.

Celmembraan

Cellichaam

Cytoplasma

Celkern

Kernmembraan Kernplasma

Chromosomen

1.1

Cellen

Cellen komen voor in levende organismes, zoals mensen, dieren en planten. Een cel is het kleinste zelfstandige onderdeel van een levend organisme. Elke cel heeft functies voor belangrijke levensverrichtingen, zoals groei, voortplanting, beweging, stofwisseling en prikkelbaarheid.

Ons lichaam bestaat uit miljoenen cellen die samen weefsels vormen. Deze weefsels vormen weer organen en alle organen samen vormen ons lichaam. Er zijn ook organismen die uit maar één cel staan. Dit zijn bijvoorbeeld de amoebe (een dierlijke cel) of bacteriën (een plantaardige cel).

Bouw van de cel

Een cel bestaat uit een celmembraan, een cellichaam en een celkern. Het cellichaam en de celkern bestaan elk uit verschillende onderdelen.

Celmembraan

Het celmembraan is een heel dun vliesje om de cel. Dit is zo dun dat het bepaalde stoffen kan doorlaten. Dit wordt halfdoorlaatbaar of semipermeabel genoemd. De stoffen kunnen zowel de cel in als de cel uit. Zo worden er voedingsstoffen en zuurstof opgenomen en afvalstoffen afgegeven.

Doorsnede van een cel

Cellichaam

Het cellichaam bestaat uit cytoplasma

Het cytoplasma bestaat voor 75% uit water. Voor de rest bestaat het uit voedingsstoffen zoals eiwitten, koolhydraten, mineralen en lipoïden (vetachtige stoffen). De stoffen in het cytoplasma zijn belangrijk voor de celstofwisseling en de energievoorziening in het lichaam.

Organellen

In het cellichaam zitten verschillende organellen. Dat zijn onderdelen van de cel met een speciale functie. Voorbeelden van organellen zijn mitochondriën, ribosomen en vacuolen. Mitochondriën spelen een belangrijke rol bij de energievoorziening, ribosomen zorgen voor de opbouw van eiwitten en vacuolen slaan vocht op. De celkern is ook een organel.

Celkern

Binnen in de cel zit de celkern (nucleus). De celkern is, net als de cel zelf, omgeven door een wand. Dat is de kernwand of het kernmembraan. Binnen de kernwand zit kernplasma. Het kernplasma heeft dezelfde samenstelling als het cytoplasma. Het kernplasma en het cytoplasma heten samen het protoplasma.

WIST JE DAT?

HET CYTOPLASMA

IN ONZE CELLEN WORDT

MINDER VLOEIBAAR ALS

WE OUDER WORDEN.

In de celkern worden alle levensprocessen van de cel geregeld, zoals stofwisseling en groei. In de celkern zit ook de stof chromatine, in de vorm van chromatinekorrels. Als de celkern zich deelt, vormen deze chromatinekorrels lange draden. Dit zijn chromosomen. Chromosomen bestaan uit DNA. In bepaalde delen van het DNA zit erfelijke informatie, de genen. De genen zorgen voor het doorgeven van erfelijke eigenschappen. Een menselijke celkern bevat 46 chromosomen, verdeeld over 23 paren.

Functies van cellen

Elke soort cel heeft een eigen bouw en functie. Sommige cellen kunnen bewegen, zoals witte bloedcellen. Andere cellen, zoals spiercellen, zijn met elkaar verbonden en kunnen zich niet verplaatsen. De functies van de cel, ook wel de levensverrichtingen, zijn verdeeld in animale levensverrichtingen en vegetatieve levensverrichtingen.

Animale levensverrichtingen

Animale levensverrichtingen zijn functies die ervoor zorgen dat de cel kan reageren op veranderingen van de omgeving. Deze levensverrichtingen zijn prikkelbaarheid, prikkelverwerking en beweging. Een cel kan bijvoorbeeld reageren op mechanische en chemische prikkels, hormonen en prikkels vanuit de omgeving zoals warmte, kou, druk en licht. Daarnaast kunnen het cellichaam en onderdelen van het cellichaam veranderen van vorm en plaats. Cellen kunnen zich daardoor bewegen.

Vegetatieve levensverrichtingen

Train je kennis over celopbouw met de online trainer. Snelcode 26028

In de celkern worden alle levensprocessen van de cel geregeld.

Vegetatieve levensverrichtingen zijn functies die het voortbestaan mogelijk maken, zoals groei, stofwisseling en voortplanting. Groei vindt plaats doordat de grootte van cellen toeneemt of het aantal cellen toeneemt door celdeling. Stofwisseling is de opname van voedingsstoffen en zuurstof en de afgifte van afvalstoffen. De cel heeft voedingsstoffen en zuurstof nodig om goed te kunnen functioneren. Bij de verbranding van voedingsstoffen komen warmte, energie en afvalstoffen vrij. De warmte zorgt voor een lichaamstemperatuur van ongeveer 37 °C bij de mens. Afvalstoffen verlaten de cel en worden in het bloed opgenomen en zo afgevoerd.

Voor het voortbestaan van een soort is het belangrijk dat cellen zich kunnen voortplanten.

Bij de mens en veel diersoorten gebeurt dit uit de samensmelting van een zaadcel en een eicel. Het moment van bevruchting kun je niet zelf regelen en is daarom een vegetatieve levensverrichting.

Celdeling

Hoe intensiever een cel gebruikt wordt, hoe korter de cel leeft. De levensduur verschilt dus per soort cel. Een huidcel leeft ongeveer 28 dagen, maar een witte bloedcel leeft vier tot vijf dagen. De meeste cellen vernieuwen zich zelfstandig, door celdeling. Er zijn twee vormen van celdeling: directe celdeling en indirecte celdeling.

Bij directe celdeling delen het cellichaam en de celkern zich tegelijkertijd. De cel wordt in tweeën gesplitst en zo ontstaat er een nieuwe cel. Directe celdeling komt alleen voor bij eencellige organismen. Menselijke cellen delen zich altijd door indirecte celdeling . Hierbij deelt de celkern zich eerst, daarna volgt pas de deling van het cellichaam. Er zijn twee vormen van indirecte celdeling: mitose en meiose.

WIST JE DAT?

RODE BLOEDCELLEN DELEN ZICH NIET, MAAR WORDEN IN HET BEENMERG AANGEMAAKT. ZENUWCELLEN HEB JE VANAF JE GEBOORTE GENOEG EN HOEVEN NIET TE WORDEN VERNIEUWD.

WIST JE DAT?

EEN VOLLEDIGE

CELDELING DUURT

30 MINUTEN TOT

TWEE UUR.

Mitose en meiose

Mitose is een indirecte celdeling. Er ontstaat een exacte kopie van de oorspronkelijke cel. Meiose is een indirecte celdeling die alleen plaatsvindt bij geslachtscellen. Bij meiose halveert het aantal chromosomen in de cel. Meiose wordt daarom ook wel reductiedeling genoemd. Meiose bestaat uit twee fases.

Test je kennis over cellen met de online boekcheck. Snelcode 27254

Behoefte aan uitleg van een expert?

Bekijk dan de online masterclass over cellen. Snelcode 21253

Mitose

1 In een cel liggen 23 chromosomenparen. Elk chromosomenpaar verdubbelt zich. Daardoor ontstaan twee identieke draden die aan elkaar vastzitten. Deze draden hebben een X­vorm en heten chromatiden

2 Geleidelijk aan verdwijnt het kernmembraan van de celkern. Vervolgens verplaatsen alle chromatiden zich naar het midden van de cel.

3 Er ontstaan dunne draden die de chromatiden uit elkaar trekken.

4 Er ontstaan nieuwe kernmembranen rondom de chromosomen en het cytoplasme snoert zich in. De celdeling heeft plaatsgevonden. Nu zijn er twee identieke cellen met 23 chromosomenparen ontstaan.

TIP IN HET HOOFDSTUK ‘HORMOONSTELSEL’ LEES JE WAAROM MEIOSE NODIG IS BIJ DE VOORTPLANTING.

Meiose

Fase 1

1 De 23 chromosomenparen verdubbelen zich en er ontstaan X­vormige chromatiden.

2 De chromatiden gaan bij elkaar liggen en het kernmembraan verdwijnt. Er ontstaan dunne draden die de chromatiden naar de uiteinden van de cel toe trekken.

3 Aan elke kant van de cel ligt nu van elk chromosomenpaar één chromatide. Er zijn nu 23 chromatiden in plaats van 23 chromosomenparen.

4 Er komt een kernmembraan om elk groepje chromatiden en de cel deelt zich in tweeën.

Fase 2

5 De X­vormige chromatiden gaan in het midden van de cel liggen.

6 Beide pootjes van de X­vormige chromatide worden uit elkaar getrokken. Zo liggen er aan elke kant van de cel 23 losse chormosomen. Om elk groepje van 23 chromosomen ontstaat een kernmembraan en de cel deelt zich in tweeën.

7 Er zijn nu vier verschillende cellen met verschillende chromosomen ontstaan.

1.2 Epitheelweefsel

De cellen van ons lichaam verschillen nogal van elkaar. Dat is ook nodig omdat ze verschillende taken hebben. Een groep cellen met dezelfde vorm, functie, celtussenstof en celafkomst vormt een weefsel. Elk weefsel in ons lichaam heeft een eigen functie:

 Epitheelweefsel functioneert als beschermend dekweefsel of scheidt stoffen af.

 Steunweefsel geeft steun en stevigheid aan het lichaam.

 Zenuwweefsel geeft in het lichaam signalen door en verwerkt ze.

 Spierweefsel maakt beweging mogelijk.

In deze paragraaf wordt epitheelweefsel behandeld, de andere weefsels in de volgende paragrafen.

Epitheelweefsel is opgebouwd uit epitheelcellen. De cellen liggen dicht tegen elkaar aan, omdat er weinig of geen celtussenstof aanwezig is. Epitheelweefsel bekleedt alle inwendige en uitwendige oppervlakken van het lichaam, zoals vliezen, bloedvaten en de huid. Klieren zijn ook opgebouwd uit epitheelweefsel. Epitheelweefsel wordt ingedeeld op basis van:

 het aantal lagen

 de vorm

 de functie

Aantal lagen

Epitheelweefsel kan uit één of meerdere lagen cellen bestaan. Eenlagig epitheel bestaat uit één laag cellen. Dit wordt ook wel endotheel genoemd. De binnenbekleding van alle bloedvaten is eenlagig epitheel. Meerlagig epitheel bestaat uit meerdere lagen cellen. Onder andere de opperhuid is meerlagig epitheel.

Vorm

Cellen van het epitheelweefsel kunnen verschillende vormen hebben. Alle vormen zijn zowel eenlagig als meerlagig terug te vinden in het lichaam.

Cilindrisch epitheel

Vorm

bestaat uit hoge cellen

Lagen

 altijd eenlagig

 lijkt meerlagig, omdat de celkernen op verschillende hoogten liggen

In het lichaam

 in het slijmvlies van de darmen en de maag

 in de basaalcellenlaag van de opperhuid

Kubisch eptiheel

Vorm

 bestaat uit vierkante cellen

 cellen zijn even hoog als breed

Lagen

eenlagig of meerlagig

In het lichaam

 eenlagig kubisch epitheel in de eierstokken en nierkanaaltjes

 meerlagig kubisch epitheel in de opperhuid

Plaveiselepitheel

Vorm

bestaat uit platte cellen

Lagen eenlagig of meerlagig

In het lichaam

 eenlagig plaveiselepitheel aan de binnenkant van de bloed ­ en lymfevaten, in het hart en aan de binnenkant van de wanden van de luchtpijptakjes en de longblaasjes

 meerlagig plaveiselepitheel in de slokdarm en in de opperhuid

Functie

Epitheelweefsel kan verschillende functies hebben. Het kan bedekkend of afscheidend zijn en een vervoersfunctie hebben.

Bedekkend epitheel

Bedekkend epitheel beschermt het lichaam tegen schadelijke invloeden van buitenaf. De opperhuid is het bekendste voorbeeld van bedekkend epitheel.

Daarnaast bekleedt epitheelweefsel de binnenkant van de inwendige, holle organen zoals het hart, de longen, de bloed­ en lymfevaten en de blaas.

Afscheidend epitheel

Afscheidend epitheel wordt ook klierweefsel genoemd. Klierweefsel scheidt stoffen in of buiten het lichaam af en heeft daardoor ‘afscheiden’ als functie. Er zijn twee soorten klieren: eencellige klieren en meercellige klieren. De eencellige klieren zijn slijmvliezen zoals het neusslijmvlies. De slijmvliezen scheiden slijm af, waardoor het oppervlak van het weefsel vochtig en glad blijft.

Epitheel met een vervoersfunctie

Trilhaarepitheel is epitheel met een vervoersfunctie. Het is een bijzondere vorm van cilindrisch epitheel. Dit is eenlagig epitheelweefsel met trilharen aan de oppervlakte van de cellen. De kleine trilharen kunnen door hun beweging stoffen vervoeren. Deze trilharen bewegen zich langzaam in één richting en keren daarna snel terug in hun oorspronkelijke stand. Dit werkt als een lopende band, waardoor het weefsel stoffen kan verplaatsen.

De trilharen in de luchtwegen zorgen er bijvoorbeeld voor dat de stofdeeltjes en de bacteriën die je inademt, in het slijm blijven hangen. Het stof gaat via de trilharen naar de mondholte en vervolgens slik je dit stof door. Zo beschermen je trilharen je longen tegen vreemde stoffen.

Trilhaarepitheel komt onder andere voor in de slijmvliezen van de luchtwegen, in de eileiders en in de buis van Eustachius.

De meeste klieren zijn meercellige klieren. Deze klieren kunnen ingedeeld worden op basis van de manier van afscheiden en de functie. Er zijn exocriene klieren, endocriene klieren en endo­exocriene klieren.

Exocriene klieren hebben een afvoerbuis. Het product dat de klier maakt, wordt afgescheiden via die afvoerbuis. De afvoerbuis van exocriene klieren kan drie verschillende vormen hebben. Er zijn:  buisvormige klieren (tubulaire klieren), zoals de zweetklieren;

 trosvormige klieren (alveolaire klieren), zoals de talgklieren, de melkklieren en de speekselklieren;

 gemengde klieren (tubulo ­ alveolaire klieren), zoals de oorspeekselklier. Gemengde klieren zijn zowel buis ­ als trosvormig.

Buisvormige, trosvormige en gemengde klieren
Trilhaarepitheel

Soorten exocriene klieren

Er zijn drie soorten exocriene klieren:

 Eccriene klieren scheiden alleen het product af dat in de klier gemaakt wordt. Voorbeelden: speekselklier, kleine zweetklier.

 Apocriene klieren scheiden het product en een deel van de kliercel af. Voorbeelden: grote zweetklier in de oksel, melkklier, oorsmeerklier.

 Holocriene klieren scheiden het product en de gehele kliercel af. Voorbeeld: talgkier. Die scheidt de hele talgkliercel en het product talg af.

Endocriene klieren hebben geen afvoerbuis, maar geven hun afscheiding direct aan het bloed af. Hormoonklieren zijn allemaal endocriene klieren. Je vindt ze in de borst­ en buikholte, de schedel en in de hals.

Endo-exocriene klieren scheiden hun product direct aan het bloed af, maar hebben ook een afvoerbuis. Voorbeelden hiervan zijn de geslachtsklieren en de alvleesklier. De geslachtsklieren geven bijvoorbeeld geslachtshormonen af aan het bloed (endocrien) en zaad­ of eicellen aan het lichaam (exocrien). De alvleesklier geeft via een afvoerbuis alvleessap aan de twaalfvingerige darm (exocrien) en de hormonen insuline en glucagon direct aan het bloed (endocrien).

Endocriene klieren, exocriene klieren en endoexocriene klieren kunnen verschillende stoffen uitscheiden. Dat kunnen nuttige stoffen of afvalstoffen zijn. Het afscheiden van nuttige stoffen heet secretie of incretie. Het uitscheiden van afvalstoffen heet excretie.

 Secretieklieren scheiden stoffen af die nuttig zijn voor het lichaam. Voorbeelden van secreten zijn talg, dat de huid en het haar soepel houdt, en speeksel, dat de spijsvertering helpt.

 Incretieklieren geven stoffen direct aan het bloed. Hormonen zoals insuline en glucagon zijn voorbeelden van increten.

 Excretieklieren scheiden afvalstoffen uit. Zweet is bijvoorbeeld een excreet.

1.3

Steunweefsel

Steunweefsel heeft een andere opbouw dan epitheelweefsel. De cellen van steunweefsel liggen niet tegen elkaar aan, maar zijn juist gescheiden door celtussenstof. Er zijn drie soorten steunweefsel, met allemaal een andere soort celtussenstof:

 bindweefsel, met een vezelige tussenstof;

 kraakbeenweefsel, met een veerkrachtige tussenstof;

 beenweefsel, met een harde tussenstof.

Bindweefsel

Bindweefsel is het meest voorkomende steunweefsel in het lichaam. Het bestaat uit bindweefselcellen, bindweefselvezels en celtussenstof.

Hierin zitten weer verschillende andere stoffen en cellen (zie schema). Je vindt bindweefsel in de huid, pezen, gewrichten, botten en wanden van bloedvaten.

Bindweefselcellen

Er zijn drie soorten bindweefselcellen: fibroblasten, mestcellen en macrofagen.

Fibroblasten spelen een belangrijke rol bij:

 aanmaak van bindweefsel

 opbouw van bindweefselvezels

 vorming van celtussenstof

 vorming van hyaluronzuur

Mestcellen hebben als functie:

 wondreparatie

 produceren van histamine

Macrofagen zorgen voor fagocytose.

De schildklier in de hals is een endocriene KLIER.

Fibroblasten

Bindweefselcellen

Macrofagen

Collagene vezels

Bindweefselvezels

Elastische vezels

Reticulinevezels

Anatomie van bindweefsel
Celtussenstof
Mestcellen
Histamine
Anatomie van bindweefsel

Als er bindweefselvorming nodig is op een bepaalde plek in het lichaam, worden fibroblasten geactiveerd. Ze delen zichzelf en gaan naar de plek waar ze nodig zijn. Fibroblasten kunnen zich bewegen omdat ze de eiwitvezels actine en myosine bevatten.

Bindweefselvezels

Er zijn drie soorten bindweefselvezels: collagene vezels, elastische vezels en reticulinevezels.

Collagene vezels zijn opgebouwd uit het eiwit collageen. Dit is erg sterk en kan niet meerekken. Hoe meer collagene vezels in het bindweefsel zitten, hoe sterker het weefsel is. Collagene vezels komen bijvoorbeeld voor in de lederhuid.

Elastische vezels zijn opgebouwd uit het eiwit elastine. De vezels kunnen tot twee keer hun eigen lengte uitgerekt worden en veren dan weer terug tot hun eigen lengte. Dit werkt net als elastiek. Elastische vezels zitten op veel plekken in het lichaam.

Reticulinevezels bestaan net als collagene vezels uit eiwitten. Deze vezels zijn veel dunner en fijner van structuur dan collagene vezels en vormen een groot netwerk. Reticulinevezels zitten op plaatsen waar bindweefsel grenst aan ander weefsel, bijvoorbeeld rond organen en in de lederhuid.

WIST JE DAT?

ELASTISCHE VEZELS

ZIJN VAAK IN COMBINATIE

MET COLLAGEENVEZELS

TE VINDEN. ZO WORDT

WEEFSEL STEVIG DOOR

HET COLLAGEEN, MAAR

REKBAAR DOOR DE ELASTISCHE VEZELS.

Reticulinevezels

Mestcellen

Elastische vezels

Collagene vezels

Bindweefsel kan verschillende soorten vezels bevatten.

Celtussenstof

Celtussenstof is de stof die cellen en vezels met elkaar verbindt en de ruimte ertussen opvult. Het wordt ook wel grondsubstantie genoemd. De bindweefseltussenstof verschilt voor verschillende typen bindweefsel. In de meeste bindweefsels is het grootste gedeelte water, waardoor het vloeibaar en zacht is. Andere typen tussenstof bestaan uit suiker­ of eiwitketens, die het elastisch maken. Bindweefseltussenstof in het bot is juist keihard door kalkzouten.

Soorten bindweefsel

De verhouding tussen bindweefseltussenstof en de vezels bepaalt het soort bindweefsel. Er zijn verschillende soorten bindweefsel.

Vast bindweefsel bevat veel collagene vezels en weinig elastische en reticulinevezels. De collagene vezels vormen samen vezelbundels die een grote trekkracht kunnen opvangen. In ons lichaam zijn het beenvlies, de pezen en de banden om gewrichten opgebouwd uit vast bindweefsel.

Dicht bindweefsel bestaat uit een dicht netwerk van elastische en collagene vezels. De lederhuid bestaat uit dicht bindweefsel, waardoor de huid stevigheid krijgt.

Losmazig bindweefsel is een los netwerk van elastische en reticulinevezels. Er zitten weinig collagene vezels in dit netwerk. Daardoor is het zacht en gemakkelijk te vervormen. Het losmazige weefsel van de onderhuid zorgt ervoor dat de huid op de onderlaag heen en weer kan schuiven.

Reticulair bindweefsel heeft een losmazige structuur, maar bestaat uit alleen reticulinevezels.

TIP IN HET HOOFDSTUK ‘HUID’ LEES JE MEER OVER DE OPBOUW VAN DE HUID.

Functie van bindweefsel

Alle typen bindweefsels steunen en verbinden de weefsels in het lichaam. Op sommige plekken in het lichaam maakt bindweefsel bloedcellen aan of slaat het vet op.

Reticulair bindweefsel heeft bijvoorbeeld een belangrijke functie bij het aanmaken van bloedcellen en bloedplaatjes. Dit weefsel zit in het rode beenmerg en in het lymfoïde weefsel in de lymfeknopen. In de lymfeknopen worden onder andere de lymfecellen gevormd. Deze zijn belangrijk voor de afweer en het immuunsysteem.

In losmazig weefsel kan vet worden opgeslagen. Er ontstaat dan vetweefsel dat bestaat uit losmazig weefsel met veel vetcellen. Het lichaam slaat voedsel dat niet direct gebruikt wordt op als vetbolletjes in de vetcellen. Dit vet kan later weer gebruikt worden als voeding. Vetweefsel heeft, naast een opslagfunctie, ook een steunfunctie voor organen en een isolerende functie voor het lichaam. In de huid zorgt vetweefsel voor spanning in de huid en geeft het vorm aan het lichaam, bijvoorbeeld bij de borsten en in de schouders.

Bekijk de uitleg van een expert over bindweefsel in de online masterclass.

Snelcode 21034

Pezen en banden bestaan uit vast bindweefsel.

Kraakbeenweefsel

Kraakbeen is een elastisch en veerkrachtig steunweefsel. Het is wit van kleur en glad aan de oppervlakte. Kraakbeen bevat weinig bloedvaten en geneest daardoor moeilijk. Kraakbeenweefsel heeft verschillende functies:

 Het biedt steun aan weke delen in het lichaam.

 Het verbindt verschillende beenderen, zoals de tussenwervelschijven de rugwervels verbinden.

 Het is een glijvlak voor gewrichten, zoals in je enkel.

 Het geeft vorm aan het lichaam, zoals in je neus of je oren.

Soorten kraakbeen

Er zijn drie soorten kraakbeen. Deze soorten verschillen van elkaar in structuur en bouw.

Elastisch kraakbeenweefsel is gemakkelijk vervormbaar. Er zitten namelijk veel elastische vezels in. Elastisch kraakbeen komt voor in de neusvleugels en in de oorschelpen.

Glasachtig kraakbeenweefsel wordt ook wel hyalien kraakbeen genoemd. Het weefsel is opgebouwd uit een doorschijnende tussenstof, dunne collagene vezels en elastische vezels. Het kraakbeen is daardoor stevig, maar wel soepel.

Glasachtig kraakbeenweefsel bekleedt de uiteinden van de gewrichten en komt voor als verbinding tussen de ribben en het borstbeen. Daardoor kan de borstkas op en neer bewegen tijdens de ademhaling.

Vezelig kraakbeenweefsel is sterk en stevig omdat het veel collagene vezels heeft. Dit kraakbeen komt daardoor voor op plaatsen in het lichaam waar grote druk en kracht op staat, zoals de tussenwervelschijven en de meniscus.

Tussenwervelschijven zijn van vezelig kraakbeen.

Beenweefsel

Het beenweefsel is een hard en stevig weefsel. Het wordt ook wel botweefsel genoemd en is de basis van het skelet. Beenweefsel heeft verschillende functies:

 Het geeft vorm en steun aan het lichaam.

 Het beschermt belangrijke organen, zoals de hersenen.

 Het zorgt voor vorming van bloedcellen.

 Het is een aanhechtingsplaats voor de spieren.

Opbouw van beenweefsel

Beenweefsel bestaat uit cellen met een vaste, harde tussenstof en collageenvezels. Het heeft veel bloedvaten en is hard en stevig. Dat komt door kalkzouten.

Botten bestaan uit verschillende gedeeltes. Van buiten naar binnen is een bot als volgt opgebouwd:

 beenvlies

 compact been

 sponsachtig been

 mergholte

TIP IN HET HOOFDSTUK ‘SKELET’ LEES JE MEER OVER DE BOUW EN FUNCTIES VAN HET SKELET.

Glasachtig kraakbeen

Glasachtig kraakbeenweefsel is soepel en stevig. Deze doorschijnende tussenstof bekleedt de uiteinden van de gewrichten. Het weefsel bestaat uit dunne collagene vezels en elastische vezels.

Compact

been

Compact been is de buitenste laag van het bot. Het is een dicht, aaneengesloten geheel zonder openingen en is hard en wit van kleur.

Sponsachtig been

Sponsachtig been zit in het compacte been. Het wordt ook wel spongieus been genoemd. De structuur van sponsachtig been is open: er zitten allerlei holtes in.

Er is een netwerk van beenbalkjes die gerangschikt zijn in de richting van de grootste druk of trek op het bot. In de ruimte die ontstaat tussen de balkjesstructuur zit rood beenmerg.

Beenvlies

Beenvlies zit om het beenweefsel heen. Het wordt ook wel periost genoemd. Deze bindweefsellaag zit om het bot heen en bevat veel zenuwen en bloedvaten. Het vlies is belangrijk voor de groei van het bot. Vanuit het beenvlies lopen er in de lengte­ en dwarsrichting kanaaltjes door het been die het hele beenweefsel voorzien van bloed.

Mergholte

De mergholte is de holte in het bot die gevuld is met rood en geel beenmerg. Geel beenmerg is vooral aanwezig in het middelste gedeelte van pijpbeenderen. In het gele beenmerg in de mergholte zit veel vet.

Zijaanzicht van een bot
Dwarsdoorsnede van een bot

1.4

Zenuwweefsel

Het zenuwstelsel is opgebouwd uit zenuwweefsel.

Het vangt prikkels op, verwerkt ze en geeft impulsen door. Daardoor speelt het een belangrijke rol bij het uitvoeren en het reguleren van onze lichaamsfuncties.

Bouw van zenuwweefsel

Het zenuwweefsel bestaat uit zenuwcellen, die ook wel neuronen genoemd worden. Een zenuwcel bestaat uit een zenuwlichaam met een kern en verschillende uitlopers. De uitlopers worden ook wel neurofibrillen genoemd. Er zijn twee soorten neurofibrillen: neurieten en dendrieten.

De neurieten worden ook wel axonen genoemd. Ze hebben lange uitlopers en geleiden prikkels van het zenuwcellichaam af. Dendrieten hebben juist korte uitlopers en geleiden prikkels naar het zenuwcellichaam toe. Een zenuwcel heeft één neuriet en meerdere dendrieten.

De neurieten in het lichaam zijn omgeven door myeline. Deze vetachtige stof isoleert de neuriet, waardoor prikkels sneller doorgegeven kunnen worden. Het omhulsel van myeline wordt de myelineschede of de mergschede genoemd.

Soorten zenuwen

Een zenuw is een groep van neurieten of dendrieten. Er zijn drie typen zenuwen: motorische zenuwen, sensibele zenuwen en gemengde zenuwen. Welk type het is, hangt af van het type prikkels dat doorgegeven wordt.

Motorische zenuwen

Motorische zenuwen geleiden prikkels vanaf de hersenen en het ruggenmerg naar de spieren of klieren toe. Ze kunnen daar beweging veroorzaken en worden daarom ook wel bewegingszenuwen genoemd. Motorische zenuwen bestaan uit een bundel neurieten. Deze neurieten eindigen in een motorisch eindplaatje. Als een spiervezel of

Celkern

Dendriet

Cellichaam

Myelineschede

Neuriet

Motorisch eindplaatje

Spiervezel

kliervezel een prikkel ontvangt van een neuriet, reageert deze door de spier samen te trekken of een stof af te scheiden. Als de prikkelgeleiding door motorische zenuwen geblokkeerd is, kan er verlamming optreden.

Sensibele zenuwen

Sensibele zenuwen geleiden prikkels vanuit het lichaam, via het ruggenmerg naar de hersenen. Sensibele zenuwen bestaan uit een bundel dendrieten. Het lichaam herkent de prikkels als ze aankomen in de hersenen. Je voelt dan bijvoorbeeld pijn als je valt. Omdat deze zenuwen gevoel doorgeven, worden ze ook wel gevoelszenuwen genoemd. Als de prikkelgeleiding door de sensibele zenuwen geblokkeerd is, verandert de gevoelswaarneming. Je voelt bijvoorbeeld pijn of tintelingen of je hebt juist geen gevoel meer.

Gemengde zenuwen

Gemengde zenuwen bestaan uit motorische en sensibele zenuwen. De zenuwen geleiden daardoor zowel bewegingsprikkels als gevoelsprikkels.

1.5

Spierweefsel

De belangrijkste eigenschap van spierweefsel is dat het zich kan samentrekken. Om zich te kunnen samentrekken heeft de spier een zenuwprikkel nodig. Het overbrengen van een zenuwprikkel naar het spierweefsel wordt innervatie genoemd. Er zijn drie soorten spierweefsel, namelijk glad spierweefsel, dwarsgestreept spierweefsel en hartspierweefsel.

De pijnprikkel bij een val wordt doorgegeven door sensibele zenuwen
Test je kennis over weefsels met de online boekcheck. Snelcode 27029

Glad spierweefsel

Glad spierweefsel bestaat uit langgerekte, spoelvormige cellen. In de cellen komen in de lengterichting dunne draden voor die zich kunnen samentrekken. Deze draden worden myofibrillen genoemd. De gladde spiercellen zijn met elkaar in de lengte verbonden. De myofibrillen lopen via de uiteinden van een spiercel over in een andere spiercel.

Glad spierweefsel trekt zich langzaam en gelijkmatig samen. Daar kun je zelf geen invloed op uitoefenen; het gaat buiten de wil om. Het wordt daarom onwillekeurig spierweefsel genoemd. Glad spierweefsel zit in de inwendige organen, zoals de maag, darmen en bloedvaten.

Dwarsgestreept spierweefsel

Dwarsgestreept spierweefsel bestaat uit grote, cylindervormige cellen. In deze cel kunnen meerdere celkernen zitten. Dwarsgestreept spierweefsel trekt zich snel en krachtig samen als het een prikkel ontvangt. Het spierweefsel staat onder invloed van de wil en wordt daarom ook wel willekeurig spierweefsel genoemd.

Een dwarsgestreepte spier is opgebouwd uit spiervezels met daaromheen een bindweefselvlies. Om een grotere groep vezels zit weer een bindweefselvlies. Zo ontstaat er uit een groep spiervezels een spierbundel. Een aantal spierbundels samen vormt een spier. Om de spier heen ligt weer een bindweefselvlies dat de spierschede of de spierfascie wordt genoemd. Aan het einde van

WIST JE DAT? DE SPIERCELLEN IN DWARSGESTREEPT SPIERWEEFSEL ZIJN

SOMS LANGER DAN 10 CENTIMETER.

de spier loopt het bindweefselvlies over in een pees. De spier wordt met de pees bevestigd aan het bot.

Dwarsgestreept spierweefsel zit in de mimische spieren en in de skeletspieren. Dwarsgestreepte spieren sturen bewegingen aan, zoals rennen, zwaaien en lachen. Door een behandeling zoals een massage kun je de spieren laten ontspannen, beter laten doorbloeden of de afvoer van afvalstoffen verbeteren.

Hartspierweefsel

Hartspierweefsel is een bijzondere combinatie van spierweefsel. De structuur van hartspierweefsel lijkt erg op die van dwarsgestreept spierweefsel, maar het weefsel functioneert onwillekeurig. De hartspier moet krachtig kunnen samentrekken, net als willekeurig spierweefsel, maar je kunt geen invloed uitoefenen op de bewegingen van het spierweefsel.

Test nu je kennis over de verschillende weefsels met de online trainer. Snelcode 26037

Bot

TIP IN HET HOOFDSTUK ‘SPIEREN’ LEES JE MEER OVER DE BOUW EN DE FUNCTIE VAN DE SPIEREN IN HET LICHAAM.

Pees Spier

Bindweefselvlies

Spierbundel

Spiervezel

Myofibrillen

Opbouw van een spier

2.Skelet

Wist je dat het skelet uit ongeveer 208 botten bestaat? In allerlei soorten en maten. Het skelet heeft belangrijke functies: het ondersteunt en beschermt je lichaam en helpt met bewegen. In dit hoofdstuk leer je daar meer over. Ook leer je welke botten er zijn en hoe ze met elkaar zijn verbonden.

2.1

Skelet

Botten noem je ook wel beenderen. Het skelet heet dus ook wel beenderstelsel

Het beenderstelsel heeft meerdere functies:

 Het geeft vorm en steun aan je lichaam. Zonder skelet zou je lichaam in elkaar zakken.

 Het beschermt de belangrijke organen. Je schedel beschermt bijvoorbeeld de hersenen en je ribben beschermen de longen en het hart.

 Het zorgt ervoor dat je kunt bewegen. De beenderen bewegen zelf niet, maar ze worden bewogen door de aangehechte spieren. Het skelet wordt daarom een passief bewegingsapparaat genoemd. Spieren noemen we juist een actief bewegingsapparaat

 Het maakt rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes aan. Dit wordt gedaan door rood beenmerg.

WIST JE DAT?

HET GROOTSTE BOT

IN JE LICHAAM IS HET DIJBEEN. DE KLEINSTE IS DE STIJGBEUGEL. DIT IS EEN GEHOORBEENTJE IN JE OOR.

Rood en geel beenmerg

Beenmerg bevindt zich in de holte van botten. Je hebt rood en geel beenmerg. In het rode beenmerg worden bloedcellen gemaakt. Rond de geboorte komt rood beenmerg in bijna alle botten voor. Dit verandert als je ouder wordt. Als een kind ongeveer 5 jaar is, wordt het rode beenmerg bijna helemaal vervangen door geel beenmerg. Dit gebeurt vooral in de schacht van de pijpbeenderen. Geel beenmerg is geel van kleur doordat het veel gelige vetcellen bevat.

Bouwstoffen in botten

Botten bestaan uit calciumzouten en lijmstof. Calciumzout is een stof dat het bot hard en stevig maakt, terwijl lijmstof ervoor zorgt dat het bot een beetje buigzaam blijft. De botten van baby’s bestaan voornamelijk uit kraakbeenweefsel. Ze bevatten veel lijmstof en zijn dus buigzamer dan botten van een volwassene. Later gaan botten meer calciumzouten bevatten, waardoor ze steviger worden. Bij ouderen kan botontkalking (osteoporose) ontstaan. De botten worden dan erg broos en kunnen sneller breken.

De botten van jonge kinderen bevatten dus nog veel rood beenmerg. Dit betekent dat er bij hen in bijna alle botten bloedcellen aangemaakt worden. Bij volwassenen komt het rode beenmerg in veel minder botten voor. Bij hen worden bloedcellen vooral aangemaakt in het bekken, het borstbeen, de ribben en de ruggenwervels. Als het volwassen lichaam meer bloedcellen nodig heeft, wordt het gele beenmerg in de overige botten weer omgezet in rood beenmerg.

Zonder skelet zou je lichaam in elkaar zakken.

Baby’s hebben een andere verhouding bouwstoffen en beenmerg dan volwassenen.

Beenderen

Het beenderstelsel bestaat uit vier soorten beenderen:

 pijpbeenderen

 platte beenderen

 onregelmatige beenderen

 sesambeentjes

In de lengte groeien

Pijpbeenderen zorgen ervoor dat je lichaam in de lengte kan groeien. De buis en de uiteinden worden van elkaar gescheiden door een groeischijf. Aan de ene kant van de groeischijf wordt nieuw kraakbeen aangemaakt en aan de andere kant verbeent het kraakbeen. Het bot wordt dus beetje bij beetje langer. De groei door de verbening van kraakbeen is een vorm van indirecte groei.

Onregelmatige beenderen

Platte beenderen

Pijpbeen

Sesambeentje

Pijpbeenderen

Kenmerken

 kunnen zowel lang als kort zijn

 een duidelijk eindstuk aan weerszijden

 hol van binnen (zoals een buis)

 holte is gevuld met geel of rood beenmerg

Functie

 Lange pijpbeenderen maken grote bewegingen mogelijk doordat ze een hefboom vormen met de spieren. De gewrichten moeten dan wel grote bewegingen toestaan.

 Alle pijpbeenderen maken lengtegroei van het lichaam mogelijk.

Voorbeelden

 dijbeen (lang)

 opperarmbeen (lang)

 vingerkootjes (kort)

 middenhandsbeentjes (kort)

Platte beenderen

Kenmerken

 platte vorm

 gevuld met rood beenmerg (zeer bloedrijk)

Functie

 kwetsbare organen beschermen

 bloedcellen en bloedplaatjes aanmaken (door het rode beenmerg)

Voorbeelden

 ribben

 borstbeen

 schouderblad

 schedel

 heupbeen

Onregelmatige beenderen

Kenmerken

 geen specifieke structuur of vorm

 meestal massief (niet hol)

 kunnen groeien in de lengte, breedte en dikte

 bevatten rood beenmerg

Functie

kwetsbare organen beschermen

Voorbeelden

 handwortelbeentjes

 voetwortelbeentjes

 wervels

Sesambeentjes

Kenmerken

 kleine botjes die in de pees liggen

 geen verbinding met andere beenderen

 zitten in de knieën, handen en voeten

Functie

Helpen de pezen bij beweging, omdat ze ervoor zorgen dat de spier meer kracht op de pees kan uitoefenen.

Voorbeelden

 tongbeen

 knieschijf (grootste sesambeen)

Elk bot heeft een eigen rol in het lichaam.

Samenvattend

Het beenderstelsel heeft verschillende functies. In de tabel hieronder lees je de functies en de beenderen die hiervoor verantwoordelijk zijn nog een keer terug.

Functie van beenderstelsel: Deze beenderen zorgen daarvoor:

vorm en steun aan het lichaam geven alle soorten beenderen

lengtegroei mogelijk maken pijpbeenderen

kwetsbare organen beschermen

vooral de platte beenderen (zoals ribben, borstbeen en schedel) en onregelmatige beenderen (zoals sommige schedelbeenderen)

beweging mogelijk maken alle soorten beenderen

Dat weet je omdat:

… alle beenderen stevig en hard zijn.

… pijpbeenderen groeischijven bevatten.

… vooral platte beenderen om de organen heen zitten. Denk bijvoorbeeld aan de ribben, het borstbeen en de schedel.

Gewrichten

Beenderen worden bewogen door spieren. Die beweging is mogelijk door een beweeglijke verbinding tussen twee beenderen: het gewricht. Voorbeelden van gewrichten zijn de ellebogen, enkels en het kaakgewricht. Kapsels en banden zorgen ervoor dat de botdelen bij elkaar blijven.

Beweeglijkheid van gewrichten

bloedcellen en bloedplaatjes aanmaken

bij jonge kinderen alle beenderen, bij volwassenen vooral platte beenderen en onregelmatige beenderen

… spieren zich aan alle soorten beenderen kunnen hechten.

Denk bijvoorbeeld aan je:

 dijbeen (pijpbeen)

 schouderblad (plat been)

 wervels (onregelmatig been)

… sesambeentjes ervoor zorgen dat de spier meer kracht op de pees kan uitoefenen.

… deze beenderen rood beenmerg bevatten waarin bloedcellen aangemaakt worden.

Gewrichten kun je indelen naar beweeglijkheid. Gewrichten die weinig beweging van de verschillende botdelen toelaten, noem je straffe gewrichten. Bij straffe gewrichten zijn gewrichtsvlakken vergroeid tot een taai kussentje van kraakbeen. Voorbeelden van straffe gewrichten zijn:  de handwortelbeenderen onderling  de meeste voetwortelbeenderen onderling  de verbinding tussen de voetwortelbeenderen en de middenvoetsbeenderen

 de verbinding tussen het scheenbeen en het kuitbeen

 de verbinding tussen het heiligbeen en het darmbeen

Gewrichten die een grote beweeglijkheid toelaten, noem je beweeglijke gewrichten. De elleboog, de knie en de verbinding tussen het dijbeen en het heupbeen zijn hier voorbeelden van.

Op de volgende pagina’s zie je welke soorten beweeglijke gewrichten er zijn.

Gewrichtskapsel

Rond het gewricht zit het gewrichtskapsel dat de gewrichtsholte vormt. Het kapsel houdt de botten bij elkaar. De binnenbekleding van het gewrichtskapsel wordt gevormd door een slijmvlieslaag dat het gewrichtssmeer aanmaakt. Het gewrichtskapsel wordt verstevigd door de gewrichtsbanden die de botten onderling stevig aan elkaar verbinden.

Gewrichtsbanden

Gewrichtsbanden worden ook wel ligamenten genoemd. Ze verbinden de botten of het kraakbeen met elkaar en versterken het gewrichtskapsel. Ze zorgen ervoor dat bewegingen van het gewricht niet te ruim worden, zodat het gewricht niet ontwricht raakt. Een voorbeeld is de knieband. Ook wervels zijn door ligamenten met elkaar verbonden.

Gewrichtsuiteinden

Dit zijn de botuiteinden die samen het gewricht vormen. Ze zijn bekleed met kraakbeen en worden door de gewrichtskapsels en gewrichtsbanden bij elkaar gehouden.

Slijmbeurs

Dit is een gesloten zakje met vocht. Het vormt een stootkussen tussen botten, spieren en pezen. Slijmbeurzen verminderen de wrijving en voorkomen beschadiging van het gewricht.

Gewrichtsholte

In de gewrichtsholte zit gewrichtssmeer (synoviaal vocht). Dankzij dit kleverige vocht kunnen de beenderen soepel langs elkaar bewegen. Ook voorkomt het gewrichtssmeer slijtage en warmteontwikkeling van het gewricht.

Gewrichtskraakbeen

Gewrichtskraakbeen is een glasachtig laagje dat de wrijving vermindert tussen de gewrichtsuiteinden. Zo kan beweging gemakkelijk plaatsvinden.

Scharniergewricht

Kenmerken

kan alleen buigen en strekken

Voorbeelden

 kniegewricht

 ellebooggewricht

 de verbinding van de vingerkootjes onderling

 de verbinding van de teenkootjes onderling

 de verbinding van de middenhandsbeentjes met de vingerkootjes

 de verbinding van de middenvoetsbeentjes met de teenkootjes

Rolgewricht

Kenmerken  kan naar links of naar rechts draaien

 het ene beenstuk draait om het andere beenstuk heen

Voorbeelden de verbinding van het spaakbeen met de ellepijp

Draaigewricht

Kenmerken het bot draait in een ring die door een ander bot gevormd wordt

Voorbeelden de verbinding van de atlas (bovenste halswervel) met de draaier (tweede halswervel)

Kogelgewricht

Kenmerken  bestaat uit een kop en een kom

 de kop heeft de vorm van een kogel

 meest beweeglijke gewricht

 laat bewegingen in een volledige draai toe (bijvoorbeeld het omhoogbrengen van je gehele arm)

Voorbeelden

 schoudergewricht: de verbinding van het opperarmbeen (kop) met het schouderblad (kom)

 heupgewricht: de verbinding van het dijbeen (kop) met het heupbeen (kom)

Eigewricht

Kenmerken

 lijkt op het kogelgewricht

 de kop is eivormig

 lange kant kan ver draaien

 korte kant kan beperkt worden gedraaid

Voorbeelden

 de verbinding tussen de atlas en de gewrichtsvlakjes van het achterhoofd

 de verbinding tussen de middenhandsbeentjes en de vingers

Zadelgewricht

Kenmerken maakt beweging mogelijk in twee vlakken die loodrecht op elkaar staan

Voorbeelden de verbinding van de duim met de handwortel

Train je kennis over beweeglijke gewrichten met de online trainer. Snelcode 26053

Andere typen botverbindingen

Niet alle beenderen zijn verbonden door gewrichten: ze kunnen ook verbonden zijn door een tussenliggend weefsel. Er is dan sprake van een beenvergroeiing, bindweefselverbinding of kraakbeenverbinding.

Beenvergroeiingen

Bij beenvergroeiingen zijn beenstukken met elkaar vergroeid. Door deze vergroeiing is de verbinding niet beweeglijk. Beenvergroeiingen zijn de sterkste botverbindingen die in het skelet voorkomen. Voorbeelden van beenvergroeiingen zijn:

 de verbeende naden tussen de botten van de schedel

 het heiligbeen: de met elkaar vergroeide heiligbeenwervels

 het heupbeen: het met elkaar vergroeide darmbeen, zitbeen en schaambeen

 het staartbeen: de met elkaar vergroeide staartbeenwervels

Het heupbeen lijkt uit één deel te bestaan

Kleine fontanel

Grote fontanel

Voorhoofdsbeenderen

Wandbeenderen

Gewrichten en kraakbeenverbindingen tussen wervels

Tussen de wervels zitten tussenwervelschijven. Dit zijn kraakbeenschijven die schokken opvangen. De wervels zijn onderling beweeglijk, zodat je de wervelkolom bijvoorbeeld kunt buigen en draaien. Tussen de wervels zitten dus ook gewrichten. Om deze gewrichten zitten kleine gewrichtsbanden die ervoor zorgen dat de tussenwervelschijven op hun plaats blijven.

Bindweefselverbindingen

Botten kunnen door middel van bindweefselvezels (collageen en elastine) met elkaar verbonden zijn.

Bindweefselverbindingen zijn niet of nauwelijks beweeglijk. Een voorbeeld is het vlies tussen het kuitbeen en het scheenbeen.

Ook fontanellen zijn voorbeelden van bindweefselverbindingen. Dat zijn de vliezen die de schedelbeenderen van een baby met elkaar verbinden. Een baby heeft twee fontanellen: de grote en de kleine fontanel. Deze sluiten de twee open ruimtes af. In de eerste twee levensjaren veranderen deze bindweefselvliezen in bot. De grote fontanel sluit zich in het eerste levensjaar. De kleine fontanel sluit zich in het tweede levensjaar.

Kraakbeenverbindingen

Beenstukken kunnen ook met elkaar verbonden zijn door kraakbeen. Een kraakbeenverbinding is een weinig beweeglijke verbinding. Voorbeelden van kraakbeenverbindingen zijn:

 De verbinding tussen beide schaambeenderen (schaambeenvoeg of symfyse). Dit stukje kraakbeen wordt bij vrouwen soepeler als ze gaan bevallen.

 De verbinding tussen wervels (tussenwervelschijven). Deze tussenwervelschijven vangen schokken op.

 De verbinding tussen de ribben en het borstbeen. Omdat de verbinding iets beweeglijk is, maakt het adembewegingen mogelijk.

Topografie van het lichaam

De topografische anatomie beschrijft hoe verschillende organen en structuren in het lichaam ten opzichte van elkaar liggen. Je hebt deze kennis nodig om een massage uit te voeren, maar ook om bepaalde klachten te kunnen bespreken met een cliënt. Deze kennis helpt je ook om termen in vakbladen te begrijpen.

Wanneer je een plaats in het lichaam aan wilt geven, zie je altijd de anatomische stand voor je. Dit is een rechtopstaand mens met de voeten licht gespreid. De tenen wijzen naar voren en de armen hangen naar beneden en worden iets van het lichaam gehouden. De handpalmen zijn naar voren gericht.

Vanuit de anatomische stand gezien gebruik je de volgende begrippen:

centraal in het midden gelegen perifeer aan de rand gelegen

distaal van de romp af gelegen proximaal naar de romp toe gelegen lateraal aan de buitenzijde gelegen

mediaal aan de binnenzijde gelegen ventraal aan de buikzijde (voorkant) gelegen

dorsaal aan de rugzijde (achterkant) gelegen

palmair aan de handpalmzijde gelegen plantair aan de voetzoolzijde gelegen

Test je kennis over het skelet met de online boekcheck. Snelcode 27046

Meer weten over gewrichten? Bekijk de online masterclass. Snelcode 21052

Plantair
Palmair

2.2

Schedel

De beenderen van het hoofd vormen de schedel. De schedel bestaat uit de hersenschedel en de aangezichtsschedel. De hersenschedel is een beschermende kap om de hersenen. De aangezichtsschedel geeft vorm en steun aan het gezicht.

hersenschedel

De hersenschedel ligt als een beschermende kap om de hersenen heen.

WIST JE DAT?

BIJ BABY’S ZIJN DE SCHEDELBEENDEREN VERBONDEN DOOR BINDWEEFSEL. LATER VERBEENT DIT WEEFSEL. DE BEENDEREN ZIJN DAN MET ELKAAR VERGROEID.

De hersenen liggen in de schedelholte, boven in de schedel. De schedelholte wordt omringd door de hersenschedel. Het bovenste deel van de hersenschedel is het schedeldak dat als een beschermende kap om de hersenen heen ligt. Het schedeldak bestaat uit:

 het voorhoofdsbeen

 twee wandbeenderen

 het achterhoofdsbeen

 twee slaapbeenderen

Voorhoofdsbeen

Os frontale

Het voorhoofdsbeen is een plat, gebogen beenstuk aan de voorkant en bovenkant van de schedel. Het vormt:  het voorhoofd

 de bovenzijde van de oogkassen  het bovenste gedeelte van de neusholte

 de onderzijde van de schedelholte

Vlak boven de oogkassen zitten openingen waar bloedvaten en zenuwen door naar buiten lopen. Aan beide zijden van de neus liggen de voorhoofdsholten. Deze staan in verbinding met de neusholte.

Wandbeen

Os parietale

Het wandbeen is een plat, gebogen beenstuk. Er zijn twee wandbeenderen: aan beide zijden van het schedeldak één.

Slaapbeen

Os temporale

De slaapbeenderen liggen aan weerszijden van de hersenschedel.

Achterhoofdsbeen

Os occipitale

Het achterhoofdsbeen vormt de achterkant en de onderkant van de schedel. Onderaan zit een ovale opening: het achterhoofdsgat. Hier lopen zenuwen en bloedvaten doorheen. Het achterhoofdsgat vormt de verbinding tussen de hersenholte en de ruggenmergholte.

Samen met de atlas (bovenste halswervel) vormt het achterhoofdsbeen een eigewricht. Aan beide kanten van het achterhoofdsgat ligt een gewrichtsknobbel. Die knobbels passen in de gewrichtskommen van de bovenste halswervel (atlas). Dit gewricht maak jaknikken mogelijk.

Schelp

Een licht gebogen plaat waarin onder andere de gewrichtskom voor de onderkaak zit. Ook zit hier de uitwendige ooropening met een deel van de gehoorgang.

Jukbeen

Dit is een uitsteeksel van het slaapbeen. Dit vormt samen met het slaapuitsteeksel van het jukbeen de jukboog.

Rotsbeen

Het rotsbeen steekt uit naar binnen en vormt een deel van de schedelbasis. Hierin liggen het inwendige gehoororgaan en het evenwichtsorgaan.

Tepelvormig uitsteeksel

Dit uitsteeksel ligt onder en achter de oorschelp. Hier is de borstbeensleutelbeen­tepelspier aan gehecht.

Het tepelvormig uitsteeksel heeft een functie bij het buigen van het hoofd en het openen van de mond met de onderkaak.

Schedelbasis

Het onderste deel van de hersenschedel is de schedelbasis. De schedelbasis vormt de bodem van de schedelholte. Het is een dikke, onregelmatig gevormde plaat onder de hersenen. In de schedelbasis zitten openingen waar bloedvaten en zenuwen doorheen lopen.

De schedelbasis bestaat uit de volgende botstukken:

 het zeefbeen

 het wiggebeen

 het rotsbeen

 het onderste gedeelte van het achterhoofdsbeen

Zeefbeen

Os ethmoidale

Het zeefbeen is een horizontaal plaatje met twee zijstukken. Het plaatje vormt het dak van de neusholte. De zijstukken vormen voor een deel de binnenzijde van de oogkassen.

Het zeefbeen dankt zijn naam aan de vele openingen in het bot. Hier lopen bloedvaten en reukzenuwen doorheen.

Wiggebeen

Os spenoidale

Het wiggebeen loopt horizontaal door de schedel en vormt het grootste deel van de schedelbasis. Samen met het voorhoofdsbeen vormt het wiggebeen de achterwanden van de oogkassen. In het midden van het wiggebeen zit een uitholling. Dit is het Turks zadel, waarin de hypofyse (het hersenaanhangsel) ligt.

Voorhoofdsbeen

Turks zadel

Rotsbeen

De schedelbasis vormt de bodem van de schedelholte. voor midden achter

Achterhoofdsgat

Achterhoofdsbeen

De schedelbasis bestaat uit drie ruimten. Dit zijn de voorste, de middelste en de achterste schedelgroeve.

De aangezichtsschedel geeft vorm en steun aan het gezicht.

Aangezichtsschedel

De aangezichtsschedel van de mens is kleiner dan de hersenschedel. Dit deel van het skelet bepaalt voor een groot deel de vorm van je gezicht. De aangezichtsschedel ondersteunt ook een aantal zintuigen. Denk aan de neus, de ogen en de tong.

De aangezichtsschedel bestaat uit de volgende beenderen:

 het neusbeen

 het ploegschaarbeen

 het jukbeen

 de bovenkaak

 de onderkaak

 het tongbeen

Tongbeen

Aan de achterzijde van de tong ligt het tongbeen (os hyoideum). Het is een sesambeen en heeft dus geen directe verbinding met andere botdelen. Pezen houden het tongbeen op zijn plaats. Aan het tongbeen zijn de tongspieren en de tweebuikige kaakspier bevestigd.

Neusbeen

Os nasale

Het neusbeen bestaat uit twee met elkaar vergroeide neusbeentjes. Het is aan de bovenkant verbonden met het voorhoofdsbeen en aan de zijkanten met de bovenkaak. De neusbeentjes vormen het harde gedeelte van de neusbrug.

Ploegschaarbeen

Vomer

Het ploegschaarbeen vormt samen met het zeefbeen (os ethmoidal) het neustussenschot (septum nasi). Dit been deelt de neusholte dus in tweeën.

Jukbeen

Os zygomaticum

Het jukbeen ligt aan de onderkant en aan de buitenkant van de oogkas en vormt de ondergrond van de wang. Het jukbeen ligt voor het wiggebeen en het slaapbeen. Aan de onderzijde van het jukbeen zit het slaapuitsteeksel, dat samen met het jukbeenuitsteeksel van het slaapbeen de jukboog vormt.

Bovenkaak

Maxilla

De bovenkaak ligt aan de voorzijde van de aangezichtsschedel. De bovenkaak is een botvergroeiing van twee beenderen en is het grootste botstuk van de aangezichtsschedel. Aan de bovenkant vormt de bovenkaak de bodem van de oogkassen. De bovenkaak draagt de wortels van de bovenste tanden en kiezen.

Neusholte

De zijwanden van de bovenkaak vormen de neusholte. De neusholte staat in verbinding met de neusbijholten en filtert de ingeademde lucht. Vanuit de schedelbasis lopen reukzenuwen naar het bovenste gedeelte van de neusholte.

Gewrichtskop van de onderkaak

Caput mandibulae

De gewrichtsuitsteeksels of gewrichtskopjes van de onderkaak liggen aan beide kanten van de onderkaak, in het achterste gedeelte. Deze vormen samen met het slaapbeen het kaakgewricht.

Kaakhoek

Angulus mandibulae

De kaakhoek ligt aan beide zijden, aan de onderzijde van de onderkaak.

Onderkaak

Mandibula

De onderkaak is een hoefijzervormig bot dat is ontstaan uit de vergroeiing van twee botstukken. In de onderkaak zitten openingen waar bloedvaten en zenuwen doorheen lopen. Het horizontale deel van de onderkaak vormt de basis van de kin. De onderkaak draagt de wortels van de onderste tanden en kiezen.

Voorste uitsteeksel

Processus coronoideus

De voorste uitsteeksels liggen ter hoogte van het jukbeen, aan beide zijden van de onderkaak. Deze uitsteeksels zijn een aanhechtingsplaats voor de slaapkauwspieren. Je noemt ze ook wel spieruitsteeksels.

Kaakrand

Daar waar de onderkaak overgaat in de hals, ligt de kaakrand.

Maak je er liever een wedstrijdje van?

Speel dan zo snel mogelijk alle vragen weg in de online trainer.

Snelcode 26077

Test je kennis over de schedel met de online boekcheck. Snelcode 27074

2.3

Romp

De romp is de benaming van het lichaam zonder armen, benen en hoofd. De romp bestaat uit de borstkas en de wervelkolom.

Borstkas

De borstkas bestaat uit:

 het borstbeen

 twaalf borstwervels

 twaalf paar ribben

De borstwervels zijn niet alleen onderdeel van de borstkas, maar ook van de wervelkolom.

Borstbeen

Sternum

Het borstbeen is een plat beenstuk. Het bestaat uit drie delen die met elkaar vergroeid zijn: het handvat, het lichaam en het zwaardvormig aanhangsel.

Handvat

Manubrium

De eerste rib is verbonden aan het handvat van het borstbeen. Je kunt de bovenkant van het handvat voelen: dit is het kuiltje tussen je sleutelbeenderen.

Lichaam

Corpus

De volgende zes ware ribben zijn direct verbonden aan het lichaam van het borstbeen. De valse ribben zijn indirect verbonden aan het lichaam.

Zwaardvormig aanhangsel

Borstwervels worden ook wel rugwervels genoemd.

Processus xiphoideus

Het zwaardvormig aanhangsel is het onderste deel van het borstbeen. Het middenrif is hier deels aan verbonden. De vorm van het zwaardvormig aanhangsel kan per persoon verschillen.

Bij kinderen bestaat het zwaardvormig aanhangsel nog uit kraakbeen, maar later verbeent dit.

Ribben zijn smalle, platte, gebogen beenstukken die de borstholte vormen.

Ze bevatten rood beenmerg. Ze zitten aan de rugzijde (dorsaal) met kleine gewrichten vast aan de borstwervels.

Aan de buikzijde (ventraal) zijn ze met kraakbeen verbonden aan het borstbeen, met uitzondering van de zwevende ribben.

De ribben hebben verschillende functies.

Ze beschermen het hart en de longen. Verder helpen ze bij de ademhaling, doordat ze uitzetten en krimpen. Bovendien maken ze bloedcellen aan (door het rode beenmerg).

Borstwervels

Vertebrae thoracales

De borstwervels zijn zowel onderdeel van de wervelkolom als van de borstkas. Je hebt twaalf borstwervels.

De ribben zijn aan dit deel van de wervelkolom verbonden.

Ware ribben

Costae verea

De zeven bovenste paren ribben zijn de ware ribben. De ware ribben zijn met glasachtig kraakbeen direct verbonden met het borstbeen.

Valse ribben

Costae spuriae

De vijf onderste paren ribben zijn de valse ribben: ze zijn niet direct verbonden met het borstbeen. De bovenste drie paren valse ribben zijn indirect aan het borstbeen verbonden, namelijk via een kraakbeenstuk van de vorige rib. De onderste twee paren valse ribben zijn zwevende ribben: ze zijn helemaal niet verbonden met het borstbeen.

Wervelkolom

De wervelkolom (columna vertebralis) noem je ook wel de ruggengraat. Bovenaan is de wervelkolom verbonden met het hoofd, in het midden met de ribben en onderaan met het bekken. De functies van de wervelkolom zijn:

 stevigheid aan de romp geven;  het ruggenmerg (zenuwweefsel) beschermen;  beweging van de romp mogelijk maken.

De wervelkolom heeft de vorm van twee S­en die boven elkaar geplaatst zijn. Maar zo word je niet geboren: bij pasgeboren baby’s is de wervelkolom bijna recht. De kromming in de nek ontstaat wanneer de baby na enkele weken het hoofd gaat heffen. De kromming in de lendenen ontstaat wanneer de baby gaat zitten.

Wervels

Een wervel (vertebrae) bestaat uit:

 Een doornuitsteeksel (processus spinosus) en twee dwarsuitsteeksels (processus transversus vertebrae) waar spieren en banden aan zijn verbonden.

 Het wervellichaam (corpus vertebrae) aan de voorzijde en de wervelboog (arcus vertebrae) aan de achterzijde.

 Het wervelgat (foramen vertebrae): de opening tussen het wervellichaam en de wervelboog.

 Vier gewrichtsvlakken (articulatio intervertebralis): de contactpunten met de wervel erboven en de wervel eronder.

Opbouw wervelkolom

De wervelkolom is opgebouwd uit 33 wervels (vertebrae):

 zeven halswervels

 twaalf rug ­ of borstwervels

 vijf lendenwervels

 vijf heiligbeenwervels

 vier staartbeenwervels

Bizonbult

De zevende halswervel heeft een groter doornuitsteeksel dan andere wervels. Als vet zich hieromheen vastzet, ontstaat er een bult in de nek. Dit verschijnsel wordt een bizonbult genoemd. Bij massages en behandelingen is het belangrijk om hier aandacht aan te besteden. Door massage kan de doorbloeding verbeterd worden.

De wervels liggen allemaal boven elkaar. Hierdoor vormen de wervelgaten samen een kanaal. Door het wervelkanaal lopen zenuwen naar de bekkengordel en de onderste extremiteit (de benen). Het wervelkanaal eindigt bij de laatste heiligbeenwervel.

Doornuitsteeksel

Wervelboog

Dwarsuitsteeksel

Wervelgat

Gewrichtsvlak

Wervellichaam

Jaknikken en nee schudden met de atlas en de draaier

De bovenste wervel van de wervelkolom is de atlas. Deze draagt het hoofd. De bovenste twee gewrichtsuitsteeksels van de atlas zijn zo gevormd, dat de achterhoofdsknobbels van de schedel hierin passen. Hierdoor kun je jaknikken.

De tweede halswervel, de draaier, heeft een tandvormig uitsteeksel aan de bovenkant. Dit uitsteeksel past precies in het wervelgat van de atlas. Bij het draaien van het hoofd (nee schudden) draait de atlas om dit uitsteeksel.

Bovenaanzicht van een wervel

Halswervels

Vertebrae cervicales

De zeven halswervels zijn verbonden door gewrichten en tussenwervelschijven. Deze verbindingen zijn beweeglijk en worden verstevigd door ligamenten (gewrichtsbanden).

Lendenwervels

Vertebrae lumbales

De vijf lendenwervels zijn verbonden door gewrichten en tussenwervelschijven. Deze verbindingen zijn beweeglijk en worden verstevigd door ligamenten (gewrichtsbanden).

Staartbeenwervels

Os coccygis

De staartbeenwervels zijn met elkaar vergroeid en zijn dus niet beweeglijk met elkaar verbonden. Ze vormen samen het staartbeen, waar veel zenuwuiteinden in zitten. Sommige mensen hebben drie wervels, andere mensen vier.

Borstwervels

Vertebrae thoracales

De twaalf borstwervels zijn verbonden door gewrichten en tussenwervelschijven. Deze verbindingen zijn beweeglijk en worden verstevigd door ligamenten (gewrichtsbanden).

Borstwervels zijn niet alleen met elkaar verbonden, maar ook met de ribben. Ze zijn daardoor onderdeel van zowel de wervelkolom als de borstkas. Je noemt de borstwervels ook wel rugwervels.

Tussenwervelschijven

Discus intervertebralis

De wervels worden met elkaar verbonden door tussenwervelschijven. Het binnenste deel van een tussenwervelschijf is geleiachtig. Deze gelei dient als stootkussen voor de wervels.

Heiligbeenwervels

Os sacrum

De vijf heiligbeenwervels zijn met elkaar vergroeid en zijn dus niet beweeglijk met elkaar verbonden.

Train je kennis over de romp met de online trainer. Snelcode 26073

Test je kennis over de romp met de online boekcheck. Snelcode 27070

2.4 Bovenste extremiteit

De bovenste extremiteit is de verzamelnaam voor de armen, handen en schoudergordel.

Schoudergordel

De schoudergordel bestaat uit vier botten: twee schouderbladen en twee sleutelbeenderen.

De schouder verbindt de armen met de romp: het opperarmbeen is door het schoudergewricht verbonden met het schouderblad.

Kwetsbare gewrichten

De schouderkom is een kleine, ondiepe kom, terwijl de kop van de bovenarm groot is. Daarnaast zijn er bijna geen sterke gewrichtsbanden die het gewricht ondersteunen. Dit zorgt ervoor dat je je armen goed kunt bewegen, maar het maakt je schouders tegelijkertijd kwetsbaar. Zo kan de schouder bij een grote kracht van buitenaf uit de kom schieten. Dit noem je luxatie

Schouderblad

Scapula

Het schouderblad ligt tegen de achterkant van de borstkas aan. Het is plat en driehoekig. Het is een vrij dun, maar sterk bot. Dit komt doordat het schouderblad licht gebogen is.

Het schouderblad heeft een aantal herkenbare uiteinden. Dit zijn de schouderbladkam, de schoudertop en het ravenbekuitsteeksel. Het ravenbekuitsteeksel, de buitenranden van het schouderblad en de schouderbladkam zijn een aanhechtingsplaats voor veel spieren die naar de arm en wervelkolom toe lopen.

Schouderbladkam

Spina scapulae

Aan de achterkant van het schouderblad zit de schouderbladkam. Deze wordt ook wel schouderbladgraat genoemd. Het is een scherpe rand die je meestal goed kunt voelen. De schouderbladkam loopt uit in de schoudertop.

Schoudertop

Acromion

De schoudertop ligt aan de buitenzijde van het schouderblad en is het uiteinde van de schouderbladkam. De schoudertop is met een gewricht verbonden aan het sleutelbeen. De schoudertop vormt samen met het ravenbekuitsteeksel een beschermend dak boven het schoudergewricht.

Ravenbekuitsteeksel

Processus coracoideus

Aan de voorzijde van het schouderblad zit een stomp uitsteeksel: het ravenbekuitsteeksel. Het dient als aanhechtingsplaats van spieren en banden. Het ravenbekuitsteeksel vormt samen met de schoudertop een beschermend dak boven het schoudergewricht.

Schouderkom

Cavitas glenoidalis

Onder het dakje van de schoudertop en het ravenbekuitsteeksel ligt de schouderkom. De schouderkom vormt samen met de schouderkop het schoudergewricht. De schouderkop noem je ook wel humeruskop en is de kop van het opperarmbeen. De schouder is dus een kogelgewricht.

De schouderkom is ondiep en heeft een ruim kapsel. Hierdoor is de beweeglijkheid groot, maar de arm kan hierdoor ook snel ontwricht raken.

Sleutelbeen

Clavicula

Het sleutelbeen is een S­vormig pijpbeen. Het buitenste uiteinde van het sleutelbeen is verbonden met de schoudertop. Het andere uiteinde is met een gewricht verbonden aan het handvat van het borstbeen. Bij veel mensen is vooral dit deel van het sleutelbeen goed te zien.

Schouderkop

Opperarmbeen

De schouder verbindt de armen met de romp.

Train je kennis over de schoudergordel met de online trainer. Snelcode 26060

Arm

De arm (brachium) bestaat uit de bovenarm, de onderarm en de hand. De bovenarm is via het schoudergewricht verbonden met de schouder. De onderarm en bovenarm zijn met elkaar verbonden via het ellebooggewricht. De pols verbindt de onderarm met de hand.

Spaakbeen

Radius

Het spaakbeen ligt aan de duimzijde van de onderarm. Samen met de ellepijp vormt het een eivormige kom in de pols waarin de handwortel kan bewegen. Het spaakbeen is zowel aan de onderzijde als aan de bovenzijde met een gewricht aan de ellepijp verbonden. Beide botten zijn licht gekromd, zodat het spaakbeen om de ellepijp kan draaien.

Ellepijp

Ulna

De ellepijp ligt aan de pinkzijde van de onderarm. De ellepijp vormt samen met het spaakbeen een eivormige kom in de pols waarin de handwortel kan bewegen. De ellepijp is zowel aan de onderzijde als aan de bovenzijde met een gewricht aan het spaakbeen verbonden. Beide botten zijn licht gekromd, zodat het spaakbeen om de ellepijp kan draaien. Hierdoor kun je je hand draaien. Spaakbeenknobbel

Caput radii

Aan de voorzijde van het spaakbeen, ongeveer 2 centimeter onder de kop, vind je de spaakbeenknobbel. Deze ruwe knobbel is het aanhechtingspunt van de biceps (bovenarmspier, de ‘spierbal’ ).

werkelijk aanzicht

Opperarmbeen

Humerus

Het opperarmbeen is een lang pijpbeen in de bovenarm. Samen met het schouderblad vormt het opperarmbeen het schoudergewricht. Aan de kop van het opperarmbeen zitten twee knobbels.

Ellebooggewricht

Articulus cubiti

Het ellebooggewricht bestaat uit drie verschillende soorten gewrichten:

 Het scharniergewricht verbindt de ellepijp en het opperarmbeen.

 Het kogelgewricht verbindt het spaakbeen en het opperarmbeen.

 Het rol­ of draaigewricht verbindt het spaakbeen en de ellepijp.

De onderarm en bovenarm zijn met elkaar verbonden via het ellebooggewricht.

Elleboogpunt

Olecranon

De ellepijp loopt bij het ellebooggewricht uit in de elleboogpunt. Dit is een breed, plat en haakvormig uitsteeksel. De elleboogpunt is een aanhechtingsplaats voor de triceps (bovenarmspier aan de achterzijde van de arm).

Grote opperarmbeenknobbel

Tuberculum majus humeri

Kleine opperarmbeenknobbel

Tuberculum minus humeri

Opperarmbeenkop

Caput humeri

Hand

De hand (manus) bestaat uit veel beenderen en gewrichten, waardoor er veel bewegingen mogelijk zijn. De hand bevat acht handwortelbeentjes, vijf middenhandsbeentjes en veertien vingerkootjes.

Opponeren van de duim

De mens kan als enige mensachtige de duim opponeren. Dit komt onder andere doordat het middenhandsbeen van de duim beweeglijker is dan dat van de overige vingers. Opponeren betekent dat je je duim tegenover je vingers kunt plaatsen. Bovendien kan de mens de duim en de vingers hard tegen elkaar aan knijpen. Zo kun je een voorwerp tussen je vingers vasthouden. Bij kleine voorwerpen gebruik je alleen je duim, wijs­ en middelvinger. Bij grotere voorwerpen heb je ook je ringvinger en pink nodig.

Handwortelbeentjes

Ossa carpi

Handwortelbeentjes zijn onregelmatige beenderen. Onderling vormen ze een straf gewricht: de handwortel. De handwortel is zelf dus niet zo beweeglijk. Samen vormen de handwortel­beentjes met de ellepijp en het spaakgewricht het polsgewricht.

De duim is door een zadelgewricht verbonden met de handwortel. Door deze verbinding kun je dingen vastpakken tussen je vingers en je duim.

Middenhandsbeentjes

Ossa metacarpalia

Het grootste deel van de handpalm wordt gevormd door de middenhandsbeenderen. Ze zijn door eigewrichten met de vingers verbonden. De knokkels die je ziet als je een vuist maakt, zijn de uiteinden van de middenhandsbeentjes in deze eigewrichten.

Het gewricht waarmee de duim met het middenhandsbeentje is verbonden, is beweeglijker dan die van de overige vingers. Dit is een zadelgewricht.

Vingerkootjes

Phalanges

De vingerkootjes zijn met elkaar verbonden door scharniergewrichten. De duim heeft twee vingerkootjes, terwijl de overige vingers er drie hebben. Pols

De pols bestaat uit meerdere gewrichten. Hierdoor kun je veel verschillende bewegingen maken met je pols, zoals op en neer en van links naar rechts. De pols lijkt als geheel nog het meeste op een eigewricht. Het spaakbeen en de ellepijp vormen samen een eivormige kom waarin de handwortel kan bewegen. Hierdoor kun je de pols een beetje draaien.

Het gewricht tussen het spaakbeen (radius) en de ellepijp (ulna) noem je het distale radio­ulnaire gewricht. Het gewricht tussen het spaakbeen en de handwortelbeentjes en het gewricht tussen de ellepijp en de handwortelbeentjes noem je het radiocarpale gewricht.

Test je kennis over de bovenste extremiteit met de online boekcheck. Snelcode 27058

De hand bevat acht handwortelbeentjes, vijf middenhandsbeentjes en veertien vingerkootjes.

Dankzij het opponeren van de duim kun
jij je kopje koffie vasthouden.

2.5 Onderste extremiteit

De onderste ledematen zorgen ervoor dat je je kunt voortbewegen. Daarnaast geven ze het lichaam extra steun. De verzamelnaam van het bekken, de dijbenen, de onderbenen en de voeten is de onderste extremiteit.

Bekkengordel

De bekkengordel is het deel van het lichaam tussen de buik en de benen. De bekkengordel is opgebouwd uit het heiligbeen, het staartbeen, de schaambeenvoeg en twee heupbeenderen. De heupbeenderen zijn een vergroeiing van het zitbeen, het darmbeen en het schaambeen.

De bekkengordel heeft een belangrijke rol bij zowel de houding als beweging. Het bekken doet namelijk mee met de beweging van de benen én met de rompbewegingen. Wel is de bekkengordel minder beweeglijk dan bijvoorbeeld de schoudergordel.

De bekkengordel heeft meerdere functies:

 de organen in de buikholte beschermen

 steun geven aan het lichaam en de organen

 een oorsprongsplaats bieden voor spieren

 een aanhechtingsplaats bieden voor spieren

Darmbeen

Os illium

Het darmbeen is een aanhechtingspunt voor spieren. De spieren zijn via de pezen aan de darmbeendoornen bevestigd. De voorste bovenste doorn en de voorste onderste doorn zijn uitsteeksels van de darmbeenkam. Ze zitten aan de voorzijde. De darmbeenkam vormt de rand van de darmbeenvleugel. Je kunt het voorste deel van de darmbeenkam in je zij voelen.

Heiligbeen

Os sacrum

Het heiligbeen bestaat uit aan elkaar gegroeide wervels.

Schaambeenvoeg

Symfyse

De schaambeenvoeg verbindt de schaambeenderen met kraakbeen aan elkaar. Normaal is de schaambeenvoeg weinig beweegbaar, maar bij vrouwen wordt de symfyse aan het eind van de zwangerschap zachter en daardoor beweeglijk. Dit gebeurt onder invloed van hormonen.

Darmbeenkam

Crista iliaca

Darmbeenvleugel

Ala ossis illium

Voorste bovenste

darmbeendoorn

Spina iliaca anterior superior

Voorste onderste

darmbeendoorn

Spina iliaca anterior inferior

Heupbeen

Os coxa

Het heupbeen is een vergroeiing van het darmbeen, het zitbeen en het schaambeen. Er zijn twee heupbeenderen.

Zitbeen

Os ischii

Het zitbeen is een dik gebogen beenstuk. De verbreding aan de onderkant zijn de zitbeenknobbels.

Het bekken doet mee met de beweging van de benen én met de rompbewegingen.

Schaambeen

Os pubis

Het schaambeen vormt samen met het zitbeen een ronding. Dit is het bekken. Aan de voorzijde zijn de schaambeenderen door middel van kraakbeen (de schaambeenvoeg) gesloten.

Staartbeen

Os occygis

Het staartbeen bestaat uit drie of vier met elkaar vergroeide staartwervels. Het staartbeen heeft bij de mens geen functie.

Gewrichtskom

Op de plek waar het darmbeen, het zitbeen en het schaambeen samenkomen, ligt de gewrichtskom van het heupgewricht (articulatio coxae).

Band van Poupart

Tussen de voorste bovenste darmbeendoornen en het schaambeen zit een ligament. Dit is de band van Poupart. De band vormt de bodem van het lieskanaal. Hier lopen belangrijke aderen en slagaderen doorheen.

Been

Het been bestaat uit:

 het dijbeen

 het scheenbeen

 het kuitbeen

 de knieschijf

Enkelgewricht

Articulatio talocruralis

Het kuitbeen vormt samen met het scheenbeen en een deel van de voetwortelbeentjes het enkelgewricht. Het enkelgewricht bestaat uit het bovenste en het onderste spronggewricht. Het bovenste spronggewricht is een scharniergewricht. Dit gewricht zorgt ervoor dat de voet op en neer kan bewegen. Het onderste spronggewricht zorgt ervoor dat de voet kan kantelen.

Kuitbeen

Fibula

Het kuitbeen loopt vanaf het kniegewricht tot aan het enkelgewricht.

Het kuitbeen en het scheenbeen zijn met elkaar verbonden door bindweefselvlies en een straf gewricht. De beenderen zijn niet beweeglijk ten opzichte van elkaar.

Scheenbeen

Tibia

Het scheenbeen ligt aan de voorzijde van het been en loopt vanaf het kniegewricht tot aan het enkelgewricht. Van de beenderen in het onderbeen is het scheenbeen het sterkst ontwikkeld.

Buitenenkel

Malleolus lateralis

Aan de onderkant van de buitenzijde heeft het kuitbeen een verdikking. Dat is de buitenenkel. Deze knobbel kun je goed zien aan de buitenkant van je enkel.

Binnenenkel

Malleolus medialis

Ter hoogte van de enkel is het scheenbeen verdikt. Deze verdikking heet de binnenenkel. Deze knobbel kun je goed zien aan de binnenkant van je enkel.

Kuitbeenhoofd

Caput fibulae

Ter hoogte van het kniegewricht is het kuitbeen verdikt. Deze verdikking noem je het kuitbeenhoofd.

Voorste scheenbeenknobbel

Tuberositas tibiae

De verdikking aan de voorzijde van het scheenbeen is de voorste scheenbeenknobbel. Deze knobbel is de aanhechtingsplaats van de vierhoofdige dijbeenspier.

werkelijk aanzicht

Kniegewricht

Articulatio genus

Het scheenbeen en de dijbeenknobbels vormen samen het kniegewricht. Het is een scharniergewricht tussen het dijbeen en het scheenbeen. Tussen deze twee gewrichtsuiteinden liggen de menisci. Een meniscus is een halvemaanvormig kraakbeenstuk dat ervoor zorgt dat de uiteinden van het dijbeen en het scheenbeen goed op elkaar aansluiten.

Knieschijf

Patella

De knieschijf is een schijfvormig beenstuk dat voor het kniegewricht ligt. Dit beenstuk is geheel opgenomen in de pees van de vierhoofdige dijbeenspier. De knieschijf is het grootste sesambeen van het lichaam.

Dijbeen

Femur

Het dijbeen is het grootste pijpbeen van het lichaam. De kop van het dijbeen vormt samen met het heupbeen het heupgewricht.

Dijbeenknobbels

Condylus medialis femoris

Condylus lateralis femoris

Scheenbeenknobbels

Condyles medialis tibiae

Condyles lateralis tibiae

Het scheenbeen heeft aan de bovenzijde een dubbele verdikking. Dit zijn de scheenbeenknobbels.

Aan de onderzijde heeft het dijbeen een dubbele gewrichtsknobbel. Dit zijn de dijbeenknobbels. Samen met het scheenbeen vormen de dijbeenknobbels het kniegewricht. De knieschijf ligt voor dit gewricht.

Dijbeenhals

Collum femoris

De dijbeenhals is een versmalling onder de dijbeenkop.

X-vormige ruwe lijn

Linea aspera

Aan de achterkant van het dijbeen loopt over de gehele lengte een X­vormige ruwe lijn. Dit is een aanhechtingsplaats voor verschillende bovenbeenspieren.

Grote draaier

Trochanter major

De grote draaier is een uitsteeksel onder de dijbeenhals, aan de buitenkant van het dijbeen. Het uitsteeksel vormt een aanhechtingsplaats voor spieren.

Dijbeenkop

Caput femoris

De dijbeenkop vormt samen met het heupbeen het heupgewricht.

Kleine draaier

Trochanter minor

De kleine draaier is een uitsteeksel onder de dijbeenhals, aan de binnenkant van het dijbeen. Het uitsteeksel vormt een aanhechtingsplaats voor spieren.

Hoe onthoud je Latijnse namen?

De Latijnse namen van beenderen geven vaak precies aan om wat voor been of knobbel het gaat en waar deze ligt. Kijk maar eens naar de Latijnse namen van de dijbeenknobbels (condylus medialis femoris en condylus lateralis femoris):

 condylus: knobbel

 femoris: van het dijbeen

 mediaal: aan de binnenzijde gelegen

 lateraal: aan de buitenzijde gelegen

De condylus medialis femoris is dus de dijbeenknobbel die aan de binnenzijde ligt. De condylus lateralis femoris is de dijbeenknobbel die aan de buitenzijde ligt.

Voet

Voeten moeten je lichaam kunnen dragen.

Daarom moeten ze een stevige structuur hebben.

Elke voet heeft 26 beenderen:

 zeven voetwortelbeentjes

 vijf middenvoetsbeentjes

 veertien teenkootjes

De voetwortelbeentjes zijn onregelmatige beenderen. Ze zijn massief (niet hol) en dus heel stevig.

De kracht en stevigheid worden niet alleen door deze beenderen verzorgd, maar vooral door de bindweefselbanden (ligamenten). Deze verbinden:

 de voetwortel met het onderbeen

 de voetwortelbeenderen onderling

 de middenvoet met de voetwortel

 de middenvoetsbeenderen onderling

De voetwortelbeentjes zijn onregelmatige beenderen.

Ze zijn massief (niet hol) en dus heel stevig.

Train je kennis over het been met de online trainer. Snelcode 26066

voetwortelbeentjes

Ossa tarsi

De zeven voetwortelbeentjes vormen samen de voetwortel. De meeste voetwortelbeentjes hiervan zijn onderling verbonden door een straf gewricht. Het hielbeen is het grootste voetwortelbeentje. Dit been steekt met een knobbel naar achteren. Hieraan zit de achillespees vastgehecht.

Middenvoetsbeentjes

Metatarsalia

De vijf middenvoetsbeentjes zijn kleine pijpbeenderen. Samen met de teenkootjes vormen ze scharniergewrichten.

Hielbeen

Calcaneus

Teenkootjes

Phalanges

In de grote teen zitten twee teenkootjes, terwijl de overige tenen er drie hebben. De teenkootjes onderling vormen scharniergewrichten.

Test je kennis over de onderste extremiteit met de online boekcheck. Snelcode 27063

3.Spieren

Wist je dat er ook spieren actief zijn als je niet beweegt? Voor elke beweging heb je spieren nodig, dus ook bijvoorbeeld bij je ademhaling. Het spierstelsel zet ons lichaam in beweging als reactie op impulsen uit de hersenen. Een lichaamsbehandeling, zoals een massage, heeft invloed op de spieren. In dit hoofdstuk leer je welke spieren er zijn en hoe ze werken. Dit helpt je om een massage op een verantwoorde manier uit te voeren.

3.1

Spieren

In totaal zitten er in je lichaam ongeveer 700 spieren, van verschillende grootte. Al deze spieren liggen direct onder je huid. Ze werken snel, maar worden beïnvloed door je wilskracht en raken gauw vermoeid. Spieren hebben verschillende functies. Zo zorgen ze ervoor dat:

 je lichaam kan bewegen, zodat je kunt lopen;

 je lichaam kan fixeren, zodat je rechtop kunt zitten of staan;

 je organen zijn beschermd.

Spierstelsel

Het spierstelsel bestaat uit dwarsgestreepte spieren. Deze spieren noem je ook wel willekeurige spieren. Ze zijn opgebouwd uit dwarsgestreepte spiervezels. Deze spiervezels worden omgeven door een bindweefsel en vormen samen een spierbundel. Om de verschillende spierbundels ligt

ook weer een bindweefsel. Dit bindweefsel noem je spierfascie of spierschede. Deze spierschede loopt uit in een pees. Alle spierbundels samen vormen een spier.

Het begin van een spier noem je de spieroorsprong of origo. Deze zit vaak aan een bot dat je helemaal niet kunt bewegen. Het einde van een spier noem je de spieraanhechting of insertio. Deze zit aan een meer beweeglijk bot. Een spier is vaak weinig tot niet beweeglijk op de plek van de oorsprong en aanhechting. Deze plaatsen bestaan namelijk uit vast bindweefsel, de pezen.

TIP IN HET HOOFDSTUK
‘CELLEN EN WEEFSELS’ LEES JE MEER OVER DE VERSCHILLENDE SOORTEN SPIERWEEFSELS.

Spierverloop

In dit hoofdstuk leer je de oorsprong, de aanhechting en de werking van verschillende spieren. Voor het geven van massages is het belangrijk om ook het spierverloop te weten. Vaak loopt een spier in een rechte lijn van de oorsprong tot de aanhechting. Wanneer dat niet zo is, wordt het verloop apart beschreven.

Opbouw van een spier
Bot
Pees
Spier
Spierbundel Spiervezel

Bevestiging aan het lichaam

Spieren kunnen op verschillende manieren bevestigd zijn aan het lichaam. De skeletspieren zitten zowel aan de oorsprong als aan de aanhechting aan het skelet vast, met behulp van pezen en peesbladen. Mimische spieren, de spieren in het gezicht, kunnen ook aan het skelet vastzitten met pezen of peesbladen. Daarnaast kunnen mimische spieren aan de huid bevestigd zijn met bindweefselvezels.

Spieren in het lichaam

Om een lichaamsmassage goed te kunnen uitvoeren, moet je weten welke skelet­ en mimische spieren in het lichaam voorkomen en wat de eigenschappen zijn van deze spieren. In de volgende paragrafen leer je meer hierover. Peeslengte

Een pees verbindt een spier met een bot en brengt spierkracht over op het skelet. Pezen verdragen meer kracht dan een spier, maar kunnen zichzelf niet samentrekken. Een peesblad is een brede, platte pees. Pezen en peesbladen bestaan uit bindweefsel met collagene vezels die doorlopen in de spierschede. Om de pees heen ligt een dubbele bindweefselkoker. Deze bindweefselkoker noem je de peesschede. De binnenkant van de peesschede is glad en slijmerig. Hierdoor kan de pees zich makkelijk in de koker bewegen.

De spier ligt niet altijd dicht bij het bot. De pezen die de spier met het bot verbinden kunnen namelijk nogal lang zijn. Zo worden de vingerkootjes bewogen door de buigspieren die vlakbij de elleboog ontspringen. Deze buigspieren gaan halverwege de onderarm al over in pezen, die via de pols naar de vingerkootjes lopen.

Aanhechting van mimische spieren

Mimische spieren bepalen je gezichtsuitdrukking.

Deze gezichtsuitdrukking noem je de mimiek.

De meeste mimische spieren ontspringen aan een beenstuk door middel van een pees, maar zijn met elastische bindweefselvezels aan de huid gehecht.

Een voorbeeld van zo’n mimische spier is de jukbeenspier. Deze spier beweegt zich van de aanhechting naar de oorsprong. Sommige mimische spieren zijn zowel aan de oorsprong als aanhechting bevestigd aan de huid. Deze spieren noem je huidspieren. Een voorbeeld van een huidspier is de mondkringspier.

Doorsnede

Spiervormen

Er zijn verschillende spiervormen.

Deze spiervormen kun je onderverdelen in:

 het aantal spierhoofden: eenhoofdige en meerhoofdige spieren

 het aantal spierbuiken: eenbuikige en meerbuikige spieren

 het aantal pezen: eenpezige en meerpezige spieren

 de vorm: waaiervormige spieren, kringspieren en platte spieren

Veel mimische spieren zitten op meerdere plekken aan het bindweefsel van de huid vast. Daarom bestaan er zoveel verschillende gezichtsuitdrukkingen. Mimische spieren kunnen ook via peesbladen aan de schedel verbonden zijn. Een voorbeeld hiervan is de voorhoofdspier. Deze spier ontspringt aan het schedelpeesblad en zit vast aan de huid van de wenkbrauwen en aan de huid van de neuswortel.

LET OP! HOUD ER BIJ EEN

MASSAGE REKENING MEE

DAT MIMISCHE SPIEREN

DOOR HUN BEVESTIGING

KWETSBAARDER ZIJN DAN SKELETSPIEREN.

Mimische spieren bepalen je gezichtsuitdrukking

Eenhoofdige spieren

Kenmerken

 één oorsprongsplaats

 één aanhechtingsplaats

Voorbeelden

 bovenlipheffer

 slanke dijbeenspier

Meerhoofdige spieren

Kenmerken

 twee of meer oorsprongsplaatsen

 één aanhechtingsplaats

Voorbeelden

 tweehoofdige dijbeenspier

 vierhoofdige dijbeenspier

 tweehoofdige armspier

 driehoofdige armspier

 tweehoofdige kuitspier

Eenbuikige spieren

Kenmerken

 één spierbuik

 erg elastisch

Voorbeelden

 de meeste gezichtsspieren

 deltaspier

 tweehoofdige armspier

Meerbuikige spieren

Kenmerken

 twee of meer spierbuiken, gescheiden door peesstroken

 erg elastisch

Voorbeelden

 tweebuikige kaakspier

 rechte buikspier

Eenpezige spieren

Kenmerken

één aanhechtingsplaats

Voorbeelden

 grote jukbeenspier

 tweehoofdige armspier

 driehoofdige armspier

Meerpezige spieren

Kenmerken meerdere, van elkaar gescheiden aanhechtingsplaatsen

Voorbeelden

 bovenlip ­ en neusvleugelheffer

 schoudergedeelte van de monnikskapspier

 halfvliesachtige spier

Train je kennis over spiervormen met de online trainer. Snelcode 26088

Waaiervormige spieren

Kenmerken grote, waaiervormachtige oorsprongsplaats

Voorbeelden

 slaapkauwspier

 grote borstspier

 deltaspier

Kringspieren

Kenmerken

 liggen kringvormig om een opening

 zorgen dat de opening kan sluiten en openen door samentrekking of ontspanning

Voorbeelden

 oogkringspier

 mondkringspier

 anusspieren

Platte spieren

Kenmerken

 platte spierbuik

 lange oorsprong en aanhechting

Voorbeelden

 voorhoofdspier

 achterhoofdspier

 buikspieren

Spierwerking

Het kenmerk van spierweefsel is dat spiercellen kunnen samentrekken (spiercontractie). Spiercontractie wordt veroorzaakt doordat een zenuw een prikkel aan de spier afgeeft (spierinnervatie).

Het samentrekken verkort de spier of verhoogt de spanning van de spier (spiertonus). Dit brengt een spierbeweging teweeg.

In deze subparagraaf leer je meer over spierinnervatie, spiercontractie, spiertonus en spierbeweging.

Synergisten en antagonisten

Synergisten zijn spieren die elkaars werking ondersteunen: ze veroorzaken een beweging in dezelfde richting.

De slaapkauwspier en de wangkauwspier zijn voorbeelden van synergisten. Deze sluiten beide de onderkaak.

Antagonisten zijn spieren die elkaar tegenwerken. De biceps en de triceps in de bovenarm zijn antagonisten. De biceps buigt de arm en de triceps strekt de arm.

De biceps en triceps bewegen samen de arm.

Soorten spiercontracties

Spierinnervatie

Spieren zijn altijd verbonden met zenuwen. Het overbrengen van een prikkel van een zenuw naar een spier noem je spierinnervatie. Bij dwarsgestreepte willekeurige spieren is goed te zien hoe dit werkt. Het spierweefsel van deze spieren kan zich namelijk snel samentrekken. Dat gebeurt bijvoorbeeld als de spier een prikkel ontvangt.

De geprikkelde spier trekt zich dan samen (contraheert) en wordt korter. Zodra de prikkel stopt, verlengt de spier zich weer. Als je een spier te lang prikkelt, ontstaat er kramp. Wanneer het contact tussen een zenuwbaan en een spier onderbroken wordt, kan de zenuwbaan de prikkel

niet meer doorgeven. Je spreekt dan van verlamming. Verlamming kan onder andere optreden bij een wervelbreuk.

Spiercontracties

Als spieren samentrekken, spreek je van spiercontractie. Elektrische, chemische en mechanische prikkels kunnen een spier direct tot contractie prikkelen. Deze prikkels gebruik je in de schoonheidssalon bijvoorbeeld bij een massagebehandeling. Zo zorgen lange, langzame grepen voor ontspanning van spieren, terwijl stevige, dwarse, korte grepen zorgen voor samentrekkingen en een hogere spiertonus. Ook warmte en kou zorgen voor spanning of juist ontspanning. Hier zijn verschillende apparaten voor te gebruiken.

Er zijn verschillende soorten spiercontracties. Bij isometrische contractie levert de spier wel kracht, maar beweegt niet. Je noemt deze contractie daarom ook wel statische contractie. Tegen een dichte deur duwen om te voorkomen dat deze opengaat, is hier een voorbeeld van. Het tegenovergestelde van isometrische contractie is dynamische contractie

De spier zet dan kracht en wordt korter of langer. Bijvoorbeeld tijdens het trainen van de biceps. Als je een gewicht vanaf heuphoogte naar je borst haalt, worden de biceps korter (concentrische contractie). Laat je het gewicht weer zakken, dan worden de biceps langer (excentrische contractie).

Met stimulerende massages kun je de spiertonus verhogen

Spiertonus

De spiertonus is de basisspanning van de spier in rusttoestand. Deze basisspanning ontstaat doordat verschillende delen van de spier telkens samentrekken. Dit zorgt ervoor dat het skelet niet in elkaar zakt. De spiertonus wordt beïnvloed door het autonome (onwillekeurige) zenuwstelsel dat voortdurend prikkels naar de spieren stuurt. De spiertonus kan tijdelijk verlaagd of verhoogd zijn. Dit kan verschillende oorzaken hebben, zoals ziekte, spanningen of vermoeidheid.

Een hypertonische spier heeft een te hoge spier tonus. Deze spier is verkrampt en voelt hard aan. Een verhoogde spiertonus kan ontstaan door intensief spiergebruik of nervositeit. Hypertonische spieren hebben daarom baat bij warmte, massage en ontspanning. Lange, langzame massagegrepen zorgen ervoor dat je spieren ontspannen.

Is de spiertonus te laag, dan spreek je van een hypotonische spier. Deze spier is verslapt en voelt deegachtig aan. Een verlaagde spiertonus kan het gevolg zijn van onvoldoende spiergebruik, ziekte, ouderdom, slaaptekort of vermoeidheid. Door middel van stimulerende massages en lichaamsoefeningen kun je de spiertonus verhogen. Zo kun je met stevige, dwarse en korte massagegrepen zorgen voor samentrekkingen en een hogere spiertonus. Door deze grepen toe te passen, spannen je spieren zich aan.

Spierbeweging

Een spierbeweging noem je kinesis. Kinesiologie is de leer van de beweging. Door spieren goed te bewegen, kun je vergroeiingen, pijn en een slechte lichaamshouding voorkomen. Als je een spier een tijdje niet of nauwelijks gebruikt, neemt deze in omvang af. De spier wordt dan dunner en slapper en verschrompelt. Dit verschrompelen van de spier noem je spieratrofie. Spieratrofie kan ook het gevolg zijn van een lage spiertonus.

TIP IN HET HOOFDSTUK

LEES

JE MEER OVER DE WEG DIE EEN PRIKKEL AFLEGT.

Door spieren goed te bewegen, kun je een slechte lichaamshouding voorkomen.

Bewegingsvormen

Skeletspieren hebben verschillende bewegingsvormen. De bewegingsvormen zeggen iets over in welke richting het lichaamsdeel draait. Elke beweging heeft een tegenbeweging. De bewegingsvormen komen daarom altijd voor in paren.

Voor de bewegingsvormen gebruiken we de begrippen die in de tabel staan.

abduceren van het lichaam af voeren

adduceren naar het lichaam toe voeren

exoroteren het buitenwaarts draaien van een lichaamsdeel

endoroteren het binnenwaarts draaien van een lichaamsdeel

extenseren het strekken van een lichaamsdeel

flexeren het buigen van een lichaamsdeel

proneren de handpalm naar beneden draaien, waarbij de duim naar het lichaam wijst (speciale vorm van endorotatie)

supineren de handpalm naar boven draaien, waarbij de duim van het lichaam af wijst (speciale vorm van endorotatie)

Als je in beweging bent, gebruiken spieren meer energie.

Spierstofwisseling

Spieren verbruiken brandstof. Voor iedere contractie (spiersamentrekking) is brandstof nodig. De spiercellen verbruiken veel energie om het spierweefsel intact te houden en om bewegingen uit te kunnen voeren. Een spier in werking verbruikt ongeveer vijftien keer zo veel energie als een spier in rust.

Als je lichaam glucose niet direct nodig heeft als brandstof, wordt het met behulp van het hormoon insuline omgezet in glycogeen. In de spieren en in de lever slaat je lichaam dit op als reservevoorraad. Het lichaam kan de reservevoorraad glycogeen onder invloed van de hormonen glucagon en adrenaline weer omzetten in glucose. Dit gebeurt als er te weinig glucose in het bloed aanwezig is.

Test je kennis over spieren met de online boekcheck. Snelcode 27085

Hoor je graag een expert vertellen over spieren? Bekijk dan de online masterclass. Snelcode 21087

Een spier in werking verbruikt ongeveer vijftien keer zo veel energie als een spier in rust.

De koolhydraten uit voedsel dienen als brandstof voor je lichaam. In het spijsverteringsstelsel breken koolhydraten af tot glucose. Als je lichaam energie nodig heeft om te bewegen, wordt de glucose die in het bloed aanwezig is, verbonden met zuurstof. Daardoor komt energie vrij en ontstaan koolstofdioxide en water. Dit zijn afvalstoffen die via het bloed afgevoerd worden. Voor het vrijmaken van energie uit glucose is zuurstof nodig. Dit proces noem je het aeroob proces Als er te weinig zuurstof is, kan het vrijmaken van energie uit glucose ook zonder zuurstof plaatsvinden, bijvoorbeeld bij intensief spiergebruik. Je spreekt dan van een anaeroob proces. Bij dit proces ontstaat melkzuur dat als afvalstof via het bloed wordt afgevoerd. Een grote hoeveelheid melkzuur in de spieren veroorzaakt pijnlijke en vermoeide spieren (spierpijn).

Myogelosen

Myogelosen zijn verhardingen in het spierweefsel die ontstaan door een slechte doorbloeding. Hierdoor gaat de spierstofwisseling minder snel. Dit gebeurt bijvoorbeeld door ophoping van melkzuur, bij ongewone of grote inspanning of bij verkeerd spiergebruik. Myogelosen komen vooral voor op plaatsen waar de spier het slechtst doorbloed is, zoals de oorsprong en aanhechting. Tijdens een massage kun je myogelosen voelen. Ze hebben een korrelige structuur en kunnen pijn doen bij aanraking.

TIP

LEES IN HET HOOFDSTUK ‘HORMOONSTELSEL’ MEER OVER DE ALVLEESKLIER, INSULINE, GLUCAGON EN ADRENALINE.

3.2 Aangezicht

Aangezichtsspieren spelen een rol bij de gezichtsuitdrukking (mimiek) en bij het bewegen van de mond en de ogen. Je kunt ze onderverdelen in mimische spieren en skeletspieren van het gezicht.

Mimische spieren bepalen bijvoorbeeld of je boos, blij of verdrietig kijkt: ze zorgen voor je gezichtsuitdrukking (mimiek). Skeletspieren van het gezicht heb je nodig voor het kauwen.

Aangezichtsspieren zijn opgebouwd uit dwarsgestreepte (willekeurige) spieren, net als alle andere skeletspieren. Een gezichtsmassage heeft invloed op je spieren. Om deze massage goed te kunnen uitvoeren, moet je dus weten welke spieren er in het gezicht, de hals en het decolleté voorkomen.

Mimische spieren

Mimische spieren bepalen je gezichtsuitdrukking. Deze gezichtsuitdrukking noem je de mimiek. In de illustratie zie je welke spieren in het gezicht voorkomen en waar ze zitten.

Neusspier

Kleine jukbeenspier

Grote jukbeenspier

Bovenlipheffer

Mondhoekheffer Lachspier

Mondhoekomlaagtrekker

Onderlipomlaagtrekker

Voorhoofdsspier

Wenkbrauwrimpelaar

Slanke neusspier

Oogkringspier

Wangkauwspier

Trompetspier

Mondkringspier

Kinspier

Slaapkauwspier

Grote jukbeenspier

Mondkringspier Lachspier

Mondhoek omlaagtrekker

Borstbeen-sleutelbeentepelspier

Brede halsspier

Oorsprong, aanhechting, werking en verloop Mimische spieren hebben een verschillende oorsprong, aanhechting en werking. De oorsprong en aanhechting bepalen het verloop van de spier. In het overzicht hiernaast en op de volgende pagina’s lees je hier meer over.

Bij het samentrekken van mimische spieren beweegt de aanhechting in de richting van de oorsprong. De tekeningen geven de oorsprong aan met een open cirkel en de aanhechtingsplaats met een gesloten cirkel. De streepjes in de tekeningen geven het verloop van de spieren aan.

oorsprong aanhechting

Om een gezichtsmassage goed te kunnen uitvoeren, moet je weten welke spieren er in het gezicht, de hals en het decolleté voorkomen.

Voorhoofdspier

Musculus frontalis

Oorsprong aan het schedelpeesblad

Aanhechting aan de huid bij de wenkbrauwen en neuswortel

Werking

 trekt de wenkbrauwen omhoog

 veroorzaakt horizontale voorhoofdrimpels

Achterhoofdspier

Musculus occipitalis

Oorsprong aan het achterhoofdsbeen

Aanhechting aan het schedelpeesblad

Werking

 trekt het schedelpeesblad naar achteren

 strijkt rimpels glad

WIST JE DAT? DE ACHTERHOOFDSPIER IS BIJ DE MENS SLECHT

ONTWIKKELD: JE KUNT DEZE SPIER MOEILIJK IN BEWEGING BRENGEN.

Wenkbrauwrimpelaar

Musculus corrugator supercilii

Oorsprong aan het neusdeel van het voorhoofdsbeen

Aanhechting

aan de huid midden boven de wenkbrauwen

Werking

 trekt de wenkbrauwen naar binnen en omlaag

 veroorzaakt verticale voorhoofdsrimpels, vooral boven de neus

Slanke neusspier

Musculus procerus

Oorsprong aan het neusbeentje

Aanhechting

aan de huid tussen en boven de wenkbrauwen

Werking

trekt de huid boven de neuswortel omlaag waardoor een diepe plooi dwars over de neuswortel ontstaat

Oogkringspier

Musculus orbicularis oculi

Oorsprong aan het bot en het bindweefsel van de binnenooghoek

Aanhechting

 aan de zijkant aan de huid van de buitenooghoek

 aan de bovenkant aan de huid onder de wenkbrauwen

 aan de onderkant aan de huid van de wangen

Werking

 sluit de ogen

 door verslapping en intensief gebruik ontstaan fijne rimpeltjes rondom de ogen (kraaienpootjes)

Neusspier

Musculus nasalis

Oorsprong aan de bovenkaak boven de hoek­ en snijtanden

Aanhechting

 aan de huid en het kraakbeen van de neusrug

 aan de huid van de neusvleugels

Werking

 verwijdt de neusgaten

 trekt de neustop naar beneden

Bovenlip- en neusvleugelheffer

Musculus levator labii superioris alaeque nasi

Oorsprong aan de neusooghoek

Aanhechting

aan de huid van de neusvleugels en het buitenste deel van de bovenlip

Werking

 trekt de neusvleugels omhoog

 trekt de bovenlip omhoog

Bovenlipheffer

Musculus levator labii superioris

Oorsprong aan de oogkasrand, onder de oogkringspier

Aanhechting

aan de huid van het buitenste deel van de bovenlip

Werking

 trekt het buitenste gedeelte van de bovenlip omhoog

 door verslapping van de spier kan de neuslippenplooi dieper worden

Kleine jukbeenspier

Musculus zygomaticus minor

Oorsprong aan het jukbeen, onder de oogkringspier

Aanhechting

aan de huid van het buitenste deel van de bovenlip

Werking

trekt het buitenste gedeelte van de bovenlip omhoog

Grote jukbeenspier

Musculus zygomaticus major

Oorsprong aan het jukbeen, onder de oogkringspier

Aanhechting

aan de huid van de mondhoek

Werking

trekt de mondhoek naar boven en naar buiten

Mondhoekheffer

Musculus levator anguli oris

Oorsprong

aan het naar boven stekende deel van de bovenkaak, onder de oogholte

Aanhechting

aan de huid van de mondhoek

Werking

trekt de mondhoek naar boven

Lachspier

Musculus risorius

Oorsprong

aan de bindweefselvliezen van de oorspeekselklieren die in het wanggedeelte van de mondholte liggen

Aanhechting aan de mondhoek

Werking

 trekt de mondhoek opzij

 door volgroeiing met de wangenhuid ontstaan er kuiltjes in de wangen

Train je kennis over mimische spieren met de online trainer. Snelcode 26096

Mondhoekomlaagtrekker

Musculus depressor anguli oris

Oorsprong

 aan het middengedeelte van de onderkaakrand

 is deels een voortzetting van de brede halsspier

Aanhechting

 aan de mondhoek

 aan het buitenste deel van de bovenlip

Werking

 trekt de mondhoek naar beneden

 door verslapping van de spier in combinatie met huidverslapping kan de mondhoek gaan hangen

Onderlipomlaagtrekker

Musculus depressor labii inferioris

Oorsprong

 aan de rand van de onderkaak onder de mondhoekomlaagtrekker

 is deels een voortzetting van de brede halsspier

Aanhechting

aan de huid van de onderlip en de mondhoek

Werking trekt de onderlip en de mondhoek omlaag

Kinspier

Musculus mentalis

Oorsprong aan het kingedeelte van de onderkaak, onder de snijtanden

Aanhechting aan de huid van de kin

Werking

 trekt de kinhuid omhoog, waardoor je een pruillip krijgt

 door vergroeiingen van de linker­ en rechter kinspier met de vezels in de huid ontstaat het kuiltje in de kin

Trompetspier

Musculus buccinator

Oorsprong aan de bovenkaak en aan de onderkaak bij de kiezen

Aanhechting aan de mondkringspier, waar de twee spierbundels van de bovenkaak en de onderkaak elkaar bij de mondhoek kruisen

Werking

 trekt de wangenhuid tegen de kiezen aan

 trekt de mondhoeken opzij

 verslapping van deze spier in combinatie met huidverslapping veroorzaakt hangwangen

Mondkringspier

Musculus orbicularis oris

Oorsprong aan de mondhoek

Aanhechting aan de huid rondom de mond

Werking

 spitst en sluit de mond

 verslapping van deze spier in combinatie met huidverslapping veroorzaakt verticale rimpels rondom de mond

Brede halsspier

Platysma

Oorsprong aan het huidgebied tussen het sleutelbeen en de tweede rib, doorlopend tot de schoudertop

Aanhechting

 aan de huid van de kaakrand

 aan de onderkant van de wangen

Werking

 trekt de halshuid omhoog

 trekt de mondhoeken omlaag

 verslapping van deze spier in combinatie met huidverslapping veroorzaakt horizontale rimpels in de hals

Skeletspieren van het GEZICHT

Alle spieren die nodig zijn voor het kauwen noem je skeletspieren van het gezicht. Voor kauwen heb je veel spierkracht nodig. Daarom moeten de spieren die je daarvoor nodig hebt goed vastzitten. Kauwspieren trekken zich samen door een prikkel van de onderste tak van de drielingzenuw.

Skeletspieren van het gezicht hebben een verschillende oorsprong, aanhechting en werking. Wat ze met elkaar gemeen hebben, is dat ze zowel hun oorsprong als aanhechting aan een botdeel hebben. In het overzicht lees je meer over de verschillende skeletspieren. Ook hier geven de tekeningen de oorsprong met een open cirkel en de aanhechting met een gesloten cirkel aan. De streepjes geven het verloop van de spieren aan.

Alle

spieren die nodig zijn voor het kauwen noem je skeletspieren van het gezicht.

Wangkauwspier

Musculus masseter

Oorsprong aan de jukboog

Aanhechting

aan de buitenzijde van de onderkaak, bij de kaakhoek

Werking

 heft de onderkaak

 fungeert bij het kauwen als kaaksluiter

Slaapkauwspier

Musculus temporalis

Oorsprong waaiervormige oorsprong aan het zijvlak van het slaapbeen

Aanhechting

gaat onder de jukboog door naar het voorste uitsteeksel van de opstijgende tak van de onderkaak

Werking

 heft de onderkaak

 trekt de onderkaak iets naar achteren

 fungeert bij kauwen als kaaksluiter

Tweebuikige onderkaakspier

Musculus digastricus

Oorsprong

achterste spierbuik: aan het tepelvormige uitsteeksel van het slaapbeen

Aanhechting

voorste spierbuik: hecht aan het kingedeelte van de onderkaak, via het tongbeen

Werking

 voorste spierbuik: opent de onderkaak

 achterste spierbuik: trekt het tongbeen naar achteren

 antagonist van de slaapkauwspier en de wangspier, die de mond sluiten

Borstbeensleutelbeen-tepelspier

Musculus sternocleidomastoideus

Oorsprong aan het borstbeen en het sleutelbeen

Aanhechting

aan het tepelvormig uitsteeksel van het slaapbeen

Werking

 dubbelzijdige samentrekking: buigt het hoofd naar voren

 enkelzijdige samentrekking: draait het hoofd opzij (abductie)

 hulpspier bij inademing

Test je kennis over aangezichtsspieren met de online boekcheck. Snelcode 27094

3.3 Romp

De spieren in je romp zorgen voor stabiliteit in je lichaam. Ze zorgen dat je rechtop blijft staan en zijn bij elke beweging die je doet aangespannen. Daarnaast brengen ze kracht over van je bovenlichaam naar je onderlichaam en andersom. In de romp bevinden zich de volgende spiergroepen:

 borstspieren

 buikspieren

 rugspieren

De spieren in je romp zorgen dat je rechtop blijft staan en zijn bij elke beweging die je doet aangespannen.

Borstspieren

De spieren in de borst ondersteunen de ademhaling. Ze zorgen ervoor dat de borstkas op en neer beweegt tijdens de ademhaling. Onder de borstspieren vallen de volgende spieren:

 het middenrif

 de grote borstspier

 de kleine borstspier

Middenrif

Diafragma

Het middenrif scheidt de borstholte van de buikholte. Het is een koepelvormige spier. In het midden zit een peesblad, met openingen voor onder andere de slokdarm, de zwervende zenuw en de grote bloedvaten.

Oorsprong

 aan de achterkant van de lendenwervels

 aan de zijkant van de zes onderste ribben

 aan de voorkant van het zwaardvormig aanhangsel van het borstbeen

Aanhechting

aan het centrale peesblad in het midden van de spier

Werking

 wordt afgeplat bij inademing, waardoor de borstkas uitzet

 ontspant zich en wordt koepelvormig bij uitademing, waardoor de borstkas krimpt

Borstspieren zorgen
ervoor dat je borstkas op en neer beweegt tijdens de ademhaling.

Grote borstspier

Musculus pectoralis major

Van de borstspieren ligt de grote borstspier het dichtst onder de huid. De grote borstspier is waaiervormig en hoort bij de voorzijde van de oksel.

Oorsprong

 aan het middenuiteinde van het sleutelbeen

 aan het borstbeen

 aan het kraakbeen van de tweede tot de zesde rib

 aan de bindweefselomhulling van de rechte buikspier

Aanhechting aan de kam van de grote opperarmbeenknobbel

Werking

 helpt bij het heffen van de tweede tot de zesde rib tijdens de inademing

 voert de arm aan (adductie)

 draait de arm naar binnen (endorotatie)

Kleine borstspier

Musculus pectoralis minor

De kleine borstspier bestaat uit drie spierhoofden. De kleine borstspier ligt onder de grote borstspier.

De grote en kleine borstspier vormen samen de voorzijde van de oksel.

Oorsprong

aan de tweede tot de vijfde rib

Aanhechting

aan het ravenbekuitsteeksel van het schouderblad

Werking

 trekt vanaf de aanhechting het schouderblad naar voren en naar beneden

 werkt vanaf de oorsprong als hulpspier bij de inademing

Buikspieren

Rechte buikspier

Musculus rectus abdominis

De buikspieren zijn erg elastisch en beschermen de organen in de buikholte. De belangrijkste spieren in de buik zijn:

 de rechte buikspier

 de buitenste schuine buikspier

 de binnenste schuine buikspier

 de dwarse buikspier

Bij een goed getrainde rechte buikspier zorgen dwarslopende pezen voor een blokjesbuik.

De rechte buikspier loopt aan beide kanten van de buik. De spier heeft meerdere spierbuiken. Het verschilt per persoon of dat er vier of vijf zijn. De spierbuiken ontstaan doordat dwarslopende pezen het verloop van de spiervezels onderbreken. De dwarslopende pezen zorgen ervoor dat bij een goed getrainde rechte buikspier een ‘blokjesbuik’ ontstaat.

Vanaf het zwaardvormig aanhangsel scheidt een smal peesblad de rechte buikspier in twee delen. Dit peesblad heet de witte lijn (linea alba).

Oorsprong

 aan het kraakbeen van de vijfde tot zevende rib

 aan het zwaardvormig uitsteeksel van het borstbeen

Aanhechting aan het schaambeen Werking

 trekt de borstkas omlaag

 buigt de romp (flexie)

 heft het bekken omhoog als de borstkas niet kan bewegen

Buitenste schuine buikspier

Musculus obliquus externus abdominis

De buitenste schuine buikspier werkt nauw samen met de binnenste schuine buikspier. Samen draaien en buigen ze de wervelkolom.

Oorsprong

aan de onderrand van de vijfde tot de twaalfde rib

Aanhechting

 aan de witte lijn

 aan de bekkenkam

Werking

 buigt de wervelkolom voorover (flexie)

 draait de wervelkolom in beide richtingen (exorotatie en endorotatie)

Binnenste schuine buikspier

Musculus obliquus internus abdominis

De binnenste schuine buikspier werkt samen met de buitenste schuine buikspier bij het buigen en draaien van de wervelkolom.

Oorsprong

aan de bekkenkam

Aanhechting

aan de witte lijn

Werking

 buigt de wervelkolom voorover (flexie)

 draait de wervelkolom in beide richtingen (exorotatie en endorotatie)

Dwarse buikspier

Musculus transfersus abdominis

De dwarse buikspier ligt onderin de buik en drukt op de ingewanden in de buik.

Oorsprong

 aan de onderste ribben

 aan de bekkenkam

Aanhechting

aan de witte lijn

Werking

verkleint de buikholte voor de uitademing

De witte lijn is een peesblad dat de rechter buikspier vanaf het zwaardvormig aanhangsel in twee delen scheidt.

Rugspieren

De rugspieren vormen samen met de buikspieren de kernspieren van het lichaam. De rugspieren zitten om de wervelkolom heen. De belangrijkste spieren in de rug zijn:

 de monnikskapspier

 de brede rugspier

 de ruggenstrekkers

Ruggedeelte

Oorsprong

aan de doornuitsteeksels van de onderste borstwervels Aanhechting

aan de onderkant van de schouderbladkam

Werking trekt het schouderblad omlaag

Monnikskapspier

Musculus trapezius

De monnikskapspier bestaat uit drie delen: een hoofd­ en halsdeel, een schouderdeel en een rugdeel.

Hoofd- en halsdeel

Oorsprong

 aan de onderkant van de achterschedel

 aan de doornuitsteeksels van de bovenste halswervels

Aanhechting aan het buitenste uiteinde van het sleutelbeen

Werking

beweegt de schouderbladen naar binnen en omhoog

Schoudergedeelte

Oorsprong

aan de doornuitsteeksels van de onderste en bovenste halswervels Aanhechting

 aan de schouderbladkam

 aan de schoudertop

Werking trekt het schouderblad naar binnen en omhoog

Brede rugspier

Musculus latissimus dorsi

De brede rugspier ligt dicht onder de huid. Hij vormt de achterkant van de oksel.

Oorsprong

 aan de onderste vier ribben

 aan de doornuitsteeksels van de onderste borstwervels

 aan het lendenpeesblad

 aan de darmbeenkam

Aanhechting aan de kam van de kleine opperarmbeenknobbel

Werking

 brengt de armen naar achteren

 draait de armen naar binnen (endorotatie)

 brengt de armen naar het lichaam toe (adductie)

Ruggenstrekkers

Musculi erector spinae

De ruggenstrekkers liggen aan beide kanten van de wervelkolom, onder de brede rugspier.

Oorsprong

 aan het heiligbeen

 aan de bekkenrand

Aanhechting aan de doornuitsteeksels van alle wervels en ribben

Werking

 stabiliseert de romp

 strekt het lichaam (extensie)

 buigt het lichaam zijwaarts (flexie)

 draait de wervelkolom (exorotatie en endorotatie)

Train je kennis over rugspieren met de online trainer. Snelcode 26113

Test je kennis over de romp met de online boekcheck. Snelcode 27109

3.4 Bovenste extremiteit

De spieren in de schouder en arm worden samen de spieren van de bovenste extremiteit genoemd. Een extremiteit is een deel van het lichaam dat vastzit aan de romp.

Schouderspieren

De schouder verbindt de armen met de romp. De schouderspieren hebben allemaal een rol bij het bewegen van de armen. De schouderspieren bestaan uit de deltaspier en de voorste zaagspier.

De schouderspieren hebben allemaal een rol bij het bewegen van de armen.

Deltaspier

Musculus deltoideus

De deltaspier ligt dicht tegen de oppervlakte aan en is daarom goed zichtbaar op de bovenarm. De spier bestaat uit drie delen: het voorste, middelste en achterste gedeelte.

Oorsprong

 het voorste gedeelte ontspringt bij het sleutelbeen

 het middelste gedeelte bij het schouderdak

 het achterste gedeelte begint bij de achterzijde van de schouderbladkam Aanhechting halverwege het opperarmbeen aan de buitenzijde Werking

 het voorste gedeelte heft de arm naar voren en draait de arm naar binnen (endorotatie)

 het middelste gedeelte heft de arm naar buiten (abductie)

 het achterste gedeelte van de deltaspier heft de arm vanuit de gewrichten naar achteren

De drie gedeeltes samen zorgen ervoor dat je je arm zijwaarts van je lichaam af kunt bewegen.

Voorste zaagspier

Musculus serratus anterior

De voorste zaagspier ligt aan zowel de linker­ als de rechterzijde van het lichaam tussen de ribbenkast en het schouderblad. De spier zorgt ervoor dat de bovenarm makkelijk geheven kan worden. Je gebruikt de spier bijvoorbeeld als je een zwaar voorwerp vooruit duwt. De spier bestaat uit drie delen: het bovenste, middelste en onderste gedeelte.

Oorsprong aan de buitenzijde van de eerste tot de negende rib Aanhechting aan de binnenkant van het schouderblad

Werking trekt het onderste punt van het schouderblad naar voren, zodat de bovenarm makkelijker geheven kan worden

Armspieren

De armspieren kunnen veel verschillende bewegingen maken. Ze kunnen bijvoorbeeld naar voren en naar achter zwaaien, omhoog en voor de borst worden gehouden. De schouder is de basis van de arm. De meeste armspieren hebben daarom hun oorsprong aan de schouder. Sommige bovenarmspieren kunnen een aanhechtingsplaats aan de onderarm hebben. Deze aanhechting maakt de beweging van het ellebooggewricht mogelijk.

De armspieren bestaan uit de tweehoofdige armspier, driehoofdige armspier en de opperarmspaakbeenspier.

Tweehoofdige armspier (biceps)

Musculus biceps

De tweehoofdige armspier ligt aan de voorzijde van de bovenarm. De spier zorgt voor bewegingen in het schouderen ellebooggewricht en bestaat uit twee spierhoofden: een lang en een kort hoofd.

Oorsprong

 aan de bovenkant van de gewrichtskom van het schouderblad

 bij het ravenbekuitsteeksel

Aanhechting via een korte eindpees aan de spaakbeenknobbel

Werking

 buigt de elleboog in het ellebooggewricht (flexie)

 draait de arm en pols naar buiten (open draaien)

 heft de arm voorwaarts

Lange hoofd

Dit deel ontspringt aan het uitsteeksel net boven de kom van de schouder.

Korte hoofd

Dit deel ontspringt bij het ravenbekuitsteeksel van het schouderblad.

ARMSPIER WORDT OOK WEL DE SPIERBAL GENOEMD. JE ZIET DEZE

Buitenste hoofd

Dit deel ontspringt aan de buitenzijde van de achterzijde van het opperarmbeen.

Langste hoofd

Dit deel ontspringt aan de onderkant van de gewrichtskom aan de achterzijde van het schouderblad.

Binnenste hoofd

Dit deel ontspringt aan de binnenzijde van de achterzijde van het opperarmbeen.

Driehoofdige armspier/triceps

Musculus triceps

De driehoofdige armspier ligt aan de achterkant van de bovenarm en bestaat uit drie hoofden: het langste, binnenste en buitenste hoofd.

Oorsprong

 aan de achterzijde van het schouderblad, aan de onderkant van de gewrichtskom

 aan de buiten­ en binnenkant van de achterzijde van het opperarmbeen

Aanhechting

via een pees aan de elleboogpunt van de ellepijp

Werking

 strekt de elleboog (extensie)

 beweegt de arm naar achteren

 het langste hoofd beweegt de arm naar het lichaam toe

Opperarmspaakbeenspier

Musculus brachioradialis

De opperarm­spaakbeenspier bevindt zich aan de voorkant en buitenzijde van de onderarm, bij de elleboog.

Oorsprong

begint bij het opperarmbeen

Aanhechting

eindigt in de kop van het spaakbeen

Werking

 buigt de onderarm bij de elleboog (flexie)

 hulpspier bij het naar beneden draaien (supinatie) en naar boven draaien (pronatie) van de onderarm

Train je kennis over schouder- en armspieren met de online trainer. Snelcode 26100

Test je kennis over de bovenste extremiteit met de online boekcheck. Snelcode 27097

3.5

Onderste extremiteit

Alle spieren in de benen heten samen de spieren van de onderste extremiteit. De onderste extremiteit bestaat uit de heup­ en dijbeenspieren, de achterdijbeenspieren en de onderbeenspieren.

Grote aanvoerder van het dijbeen

Spanspier van de dijschede

Halfpeesachtige spier

Halfvliesachtige spier

Tweehoofdige dijbeenspier

Grote bilspier

Heup-lendenspier

Schaambeenkamspier

Lange aanvoerder van het dijbeen Kleermakerspier

Slanke dijbeenspier

Vierhoofdige dijbeenspier

Lange kuitbeenspier

Voorste scheenbeenspier

Tweehoofdige kuitspier

Korte kuitbeenspier

Dijbeenspieren

De dijbeenspieren zitten aan de voorkant en binnenkant van het bovenbeen.

Vierhoofdige dijbeenspier

Musculus quadriceps femoris

De vierhoofdige dijbeenspier heeft vier spierhoofden. De spier komt samen in één aanhechting.

Oorsprong

 aan de voorste, onderste darmbeendoorn

 aan de binnenkant van het dijbeen

 aan de buitenkant van het dijbeen

 aan de voorkant van het dijbeen

Aanhechting

aan de scheenbeenknobbel

Verloop

 De rechte kop loopt van de voorste onderste darmbeendoorn, over het heupgewricht en kniegewricht naar het scheenbeen.

 De andere koppen lopen vanaf hun oorsprong over het kniegewricht naar het scheenbeen.

Werking

 heft het bovenbeen vanuit het heupgewricht

 strekt het been in het kniegewricht (extensie)

Kleermakerspier

Musculus sartorius

De kleermakersspier zit aan de voorkant van het bovenbeen en loopt van buiten naar binnen.

Oorsprong

aan de voorste darmbeendoorn

Aanhechting

aan de binnenkant van het scheenbeen, naast de scheenbeenknobbel

Werking

 beweegt het been voorwaarts

 draait het been buitenwaarts in het heupgewricht (exorotatie)

 buigt de knie (flexie)

 draait het onderbeen in gebogen toestand naar binnen (endorotatie)

Spanspier van de dijschede

Musculus tensor fasciae latae

De spanspier van de dijschede zit aan de buitenkant van het bovenbeen en gaat halverwege over in een peesblad.

Het peesblad hecht net voorbij de knie aan.

Oorsprong

aan de voorste darmbeendoorn

Aanhechting

aan de bindweefselomhulling net boven de knie

Werking

 spant de dijschede aan

 voert het dijbeen af (abductie)

Slanke dijbeenspier

Musculus gracilis

De slanke dijbeenspier is een van de adductoren van het bovenbeen. Deze spier draait het bovenbeen naar binnen.

Oorsprong

aan de onderzijde van het schaambeen

Aanhechting

aan de bovenbinnenzijde van het scheenbeen, naast de scheenbeenknobbel

Werking

 voert het bovenbeen aan (adductie)

 buigt het been in het kniegewricht (flexie)

 draait het onderbeen naar binnen (endorotatie)

Schaambeenkamspier

Musculus pectineus

De schaambeenkamspier is, net als de slanke dijbeenspier, een adductor van het bovenbeen.

Oorsprong

aan de kam van het schaambeen

Aanhechting

aan de binnenzijde van het dijbeen

Werking

 voert het bovenbeen aan (adductie)

 is een hulpspier bij het buitenwaarts draaien van het bovenbeen in het heupgewricht (exorotatie)

 is een hulpspier bij het heffen van het bovenbeen

Lange aanvoerder van het dijbeen

Musculus adductor longus

De lange aanvoerder van het dijbeen is de middelste van de aanvoerders van het dijbeen.

Oorsprong

aan de voorzijde van het heupbeen

Aanhechting

aan de binnenzijde van het dijbeen

Werking

 voert het bovenbeen aan (adductie)

 draait het bovenbeen naar buiten (exorotatie)

Grote aanvoerder van het dijbeen

Musculus adductor magnus

De grote aanvoerder van het dijbeen is de grootste adductor van het dijbeen.

Deze spier is het grootste in oppervlakte en ligt onder de korte en lange aanvoerder van het dijbeen.

Oorsprong

aan de voorzijde van het heupbeen

Aanhechting

aan de binnenzijde van het dijbeen, over de gehele lengte van het dijbeen

Werking

 voert het bovenbeen aan (adductie)

 draait het bovenbeen naar buiten (exorotatie)

 heft het bovenbeen achterwaarts

 strekt het been in de heup (extensie)

Heup-lendenspier

Grote bilspier

Halfpeesachtige spier

Tweehoofdige dijbeenspier

Halfvliesachtige spier

Tweehoofdige kuitspier

Lange kuitbeenspier

Voorste scheenbeenspier

Korte kuitbeenspier

De achterdijbeenspieren worden samen de hamstring genoemd.

Achterdijbeenspieren

De achterdijbeenspieren worden samen de hamstring genoemd. De hamstring buigt de knie.

Halfvliesachtige spier

Musculus semimembranosus

De halfvliesachtige spier is een grote, vlezige spier. Deze spier ligt onder de halfpeesachtige spier en heeft twee eindpezen.

Oorsprong

aan achter­onderkant van de bil, aan de zitbeenknobbel

Aanhechting

aan de achterzijde van het scheenbeen

Werking

 strekt het heupgewricht (extensie)

 draait het heupgewricht naar binnen (endorotatie)

 voert het heupgewricht aan (adductie)

 buigt het kniegewricht (flexie)

 draait het kniegewricht naar binnen (endorotatie)

Halfpeesachtige spier

Musculus semitendinosus

De halfpeesachtige spier loopt boven de halfvliesachtige spier. Halverwege het bovenbeen gaat de spierbuik over in een eindpees.

Oorsprong

aan de achter­/onderkant van de bil, aan de zitbeenknobbel

Aanhechting

aan de binnen­/voorzijde van het scheenbeen

Werking

 buigt het onderbeen in het kniegewricht (flexie)

 draait bij een gebogen knie het onderbeen naar binnen (endorotatie)

 helpt het bovenbeen naar buiten te draaien (exorotatie)

 draait het heupgewricht naar binnen (endorotatie)

Tweehoofdige dijbeenspier

Musculus biceps femoris

De tweehoofdige dijbeenspier is de grootste spier van de hamstring.

De Latijnse naam biceps zegt het al: deze spier heeft twee spierhoofden.

Oorsprong

 aan het bekken

 aan de zitbeenknobbel

 aan de achterkant van het dijbeen

Aanhechting

aan het kuitbeenhoofd

Werking

 buigt het onderbeen in het kniegewricht (flexie)

 draait bij een gebogen knie het onderbeen naar buiten (exorotatie)

 helpt het bovenbeen naar buiten te draaien

Onderbeenspieren

Het onderbeen bestaat uit het scheenbeen en het kuitbeen.

Tweehoofdige kuitspier

Musculus gastrocnemius

De tweehoofdige kuitspier heeft twee spierkoppen met allebei een andere oorsprong.

Oorsprong

 de buitenste spierkop aan de buitenste dijbeenknobbel

 de binnenste spierkop aan de binnenste dijbeenknobbel

Aanhechting

aan de achterkant van het onderbeen

Werking

 buigt de knie naar achteren (flexie)

 buigt de voet naar de voetzool toe (flexie)

 draait de voet naar buiten (exorotatie)

Voorste scheenbeenspier

Musculus tibialis anterior

De voorste scheenbeenspier ligt aan de voorkant van het onderbeen.

Iets boven de enkel gaat de spier over in een lange pees.

Oorsprong

aan de bovenste helft van het scheenbeen, vlak onder de knie

Aanhechting aan de voetwortelbeentjes

Verloop

 van onder de knie tot aan de voetwortelbeentjes

 van de buitenzijde naar het midden van de voorkant van het onderbeen

Werking

zorgt voor het neerkomen van de voorkant van de voet tijdens het lopen

Lange kuitbeenspier

Musculus peroneus longus

De lange kuitbeenspier is de langste van de twee kuitbeenspieren (musculi peronei) die samenwerken om de voet

te laten strekken (extensie).

Oorsprong

aan het bovenste deel van de schacht van het kuitbeen

Aanhechting

aan het middenvoetsbeentje van de grote teen

Korte kuitbeenspier

Musculus peroneus brevis

De korte kuitbeenspier is de kortste van de twee kuitbeenspieren (musculi peronei) die samenwerken om de voet te laten strekken (extensie).

Oorsprong aan het lagere deel van het kuitbeen

Aanhechting aan het middenvoetsbeentje van de kleine teen

Heupspieren

De heupspieren hebben een belangrijke functie bij het lopen.

Grote bilspier

Musculus gluteus maximus

De grote bilspier geeft de bil de kenmerkende, ronde vorm.

Oorsprong

 aan de achterzijde van het darmbeen, aan het heiligbeen en aan het staartbeen

 aan de zitbeenknobbel

Aanhechting

aan de boven­/achterzijde van het dijbeen, onder de grote draaier

Werking

 strekt het dijbeen achterwaarts (extensie)

 draait het bovenbeen naar buiten (exorotatie)

Heup-lendenspier

Musculus iliopsoas

De heup­lendenspier is de belangrijkste spier voor het optillen van het bovenbeen. Deze spier bestaat uit twee spieren die met elkaar vergroeid zijn.

Oorsprong

 aan de twaalfde borstwervel en de vierde lendenwervel

 aan de bekkenkam

Aanhechting

aan het kleine uitsteeksel van het bovenbeen

Werking

 buigt de heup (flexie)

 draait het bovenbeen naar buiten (endorotatie)

 draait de heup naar buiten (exorotatie)

 roteert het bekken naar boven

Train je kennis over boven- en onderbeenspieren met de online trainer. Snelcode 26106

Test je kennis over de onderste extremiteit met de online boekcheck. Snelcode 27103

4.Huid

IN DIT HOOFDSTUK

4.1

Zintuigelijke en communicatieve functie 106 Aanmaak vitamine D 107

Beauty Level Online

Huidlagen 20013

Functies en aspecten van de huid 20014

Huidtypen, huidcondities en invloeden 20015

Aanhangsels van de huid 20016

Als schoonheidsspecialist verzorg je de huid van cliënten. Kennis van de huid is daarom onmisbaar in het vak. Als je weet hoe de huid is opgebouwd, kun je deze nog beter behandelen. In dit hoofdstuk leer je uit welke lagen de huid bestaat en welke functies de huid heeft. Ook zitten er in de huid talg- en zweetklieren en groeien er nagels en haren uit de huid. Dit komt ook in dit hoofdstuk aan bod.

4.1

Huidlagen

De huid (cutis) bestaat uit drie huidlagen met verschillende eigenschappen. Van buiten naar binnen onderscheiden we: de opperhuid, lederhuid en onderhuid.

WIST JE DAT?

DE OPPERHUID IS SLECHTS 0,05 TOT 0,1 MM DIK EN IS DAARMEE DE DUNSTE HUIDLAAG.

Opperhuid

De buitenste laag is de opperhuid (epidermis). Dankzij verhoorning en pigmentatie beschermt de opperhuid ons tegen ziekteverwekkers, schadelijke stoffen en uv­straling. Ook kan de opperhuid bepaalde stoffen opnemen. Over deze functies van de opperhuid lees je meer verderop in de paragraaf.

De opperhuid bestaat uit meerlagig epitheelweefsel en bevat geen zenuwen, bloed­ en lymfevaten of klieren. De opperhuid is van binnen naar buiten opgebouwd uit de volgende lagen (zie hiernaast).

Doorsnede huid
Opperhuid
Lederhuid
Onderhuid

1

Basaalcellenlaag

Stratum cylindricum

De basaalcellenlaag ligt tegen de lederhuid aan en bestaat uit eenlagig cilindrisch epitheel. Deze laag is verantwoordelijk voor de aanmaak van nieuwe huidcellen en voor pigmentvorming. De basaalcellenlaag bevat namelijk snel delende huidcellen (basaalcellen) en pigmentcellen (melanocyten).

2 Stekelcellenlaag

Stratum spinosum

De stekelcellenlaag bestaat uit kubisch epitheel. De huidcellen hebben stekelvormige uitlopers die bruggetjes vormen naar de andere cellen in de stekelcellenlaag. Zo houden de stekels alle cellen stevig bij elkaar. In de stekelcellenlaag vindt ook celdeling plaats, maar bij volwassenen alleen bij huidbeschadiging.

3 Korrellaag

Stratum granulosum

De korrellaag bestaat uit plaveiselepitheel. Deze laag dankt de naam aan de keratohyalinekorreltjes die in de huidlaag zitten. Keratohyaline is een voorloper van hoornstof (keratine). In de korrellaag beginnen huidcellen af te sterven.

4 Doorschijnende laag

Stratum lucidum

De doorschijnende laag bestaat ook uit plaveiselepitheel. In deze laag wordt keratohyaline omgezet in eleïdine, een tussenvorm van keratine. Omdat eleïdine kleurloos is, worden de huidcellen doorschijnend. In de doorschijnende laag verliezen huidcellen hun kern en sterven ze af.

5 Hoornlaag

Stratum corneum

De hoornlaag bevindt zich aan de oppervlakte van de huid en bestaat uit plaveiselepitheel. Zoals de naam al zegt, is deze laag verhoornd: de laag is opgebouwd uit afgestorven huidcellen en hoornstof (keratine). Een ‘cement’ van vetachtige stoffen, de kitsubstantie, houdt de cellen bijeen.

WIST JE DAT?

Doorsnede opperhuid

Levende en dode cellagen

Je kunt de opperhuidlagen onderverdelen in levende en dode cellagen. De binnenste twee cellagen (de basaal­ en stekelcellenlaag) zijn levend: hier delen de huidcellen zich. Deze lagen worden samen ook wel kiemlaag of laag van Malpighi genoemd. In de buitenste drie cellagen (de korrellaag, doorschijnende laag en hoornlaag) sterven huidcellen af en verhoornen ze. Deze drie lagen noem je daarom dode cellagen.

De levende en dode cellagen verschillen op een aantal punten van elkaar:

Levende cellagen Dode cellagen

bevatten ongeveer 70% water bevatten maximaal 10% water

wel celdeling geen celdeling vetachtige stoffen in de cel vetachtige stoffen buiten de cel

De hoornlaag hydrateren

Dode cellagen bevatten veel minder water (maximaal 10%) dan levende cellagen (ongeveer 70%). Dit geldt met name voor de hoornlaag omdat die het meest oppervlakkig is. Door de huid met hydraterende producten te behandelen, houd je het vochtgehalte in de hoornlaag op peil.

Verhoorningsproces

In de binnenste opperhuidlagen, de basaal­ en stekelcellenlaag, ontstaan nieuwe cellen door celdeling. Door de constante aanmaak van nieuwe cellen worden huidcellen naar de bovenliggende opperhuidlagen geduwd. Daardoor komen de cellen steeds verder af te liggen van de bloedvaten in de lederhuid; de aanvoer van voedsel en zuurstof vermindert en de cellen sterven af. De cellen verliezen hun celkern en worden steeds platter. Uiteindelijk belanden ze als dood celmateriaal verschilferd aan de oppervlakte, in de hoornlaag. Dit proces duurt ongeveer dertig dagen en noem je het verhoorningsproces

WIST JE DAT?

DE OPPERHUID IS NIET

OVERAL EVEN DIK. DE HOORNLAAG IS OP JE VOETZOLEN DIKKER DAN OP JE OOGLEDEN.

Door het verhoorningsproces veranderen huidcellen in hoorncellen. Hoorncellen vormen samen met de huidvetten eromheen de huidbarrière: een soort filter die alleen bepaalde stoffen doorlaat. De huidbarrière laat de volgende stoffen door:

 straling, zoals uv ­ stralen en infraroodstralen

 gassen, zoals koolzuurgas en zuurstofgas

 lipoïden (vetten)

 stoffen die in vetten oplosbaar zijn, zoals vitamine A, D, E en K

De huidbarrière wordt gevormd door de dode cellagen en beschermt de onderliggende levende huidlagen.

WIST JE DAT?

DE OPPERHUID LAAT GEEN WATER DOOR. GELUKKIG MAAR, ANDERS ZOU JE OPZWELLEN TIJDENS HET ZWEMMEN.

Een verdikte hoornlaag (eelt) op de voetzolen

Melanine

Melanosomen

Melanocyten

Basaalcellenlaag

Pigmentatieproces

Naast het verhoorningsproces speelt zich in de opperhuid het pigmentatieproces af. Hierbij ontstaat melanine (pigment). Pigment voorkomt dat ultraviolette straling uit zonlicht (uv A­ en uv B­straling) te diep doordringt in het weefsel. Het beschermt dus de cellen in de diepere huidlagen.

In de basaalcellenlaag bevinden zich pigmentvormende cellen: melanocyten. In melanocyten zit een ongekleurd eiwit, melanogeen. Omdat melanogeen de voorloper van melanine is, noem je het ook wel propigment.

Zodra uv­stralen een melanocyt bereiken, zet een enzym de kleurloze melanogeen om in de gekleurde melanine. Deze wordt in kleine celpakketjes (melanosomen) doorgegeven aan de bovenliggende huidlagen. Daar wordt de melanine afgegeven aan de huidcellen, waar de melanine uv­stralen blokkeert.

Donkere en lichte huid

Iedereen heeft evenveel melanocyten. Wat wel per persoon verschilt, is het vermogen om van melanocyten melanine te maken: een donkere huid maakt meer melanine aan dan een lichte huid.

Een ander verschil is de afgifte van melanine door de celpakketjes. In een donkere huid verspreidt de melanine zich gelijkmatiger over de huidcellen dan in een lichte huid.

De hoornlaag helpt ook een handje mee met de uv­bescherming. Onder invloed van de zon verdikt de hoornlaag zich, zodat de uv A­ en uv B­stralen moeilijker kunnen doordringen. Melanine en een dikkere hoornlaag vormen zo samen een pantser tegen uv­stralen.

Een donkere huid maakt meer melanine aan dan een lichte huid.
Pigmentatieproces bij de donkere en lichte huid

Opnamevermogen

De opperhuid is in staat om bepaalde stoffen op te nemen. De vakterm hiervoor is transcutane resorptie. ‘Trans’ betekent door, ‘cutus’ betekent huid en ‘resorptie’ betekent het opnemen van stoffen.

Er zijn twee soorten transcutane resorptie: transepidermale resorptie en transfolliculaire resorptie. Bij transepidermale resorptie neemt de huid stoffen op via het hele huidoppervlak. Hierbij passeren de stoffen de verhoornde opperhuid. Bij transfolliculaire resorptie neemt de huid stoffen op via afvoerbuisjes van klieren en haarfollikels (haarzakjes).

Het resorptievermogen van de huid hangt af van de hoornlaagdikte, huidtemperatuur en stofstructuur. Hoe dunner de hoornlaag, hoe makkelijker de stofopname. En hoe warmer de huid – dus hoe beter de doorbloeding – hoe beter stoffen worden opgenomen. Tenslotte neemt de huid stoffen met fijne molecuulstructuren beter op dan stoffen met grove molecuulstructuren.

Lederhuid

De lederhuid (dermis/corium) is de middelste huidlaag, tussen de opperhuid en de onderhuid. De huid dankt haar stevigheid aan de lederhuid. In deze laag liggen:

 bloedvaten die de opperhuid van voedingsstoffen voorzien en de lichaamstemperatuur regelen;

 lymfevaten die afvalstoffen en ziekteverwekkers opruimen;

 receptoren en zenuwen die de zintuigelijke functie van de huid vervullen;

 zweet­ en talgklieren.

De functies van de bloed­ en lymfevaten en de tastlichaampjes en zenuwen worden verderop in deze paragraaf toegelicht. Over zweet­ en talgklieren lees je meer in paragraaf 4.7 Klieren.

Opbouw van de lederhuid

De naam lederhuid verwijst naar leder (leer): net als leer is de lederhuid stevig maar ook soepel. Dat komt doordat de lederhuid uit dicht bindweefsel bestaat.

TIP

WETEN HOE DICHT BINDWEEFSEL IS OPGEBOUWD? LEES HET HOOFDSTUK ‘CELLEN EN WEEFSELS’.

Een hoop informatie over zo’n dun laagje huid. Wil je het nog eens uitgelegd krijgen? Bekijk dan de online masterclass over de opperhuid.

Snelcode 21134

De lederhuid bestaat uit twee lagen: de papillenlaag en de netlaag. Deze lagen worden van de opperhuid gescheiden door een basaal membraan.

Cellen in de lederhuid

 Fibroblasten maken onder andere collagene, elastische en reticulinevezels aan die voor stevigheid en elasticiteit zorgen.

 Mestcellen maken weefselenzymen en ­ hormonen aan die onmisbaar zijn in huidprocessen zoals reparatie.

 Histiocyten (macrofagen) vernietigen bacteriën en andere ziektekiemen.

Fibroblasten

Basaal membraan

Membrana basalis

Het basale membraan is een soort uitwisselingsstation tussen de leder­ en de opperhuid. Bloedvaatjes in de papillenlaag (lederhuid) geven via het basale membraan voedingsstoffen af aan de basaalcellenlaag (opperhuid). De basaalcellen hebben de voeding nodig om zich te delen.

Papillenlaag

Stratum papillare

De papillenlaag ligt direct onder de opperhuid en bestaat uit uitstulpingen (papillen) die de opperhuid binnendringen, de zogenaamde corium­ of dermispapillen. In de papillenlaag zitten bloedvaten. Die voorzien de basaalcellen in de opperhuid van voedingsstoffen die nodig zijn voor celdeling. Daarnaast bevat de papillenlaag veel receptoren die prikkels zoals aanraking en kou opvangen.

Netlaag

Stratum reticulare

De netlaag is het dikste deel van de lederhuid. In de netlaag bevinden zich bloed­ en lymfevaten, zenuwen en zweet­ en talgklieren. Ook bevat de netlaag vezels die ervoor zorgen dat de huid soepel, rekbaar en stevig is.

AAN DE HUIDOPPERVLAKTE. DEZE NOEM JE OOK WEL CUTISLIJSTEN OF HUIDLIJSTEN.

Splijtrichting

De vezelstructuren in de netlaag zijn belangrijk voor een cosmetisch chirurg. Als een chirurg een insnijding (een incisie) moet maken, kijkt hij/zij altijd naar de lengterichting van deze vezels. Deze lengterichting noem je ook wel splijtrichting. Een chirurg zal het liefste in de lengterichting snijden omdat dwarse sneden sneller littekens veroorzaken.

doorsnede van de huid
De dermispapillen van de papillenlaag dringen de bovenliggende opperhuid binnen.

Bloed- en lymfevaten

De bloed­ en lymfevaten liggen verspreid door de lederhuid en lopen door de papillen­ en netlaag heen. Hoe dieper deze vaten in de lederhuid liggen, hoe groter ze zijn.

De bloedvaten voorzien de opperhuid van zuurstof en voedingsstoffen en voeren afvalstoffen af. Daarnaast regelen de bloedvaten de lichaamstemperatuur. Bij kou trekken de bloedvaten samen zodat het bloed zo min mogelijk warmte kwijtraakt aan de omgeving. Bij warmte verwijden de bloedvaten zodat het bloed warmte kan afgeven aan de omgeving.

De lymfevaten voeren ook afvalstoffen af en spelen een belangrijke rol in het afweersysteem. In lymfe zitten namelijk lymfocyten (een type witte bloedcellen) die ziekteverwekkers vernietigen.

Receptoren en zenuwen

De huid is het gevoelszintuig. Met de receptoren en zenuwen in de lederhuid neem je sensaties waar. Denk aan aanrakingen, lichte druk en pijn en aan veranderingen in temperatuur. In het vakjargon noem je dit de sensorische functie van de lederhuid.

Receptoren kunnen bepaalde prikkels ontvangen en doorgeven. Je kunt een receptor vergelijken met een sleutelgat: er past maar één sleutel op. Een pijnreceptor bijvoorbeeld, kan alleen pijnprikkels ontvangen. Receptoren bevinden zich aan het einde van een zenuw.

Wanneer een receptor een prikkel ontvangt, geeft het de prikkel door aan de zenuw. Die stuurt het signaal vervolgens door naar de hersenen. Doordat de prikkel je hersenen bereikt, neem je de sensatie waar.

De hersenen kunnen besluiten om op een prikkel te reageren door een motorische prikkel af te geven. Zo’n motorische prikkel kan bijvoorbeeld de zweetklieren activeren (bij warmte) of de bloedvaten vernauwen (bij kou).

Er zijn verschillende receptoren in de lederhuid. De meeste zijn tastlichaampjes: kleine communicatieorgaantjes die aan het einde van gevoelszenuwen liggen.

Soort prikkel Type receptor Ligging

kou

WIST JE DAT?

HISTIOCYTEN EN LYMFOCYTEN VERNIETIGEN ZIEKTEKIEMEN DOOR ZE OP TE SLOKKEN. DIT NOEM JE FAGOCYTOSE. MEER HIEROVER LEES JE IN HET HOOFDSTUK ‘BLOED EN LYMFEVATENSTELSEL’.

tastlichaampje van Krause papillenlaag

warmte tastlichaampje van Ruffini netlaag

lichte aanraking en zachte druk

zwaardere druk

tastlichaampje van Merkelgrensgebied opperhuid en papillenlaag

tastlichaampje van Vater­Pacini grensgebied opperhuid en papillenlaag onderhuid

tast tastlichaampje van Meissnergrensgebied opperhuid en papillenlaag pijn pijnreceptor in de vrije zenuwuiteinden die in de opperhuid liggen

De huid neemt via tastlichaampjes aanrakingen waar.

Onderhuid

De onderhuid (subcutis) is de onderste huidlaag. Deze is voor het grootste deel opgebouwd uit losmazig bindweefsel: het bestaat uit losse in elkaar verweven vezels. In de mazen tussen deze vezels liggen vetcellen.

Het vet in de onderhuid heeft een aantal belangrijke lichaamsfuncties:

 Bescherming: de vetlaag vormt een soort stootkussen voor de onderliggende organen.

 Lichaamsvorm: de hoeveelheid vet bepaalt je onderhuiddikte en daarmee je lichaamsvorm.

 Reservevoorraad: het opgeslagen vet kun je verbranden wanneer je te weinig voeding binnen hebt gekregen.

 Temperatuurregulatie: vet vormt een isolerende laag die je beschermt tegen kou.

De vetcellen in de onderhuid zijn in staat om vet op te nemen. Hoe meer vet de vetcellen opnemen, hoe dikker de onderhuid wordt. Je maakt tot aan de puberteit vetcellen aan. Deze raak je daarna nooit meer kwijt. Het volume, dus de inhoud van de vetcellen, kan wel toe­ of afnemen.

Benieuwd of je de paragraaf begrepen hebt? Doe de online boekcheck.

Snelcode 27132

Of train je kennis over de huidlagen met de online trainer.

Snelcode 26138

Afvallen

Je gaat pas vet verbranden als alle andere energiebronnen in je lichaam, zoals koolhydraten en eiwitten, zijn verbruikt. Omdat dit bij de meeste mensen niet vaak voorkomt, is het moeilijk om op bepaalde plaatsen vet te verliezen en af te vallen.

WIST JE DAT? VETOPNAME

VERSCHILT PER PERSOON EN LICHAAMS DEEL. BIJ VROUWEN ZIT VET

VOORAL OP BOVENBENEN EN BILLEN, BIJ MANNEN OP DE BUIK.

4.2 Functies van de huid

Als je opsomt welke functies de huid heeft, kom je op een lange lijst uit. De belangrijkste functies zijn:

 lichaamsbescherming

 warmteregulatie

 ontvangen en doorgeven van prikkels (zintuigelijke en communicatieve functie)

 aanmaak van vitamine D

 opname en opslag van stoffen

 productie van weefselhormonen

In deze paragraaf worden deze functies toegelicht.

Graadmeter gezondheid

De huid geeft je ook aanwijzingen over je gezondheid. Ben je gezond, dan heb je meestal een glanzende en goed doorbloede huid. Ben je ziek, dan is je huid mat en bleek. Je ziet bijvoorbeeld bleek bij bloedarmoede doordat er te weinig zuurstof in het bloed zit.

Lichaamsbescherming

De huid beschermt de onderliggende organen tegen verschillende invloeden van buitenaf. Hier gebruikt de huid twee beschermingsmechanismen voor: de huidbarrière en de zuurmantel.

Huidbarrière

De verhoornde huidcellen en de huidvetten in de opperhuid vormen samen de huidbarrière. Dit is een soort filter die alleen bepaalde stoffen doorlaat, zoals gassen en vetten. De huidbarrière houdt water en veel schadelijke stoffen tegen.

Zuurmantel

De zuurmantel ligt als een beschermende emulsie op het huidoppervlak en wordt ook wel huidemulsie genoemd. De zuurmantel bestaat uit talg, zweet en stoffen die tijdens het verhoorningsproces ontstaan. Deze stoffen zijn hydrofiel (vochtopnemend) en hygroscopisch (vochtaantrekkend) en houden dus vocht vast.

De huid heeft een zuurgraad tussen 4,5 en 5,5 en is dus licht zuur. Ziekteverwekkers houden niet van een zure omgeving. Daarom biedt de zuurmantel bescherming tegen ziekteverwekkers. Dit noem je immunologische bescherming Daarnaast geeft het zure laagje de huidvriendelijke micro­organismen (de huidflora) een fijn thuis.

Wassen met water en het gebruik van zeep tasten de pH­waarde van de zuurmantel aan. Water en zeep verhogen namelijk de pH­waarde en maken de zuurmantel basisch (pH­waarde boven de 7).

Daardoor neemt de immunologische bescherming tegen ziektekiemen af.

WIST JE DAT? NA HET DOUCHEN DUURT HET 2,5 UUR TOT DE ZUURMANTEL WEER HERSTELD IS.

Waar beschermt de huid tegen?

Dankzij de huidbarrière en de zuurmantel is de huid in staat om allerlei invloeden van buitenaf te weren. En ook andere onderdelen van de huid helpen mee. In de tabel lees je waar de huid je tegen beschermt.

Invloed Bescherming

chemische stoffen  Door de hoornlaag en zuurmantel dringen chemische stoffen niet of moeilijk binnen.

elektriciteit  De hoornlaag is vochtarm en daardoor een slechte geleider voor elektrische stroom.

uitdroging en vochtverdamping  De hydrofiele en hygroscopische zuurmantelstoffen beschermen tegen vochtverlies.

warme weersinvloeden  De bloedvaatjes in de lederhuid verwijden zodat lichaamswarmte kan worden afgegeven.

 De zweetklieren in de lederhuid produceren meer zweet dat verdampt. Verdampt zweet onttrekt warmte aan het lichaam.

koude weersinvloeden  De bloedvaatjes in de lederhuid vernauwen zodat lichaamswarmte wordt vastgehouden.

 De zweetklieren in de lederhuid produceren minder of geen zweet, zodat het zweet minder warmte aan het lichaam onttrekt.

 De vetlaag in de onderhuid beschermt tegen afkoeling.

ultraviolette stralen (uv A­ en uv B­stralen)

 De melanocyten in de opperhuid vormen melanine (pigment) die uv ­ stralen blokkeren.

 De hoornlaag verdikt waardoor uv ­ stralen er moeilijker doorheen komen.

Warmteregulatie

Bij de stofwisseling van lichaamscellen komt warmte vrij. Hoe actiever het lichaam is, hoe hoger de celverbranding en hoe meer warmte er vrijkomt. Deze warmte wordt voor het grootste gedeelte afgegeven aan het bloed. Het bloed geeft de warmte vervolgens af aan de huid en zo aan de omgeving. Het lichaam kan de warmte ook vasthouden. Dit gebeurt wanneer het lichaam te veel dreigt af te koelen doordat je bijvoorbeeld buiten loopt in de kou. Zo blijft de lichaamstemperatuur zo constant mogelijk (tussen de 36,5 en 37,5 °C). Dit noem je warmteregulatie.

ziekmakende micro­organismen (bacteriën, schimmels en gisten)

 De hoornlaag, zuurmantel en huidflora vormen een pantser tegen ziektekiemen.

 Bloed en lymfe in de lederhuid bestrijden de ziekteverwekkers die alsnog door de opperhuid komen.

WIST JE DAT? DE BESCHERMING TEGEN

UV­ STRALEN VERLOOPT LANGZAAM. DAAROM MOET DE HUID LANGZAAM WENNEN AAN HET ZONLICHT.

De huid helpt het lichaam bij het afgeven en vasthouden van warmte. Hoe gaat deze warmteregulatie in zijn werk?

1 Tastlichaampjes voor warmte (van Ruffini) en kou (van Krause) registreren de temperatuur en geven die door aan de hersenen.

2 De hersenen ontvangen het signaal en sturen vervolgens een motorische prikkel naar de kleine bloedvaatjes, zweetklieren en/of haarspiertjes in de huid.

a Als de lichaamstemperatuur dreigt te stijgen, verwijden de bloedvaatjes zodat ze warmte afgeven aan de huid. Daarnaast worden de zweetklieren geactiveerd. Het zweet verdampt op de huid, waardoor het warmte aan het lichaam onttrekt.

b Als het lichaam dreigt af te koelen, trekken de bloedvaatjes juist samen en produceren de zweetklieren minder zweet. De haarspiertjes trekken de huidhaartjes overeind: er ontstaat kippenvel. De lucht tussen de rechtopstaande haartjes vormt een extra isolatielaag.

WIST JE DAT?

ALS EEN MOTORISCHE

PRIKKEL BLOEDVATEN

VERNAUWT OF VERWIJDT, SPREEK JE VAN EEN

VASOMOTORISCHE PRIKKEL.

WIST JE DAT?

ZWEETKLIEREN

SCHEIDEN AFVALSTOFFEN

UIT. JE NOEMT DE HUID

DAAROM EEN UITSCHEIDINGSORGAAN.

Zintuigelijke en communicatieve functie

Van druk, tast en pijn tot temperatuursveranderingen: dankzij de huid als gevoelszintuig neem je deze sensaties allemaal waar. Je huid ontvangt deze prikkels en geeft ze door aan de hersenen, zodat die erop kunnen reageren. De huid vervult op deze manier een zintuigelijke of sensorische functie. Ook is de huid hiermee een communicatieorgaan voor de zenuwen en hersenen.

De huid voert deze functies uit met behulp van receptoren in de lederhuid. De receptoren ontvangen prikkels zoals warmte, kou (door thermoreceptoren) of druk en tast (door mechanoreceptoren).

Vervolgens geven deze een signaal door aan een gevoelszenuw. De zenuw geleidt het signaal naar de hersenen, waardoor je de sensatie waarneemt. De hersenen kunnen vervolgens besluiten te reageren door een motorische prikkel af te geven. Zo’n motorische prikkel activeert bijvoorbeeld de kleine bloedvaatjes of zweetklieren in de huid (zie het kopje ‘Warmteregulatie’).

Aanmaak vitamine D

Onder invloed van de ultraviolette straling uit zonlicht (uv B­stralen) maakt je huid vitamine D aan. De uv­stralen zetten een voorloper van vitamine D, ergosterol (ook wel provitamine D of dehydrocholesterol), om naar vitamine D. Vitamine D zorgt ervoor dat je calcium uit voeding opneemt en is daarom belangrijk voor de botopbouw.

Opname van stoffen

De huid is in staat om bepaalde stoffen op te nemen. De huidbarrière laat namelijk bepaalde stoffen wel door en andere niet. Lipoïden (vetten) en stoffen die in lipoïden oplosbaar zijn, worden bijvoorbeeld wél opgenomen. Voorbeelden van in vet oplosbare stoffen zijn de vitaminen A, D, E en K. Deze vitaminen zie je terug in huidproducten, zoals vitamine A (retinol) tegen huidveroudering en vitamine E voor herstel van de huid.

TIP

LEES MEER OVER HET OPNAMEVERMOGEN

VAN DE HUID IN PARAGRAAF 4.1 ‘HUIDLAGEN’, SUBPARAGRAAF ‘OPPERHUID’.

Productie van weefselhormonen

Wanneer je de zenuwen in de huid prikkelt, produceert de huid weefselhormonen. Histamine en acetylcholine zijn de weefselhormonen van de huid.

Als de huid door bijvoorbeeld zonnebrand of huidbeschadiging geprikkeld wordt, maken de mestcellen in de lederhuid histamine aan. Histamine zorgt voor verwijding van de kleine slagaders. Door deze verwijding neemt de doorbloeding van de geprikkelde huid plaatselijk toe.

Daardoor maakt het meer uitwisseling mogelijk van afval­ en voedingsstoffen. Zo wordt het genezingsproces bevorderd en kan de beschadigde huid sneller herstellen.

Als je de huid van een cliënt masseert, zie je dat de huid rood wordt zonder dat er sprake is van irritatie. Deze egale rode kleur ontstaat doordat de huid beter doorbloed raakt, maar ook doordat het weefselhormoon acetylcholine vrijkomt. Massagegrepen prikkelen namelijk de motorische eindplaatjes in de huid. Door deze prikkeling wordt acetylcholine aangemaakt. Dit hormoon verwijdt

de bloedvaten, waardoor voedingsstoffen de huidcellen beter bereiken en afvalstoffen beter worden afgevoerd.

Histamine en allergieën

Histamine wordt ook bij veel allergische reacties aangemaakt. Om allergische reacties te verminderen, schrijven artsen daarom vaak medicijnen voor die de aanmaak van histamine remmen. Zulke medicijnen heten antihistaminica

Train je kennis over de functies van de huid met de online trainer.

Snelcode 26128

TIP

WAT ZIJN MOTORISCHE EINDPLAATJES OOK ALWEER? LEES HET IN HET HOOFDSTUK ‘CELLEN EN WEEFSELS’.

4.3

Huidaspecten

Om je cliënten een goed en compleet huidadvies te kunnen geven, moet je hun huidconditie juist inschatten. Als schoonheidsspecialist onderzoek je daarom de volgende huidaspecten:

 huiddikte

 huidreliëf

 vochtigheidsgraad

 huidflora

 huidglans

 huidspanning

 huidskleur

Huiddikte

De diktes van de opperhuid, lederhuid en onderhuid zijn verschillend. De opperhuid is tussen de 0,05 en 0,1 millimeter dik en daarmee de dunste laag van de huid. De lederhuid is dikker en varieert van 0,5 tot 3 millimeter. De dikte van de onderhuid wordt bepaald door de vetopname in de vetcellen. Hoe meer vet de vetcellen opnemen, hoe dikker de onderhuid wordt.

Huidreliëf

Kijk je van heel dichtbij naar de huid, dan zie je groefjes, lijntjes en putjes. De huid is niet glad, maar heeft reliëf. Het huidreliëf is bij elk mens verschillend en is afhankelijk van de leeftijd. Het wordt bepaald door huidveldjes, huidlijsten en talgklierporiën.

De structuur van de bindweefselvezels in de lederhuid is aan de huidoppervlakte zichtbaar als kleine drie­ en vierhoekige veldjes: huidveldjes. Deze zie je bijvoorbeeld goed op de bovenkant van je handen.

De dermispapillen van de lederhuid veroorzaken boogvormige lijntjes aan de oppervlakte van de huid. Die lijntjes noem je huidlijsten of cutislijsten. Je ziet ze duidelijk op de vingertoppen.

Bij een jonge huid is er minder huidreliëf zichtbaar dan bij de RIJPERE huid
Huidlijsten zijn voor elk mens uniek. Daarom zijn vingerafdrukken (gevormd door huidlijsten) geschikt als identificatiemiddel.

Huidporiën

Huidporiën zijn de openingen van de zweet­ en talgkliertjes in de huid. Er zijn onzichtbare poriën die vocht afscheiden (zweetklierporiën) en zichtbare poriën die talg afscheiden (talgklierporiën). De wijdte en diepte van poriën en de afstand tussen de poriën varieert per persoon: de poriestructuur van een cliënt kan grof of fijn zijn.

Grove poriën zijn groter dan normaal en daardoor goed zichtbaar, vooral op de neus, het voorhoofd en de wangen. Grove poriën zien we vaak bij mensen die een vette of gecombineerde huid hebben. Verstopping van de porïen en genetische invloeden veroorzaken grove poriën. Ook neemt de hoeveelheid collageen in de huid af als je ouder wordt. Daardoor worden de poriewanden slapper en de poriën grover.

Vochtigheidsgraad

De vochtigheidsgraad van de huid wordt vaak aangeduid met de Natural Moisturizing Factor (NMF). De NMF bestaat uit een aantal stoffen (aminozuren) die van nature in de huid voorkomen en die vochtaantrekkend (hygroscopisch) werken. Zo beschikt de huid over een natuurlijke vochtgraad.

De vochtgraad is afhankelijk van een aantal zaken. Factoren die de huid droger maken, zijn:

 een dikke hoornlaag

 een grote hoeveelheid keratine (hoornstof) in de hoornlaag

 een tekort aan huidvetten (kitsubstantie)

 een tekort aan talg in de zuurmantel

Huidflora

Op de huid leven huidvriendelijke microorganismen zoals bacteriën, schimmels en gisten. Ze zijn microscopisch klein en daarom niet te zien met het blote oog. Deze micro­organismen worden ook wel huidflora of huidmicrobioom genoemd. De huidflora vormt een beschermlaag tegen ziekteverwekkende micro­organismen die van buitenaf op de huid komen.

Een goede balans tussen de verschillende micro­organismen van de huidflora is belangrijk. Als bepaalde micro­organismen te veel toenemen, kunnen ze ontstekingsziekten van de huid veroorzaken zoals acne of eczeem.

Fijne poriën zijn minder zichtbaar dan grove poriën. Hoe fijner de porie, hoe droger en dunner de huid meestal is. Kleine poriën produceren meestal minder talg.

Vochtarm en vochtrijk

Als schoonheidsspecialist gebruik je bij het bepalen van de vochtigheidsgraad de termen ‘vochtarm’ en ‘vochtrijk’. Een vochtarme huid herken je aan kleine nerfjes. Die geven een craqueléachtig effect. Een vochtrijke huid ziet er gladder en strakker uit.

Huidflora: kolonie van microorganismen

Voor de geboorte is de huid nog vrij van micro­organismen. Snel na de geboorte wordt de hoornlaag gekoloniseerd door micro­organismen uit de omgeving. Deze ontwikkelen zich vlot tot een complex microbieel ecosysteem: de huidflora.

WIST JE DAT?

DE HUIDFLORA GEDIJT

HET BESTE IN EEN IETS

ZURE OMGEVING. DAAROM

VORMT DE ZUURMANTEL

EEN FIJN THUIS VOOR DE HUIDFLORA.

Huidglans

Een huid kan veel of weinig glanzen. Is de huid erg mat, dan kan dit een signaal zijn dat de huid niet gezond is. De huidglans is afhankelijk van:  de zweet­ en talgafscheiding: hoe meer afscheiding, hoe meer glans;  fijne donshaartjes op de huid: donshaartjes geven de huid een mat uiterlijk;  de conditie van de huid: een gezonde huid glanst.

Huidspanning

De huidspanning geeft aan hoe strak de huid staat. Dit is afhankelijk van de rekbaarheid en veerkracht van de huid en de hoeveelheid onderhuids vet. Een huid die los om het onderhuids bindweefsel hangt, heeft een lage huidspanning. Dit zie je bijvoorbeeld bij ouderen en mensen met weinig onderhuids vet. Staat de huid strak, dan spreek je van een hoge huidspanning. Dit komt vooral voor bij jongere en vollere mensen.

Je kunt de huidspanning meten door een huidplooi te pakken op de handrug van een cliënt. De grootte van de plooi laat zien hoe rekbaar de huid is. Hoe snel de plooi weer verdwijnt wanneer je deze loslaat, toont de veerkracht. Hoe rekbaarder en veerkrachtiger de plooi, hoe groter de huidspanning.

Factoren die de huidspanning verhogen

 een goede gezondheid

 een gezonde lederhuid: goed functionerend(e) bindweefselcellen en celtussenstof zijn nodig voor de aanmaak van bindweefselvezels

 een goede doorbloeding en lymfedoorstroom

 een hoge celspanning (turgor)

 een hoge spierspanning (tonus)

 onderhuids vetweefsel

Met een huidplooi kun je de huidspanning meten.
Naast vetweefsel zorgen ook stevige spieren voor een hoge huidspanning.

Huidskleur

Je huidskleur wordt onder andere bepaald door de pigmenten in je huid. De volgende pigmenten spelen een rol.

Melanine maakt de huid donker: hoe meer melanine, hoe donkerder de huidskleur. Hoeveel melanine je huid bevat, hangt af van het vermogen van je huid om van melanocyten melanine te maken. Dit vermogen verschilt per persoon en is grotendeels genetisch bepaald: het hangt samen met je afkomst.

Caroteen is een kleurstof die een gele tot roodachtige kleur geeft. Wanneer je veel bètacaroteen eet, wat in wortels zit, kan je huid iets geler worden.

Hemoglobine (met name de variant waar zuurstof aan gebonden is: oxyhemaglobine) is rood van kleur. Aan dit eiwit heeft bloed zijn rode kleur te danken. Als er veel (zuurstofrijk) bloed door je huid stroomt, bijvoorbeeld als de bloedvaatjes ver wijden bij inspanning, kleurt de huid rood. (Oxy)hemoglobine veroorzaakt ook de ‘gezonde blos’ bij een goed doorbloede huid.

Keratine (hoornstof) bepaalt de mate van verhoorning en de dikte van de hoornlaag. Een sterk verhoornde, dikke hoornlaag (veel keratine) maakt de huid dof. Een weinig verhoornde, dunne hoornlaag (weinig keratine) maakt de huid doorzichtiger en daardoor vaak roder.

Kleurveranderingen

De huidskleur waarmee je wordt geboren, noem je de aangeboren huidskleur of basiskleur. Dit is je genetisch bepaalde huidskleur.

De aangeboren huidskleur kun je vaststellen

Blauwe kleur

Als bloed het zuurstof uit de longen heeft afgegeven aan de lichaamcellen, wordt het bloed zuurstofarm. In zuurstofarm bloed zit minder oxyhemoglobine, waardoor het bloed zijn rode kleur deels verliest. Aderen met zuurstofarm bloed kleuren daardoor blauw. Ook je vingers of lippen kunnen een blauwe kleur krijgen door een gebrek aan zuurstofrijk bloed.

door te kijken naar de huid die niet aan zonlicht is blootgesteld, bijvoorbeeld de huid van de billen.

In de loop der jaren kan de aangeboren huidskleur veranderen. Als iemand bijvoorbeeld veel in de zon werkt, wordt de huidskleur gepigmenteerder (donkerder). Soms houden deze kleurveranderingen maar enkele minuten aan. Soms zijn ze definitief. Iemand die veel is blootgesteld aan zonlicht kan op latere leeftijd bijvoorbeeld ouderdomsvlekken krijgen. Bij een lichte huid zijn deze effecten vaak beter te zien dan bij een donkere huid.

Train je kennis over de aspecten van de huid met de online trainer. Snelcode 26131

Benieuwd of je de paragrafen ‘Functies van de huid’ en ‘Huidaspecten’ begrepen hebt? Doe de online boekcheck. Snelcode 27125

Het pigment caroteen zie je terug in de vorm van sproeten.

4.4

Huidtypen en huidcondities

Het is belangrijk dat jouw keuze voor een huidbehandeling of een verzorgingsproduct goed past bij het huidtype en de huidconditie van de cliënt. Je kunt verschillende huidtypen en huidcondities herkennen.

Verschil huidtype en huidconditie

Iedereen wordt geboren met een bepaald huidtype (normaal, droog, vet of gecombineerd). Maar je huid blijft niet je hele leven hetzelfde: je huidconditie kan veranderen. Dit kan door interne of externe invloeden gebeuren. In de puberteit bijvoorbeeld, verandert er veel in de hormoonhuishouding (interne invloed). Dit kan tot een vettere, onzuivere huid leiden.

Huidtypen

Welke huidtype je hebt, wordt bepaald door de hoeveelheid talg die de talgklieren produceren en de aanleg van je huid om te reageren op prikkels.

Er zijn vier huidtypen te onderscheiden:

 de normale huid

 de droge huid

 de vette huid

 de gecombineerde huid

Normale huid

Huidkenmerken

 talgklieren produceren een normale hoeveelheid talg

 poriën zijn fi jn van structuur

Uiterlijke kenmerken

 huid is zacht, veerkrachtig, gaaf en fris van kleur

 neus en kin kunnen een beetje vet en daardoor glanzend zijn

Droge huid

Sebostase

Huidkenmerken

 talgklieren produceren te weinig talg

 hoornlaag is dun

 poriën zijn fi jn van structuur

Uiterlijke kenmerken huid is droog en vaak schilferig

Overige kenmerken gevoelig voor invloeden van buitenaf, zoals warmte en kou

WIST JE DAT?

DROGE HUID VORMT

Gevoelige huid

Naast normaal, droog, vet of gecombineerd, kan een huid ook gevoelig zijn. De gevoelige huid reageert snel of hevig op prikkels. Allergische reacties, roodheid en eczeem komen vaak voor. Daarnaast reageert de gevoelige huid snel op invloeden van buitenaf, zoals producten of het weer, en invloeden van binnenuit, zoals voeding en emoties.

Vaak is een erg droge huid ook gevoelig. Maar een gevoelige huid kan ook andere oorzaken hebben.

Vette huid

Seborrhoe

Huidkenmerken

 talgklieren produceren te veel talg

 hoornlaag is dik

 poriën zijn grof en rond

Uiterlijke kenmerken

 huid is stevig en kan glimmen

 een sterk verhoornde huid voelt stug en hard

 soms schilferig

Overige kenmerken

vatbaar voor onzuiverheden: er kunnen comedonen en acné ontstaan

Gecombineerde huid

Huidkenmerken

 talgproductie varieert: op sommige plaatsen te veel en andere plaatsen te weinig

 vertoont kenmerken van zowel vette als droge, normale of gevoelig huid

Uiterlijke kenmerken

vertoont uiterlijke kenmerken van zowel vette als droge, normale of gevoelige huid

Seborrhoe

Een vette huid wordt ook wel seborrhoe genoemd. Deze huid heeft een te hoge talgproductie. Seborrhoe kent twee vormen: seborrhoe oleosa en seborrhoe sicca. Seborrhoe oleosa herken je aan een olieachtige, glimmende huid. Seborrhoe sicca betekent dat de huid vet maar ook schilferig is. De schilfers ontstaan doordat de huid vochtarm is dankzij een verdikte hoornlaag. De schilfertjes blijven plakken op de overmatige talg.

Huidcondities

Een huidconditie is de staat van de huid die bepaald wordt door interne en externe invloeden. Interne invloeden zijn bijvoorbeeld hormonen, stress, ziekte en je eetpatroon. Bij externe invloeden kun je denken aan uv­straling en weersinvloeden. De tabel laat zien aan welke kenmerken je de verschillende huidcondities herkent.

Train je kennis over huidtypen en huidcondities met de online trainer.

Snelcode 26142

HuidconditieHuidkenmerken

dunne huid  fijne poriestructuur

 vaak droog of gevoelig

gestuwde (congestieve) huid

 kleine bloedvaatjes zijn verwijd (teleangiëctasieën) of gesprongen

 vollere huid omdat bloedvaten meer gevuld zijn

 roodheden

grove huid

 vaak vet

 dikke hoornlaag

 grove poriën (wel of niet gevuld met talg)

 vezels in de lederhuid kunnen wat dikker zijn

onzuivere huidonzuiverheden zoals comedonen (mee­eters) en pustels

Overige kenmerken

  komt vaak voor bij de rijpere huid kan van nature voorkomen maar ook ontstaan door medicatie (bijvoorbeeld cortisonen/ hormonen)

 roodheden verergeren door zonnebaden, temperatuurschommelingen, gekruid eten en alcohol

 huid dient gekalmeerd te worden: behandelen als gevoelige huid

komt vooral voor bij rokers en mensen die veel in de zon komen

ruwe huid

slecht doorbloede huid

 komt vooral voor bij de vette huid

 onzuiverheden zijn geen gevolg van slechte reiniging of verkeerde crème, maar van hormonen en bacteriën (P. acnes)

 voelt ruwer aan

 schilfertjes en schubjes zichtbaar

vale, bleke en grauwe huid

vermoeide huid  vale, doffe huid

 oogt grauw en futloos

vochtarme huid

 droogtelijntjes (craquelé), schilfers en roodheid rond de ogen

 kan sterk verhoornd zijn: de huid voelt stugger en harder

 komt vaak voor bij rokers en ouderen

 kan ontstaan door ziekte (bijvoorbeeld diabetes) en medicatie

komt vaak voor bij de rijpere huid

vertoont eerder rimpels dan een normale huid

Onzuivere huid

4.5

Invloed van leeftijd, geslacht en huids kleur

Ondanks dat iedereen dezelfde huidlagen heeft, is elke huid uniek. Het maakt verschil of je jong of oud, man of vrouw, donker­ of lichtgekleurd bent. Een mannenhuid is bijvoorbeeld vaak vetter dan de huid van een vrouw. In deze paragraaf wordt uitgelegd welke invloed je leeftijd, geslacht en huidskleur hebben op je huid.

Invloed van leeftijd

Met het ouder worden, neemt de kwaliteit van alle huidweefsels af. Dit noem je degeneratie De afname van celactiviteit, kwaliteit van de bindweefselvezels en vocht in de cellen zijn de belangrijkste oorzaken van huiddegeneratie. Hierdoor ontstaan bijvoorbeeld rimpels.

Naast rimpels zijn er meer verschillen tussen de jonge en rijpere huid. In de tabel wordt toegelicht welke invloed leeftijd op je huid heeft.

Huidaspect Invloed leeftijd

talgklierwerking

zweetklierwerking

 Door een teveel aan androgenen zijn tijdens de puberteit de talgklieren actiever.

 De productie van nieuwe talgkliercellen wordt lager naarmate je ouder wordt. Daardoor neemt de talgproductie af en wordt huid droger.

Bij kinderen zijn alleen de kleine (eccriene) zweetklieren actief. Pas in de pubertijd worden ook de grote (apocriene) zweetklieren actief.

huidreliëf en huiddikteAls je ouder wordt, verdunt de lederhuid en neemt het onderhuids bindweefsel af. Als gevolg hiervan ontstaan er rimpels en verslapt de huid. Het huidreliëf wordt grover en gezichtscontouren vervagen.

beharing  In de puberteit neemt de lichaamsbeharing toe door de aanmaak van geslachtshormonen.

 Vooral mannen kunnen last krijgen van kaalheid als ze ouder worden.

littekenvorming

In een jonge huid zal een litteken groter en dikker worden dan in een rijpere huid, omdat bij jonge mensen sneller te veel weefsel wordt gevormd.

doorbloeding 

 Bij het ouder worden neemt de huiddoorbloeding af. De huid ziet er daarom grauwer uit.

In een rijpere huid zie je blijvende verwijding van huidadertjes (teleangiëctasieën). Deze schijnen vaak door de huid heen.

vochtgraad Het vermogen van de rijpere huid om vocht vast te houden neemt af. Daardoor bevat de huid minder vocht en wordt deze vochtarm. TIP

Invloed van geslacht

De mannenhuid verschilt van de vrouwenhuid.

Dit heeft te maken met het verschil in hormoonspiegel. Mannen maken meer androgenen (mannelijke geslachtshormonen) aan dan vrouwen, wat invloed heeft op bepaalde huidprocessen.

De voornaamste verschillen tussen de mannenen vrouwenhuid lees je in de tabel.

WIST JE DAT?

BIJ VROUWEN GAAT HET HAAR SNELLER GROEIEN TIJDENS DE ZWANGERSCHAP.

Huidaspect Invloed geslacht

talgklierwerking

Mannen hebben grotere en dikkere talgklieren en produceren meer talg. Ze hebben daardoor een vettere huid, waarbij vaker comedonen optreden. zweetklierwerking

Mannen hebben grotere zweetklieren en transpireren meer.

pH­waarde De pH­waarde van de vrouwenhuid is lager dan die van de mannenhuid. Dit maakt de zuurmantel van een vrouw zuurder en moeilijker doordringbaar voor ziekmakende micro­organismen. Vrouwen hebben daarom een hogere weerstand.

huidreliëf en huiddikteMannen hebben:

 een sterkere verhoorning van de huid door snellere celdeling;

 een grovere en dikkere opperhuid door grotere cellen en poriën;

 een dikkere lederhuid (gemiddeld 20% dikker).

Vrouwen hebben meer onderhuids vetweefsel en daardoor een betere warmte­isolatie.

beharing

Mannen hebben meer en dikkere beharing dan vrouwen en krijgen vaker last van kaalheid als ze ouder worden. littekenvorming Mannen hebben vaker acnelittekens.

doorbloeding

Mannen hebben meer doorbloedingsafwijkingen en meer doorbloeding aan het huidoppervlak.

Dankzij het hormoon testosteron hebben mannen meer en dikkere lichaamsbeharing dan vrouwen.

Invloed van huidskleur

De huid van huidskleurtypen 4 tot en met 6 (Fitzpatrick­indeling) kan beter omgaan met warmte en zonlicht dan de huid van huidskleurtypen 1 tot en met 3. Dit komt door de betere doorbloeding (meer warmteafgifte) en daarnaast door de grotere hoeveelheid melanine en de dikkere hoornlaag (meer uv­bescherming). Dankzij dit uv­pantser komt huidkanker minder voor bij mensen met een donkere huid.

Verschillen tussen de donkere, getinte en lichte huid lees je in de tabel.

Doorbloeding bepalen

Als je de huiddoorbloeding van een cliënt wilt bepalen, moet je rekening houden met de huidskleur. Een normale, goede doorbloeding geeft de lichte huid een roze tint en de donkere huid een normale bruine kleur. Is de doorbloeding te sterk, dan kleurt de lichte huid rood en de donkere huid paars tot purper. Bij een slechte of onregelmatige doorbloeding is zowel de lichte als donkere huid bleek of vlekkerig.

Huidaspect Invloed huidskleur

talgklierwerking De donkere huid heeft meer en grotere talgklieren dan de lichte huid. De huid produceert meer talg en is daarmee vetter.

zweetklierwerking Het zweet van de donkere huid bevat naast vocht ook vetachtige stoffen.

Na verdamping van het vocht blijft er een vet laagje achter die de huid beschermt.

huidreliëf en huiddikte

beharing

 Het huidreliëf van de donkere huid is vaak grover: de poriën van de zweet­ en talgklieren zijn groter. Ook bevatten de klierporiën meer pigment waardoor ze beter zichtbaar zijn.

 De donkere huid heeft een dikkere hoornlaag dan de lichte huid.

Mensen met een getinte huid hebben vaak meer haargroei dan mensen met een lichte huid.

littekenvorming Bij een donkere huid treedt er eerder littekenvorming op. Ook ontstaan er sneller hypertrofische (dikke) littekens, atrofische (diepliggende) littekens en keloïde (grotere) littekens.

doorbloeding De donkere huid heeft een hogere huiddoorbloeding. Zo kan de huid beter warmte afgeven.

pigmentvorming

 Een donkere huid verbrandt minder snel door de zon. De huid bevat meer melanine en is daardoor beter beschermd tegen uv ­ straling.

 Hoe donkerder de huid, hoe eerder de huid pigment vormt na een huidbeschadiging. Littekens worden hierdoor donker.

vochtgraad De donkere huid heeft een dikkere hoornlaag. Hierdoor kan het vochtgehalte lager zijn.

WIST JE DAT?

UIT DE LANDEN ROND DE EVENAAR KOMEN OORSPRONKELIJK DE MENSEN MET DE DONKERSTE HUIDSKLEURTYPEN.

Huidskleurtype bepalen

Hoe donkerder getint een huid is, hoe eerder de huid pigment zal vormen na een huidbeschadiging. Wil je weten hoe groot het risico is dat de huid pigment vormt na een huidbeschadiging? Gebruik dan de indeling van Fitzpatrick. Wanneer je wilt adviseren over zonbescherming, gebruik je daarvoor ook de Fitzpatrick­indeling. Hoe donkerder het huidskleurtype, hoe langer de huid onbeschermd zonlicht kan verdragen.

De indeling van Fitzpatrick bestaat uit een vragenlijst waarmee je een cliënt in één van de zes huidskleurtypen indeelt. Hoe hoger het niveau, hoe gevoeliger de huid is voor huidbeschadiging en pigmentvorming. Het huidskleurtype bepaalt ook welke bescherming iemand nodig heeft tegen de zon. De niveaus zijn:

 Huidtype 1: zeer lichte huid, vaak rood/ lichtblond haar

 Huidtype 2: lichte huid, blond haar

 Huidtype 3: licht getinte huid, donkerblond tot bruin haar

 Huidtype 4: meestal een getinte huid, donker haar

 Huidtype 5: donkere huid, donker tot zwart haar

 Huidtype 6: zeer donkere huid, zwart haar

Hoe hoger het Fitzpatrickniveau, hoe groter de kans op huidbeschadiging en pigmentvorming.

Huidtype 3 volgens de indeling van Fitzpatrick

4.6

Invloed van leefomstandigheden

Niet alleen iemands leeftijd, geslacht of huidskleurtype hebben invloed op de conditie van de huid. Ook leefomstandigheden spelen een belangrijke rol. Het maakt bijvoorbeeld verschil of je huid vaak wordt blootgesteld aan zonlicht of luchtvervuiling. Maar ook leefstijlkeuzes, zoals je voedingspatroon, bepalen je huidconditie.

Invloed van zon

Zonlicht bestaat uit drie soorten ultraviolette straling: uv A, uv B en uv C. Vooral de uv A­ en uv B­stralen bereiken de aarde en daarmee je huid. De ozonlaag filtert de uv C­stralen, waardoor ze de aarde moeilijk kunnen bereiken.

Uv A en uv B hebben beide een pigment­effect: ze beïnvloeden de aanmaak van melanine in de huid. Ook start uv B­straling het aanmaakproces van vitamine D in de huid.

Negatieve effecten van uv­stralen zijn:

 Uv A ­ stralen verouderen je huid.

 Te veel uv ­ straling kan zonnebrand (erytheem solaris) veroorzaken. Met name uv B ­ stralen zijn hiervoor verantwoordelijk.

 Uv B ­ stralen en zonnebrand verdikken de hoornlaag waardoor de hoornlaag vochtarmer kan worden.

 Zowel uv A als uv B tast de huidstructuur aan, wat vroegtijdige huidveroudering en huidkanker kan geven.

 Uv C ­ stralen die de huid wél bereiken, veranderen de structuur van kerneiwitten in de huid. Hierdoor kan huidkanker ontstaan.

Zonnebank

Te veel uv B­straling kan zonnebrand veroorzaken. Daarom geven de meeste zonnebanken weinig uv B en vooral uv A af. Je huid veroudert daardoor snel van zonnebanklicht.

TIP

EEN EZELSBRUGGETJE

OM DE MOGELIJKE

GEVOLGEN VAN UV­

STRALING TE ONTHOUDEN:

UV AGE (VEROUDERING)

UV BURN (VERBRANDING)

UV CANCER (KANKER)

Huidskleurtype en onbeschermde zontijd

Wat het effect is van zonlicht op de huid, heeft te maken met je huidtype. Met de Minimale Erytheem Dosis (MED) kun je uitrekenen hoelang je ongeveer onbeschermd in de zon kunt blijven zonder dat je verbrandt. De rekensom hiervoor is: de basis onbeschermde zontijd gedeeld door de zonkracht. Je kunt hierbij de MED­Fitzpatricktabel gebruiken. Bijvoorbeeld: je hebt huidskleurtype 4. De basis onbeschermde zontijd voor dit huidtype is 300 minuten. De zonkracht is vandaag 8. 300 gedeeld door 8 is 37,5. Dit betekent dat je ongeveer 37 minuten onbeschermd in de zon kunt zitten zonder dat je verbrandt.

Je insmeren met sunblock beschermt je tegen de negatieve effecten van uv­ straling.

SPF

SPF staat voor Sun Protection Factor. Het beschermt je huid tegen uv A­ en uv B­straling. SPF vermenigvuldigt de tijd waarin je zonder te verbranden in de zon kunt zitten. Met huidskleurtype 4 kun je bij zonkracht 8 met SPF 15 37 x 15 minuten beschermd in de zon zitten. Dit is 555 minuten, oftewel 9 uren. Gedurende deze periode moet je wel regelmatig de zonnebrandcrème aanbrengen.

Ozonlaag

De ozonlaag filtert de uv C­stralen. Zonder de ozonlaag zou uv­straling al het leven op aarde vernietigen. De ozonlaag wordt steeds dunner. Hierdoor komen de schadelijke uv C­stralen makkelijker bij de aarde. Dit kan huidkanker veroorzaken. Het wordt steeds gevaarlijker om in de zon te liggen, vooral tussen twaalf en drie uur ’s middags. Dan is de zonkracht het hoogst.

Invloed van luchtvervuiling

Luchtvervuiling is niet alleen slecht voor het milieu maar ook voor je huid. Schadelijke stoffen, zoals CO2, bevatten sterke oxidanten en vrije radicalen

Deze stoffen tasten de natuurlijke huidbarrière van de opperhuid aan. De huid kan zichzelf dan niet meer goed beschermen. Hierdoor kan de huid er futloos uitzien, minder stevig voelen en sneller verouderen. Het vuil in de lucht kan daarnaast poriën verstoppen waardoor acne kan ontstaan.

Invloed van leefstijl

Een gezonde leefstijl kan je huidconditie verbeteren. Regelmatig bewegen, gezond eten, het laten staan van genotmiddelen en jezelf niet in de stress werken helpt dus om je huid gezond te houden.

Dat betekent ook dat ongezonde keuzes de huid kunnen aantasten. Voorbeelden hiervan:

 Te veel zuivel, suikers en vetten verergeren acne.

 Nicotine vernauwt de bloedvaten, waardoor de huid onvoldoende wordt gevoed. Daardoor ziet een rokershuid er grauwer uit en is deze slapper.

 Alcohol onttrekt vocht aan de huid en laat de huid er dof en ouder uitzien. Daarnaast vermindert alcohol de collageenproductie die zorgt voor stevigheid. Verder verwijdt alcohol bloedvaatjes, waardoor er sneller teleangiëctasieën ontstaan.

 Stress verlaagt de weerstand en maakt de huid vatbaarder voor bacteriën. Hierdoor kan acne verergeren of ontstaat er huidirritatie.

Zeker weten dat je niks vergeet? Doe dan de online trainer over de invloeden op de huid. Snelcode 26144

WIST JE DAT?

DOOR TOENEMENDE LUCHTVERVUILING IN STEDEN HEBBEN STEEDS MEER MENSEN LAST VAN EEN OVERGEVOELIGE HUID.

Of test je kennis van de invloeden op de huid met de online boekcheck. Snelcode 27139

4.7

Klieren

De huid bestaat uit meer dan huidlagen alleen. Er zitten bloedvaten, lymfevaten en zenuwen in én talg­ en zweetklieren. Deze klieren ondersteunen de huidfuncties en beïnvloeden de conditie van de huid. Het is daarom belangrijk dat je de bouw en werking van de klieren kent.

Talgklieren

Talgklieren maken een vettige, beschermende stof aan: talg. Talg (sebum) is een mengsel van lipiden (vetachtige stoffen) en celresten (hoorncellen).

Talg heeft verschillende functies:

 Het houdt de huid en de haren vet en daardoor soepel.

 Het beschermt de huid tegen uitdroging en vochtverlies.

 Als bestanddeel van de zuurmantel draagt het bij aan de afweer van ziektekiemen.

 De ergosterolen ( provitamine D) in talg vormen uiteindelijk vitamine D.

WIST JE DAT? TALG ­ EN ZWEETKLIEREN NOEM JE AANHANGSELS (ADNEXA) VAN DE HUID.

Bouw van de talgklier

Talgklieren zijn trosvormige (alveolaire) huidklieren. Ze bestaan uit stofafscheidend epitheelweefsel. Talgklieren zijn exocriene klieren: ze gebruiken een afvoerbuis om het product af te scheiden. De afvoerbuizen van talgklieren monden uit in duidelijk zichtbare huidporiën.

Veel talgklieren gebruiken het haarzakje (haarfollikel) als afvoerbuis. Daar waar de haar de huid uitgaat, ligt de afvoerbuis van de talgklier. Meestal liggen er twee talgklieren om één haarfollikel. Er zijn ook talgklieren met een eigen afvoerbuis: solitaire talgklieren

TIP

MEER INFORMATIE OVER KLIEREN VIND JE IN HET HOOFDSTUK ‘CELLEN EN WEEFSELS’.

Haarfollikel met twee talgklieren
Talgklier
Haarfollikel

Ligging van de talgklier

Talgklieren liggen in de bovenste laag van de lederhuid. Omdat veel talgklieren haarfollikels als afvoerbuisjes voor talg gebruiken, ligt het grootste

WIST JE DAT?

OP DE HANDPALMEN, VOETZOLEN EN DE HUID TUSSEN VINGERS EN TENEN KOMEN GEEN TALGKLIEREN VOOR.

aantal talgklieren op plaatsen met haren. De lederhuid van de behaarde hoofdhuid, het gezicht en de bovenste delen van de borst en de rug bevatten veel talgklieren. De solitaire talgklieren vind je op de lippen, neusvleugels en tepels.

Werking van de talgklier

In de talgklier liggen kliercellen. Tijdens hun levensloop slaan deze cellen grote hoeveelheden vet op in hun cellichaam (het cytoplasma). Als het cellichaam volledig is omgezet in vet, is de celkern verdwenen. Daarna sterft de kliercel af en barst de kliercel open. Wat overblijft, is een vettige

WIST JE DAT? EEN VERSTOORDE

TALGKLIER WERKING KAN ONDER ANDERE SEBORRHOE (VETTE HUID) EN SEBOSTASE (DROGE HUID) VEROOR ZAKEN. IN HET HOOFDSTUK ‘HUIDAFWIJK INGEN’ LEES JE HIER MEER OVER.

substantie: talg (sebum). Zowel de opengebarsten kliercel als de talg wordt door de klier afgescheiden en komt op de huid terecht.

Door hun manier van werken noem je talgklieren ook wel holocriene klieren. Holocriene klieren scheiden namelijk niet alleen een afscheidingsproduct (talg) uit, maar ook de cel die het afscheidingsproduct produceert (talgkliercel).

De talgklier is dus een exocriene klier (met afvoerbuis) met een holocriene afscheiding (kliercel gaat verloren).

De talgklier is een exocriene klier met een holocriene afscheiding.

De behaarde hoofdhuid bevat veel talgklieren.

Invloed van geslachtshormonen

De werking van de talgklieren wordt onder andere beïnvloed door geslachtshormonen. Oestrogenen (vrouwelijke geslachtshormonen) remmen de talgklierwerking. Androgenen (mannelijke geslachtshormonen), zoals testosteron, stimuleren de werking van de talgklier. Vooral tijdens de puberteit kunnen androgenen de talgafscheiding te veel stimuleren, wat acne veroorzaakt of verergert.

Talgsamenstelling

De lipiden in talg zijn onder te verdelen in triglyceriden, vetzuren en vetalcoholen. De overeenkomst tussen deze lipoïde stoffen is dat ze hydrofoob (waterafstotend) zijn. De vetalcoholen in talg zijn onder te verdelen in cholesterol, ergosterol en squalenen.

 Cholesterol: een vetachtige, niet in water oplosbare stof die helpt bij de opbouw van de celwand en de aanmaak van hormonen (bijnierschors­ en geslachtshormonen).

 Ergosterol: een provitamine D waaruit de huid vitamine D vormt.

 Squalenen: de basisstoffen waaruit cholesterol en ergosterol bestaan. Ook zijn squalenen hulpstoffen die cholesterol en ergosterol helpen verbinden.

LET OP!

PROGESTERON IS EEN VROUWELIJK GESLACHTSHORMOON, MAAR HEEFT TOCH EEN

LICHTE ANDROGENE

WERKING: HET STIMULEERT DE TALGPRODUCTIE.

Zweetklieren

Zweetklieren produceren zweet: gemiddeld 0,75 liter per 24 uur. Zweet bestaat voor 99% uit water en voor het overige deel uit zout (NaCl) en afbraakproducten van de stofwisseling. Zweet heeft verschillende functies:

 Het regelt de lichaamstemperatuur. Als de temperatuur in de huid stijgt, produceren de zweetklieren meer zweet. Het zweet verdampt, waardoor de huid afkoelt.

 Het scheidt afvalstoffen uit die je lichaam produceert. Daarom behoort je huid, samen met je longen en nieren, tot de uitscheidingsorganen.

 Als bestanddeel van de zuurmantel draagt zweet bij aan het afweersysteem van de huid.

Meestal is zweet niet zichtbaar. Dit noem je perspiratie. Zweet dat zichtbaar is, heet transpiratie. Niet alleen lichaamswarmte veroorzaakt zweetafscheiding, ook van psychische factoren (zoals angst) kun je zweten.

Bouw en ligging van de zweetklier

Zweetklieren zijn buisvormige klieren. Ze lijken op een bolletje van opgewonden draad. Een zweetklier bestaat uit eenlagig epitheelweefsel. Het is omgeven door een dun laagje glad spierweefsel en door zenuwuitlopers. De hoeveelheid zweet die een zweetklier afscheidt, is afhankelijk van de grootte van de klier.

Zweetklieren zijn, net zoals talgklieren, exocriene klieren: ze gebruiken een afvoerbuis om het product af te scheiden. De afvoerbuisjes van zweetklieren eindigen in zweetporiën aan de opperhuid. In tegenstelling tot de talgporie is de zweetporie niet zichtbaar. Een zweetporie verwijdt of vernauwt niet onder invloed van de huidtemperatuur.

WIST JE DAT?

ZWEET BEVAT ZURE AFBRAAKPRODUCTEN VAN DE STOFWISSELING, ZOALS MELKZUUR (KOOLHYDRAATSTOF WISSELING) EN UREUM (EIWITSTOF WISSELING). DAARDOOR IS ZWEET NAAST ZOUT OOK ZURIG.

Zweet bestaat voor 99%
Zweet

Talgklier

Haarfollikel

Eccriene zweetklier

Apocriene zweetklier

WIST JE DAT?

ECCRIENE

ZWEETKLIEREN WERKEN AL VANAF DE GEBOORTE. APOCRIENE ZWEETKLIEREN GAAN PAS WERKEN ALS IEMAND IN DE PUBERTEIT GESLACHTSRIJP WORDT.

Zweetklieren liggen in het onderste deel van de lederhuid, op de grens van de onderhuid. Ze komen in de hele huid voor, maar de meeste liggen in de handen, voeten en oksels.

Soorten zweetklieren

Er zijn twee soorten zweetklieren: eccriene en apocriene zweetklieren.

Eccriene zweetklieren zijn kleine zweetklieren die over het hele lichaam voorkomen. Deze zweetklieren worden aangestuurd door het onwillekeurige (autonome) zenuwstelsel. Bij de uitscheiding van zweet door de eccriene zweetklieren blijft de kliercel behouden.

Apocriene zweetklieren zijn grote zweetklieren die vaak verbonden zijn met een haarzakje. Deze zweetklieren liggen in de oksels en rond de tepels en de uitwendige geslachtsorganen. Apocriene zweetklieren worden aangestuurd door het hormoon adrenaline. Apocriene zweetklieren scheiden niet alleen zweet af, maar ook een deel van de kliercel.

Train je kennis over talg- en zweetklieren met de online trainer. Snelcode 26120

Haarfollikel met zweet­ en talgklieren

4.8 Nagels

Denk je aan de huid, dan denk je waarschijnlijk niet meteen aan nagels. Toch maken nagels, als aanhangsels (adnexa) van de huid, ook deel uit van de huid. Als schoonheidsspecialist mag je gezonde nagels behandelen. Het is dus de moeite waard om je erin te verdiepen.

Functies van de nagel

Nagels hebben verschillende functies:

 Ze beschermen vingers en tenen: de nagelplaat beschermt tegen beschadiging en de nagelriem houdt ziektekiemen en vuil tegen.

 Ze spelen een rol bij de tastzin: nagels waarschuwen voor aanrakingen. Zonder nagels zou je je eerder stoten. Ook kun je met je nagels fijne voorwerpen oppakken.

 Ze dragen bij aan de warmteverdeling in tenen en vingers: via kleine bloedvaten in het nagelbed wordt warmte verspreid.

Bouw van de nagel

Als je een nagel goed bekijkt, zie je dat de nagel meer is dan een nagelriem en een nagelplaat. In totaal bestaat de nagel uit acht verschillende onderdelen.

Nageluiteinde

Nagelplooi Nagelplaat

Nagelwal Half maantje Nagelriem

Nagelplaat

De nagelplaat bestaat uit drie lagen:

 De hoornlaag (schubbenlaag) komt bij uitdroging los. Dat noemen we splijtende nagels.

 De sponslaag neemt voedingsstoffen op en houdt vet en vocht vast.

 De epitheellaag is de onderste laag en bevestigt de nagelplaat aan het nagelbed.

Bovenaanzicht van de nagel

Nagelwal

Perionychium/vallum unguis

De nagelwal is de huid die de nagel aan de zijkanten en aan de achterkant omsluit.

Half maantje

Lunula

Het halve maantje is het bleke gedeelte aan het begin van de nagelplaat.

Nagelriem

Eponychium

De zichtbaar verhoornde rand van de nagelwal is de nagelriem.

Nagelplooi

Sulcus matrices unguis

De nagelplooi is het uiteinde van de nagelwal.

Nageluiteinde

Par distalis unguis

Het vrije einde van de nagelplaat heet het nageluiteinde. Het nageluiteinde ligt buiten het nagelbed.

Nagelplaat

Corpus unguis

De nagelplaat, ook wel nagellichaam genoemd, is de zichtbare bovenkant van de nagel.

Nagelbed

Lectulus unguis

Het nagelbed is het weefsel onder en achter de nagelplaat en ligt in de lederhuid.

Nagelwortel

Radix unguis

De nagelwortel ligt onder de huid, aan de basis van de nagelplaat. De nagelwortel ontstaat uit de nagelmatrix.

Nagelmatrix

Matrix unguis

De nagelmatrix is het weefsel waaruit de nagelplaat ontstaat en bestaat uit cellen met keratohyalinekorrels. WIST JE DAT? DE CELLEN IN HET

Doorsnede van de nagel

Nagelgroei

De nagelcellen worden ‘geboren’ in de nagelmatrix. Hier vindt de celdeling plaats. De nagelmatrix wordt daarom ook wel de kiemlaag van de nagelplaat genoemd. In de nagelmatrix liggen bloedvaatjes. Deze voorzien de nagelcellen van zuurstof en voedingsstoffen en voeren afvalstoffen af.

De jonge nagelcellen in de nagelmatrix zijn nog zacht omdat ze nog niet verhoornd zijn. Tijdens de groei van de nagel verhoornen de nagelcellen zich langzaam. De cellen van de nagelmatrix bevatten keratohyalinekorrels. Deze korrels helpen de nagelcellen om te verhoornen (keratiniseren).

Tijdens de groei van de nagel verhoornen de nagelcellen langzaam.

WIST JE DAT?

HET DUURT VIJF À ZES

MAANDEN VOORDAT DE NAGEL VAN DE MATRIX TOT HET UITEINDE IS GEGROEID.

WIST JE DAT?

HET NAGELBED BEVAT

BLOEDVATEN EN ZENUWEN.

VIA HET BLOED KRIJGT

HET NAGELBED VOEDINGS­

STOFFEN, ZODAT DE NAGEL

KAN GROEIEN.

Nagelgroei is een continu proces.

Doordat er continu nieuwe nagelcellen worden aangemaakt, schuiven de cellen naar voren. Zo belanden ze van de nagelmatrix in de nagelwortel. Hier zijn ze ook nog zacht. Vervolgens schuiven de nagelcellen verder door en komen ze onder de nagelwal vandaan: ze komen in aanraking met lucht. In de lucht bevinden zich stoffen (calcium, zwavel, glycogeen en fosforzure kalk) die de cellen laten verhoornen. De nagels zijn nu volledig verhoornd en hoeven niet meer gevoed te worden.

Hoe snel de nagel groeit, verschilt per persoon en situatie. In de tabel lees je welke factoren invloed hebben op nagelgroei.

Onderwerp Nagels groeien sneller … Nagels groeien trager …

klimaat in een warm klimaat/seizoen bij langdurige kou

persoonlijke kenmerken

 bij mannen

 als je jong bent

 bij zwangerschap

WIST JE DAT?

GEMIDDELD

GROEIEN NAGELS 0,1 MM PER DAG.

 bij vrouwen

 als je ouder wordt

plaats van de nagel op de vingers op de tenen

gewoonten

 als je nagelbijt

 als je pianospeelt of op een andere manier je vingers intensief gebruikt (typen)

ziekte bij bepaalde huidziekten, zoals psoriasis

stoffen door proteïnerijke voeding en bepaalde vitaminen

door roken

 bij langdurige koorts

 bij ondervoeding

 bij gebruik van bepaalde geneesmiddelen

 door schadelijke stoffen

Als je veel typt, gaan je nagels sneller groeien.

4.9 Haar

Net zoals talg­ en zweetklieren en nagels is het haar een aanhangsel (adnexum) van de huid. Een haar lijkt misschien een simpel sprietje, maar zit ingewikkeld in elkaar.

Bouw van een haar

Een haar bestaat uit een zichtbaar en een onzichtbaar deel. Het zichtbare, uitwendige deel is de haarschacht. Het onzichtbare, inwendige deel is de haarwortel. De haarwortel ligt vast in een haar follikel (haarzakje). Zoom je verder in op de haar dan zie je nog meer haaronderdelen (zie afbeelding).

WIST JE DAT? ALLE HAARZAKJES WORDEN VOOR DE GEBOORTE AANGEMAAKT.

WIST JE DAT? DE HAARSCHACHT

BESTAAT UIT VERHOORNDE HAARCELLEN EN IS DUS EIGENLIJK HET DODE DEEL VAN DE HAAR.

Doorsnede van haarfollikel
Haarschacht Haarwortel

Haarfollikel

Een haarfollikel of haarzakje is een buisvormige (tubulaire) en zakvormige holte in de huid die doorloopt tot in het onderhuids bindweefsel.

Het bestaat grotendeels uit epitheelweefsel en voor een klein deel uit bindweefsel. Een haarfollikel is uit verschillende onderdelen opgebouwd:

 Om de haarwortel ligt de wortelschede.

Deze bestaat uit twee delen: de inwendige en de uitwendige wortelschede.

 De haarui (bulbus) is het onderste verdikte gedeelte van het haarzakje.

 In de haarui ligt de haarmatrix of kiemlaag. Hier ontstaan door celdeling nieuwe haarcellen.

 In de haarmatrix ligt de haarpapil (papillae pili).

Deze bestaat uit bindweefsel met haarvaatjes. De haarpapil voorziet de nieuwe haarcellen van voedingstoffen en pigment.

Rondom een haarfollikel liggen meestal twee talgklieren. Die gebruiken de ruimte tussen de haar en het haarzakje om talg af te scheiden.

Ook haarspiertjes (musculus arrector pili) bevinden zich in de buurt van de haarfollikel. Deze zijn opgebouwd uit onwillekeurig glad spierweefsel.

De spiertjes trekken samen bij kou of een schrikreactie. Daardoor gaan de haren, die doorgaans schuin ingeplant zijn, overeind staan. Er ontstaat dan kippenvel.

Haar

Een haar (haarschacht plus haarwortel) is van buiten naar binnen opgebouwd uit de volgende onderdelen:

 het haaropperhuidvlies (cuticula), dat uit platte, kernloze cellen bestaat;

 de haarschors (cortex), die veel keratine (hoornstof) bevat;

 het haarmerg (medulla), dat uit ronde cellen met een celkern bestaat.

WIST JE DAT?

DE CELLEN VAN HET

HAAROPPERHUIDVLIES

VORMEN SCHUBBEN. HET

VLIES WORDT DAAROM

OOK WEL SCHUBBENLAAG

GENOEMD. BIJ GEZOND

HAAR ZIJN DE SCHUBBEN GESLOTEN.

Haarmerg

Dwarsdoorsnede (links) en doorsnede (rechts) van een haar
Haaropperhuidvlies
Haarschors

Haartypen

Haren op het menselijk lichaam variëren van zachte donsharen tot stugge baardharen. Op het lichaam komen verschillende typen haar voor:

 lanugohaar

 vellushaar

 intermediair haar

 terminaal haar

Haarkleur en pigment

Net als de kleur van je huid wordt je haarkleur bepaald door melanine (pigment). De haarschors bevat twee soorten pigment: eumelanine (donker pigment) en feomelanine (licht pigment). De verhouding tussen licht en donker pigment bepaalt je haarkleur.

Haartype Kenmerken

lanugohaar

 lang, dun, zijdeachtig

 enkele centimeters lang

 geen pigment

 mergloos

vellushaar

 zacht

 zelden langer dan een centimeter

 meestal ongepigmenteerd

 mergloos

intermediair haar

terminaal haar

 haren worden langzamerhand dikker, grover en meer

 gepigmenteerd

 overgangsfase van vellushaar naar terminaal haar

 grof

 verschillende lengtes

 gepigmenteerd

 zes soorten:

1. wimpers en wenkbrauwen

2. hoofdhaar

3. snor­ en baardhaar

4. okselhaar

5. schaamhaar

6. lichaamshaar

Komt voor bij …

embryo’s en foetussen (vanaf 6 weken na de bevruchting tot 7/8 maanden zwangerschap), daarna valt het lanugohaar uit en wordt het vervangen door velus­ en terminaal haar

 kinderen (op het hele lichaam)

 vrouwen (in het gezicht)

jongens in de puberteit (eerste baardharen)

alle leeftijden

WIST JE

DAT?

ALLEEN IN DE HAARSCHORS ZIT MELANINE (PIGMENT).

Ontwikkeling van haar

De ontwikkeling van haar start al in de embryonale fase. De eerste haarfollikels ontwikkelen zich bij de wenkbrauwen, op de bovenlip en de kin. Dit begint rond de negende week van de zwangerschap.

De overige lichaamsbeharing ontstaat vanaf de vierde maand. Vanaf dit moment is het haar ook goed herkenbaar.

Haargroeifasen

Een haar heeft een levensloop: de haar groeit, sterft en maakt tot slot plaats voor een nieuwe haar. Het haargroeiproces bestaat dus uit drie fasen:

 de anagene fase (groeifase)

 de katagene fase (overgangsfase)

 de telogene fase (rustfase)

Anagene fase

De anagene fase duurt 2 tot wel 25 jaar. De haarvaatjes in de haarpapil geven voedingsstoffen af aan de haarmatrix. Met deze voedingstoffen kan de haarmatrix nieuwe haarcellen vormen. Door de constante aanmaak van nieuwe cellen worden nieuwe haren naar de oppervlakte geduwd. Het haar groeit.

Zoom je tijdens deze fase in op een haar, dan zie je dat mergcellen in schorscellen veranderen. Schorscellen veranderen vervolgens in opperhuidvlies. Tijdens dit groeiproces vindt er in de haar ook pigmentvorming plaats.

Katagene fase

De katagene fase duurt enkele weken. De haarfollikel sluit, waardoor geen contact meer mogelijk is tussen de haarwortel en de haarui. De haarpapil kan geen voedingsstoffen meer afgeven aan de haarmatrix en de celdeling stopt. De haarfollikel krimpt en wordt korter. De haar wordt hierdoor omhooggeduwd, maar zit nog wel in de huid. Tijdens de katagene fase neemt de pigmentvorming af. Daardoor wordt de haarwortel geleidelijk kleurloos.

De eerste baardharen bij jongens zijn intermediair haar.

Telogene fase

De telogene fase duurt enkele maanden. Er vormt zich onder de oude haar een nieuwe haar. De oude haar komt los te zitten, doordat de cellen van de inwendige wortelschede hun onderlinge structuur verliezen. Ondertussen groeien de onderste haarcellen verder in de diepte en omsluiten ze de haarpapil. Daardoor ontstaat een nieuwe haarmatrix. De nieuwe haar groeit en duwt de oude haar uit de haarfollikel.

Invloeden op haargroei

Er zijn verschillende factoren die de haargroei beïnvloeden. Belangrijke factoren zijn:

 hormonen

 voeding en leefstijl

 leeftijd

 lichamelijke en geestelijke gezondheid

Hormonen

Bepaalde hormonen hebben een effect op haargroei. Bij vrouwen spelen oestrogenen (vrouwelijke geslachtshormonen) een grote rol. Een vrouw die zwanger is, heeft een verhoogd oestrogeengehalte en krijgt daardoor vaak een vollere haardos: het haar wordt langer vastgehouden en groeit sneller. Als een vrouw in de overgang komt, neemt het oestrogeengehalte juist af. Daardoor wordt het haar dunner en ontstaat er soms ‘mannelijke beharing’, zoals in het gezicht.

WIST JE DAT? ONGEVEER 80% VAN ALLE HAREN BEVINDT ZICH IN DE ANAGENE FASE.

Bij mannen hebben androgenen (mannelijke geslachtshormonen) een grote invloed op de haargroei. Androgenen stimuleren lichaamsen gezichtsbeharing, maar zorgen er ook voor dat de haarfollikels op het hoofd afsterven. Daardoor worden veel mannen kaler naarmate ze ouder worden.

Voeding en leefstijl

Gezonde voeding bevordert je algehele gezondheid en ook de conditie van je haar. Kom je voedingsstoffen tekort, zoals bepaalde vitaminen, dan heeft dit een ongunstig effect op je huid en haar.

Ook je leefstijl heeft invloed op de conditie van je haar. Zo laat onderzoek zien dat het risico op haaruitval en kaalheid groter is bij rokers dan bij niet­rokers. Dit komt doordat de huid van rokers een verminderde doorbloeding heeft, waardoor de kwaliteit van het haar achteruitgaat. Het kan zelfs gedeeltelijk uitvallen.

Leeftijd

Naast de hormonale invloeden op het haar op latere leeftijd, worden ook de omstandigheden voor haargroei steeds minder gunstig. De huid wordt dunner en de haarfollikels worden kleiner. Hierdoor verandert de textuur van het haar.

Ook verandert je haar van kleur als je ouder wordt. Dit komt doordat de hoeveelheid pigment in het haar afneemt. Nieuwe haren groeien dan zonder pigment. Ook ontstaan er luchtblaasjes (vacuolen) in de haarcellen. Als hier licht op valt, geeft dat een grijze tint aan het haar.

Lichamelijke en geestelijke gezondheid

Bepaalde aandoeningen kunnen de haargroei remmen. Een voorbeeld hiervan is een te traag werkende schildklier. Hierdoor vertraagt de stofwisseling en worden er minder voedingstoffen aan het haar afgegeven. Dunner wordend haar en haarverlies kunnen het resultaat zijn.

Ook je geestelijke gesteldheid kan zijn weerslag hebben op de huid en het haar. Een lange periode van stress kan je hormoonhuishouding uit balans brengen, je stofwisseling vertragen en je lichaam uitputten. Hierdoor gaat het lichaam op den duur voedingsstoffen onttrekken aan lichaamsdelen die het minder hard nodig hebben. Haaruitval kan hier een gevolg van zijn.

Tot slot kan ook medicatie zorgen voor dunner wordend haar, en soms juist voor overbeharing.

Nog eens oefenen met de stof over nagels en haar? Doe de online trainer. Snelcode 26124

Test je kennis over aanhangsels van de huid (klieren, nagels en haar) met de online boekcheck. Snelcode 27117

Op oudere leeftijd kan een grijze tint in het haar ontstaan doordat pigment afneemt

WIST JE DAT?

DAGELIJKS VALLEN

ER HAREN UIT. BIJ NORMALE

HAARUITVAL VERLIES JE

GEMIDDELD 100 HAREN

PER DAG.

5.Bloed- en lymfevatenstelsel

Een lichaam bevat ongeveer vijf liter bloed. Dit bloed is belangrijk om allerlei stoffen door je lichaam te verplaatsen en zo je lichaam te laten functioneren. Wist je dat er naast het bloedvatenstelsel nog een ander vatenstelsel is? Dit is het lymfevatenstelsel. Het bloed- en lymfevatenstelsel werken nauw samen om het lichaam te laten functioneren en gezond te houden.

5.1

Bloed

In je lichaam stroomt ongeveer vijf liter bloed door de bloedbaan. Dit bloed bestaat voor ongeveer de helft (40­45%) uit bloedcellen en bloedplaatjes. De andere helft (55­60%) bestaat uit bloedplasma. In deze paragraaf leer je de eigenschappen van deze bestanddelen van bloed.

Bloedcellen en bloedplaatjes

Plasma-eiwitten Water

Opgeloste stoffen

Bloedplaatjes Witte bloedcellen

Rode bloedcellen

Samenstelling van bloed

Rode bloedcellen

Bloed is rood doordat er rode bloedcellen (erytrocyten) in zitten. Rode bloedcellen worden voortdurend aangemaakt in het rode beenmerg. Dit rode beenmerg zit in platte beenderen, de uiteinden van de pijpbeenderen en in onregelmatige beenderen.

Rode bloedcellen vervoeren zuurstof van de longen naar de lichaamscellen. In mindere mate nemen de rode bloedcellen koolstofdioxide uit de lichaamscellen mee terug naar de longen, zodat je die weer uit kunt ademen.

Rode bloedcellen bevatten het roodgekleurde eiwit hemoglobine. Hemoglobine bevat ijzer, waardoor zuurstof en koolstofdioxide zich aan hemoglobine binden. Bij de binding van zuurstof ontstaat het zogenaamde oxyhemoglobine.

Een rode bloedcel leeft ongeveer 120 dagen. Hierna wordt de cel in de milt, de lever of in het rode beenmerg afgebroken. Hierbij splitst het ijzer zich af van de hemoglobine. Dit ijzer wordt weer gebruikt voor de aanmaak van nieuwe rode bloedcellen.

Bloedarmoede

Je hebt bloedarmoede (anemie) wanneer er te weinig hemoglobine in je bloed zit of als je te weinig rode bloedcellen hebt. Hierdoor wordt er minder zuurstof naar organen en weefsels vervoerd en kun je bijvoorbeeld vermoeid en duizelig worden. Bloedarmoede kan ontstaan door bloedverlies of door een tekort aan bouwstoffen voor rode bloedcellen, zoals ijzer of vitamine B12.

Witte bloedcellen

Witte bloedcellen (leukocyten) zijn groter dan rode bloedcellen, maar je hebt er veel minder van. Ze beschermen tegen bacteriën en virussen. Bij een infectie kan het aantal witte bloedcellen sterk toenemen. Ze vormen dan een legertje dat tegen lichaamsvreemde stoffen vecht. Witte bloedcellen kunnen zich zelfstandig voortbewegen naar de plaats in het lichaam waar ze nodig zijn. Dit doen ze met hun protoplasma­uitsteeksels, ook wel schijnvoetjes genoemd.

Er zijn verschillende soorten witte bloedcellen, onder andere granulocyten en lymfocyten.

TIP IN HET HOOFDSTUK ‘SKELET’ LEES JE MEER OVER DE VERSCHILLENDE SOORTEN BEENDEREN.

Rode bloedcellen
Witte bloedcel

Granulocyten

Granulocyten worden aangemaakt in het rode beenmerg. Het zijn de cellen die als eerste bacteriële infecties of ontstekingsreacties tegengaan. Als er lichaamsvreemde stoffen of ziekteverwekkers het lichaam binnendringen, treden de granulocyten buiten de bloedbaan. Granulocyten kunnen namelijk van vorm veranderen en zich door de semipermeabele wand van een haarvat wringen. Ze komen dan in het weefselvocht terecht. Hier pakken ze de indringers aan.

De granulocyt omhult de ziekteverwekker en verteert deze. Dit proces noem je fagocytose

De granulocyt sterft hierbij zelf ook af. Zo ontstaat er pus (etter). Pus bestaat uit witte bloedcellen die vol zitten met ziekteverwekkers, weefselvocht en afgestorven weefsel.

Lymfocyten

Lymfocyten zijn veel kleiner dan granulocyten. Ze worden aangemaakt in de lymfeknopen en in de milt. Lymfocyten komen in bloed voor, maar vooral in lymfe.

Terwijl granulocyten alles wat vreemd is ‘opvreten’, gaan lymfocyten veel preciezer te werk. Lymfocyten maken namelijk antistoffen aan tegen specifieke indringers (antigenen). In het lichaam zijn voor iedere mogelijke antigeen al aparte lymfocyten aanwezig. Pas na een besmetting met het antigeen gaan die specifieke lymfocyten zich vermenigvuldigen en antistoffen aanmaken. Het duurt een tijdje voordat er voldoende antistoffen zijn aangemaakt. In die periode kan een mens ziek worden. Zodra er genoeg antistoffen zijn aangemaakt, kan de ziekteverwekker uitgeschakeld worden.

Na een tweede besmetting worden er veel sneller antistoffen gevormd. Dit komt doordat er tijdens de eerste besmetting geheugencellen aangemaakt zijn. De ziekteverwekker is dan veel sneller uitgeschakeld: je bent immuun voor de ziekte.

bloedcel

IN HET HOOFDSTUK ‘HUIDAANDOENINGEN’ LEES JE MEER OVER INFECTIES DOOR MICRO ­ ORGANISMEN.

Fagocytose
Ziekteverwekker
Haarvat
Witte

Actieve en passieve immunisatie

Om je te beschermen tegen infectieziekten, kun je je laten inenten. Er wordt een verzwakte of gedode ziekteverwekker ingespoten, waardoor je lichaam antistoffen aanmaakt en je immuun wordt.

Dit noem je actieve immunisatie: je lichaam maakt zelf antistoffen aan.

Bij passieve immunisatie krijg je kanten­klare antistoffen (antitoxinen) geïnjecteerd. Dit gebeurt wanneer je lichaam zelf niet snel genoeg of onvoldoende antistoffen aan kan maken.

Bloedplaatjes

Bloedplaatjes (trombocyten) worden aangemaakt in het rode beenmerg. Het zijn eigenlijk geen cellen, maar stukjes van cellen. Bloedplaatjes zorgen ervoor dat bloed stolt als het buiten de bloedvaten treedt. De bloedstolling is een belangrijk middel van het lichaam om bloedverlies te voorkomen.

Voor een goede stolling zijn ook de stollingseiwitten fibrinogeen en protrombine nodig.

Deze worden aangemaakt in de lever, onder invloed van vitamine K. Ze zijn opgelost in het bloedplasma: het zijn plasma­eiwitten.

Als iemand zich verwondt, blijven bloedplaatjes plakken aan de randen van de wond. Ze activeren de protrombine en fibrinogeen, zodat deze samen de stof fibrine vormen. Fibrine vormt een netwerk van draden op de wond. Dit vormt de basis voor een korstje. Na een tijdje geneest de wond.

Bloedplaatjes
Bloedplaatjes, fibrinogeen en protrombine zorgen samen voor de vorming van een korstje op een wond.

WIST JE DAT?

OM DE WARMTE AF TE GEVEN AAN DE OMGEVING, VERWIJDEN DE BLOEDVATEN ZICH. DAAROM KLEURT DE HUID ROOD BIJ INSPANNING.

Bloedplasma

Bloedplasma is de lichtgele vloeistof waarin de rode en witte bloedcellen en de bloedplaatjes rondzweven. De samenstelling van bloedplasma lijkt op die van zeewater. Het bestaat voor 91% uit water en 7% uit plasma­eiwitten. De overige 2% zijn antistoffen, voedingsstoffen en afvalstoffen.

Transportfunctie

Bloedplasma heeft een belangrijke transportfunctie voor het lichaam. Hierdoor komen nuttige stoffen op de plekken terecht waar ze nodig zijn en worden afvalstoffen afgevoerd. Zo kan je lichaam functioneren en wordt het beschermd tegen ziekteverwekkers.

Homeostase

De uitwisseling van stoffen tussen bloedplasma en lichaamscellen noem je homeostase. Dit proces vindt plaats in de ruimte tussen de haarvaten en lichaamscellen: de intercellulaire ruimte. Bloedplasma brengt voedingsstoffen en, via de rode

Bloedplasma transporteert … van … naar …

voedingsstoffen maagdarmstelsel lichaamscellen

zuurstof (via de rode bloedcellen) longen lichaamscellen

koolstofdioxide lichaamscellen longen

afvalstoffen lichaamscellen nieren

plasma­eiwitten lever plekken waar bloed moet stollen

antistoffen lymfocyten ziekteverwekkers

hormonen hormoonklieren plekken waar ze nodig zijn warmte plekken waar warmte wordt geproduceerd koudere delen van het lichaam

bloedcellen, zuurstof naar de intercellulaire ruimte. Vervolgens nemen de lichaamscellen dit op. Die geven op hun beurt weer afvalstoffen af aan de intercellulaire ruimte, die het weer afgeeft aan het bloed.

Voor deze uitwisseling van stoffen zijn bijzondere manieren van transport nodig: filtratie, diffusie en osmose.

Bij filtratie gaan er stoffen vanuit de bloedbaan de intercellulaire ruimte in. De wanden van de haarvaten zijn semipermeabel (halfdoorlaatbaar) en werken als een filter. Hierdoor kan het bloedplasma met voedingsstoffen en de zuurstof buiten de haarvaten treden en blijft de rest van het bloed in het haarvat. Het bloedplasma komt dan in de intercellulaire ruimte terecht. Het heet dan weefselvocht.

Het bloedplasma stroomt niet zomaar de haarvaten uit. Hier is bloeddruk voor nodig. Die druk is het grootst in het slagaderlijk gedeelte. Door de druk van het bloed op de wand van het bloedvat wordt het plasma door de wand geduwd.

WIST JE DAT?

DANKZIJ HOMEOSTASE BLIJFT DE SAMENSTELLING VAN BLOEDPLASMA EN WEEFSELVOCHT CONSTANT.

Lichaamscel

Intercellulaire ruimte

Aderlijk haarvat

Slagaderlijk haarvat

Bij diffusie worden stoffen uitgewisseld tussen de intercellulaire ruimte en de lichaamscellen. Net als de wand van een haarvat is het celmembraan (het omhulsel van een cel) semipermeabel. Lichaamscellen kunnen daardoor voedingstoffen en zuurstof uit het weefselvocht opnemen en afvalstoffen aan het weefselvocht afgeven. Hierdoor wordt ook de celspanning in balans gehouden. De cel neemt water op of geeft het juist af, waardoor de cel zwelt of krimpt als dat nodig is.

Bij osmose gaan er stoffen vanuit de intercellulaire ruimte terug de bloedbaan in. Door filtratie raakt het bloed steeds meer water kwijt, terwijl de eiwitten in de bloedbaan blijven zitten. De concentratie eiwitten in het bloed neemt dus toe. Om de eiwitconcentratie in het bloed en de intercellulaire ruimte gelijk te krijgen, wordt het weefselvocht de bloedbaan weer ingezogen. Dit proces heet osmose.

De afvalstoffen die door diffusie in het weefselvocht terecht zijn gekomen, komen dankzij osmose in de bloedbaan. Ze kunnen nu afgevoerd worden.

1 Filtratie

Bloedplasma met voedingsstoffen en de zuurstof uit de rode bloedcellen treden het haarvat uit.

2 Diffusie

Lichaamscellen nemen voedingsstoffen en zuurstof op en geven afvalstoffen af aan het weefselvocht.

3 Osmose

Afvalstoffen worden met het weefselvocht de bloedbaan ingezogen.

TIP MEER LEZEN OVER DIFFUSIE? LEES IN HET HOOFDSTUK ‘ADEMHALING’ OVER DE WERKING VAN DE LONGEN.

Homeostase

5.2 Bloedsomloop

Om de transportfunctie van bloed te kunnen vervullen, pompt het hart het bloed rond door de slagaderen en de aderen. Het rondstromen van bloed noem je de bloedsomloop of bloedcirculatie.

Grofweg kun je de bloedsomloop in twee stukken verdelen: de grote en de kleine bloedsomloop. De grote bloedsomloop of lichaamscirculatie is de circulatie van bloed door het gehele lichaam. Hierbij worden de cellen, weefsels en organen van voedsel en zuurstof voorzien en afvalstoffen afgevoerd. De kleine bloedsomloop of longcirculatie is de circulatie van bloed naar de longen. De kleine bloedsomloop heeft als taak om de koolstofdioxide uit het lichaam in de longen af te geven en de zuurstof uit de longen op te nemen in het bloed.

De bloedsomloop van de mens wordt een dubbele bloedsomloop genoemd. In de reis door het gehele lichaam gaat het bloed namelijk twee keer door het hart. TIP

MEER WETEN OVER HET INADEMEN VAN ZUURSTOF?

LEES IN HET HOOFDSTUK ‘ADEMHALING’ OVER DE LONGEN.

LET OP! IN AFBEELDINGEN IS ZUURSTOFRIJK BLOED ROODGEKLEURD. ZUURSTOFARM BLOED WORDT BLAUW WEERGEGEVEN.

1 Naar het lichaam

Vanuit het hart start het bloed met de grote bloedsomloop. Zuurstofrijk bloed stroomt vanuit het hart via de aorta (lichaamsslagader) naar het lichaam.

2 In het lichaam

In het lichaam geeft het bloed zuurstof af aan de lichaamscellen. Zuurstof wordt in de cellen omgezet in koolstofdioxide. Dit wordt opgenomen door het bloed. Het bloed wordt dus zuurstofarm en koolstofdioxiderijk.

3 Terug naar het hart

Het zuurstofarme en koolstofdioxiderijke bloed stroomt weer terug naar het hart.

4 Naar de longen

Vanuit het hart start de kleine bloedsomloop: het bloed stroomt naar de longen.

5 In de longen

In de longen wordt de koolstofdioxide afgegeven, zodat de longen dit uit kunnen ademen. Bij het inademen komt er nieuw zuurstof binnen.

6 Terug naar het hart

Het bloed neemt het zuurstof uit de longen op en stroomt weer terug naar het hart. Het hart pompt het vervolgens weer de grote bloedsomloop in, naar het lichaam.

5.3

Bloedvaten -

stelsel

Bloed stroomt door het bloedvatenstelsel. De bloedsomloop begint in het hart. Vanuit het hart komt het bloed in de slagaderen terecht. Grote slagaderen noem je arteriën. De kleinste slagaderen heten arteriolen

Vanuit de slagaderen komt het bloed in de haarvaten (capillairen) terecht. De haarvaten vormen een netwerk van zeer fijne vaten die voedingsstoffen en afvalstoffen uitwisselen tussen het bloed en de cellen, weefsels en organen.

Slagaderen voeren het bloed van het hart af. Aderen voeren het bloed naar het hart toe.

Vanuit de haarvaten stroomt het bloed de aderen in: eerst in de kleinste aderen (venulen), die samenkomen en zo grote aderen (venen) vormen. Aderen voeren het bloed weer terug naar het hart.

Aders (venen)

Zuurstofarm bloed

Kleinste aders (venulen)

Hart Slagaders (arteriën)

Zuurstofrijk bloed

Kleinste slagaders (arteriolen)

Haarvaten (capillairen)

WIST JE DAT?

OM BLOED BIJ DE CELLEN VAN WEEFSELS EN ORGANEN TE KRIJGEN, IS HET HART AANGESLOTEN OP 100.000 KILOMETER BLOEDVATEN.

Hart

Het hart is een pomp die 5 tot 6 liter bloed per minuut rondpompt. Het is een holle spier die in de borstholte ligt, links achter het borstbeen. De onderzijde van het hart ligt op het middenrif.

Het hart wordt door een verticale wand, de harttussenwand, verdeeld in een linker­ en rechterhelft. De linkerhelft van het hart pompt het bloed richting weefsels en organen en de rechterhelft pompt het bloed naar de longen. Hartkleppen scheiden het hart in een bovenste en onderste helft. Zo ontstaan er vier ruimten. De bovenste ruimten zijn de boezems (linkeren rechterboezem), de onderste zijn de kamers (linker­ en rechterkamer).

Afbeeldingen van het hart

In afbeeldingen van het hart zijn links en rechts altijd omgedraaid: de linkerkamer staat bijvoorbeeld rechts op de afbeelding. Dit komt doordat links en rechts wordt benoemd vanuit de cliënt: de linkerkamer is voor de cliënt links en voor jou dus rechts.

Het hart is ongeveer zo groot als een gebalde vuist

Bovenste holle ader

De bovenste holle ader brengt zuurstofarm bloed naar het hart. Dit bloed is afkomstig van de hersenen en de armen.

Rechterboezem

In de rechterboezem stroomt zuurstofarm bloed uit het lichaam binnen. Zodra de rechterboezem gevuld is, trekt deze samen. Zo wordt het bloed door de rechterhartkleppen naar de rechterkamer gepompt. Dit pompen kost niet veel kracht en daarom is de wand van de rechterboezem dun.

Hartkleppen

Hartkleppen worden ook wel boezemkamerkleppen genoemd. Ze zorgen ervoor dat het bloed niet van de kamers terug naar de boezems stroomt.

Rechterkamer

De rechterkamer pompt het zuurstofarme bloed door de longslagader naar de longen. De rechterkamer heeft een dikke wand, omdat deze veel kracht moet zetten om het bloed naar de longen te duwen. De wand is echter dunner dan die van de linkerkamer. De route vanuit de rechterkamer naar de longen is namelijk korter (kleine bloedsomloop) dan die van de linkerkamer (grote bloedsomploop).

Hartwand

Onderste holle ader

De onderste holle ader brengt zuurstofarm bloed naar het hart. Dit bloed is afkomstig uit de buikholte en de onderste extremiteit.

Aorta

Via de aorta (lichaamsslagader) stroomt zuurstofrijk bloed naar organen, cellen en weefsels van het lichaam.

Longslagader

Via de longslagader stroomt zuurstofarm bloed vanuit de rechterkamer naar de longen. Daar wordt koolstofdioxide afgegeven en zuurstof in het bloed opgenomen.

Longader

De longader brengt zuurstofrijk bloed vanuit de longen naar de linkerboezem.

Linkerboezem

Zodra de linkerboezem gevuld is, trekt deze samen. Zo wordt het zuurstofrijke bloed door de linkerhartkleppen naar de linkerkamer gepompt. Dit pompen kost niet veel kracht en daarom is de wand van de linkerboezem dun.

Linkerkamer

De linkerkamer pompt het zuurstofrijke bloed via de aorta het hele lichaam rond. Hier is veel kracht voor nodig, daarom is de wand van de linkerkamer dik. De wand is dikker dan die van de rechterkamer. De route vanuit de linkerkamer door het gehele lichaam is namelijk langer (grote bloedsomloop) dan die van de rechterkamer (kleine bloedsomloop).

Slagaderkleppen

Slagaderkleppen worden vanwege hun vorm ook wel halvemaanvormige kleppen genoemd. Ze zorgen ervoor dat het bloed niet van de slagaders terug in de kamers stroomt.

Hartslag en hartkleppen

De hartslag bestaat uit drie fasen die zich telkens herhalen:

 de boezemsystole: de samentrekking van de boezems;

 de kamersystole: de samentrekking van de kamers;

 de diastole: de pauze waarin het hart ontspant en de boezems zich weer vullen met bloed.

De fase waarin de boezems en kamers van het hart samentrekken, noem je systole. De pauze daarna noem je diastole.

Tijdens de boezemsystole wordt het bloed dat in de boezems zit de kamers in geduwd. Dankzij de hartkleppen kan het niet meer terug de boezems in stromen. Deze kleppen hebben geen spierweefsel, maar worden door het bloed opengeduwd tijdens de boezemsystole en dichtgedrukt tijdens de kamersystole. De boezemkamerkleppen zijn dus in werking als de boezems en kamers samentrekken.

Door de kamersystole wordt de kamer kleiner. Hierdoor neemt de druk van het bloed in de kamer toe, waardoor de halvemaanvormige kleppen worden opengeduwd. Het bloed stroomt de longslagader of de aorta in.

Tijdens de diastole ontspant het hart zich. De halvemaanvormige kleppen gaan dicht om te voorkomen dat bloed terug het hart in stroomt. De halvemaanvormige kleppen zijn dus in werking als het hart ontspannen is.

Door de ontspanning van het hart wordt het bloed uit de longader en de onderste en bovenste holle ader in de boezems gezogen. Zodra de boezems gevuld zijn met bloed, trekken de boezems zich weer samen. Het gehele proces begint nu weer opnieuw.

TIP

HEB JE MOEITE OM TE ONTHOUDEN WAT DE BOEZEMS ZIJN EN WAT DE KAMERS? KIJK EENS NAAR DEZE BEGINLETTERS: BOEZEMS – BOVEN KAMERS – KELDER

Diastole en boezemsystole
Kamersystole

Bloeddruk

Doordat het hart het bloed rondpompt, komt er druk op de bloedvaten te staan. Dit noem je de bloeddruk (ook wel tensie). Er worden twee waardes gemeten: de bovendruk en de onderdruk. De bovendruk wordt gemeten als je hart samentrekt. De bloeddruk is dan het hoogst. De onderdruk wordt gemeten als het hart zich ontspant. De bloeddruk is dan op het laagste punt.

Een normale bloeddruk is 120/80 wanneer je in rust bent. Dit betekent dat de gemiddelde bovendruk 120 is en de onderdruk 80. Als de gemiddelde bovendruk 140 is of hoger, dan spreek je van een hoge bloeddruk (hypertensie). Dit geeft een groter risico op hart­ en vaatziekten. Je bloeddruk kan ook te laag zijn (hypotensie). Vrouwen hebben een lage bloeddruk bij waardes onder de 100/60 en mannen onder de 110/70.

Hartwand

De buitenkant van het hart noem je de hartwand.

De hartwand is opgebouwd uit:

 De buitenste laag (epicardium), een dunne laag bindweefsel met veel elastische vezels. Dankzij de elastische vezels kan deze buitenste laag de samentrekkende bewegingen van het hart goed volgen.

 De middelste laag (myocardium), de dikste laag, bestaat uit dwarsgestreept onwillekeurig spierweefsel ( hartspierweefsel). Dit spierweefsel komt alleen in het hart voor. De structuur hiervan lijkt erg op die van dwarsgestreepte spieren (om krachtig te kunnen samentrekken), maar het weefsel functioneert onwillekeurig, want de hartslag gaat buiten je wil om.

 De binnenste laag (endocardium) bestaat uit eenlagig epitheelweefsel (endotheel) en een laag elastisch bindweefsel.

Om de buitenste laag zit een bindweefselvlies: het hartzakje (pericard). Tussen het hartzakje en de buitenste laag van het hart zit een laagje vocht. Dankzij dit vocht blijven de wanden glad en kunnen ze soepel over elkaar schuiven bij het samentrekken van de hartspier.

TIP

MEER WETEN OVER BIND ­ EN SPIERWEEFSEL?

GA NAAR HET HOOFDSTUK ‘CELLEN EN WEEFSELS’.

Kransslagaderen en kransaderen

Als een krans rondom het hart lopen de kransslagaderen en de kransaderen. De kransslagaderen voorzien het hart van zuurstofrijk bloed. Ze komen vanuit de aorta en vertakken zich in steeds kleinere slagaderen. Ze komen uiteindelijk uit in de haarvaten van de hartspier, waar ze zuurstof en afvalstoffen uitwisselen.

De kransaderen voeren het zuurstofarme bloed uit de hartspier weg. Ze monden uit in de rechterboezem. Vanaf de rechterkamer pompt het hart het zuurstofarme bloed naar de longen.

Soorten bloedvaten

Vanuit het hart komt het bloed in de slagaderen terecht. Daarna stroomt het via een netwerk van haarvaten de aderen in, die het bloed weer terugvoeren naar het hart.

Longslagader en -ader

Over het algemeen geldt dat slagaderen zuurstofrijk bloed vervoeren en aderen zuurstofarm bloed. Maar de bloedvaten in de kleine bloedsomloop zijn een uitzondering op deze regel. De longslagader met vertakkingen vervoert namelijk zuurstofarm bloed van het hart naar de longen.

De longader met vertakkingen brengt zuurstofrijk bloed van de longen naar het hart.

TIP

WIL JE MEER WETEN

OVER DE UITWISSELING VAN STOFFEN TUSSEN BLOED EN WEEFSELVOCHT?

LEES DAN DE PARAGRAAF ‘LYMFEVATEN STELSEL’.

Slagaderen

Slagaderen (arteriën) voeren bloed van het hart af. De longslagader en aorta zijn hier voorbeelden van. De aorta kun je duidelijk in je hals voelen kloppen.

De slagaderwand is opgebouwd uit drie lagen:

 De binnenste laag bestaat uit eenlagig plaveisel epitheel, ook wel endotheel genoemd. Dit epitheeltype laat een vloeistof of gas door. Zo kan er bijvoorbeeld zuurstof en koolstofdioxide uitgewisseld worden. De binnenste laag van heel grote vaten bestaat naast epitheel ook uit bindweefsel.

 De middelste laag is opgebouwd uit bindweefsel met elastische vezels en uit glad spierweefsel. Doordat de spiervezels samentrekken, stuwt het bloed voort. De elastische vezels zorgen voor rekbaarheid van de vaatwand.

 De buitenste laag is opgebouwd uit bindweefsel dat de vaatwand stevigheid geeft. Een slagader moet bestand zijn tegen de bloeddruk en mag niet scheuren.

In de wanden van de kleinste slagaderen, de arteriolen, zit veel glad spierweefsel. Dit spierweefsel kan de wanden van de arteriolen verwijden en vernauwen. Zo regelen de arteriolen de doorbloeding van de weefsels.

Slagader

Haarvaten in organen en weefsels

Ader

Arteriolen verwijden zich om warmte af te geven of spieren van zuurstof te voorzien.

Haarvaten

Haarvaten (capillairen) zijn verbindingssystemen tussen de kleinste slagaderen (arteriolen) en de kleinste aderen (venulen). Het bloed stroomt in de haarvaten heel langzaam en de wanden van de haarvaten zijn heel dun. Hierdoor kan er een optimale uitwisseling van stoffen plaatsvinden tussen bloed en weefselvocht.

Er zijn zowel slagaderlijke als aderlijke haarvaten. Slagaderlijke haarvaten geven voedingsstoffen, vocht en zuurstof af aan delen van het lichaam. Ze gaan over in aderlijke haarvaten. Aderlijke haarvaten voeren de afvalstoffen af die na verbranding in de weefsels ontstaan, zoals koolstofdioxide. Deze gaan over in kleine aderen.

Aderen

Aderen (venen) voeren bloed naar het hart toe. De kleinste aderen worden venulen genoemd. Ze zijn ruim 80 keer zo dun als een menselijke haar. De venulen verzamelen zuurstofarm bloed om dit terug te voeren naar de aderen.

De wanden van aderen lijken op die van slagaderen: ze zijn vanbinnen bekleed met endotheel en aan de buitenkant met bindweefsel. De aderwand is echter dunner en bevat nauwelijks spierweefsel, omdat er in de aderen geen persing optreedt, zoals in de slagaderen, maar een zuiging.

De grote aderen van ledematen zijn aan de binnenkant voorzien van klepvliezen. Dit zijn plooien die de aderen in één richting afsluiten. Ze zorgen ervoor dat het bloed alleen in de richting van het hart kan stromen. De onderste en bovenste holle ader en de longader bevatten geen klepvliezen, omdat de aanzuigende werking van het hart het bloed terugvoert naar de boezems.

Spataderen

Spataderen (varices) zijn verwijde aderen. Door deze verwijding sluiten de kleppen niet goed meer. Het bloed kan hierdoor minder goed terugstromen naar het hart dan bij gezonde aderen. Ze schijnen blauwpaars door op de huid en komen vooral op de benen voor: in de oppervlakkig gelegen beenaderen kunnen spataderen ontstaan.

WIST JE DAT?

HAARVATEN ZIJN NOG DUNNER DAN EEN HAAR.

TIP

IN HET HOOFDSTUK ‘HUIDAFWIJKINGEN’ LEER JE MEER OVER SPATADEREN.

IN HET HOOFDSTUK ‘CELLEN EN WEEFSELS’ LEER JE ALLES OVER EPITHEEL­ , BIND ­ EN SPIERWEEFSEL.

Spatader

Bloed vaten in de romp

Linker sleutelbeenader

Rechter sleutelbeenader

Linker ongenaamde ader

Rechter ongenaamde ader

Longader

Bovenste holle ader

Onderste holle ader

Leverader

Poortader Nierader

Rechter gemeenschappelijke darmbeenader

Inwendige darmbeenader

Uitwendige darmbeenader

Rechter gemeenschappelijke halsslagader

Linker gemeenschappelijke halsslagader

Rechter sleutelbeenslagader

Linker sleutelbeenslagader

Ongenaamde slagader

Longslagader

Aorta

Borstslagader

Buikslagader Nierslagader

Rechter gemeenschappelijke darmbeenslagader

Inwendige darmbeenslagader

Uitwendige darmbeenslagader

Slagaderen

Rechter gemeenschappelijke halsslagader

 is het vervolg van de ongenaamde slagader

 voorziet de rechterhelft van de hals en het hoofd van bloed

 splitst zich ter hoogte van het strottenhoofd op tot de in ­ en uitwendige halsslagader

Linker gemeenschappelijke halsslagader

 komt vanuit de aortaboog

 voorziet de linkerhelft van de hals en het hoofd van bloed

Linker sleutelbeenslagader ontspringt uit de aortaboog

Rechter sleutelbeenslagader

 ontspringt uit de ongenaamde slagader

 gaat over in de okselslagader

Ongenaamde slagader

 loopt vanuit de aortaboog naar rechts

 de rechter sleutelbeenslagader ontspringt hier uit

Longslagader

 komt vanuit de rechterkamer van het hart

 transporteert zuurstofarm bloed naar de longen

Aorta ( lichaamsslagader)

 komt vanuit de linkerkamer van het hart

 de kransslagaderen ontspringen hieruit

 gaat over in de aortaboog , waar slagaderen naar hals, hoofd en armen en de linkersleutelbeenslagader uit ontspringen

Borstslagader

 is het vervolg van de aortaboog

 doorboort het middenrif

Buikslagader

 is het vervolg van de borstslagader

 heeft veel vertakkingen richting de organen in de buikholte

Nierslagaderen

 zijn vertakkingen van de buikslagader

 voorzien de nieren en de bijnieren van bloed

Linker en rechter gemeenschappelijke darmbeenslagader

 zijn vertakkingen van de buikslagader

 splitsen zich beide op in een inwendige en een uitwendige darmbeenslagader, die de buikorganen van bloed voorzien

Aderen

Linker en rechter sleutelbeenader

zijn het vervolg van de okselader en de uitwendige halsader

Linker en rechter ongenaamde ader

 zijn het vervolg van de sleutelbeenader

 komen uit in de bovenste holle ader

Longader

 komt vanuit de longen

 transporteert zuurstofrijk bloed naar de linkerboezem van het hart

Bovenste holle ader

 start waar de linker en rechter ongenaamde aderen bij elkaar komen

 transporteert het bloed dat afkomstig is uit het hoofd en de armen

 komt uit in de rechterboezem van het hart

Onderste holle ader

 start waar de linker en rechter darmbeenaderen samenkomen

 doorboort het middenrif

 komt uit in de rechterboezem van het hart

Leverader mondt uit in de onderste holle ader

Poortader

transporteert het bloed dat afkomstig is van de maag, milt, darmen en alvleesklier naar de lever

Nierader mondt uit in de onderste holle ader

LET OP! IN AFBEELDINGEN IS ZUURSTOFRIJK BLOED ROODGEKLEURD. ZUURSTOFARM BLOED IS IN BLAUW WEERGEGEVEN.

Bloedvaten in de onderste ledematen

Slagaderen

Dijbeenslagader

 is het vervolg van de darmbeenslagader

 ligt aan de voorzijde van het dijbeen

 splitst op in een oppervlakkige en een dieper gelegen dijbeenslagader

Kniekuilslagader

 is het vervolg van de dijbeenslagader

 splitst zich bij de knieholte in twee grote takken: de voorste scheenbeenslagader en de achterste scheenbeenslagader

Kuitbeenslagader

 is een aftakking van de achterste scheenbeenslagader

 loopt van de binnenenkel naar de voetzool

Voetslagaderen

De voet heeft twee belangrijke slagaderen:

 De voetrugslagader is het vervolg van de voorste scheenbeenslagader, loopt boven op de voet en vertakt zich in de teenslag aderen

 De voetzoolslagader is het vervolg van de achterste scheenbeenslagader en loopt vanaf het hielbeen naar de onderkant van de voet.

Aderen

Grote huidader der dij

 voert bloed vanuit de tenen af

 is een oppervlakkige beenader, ligt dicht onder de huid

 loopt langs de binnenzijde van het onderbeen

 wordt ook wel rozenkransader genoemd

Kleine huidader der dij

 loopt van de voetrand naar de kniekuilader

 is een oppervlakkige beenader, ligt dicht onder de huid

Dijbeenader

 komt voort uit de rozenkransader en de kniekuilader

 passeert de band van Poupart

Kniekuilader

 is het vervolg van de oppervlakkige beenader, de achterste scheenbeenader, de voorste scheenbeenader en de kuitbeenader

 is dieper gelegen

Voorste en achterste scheenbeenader zijn dieper gelegen

Kuitbeenader is dieper gelegen

Voetaderen

De voet heeft twee belangrijke aderen:

 De voetrugader ligt op de bovenkant van de voet en komt uit in de voorste scheenbeenader.

 De voetzoolader zit aan de onderkant van de voet en komt uit in de achterste scheenbeenader.

Inwendige darmbeenader

(zie ‘Bloedvaten in de romp’)

Grote huidader der dij

Inwendige darmbeenslagader (zie ‘Bloedvaten in de romp’)

Dijbeenslagader

Dijbeenader

Kniekuilader

Kleine huidader der dij

Voorste scheenbeenader

Kuitbeenader

Achterste scheenbeenader

Kniekuilslagader

Voorste scheenbeenslagader

Achterste scheenbeenslagader

Kuitbeenslagader

Voetslagaderen en -aderen

Bloedvaten in hoofd en hals

Oppervlakkige slaapader

Voorste gelaatsader

Achterste gelaatsader

Achterhoofdader

Gemeenschappelijke gelaatsader

Inwendige halsader

Uitwendige halsader

Voorhoofdsslagader

Slaapslagader

Achterhoofdslagader

Gelaatsslagader

Inwendige halsslagader

Uitwendige halsslagader

Slagaderen

Voorhoofdsslagader

 is het vervolg van de gelaatsslagader

 voorziet het voorhoofd van bloed

Slaapslagader

 is een vertakking van de uitwendige halsslagader

 voorziet het bovenste deel van het hoofd van bloed

Achterhoofdslagader

 is een vertakking van de uitwendige halsslagader

 voorziet het achterhoofd van bloed

Gelaatsslagader

 is een vertakking van de uitwendige halsslagader

 loopt tot de binnenste ooghoeken

 voorziet de wangen van bloed

Inwendige halsslagader

 is het vervolg van de linker­ en rechter gemeenschappelijke halsslagader

 voorziet de hersenen van bloed

Uitwendige halsslagader

 is het vervolg van de linker­ en rechter gemeenschappelijke halsslagader

 voorziet hals, nek en hoofd van bloed

Aderen

Oppervlakkige slaapader

 voert bloed af vanaf de huid aan de bovenen zijkant van het hoofd en de achterzijde van de wangen

 zet zich voort in de achterste gelaatsader

Achterhoofdader

komt samen met de achterste gelaatsader

Voorste gelaatsader

voert bloed af van het huidgebied van de linker­ en de rechterkant van het hoofd

Achterste gelaatsader

 is het vervolg van de oppervlakkige slaapader

 splitst zich in twee takken

Gemeenschappelijke gelaatsader

 is het vervolg van de voorste en achterste gelaatsader

 mondt uit in de inwendige halsader

Inwendige halsader

voert bloed af van het hoofd en de hals

Uitwendige halsader

 start waar de achterhoofdader en de achterste gelaatsader samenkomen

 voert bloed af van het hoofd en de hals

Bloedvaten in de bovenste ledematen

Slagaderen

Okselslagader

 is het vervolg van de sleutelbeenslagader

 gaat over in de armslagader

Armslagader

 is het vervolg van de okselslagader

 loopt tot de elleboogkuil

 vertakt zich daarna in de ellepijpslagader en de spaakbeenslagader

Ellepijpslagader

 is het vervolg van de armslagader

 ligt aan de pinkzijde

 gaat over in kleine slagaderen die de handen en de vingers van bloed voorzien

Spaakbeenslagader

 is het vervolg van de armslagader

 ligt aan de duimzijde

 gaat over in kleine slagaderen die de handen en de vingers van bloed voorzien

Handrugslagaders

 komen voort uit de spaakbeenslagader

 liggen tegen de handrug aan

 voorzien de achterkant van de middelste vingers van bloed

Handpalmslagaders

komen voort uit een diepe en oppervlakkige palmaire vaatboog

Aderen

Okselader

 zet zich voort als de sleutelbeenader

 de hoofdader mondt hierop uit

 is een dieper gelegen armader

 voert bloed uit de arm af

Armader

 is het vervolg van de koningsader, de spaak beenader en de ellepijpader

 is een dieper gelegen ader in de bovenarm

Hoofdader

 ligt aan de duimzijde van de onderarm

 voert bloed vanuit kleine adertjes in de hand af

Spaakbeenader

komt halverwege de arm samen met de ellepijpader

Koningsader

 ligt aan de pinkzijde van de arm

 voert bloed vanuit kleine adertjes in de hand af

Ellepijpader

komt halverwege de arm samen met de spaakbeenader

Handrugaders

 zetten zich voort als de spaakbeenader

 liggen tegen de handrug aan

 voeren bloed vanuit de vingers af

Handpalmaders

 monden uit in diepe en oppervlakkig gelegen aders

 voeren bloed vanuit de vingers af

Linker sleutelbeenader

Rechter sleutelbeenader

Okselader Armader

Hoofdader

Spaakbeenader

Koningsader

Ellepijpader

Handrug- en handpalmaders

Rechter sleutelbeenslagader

Linker sleutelbeenslagader

Okselslagader

Armslagader

Ellepijpslagader

Spaakbeenslagader

Palmaire vaatboog

Handrug- en handpalmslagaders

Bijzondere vaatsystemen

Het normale patroon in je lichaam is dat slagaderen overgaan in haarvaten en haarvaten in aderen. Er komen in je lichaam echter ook afwijkende vaatsystemen voor, zoals anastomosen.

Anastomosen

Anastomosen zijn verbindingen tussen bloedvaten, bijvoorbeeld tussen slagaderlijke en aderlijke haarvaten. Ze komen voor in de huid, gewrichten, darmen en spieren.

Collaterale bloedvaten zijn zijtakken van de grotere bloedvaten die in dezelfde richting lopen als het hoofdbloedvat. Ze laten meestal weinig bloed door, maar kunnen de bloedtoevoer van het hoofdvat wel overnemen als deze afsluit, bijvoorbeeld door een bloedstolsel. De collaterale bloedvaten lopen in de handen en voeten en zijn hier vaak ook zichtbaar.

Arterioveneuze anastomosen (AVA) zijn rechtstreekse verbindingen tussen slagaderen en aderen, naast de haarvaten. Het bloed kan van deze verbindingstak gebruikmaken als een orgaan onvoldoende functioneert. Zodra de orgaanfunctie hersteld is, krijgt het bloed zijn normale verloop weer. Arterioveneuze anastomosen komen ook in de handen voor. Hier hebben ze een rol in de warmteregulatie.

bloedvat Ader (vene)

Anastomosen kunnen zich op twee manieren voordoen: als collaterale bloedvaten en als arterioveneuze verbindingen.

Anastomosen
Collateraal bloedvat
Collateraal
Arterioveneuze anastomose

5.4 Lymfevaten -

stelsel

Parallel aan de bloedbaan loopt nog een ander stelsel: het lymfevatenstelsel. Dit stelsel speelt een rol bij de homeostase en het afweersysteem.

Lymfe

Het bloedplasma dat buiten de bloedvaten getreden is (weefselvocht), wordt grotendeels terug in het bloed gezogen door osmose. Een deel van het weefselvocht blijft echter achter in de intercellulaire ruimte. Daar moet het uiteindelijk ook weg. Hier zorgt het lymfevatenstelsel voor: het weefselvocht dat achterblijft, verzamelt zich in kleine buisjes (kleine lymfevaten). Het wordt dan geen weefselvocht meer genoemd, maar lymfevocht of lymfe.

Lymfe is een witte, stroperige vloeistof. Dit is het vocht waarmee blaren bijvoorbeeld gevuld zijn. Het bevat water, eiwitten en afvalstoffen. Daarnaast bevat lymfe witte bloedcellen.

De samenstelling van lymfe komt grotendeels overeen met de samenstelling van bloedplasma. Toch zijn er wat verschillen. In bloedplasma zweven rode bloedcellen en bloedplaatjes rond. Lymfe heeft dat niet, waardoor het niet rood, maar

wittig van kleur is en minder snel stolt dan bloed. Een ander verschil is dat er in lymfe meer lymfocyten rondzweven dan in bloedplasma.

Lymfe stroomt via lymfevaten door lymfeknopen Dit zijn een soort zuiveringsstations die afvalstoffen uit het lymfe filteren. Als de lymfe door minstens één lymfeknoop is gegaan, komt het weer in de bloedbaan terecht als bloedplasma.

Weefselcellen

Weefselvocht

Haarvaten

Lymfehaarvaten

Slagader

Ader

Ontstoken lymfeknopen en lymfevaten

Lymfeknopen en lymfevaten kunnen ontstoken raken als er een infectie in het lichaam optreedt. Dit is vaak zichtbaar als een rode streep op de huid (lymfevatontsteking) of een verdikking (lymfeknoopontsteking).

Bloed ­ en lymfevaten

Bouw van het lymfevatenstelsel

Het lymfevatenstelsel is een stelsel van lymfoïde weefsels, lymfevaten en lymfe. Het is een wijd vertakt stelsel dat door het gehele lichaam loopt, naast de bloedsomloop.

Lymfoïde weefsel is een opeenhoping van los bindweefsel en cellen die helpen het afweersysteem van het lichaam in stand te houden. Dit weefsel maakt namelijk lymfocyten aan, een type witte bloedcellen. Lymfocyten komen in bloed voor, maar vooral in lymfe. Ze zijn belangrijk bij de afweer, omdat ze antistoffen aanmaken.

Alle lymfoïde weefsels worden met elkaar verbonden door een netwerk van lymfevaten. Het lymfevatenstelsel begint in het bindweefsel van organen in de vorm van smalle weefselspleten Het heeft dus geen duidelijk beginpunt, maar begint ‘overal’ in het lichaam. De weefselspleten worden ook wel lymfehaarvaten of lymfecapillairen genoemd. Het zijn de kleinste lymfevaten en komen in alle weefsels van het lichaam voor. Ze monden uit in grotere lymfevaten, die lymfe door het lichaam vervoeren.

Amandelen

Lymfeknopen

Rechterlymfebuis

Zwezerik

Milt

Chylvaten

Lymfeknopen

WEEFSEL.

Het lymfevatenstelsel

Amandelen

De lymfeknopen in de amandelen (keel­ en neusamandelen) bestrijden infecties. Als er te veel ziekteverwekkers het lichaam binnendringen, kunnen de amandelen zelf ook ontstoken raken. Op ongeveer 8­jarige leeftijd krimpen de neusamandelen. Uiteindelijk verdwijnen ze.

Lymfeknopen

Lymfe stroomt door een of meerdere lymfeknopen.

Deze lymfeknopen zitten op plaatsen waar verschillende lymfevaten overgaan in een groter vat. In de lymfeknopen worden ziekteverwekkers en afvalstoffen vernietigd door fagocytose.

Hierdoor komen de ziektekiemen niet in het bloed terecht.

In en om de lymfeknopen zit bindweefsel dat lymfoïde weefsel bevat. Als er ziekteverwekkers in het lichaam aanwezig zijn, gaan de lymfeknopen hard aan het werk. Lymfocyten vermenigvuldigen zich snel, waardoor de lymfeknopen kunnen opzetten. Dit kun je zien in de oksels, omdat de lymfeklieren daar dicht onder de huid liggen.

Milt

De milt zuivert de lymfe en bloed van schadelijke bacteriën en andere ziekteverwekkers en maakt nieuwe lymfecellen aan. Daarnaast heeft de milt een aantal andere functies. Het breekt oude of abnormale rode bloedcellen af en zorgt voor de splitsing van ijzer uit hemoglobine. Ook doet de milt dienst als bloedreservoir bij lichamelijke inspanning. Dit voel je als je pijn in je zij krijgt tijdens het sporten. Bij embryo’s vormt de milt nieuwe rode bloedcellen.

Een mens kan zonder milt leven. Andere organen nemen de functie van de milt dan over. Wel is het lichaam dan vatbaarder voor sommige ziekten.

WIST JE DAT?

VROEGER DACHT

MEN DAT LYMFEKNOPEN

KLIEREN WAREN. ZE

WORDEN DAAROM OOK

WEL LYMFEKLIEREN

GENOEMD. INMIDDELS

WETEN WE DAT

HET ORGANEN ZIJN.

Zwezerik

De zwezerik wordt ook wel borstklier of thymus genoemd. De zwezerik heeft een functie bij de afweer. Een speciaal soort witte bloedcellen (T­lymfocyten) rijpt er. Ook maakt de thymus geheugencellen van het afweersysteem aan.

De zwezerik is vooral actief bij kinderen, omdat er dan de meeste T­lymfocyten geproduceerd moeten worden. Daarna verandert de zwezerik in vetweefsel en verschrompelt het gedeeltelijk.

Als je pijn in je zij hebt tijdens het sporten, voel je waarschijnlijk je milt.

Voortbewegen van lymfe

Lymfevaten lijken veel op aderen. Ze hebben kleppen die voorkomen dat het lymfevocht terugstroomt. Lymfe stroomt daardoor maar één richting op: naar het hart.

De lymfecirculatie heeft geen pompsysteem. De lymfe wordt in beweging gehouden door:

 het samentrekken van de spieren

 de bewegingen van het middenrif

 de bloedstroom

 de aanzuigende werking van de longen tijdens de ademhaling

 de druk in de weefsels

 de eigen stuwkracht

 het kleppensysteem

Test je kennis over het bloed- en lymfevatenstelsel met de online boekcheck. Snelcode 27145

Nog even oefenen met het onderscheid tussen bloed en lymfe? Doe dan de online trainer. Snelcode 26148

De lymfecirculatie is dus anders dan de bloedcirculatie:

Bloedvatenstelsel Lymfestelsel

bloed stroomt snel lymfe stroomt langzaam

heeft een pomp (hart) heeft geen pomp is een gesloten systeem is een open systeem

staat vocht af aan weefsels brengt vocht terug in de bloedbaan

TIP

OPGEZWOLLEN LYMFEKNOPEN ZIJN EEN CONTRAINDICATIE VOOR BIJVOORBEELD EEN MASSAGE.

Manuele lymfedrainage

Wanneer een cliënt last heeft van opgehoopt vocht of opgehoopte afvalstoffen, bijvoorbeeld bij vochtwallen of acne, moet het lymfevatenstelsel het vocht en de afvalstoffen afvoeren.

Een manuele lymfedrainage stimuleert deze afvoer. Je voert meerdere keren lichte druk uit in de richting van de lymfeknopen. Vanuit het probleemgebied werk je zo richting gezond lymfegebied.

6.Hormoonstelsel

Hormonen zijn stoffen die in kleine hoeveelheden een grote invloed hebben op je lichaam. Ze zorgen ervoor dat je organen goed met elkaar samenwerken. Daardoor kan je lichaam als geheel goed functioneren. Ook hebben ze invloed op hoe je je voelt. Weet jij al waar hormonen gevormd worden en wat de verschillen zijn tussen mannen en vrouwen?

6.1

Hormonen en hormoonklieren

Hormonen zijn afscheidingsproducten van hormoonklieren. Ze behoren daarom tot de increten. Dit zijn voor het lichaam nuttige stoffen die door klieren worden afgescheiden.

Hormonen kunnen organen of weefsels activeren of juist afremmen. Het orgaan of weefsel moet dan wel specifieke ontvangers (receptoren) voor het hormoon hebben. Een receptor is een soort sleutelgat van een cel. Als de sleutel (het hormoon) hierop past, worden bepaalde processen gestart of gestopt.

Direct en indirect werkende hormonen

Hormonen kunnen een directe werking hebben op het lichaam, maar ook een indirecte werking. Indirecte hormonen zetten andere klieren aan

tot het produceren van hormonen. Indirect werkende hormonen noem je ook wel glandotrope hormonen

Een voorbeeld van een direct werkend hormoon is het pigmenthormoon, dat zorgt voor pigmentatie (verkleuring) van de huid. Een voorbeeld van een indirect werkend hormoon is het luteïniserend hormoon (LH). Dit stimuleert de eierstokken om progesteron en oestrogeen aan te maken, de hormonen die de menstruatiecyclus van een vrouw regelen.

Hormoonklieren

Ons lichaam kent drie soorten klieren, waarvan er twee hormonen produceren:

 Exocriene klieren produceren geen hormonen, maar alleen andere stoffen. Deze worden door een afvoerbuis naar andere plekken in het lichaam gebracht. Een voorbeeld is de speekselklier.

 Endocriene klieren produceren alleen hormonen die rechtstreeks worden afgegeven aan het bloed. Endocriene klieren hebben geen afvoerbuis.

 Endo-exocriene klieren produceren naast hormonen ook andere stoffen. De hormonen worden rechtstreeks afgegeven aan het bloed. De andere stoffen worden afgevoerd naar andere delen van het lichaam via een afvoerbuis. Voorbeelden van deze stoffen zijn eicellen of zaadcellen (door geslachtsklieren) of alvleessap (door alvleesklier).

Tijdens de zwangerschap kan de hormoonhuishouding pigmentvlekken in het gezicht veroorzaken. Dit noem je een zwangerschapsmasker of melasma.

In dit hoofdstuk worden alleen de hormoonklieren behandeld: de endocriene en endo­exocriene klieren. De belangrijkste endocriene klieren zijn de hypofyse, de schildklier en de bijnieren. De belangrijkste endo­exocriene klieren zijn de alvleesklier en de geslachtsklieren. In de volgende paragrafen worden deze hormoonklieren toegelicht.

Bloedvat

Afgifte hormonen

Kliercellen

Histamine veroorzaakt een vlekkerige roodheid aan het huidoppervlak, terwijl acetylcholine voor een egale roodheid zorgt.

Weefselhormonen

De meeste hormonen worden in endocriene of endo­exocriene klieren gevormd. Weefselhormonen worden echter door weefsels aangemaakt. Ze ontstaan door een prikkeling van zenuwen in de huid. Voorbeelden zijn histamine en acetylcholine. Histamine en acetylcholine verwijden de bloedvaten. Histamine veroorzaakt een vlekkerige roodheid aan het huidoppervlak, terwijl acetylcholine voor een egale roodheid zorgt.

Bloedvat

Afgifte hormonen

Afgifte andere stoffen

Afvoerbuis

Endocriene klier
Endo ­ exocriene klier

6.2

Hypofyse

Een belangrijke hormoonklier is de hypofyse, een aanhangsel in je hersenen dat zo groot is als een erwt. In de hypofyse worden hormonen aangemaakt.

De hypofyse ligt in een uitholling van het wiggebeen: het Turkse zadel. De hypofyse bestaat uit:

 een voorkwab, die is opgebouwd uit klier weefsel (de adenohypofyse);

 een middenkwab, die weinig ontwikkeld is;

 een achterkwab, die is opgebouwd uit zenuwweefsel (de neurohypofyse).

De voorkwab is het belangrijkste deel van de hypofyse, omdat hier veel hormonen aangemaakt worden. Sommige hiervan werken direct, andere werken indirect.

De hypofyse in de hersenen
Hypofyse
Dwerggroei door een tekort aan het groeihormoon

Een voorbeeld van een direct werkend hormoon dat aangemaakt wordt door de voorkwab, is het groeihormoon. Dit hormoon stimuleert de lengtegroei in pijpbeenderen en de ontwikkeling van spierweefsel. Als een lichaam te weinig groeihormoon produceert, ontstaat er dwerggroei. Bij een teveel aan groeihormoon ontstaat er reuzengroei. Een ander voorbeeld is het pigmenthormoon. Deze zorgt voor de pigmentatie (verkleuring) van de huid.

In de achterkwab worden twee direct werkende hormonen aangemaakt: oxytocine en het antidiuretisch hormoon (ADH). Oxytocine, een geslachtshormoon, wekt de weeën op bij een bevalling en zorgt dat de melkklieren melk gaan produceren. ADH zorgt ervoor dat de nieren water vasthouden, zodat je niet te veel water uitplast.

Alcohol en ADH

Alcohol zorgt ervoor dat er minder ADH geproduceerd wordt. De nieren houden daardoor minder water vast waardoor je vaker moet plassen. Hierdoor ontstaat een vochttekort, waardoor je dorst krijgt en de volgende dag een kater hebt.

Dit deel van de hypofyse …

maakt dit hormoon aan: Dit hormoon stimuleert … tot het aanmaken van:

voorkwab thyroïd stimulerend hormoon (TSH) de schildklier schildklierhormoon (thyroxine, T4)

voorkwab adrenocorticotrope hormoon (ACTH) de bijnierschors corticoïden

voorkwab follikelstimulerend hormoon (FSH) de eierstokken progesteron en oestrogeen

voorkwab follikelstimulerend hormoon (FSH) de testikels testosteron

voorkwab luteïniserend hormoon (LH) de eierstokken progesteron en oestrogeen

voorkwab groeihormoon lengtegroei en spierontwikkeling

voorkwab pigmenthormoon huidverkleuring

achterkwab antidiuretisch hormoon (ADH) vasthouden van water in de nieren

achterkwab oxytocine samentrekkingen van de baarmoeder en melkproductie

6.3 Schildklier

De schildklier is een vlindervormige hormoonklier die zich net boven het kuiltje in je hals bevindt: onder je strottenhoofd en om je luchtpijp heen. De schildklier maakt onder andere het hormoon thyroxine ( T4) aan. T4 heeft invloed op:

 stofwisseling in de cellen

 geestelijke ontwikkeling

 beenvorming

 groei

Voor de aanmaak van T4 werkt de schildklier samen met de hypothalamus en de hypofyse.

Hypothalamus

De hypothalamus is een regelcentrum in je hersenen. Dit centrum regelt dat je honger, dorst, slaap en zin in seks krijgt. Ook reguleert het je emoties.

Hypothalamus

De hypothalamus maakt het thyreotrope hormoon (TRH) aan. TRH stimuleert de hypofyse om het thyroïd stimulerend hormoon (TSH) aan te maken.

Hypofyse

Door de toename van TRH, gaat de hypofyse het thyroïd stimulerend hormoon (TSH) aanmaken. Dit hormoon zet de schildklier aan om thyroxine (T4) aan te maken.

Schildklier

TSH stimuleert de schildklier om onder andere thyroxine (T4) aan te maken.

T4 wordt afgegeven aan weefsels, cellen en de bloedbaan.

De wisselwerking tussen schildklier, hypothalamus en hypofyse

Te snel of te traag werkende schildklier

Soms is het evenwicht tussen TRH, TSH en T4 verstoord. Bij een te snel werkende schildklier (hyperfunctie) spreek je van hyperthyreoïdie

De schildklier maakt dan te veel T4 aan, waardoor onder andere de stofwisseling wordt versneld. Andersom wordt de stofwisseling vertraagd door een tekort aan T4. Dit gebeurt bij een te traag werkende schildklier (hypofunctie). Dit noem je hypothyreoïdie. Een verstoorde schildklier kan veel klachten geven.

Klachten hyperfunctie

Klachten hypofunctie

vermagering dikker worden

overdreven werkdrang lusteloosheid (apathie)

nervositeit langzame motoriek

versnelde hartslag vertraagde hartslag slapeloosheid vermoeidheid

verminderde zweetafscheiding

oedeem (vochtophoping in het weefsel)

Bijschildklieren

Pal naast de schildklier liggen vier bijschildkliertjes: de parathyreoïden. Deze kliertjes zijn slechts iets groter dan een rijstkorrel. Ze maken het parathyreoïdhormoon (PTH) aan. Dit hormoon wordt ook wel parathormoon genoemd.

Samen met vitamine D regelt PTH de calcium­ en fosfaathuishouding van je lichaam. PTH zorgt ervoor dat calcium uit de darm wordt opgenomen in het bloed en dat nieren fosfaat uitscheiden.

Een te trage schildklier leidt vaak tot vermoeidheid en lusteloosheid.

6.4

Bijnieren

De bijnieren zijn twee kleine organen die op de nieren liggen. Ze bestaan elk uit twee delen: het merg binnenin en de schors aan de buitenkant. Om de bijnieren heen ligt het bijnierkapsel en een beschermlaag van vetweefsel.

Bijnierschors

De bijnierschors maakt hormonen aan die we corticosteroïden of corticoïden noemen. Deze aanmaak wordt aangestuurd door het glandotrope (indirect werkende) adrenocorticotroop hormoon (ACTH) uit de hypofysevoorkwab. Er zijn drie soorten corticoïden:

 mineraalcorticoïden

 glucocorticoïden

 geslachtscorticoïden

De mineraalcorticoïden beïnvloeden de mineraalhuishouding. Het bekendste mineraalcorticoïd is aldosteron. Aldosteron reguleert de mineraalhuishouding door de nieren minder zout uit te laten scheiden. Hiermee regelt aldosteron indirect ook de bloeddruk.

Glucocorticoïden spelen een rol in de glucosestofwisseling. De bekendste glucocorticoïd is cortisol, ook wel hydrocortison. Cortisol zorgt ervoor dat bepaalde eiwitten in spieren worden afgebroken, waarbij aminozuren vrijkomen. Cortisol zet deze aminozuren om in glucose.

Ook speelt cortisol een rol in het afweersysteem. Het heeft een remmende invloed op ontstekings­

verschijnselen en allergische reacties. Daarom schrijven artsen bij ernstige eczeem vaak een zalf voor waar cortisol (hydrocortison) in zit.

De geslachtscorticoïden zijn de androgene (mannelijke) en oestrogene (vrouwelijke) corticoïden. Ze hebben dezelfde werking als de geslachtshormonen die zich in de geslachtsorganen vormen (testosteron en oestrogeen).

Na de overgang produceren de eierstokken geen oestrogenen meer. De bijnieren blijven wel mannelijke en vrouwelijke geslachtshormonen aanmaken.

Cortisonzalf
Onderdelen van de bijnieren
Bijnier
Nier
Kapsel
Schors
Merg

Bijniermerg

In het bijniermerg worden de hormonen adrenaline en noradrenaline gemaakt. Deze hormonen worden ook wel de vecht-of-vluchthormonen genoemd, omdat ze ervoor zorgen dat het lichaam een extra inspanning kan leveren bij gevaar of stress.

Bij emoties zoals angst, opwinding, spanning of blijdschap komt er adrenaline vrij. Hierdoor wordt glycogeen omgezet in glucose, voor extra energie. Om te kunnen vechten of vluchten, hebben sommige lichaamsdelen extra zuurstof nodig.

Daarom zorgt adrenaline ervoor dat:

 de kransslagaders verwijden, waardoor het hart harder kan werken;

 het hart sneller gaat kloppen;

 de bloedvaten van onder andere de skeletspieren verwijden;

 de fijnere luchtpijptakken verwijden;

 de ademhaling versnelt.

Verder zorgt adrenaline ervoor dat de pupillen wijder worden en de spiertonus (spierspanning) wordt verhoogd. De bloedvaten van de spijsverteringsorganen vernauwen, omdat deze organen even geen extra zuurstof nodig hebben.

Wanneer het gevaar voorbij is, vermindert de adrenalineproductie en reageert het lichaam weer normaal.

Noradrenaline ondersteunt de werking van adrenaline. Noradrenaline heeft namelijk vooral een vaatvernauwende werking op de bloedvaten in de huid. Hierdoor komt er meer bloed beschikbaar voor de organen die in actie zijn. Een teveel aan noradrenaline kan leiden tot prikkelbaarheid of woede­uitbarstingen. Te weinig noradrenaline zorgt juist voor lusteloosheid en neerslachtigheid.

Stresshormoon en neurotransmitter

Noradrenaline is naast een stresshormoon ook een neurotransmitter: een stof die een signaal afgeeft aan zenuwcellen (neuronen). Noradrenaline geeft een signaal af aan je hersenen en zorgt zo voor motivatie, alertheid en concentratie. Hersenen hebben noradrenaline nodig om herinneringen te vormen.

WIST JE DAT? DE REACTIE VAN MENSEN OP GEVAAR HEET OOK WEL FIGHT (VECHTEN) FLIGHT (VLUCHTEN) OF FREEZE (BEVRIEZEN).

6.5

Alvleesklier

De alvleesklier wordt ook wel pancreas of buikspeekselklier genoemd. Deze ligt in de buikholte, links onder de lever en achter de maag. Het is een endo­exocriene klier. Exocrien omdat de alvleesklier alvleessap produceert en dit via een buis naar de twaalfvingerige darm vervoert. Die gebruikt de enzymen uit het alvleessap voor de vertering van voeding. Endocrien omdat de alvleesklier insuline en glucagon aanmaakt. Dit wordt gedaan door cellen die in groepjes bij elkaar liggen: de eilandjes van Langerhans

Alvleesklier Twaalfvingerige darm

Alvleesklier en omliggende organen
Lever
Galblaas

Insuline en glucagon

De alvleesklier maakt insuline en glucagon aan. Deze hormonen hebben invloed op de koolhydraatstofwisseling.

Als de suikerspiegel hoog is (er zit veel suiker in het bloed), dan geeft de alvleesklier insuline af aan het bloed. Insuline zorgt ervoor dat je cellen glucose kunnen opnemen en verbranden. Ook zet insuline het teveel aan glucose om in glycogeen. Glycogeen wordt als reservevoorraad opgeslagen in de lever en de spieren. Doordat de glucose verbrand wordt door het lichaam en opgeslagen wordt als glycogeen, daalt de suikerspiegel.

Zodra de suikerspiegel te laag wordt, maakt de alvleesklier glucagon aan. Dit hormoon geeft de lever een seintje om de opgeslagen glycogeen om te zetten in glucose, wat weer verbrand kan worden door het lichaam. Zo houdt de alvleesklier, in samenwerking met de lever, de suikerspiegel in balans.

SUIKERSPIEGEL

lever zet glycogeen om in glucose

SUIKERSPIEGEL

glucose wordt verbrand cellen nemen glucose op

lever en spieren slaan glycogeen op

lever zet teveel aan glucose om in glycogeen

De werking van de alvleesklier

6.6

Geslachtsklieren

Naast de hypofyse maken ook de geslachtsklieren geslachtshormonen aan. De geslachtsklieren (gonaden) zijn endo­exocriene klieren: ze maken hormonen en geslachtscellen (zaadcellen of eicellen) aan.

Samenwerking met hypofyse

De geslachtsklieren starten niet zomaar met het aanmaken van geslachtshormonen. Dit proces start in de hypofyse, die het follikelstimulerend hormoon (FSH) en het luteïniserend hormoon (LH) aanmaakt.

FSH en LH zorgen er bij vrouwen voor dat de vrouwelijke geslachtsklieren de geslachtshormonen progesteron en oestrogeen aanmaken. FSH zorgt daarnaast voor de rijping van de eicel. LH zorgt voor de eisprong.

Bij mannen stimuleren FSH en LH de mannelijke geslachtsklieren om het geslachtshormoon testosteron aan te maken. FSH zorgt daarnaast voor de aanmaak en rijping van zaadcellen in de testikels.

Geslachtsorganen

De geslachtsklieren bevinden zich in de geslachtsorganen. De geslachtsorganen zijn bij mannen en vrouwen verschillend. In de volgende subparagrafen leer je wat deze verschillen zijn.

Vrouwelijke geslachtsorganen

De vrouwelijke geslachtsklieren bevinden zich in de eierstokken (ovaria). Deze zijn onderdeel van de inwendige vrouwelijke geslachtsorganen (zie afbeelding).

De inwendige geslachtsorganen van de vrouw hebben elk hun eigen functie en zorgen er samen voor dat de vrouw kinderen kan krijgen. Hierbij is de menstruele cyclus van belang. Deze wordt aangestuurd door geslachtshormonen.

Eileiders

Eierstokken (ovaria)

Baarmoeder (uturus)

Baarmoederhals

Baarmoedermond Vagina (schede)

Inwendige geslachtsorganen van de vrouw

Vrouwelijke

geslachtshormonen

De eierstokken produceren de geslachtshormonen oestrogeen en progesteron. Deze hormonen zijn samen verantwoordelijk voor de menstruatiecyclus. Oestrogeen heeft daarnaast invloed op de ontspanning van glad spierweefsel. Progesteron heeft invloed op het gladde spierweefsel en bloedvaten. Het veroorzaakt een verhoogde spanning, waardoor je hoofpijn, gezwollen borsten en buikpijn kunt krijgen.

Menstruele cyclus

De menstruele cyclus begint in de puberteit en herhaalt zich tot aan de overgang gemiddeld iedere 28 dagen. De cyclus start in de hypofyse, die FSH en LH aanmaakt. Onder invloed van FSH rijpt er een eicel in de eierstokken. Er groeit een vochtblaasje om de eicel heen. Dit blaasje heet de follikel

Onder invloed van LH barst de rijpe eicel uit de follikel en komt met een klein ‘sprongetje’ in de eileider terecht. Dit is de ovulatie (eisprong). Na de ovulatie vormt het resterende omhulsel van de follikel om tot het gele lichaam (corpus luteum). Dit gele lichaam maakt progesteron aan, dat zorgt voor de groei van het baarmoederslijmvlies.

De rijping van de eicel, de ovulatie en de vorming van het gele lichaam
1 Rijping eicel
2 Eicel is rijp
3 Ovulatie

TIP IN HET HOOFDSTUK

‘CELLEN EN WEEFSELS’

LEES JE MEER OVER HET

PROCES VAN MEIOSE.

Als er geen bevruchting plaatsvindt, lost de onbevruchte eicel op. Het gele lichaam stopt met de productie van progesteron. Hierdoor stoot het lichaam het baarmoederslijmvlies uit. Hierbij scheuren ook wat kleine bloedvaten open. Dit is de menstruatie. Dit vindt ongeveer veertien dagen na de ovulatie plaats.

Zwangerschap

Wanneer er bevruchting met een zaadcel plaatsvindt, gaat de samengesmolten cel zich delen. Na een paar dagen beweegt het klompje cellen zich door de eileider naar de baarmoeder, waar het zich in het verdikte baarmoederslijmvlies kan innestelen. Het ontwikkelt zich hier tot embryo.

Meiose

Ouders geven hun genen door aan hun baby. Deze genen zitten in 46 chromosomen in de eicellen en zaadcellen. Maar wanneer beide ouders al hun 46 chromosomen door zouden geven, zou de baby dubbele erfelijke informatie krijgen. Daarom moet het aantal chromosomen gehalveerd worden. Dit gebeurt door reductiedeling of meiose. Een bevruchte eicel krijgt hierdoor weer 23 + 23 = 46 chromosomen.

Eicel in eileider

Rijping eicel en ovulatie 6 Innesteling

WIST JE DAT? VANAF DE GEBOORTE ZIJN IN DE EIERSTOKKEN DUIZENDEN EICELLEN AANWEZIG. HIERVAN KOMEN ER ONGEVEER 400 TOT RIJPING IN DE PERIODE VANAF DE PUBERTEIT TOT DE OVERGANG.

Bevruchting
Van bevruchting tot innesteling

Het gele lichaam blijft na de bevruchting progesteron aanmaken. Progesteron geeft een seintje aan de hypofyse, waardoor er tijdens de zwangerschap geen nieuwe eicellen meer rijpen. Ook zorgt progesteron ervoor dat de baarmoederwand verdikt blijft. Hierdoor kan de baarmoeder de embryo blijven vasthouden.

Op de plek waar de bevruchte eicel zich ingenesteld heeft, groeit de placenta (moederkoek).

Dit orgaan geeft de embryo zuurstof en voedingsstoffen, zodat die zich kan ontwikkelen tot foetus en baby. De placenta houdt de bloedsomloop van moeder en kind gescheiden. De placenta maakt belangrijke hormonen aan:

 Progesteron zorgt ervoor dat het baarmoederslijmvlies in stand blijft en de baarmoeder niet samentrekt. Het gele lichaam vervalt zodra de placenta de progesteronaanmaak overgenomen heeft.

 Oestrogeen zorgt ervoor dat de eierstokken niet actief zijn en dat de baarmoeder sterker wordt.

 Humaan placentair lactogeen hormoon (HPL) voorkomt dat het lichaamsvreemde deel van de embryo (die immers ook de genen van de vader heeft) niet wordt afgestoten.

 Het zwangerschapshormoon humaan choriongonadotrofine (hCG) stimuleert de groei van de embryo.

Overgang

De overgang is de periode waarin een vrouw onvruchtbaar wordt. Dit kan wel zeven tot tien jaar duren. De eierstokken produceren minder oestrogeen en de menstruatie wordt onregelmatig en houdt uiteindelijk op. Vrouwen kunnen minder zin in seks krijgen en last hebben van moeheid en vasomotorische storingen. Dit zijn storingen in de

vernauwing en verwijding van de bloedvaten, die gepaard gaan met opvliegers. De meeste vrouwen hebben hun laatste menstruatie rond hun vijftigste jaar. De laatste menstruatie heet de menopauze. Menopauze en overgang zijn dus niet hetzelfde.

Primaire en secundaire geslachtskenmerken

Primaire geslachtskenmerken zijn alle lichaamsdelen die bij de geboorte al het verschil maken tussen een jongen of meisje. Onder invloed van de geslachtshormonen ontwikkelt het lichaam in de puberteit de secundaire geslachtskenmerken. Dit zijn bij de vrouw onder andere borstontwikkeling en een verbreding van het bekken. Bij mannen zijn dit bijvoorbeeld de groei van het strottenhoofd en baardgroei.

Mannelijke geslachtsorganen en -hormonen

De mannelijke geslachtsklieren bevinden zich in de testikels (testes). Deze zijn onderdeel van de mannelijke geslachtsorganen (zie afbeelding).

De mannelijke geslachtsorganen zorgen er samen voor dat de man zich kan voortplanten. De testikels produceren zaadcellen. De zaadcellen worden verzameld en gerijpt in de bijballen

Via de zaadleiders worden de zaadcellen naar de zaadblaasjes vervoerd. Deze blaasjes maken spermavocht aan en de prostaat prostaatvocht. Samen vormen deze stoffen sperma. De zwellichamen en de eikel en zorgen ervoor dat de penis stijf wordt en de man een orgasme krijgt waardoor het sperma het lichaam via de urinebuis verlaat.

Mannelijke geslachtshormonen

Testikels maken naast zaadcellen ook mannelijke geslachtshormonen aan. Dit gebeurt onder invloed van LH en FSH. Mannelijke geslachtshormonen zijn nodig voor de ontwikkeling van de mannelijke geslachtsorganen. Mannelijke geslachtshormonen worden ook wel androgenen genoemd.

Androgenen bij mannen en vrouwen

Ook vrouwen maken een klein beetje androgenen aan, in de eierstokken. Dit zijn ovariële androgenen

Bij zowel mannen als vrouwen maakt ook de bijnierschors mannelijke geslachtshormonen aan: adrenale androgenen. Dit is echter zo’n klein beetje, dat het nauwelijks invloed heeft op de geslachtskenmerken.

Overgang

De aanmaak van testosteron neemt geleidelijk af bij het ouder worden. Dit wordt de andropauze of, minder serieus, de penopauze genoemd. Rond dezelfde leeftijd als vrouwen kunnen mannen ook klachten krijgen door het hormoontekort, zoals een afnemende behoefte aan seks, erectieproblemen, meer buikvet en minder spierkracht, slaapstoornissen en depressieve klachten.

Train je kennis over het hormoonstelsel met de online trainer.

Snelcode 26162

Test je kennis over het hormoonstelsel met de online boekcheck.

Snelcode 27160

Zwellichaam

Urinebuis

Eikel

Bijbal

Testikel

WIST JE DAT? EEN TEKORT AAN 5 ­ALFA­ REDUCTASE KAN ER BIJ EEN EMBRYO (JONGETJE) VOOR ZORGEN DAT DE MANNELIJKE GESLACHTS DELEN ZICH ONVOLDOENDE ONTWIKKELEN OF DAT ER VROUWELIJKE GESLACHTSDELEN GEVORMD WORDEN.

Geslachtsorganen van de man
Blaas
Zaadblaasje
Prostaat
Zaadleider

7.Zenuwstelsel

Een cliënt ligt bij jou in de stoel voor een hoofd- en nekmassage.

Je begint te masseren en merkt dat het pijn doet als je bij de nek aan komt. “Heb je veel last van spanning?” “Ja,” zegt je cliënt, “ik ben druk op school en mijn vriendinnen willen eigenlijk ook elk weekend uit.”

Je voelt de spanning in haar lichaam. “Allemaal signalen van je zenuwstelsel”, zeg je. “Gelukkig weet ik precies hoe dat zenuwstelsel werkt. Ik ga je een massage geven om ervoor te zorgen dat je spieren wat ontspannen.”

Prikkels

Je lichaam kan op verschillende manieren informatie ontvangen en daarop reageren.

Deze informatie wordt in de vorm van prikkels door je lichaam heen gestuurd en op de juiste plek verwerkt.

Zintuigen

Prikkels van buitenaf komen je lichaam binnen via je zintuigen. Een zintuig is een orgaan dat signalen uit de buitenwereld opvangt en omzet in een prikkel. Er zijn vijf zintuigen:

 Het gevoelszintuig : de huid. In de huid zitten verschillende receptoren die tast, druk, kou en warmte opvangen.

 Het reukzintuig : de neus. De neus vangt geuren op. Als je inademt, komen de geurcellen bij het reukslijmvlies terecht. Dat zit bovenin de neusholte.

 Het smaakzintuig : de tong. Op de tong zitten smaakreceptoren, die ook wel smaakpapillen heten. De smaakpapillen zorgen ervoor dat je de smaken zoet, zuur, zout, bitter en umami kunt proeven.

 Het gehoorzintuig : de oren. Het oor vangt geluiden op. Geluidstrillingen worden via het trommelvlies en door de gehoorgang overgebracht aan de gehoorzintuigcellen. Vanaf daar gaan de prikkels naar de hersenen.

 Het gezichtszintuig : de ogen. De ogen vangen beelden op. Via het hoornvlies, de lens en het glasachtig lichaam komt er een beeld op het netvlies. De zintuigcellen zetten dit beeld om in prikkels.

De prikkels die de zintuigen ontvangen, worden verwerkt door de hersenen.

Het gehoorzintuig

Soorten prikkels

Er zijn verschillende soorten prikkels die je lichaam kan ontvangen of versturen:

 Sensibele prikkels of gevoelsprikkels. Dit zijn tast, druk, warmte en kou. Je neemt deze waar met je huid.

 Sensorische prikkels of zintuigelijke prikkels. Dit zijn zicht, gehoor, reuk en smaak. Je neemt deze waar met je ogen, oren, neus en tong.

 Motorische prikkels of bewegingsprikkels. Deze worden verstuurd door het lichaam. Ze zorgen er bijvoorbeeld voor dat spieren bewegen of klieren geactiveerd worden.

Het lichaam reageert op deze prikkels. Zo trek je bijvoorbeeld automatisch je hand weg als je die brandt (sensibele prikkel) en steek je je hand uit als je iets wilt pakken (motorische prikkel).

7.2

Prikkelgeleiding

Prikkels worden doorgegeven door zenuwen: bundels van zenuwcellen. Een zenuwcel wordt ook wel een neuron genoemd. Een neuron bevat meerdere dendrieten en één neuriet. Neurieten en dendrieten zijn de uitlopers van de celkern en de belangrijkste onderdelen voor de prikkelgeleiding. Neurieten zijn lange uitlopers en geleiden prikkels van de zenuwcel af. Ze sturen bijvoorbeeld informatie naar een spier of klier. Neurieten

worden ook wel axonen genoemd. Dendrieten zijn korte uitlopers en geleiden prikkels naar de zenuwcel toe. Een dendriet vangt bijvoorbeeld prikkels vanuit je zintuigen op.

Wanneer een prikkel via een zintuig het lichaam binnenkomt, maakt het lichaam een elektrisch signaal aan. Dit wordt ook wel de impuls genoemd. Door een verschil in elektrische lading springt de impuls over van de ene naar de andere neuron en ontstaat prikkelgeleiding.

Myelineschede TIP IN HET HOOFDSTUK ‘CELLEN EN WEEFSELS’ LEES JE MEER OVER DE BOUW VAN ZENUWWEEFSEL.

Celkern

Dendriet

Neuriet (axon)

De onderdelen van een zenuwcel (neuron)

Synapsen en neurotransmitters

De plek waar de impuls overspringt, wordt de synaps genoemd. De prikkelgeleiding wordt versneld door de myelineschede die om de neurieten heen zit. Deze vettige laag werkt als een isolator.

Prikkelgeleiding wordt geholpen door chemische stoffen. Deze chemische stoffen ontstaan op de plek van de synaps. De chemische stoffen worden ook wel neurotransmitters genoemd. De meest bekende neurotransmitters zijn acetylcholine en noradrenaline. Bij motorische prikkels vormt zich alleen acetylcholine. Bij een sensibele prikkel vormt zich zowel acetylcholine als noradrenaline.

Ben je nog niet genoeg geprikkeld?

Bekijk de online masterclass over prikkels en prikkelgeleiding!

Snelcode 21174

Lichaam ontvangt of verstuurt impuls.

Neurieten of dendrieten vervoeren de prikkels.

Neurieten of dendrieten maken contact met elkaar. Er is prikkeloverdracht (de synaps)

Er vormen zich neurotransmitters op de plaats van de synaps.

Motorische prikkel? Er vormt zich acetylcholine.

Sensibele prikkel? Er vormen zich acetylcholine en noradrenaline.

7.3 Verschillende zenuwstelsels

Het zenuwstelsel is een netwerk van 30 tot 40 miljard zenuwcellen. Dit netwerk bepaalt samen onze reactie op prikkels van buitenaf en binnenuit. Er zijn verschillende manieren om het zenuwstelsel te bekijken:

 Op basis van anatomie: deze indeling beschrijft het zenuwstelsel op basis van ligging in het lichaam.

 Op basis van evolutieleer: deze indeling beschrijft hoe het zenuwstelsel zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld.

 Op basis van functie: deze indeling beschrijft de werking van de verschillende delen van het zenuwstelsel.

De anatomische indeling is de meest gebruikte indeling. Hierbij maak je onderscheid tussen het centrale zenuwstelsel en het perifere zenuwstelsel. Het centrale zenuwstelsel bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. Alles hierbuiten is onderdeel van het perifere zenuwstelsel.

Het centrale en perifere zenuwstelsel bestaan uit een zenuwstelsel dat je zelf kunt aansturen en een zenuwstelsel dat je niet zelf kunt aansturen. Het zenuwstelsel dat je níét kunt aansturen, noem je het autonome zenuwstelsel of het vegetatieve zenuwstelsel. Dit stuurt bijvoorbeeld je hartslag aan en de assimilatie en dissimilatie.

Animaal zenuwstelsel

Een deel van het zenuwstelsel kun je zelf aansturen: het staat onder invloed van de wil. Dit noem je het animale zenuwstelsel. Mimische spieren en skeletspieren worden aangestuurd door het animale zenuwstelsel. Daardoor kun je zelf bepalen of je bijvoorbeeld loopt of knipoogt. Het animale zenuwstelsel ontvangt daarnaast sensorische en sensibele prikkels.

In de volgende paragrafen lees je meer over het centrale, perifere en autonome zenuwstelsel. In de laatste paragraaf worden de evolutionaire en functionele indelingen van het zenuwstelsel behandeld.

Het centrale zenuwstelsel bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. Alles daarbuiten is onderdeel van het perifere zenuwstelsel.

7.4 Centraal zenuwstelsel

Het centrale zenuwstelsel bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. De hersenen worden vaak gezien als het centrale besturingssysteem van het lichaam. Samen met het ruggenmerg is het verantwoordelijk voor de prikkelgeleiding en bewuste en onbewuste acties van de mens.

Hersenen

De hersenen sturen alle willekeurige en onwillekeurige handelingen in het lichaam aan. Ze zorgen er dus voor dat jij kunt functioneren. De hersenen zitten vol groeven, sleuven en kronkels, voor extra oppervlakte.

Grote hersenen

De grote hersenen (cerebrum) bestaan uit twee hersenhelften. Die worden ook wel hemisferen genoemd. De grote hersenen zorgen voor ons bewustzijn, geheugen, gevoel en de willekeurige spierbewegingen. Daarnaast coördineren ze alle sensorische prikkels die binnenkomen. Beide hemisferen zijn verbonden door een hersenbalk Hierin liggen de zenuwbundels die de linker­ en de rechterhersenhelft met elkaar verbinden.

De buitenste laag van de grote hersenen is de hersenschors. Dit is grijs van kleur door de opeenhoping van zenuwcellichamen. Elk gedeelte van de hersenschors heeft een eigen specialisatie. Zo is er een gedeelte waar de motorische informa­

Motorische informatie

Gevoelsgebied

Spraakgebied

Spraakcentrum

Leesgebied

Hoorgebied

Zichtgebied

Grote hersenen

Hersenbalk Kleine hersenen

Hersenstam

Doorsnede van de hersenen
Elk gedeelte van de hersenschors heeft zijn eigen specialisatie.

tie verwerkt wordt, een gedeelte waar je spraak gestuurd wordt en een gedeelte waar je zicht verwerkt wordt. Tussen al deze gebieden liggen verbindingen om nieuwe gebeurtenissen te kunnen verwerken en ordenen.

Het binnenste gedeelte van de grote hersenen heet het hersenmerg. Het hersenmerg geeft impulsen vanuit het hele lichaam aan de hersenschors door en andersom. Dit is groter dan de hersenschors en is wit van kleur. De witte kleur ontstaat door de neurieten en myelinescheden daaromheen.

Hersenvliezen en hersenvocht

Om de grote hersenen heen liggen drie hersenvliezen:

 het harde hersenvlies (dura mater)

 het spinnenwebvlies (arachnoidea)

 het zachte hersenvlies (piu mater)

Het harde hersenvlies ligt direct tegen de schedel aan. Het zachte hersenvlies zit om alle plooien van de hersenen heen. Het spinnenwebvlies ligt ertussenin en bevat bloedvaten die de hersenen voeden.

De ruimte tussen de hersenvliezen is gevuld met hersenvocht (cerebrospinaal vocht). Hersenvocht werkt als een stootkussen ter bescherming van de hersenen. Daarnaast vervoert het voedingsen afvalstoffen. Het hersenvocht vol afvalstoffen wordt daarna door bloed en lymfe afgevoerd.

WIST JE DAT?

HERSENVLIEZEN ZITTEN ZOWEL OM DE HERSENEN ALS HET RUGGENMERG HEEN.

WIST JE DAT?

NEURONEN IN HET

CENTRALE ZENUWSTELSEL

KUNNEN ZICHZELF NIET

HERSTELLEN. MET VEEL

OEFENING KUNNEN

NEURONEN WEL GETRAIND

WORDEN OM ELKAARS

FUNCTIES OVER TE NEMEN.

Hoofdhuid

Schedel Hard hersenvlies

Bloedvat

Spinnenwebvlies

Zacht hersenvlies

Hersenschors

Doorsnede van hersenvliezen

Kleine hersenen

De kleine hersenen (cerebellum) liggen aan de achterkant van het hoofd, onder de grote hersenen. Ze zijn met drie takken verbonden aan de hersenstam. De kleine hersenen coördineren de houding en beweging. Dat doen ze samen met het evenwichtsorgaan, dat in je oor zit. Ze zorgen er ook voor dat de juiste dosering prikkels bij de spieren aankomt.

Hersenstam

De hersenstam (truncus cerebri) ligt tussen de hersenen en het ruggenmerg in. De hersenstam geleidt prikkels van en naar de grote en kleine hersenen. Op de overgang van de hersenstam naar het ruggenmerg vindt de kruising van de zenuwen plaats. De hersenstam bestaat uit de middenhersenen, de pons en het verlengde merg.

Middenhersenen

De middenhersenen regelen de onwillekeurige bewegingen in het lichaam.

Pons

De pons wordt ook wel de brug van Varol genoemd.

De brug van Varol is de verbinding tussen de grote en kleine hersenen.

Verlengde merg

In het verlengde merg worden de vitale functies aangestuurd, zoals de ademhaling en de hartfunctie.

Onderdelen van de hersenstam

Ruggenmerg

Het ruggenmerg (de medulla spinalis) ligt in de wervelkolom. Het is de geleider voor veel verschillende zenuwimpulsen en zorgt met name voor de reflexen van het lichaam.

Bouw van het ruggenmerg

Het ruggenmerg is een zenuwweefselstreng die in de hersenstam begint en bij de tweede lendenwervel eindigt. Hoe lager je in de wervelkolom komt, hoe dunner de streng is. Er zitten twee verdikkingen in het ruggenmerg: ter hoogte van de hals en bij de lendenwervels. Ter hoogte van

de hals treden de zenuwen voor de armen in en uit het ruggenmerg. Bij de lendenwervels zijn dat de zenuwen voor de benen. Het ruggenmerg is bij de lendenwervels gevuld met een grote bundel zenuwen. Dit wordt ook wel de paardenstaart genoemd.

Van buiten naar binnen bestaat het ruggenmerg uit witte stof, grijze stof en een nauw kanaal met ruggenmergvocht. Om het ruggenmerg heen zitten drie ruggenmergvliezen, namelijk het harde ruggenmergvlies, het spinnenwebvlies en het zachte ruggenmergvlies.

Spinaal ganglion

Een ganglion is een opeenhoping van zenuwcellichamen buiten het centrale zenuwstelsel. Deze verdikking vind je onder andere in de sensibele achterwortels. Het is een ruggenmergzenuwknoop waarin de cellichamen van de sensibele zenuwcellen liggen. Deze zenuwknoop heet het spinale ganglion.

Witte stof

Witte stof bestaat uit neurieten die omgeven zijn door myelinescheden. Het zorgt ervoor dat zenuwimpulsen via het ruggenmerg van en naar de hersenen vervoerd worden.

Grijze stof

Grijze stof bestaat uit ongemyeliniseerde zenuwvezels. De grijze stof geeft prikkels door.

Achterhoorn

In de achterhoornen liggen sensibele zenuwcellen. Gevoelsprikkels komen hier vanuit de achterwortel het ruggenmerg binnen. Daarna worden ze verder geleid naar de hersenen.

Achterwortel

Nauw kanaal

Het nauwe kanaal is dunne buis. Er loopt ruggenmergvocht (cerebrospinaal vocht) doorheen. Dit vocht staat in verbinding met het hersenvocht.

Voorhoorn

In de voorhoornen liggen motorische zenuwcellen. Deze geleiden prikkels van het centrale zenuwstelsel via de voor wortel naar de spieren en klieren toe.

Zijhoorn

In de zijhoornen van de borst­ en lendenwervels liggen zenuwcellen van het autonome zenuwstelsel. Je leest hier meer over in paragraaf 7.6.

Voorwortel

Dwarsdoorsnede van ruggenmerg

Functies van het ruggenmerg

Het ruggenmerg heeft een functie als geleidingsorgaan en reflexorgaan.

Als geleidingsorgaan geeft het ruggenmerg prikkels door aan de hersenen en stuurt het prikkels vanuit de hersenen naar het lichaam.

Sensibele prikkels die vanaf de huid komen, worden via het ruggenmerg naar de hersenschors geleid. Motorische prikkels worden vanuit de hersenen via het ruggenmerg naar de spier of klier geleid die ze moeten aansturen.

Sensorische prikkels worden niet via het ruggenmerg geleid. Deze gaan direct vanaf de zintuigen naar de hersenen. In de hersenen komen alle prikkels tot bewustzijn, waardoor je weet wat je voelt, proeft, ruikt, hoort of ziet.

1 Prikkel komt binnen via de huid.

2 Via de achterwortel en achterhoorn komt de prikkel in het ruggenmerg aan.

3 De prikkel gaat via het ruggenmerg naar de hersenen.

4 In de grote hersenen komt de prikkel tot bewustzijn.

5 De prikkel wordt omgezet in een motorische prikkel die teruggaat naar het ruggenmerg.

6 Via de motorische voorhoorn en de voorwortels gaat de prikkel naar de spier die moet reageren.

7 De motorische prikkel zorgt voor spierbeweging.

Als reflexorgaan zorgt het ruggenmerg ervoor dat het lichaam snel kan reageren op prikkels. De reflexfunctie werkt bijvoorbeeld als je je hand brandt. Je trekt je hand al terug voordat je pijn hebt gevoeld. Een reflex vindt plaats buiten de hersenen om.

1 Sensibele zenuwen vangen een warmteprikkel op.

2 De prikkel wordt naar de achterwortel en achterhoorn van het ruggenmerg geleid.

3 Door schakelcellen gaat de prikkel direct over naar de voorhoorn.

4 Vanuit de voorhoorn wordt een motorische prikkel naar de spier gestuurd.

5 De spier trekt samen, waardoor je je hand optilt.

De reflexfunctie van het ruggenmerg verkort de reactietijd.

7.5 Perifeer zenuwstelsel

Het perifere zenuwstelsel zorgt ervoor dat prikkels van en naar het centrale zenuwstelsel door worden gegeven. Onder het perifere zenuwstelsel valt al het zenuwweefsel dat niet bij het centrale zenuwstelsel hoort. Het bestaat uit de hersenzenuwen en de ruggenmergzenuwen.

Afferenten en efferenten Zenuwtakken die naar het centrale zenuwstelsel toe lopen, zijn afferente zenuwbanen of afferenten. Afferenten geven informatie aan het zenuwstelsel. Zenuwtakken die van het zenuwstelsel af lopen, noem je efferente zenuwbanen of efferenten. Efferenten hebben een effect, bijvoorbeeld een motorische prikkel die naar een spier gaat.

Hersenzenuwen

De hersenzenuwen liggen aan de onderkant van de hersenen. Ze ontspringen in de hersenstam. Er zijn in totaal 12 paar hersenzenuwen. Dit zijn motorische, sensibele en gemengde zenuwen. Gemengde zenuwen geven zowel motorische als sensibele prikkels door.

Voor het werk als schoonheidsspecialist zijn drie paar hersenzenuwen belangrijk, namelijk de drielingzenuw, de aangezichtszenuw en de zwervende zenuw.

De drielingzenuw (nervus trigeminus) is de vijfde hersenzenuw. Het is een gemengde zenuw die bestaat uit een dikke sensibele wortel en een dunne motorische wortel. De sensibele wortel vertakt zich in drie takken: de oogtak, bovenkaaktak en onderkaaktak (zie afbeelding). De motorische wortel loopt gelijk aan de onderkaaktak. Deze prikkelt de slaap­ en wangkauwspier.

WIST JE DAT? ZENUWVEZELS IN HET PERIFERE ZENUWSTELSEL KUNNEN ZICHZELF HERSTELLEN. UIT BESCHADIGDE UITEINDEN GROEIEN NIEUWE ZENUWEN. HET IS EEN LANGDURIG PROCES, MAAR BETEKENT DAT ER KANS IS OP HERSTEL.

Perifeer zenuwstelsel

Aangezichtspijn

Aangezichtspijn is een aandoening in de drielingzenuw. Het is een pijnlijke gevoelsstoornis in het gebied van de bovenkaaktak of onderkaaktak. Griep, malaria, kaakholteontsteking of psychische klachten kunnen de oorzaak zijn.

Oogtak

De oogtak is een sensibele zenuw. Deze is verantwoordelijk voor het gevoel in het ooglid, de neus en het voorhoofd. De uittredingsplaats ligt in de bovenoogkasspleet.

Bovenkaaktak

De bovenkaaktak is een sensibele zenuw. Deze is verantwoordelijk voor het gevoel in de wangen, bovenkant van de mondhoeken, het bovengebit en de bovenlip. De uittredingsplaats ligt in de bovenkaak, onder de oogkasrand.

Onderkaaktak

De onderkaaktak is een gemengde zenuw. Deze is verantwoordelijk voor het gevoel in de onderlip, het ondergebit, het onderste deel van de wangen en de kin. De uittredingsplaats ligt in het kingedeelte van de onderkaak.

Aangezichtsverlamming

Aangezichtsverlamming is een aandoening aan de aangezichtszenuw. Het zorgt ervoor dat de mimische spieren eenzijdig of dubbelzijdig verlamd zijn. De aandoening ontstaat door beschadiging van de zenuw, bijvoorbeeld vanwege een ongeluk, ooroperatie, facelift of infectie van de neus­keelholte.

De aangezichtszenuw (nervus facialis) prikkelt alle mimische spieren. Deze zenuw wordt ook wel de zevende hersenzenuw genoemd. De uittredingsplaats ligt vlak voor het oor, onder de speekselklier. Van daaruit lopen allemaal kleine motorische banen naar de mimische spieren.

Drielingzenuw
Aangezichtszenuw

De zwervende zenuw (nervus vagus of nervus parasympathicus) is de tiende hersenzenuw. De zenuw zwerft via de hals naar de borstholte en buikholte. De zenuw beïnvloedt de bloeddruk en hartslag en is betrokken bij functies als slikken, spreken, afscheidingen van de maagklieren en het hongergevoel. De zwervende zenuw is de belangrijkste zenuw van het parasympathisch zenuwstelsel. Hierover lees je meer in paragraaf 7.6.

Ruggenmergzenuwen

Vanuit het lichaam komen allerlei zenuwtakken uit het perifere zenuwstelsel samen in de ruggenmergzenuw. Daar gaan ze het centrale zenuwstelsel binnen.

De ruggenmergzenuwen treden uit in het ruggenmerg. Het lichaam heeft 31, 32 of 33 paar ruggenmergzenuwen. Tussen elke wervel treedt telkens één paar wervels uit. Het precieze aantal wordt bepaald door het aantal staartbeentjes dat je hebt. Dat aantal is niet bij iedereen hetzelfde.

Ingewandstak

Deze zenuw gaat naar de ingewanden.

Kleine gemengde tak

Deze zenuw gaat naar de achterkant van het lichaam.

Grote gemengde tak

Deze zenuw gaat naar de voorkant van het lichaam en de ledematen.

Grensstreng

De grensstrengen bestaan uit zenuwknopen en zenuwvezels en behoren tot het autonome zenuwstelsel.

TIP

DE WERVELKOLOM

IS OP DEZELFDE MANIER IN GROEPEN INGEDEELD ALS DE RUGGENMERG ZENUWEN. BEKIJK DE INFOGRAPHIC IN HET HOOFDSTUK ‘SKELET’.

De ruggenmergzenuwen zijn van boven naar beneden te verdelen in vijf groepen:

 acht paar halszenuwen

 twaalf paar borstzenuwen

 vijf paar lendenzenuwen

 vijf paar heiligbeenzenuwen

 maximaal drie paar staartbeenzenuwen

Het eerste paar ruggenmergzenuwen treedt uit tussen de schedel en de bovenste nekwervel. De andere paren treden uit via de openingen tussen de wervels, tot aan de paardenstaart.

Zenuwknopen

Aan beide kanten van de wervelkolom ligt een aantal zenuwknopen. Dit zijn opeenhopingen van zenuwcellen buiten het centrale zenuwstelsel. Zenuwknopen zijn onderling verbonden met zenuwvezels. De zenuwvezels en zenuwknopen vormen samen grensstrengen. Buiten de wervelkolom geeft iedere ruggenmergzenuw autonome zenuwvezels af aan de zenuwknopen van de grensstrengen. De zenuwknopen en grensstrengen zorgen dat prikkels aankomen op de plaatsen waar ze moeten zijn. Elke ruggenmergzenuw vertakt zich vervolgens in drie takken.

Onderdelen van een ruggenmergzenuw

7.6 Autonoom zenuwstelsel

Het autonome zenuwstelsel zorgt voor de aansturing van de automatische lichaamsfuncties. Het reguleert en bestuurt de inwendige organen en processen zonder dat wij het weten. Dit gebeurt onder invloed van neurotransmitters.

Het autonome zenuwstelsel bestaat uit twee delen: het parasympathisch zenuwstelsel en het sympathisch zenuwstelsel. De centra van het autonome zenuwstelsel liggen vooral in het centrale zenuwstelsel. De hersenstam en de hypothalamus werken samen om het autonome zenuwstelsel te besturen. Dit heet vegetatieve tuning . Vegetatieve tuning heeft invloed op beide delen van het autonome zenuwstelsel en daardoor ook op alle organen.

Parasympathisch zenuwstelsel

Het parasympathisch zenuwstelsel is vooral actief als jij rust. In het lichaam wordt dan gewerkt aan de herstel­ en opbouwprocessen. De belangrijkste functie is het opslaan van energie en het aanmaken van cellen en stoffen om het lichaam te herstellen (assimilatie). Dat gebeurt bijvoorbeeld doordat er meer darmbewegingen zijn en hogere nieractiviteit is. Dit zijn de trofotrope oftewel anabole processen.

De belangrijkste zenuwknooppunten voor het parasympathisch zenuwstelsel zitten in de hersenstam en bij het heiligbeen. De tiende hersenzenuw (nervus vagus) hoort bij het parasympathisch

zenuwstelsel. De prikkeloverdracht van het parasympathisch zenuwstelsel vindt plaats via de neurotransmitter acetylcholine.

Sympathisch zenuwstelsel

Het sympathisch zenuwstelsel bevordert verbranding in de cellen (dissimilatie) en zorgt er zo voor dat het lichaam zijn actieve functies kan uitvoeren. Het verbetert de werking van de skeletspieren, de hartfunctie, de bloedsomloop en de ademhaling. Dit zijn ergrotrope of katabole processen. De spijsvertering wordt juist geremd.

De centra van de zenuwknooppunten van het sympathisch zenuwstelsel liggen vooral in het gebied van de grensstrengen. Enkele centra liggen in de buik. Vanuit hier worden organen en weefsels geprikkeld, die vervolgens een respons geven. De prikkeloverdracht vindt plaats via de neurotransmitter adrenaline.

Specifiek vegetatieve functies

Om te kunnen overleven, moet je lichaam adequaat kunnen reageren op prikkels van buitenaf. Als het lichaam een onbekende prikkel krijgt of een prikkel die gevaar betekent, reageert je lichaam in eerste instantie door in de alarmfase te gaan. Vervolgens past je lichaam zich aan de situatie aan (aanpassingsfase) en tot slot komt het in de rust­ en herstelfase. Als de prikkel lang duurt, komt

het lichaam in de uitputtingsfase terecht. De alarmfase kost veel energie en herken je aan een betere waarneming door zintuigen en sterk toegenomen spierspanning. Door een betere waarneming kun je betere keuzes maken. Zo kun je gemakkelijk kiezen om te vechten, vluchten of bevriezen.

In de alarmfase vallen alle processen van het parasympathisch zenuwstelsel, de trofotrope processen, stil. De processen gericht op herstel, zoals spijsvertering en weefselherstel, worden niet meer uitgevoerd. Als deze fase te lang duurt, kan er weefselbeschadiging optreden.

WIST JE DAT?

HET AUTONOME ZENUWSTELSEL WORDT OOK WEL HET VEGETATIEVE ZENUWSTELSEL GENOEMD.

WIST JE DAT?

HET SYMPATHISCH

ZENUWSTELSEL WORDT

OOK WEL HET ‘VECHTENOF ­VLUCHTENSTELSEL’ GENOEMD, OMDAT HET REAGEERT IN NOODSITUATIES.

Na de alarmfase maak je een keuze: je past je aan de situatie aan en komt in de aanpassingsfase. Je richt alle energie die je hebt op de aanpassing. In de aanpassingsfase zijn er twee opties: je gaat over op de rust­ en herstelfase of je komt opnieuw in de alarmfase terecht.

Als je in de rust- en herstelfase komt, is het parasympathisch zenuwstelsel het meest actief. Je lichaam komt tot rust, de weefsels herstellen en het lichaam verteert het voedsel.

Als de gekozen aanpassing niet blijkt te werken, kom je opnieuw in de alarmfase terecht. Dit kost veel extra energie en kan leiden tot uitputting. Je zit dan in de uitputtingsfase. Dit heeft een negatief effect op de gezondheid van weefsels in het lichaam.

Test je kennis over het zenuwstelsel met de online boekcheck.

Snelcode 27172

Speel alle vragen over het zenuwstelsel weg met de online trainer.

Snelcode 26182

8. Ademhaling

Wist jij dat een volwassen mens zo’n tien keer per minuut in- en uitademt? Zo krijg je je zuurstof binnen. Wanneer je te weinig zuurstof binnenkrijgt, zie je dat direct aan de conditie van de huid. Die wordt grauw en verliest zijn glans. Ook andere cellen in je lichaam hebben continu zuurstof nodig om te functioneren. Bij het ademen gebruik je verschillende organen en spieren. 8.1

Ademhalingsorganen

Om te ademen gebruik je de ademhalingsorganen, ook wel de luchtwegen genoemd. Samen vormen ze het ademhalingsstelsel. Het ademhalingsstelsel bestaat uit de organen die je op de afbeelding ziet. In­ en uitgeademde lucht legt de weg af door het lichaam via deze organen. Van neus naar longen en weer terug. Ademhalingsorganen

Neusbeen

Dit bovenste deel van je neus bestaat uit een bot en voelt hard aan.

Neuskraakbeen

Dit kraakbeen begint waar het neusbeen stopt. Het voelt zacht aan en je kunt het bewegen als je ertegenaan duwt.

Neustussenschot

Het tussenschot verdeelt de neusholte in twee ruimten.

Neus

De natuurlijke manier om te ademen is via je neus. De neus is daarom het belangrijkste orgaan waardoor lucht je lichaam inkomt. Een andere manier is via je mond. Naast ademen gebruik je je neus om te ruiken. Verder is je neus belangrijk in de stemvorming: je vormt er klanken mee.

Bouw van de neus

De neus is opgebouwd uit twee delen: de uitwendige neus en de inwendige neusholte.

Wanneer je lucht inademt, komt dit in de neusholte terecht. De neusholte bestaat uit twee ruimten die gescheiden worden door het tussenschot. De neusholte staat in verbinding met verschillende holten in de schedel, zoals de voorhoofdsholten. Ook de traanbuis komt uit in de neusholte. De neusholte voert slijm en vocht af naar de keelholte.

De neusholte is bekleed met een slijmvlies. Dit slijmvlies bestaat uit twee delen: het ademhalingsgedeelte en het reukgedeelte. Op de volgende pagina zie je hoe de inwendige neus eruitziet.

WIST JE DAT?

IN HET NEUSSLIJMVLIES

ZITTEN ALLERLEI BLOEDVATEN. EEN BLOEDNEUS ONTSTAAT DOOR EEN SCHEUR IN DIE BLOEDVATEN.

Uitwendige neus

Ademen door je neus of mond?

Je kunt ook ademen door je mond, maar ademen door je neus heeft een aantal voordelen:

 Stofdeeltjes en bacteriën worden tegengehouden door het trilhaarepitheel waardoor je minder snel ziek wordt.

 Door het reukslijmvlies ruik je de ingeademde lucht. Als deze vreemd ruikt, dan is dit een waarschuwing.

 De bloedvaatjes in het neusslijmvlies verwarmen de ingeademde lucht, waardoor deze niet koud in de longen komt.

 Het neusslijmvlies bevochtigt de ingeademde lucht waardoor er geen droge lucht in de longen terechtkomt.

Zeefbeen

Het dak van de neusholte is het zeefbeen. Dit is een bot met openingen waardoor de reukzenuwen de schedel ingaan.

Reukgedeelte slijmvlies

Het slijmvlies achter in de neus gebruik je om mee te ruiken. Dit slijmvlies bevat reukzenuwen die in contact staan met je hersenen, zodat jij geuren kunt herkennen.

Ademhalingsgedeelte slijmvlies

Het slijmvlies aan de voorkant van de neus bevat trilharen. Je noemt dit daarom ook wel trilhaarepitheel. De trilharen vervoeren slijm en lucht naar de keelholte. Daarnaast filteren ze de lucht die je inademt en houden ze zo stofdeeltjes en bacteriën tegen.

Neusamandelen

De neusamandelen zijn samen met andere amandelen onderdeel van het afweersysteem van het lichaam. De neusamandelen vangen ziekteverwekkers op en maken deze onschadelijk.

Neusholte
Inwendige neus

Keelholte

In de keelholte komen de neusholte, de mondholte, het strottenhoofd en de slokdarm samen. De keelholte laat voedsel en in­ en uitgeademde lucht door. Je kan niet tegelijk ademen en doorslikken, omdat voedsel anders in de luchtpijp komt. Om dit te voorkomen sluit de huig tijdens het slikken de neusholte af. Het strottenklepje sluit dan de luchtpijp af.

Strottenhoofd

Ingeademde lucht komt via de keelholte door het strottenhoofd (larynx) en stroomt daarna door naar de luchtpijp. Het strottenhoofd bestaat uit kraakbeen. Hierin liggen je stembanden. Dit zijn slijmvliesplooien die van vorm kunnen veranderen door spierwerking. Ze kunnen net als de snaren van een gitaar strakker gespannen worden. Geluid ontstaat doordat uitstromende lucht vanuit de longen je stembanden laat trillen.

WIST JE DAT? DE LUCHTPIJP IS 10 TOT

12 CENTIMETER LANG EN 2 TOT 3 CENTIMETER BREED.

Luchtpijp

Neusholte

Mondholte

Huig

Keelholte

Strottenklepje

Slokdarm

Luchtpijp

Strottenhoofd

De luchtpijp (trachea) bestaat uit zo’n twintig kraakbeenringen die de vorm van een hoefijzer hebben. Door het kraakbeen is je luchtpijp buigzaam en ook stevig: de luchtpijp wordt niet dichtgedrukt wanneer je beweegt. Je kunt de vorm van de luchtpijp vergelijken met een stofzuigerslang. De kraakbeenringen worden door spier­ en bindweefsel met elkaar verbonden. De achterwand van de luchtpijp, waar geen kraakbeen zit, is beweeglijk. Hierdoor kunnen grote stukken voedsel door de slokdarm zakken.

De binnenkant van de luchtpijp is bekleed met trilhaarepitheel. Hierdoor worden stofdeeltjes en bacteriën uit de ingeademde lucht gefilterd en de luchtpijp uitgewerkt richting de mond. Dit is een continu proces en hier merk je niks van.

Hoestreflex

Van een kruimel in je luchtpijp krijg je een hoestreflex. Je gaat dan automatisch hoesten om de kruimel er via je mond weer uit te krijgen.

Luchtpijptakken

Onderaan splitst de luchtpijp op in een linker­ en rechterluchtpijptak (de bronchiën). Deze splitsen ook weer op in kleinere vertakkingen (bronchioli). In de kleine vertakkingen zit geen trilhaarepitheel meer. De luchtpijp en de luchtpijptakken lijken samen op een omgekeerde boom.

Longen

Uiteindelijk komt de ingeademde lucht in de longen (pulmones). In de longen wordt je lichaam voorzien van zuurstof en wordt koolstofdioxide uit het bloed verwijderd.

De kleine vertakkingen van de luchtpijp komen uit in de longblaasjes (alveolen). Dit zijn bolvormige zakjes met cellen die stoffen uitwisselen tussen de lucht in de longen en het bloed in je lichaam. Dit bloed zit in de haarvaten. Haarvaten zijn de kleine bloedvaatjes die om de longblaasjes liggen. Zo komt ingeademde zuurstof in je bloed terecht en wordt koolstofdioxide via je longen afgevoerd. Deze uitwisseling heet diffusie

Samenstelling in- en uitgeademde lucht

Ingeademde lucht bestaat uit:

 20% zuurstof

 0,03% koolstofdioxide

 79% stikstof

 waterdamp

Uitgeademde lucht bestaat uit:

 16% zuurstof

 4% koolstofdioxide

 79% stikstof

 waterdamp

WIST JE DAT? JE LONGBLAASJES VORMEN EEN OPPERVLAKTE VAN 100 M 2 . DIT IS DE AFMETING VAN TWEE GEMIDDELDE LESLOKALEN SAMEN.

De linkerlong is iets kleiner dan de rechter, omdat het hart ruimte nodig heeft
Bronchiën
Bronchioli
Longblaasjes omgeven met haarvaten

Werking van diffusie

Zuurstof en koolstofdioxide worden uitgewisseld, omdat er een concentratieverschil tussen de longblaasjes en de haarvaten is. Wanneer je inademt:

 is het zuurstofgehalte in de longblaasjes hoger dan in het bloed. Hierdoor stroomt de zuurstof naar het bloed.

 is het koolstofdioxidegehalte in het bloed hoger dan in de longen. Hierdoor stroomt de koolstofdioxide naar de longen. Deze adem je vervolgens uit.

Je ziet op de laatste afbeelding dat niet alle zuurstof naar de haarvaten stroomt: een deel blijft in de longblaasjes. Dat deel van de ingeademde zuurstof adem je dus direct weer uit. Andersom blijft er ook een deel van de koolstofdioxide in de haarvaten zitten.

Train je kennis over de ademhalingsorganen met de online trainer. Snelcode 26188

haarvat

longblaasje

TIP

MEER LEZEN OVER DIFFUSIE? ZOEK IN HOOFDSTUK 5 ‘BLOED ­ EN LYMFEVATEN STELSEL’ NAAR HET KOPJE ‘HOMEOSTASE’.

zuurstof koolstofdioxide

Diffusie in longblaasje en haarvat
Diffusie van zuurstof of koolstofdioxide

8.2

Ademhalingsspieren en ademhaling

Naast de ademhalingsorganen heb je ook spieren nodig om te ademen. De belangrijkste ademhalingsspieren zijn:

 het middenrif

 de buikspieren

 de tussenribspieren

Je gebruikt deze spieren bij twee soorten ademhaling: de buikademhaling en de borstademhaling. De ademhaling is meestal een combinatie van deze twee soorten, dit heet de gecombineerde ademhaling. De spieren zorgen ervoor dat je borstholte groter en weer kleiner wordt.

Buikademhaling

De buikademhaling heet ook wel de middenrifademhaling. Dit komt omdat je voor deze ademhaling het middenrif gebruikt. De buikademhaling is een diepe ademhaling waarbij je buik uitzet en weer inkrimpt. Naast het middenrif gebruik je hiervoor je buikspieren.

Middenrif

Het middenrif (diafragma) is de belangrijkste ademhalingsspier en heeft de vorm van een koepel. Deze spier vormt een scheidingswand tussen de borstholte en de buikholte. Wanneer je inademt, wordt het middenrif platter en beweegt het omlaag waardoor je borstholte ruimer wordt. Hierdoor kunnen je longen meer lucht opnemen. Wanneer je uitademt, ontspant het middenrif en komt het weer omhoog. Het neemt nu weer de

koepelvorm aan, waardoor de borstholte kleiner wordt. Zo helpt het middenrif lucht uit de longen te persen.

Buikspieren

Voor de buikademhaling gebruik je ook je buikspieren. Bij inademing ontspannen de buikspieren zich en komt de buik naar voren. Zo ontstaat er meer ruimte voor lucht. Bij de uitademing spannen de buikspieren zich en verkleint de borstholte.

Buikademhaling:

Borstademhaling

De borstademhaling heet ook wel de ribbenademhaling. Dit komt omdat je de spieren tussen je ribben gebruikt, de tussenribspieren. De borstademhaling is een oppervlakkige ademhaling. Je voelt bij deze ademhaling je borstkas uitzetten en inkrimpen.

Wanneer je inademt, bewegen de ribben en het borstbeen omhoog. Hierdoor wordt de borstholte groter en kunnen je longen zich vullen met lucht. Wanneer je uitademt, bewegen de ribben en het borstbeen weer omlaag. Zowel bij het in­ als uitademen span je je spieren aan. Hierdoor kost deze ademhaling meer energie dan de buikademhaling, want daarbij is je middenrif ontspannen bij het uitademen.

Ontspannen en gespannen ademhalen

De buikademhaling is de beste ademhaling voor je lichaam. Deze ademhaling geeft je hersenen een signaal om te ontspannen en te kalmeren.

Wanneer je gestrest bent, ga je automatisch opper vlakkig ademen met de borstademhaling. Die kost je meer energie en je ontspant er niet van. Een manier om dan weer te ontspannen is om bewust de buikademhaling te gebruiken.

Wanneer je ademhaling te snel en te diep is, heb je last van hyperventilatie. Dit kan ontstaan door spanning of angst. Bij hyperventilatie raakt de verhouding van zuurstof en koolstofdioxide in het bloed uit balans, waardoor je bijvoorbeeld benauwd, duizelig of misselijk kunt worden. Wanneer je een aanval hebt of voelt aankomen, kun je het beste proberen om rustig te blijven ademen.

Longvliezen

Longen zijn geen spieren en brengen zichzelf dus niet in beweging, maar volgen wel de ademhalingsbeweging van de borstkas. Dit komt door een dubbel vlies dat om de longen zit. Het buitenste vlies zit aan de binnenkant van de borstkas vast en heet het borstvlies. Het binnenste vlies zit vast aan de longen en heet het longvlies. In de ruimte ertussen zit vocht, waardoor de vliezen aan elkaar plakken. Hierdoor gaan de longen mee omhoog als de borstkas omhooggaat.

Ademcentrum

De ademhaling wordt aangestuurd door het ademcentrum in je hersenen. Dit ligt aan de onderkant van je hersenstam, in het verlengde merg. Vanuit het centrum lopen zenuwen naar de ademhalingsspieren.

Dit centrum stemt de ademhaling af op de behoefte van je lichaam. Dit doet het centrum door je bloed constant te testen op het gehalte aan koolstofdioxide. Wordt het gehalte koolstofdioxide te hoog, dan laat het centrum je sneller ademen. Doordat dit automatisch gaat, is het ademcentrum onderdeel van het autonome zenuwstelsel.

Hoeveel weet jij nu van de ademhaling? Doe de online boekcheck. Snelcode 27184

Ademcentrum

9.Stofwisseling en spijsvertering

Gezonde voeding en een goede werking van de stofwisseling en spijsvertering zijn erg belangrijk voor een gezonde huid. Via voeding krijgt het lichaam, en dus ook de huid, voedingsstoffen binnen die het nodig heeft om gezond te blijven. In dit hoofdstuk leer je hoe de stofwisseling en spijsvertering samenwerken om het lichaam gezond te houden.

9.1

Stofwisseling

Je merkt er niets van, maar je lichaam is 24 uur per dag bezig met het in stand houden van zichzelf. Zelfs als je helemaal in rust bent, werkt je lichaam door. Om lichaamsprocessen zoals je hartslag en ademhaling altijd door te laten gaan, heeft je lichaam energie nodig. Het proces van stofwisseling zorgt ervoor dat je lichaam daar altijd energie voor heeft.

De stofwisseling haalt voedingsstoffen zoals vetten, eiwitten en koolhydraten uit voeding en levert zo energie en bouwstoffen aan je lichaam. Stofwisseling is dus het opnemen, omzetten en verbranden van de voedingsstoffen die het lichaam binnenkrijgt. Dankzij dit proces worden lichaamsfuncties in stand gehouden. Afvalstoffen die overblijven na stofwisseling worden door het lichaam afgevoerd. Stofwisseling wordt ook wel metabolisme of het metabole systeem genoemd.

Er zijn vier stofwisselingsprocessen: assimilatie, anabolisme, katabolisme en dissimilatie.

TIP IN HET HOOFDSTUK

‘VOEDINGSLEER’ LEER JE MEER OVER VERSCHILLENDE VOEDINGSSTOFFEN EN WELKE FUNCTIE ZE HEBBEN IN HET LICHAAM.

Zelfs in rust is je lichaam aan het werk.

Assimilatie

Veel stoffen uit voeding, zoals vetten, koolhydraten en eiwitten, zijn lichaamsvreemde stoffen. De stofwisseling vervormt deze voedingstoffen net zo lang totdat ze veranderd zijn in lichaamseigen brandstoffen en bouwstoffen. Dit proces heet assimilatie. Assimilatie vindt plaats in darmwand en levercellen en wordt ook wel anabolisme genoemd. De lichaamseigen stoffen die ontstaan, zorgen voor de opbouw van het lichaam.

Dissimilatie

Nadat de cellen via assimilatie brandstoffen hebben ontvangen, verbranden ze die. Hierbij komt de energie vrij die in de oorspronkelijke voedingsstoffen was opgeslagen. Een deel van de energie wordt omgezet in warmte. Daarmee houden we ons lichaam op een constante temperatuur (tussen de 36,5 en 37,5 °C). De energie die overblijft, gebruikt je lichaam voor allerlei processen, zoals de werking van organen en spieractiviteit. Het proces waarbij cellen brandstoffen verbranden en daarmee warmte en energie vrijmaken, heet dissimilatie.

Anabolisme

Ook binnen het lichaam worden stoffen omgezet. De opbouwstofwisseling zorgt voor de vorming van eiwitten. Deze eiwitten worden vervolgens gebruikt voor de opbouw en reparatie van spieren, organen en andere weefsels.

Katabolisme

Katabolisme is het tegenovergestelde van anabolisme. Complexe stoffen in het lichaam, zoals koolhydraten en vetten, worden afgebroken tot eenvoudigere stoffen. Dit proces levert het lichaam energie op. Dissimilatie is zo’n proces dat energie vrijmaakt.

Energieproductie

De energie die bij verbranding (dissimilatie) vrijkomt, druk je uit in kilocalorieën (kcal) of in kilojoules (kJ). 1 kilocalorie (kcal) is de hoeveelheid warmte die nodig is om 1 liter water, 1 graad Celsius te laten stijgen. 1 kilojoule (kJ) is de hoeveelheid energie die nodig is om in 1 seconde een massa van 1 kilo te verplaatsen.

Hoeveel energie en warmte er bij dissimilatie vrijkomt, hangt af van de brandstof die wordt verbrand:

 1 gram vet is 9 kcal of 38 kJ

 1 gram eiwit is 4 kcal of 17 kJ

 1 gram koolhydraat 4 kcal of 17 kJ

WIST JE DAT?

ASSIMILATIE WORDT

EEN PROCES VAN OPBOUW

GENOEMD, TERWIJL

DISSIMILATIE JUIST EEN AFBRAAKPROCES IS.

Hoeveel calorieën heeft je lichaam nodig?

Hoeveel energie je nodig hebt, hangt af van hoe actief je bent. Slaap kost je bijvoorbeeld 1 kilocalorie per uur per kilo lichaamsgewicht. Als je intensief studeert, kost het je al snel 1,5 tot 3 kcal/u per kilo lichaamsgewicht. Als je 60 kilo weegt, verbrand je dus met een uur slapen 60 kcal en met een uur studeren 90 tot 180 kcal.

Dissimilatie zorgt ervoor dat je energie hebt voor je activiteiten.

De stofwisseling beïnvloeden

Je kunt je stofwisseling beïnvloeden door jezelf veel of juist weinig in te spannen of door meer of minder voeding te nemen. Als je je relatief veel inspant, verbrandt je lichaam meer (dissimilatie) dan dat je lichaam opbouwt (assimilatie). Daardoor val je af. Als je lichaam meer voedingsstoffen binnenkrijgt (assimilatie) dan het kan verbranden (dissimilatie), kom je juist aan.

Als de dissimilatie lange tijd hoger is dan de assimilatie, krijgt je lichaam niet genoeg energie. Het lichaam haalt dan energie uit de reservevoorraad: je vet. Als deze reservevoorraad op is, worden eiwitten uit spieren verbrand. Daardoor worden spieren afgebroken.

Stofwisselings systemen

Stofwisselingsprocessen zoals assimilatie en dissimilatie werken niet uit zichzelf. Dankzij de hulp van vier systemen komt de stofwisseling tot stand:

 de spijsvertering

 de ademhaling

 de bloedsomloop

 de uitscheiding

Het spijsverteringssysteem moet de voeding eerst verteren zodat er daarna bruikbare voedingsstoffen overblijven voor de assimilatie. Om de voedingsstoffen vervolgens te verbranden (dissimilatie), is er zuurstof nodig. Deze zuurstof zit in de lucht die we inademen: het ademhalingssysteem neemt de zuurstof op.

9.2 Spijsvertering

Vaak halen we de stofwisseling en de spijsvertering door elkaar. Niet zo gek, want deze twee processen kunnen niet zonder elkaar. Maar ze zijn niet hetzelfde. Het spijsverteringssysteem zorgt er namelijk voor dat de stofwisseling zijn werk kan doen.

De bloedsomloop transporteert de zuurstof uit het ademhalingssysteem en de voedingsstoffen uit het spijsverteringsysteem naar de lichaamscellen. In de cellen worden de voedingsstoffen opgenomen en met behulp van zuurstof verbrand. Het bloed neemt de afvalstoffen die bij de verbranding vrijkomen weer mee.

Het uitscheidingssysteem bestaat uit uitscheidingsorganen (de longen, nieren en de zweetklieren) die de afvalstoffen uit het bloed filteren en afvoeren.

Heb je de informatie over de stofwisseling nog niet helemaal goed verteerd? Bekijk de uitleg van een expert in de online masterclass. Snelcode 21193

Het spijsverteringssysteem verteert voeding: het maakt voeding fijn. Zo kunnen de nuttige stoffen uit de voeding in het bloed en de lymfe terechtkomen en voor de stofwisseling gebruikt worden. Stofwisseling vindt dus altijd pas ná de spijsvertering plaats.

Door te sporten beïnvloed je je stofwisseling.

Om voeding zo fijn te maken dat het opgenomen kan worden in het bloed, zet de spijsvertering verschillende organen in:

 de mondholte

 de keelholte

 de slokdarm

 de maag

 de dunne darm

 de dikke darm

Samen vormen deze organen een verbinding tussen de mondholte en de anus. Deze verbinding wordt ook wel het spijsverteringskanaal genoemd.

Er zijn ook organen die niet bij het spijsverteringskanaal horen, maar de spijsvertering wel ondersteunen. De ondersteunende spijsverteringsorganen zijn:

 de alvleesklier

 de lever

 de galblaas

Wand van spijsverteringsorganen

De wand van de spijsverteringsorganen is van binnen naar buiten opgebouwd uit vier lagen:

1. slijmvlies van epitheelweefsel met slijmproducerende cellen

2. circulair verlopend glad spierweefsel

3. glad spierweefsel in lengterichting

4. bindweefsel

Daarnaast zitten er om de mondholte en keelholtewand nog botten en spieren.

Mondholte

Keelholte

Slokdarm

Maag Lever

Alvleesklier

Galblaas

Dunne darm

Dikke darm

Tong

De tong verplaatst het voedsel in de mond en zorgt dat het zich goed kan mengen met het speeksel. Met de tong neem je ook de smaken zout, zuur, zoet, bitter en umami waar. Na het kauwen schuift de tong het voedsel naar het keelgat. Na het doorslikken komt het voedsel in de keelholte terecht.

Keelholte

De keelholte is de ruimte achter de mondholte en de neusholte. De keelholte gaat over in de slokdarm (richting de maag) en het strottenhoofd (richting de luchtpijp). In de keelholte kruisen het spijsverterings­ en het ademhalingsstelsel elkaar. De slikreflex zorgt ervoor dat het voedsel alleen in de slokdarm terechtkomt en niet in de neusholte of luchtpijp.

Mondholte

De spijsvertering begint in de mondholte.

Daar komt het voedsel in aanraking met:

 het gebit

 speeksel

 de tong

Gebit

Het gebit hakt voedsel in kleine stukken en vermaalt het. De tanden en kiezen hebben hier elk hun eigen functie bij. De snijtanden snijden of bijten het voedsel af. De hoektanden houden een stuk voedsel stevig vast en helpen bij het afbijten. De kiezen vermalen het voedsel.

Speeksel

Het speeksel helpt bij het afbreken van voedsel. De oorspeekselklieren, ondertongspeekselklieren, onderkaakspeekselklieren en slijmcellen in het slijmvlies van de mondholte maken speeksel aan.

Speeksel bevat enzymen. Een enzym is een stof die de spijsvertering versnelt. Je kunt enzymen vergelijken met kleine scharen die voeding versnipperen tot voedingsstoffen. In speeksel zit bijvoorbeeld amylase. Dat maakt een begin met het afbreken van koolhydraten tot de voedingsstof glucose. Zo verloopt de vertering van het voedsel sneller. Deze versnellende invloed op lichaamsprocessen wordt ook wel katalyseren genoemd.

De slikreflex is de automatische slikbeweging die plaatsvindt wanneer de tong het voedsel naar het achterste deel van de mondholte verplaatst. Tijdens het slikken sluit de huig de neusholte af, waardoor het voedsel niet in de neus terecht kan komen. De tong sluit de luchtpijp af door het strottenklepje op het strottenhoofd naar beneden te duwen. Zo kan het voedsel ook niet in de luchtpijp terechtkomen.

Enzymen zijn een soort scharen die voeding versnipperen.

WIST JE DAT? JE TONG BESCHERMT JE TEGEN GIFTIG VOEDSEL. ALS JE TONG EEN SCHADELIJKE STOF HERKENT, SPUUG JE HET VANZELF WEER UIT.

Verslikken

Iedereen verslikt zich weleens, maar hoe komt dit? Wanneer je je verslikt, belandt een voedseldeeltje in je luchtpijp. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer je tegelijkertijd praat en slikt. Het strottenklepje blijft dan openstaan waardoor voedsel de luchtpijp in kan. Als reactie ga je hoesten, waardoor het voedseldeeltje uit de luchtpijp wordt geduwd.

Neusholte

Huig

Mondholte

Keelholte

Strottenklepje

Slokdarm Luchtpijp

Slikken

Slokdarm

De slokdarm verbindt de keelholte met de maag. De slokdarm verplaatst het voedsel met samentrekkende bewegingen. Deze bewegingen worden ook wel peristaltiek of peristaltische bewegingen genoemd.

Kringspieren zorgen voor deze peristaltische beweging. Boven de voedselbrok trekken deze spieren zich samen, terwijl ze onder de voedselbrok ontspannen. Hierdoor knijpen de spieren het voedsel vooruit in de slokdarm. Dankzij de peristaltiek beweegt de slokdarm vloeistoffen in gemiddeld zeven seconden naar de maag. Vaste stoffen doen er iets langer over.

WIST JE DAT?

PERISTALTIEK KOMT

NIET ALLEEN IN DE SLOKDARM, MAAR OOK IN DE MAAG EN DARMEN VOOR.

Maag

Vanuit de slokdarm komt het voedsel in de maag terecht. De maag heeft drie functies:  het kneden en fijnmaken van voedselbrokken  het doden van bacteriën  het verder afbreken van eiwitten

Tijdens het kneden mengt de maag de voedselbrokken met maagsap. De maagsapklieren in de maagwand scheiden dit maagsap af. Het doodt bacteriën die met de voedingsbrokken mee naar binnen komen en breekt de voedingsbrokken in kleinere stukken af.

Maagsap bestaat uit zoutzuur, enzymen (proteasen) en water. Het zoutzuur heeft zo’n hoge zuurgraad dat bacteriën niet kunnen overleven.

Om te voorkomen dat het sterke zoutzuur de maagwand aantast, is de binnenkant van de maag bekleed met slijmvlies. De enzymen uit het maagsap maken een begin met de eiwitvertering.

Ze splitsen de eiwitten in kleinere deeltjes op.

Wanneer het voedsel in de maag tot een zure voedselbrij is gekneed, glijdt het door een gat aan het einde van de maag richting de dunne darm. Dit gat is een kringspier: de maagportier. De maagportier bewaakt de uitgang van de maag

WIST JE DAT? ALS JE ALLE

DARMVLOKKEN GLAD ZOU

STRIJKEN, ZOU DE DUNNE DARM ONGEVEER ZEVEN KILOMETER LANG ZIJN!

Peristaltiek van de slokdarm. Dankzij samentrekking en ontspanning van de kringspieren beweegt voedsel richting de maag.

en de ingang van de dunne darm. Meestal is deze kringspier gesloten zodat het voedsel in de maag blijft. Alleen wanneer de voedselbrij zuur genoeg is, gaat de maagportier even open en kan een deel van het voedsel de maag verlaten.

Dunne darm

In de dunne darm begint de spijsvertering eigenlijk pas echt. Hier worden de voedseldeeltjes zo klein dat ze kunnen worden opgenomen in de darmwand. Vanuit daar belanden ze in het bloed en de lymfe. Dit proces noem je resorptie

Om zo veel mogelijk voedseldeeltjes op te kunnen nemen, moet de darmwand een zo groot mogelijk oppervlak hebben. Daarom bestaat de dunne darm uit plooien. In de uitstulpingen van deze plooien liggen darmvlokken. Dankzij deze plooien en darmvlokken heeft de dunne darm een enorm groot verteringsoppervlak.

In de darmvlokken vindt de resorptie plaats. Elk vlokje heeft een minuscuul bloedvaatje. Deze vaatjes staan wijd open en zitten vol met bloed. Ze nemen de kleinst mogelijke deeltjes van koolhydraten (glucosemoleculen) en eiwitten (aminozurenmoleculen) op en vervoeren deze naar het bloedvatenstelsel. WIST JE DAT?

Voedseldeeltje

DE MICROSCOOP ZIE JE OP 1 MM² DUNNEDARM WAND WEL DERTIG DARMVLOKKEN.

Darmvlok
Bloedvat
Chylusvat
Resorptie in de dunne darm

Twaalfvingerige darm

Nuchtere darm

Verteringssappen

Kronkeldarm

Je kunt verteringssappen vergelijken met wasmiddel. Wasmiddel bevat verteringsenzymen en vetoplossers. Het ’verteert’ vettige, eiwithoudende of suikerachtige substanties en voert ze met het vuile water af. Dat gebeurt ook in de dunne darm. Hier lossen de verteringssappen ook eiwit, vet of koolhydraten op zodat ze via de darmwand met het bloed kunnen worden vervoerd.

Langs darmvlokken loopt een speciaal lymfevat: het chylusvat of chylvat. De verteringsproducten van vetten, vetzuren en glycerolmoleculen, komen via de chylvaten in de lymfe terecht. Lymfevocht waar vet in zit, noem je chylus. De voedingsstoffen in chylus komen via de lever uiteindelijk ook in de bloedsomloop terecht.

Hoe krijgt de dunne darm voedseldeeltjes zo klein dat ze kunnen worden opgenomen in het bloed en de lymfe? Dit komt door drie dunnedarmonderdelen:

 de twaalfvingerige darm

 de nuchtere darm

 de kronkeldarm

Twaalfvingerige darm

De twaalfvingerige darm is het eerste deel van de dunne darm. In dit deel worden de voedseldeeltjes gemengd met verteringssappen. Ook neutraliseert de twaalfvingerige darm de zure spijsbrij uit de maag. In de twaalfvingerige darm komen drie soorten verteringssappen samen:

 gal

 alvleessap

 darmsap

Vanuit de afvoerbuis van de galblaas komt gal in de twaalfvingerige darm terecht. Gal vormt zich in de lever en zorgt ervoor dat vetdeeltjes uit voeding verder verkleinen. Het verdeelt het vet in kleine bolletjes. Dat heet ook wel emulgeren.

Alvleessap wordt gemaakt in de alvleesklier (pancreas) en komt via een afvoerbuis binnen in de twaalfvingerige darm. In alvleessap zitten de enzymen amylase, lipase en protease. Deze enzymen breken koolhydraten, vetten en eiwitten af.

Darmsap wordt gemaakt door de darmsapklieren. Darmsap bevat net zoals alvleessap amylase, lipase en protease.

Onderdelen van de dunne darm

Karteldarm

 Opstijgende tak

 Dwarslopende tak

 Afdalende tak

 Sigmoïd

Blindedarm

Endeldarm

Nuchtere darm en kronkeldarm

De nuchtere darm en de kronkeldarm zijn het tweede en derde deel van de dunne darm. De darmsapklieren komen niet alleen in de twaalfvingerige darm, maar ook in deze delen voor. In de nuchtere darm en kronkeldarm vind je dus ook darmsappen die de voedseldeeltjes verder ‘opknippen’. In de kronkeldarm vindt het belangrijkste deel van de spijsvertering plaats: de resorptie van voedingsstoffen.

Dikke darm

De dikke darm houdt zich bezig met alles wat niet kon worden opgenomen in de dunne darm: de onverteerde voedingsresten. De dikke darm verzamelt deze voedingsresten en onttrekt er

vocht uit, waardoor ze indikken. De dikke darm biedt ook een thuishaven aan darmbacteriën die de laatste voedselresten ontbinden. Het resultaat van deze taken vind je terug in het toilet: feces, oftewel ontlasting of poep.

De dikke darm doet dus kort samengevat aan navertering en scheidt daarom geen verteringssappen meer af, maar slijm.

De dikke darm bestaat uit drie onderdelen: de blindedarm, de karteldarm en de endeldarm. De karteldarm kun je ook weer onderverdelen in:

 de opstijgende tak

 de dwarslopende tak

 de afdalende tak

 het sigmoïd

WIST JE DAT? AAN DE BLINDEDARM

ZIT HET WORMVORMIG

AANHANGSEL. BIJ EEN

BLINDEDARMONTSTEKING IS DIT AANHANGSEL ONTSTOKEN.

In de endeldarm verzamelt de ontlasting zich, waarna het via de anus het lichaam verlaat.

De anus is een kringspier die aan het uiteinde van de endeldarm ligt. De anus bestaat uit twee sluitspieren:

 een uitwendige sluitspier (dwarsgestreept en willekeurig spierweefsel)

 een inwendige sluitspier (glad en onwillekeurig spierweefsel)

Je voelt aandrang als de inwendige kringspier geopend is en de uitwendige kringspier gesloten. Bij het poepen open je de uitwendige kringspier en duw je de ontlasting eruit. Hierbij werken de buikspieren, de bekkenbodemspieren en het middenrif samen. Deze samenwerking heet de buikpers.

Darmflora

In de gehele dikke darm leven honderden tot duizenden verschillende typen darmbacteriën die je samen ook wel de darmflora noemt.

Alle bacteriën samen wegen wel 2 tot 3 kilo. De darmflora gebruikt de onverteerde voedingsresten in de dikke darm als voedingsbron en probeert er zo veel mogelijk voedingsstoffen uit te halen.

onderdelen van de dikke darm

Niet­verteerbare vezels uit je voeding zijn een belangrijke voedingsbron voor de darmflora. De darmbacteriën laten deze vezels rotten en gisten. Dit wordt ook wel fermenteren genoemd. Door de vezels te fermenteren, zetten de darmbacteriën suikers en vezels om in voedingszuren.

Een belangrijk onderdeel van de darmflora zijn de colibacteriën. Deze leven in de dikke darm. De colibacteriën ontbinden (fermenteren) de laatste overgebleven voedselresten. Hierbij ontstaan gassen en voedingszuren die de spieren in de darmwand prikkelen. Zo ontstaan er samentrekkende darmbewegingen (de darmperistaltiek) die ervoor zorgen dat je geregeld naar het toilet kunt.

De voedingszuren die colibacteriën uitscheiden, houden ook de pH­waarde in de darm laag zodat ziekteverwekkers zich niet kunnen vermenigvuldigen. Verder verteren colibacteriën cellulose en vormen ze belangrijke vitaminen, zoals vitaminen van het B­complex en vitamine K.

Ondersteunende organen

Het spijsverterings­ en stofwisselingssysteem hebben drie onmisbare hulpkrachten: de alvleesklier, de lever en de galblaas.

Alvleesklier

De alvleesklier is een langgerekte klier die dwars achter de maag ligt. Dit orgaan is opgebouwd uit klierkwabjes die alvleessap produceren. In alvleessap zitten de enzymen protease, lipase en amylase. Via een afvoerbuis geeft de alvleesklier het alvleessap af aan de twaalfvingerige darm.

Naast alvleessap produceert de alvleesklier de hormonen insuline en glucagon. Deze hormonen organiseren de koolhydraatstofwisseling. Tijdens de spijsvertering worden koolhydraten omgezet in glucose. Insuline en glucagon zorgen ervoor dat de hoeveelheid glucose in het bloed (de bloedsuikerspiegel) op peil blijft en dat glucose door de lichaamscellen kan worden verbrand. De alvleesklier geeft insuline en glucagon direct af aan het bloed.

groef: de leverpoort. Daar gaan twee bloedvaten de lever binnen: de poortader en de leverslagader. Hier vind je ook de afvoerbuis die gal van de lever afvoert. De lever heeft allerlei functies. Eén functie is dat de lever werkt als opslagorgaan voor de vitaminen A, B12, D en K.

De lever ondersteunt net zoals de alvleesklier de koolhydraatstofwisseling . Als er te veel glucose in het bloed zit (hoge bloedsuikerspiegel), slaat de lever dit teveel op als glycogeen. Wanneer de bloedsuikerspiegel te laag is, wordt glycogeen weer afgebroken tot glucose en afgegeven aan het bloed. De lever werkt hierbij samen met de alvleesklier.

De lever speelt ook een rol in de eiwitstofwisseling. Lichaamsvreemde eiwitten uit de voeding worden in de lever omgezet tot lichaamseigen eiwitten door het proces van assimilatie. Eiwitten die niet nodig zijn voor de opbouw van het lichaam, breekt de lever af tot ammoniak. Ammoniak wordt omgezet in ureum en uitgescheiden door de nieren.

Train je kennis over de spijsverteringsorganen met de online trainer.

Snelcode 26198

Lever

De lever ligt naast de maag, tegen het middenrif aan. De lever is het grootste inwendige orgaan en bestaat uit twee kwabben: de rechterkwab en de linkerkwab. Aan de onderkant van de lever ligt een

Tot slot speelt de lever een rol in de vetstofwisseling. De lever vormt onder andere lichaamseigen vetten uit vetzuren en glycerol. De lever zorgt er ook voor dat de spijsvertering vetten goed kan afbreken. De lever produceert namelijk gal, dat vetten in de darmen emulgeert. Ook activeert gal het enzym lipase dat vetten helpt afbreken tot vetzuren en glycerolmoleculen. De gal die de lever produceert, wordt afgevoerd naar de galblaas.

Lever

Alvleesklier

De veelzijdige lever

De lever heeft in je lichaam ook de rol van controleur en ontgifter. Via het bloed passeren alle opgenomen voedingsstoffen de lever. Die test ze opnieuw en geeft ze door aan de grote bloedsomloop. Ook zet de lever schadelijke stoffen om of verbindt ze met andere stoffen. Het bloed ontvangt daardoor onschadelijke stoffen en geeft deze door aan de nieren. Via de urine verlaten de stoffen het lichaam.

Galblaas

De galblaas ligt onder de rechterleverkwab, in een groef. Het heeft de grootte en vorm van een peertje. De wand van de galblaas heeft een dikke slijmlaag om zich te beschermen tegen de gal.

De galblaas transporteert de gal die in de lever is geproduceerd naar de twaalfvingerige darm. Gal die niet direct nodig is, slaat de galblaas op.

Test je kennis over stofwisseling en spijsvertering met de online boekcheck.

Snelcode 27190

WIST JE DAT? DE LEVER VORMT MET VITAMINE K BLOEDSTOLLINGSEIWITTEN.

Galblaas

10. Voedingsleer

Je bent net te lang in je bed blijven liggen nadat de wekker ging. Je springt snel onder de douche en maakt je daarna vlug klaar om naar de salon te gaan. Je wilt natuurlijk niet dat je eerste cliënt voor een dichte deur staat. Nadat de eerste twee cliënten zijn geweest, voel je je moe en beginnen je handen te trillen. Oei, in alle haast ben je vergeten te ontbijten vanmorgen…

Elke hap eten of slok drinken die je neemt, bevat voedingsstoffen. Je lichaam heeft deze voedingsstoffen nodig om te kunnen functioneren. Je hebt ze nodig om te bewegen, na te denken en de lichaamsprocessen draaiende te houden, maar ook om te herstellen als je bijvoorbeeld een wond oploopt.

Voedingsstoffen kun je verdelen in:

 brandstoffen, die energie leveren aan het lichaam;

 bouwstoffen, die helpen bij de groei en het herstel van het lichaam;

 hulpstoffen, die lichaamsprocessen ondersteunen.

De belangrijkste brandstoffen zijn koolhydraten en vetten. Belangrijke bouwstoffen zijn eiwitten en water. De hulpstoffen zijn vitaminen en mineralen. In dit hoofdstuk leer je meer over deze voedingsstoffen.

TIP IN HET HOOFDSTUK ‘STOFWISSELING EN SPIJSVERTERING’ LEES JE HOE HET LICHAAM VOEDINGSSTOFFEN VERWERKT EN GEBRUIKT.

hoofdstuk

10.1 Koolhydraten

Het lichaam gebruikt koolhydraten als energiebron. Je vindt ze in vooral in aardappelen, peulvruchten en graanproducten, maar ook in groenten en fruit. Koolhydraten ontstaan door de fotosynthese die plaatsvindt in groene planten. De plant neemt water uit de bodem en koolzuurgas uit de lucht op. Met behulp van zonnestralen vormt de plant

glucose en zuurstof. De glucose wordt in de plant omgezet in zetmeel. De plant slaat dit zetmeel op in de eigen bollen, knollen of zaden, zoals aardappelen of graankorrels.

Functie

Koolhydraten zijn brandstof voor je lichaam. 1 gram koolhydraten levert na verbranding in de cellen 17 kilojoule (4 kcal). Koolhydraten zorgen er ook voor dat je bloedsuikergehalte op peil blijft. Dat is belangrijk, omdat je minder energie hebt en je je minder goed kunt concentreren als je een lage bloedsuikerspiegel hebt.

WIST JE DAT?

JE BLOEDSUIKERSPIEGEL

IS ’S MORGENS NA HET

OPSTAAN VAAK LAAG. HET

ONTBIJT IS DAAROM EEN

BELANGRIJKE START VAN JE DAG.

Koolhydraten beïnvloeden de werking van de darmen. In celwanden van plantaardige cellen zit namelijk het onverteerbare koolhydraat cellulose. Cellulose bevat voedingsvezels die zorgen voor de darmperistaltiek. Als je te weinig voedingsvezels binnenkrijgt, kun je last krijgen van trage darmen of verstopping.

Stofwisseling

Koolhydraten worden met behulp van het enzym amylase afgebroken tot glucose. Glucose is de brandstof voor je spieren. Bij de verbranding van glucose komen kooldioxide en water vrij. Glucose die niet direct gebruikt wordt, wordt omgezet in glycogeen en als reservevoorraad opgeslagen in je spieren en lever. Je lichaam kan dit gebruiken als er te weinig glucose in het bloed zit. Zo houdt je lichaam de bloedsuikerspiegel stabiel.

Brood, aardappelen en pasta zijn voorbeelden van koolhydraatrijke producten.

10.2

Vetten

Het lichaam heeft vetten nodig, maar kan de belangrijke vetten niet zelf aanmaken. Daarom is het belangrijk om ze binnen te krijgen.

Vetten kunnen afkomstig zijn van planten of dieren. In plantaardige producten zitten vaak onverzadigde vetten, terwijl in dierlijke producten verzadigde vetten zitten. Onverzadigde vetten zijn goed voor je lichaam, maar een teveel daarvan kan ook schadelijk zijn. Verzadigde vetten verhogen het cholesterol en kunnen daardoor hart­ en vaatziekten veroorzaken.

Functie

Vetten zijn een belangrijke energiebron voor je lichaam. 1 gram vet levert ongeveer 38 kilojoule (9 kcal). Tijdens de verbranding van vet ontstaat warmte. Deze warmte wordt gebruikt om het lichaam op temperatuur te houden. Daarnaast heeft vet de volgende functies:

 De onderhuidse vetlaag om organen heeft een warmte ­ isolerende functie: het beschermt de organen tegen afkoeling.

 Vet vormt de myelinescheden om de uitlopers van zenuwcellen. De myelinescheden zorgen voor isolatie en geleiding van prikkels.

 Vet zorgt ervoor dat organen op hun plek blijven.

 Vet in onderhuids bindweefsel werkt als een stootkussen.

Stofwisseling

Vetten worden door het enzym lipase afgebroken. Er ontstaan vetzuren en glycerol. Dit zijn brandstoffen voor het lichaam. Het vet dat niet verbrand wordt door het lichaam, wordt opgeslagen in onderhuids bindweefsel. Dit is een reserve­energiebron. Bij de verbranding van vetten komen kooldioxide en water vrij.

Naast vetzuren en glycerol, haalt het lichaam ook cholesterol uit vetten. Dit is een vetachtige stof die het lichaam nodig heeft om bijvoorbeeld cellen aan te maken. Cholesterol wordt ook door het lichaam zelf aangemaakt. Verzadigde vetten bevatten veel cholesterol en verhogen het cholesterolgehalte in het bloed. Als er te veel cholesterol in het bloed zit,

WIST JE DAT?

ALS HET LICHAAM TE VEEL VOEDINGSSTOFFEN

BINNENKRIJGT, WORDT DIT ALS RESERVE OPGESLAGEN IN DE VORM VAN VET.

kan dit aan de bloedvatwanden blijven plakken. Daardoor kunnen de bloedvaten geblokkeerd raken en kunnen hart­ en vaatziekten ontstaan. Onverzadigde vetten helpen het cholesterolgehalte op peil te houden.

Onverzadigde vetten vind je onder andere in vis, noten, plantaardige olie en vruchten.

10.3

Eiwitten

Eiwitten leveren calorieën, maar ook aminozuren die belangrijk zijn voor de opbouw van cellen. In bijna alle voedingsmiddelen zitten eiwitten. Deze eiwitten kunnen zowel plantaardig als dierlijk zijn. Belangrijke plantaardige bronnen zijn graanproducten, peulvruchten en noten. Dierlijke bronnen van eiwit zijn vlees, vis, melkproducten en eieren.

Ieder eiwit is opgebouwd uit vijf verschillende elementen, namelijk:

 koolstof

 waterstof

 zuurstof

 stikstof

 zwavel

Deze elementen vormen samen verbindingen die aminozuren genoemd worden. In het lichaam komen wel twintig verschillende aminozuren voor die allemaal hun eigen opbouwende functie hebben.

Functie

Eiwitten zijn bouwstoffen voor de lichaamscellen: eiwit is nodig om cellen en weefsels op te bouwen en te herstellen. Voor de opbouw en het herstel breekt het lichaam eiwit af en vervangt dit door nieuw eiwit. Het lichaam verwijdert ook beschadigd eiwit zodat dit geen schade aan kan richten.

Eiwitten kunnen ook als brandstof dienen. 1 gram eiwit levert 17 kilojoule (4 kcal). Dit kan gebruikt worden wanneer het lichaam verzwakt is, bijvoorbeeld tijdens ziekte.

Stofwisseling

Eiwitten uit voeding worden door de enzymen protease en pepsine afgebroken. Hierdoor ontstaan de aminozuren. De afvalstoffen die bij de verbranding vrijkomen, zijn ammoniak en ureum. Deze worden uitgescheiden via de urine.

JE DAT?

ALS JE VEEL SPORT, HEEFT JE LICHAAM VEEL EIWITTEN NODIG OM JE SPIEREN GEZOND TE HOUDEN.

Eiwitten zijn nodig voor de spieropbouw.

10.4 Water

Je lichaam bestaat voor ongeveer 70% uit water. Je krijgt water binnen door te drinken, maar ook door te eten. Daarnaast ontstaat water bij de verbranding van brandstoffen. Om je vochtbalans goed te houden, moet de hoeveelheid water die je per dag binnenkrijgt ongeveer gelijk zijn aan de hoeveelheid die je verliest door plassen, zweten, ontlasting en ademen.

Functie

Water heeft verschillende functies in het lichaam. Allereerst functioneert het als bouwstof voor cellen. Een cel bestaat voor 75% uit water. In totaal bestaat ongeveer 70% van het lichaam uit water. Ongeveer 75% hiervan zit in cellen (intracellulair), de andere 25% bevindt zich buiten de cellen, in bloedplasma en weefselvocht.

Vochttekort

Een vochttekort is een ernstige verstoring van de vochtbalans. Het lichaam heeft te weinig water, waardoor lichaamsfuncties worden verstoord. Je kunt een vochttekort zien aan de huid: de huid heeft dan geen veerkracht meer.

TIP

IN DE PARAGRAAF

‘CELLEN’ VAN HET HOOFDSTUK ‘CELLEN

EN WEEFSELS’ LEES JE

MEER OVER DE OPBOUW

VAN EEN CEL.

Het lichaam gebruikt water ook als transportmiddel. Het bloedplasma vervoert voedingsstoffen naar alle cellen en afvalstoffen naar de uitscheidingsorganen. Dit bloedplasma bestaat voor het grootste deel uit water.

Een andere functie van water is de temperatuurregeling van het lichaam. Transpiratievocht (zweet) koelt af op de huid en laat daardoor het lichaam afkoelen. De lichaamstemperatuur blijft hierdoor constant.

Vitaminen

Vitaminen zijn hulpstoffen voor het lichaam. Je lichaam heeft ze nodig ter voorkoming van ziektes. Er zijn twee groepen vitaminen:  vitaminen die oplosbaar zijn in vet;  vitaminen die oplosbaar zijn in water.

Je lichaam maakt zelf geen vitaminen aan. Maar als je gevarieerd eet, krijg je alle belangrijke vitaminen binnen. Als je te weinig of te eenzijdig eet, kan er een gebrek aan sommige vitaminen ontstaan. Dat kan leiden tot ziektes.

Provitaminen

Je lichaam maakt zelf geen vitaminen aan, maar kan wel bepaalde vitaminen aanmaken vanuit provitaminen. Provitaminen zijn stoffen waaruit het lichaam in bepaalde omstandigheden vitaminen kan vormen. Voorbeelden zijn caroteen en ergosterol. De lever zet caroteen om in vitamine A. Uit ergosterol wordt in de huid met behulp van uv B­straling vitamine D gemaakt.

WIST JE DAT? VITAMINE C EN VITAMINE E WERKEN ALS ANTIOXIDANT. DAT WIL ZEGGEN DAT ZE LICHAAMSCELLEN BESCHERMEN TEGEN VRIJE RADICALEN (AGRESSIEVE STOFFEN).

Als je veel zweet, moet je extra water drinken.

Vitamine Functie

Vitamine A  verbetert gezichtsvermogen

 beschermt epitheelweefsel

 reguleert werking van de talgklieren

 verhoogt weerstand

 reguleert werking van de schildklier

 beïnvloedt verhoorning; is nodig voor aanmaak van huidcellen

Vitamine B  reguleert weefselstofwisseling

 bevordert aanmaak rode bloedlichaampjes

 vormt eiwitten

 bevordert zenuwprikkelgeleiding

Vitamine C  verbetert opbouw van bindweefselvezels en tussenstof

 werkt verstevigend op bindweefsel

 bevordert collageenvorming

 helpt bloedvaten gezond en elastisch te houden

 stimuleert vorming van rode bloedcellen

 bevordert wondgenezing

Vitamine D  bevordert beendervorming door opname van calcium en fosfor uit het bloed

 bevordert vorming van tanden en kiezen

Vitamine E  stimuleert huiddoorbloeding

 beschermt bloedvaten

Vitamine K  zorgt voor bloedstolling

 zorgt ervoor dat de lever protrombine kan vormen

Oplosbaar in Komt voor in

vet  volkorenbrood en bruin brood

 peulvruchten

 aardappelen

 melk, eieren, vlees en vis

water

 volkorenbrood en bruin brood

 peulvruchten

 aardappelen

 melk, eieren, vlees en vis

water

 groenten

 fruit

 aardappelen

vet  levertraan

 melk en eieren

vet  tarwekiemolie

 volkorenbrood en bruin brood

 vlees en vis

 groenten

vet

 groenten

 eieren

 lever

 aangemaakt door de colibacterie in de dikke darm

10.6

Mineralen

Mineralen zijn stoffen die in kleine hoeveelheden voorkomen in eten en drinken. Ze komen in de natuur voor; vooral in gesteentes. Planten en dieren nemen de mineralen op, waardoor ze in onze voeding terechtkomen.

Mineralen zijn onmisbaar voor een goede gezondheid en de groei en ontwikkeling van je lichaam. Mineralen leveren geen energie aan het lichaam.

Alle mineralen hebben een specifieke functie in het lichaam. Sommige elementen werken samen om een bepaalde functie in het lichaam te vervullen. Natrium en kalium zorgen er bijvoorbeeld samen voor dat de vochtbalans op orde blijft. De verhouding tussen natrium en kalium moet goed zijn, zodat de osmotische waarde van het lichaam goed blijft.

Sporenelementen

Naast mineralen heeft je lichaam sporenelementen nodig, zoals fluoride en jodium. Het verschil tussen mineralen en sporenelementen is de hoeveelheid die je ervan nodig hebt. Van mineralen heb je dagelijks enkele grammen nodig. Van sporenelementen heb je micro­ of milligrammen nodig.

Melkproducten bevatten het mineraal calcium.

Mineraal Functie

Calcium

 zorgt voor opbouw van beenderen

 zorgt bij kinderen voor opbouw van gebit

 zorgt bij volwassenen voor instandhouding van beenderen en gebit

Fosfor

 zorgt samen met calcium voor stevigheid in botten

 heeft een rol in stofwisselingsprocessen

Fluoride

 zorgt voor opbouw van tandglazuur

 beschermt tanden tegen tandbederf

Jodium

 zorgt voor aanmaak van schildklierhormoon

 zorgt voor goede werking van schildklier

IJzer zorgt voor aanmaak van hemoglobine

Komt voor in

 melkproducten

 in bepaalde groene groenten

Zwavel  speelt een rol bij het verhoorningsproces

 is een bestanddeel van aminozuren, waaruit eiwitten zijn opgebouwd

Natrium

 trekt vocht aan

 is een bestanddeel van bloedplasma

Kalium drijft vocht uit

 vlees en vis

 eieren

 melk

 kaas

 in kleine hoeveelheden in drinkwater

 in veel andere voedingsmiddelen, zoals thee en zeevis

 zeevis

 gejodeerd zout

 brood

 eieren

 melkproducten

 vlees en vis

 volkorenbrood

 groene bladgroenten

 peulvruchten

 brood

 kaas

 eieren

 uien, knoflook en prei

 in de meeste voedingsmiddelen

 wordt extra toegevoegd aan bijvoorbeeld kaas, brood en vleeswaren

 melk

 aardappelen

 groenten en vruchten

 bouillon

Weten of je het hoofdstuk ‘Voedingsleer’ begrepen hebt? Doe de online boekcheck. Snelcode 27203

Of oefen eerst met alle voedingsstoffen in de online trainer. Snelcode 26208

Schijf van Vijf

Met de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum kun je gezonder en duurzamer eten. Het Voedingscentrum heeft uitgezocht welke producten goed zijn voor je gezondheid. En welke producten zorgen voor genoeg energie en de voedingsstoffen die je lichaam nodig heeft. De Schijf van Vijf helpt je ook om keuzes te maken die beter zijn voor het milieu. Bijvoorbeeld door de aanbevolen hoeveelheden te eten voor de gezondheidswinst en voedingsstoffen, maar niet meer dan dat. Meer informatie over de Schijf van Vijf vind je op de website van het Voedingscentrum.

11.Nieren en urinewegen

Uit het voedsel dat je eet, neemt je lichaam voedingsstoffen op.

De stoffen die je niet nodig hebt, noem je afvalstoffen. De uitscheidingsorganen zorgen ervoor dat de afvalstoffen je lichaam verlaten.

Als dit proces verstoord is, kan dat invloed hebben op de huid.

Veel huidklachten worden namelijk veroorzaakt door een teveel aan afvalstoffen. In dit hoofdstuk leer je meer over de belangrijkste uitscheidingsorganen in je lichaam: de nieren en de urinewegen.

11.1

Uitscheidingsorganen

Het verwijderen van afvalstoffen uit je lichaam noem je uitscheiding of excretie. De uitscheidingsorganen zorgen ervoor dat dit proces wordt uitgevoerd. De belangrijkste uitscheidingsorganen zijn:

 de nieren, die scheiden via urine afvalstoffen uit;

 de longen, die scheiden via je adem koolstofdioxide en waterdamp uit;

 de huid, die scheidt via transpiratie (zweetklieren) afvalstoffen uit.

Als je darmen niet voldoende werken of het aantal afvalstoffen in je lichaam te hoog is, gaat de huid steeds harder werken als uitscheidingsorgaan. Dit kun je vaak zien in de vorm van huiduitslag.

TIP

WETEN HOE HET WEEFSEL VAN DE UITSCHEIDINGS ORGANEN IS OPGEBOUWD? LEES IN HET HOOFDSTUK ‘CELLEN EN WEEFSELS’ DE PARAGRAAF ‘EPITHEELWEEFSEL’.

Het verwijderen van afvalstoffen uit je lichaam noem je uitscheiding of excretie.

De belangrijkste uitscheidingsorganen zijn de nieren en de urinewegen. Samen vormen deze organen het urinewegstelsel. Dit orgaanstelsel produceert urine en voert het af.

WIST JE DAT? DE ROODBRUINE

KIDNEYBOON HEEFT

ZIJN NAAM TE DANKEN

AAN HET ENGELSE WOORD VOOR NIER: KIDNEY.

Kidneybonen

11.2

Nieren

De nier is een boonvormig orgaan met een roodbruine kleur. In je lichaam bevinden zich twee nieren. Beide nieren liggen achter in de buikholte, tegen de binnenste laag van de rugspieren aan. Ze liggen achter het buikvlies, ter hoogte van de lendenstreek. De ene nier ligt links van de wervelkolom, de andere nier aan de rechterkant. Boven de rechternier ligt de lever, daarom ligt deze iets lager dan de linkernier. Een grote hoeveelheid vetmassa zorgt ervoor dat de nieren beschermd worden en op hun plaats blijven. Op de nieren liggen twee hormoonklieren: de bijnieren

Een grote hoeveelheid

vetmassa zorgt ervoor dat de nieren beschermd worden en op hun plaats blijven.

Bijnier Nier

TIP JE LEEST MEER OVER DE BIJNIEREN EN HUN FUNCTIE IN HET HOOFDSTUK ‘HORMOONSTELSEL’.

Ligging van de nieren

Bouw van de nieren

Een nier is van buiten naar binnen als volgt opgebouwd:

 kapsel

 nierschors

 niermerg

 nierbekken

 nierpoort

De bijnieren zijn opgebouwd uit bijnierschors (buitenste laag) en bijniermerg (binnenste deel).

Functie van de nieren

De nieren produceren urine. Zo regelen ze de hoeveelheid vloeistoffen in je lichaam en bepalen ze de samenstelling van deze vloeistoffen. Om de hoeveelheid en samenstelling van je lichaamsvloeistoffen in balans houden, doen de nieren het volgende:

 schadelijke stoffen uitscheiden

 water en zout uitscheiden

 de zuurgraad van het bloed reguleren

Schadelijke stoffen

De nieren hebben de taak om alle schadelijke stoffen af te voeren. Denk aan afvalstoffen van de eiwitstofwisseling (ureum) en overtollige zouten, hormonen en vitaminen. Ook afvalstoffen die bijvoorbeeld afkomstig zijn van medicijnen en stoffen die door de lever onschadelijk zijn gemaakt, worden door de nieren afgevoerd.

Bijnier

Nierschors

De nierschors ziet er gespikkeld uit. Dat komt door de lichaampjes van Malpighi die in dit weefsel zitten.

Kapsel

Het kapsel is een laag stevig bindweefsel dat de buitenkant van de nieren vormt. Het kapsel beschermt de nier, samen met de vetlaag eromheen.

Niermerg

Het niermerg ligt onder de nierschors. Dit merg bestaat uit buisjes die met de punten naar het nierbekken zijn gericht. Niermerg noem je ook wel piramidelaag omdat het merg driehoekig is.

Nierbekken

De holte aan de binnenkant van de nieren noem je het nierbekken. Het nierbekken vangt de gevormde urine op. Aan het einde van het nierbekken ligt de nierpoort. Op deze plek komen de bloedvaten in en uit de nier.

WIST JE DAT? PER DAG STROOMT ER ONGEVEER 1.500 LITER BLOED DOOR DE NIEREN. DE NIEREN CONTROLEREN HET BLOED OP DE SAMENSTELLING.

Nierpoort Urineleider Blaas

Water en zout

De nieren regelen de water­ en zouthuishouding van het lichaam. Ze scheiden het teveel aan water en zout uit. Dat betekent dat er stoffen uit de bloedbaan gaan. Deze stoffen komen via de nieren in de urine terecht.

De stoffen kunnen de bloedbaan verlaten omdat de bloeddruk in de slagaderlijke haarvaten van de nieren hoger is dan in de haarvaten elders in het lichaam. De hoeveelheid zouten in het lichaam heeft invloed op de osmotische druk van de lichaamsvloeistoffen. Keukenzout trekt vocht aan. Als er meer vocht in de weefsels komt, wordt de druk op de weefsels hoger. Deze druk wordt osmotische druk genoemd.

Zuurgraad

Bloed hoort een constante zuurgraad (pH­waarde) van 7.4 te hebben. Als de pH­waarde te hoog of te laag is, dan kun je levensbedreigende stofwisselingsstoornissen krijgen. De nieren reguleren de zuurgraad van het bloed. Hierdoor blijft de pHwaarde van het bloed constant. Je bloed wordt bijvoorbeeld zuurder als er in je spieren melkzuur ontstaat door een anaeroob proces. De bloedbaan neemt dit over en de nieren moeten ervoor zorgen dat de pH­waarde weer 7.4 wordt.

Om de pH­waarde constant te houden, scheiden de nieren zuren of alkaliën (basische stoffen) uit.

Als de zuurgraad van het bloed te hoog is, dan scheiden de nieren zuren uit. Als er te veel zout in het bloed zit, dan scheiden de nieren alkaliën uit. Omdat de nieren de zuurgraad van het bloed constant moeten houden, heeft de urine steeds een andere samenstelling.

Samenstelling van urine

De samenstelling van urine hangt af van de werking van de verschillende organen, voeding en medicijngebruik. De normale kleur van urine is heldergeel. Urine bestaat voor 95% uit water. De overige 5% bestaat uit ureum (afbraakproducten) en overtollige en schadelijke stoffen. Een medisch onderzoek naar urine kan belangrijke gegevens opleveren. Glucose in de urine kan bijvoorbeeld wijzen op een te hoge concentratie glucose in het bloed. Dit kan duiden op diabetes. Eiwit in de urine wijst meestal ook op een ziekte of vergiftiging.

Werking van de nieren

De nieren hebben als doel de hoeveelheid en samenstelling van lichaamsvloeistoffen constant te houden.

De nieren kunnen hun functies uitvoeren dankzij de slagaderlijke haarvaten in de lichaampjes van Malpighi (zie de afbeelding op de volgende bladzijde). Die zitten in het weefsel van de nierschors. De lichaampjes bestaan uit glomeruli en het kapsel van Bowman. De glomeruli zijn bolletjes. Deze bolletjes zijn kluwen van slagaderlijke haarvaatjes die bloed aan­ en afvoeren. De bloedvaatjes in de nieren zijn slagaderlijk, omdat de nieren het bloed moeten filtreren. Filtreren betekent dat stoffen die ín de bloedbaan zitten, naar buiten gaan. Door het verschil in bloeddruk en osmotische druk worden de stoffen verplaatst.

WIST JE DAT? DE HOEVEELHEID VOORURINE IS VEEL GROTER DAN DE UITEINDELIJKE HOEVEELHEID URINE. PER DAG VORMT ZICH ONGEVEER

150 LITER VOORURINE.

De glomeruli worden omhuld door het kapsel van Bowman. Door de slagaderlijke druk in de glomeruli vangt het kapsel van Bowman het vocht met de opgeloste stoffen uit het bloed op. Dit vocht noem je de voorurine. Het kapsel gaat over in een kronkelend buisje, dat van de nierschors naar het niermerg loopt. Het kronkelende buisje noem je de tubulus. In het niermerg gaat de tubulus over in een lus, de lis van Henle

In de lis van Henle gaan de nuttige stoffen uit de voorurine, zoals glucose en water, opnieuw de bloedbaan in. Dat heet resorptie. De afvalstoffen blijven achter. De lis van Henle gaat via het niermerg terug naar de schors en eindigt in een verzamelbuisje. In het niermerg verzamelen alle buisjes zich in groepen. Deze groepen komen uit in het nierbekken. Het nierbekken vangt de urine die uit de buisjes komt op en geeft de urine druppelsgewijs af aan de urineleider. Zo verlaten de afvalstoffen het lichaam. Dat heet excretie.

Wil je weten of je het hoofdstuk goed hebt begrepen? Doe de online boekcheck. Snelcode 27212

Of oefen eerst met de online trainer. Snelcode 26215

Nierader

Urineleider Nierslagader

ongefilterd bl oed

Urine gefilterd bl oed

Test je kennis over nieren en urinewegen met de online boekcheck. Snelcode 27212

Lichaampje van Malpighi
Glomerulus
Kapsel van Bowman
Tubulus
Lis van Henle
Nier met het lichaampje van Malpighi en de lis van Henle uitvergroot

11.3 Blaas en urine wegen

Vanuit het nierbekken druppelt de urine via de urineleiders naar de blaas. De blaas ligt in het bekken. Bij de vrouw ligt de blaas voor de baarmoeder, bij de man boven de prostaat. De buitenste laag van de blaas bestaat uit glad spierweefsel. Aan de binnenkant is de blaas bedekt met slijmvlies.

Het uiteinde van de blaas bestaat uit twee sluitspieren. De binnenste sluitspier bestaat uit glad spierweefsel. Deze sluitspier werkt zonder dat je je daarvan bewust bent, dus onwillekeurig. De buitenste sluitspier bestaat uit dwarsgestreept spierweefsel. Deze spier werkt willekeurig. Dit betekent dat je zelf de werking van deze spier beïnvloedt. De blaas verzamelt de urine. Tijdens het plassen werken het spierweefsel, de buikpers en de sluitspieren van de blaas samen.

Urineleider

Bij de vrouw ligt de blaas voor de baarmoeder,

bij de man boven de prostaat.

De urine verlaat het lichaam via de urinebuis

Deze urineweg heeft een stevige, elastische wand. Bij vrouwen is de urinebuis korter dan bij mannen. Vrouwen kunnen daarom sneller een blaasontsteking krijgen.

WIST JE DAT?

DE BLAAS KAN 1

TOT 1,5 LITER URINE

BEVATTEN. JE LEEGT JE

BLAAS ONGEVEER VIER

TOT VIJF MAAL PER DAG

DOOR TE PLASSEN.

Controle over je blaas

Als er in je blaas een bepaalde hoeveelheid urine zit, gaat er een zenuwprikkel via het ruggenmerg naar de hersenen. Baby’s kunnen het verband nog niet leggen tussen de prikkel en het moment waarop ze de blaas kunnen legen. Daarom dragen ze altijd een luier. Volwassen hebben soms ook geen controle meer over hun blaasspieren, bijvoorbeeld vanwege een aandoening. Je spreekt dan van incontinentie.

Blaas Urinebuis
Ligging van de blaas

12.huidveranderingen

Door huidafwijkingen of -aandoeningen kan de huid zichtbaar veranderen. Als je een huidverandering wilt behandelen, is het belangrijk dat je kiest voor de juiste behandeling. Om dat te kunnen doen, moet je de verschillende huidveranderingen herkennen.

Sommige veranderingen van de huid zijn een gevolg van een ontsteking. In dit hoofdstuk leer je welke huidveranderingen er zijn en wat een ontsteking is.

12.1

Efflorescenties

Door een afwijking van de huid of een aandoening (ziekte) kan de huid veranderen. Deze huidveranderingen noemen we efflorescenties. Voorbeelden van efflorescenties zijn blaren, zwellingen en vlekken. Een schoonheidsspecialist kan aan een efflorescentie zien welke huidafwijking of ­aandoening een cliënt heeft.

Efflorescenties kunnen ook andere oorzaken hebben dan een aandoening of een afwijking. Een blaar kan bijvoorbeeld een gevolg zijn van verkeerde schoenen, maar ook van verbranding. Zo zijn er nog meer factoren die invloed hebben op je huid. Denk maar aan voeding, zonlicht, temperatuur of allergische reacties.

Er zijn primaire en secundaire efflorescenties. Primaire efflorescenties zijn veranderingen van de huid door de afwijking of aandoening zelf, zoals een puist of een cyste. Secundaire efflorescenties zijn veranderingen van de huid als gevolg van klachten bij een primaire efflorescentie. Een puist is bijvoorbeeld een primaire efflorescentie. Krab je de puist open omdat deze jeukt, dan ontstaat een wondje. Het wondje is dan een secundaire efflorescentie.

Voorbeelden van efflorescenties zijn blaren, zwellingen en vlekken.

Als schoonheidsspecialist kun je niet alle efflorescenties behandelen. In sommige gevallen kun je een huidverandering alleen camoufleren en in andere gevallen moet je de behandeling overlaten aan een dermatoloog, verpleegkundige of pedicure.

Blaar

Bulla

Omschrijving

 holte die tussen de lagen van de opperhuid of tussen de opperhuid en de lederhuid zit

 gevuld met vocht of bloed (bloedblaar)

 groter dan een centimeter

Behandeling

 behandeling door pedicure of verpleegkundige

 Inprikken met een steriele naald

 vocht verwijderen

 steriel afsluiten

Blaasje

Omschrijving

 holte tussen de lagen van de opperhuid

 kleiner dan een centimeter

 gevuld met helder vocht

 voorbeeld: koortslip

Behandeling

 verdwijnt meestal vanzelf: behandeling niet nodig

 eventueel camoufleren als het blaasje storend is

 voor blaasjes met een virale oorzaak kan de cliënt een crème gebruiken

Litteken

Omschrijving

 ontstaat na een diepe huidverwonding (dieper dan de opperhuid, loopt door tot in de lederhuid of de onderhuid)

 na verwonding vervangt bindweefsel de opperhuid

Behandeling

 bindweefselmassage helpt om litteken minder zichtbaar te maken

 littekenzalf of ­ olie met vitamine E

Omschrijving

 ontstaat na beschadiging opperhuid

 stolling van lymfe, bloed en etter

Behandeling

 behandeling niet nodig

 eventueel camoufleren als de korst storend is

Holte

Cyste

Omschrijving

 holte omgeven door een vlies

 inhoud kan waterig of slijmerig zijn

 voorbeeld: talgkliercyste, een holte gevuld met talg

Behandeling

 geen behandeling nodig (cyste is namelijk goedaardig)

 arts kan cystes verwijderen als dat wenselijk is

 een talgkliercyste kan ingeprikt en uitdrukt worden door een gespecialiseerd schoonheidsspecialist

Roodheid

Erytheem/rubor

Omschrijving

 tijdelijke roodheid van de huid

 ontstaat door een verwijding van de bloedvaatjes in de huid

(bijvoorbeeld door hitte, kou, ontsteking, zonlicht of irritatie van de huid)

Behandeling

 kalmerende behandeling

 soms is een snelle behandeling nodig

 in veel gevallen verdwijnt de roodheid vanzelf

Ontvelling/schaafwond

Excoriatie

Omschrijving

 verwonding van de opperhuid

 kan puntvormige bloedingen veroorzaken

Behandeling

 schoonmaken met water (kan de cliënt zelf doen)

 als de kleding het toelaat laten drogen aan de lucht

 als er eenmaal een korst op zit, kun je de wond camoufleren

Omschrijving

 een kleurverandering van de huid

 er is geen verhevenheid te zien zoals bij een bobbel of puist

 voorbeeld: een pigmentvlek of een bloeduitstorting

Behandeling

 eventueel camoufleren als de vlek storend is

 pigmentvlek kan behandeld worden met laser, peelings of microdermabasie

Huidverhevenheid

Papula

Omschrijving

 een klein bultje of kleine pukkel zonder etterkopje

 voelbaar en zichtbaar aan de huid

Behandeling

 geen behandeling nodig

 eventueel camoufleren als de pukkel storend is

Vlek
Macula

Kloof

Omschrijving

 een verhevenheid van de huid

 daaronder een ruimte die is gevuld met etter (pustel of etterkopje)

Behandeling

 puist verdwijnt vanzelf

 een schoonheidsspecialist met specialisatie acne kan een puist inprikken en uitduwen

Omschrijving

 een scheurtje of barst in de huid

 het kan oppervlakkig of diep zijn

Behandeling

 behandelen met een vette, hydraterende crème

 bij kloven op de voet kan een pedicure eelt verwijderen

Schub, schilfer

Omschrijving

een loslatende opeenhoping van hoorncellen

Behandeling

 behandelen met hydraterende crème of lotion

 het resultaat is tijdelijk

 een dermatoloog kan cliënten hiervoor behandelen

Knobbel, bult

Nodus/tuber

Omschrijving

 een verhevenheid van de onderhuid of de lederhuid.

 een knobbel (nodus) is wel voelbaar, maar niet zichtbaar

 een bult (tuber) is zichtbaar aan de buitenkant

Behandeling

 in sommige gevallen kan een arts het verwijderen (afhankelijk van de oorzaak)

 eventueel camoufleren als de knobbel of bult storend is

Zwelling

Tumor

Omschrijving

 een verhevenheid van de huid die ontstaat door toename van cellen

 een tumor kan aan de oppervlakte van de huid zitten, maar ook dieper in het lichaam

 een kwaadaardige tumor is kanker

 een goedaardige tumor is bijvoorbeeld een pukkel

Behandeling

 behandeling is afhankelijk van het soort tumor

 een dermatoloog maakt hiervoor een diagnose

 eventueel camoufleren als de zwelling storend is

Zweer

Ulcus

Omschrijving

 een ontsteking van de huid waarbij een open wond ontstaat

 de huid is aangetast vanaf de opperhuid tot in de onderhuid

 geneest moeilijk en er is sprake van ettervorming

 na genezing ontstaat littekenweefsel

Behandeling

 wondverzorging door een wondverpleegkundige met antibiotica en/of desinfecterende middelen

 behandeling hangt af van oorzaak en type zweer

Kwaddel

Urtica

Omschrijving

 jeukende uitslag van de huid

 begint met rode vlekjes, kan daarna overgaan in verdikte bleke plekken

 heet ook wel netelroos (urticaria) of galbulten

 is vaak een allergische reactie

Behandeling

 geen behandeling nodig, verdwijnt meestal vanzelf na enkele uren

 een arts kan eventueel antiallergische middelen voorschrijven TIP

IN HOOFDSTUK 13 EN 14

LEER JE MEER OVER HUIDAFWIJKINGEN EN HUIDAANDOENINGEN.

12.2

Ontstekingsverschijnselen

Een ontsteking is een reactie van het weefsel op een schadelijke prikkel. De bloedvaten verwijden zich. Daardoor ontstaat roodheid (rubor) en warmte (calor). Er komt vocht uit de bloedvaten en dat veroorzaakt een zwelling (tumor). Doordat de zwelling drukt op zenuwuiteinden ontstaat pijn (dolor). Het weefsel functioneert niet goed meer (functio laesa). Een ontsteking is dus te herkennen aan roodheid, warmte, zwelling, pijn en een gestoorde functie van huidweefsel.

Als een ontsteking aan de oppervlakte van de huid ontstaat, kan een huidverandering (efflorescentie) optreden. Er zijn twee soorten ontstekingen, namelijk steriele en infectuele ontstekingen

Steriele ontsteking

Een steriele ontsteking ontstaat zonder infectie van bacteriën of virussen. Het kan veroorzaakt worden door langdurige irritatie (krabben, peuteren, wrijving) of door overbelasting zoals bij een slijmbeursontsteking.

Ook irritatie door hitte, bevriezing of chemische stoffen kan leiden tot een ontsteking. Een steriele ontsteking noem je ook wel een aseptische ontsteking. Aseptisch betekent letterlijk ‘vrij van ziektekiemen’.

Infectuele ontsteking

Een infectuele ontsteking ontstaat door een infectie van micro­organismen zoals bacteriën, schimmels of virussen. Een infectuele ontsteking doorloopt drie stadia. De eerste twee stadia zijn besmetting en infectie. Het derde stadium is de ontsteking zelf.

Besmetting

Als micro­organismen het lichaam binnendringen, dan spreken we van een besmetting. Dit kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld door besmet of bedorven voedsel, seksueel contact of vuil in een wond.

Infectie

Als het afweersysteem van het lichaam de micro­organismen onschadelijk maakt, gebeurt er niets. Als micro­organismen zich kunnen vermenigvuldigen en verspreiden, spreken we van een infectie.

Ontsteking

Uiteindelijk kan een infectie leiden tot een ontsteking. Een ontsteking heeft als doel schade aan het lichaam te herstellen. Een ontsteking hoeft niet tot problemen te leiden, maar het kan wel. Een abces is daar een voorbeeld van.

Abces

Een abces is een vorm van een ontsteking waarbij het lichaam de plek van de ontsteking als het ware inpakt. Dit inpakken noem je inkapselen. Het is een reactie van het lichaam om ervoor te zorgen dat een bacterie zich niet door het lichaam kan verspreiden. Door het inkapselen ontstaat een holte die is gevuld met pus, het abces.

Als het kapsel van het abces aan de oppervlakte van de huid knapt, kan het pus eruit. Het abces geneest spontaan. Als dit niet gebeurt, moet een arts het abces insnijden om het pus eruit te laten. Als een abces onder de huid knapt, kan dat gevaarlijk zijn voor je gezondheid. De bacteriën kunnen namelijk in de bloedbaan terechtkomen. Dat kan leiden tot bacteriëmie of sepsis. Als schoonheidsspecialist mag je een abces nooit behandelen!

Test je kennis over huidveranderingen met de online boekcheck.

Snelcode 27217

Maak je er liever een spelletje van?

Speel dan de vragen weg van de online trainer. Snelcode 26220

13.Huidafwijkingen

IN DIT HOOFDSTUK

Vochtarme huid of gedehydrateerde huid

Rimpels en plooien

Contourvervaging

Behandeling van de rijpere huid

Kringen en wallen onder de ogen

Afwijkingen in het bindweefsel Rokershuid

Droge huid, vette huid, acne, pigmentvlekken, rimpels; het zijn allemaal voorbeelden van afwijkingen aan de huid. Bijna iedereen heeft kleine of grotere huidafwijkingen. Als schoonheidsspecialist kun je veel betekenen voor cliënten die last hebben van een huidafwijking. Maar soms is het voor jou niet mogelijk om te behandelen en moet je doorverwijzen naar een arts of dermatoloog. Daarom is het belangrijk om huidafwijkingen te herkennen. In dit hoofdstuk leer je meer over de verschillende huidafwijkingen.

13.1

Talgklierafwijkingen

In de huid zitten talgklieren die talg aanmaken. De talg komt via talgklierafvoerbuisjes en talgklierporiën op de huid terecht. Talg is een vette stof die belangrijk is voor de huid. Talg heeft drie verschillende functies:

 Talg houdt de huid en de haren vet en daardoor soepel.

 Talg beschermt de huid tegen uitdroging en vochtverlies.

 Talg vormt samen met zweet de zuurmantel.

Talg komt op de huid via talgklierafvoerbuisjes en de poriën. Vaak gebruikt de talgklier een haarzakje als afvoerbuisje, maar er zijn ook talgklieren met een eigen afvoerbuis. Deze zie je op lippen, neusvleugels en tepels.

Soms is er sprake van een afwijking in de talgklierwerking. Door hormonale veranderingen in het lichaam wordt te weinig of te veel talg aangemaakt. Hierdoor kan een droge huid (sebostase) of vette huid (seborrhoe) ontstaan. Talgklierafvoerbuisjes en talgklierporiën kunnen verstopt raken en ontsteken. Dan ontstaan mee­eters (comedonen) of puistjes (acne).

Zuurmantel

De zuurmantel is een huidemulsie die bestaat uit talg, zweet en stoffen die tijdens het verhoorningsproces op de huid komen. Deze zuurmantel beschermt het lichaam tegen het binnendringen van ziektekiemen. Lees meer over de zuurmantel in het hoofdstuk ‘Huid’.

Droge huid

Een verminderde talgklierwerking noem je sebostase. De huid is dan droog. Kenmerken van een droge huid zijn:

 fijne structuur

 dunne hoornlaag

 nauwelijks zichtbare poriën

 weinig weerstand tegen invloeden als kou en wind

 vochtarm

De talgklier produceert talg en gebruikt vaak het haarzakje als afvoerbuis.

De droge huid herstelt meestal zelf. Een behandeling is dan niet nodig. Als schoonheidsspecialist kun je een voedende behandeling uitvoeren en de cliënt adviseren een vetregulerende crème te gebruiken.

Droog, vet en vochtarm

Een droge huid en een vochtarme huid worden vaak met elkaar verward. Een droge huid bevat te weinig talg en een vochtarme huid te weinig vocht. Een vette huid kán ook vochtarm zijn.

Vette huid

Als de talgklieren te veel talg afscheiden, ontstaat een vette huid. Dit noemen we seborrhoe Deze overmatige werking van de talgklieren komt voor vanaf de puberteit. Het lichaam reageert dan sterk op hormonale veranderingen. Seborrhoe is er in twee vormen: seborrhoe oleosa en seborrhoe sicca. Bij seborrhoe oleosa is de huid glimmend. Je kunt dan goed zien dat de huid vet is. Bij seborrhoe sicca is de huid niet alleen vet, maar ook vochtarm, waardoor er sprake is van schilfervorming.

WIST JE DAT?

DOOR JE HUID VAAK TE WASSEN MET WATER EN ZEEP SPOEL JE HUIDVETTEN WEG. DIT VEROORZAAKT EEN DROGE HUID.

Een vette huid is verder te herkennen aan zichtbare verwijde poriën, een verdikte hoornlaag, comedonen en soms pustels. Als schoonheidsspecialist kun je een vette huid behandelen door deze goed te reinigen en comedonen en pustels te verwijderen. Het vet helemaal verwijderen met alcohol of agressieve producten kan ertoe leiden dat de huid meer talg gaat produceren en juist vetter wordt.

Blackheads en whiteheads

Seborrhoe kan ervoor zorgen dat talgklierafvoerbuisjes verstopt raken. De talg kan dan niet afvloeien. Zo’n verstopte talgklierafvoergang noem je een comedo of mee­eter. Er zijn open en gesloten comedonen. Open comedonen liggen aan de oppervlakte van de huid en zijn zwart van kleur. Dit zijn blackheads. De zwarte kleur ontstaat doordat de kleurstof melanine die in deze comedonen zit, reageert met zuurstof. Gesloten comedonen liggen vlak onder de huid en zijn wit van kleur. Dit zijn whiteheads. Behalve talg bevatten white heads ook dode huidcellen.

Als een talgklierafvoergang is afgesloten door een laagje hoorncellen, ontstaat daaronder ophoping van talg. Dan is er sprake van een talgkliercyste Als de poriën verstopt raken met talg zonder dat ze boven het niveau van de huid uit komen, spreken we van verstopte poriën

Een gespecialiseerde schoonheidsspecialist kan comedonen uitdrukken en talgcystes en pustels inprikken en uitdrukken.

Open comedo of blackhead
Gesloten comedo of whitehead
Talgkliercyste

Acne

Als talgklieren verstopt en ontstoken raken, ontstaan puistjes en comedonen. Dan is er sprake van acne. De meest bekende vorm acne ontstaat tijdens de puberteit en heet acne vulgaris (jeugdpuistjes). Deze acne ontstaat onder invloed van androgenen.

Androgenen

Tijdens de puberteit maakt het lichaam van zowel jongens als meisjes mannelijke hormonen aan. Deze hormonen heten androgenen. De androgenen zorgen ervoor dat talgklieren groter worden en meer talg produceren. Doordat ook de opperhuid verdikt, kan de talg niet wegvloeien en hoopt het zich op in de talgklieren.

Puistjes van chocola?

Je hoort vaak dat vet eten en chocola acne veroorzaken. Dit was nooit echt bewezen, maar uit recente onderzoeken blijkt dat vetten, melkproducten en suikers een ongunstige invloed kunnen hebben op acne.

Andere oorzaken van acne

Behalve de verhoogde talgproductie tijdens de puberteit zijn er ook andere oorzaken van acne:

 Cosmetica kunnen ervoor zorgen dat talgkliertjes en poriën verstopt raken waardoor deze gaan ontsteken.

 Chemische stoffen (zoals chloor in het zwembad) kunnen de huid uitdrogen. Daardoor wil het lichaam meer talg produceren.

 Druk op de huid, wrijving en krabben kan ervoor zorgen dat talgkliertjes openbarsten en ontsteken.

 Sommige geneesmiddelen veroorzaken of verergeren acne.

Soorten acne

Naast acne vulgaris zijn er meer soorten acne.

Ze hebben elk hun eigen kenmerken.

Acne vulgaris

Omschrijving

 bekend als jeugdpuistjes

 komt vooral voor bij jongeren, maar ook volwassenen kunnen er last van hebben

 open comedonen

 gesloten comedonen

 puisten

 er zijn verschillende verschijningsvormen, bijvoorbeeld comedonica (vooral comedonen) en inflammatoire (rood en geirriteerd)

LET OP!

SOMMIGE COSMETISCHE PRODUCTEN, ZOALS ZEEP, KUNNEN DE

Oorzaak ontstaat onder invloed van androgenen

Plek op het lichaam gezicht, borst en rug

Acne conglobata

Omschrijving

 meest ernstige vorm van acne

 onderhuidse holten met etter staan met elkaar in verbinding

 dikke rode en pijnlijk bobbels (infiltraten)

 littekenvorming

 komt vaker voor bij mannen, soms nog ver na de puberteit

Oorzaak

 bij volwassenen onbekend

 bij pubers waarschijnlijk de gestegen hormoonspiegel

Plek op het lichaam

 gezicht en rug

 soms op de borst

Acne keloïdalis

Omschrijving

 ontsteking van de haarwortelzakjes

 komt vooral voor bij mannen met een donkere huid

 ernstige littekenvormig (keloïden)

Oorzaak

 onbekende oorzaak

 ontstaat vaak als gevolg van andere soorten acne

Plek op het lichaam achterhoofd en nek

13.2

Zweetklierafwijkingen

Transpireren (zweten) is een belangrijke manier voor het lichaam om af te koelen. Zweetklieren in de huid zorgen hiervoor. Als zweetklieren te veel zweet produceren, heeft een cliënt last van hyperhidrosis (overmatig transpireren). Dit komt meestal voor in de oksels, in de handpalmen of onder de voetzolen. De oorzaak van hyperhidrosis is onbekend.

De cliënt zelf of de schoonheidsspecialist kan de plekken behandelen met middelen die aluminiumchloride bevatten. Deze middelen hebben echter maar een tijdelijk effect. Er zijn klinieken die gespecialiseerd zijn in de behandeling van hyperhydrosis. Artsen kunnen de zweetklier operatief verwijderen, maar tegenwoordig worden ook botoxinjecties gebruikt om de zweetproductie op bepaalde plaatsen af te remmen.

De zweetklieren worden aangestuurd door zenuwen. Bij sommige mensen komt het voor dat die aansturing niet goed verloopt en de zweetklieren onvoldoende werken. Het lichaam zweet dan te weinig: er is sprake van hypohidrosis Het lichaam koelt onvoldoende af waardoor iemand zich bij warmte of inspanning ongemakkelijk voelt en last krijgt van hoofdpijn en moeheid.

Behandeling van hypohidrosis door een schoonheidsspecialist is niet mogelijk omdat het om een zenuwafwijking gaat. Een cliënt met hypohydrosis moet warmte en zware inspanning zoveel mogelijk vermijden.

Overmatige transpiratie (hyperhidrosis) in de oksels

13.3

Afwijkingen

in de verhoorning

De huid is continu bezig zichzelf te vervangen. Levende huidcellen worden steeds verder naar de oppervlakte van de huid geduwd en sterven dan af. De dode huidcellen laten uiteindelijk los en maken ruimte voor nieuwe huidcellen. Dit is het verhoorningsproces

Als het verhoorningsproces niet normaal verloopt, noemen we dat een verhoorningsafwijking.

Als het verhoorningsproces niet normaal verloopt, noemen we dat een verhoorningsafwijking. Er worden dan te veel hoorncellen gevormd. Dit heet hyperkeratose. Eelt, likdoorns, schilferende huid, gerstekorrels en verhoornde haarzakjes kunnen het gevolg zijn van hyperkeratose. Deze huidafwijkingen zijn niet ernstig. Psoriasis en Ichthyosis zijn ook huidafwijkingen door een afwijking in het verhoorningsproces. Dit zijn wél ernstige huidafwijkingen.

Eelt

Bij voortdurende druk op bepaalde plaatsen van de huid, zoals de voetzolen, verdikt de hoornlaag. Deze verdikte hoornlaag noem je eelt (callus/ tyloma). Dit kan gewenst zijn, want het zorgt voor bescherming. Het kan ook te dik worden, waardoor iemand last krijgt van eelt. Als eelt naar binnen groeit als een soort kegeltje spreken we van een likdoorn. Een pedicure kan eelt en likdoorns verwijderen.

Schilferige huid

Iedere huid verliest dode huidcellen in de vorm van schilfers. Meestal is dat niet zichtbaar. Bij een vochtarme huid zijn deze schilfers wel zichtbaar. De huid houdt dan te weinig vocht vast om de hoorncellen bij elkaar te houden en gaat schilferen. Dit kan bij zowel bij een droge als een vette huid voorkomen.

Als schoonheidsspecialist kun je de hoornlaag verdunnen waardoor overtollige schilfers worden verwijderd. Daarnaast kun je een behandeling geven om de vochtgraad van de huid te verbeteren. Dit wordt ook wel een hydraterende behandeling genoemd.

Likdoorn
Schilferige huid

Milia

Milia (gerstekorrels) zijn kleine witte bobbeltjes die gevuld zijn met hoorncellen. Ze zijn afgesloten door een dunne laag van de opperhuid. Daarom zijn ze goed zichtbaar aan de oppervlakte van de huid. Milia komen vooral voor bij mensen met een droge huid. Zij hebben fijne poriën die makkelijk afgesloten raken. Milia kun je verwijderen door ze in te prikken en uit te drukken.

Verhoornde haarzakjes

Verhoornde haarzakjes (keratosis pilaris) zijn kleine, soms rode bobbeltjes die zichtbaar zijn op plekken waar haren uit de huid komen. Het lijkt op kippenvel en de huid voelt droog en schraal. Het komt vooral voor op de buitenkant van de armen en de binnenkant van de benen.

Als schoonheidsspecialist kun je de huid behandelen met een peeling waardoor de hoornlaag zachter en dunner wordt. Daarnaast kun je de cliënt adviseren om zelf wekelijks te scrubben of te peelen. Preventief kan een vochtvasthoudende en vetregulerende crème worden gebruikt.

Psoriasis en ichthyosis

Als het verhoorningsproces ernstig verstoord is, ontstaan huidafwijkingen die ernstiger zijn dan eelt of milia, zoals psoriasis en ichthyosis.

Psoriasis

Bij psoriasis gaat het verhoorningsproces abnormaal snel. De huidcellen krijgen daardoor niet de kans zich volledig te ontwikkelen en de huid gaat schilferen. Daarbij treden ook ontstekingen van de huid op. Psoriasis kan op elke leeftijd beginnen, maar vaak worden de eerste symptomen tijdens de puberteit zichtbaar.

De precieze oorzaak is nog steeds niet bekend, maar het is wel aangetoond dat stress, griep, keelontsteking en het gebruik van sommige medicijnen de klachten kunnen verergeren. Psoriasis is erfelijk: de kans dat iemand het krijgt, is groter als de ziekte in de familie zit. Als beide ouders het hebben, is de kans 50% dat kinderen het ook krijgen. Als één van de ouders het heeft, is de kans 10%.

Ichthyosis

Bij ichthyosis ontstaan te veel hoorncellen. De huid wordt daardoor dikker en er ontstaan plakken of schubben. Daarom wordt de ziekte ook wel visschubziekte genoemd. De plakken huid drogen uit waardoor kloven en schilfers ontstaan.

De oorzaak van deze ziekte is een afwijking in de genen. Het is daardoor ook erfelijk. Uiteindelijk wordt de hele huid aangetast. Er zijn verschillende soorten ichthyosis waarvan sommige al bij de geboorte ontstaan. De ernstige vormen van ichthyosis zijn zeer zeldzaam.

Milia
Verhoornde haarzakjes

Behandeling van psoriasis en ichthyosis

Psoriasis en ichthyosis zijn ernstige huidaandoeningen waarvoor een specialistische behandeling nodig is. Een schoonheidsspecialist kan dit alleen behandelen in overleg met een dermatoloog of huisarts.

Psoriasis en ichthyosis zijn ernstige huidaandoeningen waarvoor een specialistische behandeling nodig is.

Behandelingen van psoriasis bestaan bijvoorbeeld uit het gebruik van crème, zalf of lotion met corticosteroïde. Dit kan in het beginstadium gebruikt worden. Ichthyosis is niet te genezen, maar middelen met ureumzuur en melkzuur zorgen voor een afbraak van verhoornde cellen waardoor de huid meer vocht op kan nemen. Psoriasis en ichthyosis worden ook wel behandeld met lichttherapie. Om de jeuk en het trekkerige gevoel te onderdrukken, kan de cliënt zelf de huid meerdere malen per dag insmeren met een vette zalf. 13.4

Afwijkingen in de pigmentering

Pigment is een kleurstof die in de opperhuid zit. De hoeveelheid en het soort pigment in de huid bepaalt je huidskleur. Soms is er sprake van een afwijking in de pigmentering. Dan is er te veel, te weinig of zelfs helemaal geen pigment.

Hyperpigmentaties

Als pigment zich ophoopt in de huid ontstaan pigmentvlekjes. Er is dan een teveel aan pigment en dat noemen we hyperpigmentaties. Voorbeelden daarvan zijn sproeten, moedervlekken, ouderdomsvlekken en melasma.

Sunblock

Uv­straling is belangrijke oorzaak van hyperpigmentaties. Adviseer als schoonheidsspecialist om een goede sunblock te gebruiken (zonnecrème met een hoge beschermingsfactor). Daarmee kan de cliënt pigmentophopingen tegengaan.

Ichthyosis op de arm
Psoriasis op de knieën

Sproeten

Ephelides

Omschrijving

 kleine pigmentophopingen in de huid

 komt vaak voor bij mensen met lichte, zongevoelige huid en rood of blond haar

Oorzaak

 ontstaan op jonge leeftijd

 erfelijke oorzaak

 zonlicht heeft invloed op kleur en hoeveelheid

Behandeling

 verdwijnen meestal bij ouder worden

 bleken of camoufleren

 adviseer sunblock om de huid te beschermen

Moedervlek

Naevi pigmentosi

Omschrijving

 pigmentophopingen

 komen ze boven de huid uit, dan noem je ze verheven moedervlek

 groter en donkerder dan sproeten

 zijn onschuldig, maar kunnen bij irritatie veranderen in huidkanker (melanoom)

Oorzaak

 aangeboren afwijking

Behandeling

 camoufleren

 adviseer sunblock

 een arts kan moedervlekken eventueel verwijderen

Ouderdomsvlekken

Naevi pigmentosi senilis

Omschrijving

 bruine, niet verheven vlekken op de huid

 ontstaan vaak na 50e levensjaar op plekken die veel blootstaan aan de zon

 zijn onschuldige vlekken

 worden ook wel lentigo solaris of lentigo senilis genoemd

Oorzaak

uv­straling (zon, zonnebank)

Behandeling

 camoufleren

 adviseer sunblock

TIP IN HET HOOFDSTUK ‘HUIDAANDOENINGEN’ LEES JE MEER OVER MELANOOM.

Melasma

Chloasma

Omschrijving

 grillige, bruine vlekken in het gezicht

 andere benamingen zijn levervlekken of zwangerschapsmasker

 als het ontstaat tijdens de zwangerschap spreken we van een zwangerschapsmasker (chloasma gradivarum)

Oorzaak

 hormonale verandering door zwangerschap of anticonceptiepil

 uv

straling zon(nebank)

Behandeling

 camoufleren

 adviseer sunblock

 laserbehandeling

 chemische peeling

Hypopigmentaties

Soms zit er te weinig pigment in de huid. Dan spreek je van hypopigmentatie. Vitiligo is een huidafwijking waarbij de huid te weinig pigment bevat. Het komt zelfs voor dat het pigment in de huid volledig ontbreekt. Dan spreken we van albinisme.

Vitiligo

Vitiligo is een huidafwijking waarbij grillige, witte vlekken op het lichaam zichtbaar zijn. De vlekken kunnen verschillen in grootte en hebben donkergekleurde randen. Op de plek van de witte vlekken is het pigment uit de huid verdwenen.

Wat de oorzaak is van vitiligo, is niet helemaal zeker. Er zijn verschillende theorieën over. Een daarvan is dat vitiligo een auto­immuunziekte is.

Dat betekent dat het afweersysteem van het lichaam eigen cellen aantast. Het afweersysteem vernietigt dus ook de pigmentcellen. Er is nog geen behandeling die vitiligo geneest, maar een schoonheidsspecialist kan de afwijking wel camoufleren.

De huid van een albino biedt geen bescherming tegen de zon.

Albinisme

Bij albinisme is er helemaal geen pigment in de huid aanwezig. Iemand die aan albinisme lijdt (een albino), heeft daarom een zeer witte huid en hoogblond haar. De huid van een albino biedt geen bescherming tegen de zon. Adviseer cliënten met albinisme dus altijd een goede sunblock te

gebruiken. Albino’s hebben vaak ook klachten aan de ogen zoals blindheid of slechtziendheid. Als het pigment ook in de ogen ontbreekt, is de iris rood van kleur. Albinisme heeft een erfelijke oorzaak en behandeling is niet mogelijk.

TIP

DE WITTE VLEKKEN VERBRANDEN SNEL. ADVISEER CLIËNTEN MET VITILIGO EEN GOEDE SUNBLOCK TE GEBRUIKEN.

Albinisme is al vanaf de geboorte zichtbaar.
Vitiligo op de hand

13.5

Afwijkingen in de bloed

vaten

Door de huid lopen kleine bloedvaatjes (adertjes).

Deze bloedvaatjes noemen we haarvaatjes. Er kunnen verschillende afwijkingen ontstaan aan deze bloedvaatjes. Sommige afwijkingen zijn blijvend en andere tijdelijk. Behandelingen van een schoonheidsspecialist zijn vaak gericht op camouflage. Vaak is doorverwijzing naar een dermatoloog nodig.

Tele’s

Teleangiëctasieën worden vaak tele’s genoemd. Een kleine woekering van tele’s met uitlopers noem je spinnaevus. Dit lijkt op een klein spinnetje met pootjes en is vaak maar enkele millimeters groot.

Teleangiëctasieën

Omschrijving

 verwijde haarvaatjes in het gezicht

 schijnen door de huid heen

 helderrode (slagaderlijk) of donkerrode (aderlijk) kleur

Oorzaak

 hormonale veranderingen tijdens zwangerschap, overgang of maagdarmstoornissen

 temperatuurswisselingen

 gebruik van agressieve cosmetica

 overmatig gebruik van alcohol, prikkelende voeding en medicijnen

Behandeling

 verdwijnen niet spontaan

 camoufleren

 elektrische behandeling (blendmethode of diathermie)

 lasertherapie

Bloeduitstorting

Hematoom

Omschrijving

 beschadiging van de bloedvaten in de huid

 bloed komt buiten de bloedvaten

 bloed schijnt door de huid heen (blauwe plek)

Oorzaak plotselinge, hevige druk op de huid

Behandeling

 camoufleren

 zalf met Arnica

Roodheid

Erytheem/rubor

Omschrijving

 tijdelijke verwijding van de haarvaatjes waardoor de huid rood wordt

 andere benaming is gestuwde huid

Oorzaak

 warmte

 cosmetische behandeling

 zonnebrand (erythema solaris)

 bevriezing of verbranding (erythema caloricum)

 psychische prikkels zoals bij blozen (erythema pudoris)

Behandeling kalmeren van de huid

Spataderen

Varices

Omschrijving

 verwijde, blijvende blauwe ader

 ligt boven het huidniveau

 meestal gekronkeld

 kleppen in de ader werken niet goed meer, bloed stroomt niet terug en blijft in de ader staan

Oorzaak

 erfelijke aanleg

 hormonale verandering tijdens de zwangerschap

 door de zwangerschap wordt de holle ader dichtgedrukt waardoor bloed minder goed terugstroomt vanuit de benen

Behandeling

 camoufleren

 beweging (wandelen)

 specialistische behandeling door een dermatoloog (inspuiten, strippen of laseren)

Bezemrijs en berkelrijs

Rosacea

Omschrijving

 verwijde haarvaatjes in de huid

 gaan vaak samen met spataderen

 donkerrood (aderlijk) heet bezemrijs

 helderrood (slagaderlijk) heet berkelrijs

 treed vooral op rond de knieën en de enkels

Oorzaak

bloedvaten worden slapper als gevolg van ouderdom

Behandeling

 camoufleren

 specialistische behandeling door een dermatoloog (inspuiten, of laseren)

Omschrijving

 ontsteking van de haarvaatjes in de huid van het gezicht

 kenmerken lijken op die van acne

 puistvorming

 er treedt geen comedonenvorming op

 aanwezigheid teleangiëctasieën

 komt vooral voor bij vrouwen tussen 30 en 50

Oorzaak onbekend

Behandeling

 verwijderen van etterkopjes

 camoufleren van rode vlekken

 doorverwijzen naar een arts

 antibiotica voor ontstekingen in combinatie met laserbehandeling voor de teleangiëctasieën

Winterhanden en wintervoeten

Perniones

Omschrijving

 roodpaarse verkleuringen aan handen en/of tenen bij kou

 haarvaatjes vlak onder de huid zijn te nauw, vaatjes daaronder raken te vol

 jeuk en pijn

Oorzaak onbekend

Behandeling verbeteren bloedcirculatie door wisselbaden

Wijnvlek

Naevus flammeus

Omschrijving

 aangeboren en blijvende woekering van verwijde haarvaten

 roze tot paarse vlek(ken) in gezicht en hals

 zichtbaar vanaf de geboorte

Oorzaak onbekend

Behandeling

 camoufleren

 een dermatoloog kan een laserbehandeling geven

1 3 . 6

Degeneratieverschijnselen

Als je ouder wordt, verandert er van alles in je lichaam. Dat is niet altijd zichtbaar, maar bij de huid wel. Denk maar aan rimpeltjes: de eerste verschijnen al na je 25e levensjaar. Het proces van het ouder worden van de huid noemen we huiddegeneratie Dit is op verschillende manieren zichtbaar, bijvoorbeeld als rimpels, contourvervaging van de kaak, plooien en wallen onder de ogen. De oudere huid heet ook wel rijpere huid.

De eerste rimpels verschijnen al na je 25e levensjaar.

Huiddegeneratie kan niemand voorkomen, maar een schoonheidsspecialist kan mensen wel helpen om de huid zo goed mogelijk in conditie te houden. Uv­straling van de zon of de zonnebank en roken zorgen ervoor dat het degeneratieproces versnelt. Als schoonheidsspecialist kun je cliënten hierin adviseren.

Atrofische huid

Als je ouder wordt, worden minder nieuwe cellen aangemaakt en worden cellen kleiner doordat ze vocht verliezen. Dit heet atrofie. Atrofie vindt plaats in het hele lichaam, maar op de huid is het goed te zien. De lederhuid wordt dunner en vet en spieren onder de huid verminderen. De huid wordt daardoor slapper, krijgt rimpels en gaat er grauw uitzien. Dit noem je een atrofische huid.

Elastosis

Collageen en elastine zijn bindweefselvezels in de huid. Ze zorgen ervoor dat de huid stevig en veerkrachtig blijft. Collageen zorgt vooral voor de stevigheid en elastine voor de veerkracht en elasticiteit. Bij het ouder worden vermindert de elastine waardoor de huid stram en minder elastisch wordt. Dit noem je elastosis.

Vochtarme huid of gedehydrateerde huid

Als je ouder wordt, neemt de celdeling af, bevatten cellen minder vocht en vermindert de werking van zweetklieren en talgklieren. Hierdoor wordt de hoornlaag steeds vochtarmer. Factoren zoals guur weer, verwarming en bepaalde cosmetica versnellen dit proces. Er ontstaan craqueléachtige nerfjes in de huid.

Rimpels en plooien

Door atrofie en elastosis ontstaan rimpels in de huid. Dat begint op plaatsen die vaak in beweging zijn, zoals de huid rondom de ogen en de mondhoeken. Daar is de huid dunner. Diepere rimpels noem je plooien. Deze ontstaan op plekken waar de huid dikker is, zoals tussen de neus en lippen.

Contourvervaging

Bij mensen die ouder worden zie je dat de contouren van de kaak minder goed zichtbaar zijn. Dit komt doordat vetweefsels onder de huid en vezels in de huid afnemen. Ook de halsspier krijgt minder volume.

Atrofische huid
Vochtarme huid, er zijn kleine craqueléachtige nerfjes te zien.
De kaaklijn die minder zichtbaar WORDT, is een voorbeeld van contourvervaging.

Een schoonheidsspecialist kan helpen de ouder wordende huid zo goed mogelijk in conditie te houden.

Behandeling van de RIJPERE huid

Veroudering van de huid is een onomkeerbaar proces. Een schoonheidsspecialist, arts of dermatoloog kan dit niet stoppen. Toch kan een schoonheidsspecialist veel betekenen.

Behandelingen om degeneratie tegen te gaan, heten regenererende behandelingen. Het doel van deze behandelingen is om de spierspanning en huidspanning te stimuleren, de huid te stimuleren om vocht vast te houden en om celdeling te stimuleren. Voorbeelden van deze behandelingen zijn:

 bindweefsel ­ of pincementsmassages

 behandeling met hydraterende producten

 behandeling met fruitzuren

Een gezonde leefstijl en goede voeding helpen om de huidconditie op peil te houden en degeneratieverschijnselen uit te stellen. Het gebruik van een goede sunblock is daarbij ook belangrijk. Ook daarin kan een schoonheidsspecialist adviseren.

Kringen en wallen onder de ogen

Rond de ogen is de huid erg dun. Het bloed onder de huid is daardoor zichtbaarder aan de buitenkant. In deze huid zitten ook minder talg­ en zweetklieren. Hierdoor is de huid rondom de ogen kwetsbaar en gevoeliger voor degeneratieverschijnselen zoals kringen en wallen. Deze hebben niet altijd te maken met het feit dat iemand ouder wordt.

Kringen

WIST JE DAT?

VETWALLEN HERKEN JE

DOORDAT ZE WEGZAKKEN

ALS EEN CLIËNT GAAT

LIGGEN. VOCHTWALLEN

BLIJVEN ZICHTBAAR.

Als het bloed onder de huid echt duidelijk zichtbaar is, spreek je van kringen onder de ogen. Kringen kunnen ontstaan door ziekte, slaaptekort, verdriet of zorgen. Deze kringen hebben dan een tijdelijk effect. Kringen bij magere mensen met een benige skeletbouw zijn vaak blijvend van aard. Kringen kunnen ook ontstaan door hyperpigmentaties onder het oog. Dat zie je vooral bij mensen met een donkere huid.

Dit gebeurt vooral ’s nachts waardoor iemand wakker wordt met dikke ogen. In de loop van de dag trekt dit weg doordat de lymfestroom weer op gang komt.

Behandeling van kringen en wallen Kringen kunnen gecamoufleerd worden met cosmetische producten. Bij wallen kan een afvoerende massage (lymfedrainage) helpen. Hiermee stimuleer je de lymfestroom. Dit werkt alleen bij vochtwallen. Vetwallen kunnen alleen operatief verwijderd worden.

Kringen kunnen ontstaan door ziekte, slaaptekort, verdriet of zorgen.

Wallen

Wallen onder de ogen ontstaan doordat vezels in de oogkringspier verslappen. Daardoor komt het vetweefsel vóór de oogkringspier te liggen. Dit vetweefsel houdt vocht vast. Dit vet en vocht samen vormen de wallen. Wallen kunnen ook ontstaan door alleen vochtophoping. Door een slappere huid kan het lymfevocht blijven staan.

Afwijkingen in het bindweefsel

Bindweefsel ondersteunt en verbindt organen, gewrichten en spieren. Bindweefsel speelt daarom ook een belangrijke rol in het grootste orgaan, de huid. Door verschillende oorzaken kunnen afwijkingen ontstaan in het bindweefsel. Voorbeelden hiervan zijn striae (striemen) of panniculose (sinaasappelhuid).

Striae

Doordat de huid uitgerekt wordt, ontstaan zichtbare littekens in het bindweefsel. Dit noem je striae. Ze kunnen wel 10 centimeter lang worden en zijn maximaal 1,5 centimeter breed. De littekens ontstaan vaak als gevolg van een zwangerschap of overgewicht en daarom worden ze ook wel zwangerschapsstriemen genoemd.

Door bindweefselmassages stimuleer je de doorbloeding waardoor striemen minder zichtbaar kunnen worden. Daarnaast kunnen crèmes met vitamine E de huid helpen om te herstellen. Bindweefsellittekens zullen echter nooit helemaal verdwijnen.

Panniculose

Panniculose wordt ook wel sinaasappelhuid of cellulite genoemd. Het zijn putjes in de huid die vooral zichtbaar zijn op de billen en bovenbenen. Het is een veelvoorkomend huidprobleem dat bijna alleen bij vrouwen voorkomt. Panniculose wordt vaak verward met cellulitis. Cellulitis is een pijnlijke ontsteking aan de huid. Het Engelse woord voor panniculose is cellulite en dat verklaart de verwarring.

Bij panniculose ontstaan vochtophopingen en vetafzettingen waardoor de huid niet meer egaal is. De oorzaak is een verstoring in het bindweefsel. Die ontstaat door een slechte doorbloeding of door hormonen (bijvoorbeeld in de puberteit of door pilgebruik). Door een gezonde levensstijl, goede voeding en beweging is panniculose gedeeltelijk te voorkomen. Toch zijn er ook mensen met een gezond leefpatroon die last hebben van panniculose. Aanleg speelt dan ook een rol. Er zijn behandelingen mogelijk die de doorbloeding stimuleren zoals bindweefselmassages, pakkingen of een scrub.

TIP IN HET HOOFDSTUK ‘CELLEN EN WEEFSELS’ LEES JE MEER OVER BINDWEEFSEL.

Door een gezonde levensstijl, goede voeding en beweging is panniculose gedeeltelijk te voorkomen.
Striae na de zwangerschap
Panniculose

Rokershuid

Ongezonde gewoontes kunnen ervoor zorgen dat de huid sneller degenereert. Roken is daar een bekend voorbeeld van. Door schadelijke stoffen in de sigaret veroudert de huid sneller. We spreken dan van een rokershuid. De kenmerken van een rokershuid zijn:

 een grauwe en/of gele teint

 dunne huid

 verdikte hoornlaag waardoor grauwe teint ontstaat

 rimpels

 comedonen

Als iemand jong is, kan de rokershuid nog herstellen. Een schoonheidsspecialist kan dit proces versnellen. Het allerbeste is uiteraard dat de cliënt in ieder geval stopt met roken. Als de cliënt dat niet doet, kan een schoonheidsspecialist de klachten hooguit iets verminderen. Er zijn verschillende behandelingen mogelijk.

Behandeling

Werking

reinigen van de huid Door afvalstoffen als gevolg van roken te verwijderen, krijgt de huid kans om zich te herstellen.

peeling

scrubben

Een peeling zorgt ervoor dat dode huidcellen verwijderd worden, waardoor nieuwe huidcellen zich verder kunnen ontwikkelen en de huid er frisser uitziet.

Een scrub heeft ongeveer dezelfde werking als een peeling.

massage Een massage stimuleert de doorbloeding van de huid waardoor deze makkelijker herstelt.

huidverzorging met antioxidanten Antioxidanten kunnen de schade van giftige stoffen uit tabak beperken.

Test je kennis over huidafwijkingen met de online boekcheck.

Snelcode 27223

Liever wat tijdsdruk? Speel dan zo snel mogelijk alle vragen weg van de online trainer. Snelcode 26228

Door roken kun je rimpels krijgen.

14.Huidaandoeningen

IN DIT HOOFDSTUK

Huidveranderingen, huidafwijkingen, huidaandoeningen. Als jij die termen door elkaar haalt, ben je zeker niet de enige! Toch hebben ze elk een andere betekenis. Een huidaandoening is een ziekte die de huid aantast. Je spreekt van een huidafwijking als de normale functies van de huid (zoals de talgklierwerking) afwijkend zijn. Huidaandoeningen en huidafwijkingen zijn vaak de oorzaak van een huidverandering. Zo kunnen er door een schimmelinfectie (een huidaandoening) kloofjes ontstaan (een huidverandering).

In dit hoofdstuk leer je welke huidaandoeningen er zijn en hoe je ze kunt herkennen. Als schoonheidsspecialist kun je een huidaandoening vaak niet behandelen. Je moet dan doorverwijzen naar een dermatoloog.

Microorganismen

Levende organismen die je met het blote kunt zien (bijvoorbeeld planten, insecten en dieren) heten macro-organismen. Er zijn ook veel levende organismen die we niet met het blote oog kunnen zien. Dit noemen we micro-organismen. Deze kun je alleen onder een microscoop zien. Er zijn verschillende soorten micro­organismen:

 bacteriën

 schimmels en gisten

 virussen

Micro­organismen komen van nature in en op ons hele lichaam voor. Veel micro­organismen hebben een belangrijke functie in ons lichaam. De colibacterie speelt bijvoorbeeld een rol bij de spijsvertering. Die zit in de darmen en vormt samen met andere micro­organismen de darmflora. De micro­organismen die van nature op de huid zitten, vormen de huidflora. Nuttige micro­organismen noem je commensalen

Er zijn ook micro­organismen die ziekten kunnen veroorzaken. Deze noemen we pathogeen

Een bekend voorbeeld van een pathogeen micro­organisme is het influenzavirus dat griep veroorzaakt. Micro­organismen die geen ziekte veroorzaken, heten a-pathogeen

De colibacterie in de darmen is een commensaal.

Besmetting en infectie

Als pathogene micro­organismen het lichaam binnenkomen, is er sprake van een besmetting. Antistoffen in je lichaam zorgen er meestal voor dat micro­organismen zich niet kunnen vermenigvuldigen waardoor je niet ziek wordt. Als de micro­organismen toch de kans krijgen om zich te vermenigvuldigen, spreken we van een infectie en word je ziek.

Immunisatie

Als je ziek wordt na een besmetting onthoudt je lichaam dat. Je maakt antistoffen tegen de micro­organismen aan zodat je een volgende keer niet opnieuw ziek wordt: je wordt immuun. Lees meer over immunisatie in het hoofdstuk ‘Bloeden lymfevatenstelsel’, paragraaf ‘Bloed’.

14.2

Bacte riën

Er zijn verschillende soorten bacteriën die ziektes kunnen veroorzaken:

 Bolvormige kokken zoals de stafylokokken en de streptokokken. Een bekend voorbeeld van een stafylokok is de staphylococcus aureus, die bij veel mensen op de huid of in de neus voorkomt. Deze bacterie kan steenpuisten veroorzaken. Roodvonk en keelontsteking zijn een gevolg van streptokokken.

 Staafvormige bacillen zoals de colibacteriën, de tetanusbacillen en de tuberkelbacillen. Colibacteriën komen van nature in het darmkanaal voor. Tetanusbacillen kunnen na een verwonding in het lichaam komen en een infectie veroorzaken. De tuberkelbacillen veroorzaken tuberculose.

 Spiraalvormige bacteriën die je ook wel spirocheten noemt. De geslachtszieke syfilis is een gevolg van een infectie van spirocheten.

WIST JE DAT?

DE TETANUSBACTERIE KAN IN STRAATVUIL ZITTEN. DAAROM MOET JE EEN TETANUSPRIK HALEN ALS JE EEN WOND HEBT OPGELOPEN BIJ EEN VAL OP STRAAT.

Bolvormige bacteriën
Staafvormige bacteriën
Spiraalvormige bacteriën

Groeivoorwaarden

Bacteriën zijn eencellige micro­organismen. Ze planten zich voort door celdeling. Daarbij nemen ze voedingstoffen op en scheiden ze afvalstoffen uit. Bacteriën hebben dus een stofwisseling. Voor de groei en stofwisseling van bacteriën zijn enkele factoren belangrijk. Deze factoren noemen we de exogene groeifactoren

Temperatuur

De meeste bacteriën groeien het beste bij een temperatuur tussen de 20 en 40 °C. Is het kouder of warmer, dan stopt de groei of gaan bacteriën dood.

Zuurgraad

Als de zuurgraad laag is, dan is de omgeving zuur en kunnen bacteriën zich moeilijk voortplanten. Voor de meeste bacteriën is een neutrale pH­waarde van 7 het meest gunstig om zich te kunnen vermenigvuldigen. Als de zuurgraad heel laag wordt, sterven bacteriën af.

Zuurstof

Niet alle bacteriën hebben zuurstof nodig om te kunnen leven. Bacteriën die zonder zuurstof kunnen, noemen we anaeroob. Bacteriën die wel zuurstof nodig hebben voor de stofwisseling, noem je aeroob

Ziekteverwekkend vermogen

De afvalstoffen die bacteriën produceren, noem je toxinen. Een ander woord voor toxinen is gifstoffen. Deze toxinen zorgen ervoor dat iemand ziek wordt. Het lichaam kan ook antitoxinen tegen bacteriën aanmaken.

Bacteriële

huidaandoeningen

Er zijn verschillende aandoeningen die door bacteriën veroorzaakt worden. Voorbeelden hiervan zijn een ontstoken haarzakje, steenpuist, zweetklierabces en strontje.

Zweetklierabces

Hidradenitis

Omschrijving

 chronische huidziekte

 ontsteking van de haarzakjes die steeds terugkomt

 kan leiden tot ontstoken talgklieren en zweetklieren

 kan leiden tot abcessen

 zichtbaar in de oksel, schaamstreek of onder de borsten.

Bacterie

 staphylococcus aureus

 staphylococcus milleri

Behandeling

TIP

CLIËNTEN DIE LAST

HEBBEN VAN HIDRADENITIS

HEBBEN BAAT BIJ LOSSE KLEDING. STRAK ZITTENDE KLEDING KAN DE KLACHTEN VERERGEREN.

een dermatoloog kan antibiotica voorschrijven

Steenpuist

Furunkel

Omschrijving

 ontsteking van dieper gelegen haarzakje

 pusvorming

 ziekteverschijnselen zoals koorts

Bacterie

staphylococcus aureus

Behandeling

 trekzalf verdund de huid waardoor pus kan weglopen

 een arts kan de steenpuist insnijden zodat de pus kan weglopen

 in sommige gevallen schrijft een arts antibiotica voor

Ontstoken haarzakje

Folliculitis

Omschrijving

 ontstoken haarzakjes waardoor puistjes ontstaan

 soms sprake van pusvorming

 ontstaat soms na een ontharingsbehandeling

Bacterie staphylococcus aureus

Behandeling

 geneest vaak spontaan

 antibiotica bij steeds terugkerende folliculitis

Strontje

Hordeolum

Omschrijving

 etterige ontsteking van de talgklieren bij de oogharen

 kan ook ontstaan door een ontsteking van het zweetkliertje

 zwelling onder of op het oog

 steriele ontsteking die soms samengaat met een bacteriële ontsteking

Bacterie

stafylokokken

Behandeling

 warme kompressen

 antibiotica

 een arts kan dit leegdrukken

14.3

Schimmels en gisten

Schimmels en gisten lijken erg op elkaar. Het verschil is dat schimmels meercellig zijn en gisten eencellig. Gisten en schimmels vermenigvuldigen zich door celdeling. Ze hebben daar dezelfde omstandigheden voor nodig als bacteriën.

Schimmels en gisten vormen sporen. Dat zijn kleine deeltjes waarin al het erfelijke materiaal van deze micro­organismen zitten. Deze sporen kunnen overleven bij een hoge of lage temperatuur en in een zure, droge of vochtige omgeving.

Huidaandoeningen door schimmels

Schimmels zitten in de hoornlaag, de haren en de nagels. Er zijn maar weinig schimmels of gisten die een ziekte kunnen veroorzaken. Een huidziekte die wordt veroorzaakt door een schimmel noem je een dermatomycose.

Voorbeelden van een dermatomycose zijn:

 voetschimmel (tinea pedis)

 handschimmel (tinea manis)

 schimmel op het lichaam (tinea corporis)

Schimmelinfecties zijn vaak te herkennen aan een witte schilfering en kloofjes. Ook is er sprake van blaasjes die indrogen en jeuken. Er zijn antischimmelmiddelen waarmee schimmelinfecties goed te behandelen zijn.

Handschimmel of tinea manis
Voetschimmel of tinea pedis
Schimmel op het lichaam of tinea corporis
Schimmelnagel of tinea unguium

Ringworm

Anders dan de naam doet vermoeden, is ringworm geen worm, maar een aandoening die door schimmel wordt veroorzaakt. Je herkent ringworm aan ronde, rode plekken die vaak jeuken en steeds groter worden. De plekken kunnen schilferen en hebben soms kleine pukkeltjes. Ringworm kan op het hele lichaam voorkomen. De plekken gaan vaak vanzelf weer weg, maar dat kan lang duren.

Huidaandoeningen door gisten

Candida is een gistsoort die veel in het lichaam voorkomt en wordt gezien als een nuttig microorganisme (commensaal). Soms kan deze gist leiden tot een infectie. Een bekend voorbeeld is de vaginale infectie door de candida albicans.

Smetuitslag

Een huidaandoening waarbij candida een belangrijke rol speelt, is smetuitslag of intertrigo. Dit wordt veroorzaakt door irritatie van de huid door overgewicht, (overmatig) zweten en wrijving. Er ontstaat een nattende uitslag waarbij ook infectie met de candida albicans (en eventueel andere schimmels en bacteriën) kan ontstaan.

Zwemmerseczeem

Schimmels doen het goed in een warme en vochtige omgeving, zoals tussen de tenen. Van de schimmelinfecties komt voetschimmel daarom het meest voor. Besmetting ontstaat vaak in kleedkamers van bijvoorbeeld zwembaden. Voetschimmel noem je daarom ook wel zwemmerseczeem.

WIST JE DAT?

SCHIMMELS KUNNEN OOK IN DE NAGELS ZITTEN. ALS EEN NAGEL GEEL EN BROKKELIG WORDT, IS ER MOGELIJK SPRAKE VAN SCHIMMELNAGEL OF TINEA UNGUIUM.

Smetplekken komen vaak voor in huidplooien.

14.4 Virussen

Virussen verschillen op veel manieren van andere micro­organismen. Ze zijn veel kleiner, bewegen niet, eten niet en bestaan ook niet uit cellen. Een virus dringt een cel binnen van een ander organisme, bijvoorbeeld van bacteriën, planten, dieren of mensen. Deze cel heet de gastheercel. Het virus neemt de functies van die cel over en kan zichzelf kopiëren. Uiteindelijk breekt die cel open en komen virussen vrij. Ben je één keer geïnfecteerd met een virus, dan draag je dat de rest van je leven mee. Dat heeft niet altijd gevolgen.

Huidaandoeningen door virussen

Huidaandoeningen die worden veroorzaakt door virussen zijn:

 koortsblaasjes (herpes simplex)

 gordelroos (herpes zoster)

 wratten (verrucae)

Koortsblaasjes

Het virus herpes labialis veroorzaakt koortsblaasjes (herpes simplex). Zolang ze niet zijn ingedroogd, zijn deze blaasjes besmettelijk. Het vocht in de blaasjes kan leiden tot besmetting. Vooral voor baby’s is dit gevaarlijk. Adviseer cliënten met een koortslip om daar rekening mee te houden. Koortsblaasjes ontstaan vaak bij een verlaagde weerstand zoals bij koorts. Ook uv­straling van de zon of de zonnebank kan de weerstand verlagen.

Gordelroos

Het virus dat bij kinderen waterpokken veroorzaakt, blijft in het lichaam zitten en trekt zich terug in een zenuwbaan. Op latere leeftijd kan dit virus gordelroos (herpes zoster) veroorzaken. Dit ontstaat meestal bij een verlaagde weerstand. Gordelroos herken je aan blaasjes gevuld met troebel vocht. Het zit vaak op plekken waar zenuwbanen lopen, zoals in de taille, en zit meestal maar aan één kant. Vandaar de naam gordelroos.

Koortsblaasje
Gordelroos is vaak zichtbaar in de taille.

Gewone wratten

Wratten (verruca vulgaris) ontstaan door het humaan papillomavirus. Door een infectie met dit virus versnelt het verhoorningsproces in de huid. Hierdoor ontstaan er ronde, bloemkoolachtige uitgroeisels. Besmetting met dit virus vindt vaak plaats door direct contact. Bijvoorbeeld door iemand een hand te geven. Wratten komen vaak bij kinderen voor op de handen en soms in het gezicht, op de ellebogen of op de knieën. Wratten bij oudere mensen noem je verruca senilis, ook wel ouderdomswratten genoemd. Deze wratten zijn niet besmettelijk.

Waterwratjes

Waterwratjes (mollusca contagiosa) worden door een ander virus veroorzaakt, namelijk door het virus molluscum contagiosum. Het zijn kleine witte ronde bultjes met in het midden een putje. Er kan een witte brij uit komen als er op de wratjes wordt gedrukt. Deze wratjes komen vaak voor bij kleine kinderen en zijn dan verspreid over het hele lichaam.

Behandeling van wratten

Wratten gaan meestal binnen een jaar of twee vanzelf weer weg. Er zijn middelen waarmee je een wrat kunt aanstippen, maar die zijn niet altijd effectief. Als wratten hinderlijk zijn, kan een dermatoloog of arts ze ook verwijderen.

Waterwratjes kunnen bij kinderen over het hele lichaam voorkomen.
Wratten zie je vaak op de binnenkant van de handen.

14.5

Soa’s

De afkorting soa betekent seksueel overdraagbare aandoening. Soa’s zijn ziektes die veroorzaakt worden door bepaalde micro­organismen en die door seksueel contact overdraagbaar zijn van de ene persoon op de andere. Soa’s kunnen allerlei ziekteverschijnselen veroorzaken waarvan enkele zichtbaar zijn op de huid. Sommige soa’s worden veroorzaakt door een bacterie en andere door virussen.

Bacteriële soa’s

Soa’s die worden veroorzaakt door een bacteriële infectie kunnen behandeld worden met antibiotica.

Het is dan wel belangrijk dat de behandeling zo snel mogelijk gestart wordt. In de tabel lees je welke bacteriële soa’s er zijn.

Soa Bacterie Kenmerken

gonorroe gonokokken (bolvormig)  sterke pusachtige afscheiding geslachtsorgaan (druiper)

 pijn bij het plassen

 jeuk bij de anus

syfilis treponema pallidum (spiraalvormig)

 verloopt volgens drie stadia:

1 pijnloos zweertje op geslachtsorgaan

2 na enkele weken uitslag over hele lichaam

3 na vijf jaar aantasting alle organen

 in de laatste fase is behandeling niet meer mogelijk chlamydia chlamydia trachomatis (bolvormig)

 pijn bij het plassen

 afscheiding of bloedverlies

 jeuk bij de anus

 pijn in onderbuik of balzak

Soa’s verspreiden zich door wisselende seksuele contacten.

Virale soa’s

Virussen kunnen ook soa’s veroorzaken. Dan is behandeling anders, omdat virussen niet met een antibioticakuur zijn te bestrijden. De bekendste soa’s met een virale oorzaak zijn hepatitis en aids.

Hepatitis B

Hepatitis is een ontsteking in de lever. Het wordt veroorzaakt door het hepatitisvirus. Dit virus is er in drie varianten. De bekendste variant is het hepatitis B­virus. Dit virus kan worden overgedragen door seksueel contact of door besmet bloed. Bijvoorbeeld door het gebruik van besmette naalden of scheermesjes.

Iemand met hepatitis B heeft last van vermoeidheid, koorts en pijn in de onderbuik. Ook aan de huid kan het zichtbaar zijn door een gele verkleu­

LET OP!

HEPATITIS EN HIV KUNNEN WORDEN OVERGEBRACHT DOOR BESMET BLOED. HYGIËNE IS DAAROM VAN EXTRA GROOT BELANG ALS TIJDENS BEHANDELINGEN BLOED VRIJKOMT.

Hepatitis A en C

Het hepatitisvirus is er ook in twee andere varianten die niet seksueel overdraagbaar zijn. Besmetting met het hepatitis A­virus komt meestal door besmet voedsel. Besmetting met het hepatitis C­virus kan alleen door besmet bloed. De klachten zijn vergelijkbaar met de B­variant. Bij hepatitis C is er een grotere kans op langdurige ziekteverschijnselen.

ring van de huid (geelzucht). De ziekte verdwijnt in de meeste gevallen vanzelf, maar kan in ernstige gevallen leiden tot blijvende schade aan de lever. Voor hepatitis B is ook een vaccinatie beschikbaar waardoor je levenslang beschermd bent tegen deze ziekte.

Hiv

De vier meest voorkomende soa’s in Nederland zijn chlamydia, genitale wratten, herpes en gonorroe. De soa die daarna het meeste voorkomt, is besmetting met hiv. Dit virus kan het lichaam binnenkomen door besmet sperma of bloed. Het wordt overgedragen door seksueel contact, maar ook besmette injectienaalden kunnen hiv overdragen.

Hiv is gericht op het afweersysteem van je lichaam en kan koorts en huiduitslag veroorzaken. Hiv kan behandeld worden met hiv­remmers. Deze remmen de werking van hiv, maar het virus blijft in het lichaam. Als hiv niet behandeld wordt, verspreidt het virus zich door het lichaam en kan het de ziekte aids veroorzaken. Deze ziekte houdt in dat het afweersysteem van het lichaam niet meer werkt. Een kleine ontsteking kan dan al dodelijke gevolgen hebben.

Door besmette injectienaalden kan hiv overgedragen worden.

14.6

Parasieten

Bacteriën, schimmels en virussen zijn micro­organismen. Je kunt ze niet met het blote oog zien. Er zijn ook organismen die je wél kan zien. Deze organismen noem je macro-organismen. Er zijn macro­organismen die huidaandoeningen veroorzaken. Dit zijn kleine beestjes die leven van het voedsel dat ze vinden in de huid. Ze heten parasieten.

Schurft

Schurft (scabiës) wordt veroorzaakt door de schurftmijt. De vrouwelijke mijt graaft gangetjes in de opperhuid en legt daar eitjes. Daardoor zie je korte geknikte lijntjes in de huid. Verder heeft iemand met schurft last van een sterk jeukende huiduitslag met puistjes. Een besmetting met schurftmijt ontstaat meestal door intiem contact,

zoals bij seks. Het wordt daarom ook wel gezien als een seksueel overdraagbare aandoening (soa). Schurft is te behandelen met medicijnen.

Teken

Een teek (ixodida) is een spinachtig insect dat in de natuur voorkomt. Teken kruipen op mensen of dieren en bijten zich vast in de huid. Daar zuigt de teek bloed op. Als een teek niet verwijderd wordt, groeit deze uit tot een grijze bol. Een teek kan namelijk meer dan tien keer het eigen lichaamsgewicht opzuigen.

Sommige teken zijn besmet met de bacterie borrelia burgdorferi. Bij een tekenbeet kan de teek deze bacterie overdragen op de mens. Deze besmetting veroorzaakt de ziekte van Lyme Bij deze ziekte ontstaat enkele weken na de besmetting een rode verkleuring op de huid, daarna volgen koorts, vermoeidheid en soms ook spier­ en gewrichtspijn. Als de ziekte van Lyme niet behandeld wordt, zijn deze klachten blijvend.

Daarom is het belangrijk om zo snel mogelijk te beginnen met een antibioticakuur. Een huisarts kan deze voorschrijven.

Hoofdluis

Hoofdluis (pediculosis) is een klein beestje dat zich nestelt in het hoofdhaar. Het krijgt voeding door een beet in de hoofdhuid en dat veroorzaakt jeuk. De vrouwelijke luis legt eitjes (neten) in het haar. Die zijn zichtbaar als kleine witte puntjes die vastkleven aan het haar. Hoofdluis komt vooral voor bij kinderen.

Besmetting met hoofdluis gebeurt vaak op plekken waar veel kinderen direct contact met elkaar hebben, zoals op school. Daar kan de luis via het haar van de ene hoofdhuid naar de andere overlopen. De luis verspreidt zich niet via kleding, maar kan zich soms verspreiden via borstels of haarelastieken waar nog haar op zit. Er zijn speciale kammen, shampoos en lotions waarmee hoofdluis bestreden kan worden.

De schurftmijt graaft gangen die lijntjes op de huid veroorzaken.
Als een teek niet verwijderd wordt, groeit
DEZE uit tot een grijze bol.
De hoofdluis voedt zich door een beet in de hoofdhuid.

Schaamluis

Naast de hoofdluis is er ook de schaamluis. Deze luis veroorzaakt dezelfde klachten, maar komt vooral voor in het schaamhaar. Besmetting vindt meestal plaats door seks. Schaamluis wordt daarom ook wel een seksueel overdraagbare aandoening (soa) genoemd.

Train je kennis over huidaandoeningen door micro-organismen en macroorganismen met de online trainer. Snelcode 26236

Trauma en letsel

Bij een ongeval kan schade ontstaan aan de huid. Denk aan een schaafwond op je knie als je met de fiets bent gevallen. De wetenschappelijke termen die gebruikt worden bij een ongeval zijn trauma en letsel. In het voorbeeld is de val van de fiets het trauma en de schaafwond het letsel. Letsel kan tijdelijk of blijvend zijn. Een oppervlakkige schaafwond is een voorbeeld van tijdelijk letsel. Een litteken kan blijvend letsel zijn.

Wonden

Als een wond ontstaat als gevolg van trauma, noemen we deze een acute wond. Voorbeelden hiervan zijn snijwonden en schaafwonden. Een wond geneest vanzelf, maar dit proces kan verstoord worden waardoor genezing moeizaam verloopt. De genezing van de wond verloopt altijd in drie fasen: de reactiefase, de regeneratiefase en de rijpingsfase.

TIP IN HET HOOFDSTUK

JE MEER OVER ONTSTEKINGSVERSCHIJNSELEN.

Het genezingsproces van de wond verloopt in drie fasen

Reactiefase

De eerste fase na het ontstaan van de wond heet de reactiefase. Eerst ontstaat een bloeding (bloedingsfase) die tot stilstand wordt gebracht door het stollingsproces. Bij dit proces vernauwen de bloedvaatjes zich en worden er fibrinedraden gevormd. Deze zorgen voor een netwerk dat de randen van een wond met elkaar verkleeft en verbindt. Als dit netwerk indroogt, ontstaat er een korst (crusta). Daarna gaat het lichaam de dode cellen en micro­organismen opruimen. Dit heet de ontstekingsfase. Hierbij treedt vocht uit de bloedvaten, waardoor een zwelling ontstaat. Deze zwelling prikkelt de pijnzenuwen. Bij deze fase ontstaan ontstekingsverschijnselen, zoals roodheid, warmte, zwelling en pijn. Uiteindelijk zorgt deze fase ervoor dat de wond schoon wordt.

Regeneratiesfase

Als de wond schoon is, moet er nieuw huidweefsel worden aangemaakt. De wond wordt dan gesloten. Deze fase noem je de regeneratiefase. Het weefsel dat nieuw gevormd wordt, heet granulatieweefsel Dit weefsel is vochtig, rood en korrelig. Om granulatieweefsel te kunnen maken heeft het lichaam voedingstoffen nodig, zoals zuurstof, eiwitten en vitaminen. Als deze stoffen ontbreken, vertraagt dat de wondgenezing. Als de wond bedekt is met granulatieweefsel, kunnen de huidcellen langs de randen van de wond zich gaan vermenigvuldigen. De wond groeit dan dicht. Het weefsel dat dan ontstaat is nog erg kwetsbaar.

Rijpingsfase

TIP

IN HET HOOFDSTUK

‘BLOED ­ EN LYMFEVATENSTELSEL’ LEES JE MEER OVER BLOED EN BLOEDSTOLLING.

Het granulatieweefsel dat nu bedekt is door een laagje nieuw huidweefsel moet uitrijpen tot dun, soepel en wit bindweefsel. Er ontstaat een litteken.

Dit heet de rijpingsfase of remodelleringsfase. In deze fase spelen fibroblasten een belangrijke rol. Fibroblasten zijn stofjes die zorgen voor de aanmaak van verschillende huidcellen. Dit proces kan een half jaar tot twee jaar duren. Dit is afhankelijk van de grootte van de wond.

Factoren die genezing beïnvloeden

Een aantal factoren beïnvloedt de genezing van wonden:

Factor Invloed

Meerdere fasen tegelijkertijd

Soms verlopen meerdere fasen van wondgenezing tegelijk. Dan zijn er bijvoorbeeld in het midden van de wond nog ontstekingsverschijnselen te zien (reactiefase), terwijl er aan de randen van de wond granulatieweefsel wordt gevormd (regeneratiefase). De huid sluit zich pas echt als alle fasen helemaal doorlopen zijn.

lichamelijke conditie Een goede conditie en weerstand zorgen ervoor dat het lichaam alle energie kan steken in de genezing van de wond.

roken Roken vertraagt de wondgenezing omdat de aanmaak van nieuwe cellen langzamer gaat.

voeding Voor het genezingsproces zijn verschillende voedingsstoffen nodig, zoals eiwitten en vitaminen. Gezonde voeding levert deze voedingsstoffen.

vocht Voldoende vocht (1,5 tot 2 liter per dag) is erg belangrijk voor wondgenezing. Alcohol kan schadelijk zijn.

beweging Beweging zorgt voor een goede doorbloeding. Dit is belangrijk omdat bloed voedingstoffen en zuurstof naar het wondgebied brengt.

medicijnen Sommige medicijnen (zoals corticosteroïden) kunnen de wondgenezing remmen. Andere (zoals antibiotica) hebben juist een positief effect.

Littekens

Na de genezing van een wond ontstaat een litteken. Als schoonheidsspecialist kun je helpen littekens minder zichtbaar te maken. Sommige littekens liggen niet gelijk aan het huidniveau. Deze zijn moeilijker te camoufleren. Dit zijn hypotrofische en hypertrofische littekens.

Soms wordt bij de genezing van een wond te weinig granulatieweefsel aangemaakt. Het litteken ligt dan onder het niveau van de huid. Deze littekens zijn soms grillig van vorm. Ze heten hypotrofische littekens

Littekens waarbij extra granulatieweefsel wordt gevormd kunnen dikker en groter worden. Ze liggen dan boven het huidniveau. Dit noem je hypertrofische littekens

Sommige hypertrofische littekens groeien verder dan de oorspronkelijke plek. Er ontstaat een woekering van littekenweefsel. Dit noem je keloïden. Keloïden en andere hypertrofische littekens kunnen jeuken en pijn doen.

Littekens behandelen

Als schoonheidsspecialist kun je de genezing van littekens bevorderen of de zichtbaarheid van littekens verminderen.

Dit kan door huidverbeterende massages, zoals een pincementsmassage, of door het gebruik van siliconenpleisters of littekencrème of ­olie.

LET OP! MEDICIJNEN MET CORTICOSTEROÏDEN WORDEN GEBRUIKT BIJ VERSCHILLENDE HUIDAANDOENINGEN EN ­AFWIJKINGEN, MAAR KUNNEN HET GENEZINGSPROCES VAN EEN WOND VERTRAGEN.

Hypotrofisch litteken
Hypertrofisch litteken
Hypertrofisch litteken met keloïdvorming

Roodheid

Bij trauma ontstaat niet altijd een beschadiging van het huidoppervlak. Ook in of onder de huid kunnen beschadigingen optreden. Deze beschadigen kunnen zichtbaar zijn door een verkleuring aan de oppervlakte van de huid. We noemen dit roodheid (erythema traumaticum).

Als de bloedvaten in de huid beschadigd raken, ontstaan er plaatselijke ophopingen van gestold bloed. Deze zijn vanaf de buitenkant zichtbaar. Je spreekt dan van een bloeduitstorting (hematoom) of een blauwe plek (ecchymose).

Een trauma kan er ook voor zorgen dat dieper gelegen weefsel beschadigd raakt. Er is dan sprake van een kneuzing (contusie). Kenmerken van kneuzingen zijn zwellingen en pijn.

Kneuzingen en bloeduitstortingen genezen vanzelf. Koelen met ijs of koude kompressen kan de genezing versnellen en zwellingen voorkomen. Als schoonheidsspecialist kun je een blauwe plek gedeeltelijk camoufleren. Daarnaast kun je Arnica (valkruid) adviseren. Dat is een middel dat bekendstaat om de positieve werking op kneuzingen en blauwe plekken.

14.8

Verbranding en bevriezing

Verbranding en bevriezing hebben gevolgen voor de huid die vergelijkbaar zijn. Die gevolgen kunnen ernstig en minder ernstig zijn. Als de huid rood kleurt door een verbranding of een bevriezing noemen we dat erythema caloricum

Verbranding

Verbranding van de huid kan ontstaan door zon (of zonnebank), vuur, heet water, chemische stoffen en elektriciteit. De ernst van de verbranding varieert: er zijn eerstegraads­, tweedegraads­ en derdegraadsbrandwonden.

Verbranding door zon

Als roodheid ontstaat door zonnebrand heet dat erythema solare. Zonnebrand ontstaat door zonder bescherming in de felle zon te liggen. De rode huid voelt pijnlijk aan. Dit trekt binnen enkele dagen weer weg en de huid herstelt zich.

Een bloeduitstorting onder de huid is zichtbaar aan de oppervlakte.

Eerstegraadsverbranding

Omschrijving

 minst ernstige vorm van verbranding

 alleen de opperhuid is beschadigd

 de huid kleurt rood en is pijnlijk

Herstel

 behandelen met kalmerende, verkoelende en hydraterende producten

 de huid is binnen 48 uur volledig hersteld

Tweedegraadsverbranding

Omschrijving

 de huid is rood en pijnlijk en er ontstaan blaren (bulla)

 de opperhuid en lederhuid zijn beschadigd

 talgklieren en zweetklieren zijn nog intact

Herstel

 is niet cosmetisch te behandelen, medische zorg is nodig

 de huid herstelt zich in ongeveer twee weken

Derdegraadsverbranding

Omschrijving

 zeer ernstige verbranding

 de huid is wit of zwart van kleur en gevoelloos

 de huid sterft af (necrose)

Herstel

 is niet cosmetisch te behandelen, medische zorg is nodig

 duurt erg lang en er is sprake van ernstige littekenvorming

Vierdegraadsverbranding

Sommige deskundigen spreken ook nog van een vierdegraadsverbranding.

Een andere term daarvoor is verkoling. De verbranding is zo diep dat ook bot­ en spierweefsel verbrand zijn.

Meestal is een vierdegraadsbrandwond dodelijk.

LET OP! EEN TWEEDE ­ EN DERDEGRAADSVERBRANDING

KUN JE NIET COSMETISCH BEHANDELEN. DAARVOOR IS MEDISCHE ZORG NODIG.

Bevriezing

Ook bij bevriezing van de huid spreken we van eerste­, tweede­ en derdegraadsbevriezingen. Bij een eerstegraadsbevriezing kleurt de huid grijs en voelt de cliënt een stekende pijn in de bevroren lichaamsdelen. Bij een tweedegraadsbevriezing ontstaan er ook blaren. Bij een derdegraadsbevriezing is de huid spierwit, gevoelloos en voelt deze hard aan. Na enige tijd sterft het weefsel af en wordt het zwart.

14.9 Stofwisselingsstoornissen

Bepaalde stoornissen in de stofwisseling kunnen leiden tot huidaandoeningen. Diabetes is een bekend voorbeeld van een stofwisselingsziekte die huidproblemen veroorzaakt. Xanthelasma is een huidaandoening die ook met de stofwisseling te maken heeft.

Diabetes mellitus

Het hormoon insuline zorgt ervoor dat suiker in het bloed afbreekt en wordt omgezet in energie. Bij mensen met de ziekte diabetes wordt te weinig of geen insuline aangemaakt en blijft er te veel suiker in het bloed. Daarom heet diabetes ook wel suikerziekte.

Er zijn twee typen diabetes. Bij type 1 wordt helemaal geen insuline aangemaakt, bij type 2 wordt te weinig insuline aangemaakt. De meeste diabetespatiënten hebben diabetes type 2. Deze ziekte wordt ook wel ouderdomssuiker genoemd. Met insuline (pillen of injecties) is diabetes goed te behandelen. Soms is daarnaast een koolhydraatarm dieet en meer beweging nodig.

Bij een tweedegraadsbevriezing ontstaan blaren.

Xanthelasma

Xanthelasma is een huidaandoening waarbij kleine vetophopingen te zien zijn op de oogleden van oudere mensen. Het is een gevolg van een stoornis in de vetstofwisseling en in sommige gevallen hebben mensen met xanthelasma een te hoog cholesterolgehalte.

Xanthelasma is te camoufleren, maar alleen een arts kan de bultjes verwijderen.

Complicaties

Diabetes kan schade veroorzaken aan de bloedvaten en zenuwuiteinden. Dit heeft gevolgen voor allerlei organen en ook voor de huid. Veelvoorkomende huidklachten zijn:

 schimmelinfectie

 droge huid

 dikkere huid

 verkleuringen door meer of minder pigment

Door de schade aan bloedvaatjes en zenuwen stroomt het bloed minder goed naar de benen en voeten. Hierdoor worden voeten gevoelloos en merk je niet dat er wondjes en ontstekingen ontstaan die niet goed genezen. Dit kan leiden tot grotere problemen waarbij zelfs weefsel afsterft. Tegenwoordig zijn er speciale voetpoliklinieken voor diabetespatiënten met voetproblemen.

Behandeling van cliënten met diabetes

Een schoonheidsspecialist kan de ziekte diabetes niet behandelen, maar cosmetische behandelingen zijn wel mogelijk. Hygiëne is dan erg belangrijk. Een pedicure met specialisatie diabetes kan helpen bij de controle van wondjes aan de voeten.

Onopgemerkte wondjes kunnen leiden tot ontstekingen.
xanthelasma rondom het oog

Aller gieën

Het afweersysteem van het menselijk lichaam zorgt ervoor dat er antistoffen aangemaakt worden die ziekteverwekkende stoffen in het lichaam tegengaan. Soms reageert dat afweersysteem te heftig op ziekteverwekkers of maakt het lichaam antistoffen aan tegen stoffen die niet schadelijk zijn. De reactie die dan plaatsvindt, noem je een allergische reactie. De stoffen waar het lichaam op reageert zijn allergenen. Bekende allergenen zijn graspollen, voedsel en huisdieren. De allergische reactie kan leiden tot een huidaandoening zoals eczeem, maar er zijn ook andere allergische reacties.

Allergische reacties

Er zijn verschillende allergische reacties. De belangrijkste worden hiernaast uitgelegd.

ZIT IN VEEL GEURTJES. ADVISEER JE CLIËNTEN VOORZICHTIG TE ZIJN MET GEURTJES EN ZONLICHT.

Berlocke huidonsteking

Berlocke dermatitis

Oorzaak combinatie van overgevoeligheid voor bergamotolie en zonlicht

Verschijnselen

grillige vlekken

Behandeling

 vlekken kunnen vanzelf verdwijnen, maar zijn vaak blijvend

 anti ­zonnebrand ter preventie

Fytofotodermatitis

Oorzaak

combinatie van bepaalde planten en zonlicht

Verschijnselen

 grillige rode vlekken

 blaren en blaasjes

 pijn en jeuk

Behandeling

 blaren openen en afdekken met nat gaas

 zinkoxidezalf

Netelroos

Urticaria

Oorzaak

allergie voor bepaalde geneesmiddelen, levensmiddelen of planten (bijvoorbeeld brandnetel)

Verschijnselen

 jeuk

 verwijde haarvaatjes in de huid

 rode vlekken die later verbleken

Behandeling

 verdwijnt na enkele uren

 koelen

Vochtophoping van Quinke

Oedeem van Quinke

Oorzaak

allergie voor bepaalde geneesmiddelen, levensmiddelen of planten

Verschijnselen

 haarvaatjes die dieper in de huid liggen gaan lekken

 vochtophopingen in de huid (zwellingen)

 oedeem in de slokdarm kan luchtpijp dichtdrukken

Behandeling

 verdwijnt vanzelf, maar kan levensbedreigend zijn als de luchtpijp dichtgedrukt wordt

 altijd een arts inschakelen

Eczeem

Eczeem is een ontstekingsreactie van de huid. Soms is eczeem een allergische reactie, maar dat is niet altijd zo. De verschijnselen van eczeem zijn roodheid, zwelling, warm aanvoelen van de huid, jeuk, bobbeltjes en schilfering. Eczeem kan droog en gesloten zijn, maar ook open en nat. Open en nat eczeem is gevoeliger voor infecties van verschillende micro­organismen. Eczeem kun je indelen in twee soorten, namelijk constitutioneel eczeem en contacteczeem.

Constitutioneel eczeem

Constitutioneel eczeem is een erfelijke vorm van eczeem en kan daarom niet genezen. Het wordt ook wel atopisch eczeem genoemd. De verschijnselen bij deze vorm van eczeem zijn roodheid, bultjes, jeuk, blaasjes en schilfering. De aandoening ontstaat vaak op jonge leeftijd en iemand kan er tijdelijk meer of minder last van hebben. Constitutioneel eczeem is geen allergische reactie op bepaalde stoffen zoals bij contacteczeem.

Mensen met constitutioneel eczeem hebben vaak ook last van andere aandoeningen, zoals hooikoorts, voedselallergie of astma. Dit noem je atopische aandoeningen

Contacteczeem

Contacteczeem is altijd een reactie op een stof die van buitenaf de huid binnendringt. Er zijn twee soorten contacteczeem: ortho­ergisch contacteczeem en allergisch contacteczeem.

Ortho-ergisch contacteczeem is een reactie van de huid op bepaalde irriterende stoffen zoals schoonmaakmiddelen, oplosmiddelen of bepaalde cosmetica. Er ontstaat een irritatie van de huid waarbij roodheid, droge huid, schilfering en jeuk optreden. Het is een rechtstreekse reactie van de

huid op de genoemde stoffen en daarom is het geen allergische reactie. Ortho­allergisch eczeem komt bijvoorbeeld voor bij mensen die vaak hun handen moeten wassen, zoals chirurgen of automonteurs.

Allergisch contacteczeem is eczeem dat veroorzaakt wordt door een allergische reactie. Het lichaam maakt antistoffen aan tegen een bepaalde stof en die veroorzaken een reactie op de huid. De verschijnselen zijn vergelijkbaar met die van ortho­ergisch contacteczeem, maar bij allergisch contacteczeem kunnen ook blaasjes en natte plekken ontstaan. Een bekend voorbeeld van allergisch contacteczeem is nikkelallergie. Iemand met een allergie voor nikkel kan bijvoorbeeld geen oorbellen met nikkel dragen.

Een ernstige vorm van constitutioneel eczeem
Contacteczeem veroorzaakt door een allergie voor het nikkel in een ring.

WIST JE DAT? ECZEEM IS GEEN BESMETTELIJKE ZIEKTE.

Mondhoekeczeem

Een bijzondere vorm van eczeem is mondhoekeczeem. Andere namen voor deze huidaandoening zijn cheilitis angularis, perleche of anguli infectiosi. Dit is een eczeem waarbij kloofjes, rode plekken en jeuk in de mondhoeken ontstaan. De oorzaak is geen allergische reactie, maar een irritatie van de huid door te veel speeksel (kwijl) in de mondhoeken. Mondhoekeczeem komt bijvoorbeeld voor bij baby’s, jonge kinderen of kinderen met het downsyndroom. Door de hoge vochtigheid is er een grotere kans op besmetting met micro­organismen. Bacteriën (streptokokken), schimmels en gisten (candida) kunnen bij deze vorm van eczeem een infectie veroorzaken.

Behandeling van eczemen

Eczeem is te behandelen met lotions en crèmes waar corticosteroïden in zitten. Dit zijn hormonen die eczeem kunnen bestrijden. Deze middelen mogen niet te lang achter elkaar gebruikt worden, omdat ze bijwerkingen geven als je ze te lang gebruikt. Verder zijn er middelen die jeuk kunnen verminderen. In die middelen zitten vaak antihistaminica die de werking van histamine tegengaan. Histamine is de stof die jeuk veroorzaakt. Als het gaat om een allergisch eczeem kan een arts achterhalen voor welke stof iemand gevoelig is. Deze stof zal de cliënt dan zoveel mogelijk moeten vermijden.

Als schoonheidsspecialist moet je weten of de cliënt overgevoelig is voor bepaalde cosmetica. Sommige producten kunnen eczeemklachten namelijk verergeren. Water, zeep en veelvuldig douchen ontvet de huid en kun je daarom beter afraden. Hydraterende en vetregulerende crèmes kun je wel aanraden, omdat deze crèmes ervoor zorgen dat de huid niet uitdroogt. Dit geldt ook voor vette zalven.

LET OP! SOMMIGE COSMETISCHE PRODUCTEN KUNNEN EEN ALLERGISCHE REACTIE EN ECZEEM VEROORZAKEN.

Mondhoekeczeem met een candida­ infectie

14.11

Gezwellen

Een woekering van cellen noemen we een tumor of een gezwel. Deze kunnen overal in het lichaam voorkomen. Er zijn twee soorten gezwellen, namelijk goedaardige en kwaadaardige (maligne) tumoren.

Goedaardige gezwellen

Een goedaardig gezwel (benigne gezwel) is een klompje cellen in een soort schil. Deze schil noem je het kapsel. Binnen dit kapsel delen de cellen zich steeds waardoor het gezwel kan groeien. Dit kan problemen veroorzaken. Een gezwel in de slokdarm kan bijvoorbeeld de luchtpijp dichtduwen waardoor de ademhaling bemoeilijkt wordt. Op de huid hebben goedaardige tumoren vooral een cosmetisch effect. Dat betekent dat het er niet mooi uitziet.

Bij een goedaardig gezwel blijven de cellen in het kapsel zitten. Ze zaaien dus niet uit naar andere organen. Er zijn verschillende soorten goedaardige gezwellen.

Epitheelgezwellen

Omschrijving opeenhoping van epitheelcellen

Voorbeeld wratten

Een goedaardig gezwel

Bindweefselgezwellen

Omschrijving

 opeenhoping van bindweefsel

 lijken soms op wratten maar hebben geen virale oorzaak

 kunnen verwijderd worden door een arts

Voorbeeld steelwratjes en fibromen (foto)

Pigmentgezwellen

Omschrijving

 opeenhoping van pigment

 gevoelig voor zon

 kunnen verwijderd worden door een arts

Voorbeeld moedervlekken

Vaatgezwellen

Omschrijving opeenhoping van bloedvaten

Voorbeeld

 teleangiëctasieën

 wijnvlek (foto)

Vetgezwellen

Omschrijving

 opeenhoping van vetcellen

 kunnen pijnlijk zijn als ze tegen een zenuw aandrukken

 een arts kan ze verwijderen

Voorbeeld

 xanthelasma

 lipomen (foto)

TIP IN HET HOOFDSTUK ‘HUIDAFWIJKINGEN’ LEES JE MEER OVER AFWIJKINGEN IN HET PIGMENT EN DE BLOEDVATEN.

Kwaadaardige gezwellen

Een kwaadaardig gezwel (kanker) verschilt in een aantal opzichten van een goedaardig gezwel:

 Het is niet ingekapseld en kan daarom uitzaaien naar andere organen.

 Het groeit ongeremd en verwoest andere weefsels.

 Het dringt binnen in andere weefsels en organen.

Kwaadaardige gezwellen worden ingedeeld naar het soort weefsel waar ze in ontstaan:

 epitheelgezwel (carcinoom)

 pigmentgezwel (melanoom)

 bindweefselgezwel (sarcoom)

In de huid komen de gezwellen carcinoom en melanoom voor.

Carcinoom

Het gezwel carcinoom is er in twee soorten, namelijk basaalcelcarcinoom en plaveiselcelcarcinoom.

Een basaalcelcarcinoom is een gezwel met dezelfde of een donkerder kleur dan de huid dat langzaam groeit en vaak korstvorming in het midden laat zien. Onder dat korstje zit een nat wondje. Deze vorm van kanker zaait zelden uit en is niet dodelijk. Toch is het verstandig om een carcinoom altijd te laten verwijderen door een dermatoloog of een plastisch chirurg. Het gezwel kan namelijk groter worden en nare zweertjes in de huid geven. Basaalcelcarcinoom is de meest voorkomende vorm van huidkanker.

Plaveiselcelcarcinoom begint vaak met een wratachtig bobbeltje. Onder dit bobbeltje ontstaat een slecht genezend zweertje. Dit bobbeltje kan uitgroeien tot een tumor van ongeveer 1 cm en de kankercellen kunnen uitzaaien naar de lymfen. De tumor moet altijd volledig worden verwijderd door een huidarts. Daarna zal de patiënt vijf jaar onder controle moeten blijven.

Melanoom

Melanoom is de meest ernstige vorm van huidkanker. Melanoom ziet er in eerste instantie uit als een moedervlek, maar kan uitzaaien naar andere organen. Melanoom is te herkennen door de ABCDE-regel toe te passen.

A staat voor asymmetrie. Een gewone moedervlek is symmetrisch van vorm (beide helften zijn gelijk), maar dat is bij melanoom niet het geval.

B staat voor border (begrenzing). Melanoom heeft een grillige vorm (begrenzing), terwijl een gewone moedervlek mooi rond is.

C staat voor color (kleur). Een moedervlek is meestal egaal van kleur, terwijl een melanoom uit meer dan drie verschillende kleuren kan bestaan.

D staat voor diameter. Bij een melanoom is de diameter groter dan 0,6 cm.

E staat voor evolution (ontwikkeling). Als een vlek in korte tijd veranderd van vorm, kleur of diameter, dan is er mogelijk sprake van melanoom.

Basaalcelcarcinoom is de meest voorkomende vorm van huidkanker.
Plaveiselcelcarcinoom in het beginstadium

WIST JE DAT?

SUNBLOCKS HEBBEN

EEN HOGE SPF (SUN PROTECTION FACTOR)

EN BIEDEN DAARDOOR VEEL BESCHERMING.

Genieten van de zon?

Een belangrijke factor bij het ontstaan van huidkanker is uv­straling van de zon of zonnebank. Adviseer cliënten om verantwoord om te gaan met zonnebaden. Ook erfelijke factoren spelen een rol. Als huidkanker in de familie voorkomt, adviseer dan om niet onder de zonnebank te gaan en altijd een goede sunblock te gebruiken.

Melanoom op je smartphone?

Tegenwoordig zijn er apps ontwikkeld waarmee mensen met hun smartphone zichzelf kunnen controleren op de aanwezigheid van melanoom. Een schoonheidsspecialist kan helpen met het controleren op ‘verdachte’ moedervlekken, maar mag nooit een diagnose stellen. Daarvoor moet een cliënt altijd worden doorverwezen naar een dermatoloog.

Test je kennis over huidaandoeningen met de online boekcheck.

Snelcode 27232

De diagnose van melanoom moet altijd door een dermatoloog WORDEN GEDAAN.

15.Nagelen haarafwijkingen

Haren en nagels zijn belangrijk voor je uiterlijk. Bedenk maar eens hoeveel tijd je besteedt aan de verzorging van je nagels en je haar. Als schoonheidsspecialist mag je gezonde nagels altijd behandelen, maar niet iedereen die in jouw salon komt heeft gezonde nagels. Het is belangrijk dat jij weet wanneer je iemand moet doorverwijzen naar een pedicure. Dit geldt ook voor beharing. Sommige mensen hebben last van overbeharing of juist van te weinig haar. Ook dan moet je goed weten wat je als schoonheidsspecialist wel en niet kunt doen.

In dit hoofdstuk leer je meer over nagelafwijkingen en haarafwijkingen.

15.1

Nagelafwijkingen

Nagelafwijkingen kunnen aangeboren zijn of ontstaan door bepaalde oorzaken. In dat laatste geval spreek je van verworven nagelafwijkingen De oorzaken van verworven nagelafwijkingen kunnen zijn:

 ongezonde voeding en leefstijl

 ouderdom

 ziekten

 chemische middelen

 verkeerde schoenen

Wel behandelen

Sommige nagels met een afwijking mag je wel behandelen, maar andere niet. Nagelafwijkingen die je wel mag behandelen, zijn dunne nagels, nicotinenagels en (de meeste) vlekjes, groeven en putjes in de nagels.

Oorzaak achterhalen

Het is belangrijk om te weten wat de oorzaak is van een nagelafwijking. Vlekjes kunnen veroorzaakt worden door een schimmel en dan mag je ze als schoonheidsspecialist niet behandelen! Verwijs dan door naar een pedicure. Putjes in de nagels kunnen veroorzaakt worden door psoriasis. Je kan dan wel de nagel behandelen, maar de ziekte niet.

LET OP! VLEKJES DIE NIET MEEGROEIEN MET DE NAGELS, KUNNEN WIJZEN OP SCHIMMEL.

Lijnen van Beau

Als de nagelplaat of het nagelbed beschadigd raakt, kan dat de groei van de nagelplaat tijdelijk onderbreken. De aanmaak van nieuwe hoorncellen is dan tijdelijk onvoldoende waardoor diepe dwarse groeven ontstaan. Deze groeven heten lijnen van Beau. Ook diabetes en schildklier­ of nieraandoeningen kunnen hiervan de oorzaak zijn.

Dunne nagels

Kenmerken

 dun, zacht of week

 scheuren of splijten snel

 brokkelen soms af

Oorzaken

 kunnen aangeboren of verworven zijn

 te weinig celvorming door atrofie (veroudering)

 tekort aan bepaalde voedingsstoffen zoals vitamine B2

 veelvuldig gebruik van schoonmaakmiddelen

 gebruik van agressieve cosmetische producten (nagellakremover)

 na verwijderen van gellak en kunstnagels

Behandeling

 nagelverharder gebruiken in plaats van basislak

 nagels kort houden om splijten te voorkomen

Witte vlekjes

Leuconychia

Kenmerken

 witte vlekjes of strepen in de nagels

 volledig witte nagels komen ook voor

 lucht tussen de hoorncellen zorgt voor de witte kleur

Oorzaken

 verstoring in het verhoorningsproces

 beschadiging van de nagelplaat door stoten van de nagel

Behandeling

camoufleren met een dekkende nagellak

Groeven en putjes

Kenmerken

 fijne lijnen in de lengterichting van de nagel (overlangse groeven)

 groeven over de breedte van de nagel (dwarse groeven)

 putjes in de nagel

Oorzaken

 veroudering (overlangs)

 onderbreking van de nagelgroei door beschadiging (dwars)

 nagelziekten

 ziekten zoals psoriasis (dwarse groeven en putjes)

 vormverandering van het nagelbed

Behandeling

 camoufleren met nagelvuller

 camoufleren met gellak

 polijsten

Nicotineverkleuring

Kenmerken

 gele verkleuring

 droog en brokkelen snel af

 groeien minder snel

Oorzaken

 nicotine en teer in sigaretten

 minder toevoer van zuurstof door roken

Behandeling

 bleken met blekend product (bleacher)

 weken in zeepoplossing en de huid schuren met puimsteentje

 polijsten met een vijl

 camoufleren met een dekkende nagellak of basecoat

Beschadigde nagels

Ook een ongeval (trauma) kan leiden tot nagelafwijkingen. Hard stoten of een klap van een hamer of ander voorwerp kan zorgen voor witte vlekjes of een blauwe verkleuring van de nagels.

Als de nagel blauw is, komt dat door een bloeduitstorting onder de nagel. Als de oorzaak een ongeval is en de cliënt geen pijnklachten heeft, mag je als schoonheidsspecialist de nagel gewoon behandelen. Bij pijnklachten kan een huisarts helpen door een gaatje in de nagel te boren waardoor het bloed kan wegstromen. Soms komt een blauwe nagel helemaal los van het nagelbed en valt de nagel eraf. In de meeste gevallen groeit de nagel dan vanzelf weer aan.

Verkleuring door andere oorzaken

Soms zijn meerdere nagels blauw of zwart zonder dat er een duidelijke aanleiding is zoals een ongeval. Dat kan duiden op een verstoring in de bloedsomloop of een andere ziekte. Een gele verkleuring die niet wordt veroorzaakt door nicotine kan het gevolg zijn een verstoring van het lymfestelsel. Verwijs een cliënt met deze verschijnselen altijd door naar een huisarts.

Niet behandelen

Als schoonheidsspecialist mag je pathologische nagelafwijkingen niet behandelen. Dat zijn nagelafwijkingen die ontstaan zijn door een ziekte of infectie of die infecties en ontstekingen tot gevolg hebben. Je moet de cliënt dan doorverwijzen naar een manicure, pedicure of dermatoloog. Voorbeelden van pathologische nagelafwijkingen zijn:

 schimmelnagel

 nagelontsteking

 hoornnagel

 ingegroeide teennagel

Vermijden van risico Pathologische nagelafwijkingen mag je niet behandelen omdat er een risico bestaat op verdere besmetting en infecties waardoor de klachten kunnen verergeren. Dat risico is er niet bij nagelafwijkingen als gevolg van psoriasis. Daarom mag je deze wél behandelen.

Na een trauma kan de nagel verkleuren.

Schimmelnagel

Een aandoening aan de nagels die wordt veroorzaakt door schimmels noem je onychomycose Het belangrijkste voorbeeld hiervan is de schimmelnagel (tinea unguium) of mycose nagel. Een schimmelnagel is brokkelig en geelbruin van kleur en heeft een ruw oppervlak. Soms komt de nagel gedeeltelijk los van het nagelbed.

Schimmelnagel wordt veroorzaakt door de schimmels die ook voetschimmel veroorzaken.

Deze schimmels doen het goed in een warme en vochtige omgeving. Schimmelnagel ontstaat vaak als vervolg van een langdurige voetschimmel. Soms wordt schimmelnagel veroorzaakt door vocht tussen de nagel en verkeerd aangebrachte kunstnagels. Omdat in de nagels geen bloedvaten zitten, kan het lichaam geen antistoffen inzetten tegen schimmels. Daarom is schimmelnagel vaak erg hardnekkig.

WIST JE DAT?

SCHIMMELNAGEL

WORDT OOK WEL

KALKNAGEL GENOEMD.

DEZE NAAM IS ONJUIST

OMDAT DE NAGEL NIET VERKALKT IS.

Behandeling van schimmelnagel

Een arts kan schimmelnagel behandelen met medicijnen. Omdat schimmels sporen vormen die moeilijk te bestrijden zijn, gaat de behandeling vaak door als de klachten zijn verdwenen. Ook in schoenen kunnen nog sporen zitten. Daarom moeten deze ook behandeld worden met antischimmelmiddelen.

Nagelontstekingen

Bij een infectie door micro­organismen kunnen niet alleen afwijkingen in de nagel ontstaan, maar kan ook het gebied rondom de nagel ontsteken. Zo’n nagelontsteking noemen we paronychia. Als de nagelwal ontsteekt, ontstaat een rode, gezwollen, pijnlijke huid. Als het nagelbed ontsteekt, heeft de cliënt veel pijn onder de nagel en raakt de nagel misvormt. De ontsteking kan zich ook verder uitbreiden en zelfs het teen­ of vingerkootje aantasten. Dan is er sprake van fijt, een gevaarlijke aandoening die moeilijk te behandelen is en waarbij in het uiterste geval amputatie nodig is. Een nagelontsteking kan worden behandeld door een arts.

Een besmetting met micro­organismen ontstaat sneller bij beschadigde nagelriemen dan bij gezonde. Het is belangrijk dat je als schoonheidsspecialist beschadigingen aan de nagelriem voorkomt. Wees daarom zorgvuldig bij hand­ en voetbehandelingen, vooral als je een vellentang gebruikt. Je kunt de cliënt daarnaast adviseren om de nagelriemen in een goede te conditie houden door ze met een bokkenpootje regelmatig terug te duwen en nagelriemcrème of ­olie te gebruiken.

WIST JE DAT?

BESCHADIGDE NAGEL­

RIEMEN KUNNEN VEROORZAAKT WORDEN DOOR EEN DROGE HUID OF NAGELBIJTEN, MAAR OOK DOOR ECZEEM OF PSORIASIS.

Nagelontsteking (paronychia)
Schimmelnagel (tinea unguium)

Hoornnagel

Door een afwijking in het verhoorningsproces kan een dikke harde nagel ontstaan. Dit noem je een hoornnagel. Deze afwijking kan ontstaan door het dragen van te nauwe schoenen. Daardoor komt er druk op de nagel waardoor de nagelplaat niet makkelijk over het nagelbed kan schuiven. Daardoor kan de nagel niet in de lengte groeien en groeit deze in de hoogte. De nagel wordt dan steeds dikker. Een pedicure kan een hoornnagel behandelen.

Ingegroeide teennagels

WIST JE DAT?

EEN VERDIKTE

NAGEL NOEM JE EEN HYPERTROFISCHE NAGEL.

DIT VERSCHIJNSEL KAN

OOK VOORKOMEN

BIJ SCHIMMELNAGELS.

Te nauwe schoenen kunnen nog een nagelafwijking veroorzaken, namelijk ingegroeide teennagels. Door de druk op de nagel groeit de nagelwal over de nagel heen en snijdt de nagel in de huid. Dit kan erg pijnlijk zijn. Ingegroeide nagels kunnen ook ontstaan door verkeerd knippen.

Als de nagelplaat bol gevormd is noem je dat een tunnelnagel. De kans op ingroeien is dan groter. Een tunnelnagel kan aangeboren zijn. Een pedicure kan ingegroeide (tunnel)nagels behandelen.

Losse nagels

Bij losse nagels komen nagels helemaal los van het nagelbed waardoor ze wit of geelbruin verkleuren. Je kunt ze als schoonheidsspecialist niet behandelen. Psoriasis, eczeem en schimmelinfecties zijn oorzaken, maar ook te krappe schoenen, stoten of verkeerd aangebrachte kunstnagels.

Ingegroeide teennagel
Hoornnagel

15.2

Haar -

afwijkingen

In de beharing van zowel mannen als vrouwen kunnen verschillende afwijkingen ontstaan. Als er sprake is van te veel haargroei, heet dat hyper trichose of overbeharing. Te weinig haargroei of haaruitval noemen we hypotrichose. Vooral bij hypertrichose kun je als schoonheidsspecialist veel doen voor een cliënt.

Hypertrichose

Overbeharing (hypertrichose) is voor zowel vrouwen als mannen een vervelend verschijnsel. Het kan een gevolg zijn van een ziekte, zoals een vertraagde schildklierwerking, of van het gebruik van bepaalde medicijnen, zoals corticosteroïden bij eczeem. Overbeharing die ontstaat door medicijnen noemen we latrogene hypertrichose Overbeharing kan ook een erfelijke oorzaak hebben. Dan spreken we van een idiopatische hypertrichose

Hirsutisme

Een bijzondere vorm van een hypertrichose is de aandoening hirsutisme. Dit is een aandoening waarbij vrouwen een mannelijk beharingspatroon krijgen. Een vrouw heeft dan te maken met haren op de rug, de buik, het gezicht en tussen de borsten. Hirsutisme heeft een hormonale oorzaak. De hormoonhuishouding kan veranderen door ouder worden of door bepaalde ziekten of medicijnen. Het vrouwelijk lichaam maakt dan te veel mannelijke hormonen (androgenen) aan waardoor mannelijke beharing ontstaat.

Bij hirsutisme heeft een vrouw te maken met haren op de rug, de buik, het gezicht en tussen de borsten.

Harsen is een mogelijke behandeling bij hypertrichose.
Bij hirsutisme hebben vrouwen een mannelijk beharingspatroon.

Behandeling van hypertrichose

Als hypertrichose wordt veroorzaakt door een aandoening kan deze vaak medicinaal behandeld worden. Daarom is het belangrijk dat je een cliënt met een ernstige overbeharing adviseert een arts te bezoeken. Als de overbeharing niet medisch te behandelen is, kun je ontharingsbehandelingen uitvoeren zoals epileren of laseren.

Hypotrichose

Te weinig haargroei of haaruitval noemen we hypotrichose. De meest voorkomende hypotrichose is de aandoening alopecia (kaalheid). Alopecia komt bij mannen en vrouwen voor. Bij mannen is kaalheid een ‘normaal’ verschijnsel en daarom valt het bij vrouwen meer op. Er zijn verschillende soorten alopecia. De bekendste zijn alopecia androgenetica en alopecia areata.

Alopecia androgenetica

Alopecia androgenetica wordt ook wel mannelijke kaalheid genoemd. Bij deze aandoening zijn de haarzakjes extra gevoelig voor mannelijke hormonen (androgenen), waardoor de haargroei steeds minder wordt en kaalheid ontstaat. Ook vrouwen kunnen last hebben van alopecia androgenetica, maar dan spelen mannelijke hormonen geen rol. Wat bij vrouwen de oorzaak is van deze kaalheid, is niet bekend.

Alopecia areata

Bij de aandoening alopecia areata ontstaan kale plekken op het hoofd en soms ook op de rest van het lichaam. Wimpers en wenkbrauwen kunnen ook aangetast worden en vallen dan uit. Waarschijnlijk is alopecia areata een auto­immuunziekte. Dat wil zeggen dat het lichaam antistoffen tegen het eigen lichaam aanmaakt. Wat de oorzaak is van deze ziekte is onbekend. Bij ernstige vormen van alopecia areata is het zelfs mogelijk dat er helemaal geen haar meer groeit.

Behandeling van alopecia

Als schoonheidsspecialist kun je alopecia niet behandelen. Adviseer een cliënt met haaruitval altijd een dermatoloog te bezoeken. Met kleding, make­up of pruiken is alopecia wel te camoufleren. Een schoonheidsspecialist die daarvoor een extra cursus heeft gevolgd, kan ook permanente make­up aanbrengen waardoor alopecia minder zichtbaar is.

Bij alopecia areata ontstaan kale plekken op het hoofd.

WIST JE DAT?

ALOPECIA KAN

VEROORZAAKT WORDEN DOOR

MEDICIJNEN ZOALS EEN

CHEMOKUUR BIJ KANKER.

Train je kennis over nagel- en haarafwijkingen met de online trainer. Snelcode 26250

Ben je klaar voor een test? Doe dan de online boekcheck. Snelcode 27247

Alopecia KUN je camoufleren met kleding en make ­ up.

AAangeboren huidskleur 112

Aangezichtsspieren 72

Aangezichtszenuw 199

Aanpassingsfase 203

ABCDE­regel 300

Abces 253

Acetylcholine 108 173, 190

Achterdijbeenspieren 92

Achterhoofdader 161

Achterhoofdsbeen 39

Achterhoofdsgat 39

Achterhoofdslagader 161

Achterhoofdspier 73

Achterhoorn 195

Achterkwab 175

Achterste gelaatsader 161

Achterste scheenbeenslagader 158

Achterwortel 195

Acne 258

Acne conglobata 259

Acne keloïdalis 259

Acne vulgaris 258

Index

Actief bewegingsapparaat 28

Actieve immunisatie 145

Ademcentrum 213

Ademhalingsorganen 206

Ademhalingsspieren 212

Ademhalingsstelsel 206

Ademhalingssysteem 218

Aderen 155

Aderlijke haarvaten 155

Adrenaline 128, 179

Adrenocorticotroop

hormoon (ACTH) 178

Aeroob 278

Aeroob proces 71

Afdalende tak 225

Afferente zenuwbanen 198

Afscheidend epitheel 13

Aids 285

Alarmfase 202

Albinisme 265

Albino 265

Aldosteron 178

Allergenen 294

Allergische reactie 294

Alopecia 310

Alopecia androgenetica 310

Alopecia areata 310

Alvleesklier 179, 224, 226

Alvleessap 224

Amandelen 208

Aminozuren 233

Amylase 231

Anabolisme 217

Anaeroob 278

Anaeroob proces 71

Anagene fase 136

Anastomosen 164

Anatomische stand 36

Androgenen 126, 137, 184, 258

Andropauze 185

Animaal zenuwstelsel 191

Animale levensverrichtingen 9

Antagonisten 67

Antidiuretisch hormoon (ADH) 175

Antigenen 144

Antihistaminica 108 297

Antistoffen 144, 294

Antitoxinen 278

Anus 225

Aorta 151, 157

Aortaboog 157

A­pathogeen 276

Apocriene klieren 15

Apocriene zweetklier 128 Arm 50

Armader 162

Armslagader 162

Armspieren 88

Arteriën 154

Arteriolen 154

Arterioveneuze anastomosen 164

Assimilatie 217

Atlas 46

Atopische aandoeningen 296

Atopisch eczeem 296

Atrofie 269

Atrofische huid 269

Autonome zenuwstelsel 191, 202, 213

Axonen 22

BBacteriën 277

Basaalcelcarcinoom 300

Basaalcellenlaag 97

Basaal membraan 101

Bedekkend epitheel 13

Been 56

Beenderstelsel 28

Beenmerg 29

Beenvergroeiingen 35

Beenvlies 21

Beenweefsel 20

Bekken 55

Bekkengordel 54

Benigne gezwel 298

Berlocke huidonsteking 295

Besmetting 253, 277

Beweeglijke gewrichten 32

Bezemrijs en berkelrijs 267

Biceps 88

Bijballen 184

Bijnieren 178, 241

Bijniermerg 179

Bijnierschors 178

Bindweefsel 15, 272

Bindweefselverbindingen 36

Bindweefselvezels 17

Binnenenkel 56

Binnenste schuine buikspier 83

Binnenste sluitspier 245

Blaar 248

Blaas 245

Blaasje 249

Blackheads 257

Blauwe plek 290

Blindedarm 225

Bloedarmoede 143

Bloedcirculatie 148

Bloedingsfase 288

Bloedplaatjes 145

Bloedplasma 146

Bloedsomloop 148, 218

Bloeduitstorting 266 290

Bloedvatenstelsel 149

Boezemkamerkleppen 151

Boezemsystole 152

Borstademhaling 213

Borstbeen 44

Borstbeen­

sleutelbeen­tepelspier 79

Borstklier 168

Borstslagader 157

Borstspieren 80

Borstvlies 213

Borstwervels 45, 47

Botweefsel 20

Bouwstoffen 230

Bovenkaak 42

Bovenkaaktak 199

Bovenlip­ en neusvleugelheffer 75

Bovenlipheffer 75

Bovenste extremiteit 48

Bovenste holle ader 151

Brandstoffen 230

Brede halsspier 77

Brede rugspier 85

Buikademhaling 212

Buikslagader 157

Buikspeekselklier 179

Buikspieren 212

Buitenenkel 56

Buitenste schuine buikspier 82

Buitenste sluitspier 245

CCalciumzouten 29

Callus 261

Candida 281

Candida albicans 281

Capillairen 155

Carcinoom 300

Caroteen 112

Celkern 9

Cellen 8

Cellichaam 9

Cellulite 272

Cellulose 231

Celmembraan 8

Celspanning 147

Celtussenstof 18

Centraal 37

Centraal zenuwstelsel 191

Centrale zenuwstelsel 192

Cerebrospinaal vocht 193

Cholesterol 126, 232

Cholesterolgehalte 293

Chromatiden 10 11

Chromatine 9

Chromosomen 9

Chylusvat 224

Cilindrisch epitheel 12

Colibacteriën 226

Collagene vezels 17

Collaterale bloedvaten 164

Comedo 257

Commensalen 276

Communicatieorgaan 106

Compact been 21

Constitutioneel eczeem 296

Contacteczeem 296

Contouren 269

Corpus luteum 182

Corticoïden 178

Corticosteroïden 178

Cortisol 178

Cytoplasma 9

DDarmbacteriën 225

Darmbeen 54

Darmbeenslagader 157

Darmflora 225, 276

Darmperistaltiek 226

Darmsap 224

Darmvlokken 223

Degeneratie 116

Deltaspier 87

Dendrieten 22, 189

Derdegraadsbevriezing 292

Derdegraadsverbranding 291

Dermatomycose 280

Dermispapillen 101 Diabetes 292

Diastole 152

Dicht bindweefsel 18

Diffusie 147, 210

Dijbeen 57

Dijbeenader 158

Dijbeenhals 57

Dijbeenknobbel 57

Dijbeenkop 57

Dijbeenslagader 158

Dijbeenspieren 91

Dikke darm 225

Directe celdeling 10

Dissimilatie 217

Distaal 37

Doornuitsteeksel 46

Doorschijnende laag 97

Dorsaal 37

Draaier 46

Drie hersenvliezen 193

Driehoofdige armspier 89

Drielingzenuw 198

Droge huid 113

Dunne darm 223

Dunne huid 115

Dunne nagels 305

Dwarse buikspier 83

Dwarsgestreept spierweefsel 24

Dwarslopende tak 225

Dwarsuitsteeksels 46

Dynamische contractie 68

EEccriene klieren 15

Eccriene zweetklier 128

Eczeem 296

Eelt 261

Eenbuikige spieren 65

Eenhoofdige spieren 65

Eenpezige spieren 66

Eerstegraadsbevriezing 292

Eerstegraadsverbranding 291

Efferente zenuwbanen 198

Efflorescenties 248

Eierstokken 181

Eikel 184

Eilandjes van Langerhans 179

Eisprong 182

Eiwitstofwisseling 226

Eiwitten 233

Elastische vezels 17

Elastisch kraakbeenweefsel 19

Elastosis 269

Ellebooggewricht 51

Elleboogpunt 51

Ellepijp 50

Ellepijpader 162

Ellepijpslagader 162

Embryo 183

Emulgeren 224

Endeldarm 225

Endocardium 153

Endocriene klieren 15, 172

Endo­exocriene klieren 15, 172

Endotheel 12, 153

Enkelgewricht 56

Enzym 220

Epicardium 153

Epitheellaag 129

Epitheelweefsel 12

Ergosterol 107 126

Erythema caloricum 267, 290

Erythema pudoris 267

Erythema solaris 267

Erytrocyten 143

Etter 144

Eumelanine 135

Excretie 15, 240, 243

Excretieklieren 15

Exocriene klieren 14, 124 127, 172

Exogene groeifactoren 278

FFagocytose 102, 144, 168

Feomelanine 135

Fermenteren 226

Fibrine 145

Fibrinedraden 288

Fibrinogeen 145

Fibroblasten 15 100, 288

Fijt 307

Filtratie 146

Fitzpatrick­indeling 119

Follikel 182

Follikelstimulerend hormoon (FSH) 181

Fontanellen 36

Functio laesa 253

Fytofotodermatitis 295

GGal

224

Galblaas 227

Gastheercel 282

Gebit 220

Geheugencellen 144, 168

Gehoorzintuig 188

Gelaatsslagader 161

Geleidingsorgaan 196

Gele lichaam 182, 184

Gemeenschappelijke darmbeenslagader 157

Gemeenschappelijke gelaatsader 161

Gemeenschappelijke halsslagader 157

Gemengde zenuwen 23

Gerstekorrels 262

Geslachtscorticoïden 178

Geslachtsklieren 181

Geslachtsorganen 181

Gestuwde (congestieve) huid 115

Gevoelszintuig 102, 106, 188

Gewricht 32

Gewrichtsbanden 33

Gewrichtskapsel 33

Gewrichtskop 42

Gewrichtskraakbeen 33

Gewrichtssmeer 33

Gewrichtsuitsteeksels 42

Gewrichtsvlakken 46

Gezichtszintuig 188

Gezwel 298

Gisten 280

Glad spierweefsel 24

Glandotroop 172

Glasachtig kraakbeenweefsel 19

Glomeruli 243

Glucagon 180 226

Goedaardig gezwel 298

Gonaden 181

Gordelroos 282

Granulatieweefsel 288

Granulocyten 144

Grensstreng 200

Grijze stof 195

Groeihormoon 175

Groeischijf 30

Groeven en putjes 305

Grondsubstantie 18

Grote aanvoerder van het dijbeen 91

Grote bilspier 93

Grote bloedsomloop 148

Grote borstspier 81

Grote draaier 57

Grote gemengde tak 200

Grote hersenen 192

Grote huidader der dij 158

Grote jukbeenspier 75 Grove huid 115

Haarmerg 134

Haaropperhuidvlies 134

Haarpapil 134

Haarschacht 133

Haarschors 134

Haarspiertjes 134

Haarui 134

Haarvaten 155 210

Haarwortel 133

Haarzakje 134

Half maantje 130

Halfpeesachtige spier 92

Halfvliesachtige spier 92

Halswervels 47

Halvemaanvormige kleppen 151

Hand 52

Handpalmaders 162

Handpalmslagaders 162

Handrugaders 162

Handrugslagaders 162

Handvat 44

Handwortelbeentjes 52

Harde hersenvlies 193

Hartkleppen 151 152

Hartspierweefsel 24, 153

Harttussenwand 150

Hartwand 153

Hartzakje 153

Heiligbeenwervels 47

Hemoglobine 112, 143

Hepatitis 285

Hersenbalk 192

Hersenen 192

Hersenmerg 193

Hersenschedel 38

Hersenschors 192

Hersenstam 194, 213

Hersenvocht 193

Hersenzenuwen 198

Heupgewricht 55

Heup­lendenspier 93

Heupspieren 93

Hielbeen 59

Hirsutisme 309

Histamine 108, 173, 297

Histiocyten 100

Hiv 285

Holocriene klieren 15, 125

Holte 249

Homeostase 146

Hoofdader 162

Hoofdluis 286

Hoorncellen 98

Hoornlaag 97, 129

Hoornnagel 308

Hormonen 172

Hormoonklieren 173

Huidbarrière 98, 104

Huidconditie 115

Huiddegeneratie 268

Huiddikte 109

Huidemulsie 104

Huidflora 110, 276

Huidglans 111

Huidlijsten 101, 109

Huidporiën 110

Huidreliëf 109

Huidskleur 112

Huidspanning 111

Huidspieren 63

Huidtype 113

Huidveldjes 109

Huidverhevenheid 250

Huig 209

Hulpstoffen 230

Humaan

choriongonadotrofine (hCG) 184

Humaan placentair

lactogeen hormoon (HPL) 184

Humeruskop 49

Hydrocortison 178

Hyperhidrosis 260

Hyperkeratose 261

Hyperpigmentaties 263, 271

Hyperthyreoïdie 177

Hypertonische spier 69

Hypertrichose 309

Hypertrofische 289

Hypertrofische nagel 308

Hyperventilatie 213

Hypofyse 174, 176

Hypohidrosis 260

Hypopigmentatie 265

Hypothalamus 176

Hypotonische spier 69

Hypotrichose 310

Hypotrofische littekens 289

IIchthyosis 262

Idiopatische hypertrichose 309

Immunisatie 277

Immunologische bescherming 104

Immuun 277

Impuls 189

Increten 172

Incretie 15

Incretieklieren 15

Indirecte celdeling 10

Infectie 253, 277

Ingegroeide teennagels 308

Ingewandstak 200

Inkapselen 253

Insertio 62

Insuline 180, 226

Intercellulaire ruimte 146

Intermediair haar 135

Intertrigo 281

Inwendige halsader 161

Inwendige halsslagader 161

Inwendige neus 208

Isometrische contractie 68

JJeugdpuistjes 258

Jukbeen 42

KKaakhoek 42

Kaakrand 43

Kalknagel 307

Kamersystole 152

Kanker 300

Kapsel 242, 298

Kapsel van Bowman 243

Karteldarm 225

Katabolisme 217

Katagene fase 136

Katalyseren 220

Keelholte 209, 220

Keloïden 289

Keratine 112

Keratohyalinekorrels 131

Keratosis pilaris 262

Kernmembraan 9

Kernplasma 9

Kiemlaag 98, 134

Kilocalorie 217

Kilojoule 217

Kinesis 69

Kinspier 77

Kippenvel 106 134

Kitsubstantie 97

Kleermakerspier 91

Kleine bloedsomloop 148

Kleine borstspier 81

Kleine draaier 57

Kleine gemengde tak 200

Kleine hersenen 194

Kleine huidader der dij 158

Kleine jukbeenspier 75

Klepvliezen 155

Kliercellen 125

Klierweefsel 13

Kloof 251

Kneuzing 290

Kniekuilader 158

Kniekuilslagader 158

Knieschijf 57

Knobbel, bult 251

Koningsader 162

Koolhydraatstofwisseling 180, 226

Koolhydraten 231

Koortsblaasjes 282

Korrellaag 97

Korst 249, 288

Korte kuitbeenspier 93

Kraakbeen 19

Kraakbeenverbinding 36

Kransslagaderen 153

Kringen 271

Kringspieren 66

Kronkeldarm 225

Kubisch eptiheel 13

Kuitbeen 56

Kuitbeenader 158

Kuitbeenhoofd 56

Kuitbeenslagader 158

Kuitbeenspieren 93

Kwaadaardig gezwel 300

Kwaddel 252

LLaag van Malpighi 98

Lachspier 76

Lange aanvoerder van het dijbeen 91

Lange kuitbeenspier 93

Lanugohaar 135

Lateraal 37

Latrogene hypertrichose 309

Lederhuid 100

Leefstijl 122

Lendenwervels 47

Letsel 287

Leukocyten 143

Lever 226

Leverader 157

Lichaam 44

Lichaampjes van Malpighi 243

Lichaamscirculatie 148

Lichaamsslagader 151, 157

Ligamenten 33

Lijmstof 29

Lijnen van Beau 304

Likdoorn 261

Linkerhartkleppen 151

Linkerkamer 151

Lipase 232

Lipoïden 107

Lis van Henle 243

Litteken 249

Longader 151

Longblaasjes 210

Longcirculatie 148

Longen 210

Longslagader 151

Longvlies 213

Losmazig bindweefsel 18

Losse nagels 308

Luchtblaasjes 138

Luchtpijp 209

Luchtpijptak 210

Luchtvervuiling 122

Luchtwegen 206

Luteïniserend hormoon (LH) 181

Luxatie 48

Lymfe 165

Lymfedrainage 271

Lymfehaarvaten 166

Lymfeknopen 168

Lymfevaten 166

Lymfevatenstelsel 165

Lymfevocht 165

Lymfocyten 144, 166

Lymfoïde weefsel 166, 168

MMaag 222

Maagportier 222

Maagsap 222

Macrofagen 15

Macro­organismen 276, 286

Maligne 298

Mediaal 37

Mee­eter 257

Meerbuikige spieren 65

Meerhoofdige spieren 65

Meerpezige spieren 66

Meiose 10 183

Melanine 99, 112

Melanocyten 99

Melanogeen 99

Melanoom 300

Melanosomen 99

Melasma 264

Melkzuur 127

Menopauze 184

Menstruatie 183

Mergholte 21

Mestcellen 15, 100

Metabolisme 216

Micro­organismen 276

Middenhandsbeenderen 52

Middenhersenen 194

Middenrif 80 212

Middenrifademhaling 212

Middenvoetsbeentjes 59

Milia 262

Milt 168

Mimische spieren 63, 72

Mineraalcorticoïden 178

Mineralen 236

Minimale Erytheem

Dosis (MED) 120

Mitose 10

Moederkoek 184

Moedervlek 264

Mondhoekeczeem 297

Mondhoekheffer 76

Mondhoekomlaagtrekker 76

Mondholte 209, 220

Mondkringspier 77

Monnikskapspier 84

Motorische zenuwen 22

Mycose nagel 307

Myeline 22

Myelineschede 22

Myocardium 153

Myogelosen 71

NNagel 129

Nagelafwijkingen 304

Nagelbed 130

Nagellichaam 130

Nagelontsteking 307

Nagelplaat 129, 130

Nagelplooi 130

Nagelriem 130

Nageluiteinde 130

Nagelwal 130

Nagelwortel 130

Natural Moisturizing Factor (NMF) 110

Nauw kanaal 195

Netelroos 295

Netlaag 101

Neurieten 22, 189

Neurofibrillen 22

Neuron 189

Neuronen 22

Neurotransmitters 190

Neus 207

Neusamandelen 208

Neusbeen 42

Neusholte 42, 207

Neusspier 74

Neustussenschot 42

Nicotineverkleuring 305

Nier 241

Nierader 157

Nierbekken 242

Niermerg 242

Nierpoort 242

Nierschors 242

Nierslagaderen 157

Noradrenaline 179

Normale huid 113

Nuchtere darm 225

OOestrogeen 182, 184

Oestrogenen 126, 137

Okselader 162

Okselslagader 162

Onderbeenspieren 93

Onderhuid 103

Onderkaak 43

Onderkaaktak 199

Onderlipomlaagtrekker 76

Onderste extremiteit 54, 90

Onderste holle ader 151, 157

Ongenaamde ader 157

Ongenaamde slagader 157

Ontsteking 253

Ontstoken haarzakje 279

Ontvelling/schaafwond 250

Onverzadigde vetten 232

Onychomycose 307

Onzuivere huid 115

Oogkringspier 74

Oogtak 199

Opperarmbeen 51

Opperarm­spaakbeenspier 89

Opperhuid 96

Oppervlakkige slaapader 161

Opstijgende tak 225

Organellen 9

Origo 62

Ortho­ergisch contacteczeem 296

Osmose 147

Osmotische druk 243

Osteoporose 29

Ouderdomsvlekken 264

Ovaria 181

Overbeharing 309

Ovulatie 182

Oxidanten 122

Oxyhemaglobine 112

Oxyhemoglobine 143

Oxytocine 175

PPaardenstaart 195

Palmair 37

Palmaire vaatboog 162

Pancreas 179

Panniculose 272

Papillenlaag 101

Parasympathisch zenuwstelsel 202

Parathyreoïden 177

Parathyreoïdhormoon (PTH) 177

Paronychia 307

Passief bewegingsapparaat 28

Passieve immunisatie 145

Pathogeen 276

Pathologische nagelafwijkingen 306

Pees 63

Peesblad 63

Penis 184

Penopauze 185

Pepsine 233

Pericard 153

Perifeer 37

Perifeer zenuwstelsel 191

Perifere zenuwstelsel 198

Periost 21

Peristaltiek 222

Perleche 297

Perspiratie 127

PH­waarde 243

Pigment 263

Pigmentatieproces 99

Pigmenthormoon 175

Pigmentvlekjes 263

Pijnreceptor 102

Placenta 184

Plantair 37

Plasma­eiwitten 146

Platte spieren 67

Plaveiselcelcarcinoom 300

Plaveiselepitheel 13 97

Ploegschaarbeen 42

Pons 194

Poortader 157

Prikkels 188

Primaire efflorescenties 248

Primaire geslachtskenmerken 184

Progesteron 182, 184

Prostaat 184

Protease 233

Protoplasma 9

Protrombine 145

Provitamine D 124

Provitaminen 234

Proximaal 37

Psoriasis 262

Puist 251

Pus 144

RRavenbekuitsteeksel 48

Reactiefase 288

Receptor 172

Receptoren 102

Rechte buikspier 82

Rechterboezem 151

Rechterhartkleppen 151

Rechterkamer 151

Reductiedeling 183

Reflexorgaan 197

Regeneratiefase 288

Regenererende behandelingen 271

Remodelleringsfase 288

Resorptie 223, 243

Reticulair bindweefsel 18

Reticulinevezels 17

Reukzintuig 188

Ribben 45

Ribbenademhaling 213

Rijpingsfase 288

Rode bloedcellen 143

Rokershuid 273

Romp 44, 80

Roodheid 250, 267

Rosacea 267

Rozenkransader 158

Ruggengraat 45

Ruggenmerg 195

Ruggenmergvliezen 195

Ruggenstrekkers 85

Rugspieren 84

Rust­ en herstelfase 203

Ruwe huid 115

SSchaambeen 55

Schaambeenkamspier 91

Schaamluis 287

Schedel 38

Schedelbasis 40

Schedeldak 38

Scheenbeen 56

Scheenbeenader 158

Scheenbeenknobbels 57

Schildklier 176

Schimmelnagel 307

Schimmels 280

Schouderblad 48

Schouderbladgraat 48

Schouderbladkam 48

Schoudergordel 48

Schouderkom 49

Schouderkop 49

Schouderspieren 86

Schoudertop 48

Schubbenlaag 134

Schub, schilfer 251

Schurft 286

Seborrhoe 114, 257

Seborrhoe oleosa 114, 257

Seborrhoe sicca 114, 257

Sebostase 256

Secretie 15

Secretieklieren 15

Secundaire efflorescenties 248

Secundaire

geslachtskenmerken 184

Seksueel overdraagbare aandoening 284

Semipermeabel 146

Sensibele zenuwen 23

Sensorische functie 102 106

Sigmoïd 225

Sinaasappelhuid 272

Skeletspieren 63

Skeletspieren van het gezicht 72

Slaapkauwspier 78

Slaapslagader 161

Slaapuitsteeksel 42

Slagaderen 154

Slagaderkleppen 151

Slagaderlijke haarvaten 155

Slanke dijbeenspier 91

Slanke neusspier 74

Slecht doorbloede huid 115

Sleutelbeen 49

Sleutelbeenader 157

Sleutelbeenslagader 157

Slijmbeurzen 33

Slijmvlies 207

Slikreflex 220

Slokdarm 209, 222

Sluitspieren 245

Smaakzintuig 188

Smetuitslag 281

Soa 284

Solitaire talgklieren 124

Spaakbeen 50

Spaakbeenader 162

Spaakbeenknobbel 50

Spaakbeenslagader 162

Spanspier van de dijschede 91

Spataderen 155 267

Speeksel 220

Sperma 184

Spieraanhechting 62

Spieratrofie 69

Spiercontractie 68

Spierinnervatie 68

Spieroorsprong 62

Spierstelsel 62

Spiertonus 69

Spierweefsel 23

Spijsverteringskanaal 219

Spijsverteringssysteem 218

Spinale ganglion 195

Spinnaevus 266

Spinnenwebvlies 193

Splijtrichting 101

Spongieus been 21

Sponsachtig been 21

Sponslaag 129

Sporen 280

Sporenelementen 236

Sproeten 264

Squalenen 126

Staartbeenwervels 47

Statische contractie 68

Steenpuist 279

Stekelcellenlaag 97

Stembanden 209

Steriele ontsteking 253

Steunweefsel 15

Stofwisseling 216

Stofwisselingsstoornis 292

Straffe gewrichten 32

Striae 272

Strontje 279

Strottenhoofd 209

Strottenklepje 209

Suikerziekte 292

Sympathisch zenuwstelsel 202

Synaps 190

Synergisten 67

Synoviaal vocht 33

TTalg 124, 125 256

Talgkliercyste 257

Talgklieren 124 134 256

Talgklierporiën 110

Tastlichaampjes 102

Tastlichaampje van Krause 102

Tastlichaampje van Meissner 102

Tastlichaampje van Merke 102

Tastlichaampje van Ruffini 102

Tastlichaampje van Vater­Pacini 102

Teek 286

Teenkootjes 59

Teenslagaderen 158

Teleangiëctasieën 115, 116, 122, 266

Tele’s 266

Telogene fase 137

Temperatuurregeling 234

Terminaal haar 135

Testikels 184

Thymus 168

Thyreotroop hormoon 176

Thyreotroop hormoon (TRH) 176

Thyroïd stimulerend hormoon (TSH) 176

Thyroxine (T4) 176

Tinea unguium 281

T­lymfocyten 168

Tong 220

Tongbeen 42

Tonus 111

Topografische anatomie 36

Toxinen 278

Transcutane resorptie 100

Transepidermale resorptie 100

Transfolliculaire resorptie 100

Transpiratie 127

Transportmiddel 234

Trauma 287

Trilhaarepitheel 14, 208

Trombocyten 145

Trompetspier 77

Tubulus 243

Tumor 298

Tunnelnagel 308

Turgor 111

Tussenribspieren 213

Tussenwervelschijven 47

Twaalfvingerige darm 224

Tweebuikige onderkaakspier 79

Tweedegraadsbevriezing 292

Tweedegraadsverbranding 291

Tweehoofdige armspier 88

Tweehoofdige dijbeenspier 92

Tweehoofdige kuitspier 93

Tyloma 261

UUitputtingsfase 203

Uitscheiding 240

Uitscheidingsorganen 240

Uitscheidingssysteem 218

Uitwendige halsader 161

Uitwendige halsslagader 161

Uitwendige neus 207

Ultraviolette straling 99, 120

Ureum 127

Urine 243

Urinebuis 245

Urinewegstelsel 240

VValse ribben 45

Van Krause 106

Van Ruffini 106

Varices 155

Vasomotorische prikkel 106

Vasomotorische storingen 184

Vast bindweefsel 18

Vegetatieve

levensverrichtingen 9

Vegetatieve tuning 202

Vegetatieve zenuwstelsel 191

Vellushaar 135

Venen 155

Ventraal 37

Venulen 155

Verbranding 290

Verhoornde haarzakjes 262

Verhoorningsproces 98 261

Verlengde merg 194

Vermoeide huid 115

Verstopte poriën 257

Vervoersfunctie 14

Verworven nagelafwijkingen 304

Verzadigde vetten 232

Vetcellen 18, 103

Vetstofwisseling 226

Vette huid 114

Vetten 232

Vezelig kraakbeenweefsel 19

Vierhoofdige dijbeenspier 91

Vingerkootjes 52

Virussen 282

Visschubziekte 262

Vitamine D 107

Vitiligo 265

Vlek 250

Vochtarme huid 115

Vochtigheidsgraad 110

Vochtophoping van Quinke 295

Voet 58

Voetrugader 158

Voetrugslagader 158

Voetwortel 59

Voetzoolader 158

Voetzoolslagader 158

Voorhoofdsbeen 38

Voorhoofdspier 73

Voorhoorn 195

Voorkwab 174

Voorste gelaatsader 161

Voorste scheenbeenknobbel 56

Voorste scheenbeenslagader 158

Voorste scheenbeenspier 93

Voorste uitsteeksels 43

Voorste zaagspier 87

Voorurine 243

Voorwortel 195

Vrije radicalen 122

WWaaiervormige spieren 66

Wallen 271

Wandbeen 39

Wangkauwspier 78

Ware ribben 45

Warmteregulatie 105

Waterwratjes 283

Weefsel 12

Weefselhormonen 173

Weefselspleten 166

Weefselvocht 146

Wenkbrauwrimpelaar 74

Wervelboog 46

Wervelgat 46

Wervelkolom 45

Wervellichaam 46

Whiteheads 257

Wiggebeen 40

Wijnvlek 268

Winterhanden en wintervoeten 268

Witte bloedcellen 143

Witte stof 195

Witte vlekjes 305

Woekering 289 298

Wortelschede 134

Wratten 283

XXanthelasma 293

X­vormige ruwe lijn 57

ZZaadblaasjes 184

Zaadleiders 184

Zachte hersenvlies 193

Zeefbeen 40, 42, 208

Zenuw 102, 189

Zenuwcellen 22

Zenuwstelsel 191

Zenuwweefsel 22

Ziekte van Lyme 286

Zijhoorn 195

Zintuig 188

Zitbeenknobbels 54

Zuurgraad 243

Zuurmantel 104, 256

Zwaardvormig aanhangsel 44

Zwangerschapsmasker 264

Zweer 252

Zweet 127

Zweetklierabces 278

Zweetklieren 127

Zweetklierporiën 110

Zweetporiën 127

Zwellichamen 184

Zwelling 252

Zwervende zenuw 200

Zwezerik 168

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
BW_BESP152_BL_FAPboek #2_2026 by bespeakbv - Issuu