












![]()













Colofon
Derde gewijzigde herdruk, 2023
© 2023 Visavi B.V., Amersfoort
ISBN 9789492548467
Productie
Bespeak B.V.
Uitgever
Visavi B.V.
Vormgeving RapZoomers
Drukker
Wilco B.V.
Media
Baretta Media
VB Fotografie
Koos van der Beek
Pascal Goudkuil
Ivo de Kok Photography
Shutterstock
Inhoudsdeskundigen
Jilke van Alst
Gerrit van de Beek
Melanie Blijenberg
Annie van den Boogaard
Will Bosch
Corine Dijk
Jacqueline van Dijk
Robert Douma
Elly Edam
Marleen Geurtse
Marjan van Ginkel
Marianne Hensen
Fred Hoen
Esther Huis in ’t Veld
Natalie van Lambalgen
Natalie Reulen
Ingrid Walburg
Angelique Wuijster
Hair Level online
Bespeak B.V.
Doop
Met dank aan
Bespeak B.V.
Anita Faber
Roos van de Fijnegeer
Willemijn de Gans
Marcella Heinen
Wilma Jissink
Roosje Kraaij
Marjon van Mullem
Lilian Prins
Lotte van Slooten
Petra Tennekes
Esther Huis in ’t Veld
alle modellen
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.








Voor je ligt het basisboek uit de methode Hair Level. In dit boek vind je belangrijke theorie die je nodig hebt om het beroep van kapper te kunnen uitoefenen. Wat komt er kijken bij het werken in de salon en waar bestaat een behandeling uit? Hoe begin je met een knipbehandeling en welke basistechnieken zijn er? Dat lees je allemaal in dit boek. Ook vind je in het boek stappenplannen en aandachtspunten die jou helpen om de basistechnieken onder de knie te krijgen. Denk aan het knippen van toenemende lengten, maar ook aan het uitvoeren van een effilatietechniek of kleuring.
Het basisboek is een onderdeel van de methode Hair Level. Om jou zo goed mogelijk voor te bereiden op jouw werk als kapper, bestaat deze methode uit een combinatie van theorieboeken en de online leeromgeving Hair Level online.
Theorieboeken
In de boeken wordt de theorie uitgelegd die jij nodig hebt om in de praktijk aan de slag te kunnen. De boeken hebben een vaste opbouw en geven een helder overzicht van de theorie.
Afhankelijk van welk profiel je volgt, leer je meer over de volgende onderwerpen:
• het kappersvak
• knippen en snijden
• blijvend omvormen
• tijdelijk omvormen
• kleuren
• lang haar
• het herenvak
Voor elke behandeling leer je welke materialen en producten je nodig hebt en wat de aandachtspunten zijn. Bij elke behandeling staat een stappenplan, zodat je in één oogopslag ziet in welke stappen je het gewenste eindresultaat bereikt.
In de boeken vind je belangrijke begrippen terug in de index. Ook kom je afbeeldingen, weetjes en kaders met extra informatie tegen die jou helpen om een beter beeld te krijgen van het kappersvak. Op deze manier heb jij alle handvatten om het werk als kapper onder de knie te krijgen!
Hair Level online
Aan de slag met de theorie?
Ga dan op je laptop, tablet of telefoon naar
Hair Level online (www.hairlevelonline.nl).
In deze online leeromgeving kun je op allerlei manieren oefenen met de theorie:
• Met de boekchecks toets je of je de theorie in het boek goed hebt begrepen.
• In de lessen oefen je interactief met de theorie.
• In behandelfilms laten professionals zien hoe je een behandeling uitvoert.
• Bij de trainers speel je zo snel mogelijk vragen over een onderwerp weg.
• In de case adviseer je een klant over de juiste behandeling of het juiste product.
• De factcards bieden overzicht: alle informatie over een onderwerp of behandeling staat bij elkaar.
Om gebruik te maken van Hair Level online heb je een licentie nodig.
Verwijzingen
In de boeken vind je verwijzingen naar Hair Level online. Bij elke verwijzing staat een snelcode. Als je deze invult in de zoekfunctie van de online omgeving, kom je bij het betreffende onderdeel terecht.
Test je kennis over de techniek éénlengtelijn.
Snelcode 1 2 3 4 5
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Snelcode 1 2 3 4 5
Het vak voor iedereen
Wij vinden het belangrijk dat iedereen zich kan herkennen in onze methode, ongeacht geslacht, leeftijd en achtergrond. Wij hebben hiermee in zowel afbeeldingen als schrijfstijl zo veel mogelijk rekening gehouden. Daar waar hij/zij of hem/haar is geschreven, kan ook hen/die worden gelezen.



1.1
1.2 Jij als kapper 15
1.2.1 Sociale vaardigheden 15
1.2.2 Persoonlijke eigenschappen 16
1.3 Veelgebruikte materialen 17
1.4 Collectieve arbeidsovereenkomst en huisregels
1.4.1 Collectieve arbeidsovereenkomst
1.4.2 Huishoudelijk reglement 20
2.1
2.1.1
2.1.2
2.2 Adviesgesprek 28
2.2.1 Opbouw adviesgesprek 28
2.3 Verkoopgesprek 30
2.3.1
2.4 Klachtgesprek
2.4.1
2.4.2



4.1 De huid 53
4.1.1 Cellen en groei 53
4.1.2 Opbouw van de huidlagen 54
4.2 Het haar 58
4.2.1 Opbouw van het haar 58
4.2.2 Groeicyclus 61
4.2.3 Eigenschappen van het haar 62
4.2.4 Technische aspecten van het haar
5.1 Wassen 83
5.1.1 Wastechnieken 84
5.1.2 Shampoo 86
5.2 Masseren 89
5.2.1 Massagerichting 90
5.2.2 Massagesnelheid 90
5.2.3 Druk 91
5.2.4 Massagetechnieken 91
4.2.5 Soorten haar 67
4.3 Conditie haar- en hoofdhuid 69
4.3.1 Vet haar en vette hoofdhuid 69
4.3.2 Poreus en beschadigd haar 70
4.3.3 Gespleten haarpunten 70
4.3.4 Gevoelige hoofdhuid 71
4.4 Haar- en hoofdhuidaandoeningen 73
4.4.1 Endogene factoren 73
4.4.2 Exogene factoren 74
4.4.3 Veelvoorkomende haar- en 75 hoofdhuidaandoeningen 63
5.3 Was-en massagebehandeling
5.3.1 Benodigdheden 95
5.3.2 Wasbehandeling uitvoeren 98
5.3.3 Massagebehandeling uitvoeren
6.1 Föhntechnieken 105
6.1.1 Föhnen zonder borstels 105
6.1.2 Föhnen met borstels 107
6.1.3 Technische aspecten van het haar
6.2 Föhnbehandeling uitvoeren 108
6.2.1 Benodigdheden 108
6.2.2 Stappenplan föhnbehandelingen 111
6.2.3 Aandachtspunten 112 94 100 107
7.1 Benodigdheden 117
7.1.1 Materialen 117
7.1.2 Gereedschappen 117
7.2 Een passende coupe 122
7.2.1 De vorm van een coupe 123
7.2.2 Herkenningspunten van het hoofd
7.2.3 De basisstappen van een coupe
9.1 De techniek toenemende lengten
9.1.1 Projectiehoek 156
9.1.2 Vaste of mobiele gidslijn 156
9.1.3 Meerdere gidslijnen 156
9.1.4 Variaties 157
9.2 Toenemende lengten toepassen
9.2.1 Benodigdheden 157
7.3 Scheidingen trekken en 126 afdelingen maken
7.3.1 Scheidingen 126
7.3.2 Afdeeltechnieken 127
7.4 Passé opnemen 130
7.4.1 Projectie 130
7.4.2 Verplaatsing 131
7.4.3 Aandachtspunten 131
7.5 Basis- en gidslijn 135
7.5.1 Basislijn knippen 135
7.5.2 Gidslijn gebruiken 135
7.6 Coupe knippen 136
7.6.1 Werkwijzen voor knippen 136
7.6.2 De kappersschaar 138
7.6.3 Kam en schaar in ruststand 140
7.7 Coupe afwerken 141
7.8 Coupe controleren 141
8.1 De techniek éénlengtelijn 145
8.2 Eénlengtelijn toepassen 147
8.2.1 Benodigdheden 147
8.2.2 Stappenplan 148
8.2.3 Aandachtspunten 150 124 124
9.2.2 Stappenplan 158
9.2.3 Aandachtspunten 159
10.1 De techniek gelijke lengten 163 10.2 Gelijke lengten toepassen 164
10.2.1 Benodigdheden 164
10.2.2 Stappenplan 164
10.2.3 Aandachtspunten 165
11.1 De techniek afnemende lengten
11.1.1 Mobiele of vaste gidslijn 172
11.2 Afnemende lengten toepassen
11.2.1 Benodigdheden 173 11.2.2 Stappenplan 174 11.2.3 Aandachtspunten 174
12.1 Basistechnieken combineren
12.1.1 Verschillen en overeenkomsten
12.2 Combinatietechnieken uitvoeren 12.2.1 Benodigdheden
12.2.3 Aandachtspunten
13.1 Technieken voor pony en lok
13.1.1 Afdeeltechnieken 190
13.2 Pony en lok creëren 191
13.2.1 Benodigdheden 191
13.2.2 Stappenplan 191
13.2.3 Aandachtspunten 193
14.1 Effileren 197
14.1.1 Manieren voor effileren 197
14.1.2 Effileren met schaar 197
14.2 Effilatietechnieken 198
14.2.1 Inknippen 198
14.2.2 Slicen 198
14.3 Effilatietechnieken met 199 schaar uitvoeren
14.3.1 Benodigdheden 199
14.3.2 Stappenplan 200
14.3.3 Aandachtspunten 201
15.1 Kleurproducten 205
15.2 Bestanddelen van kleurproducten
15.2.1 Waterstofperoxide 207
15.2.2 Antioxidanten 208
15.2.3 Alkaliën 208
15.2.4 Persulfaten 209
15.3 Tijdelijke kleurproducten 210
15.3.1 Kleurversteviging 210
15.3.2 Kleurspoeling 211
15.3.3 Semipermanente kleuring 211
15.4 Blijvende kleurproducten 212
15.4.1 Oxidatiekleuring 212
15.4.2 Extra verhelderende kleuring 212
15.4.3 Ontkleuring 213
15.4.4 Henna 214
15.5 Nabehandelingsproducten 215 189 206
16.1 Totaalkleuringen
16.1.1 Uitgroeibehandeling
16.1.2 Kleurverandering
16.2 Deelkleuringen
16.3 Voorbehandelingsmethoden 16.3.1 Ontkleuren 226 16.3.2 Reduceren
16.3.3 Voorpigmenteren 228
16.3.4 Voorbehandelen met een 229 verzorgend product
Kleurresultaten
Kleurcorrecties
Kleurkarakter

















1.1 Functies in de salon
1.2 Jij als kapper
1.2.1 Sociale vaardigheden
1.2.2 Persoonlijke eigenschappen
1.3 Veelgebruikte materialen
1.4 Collectieve arbeidsovereenkomst en huisregels
1.4.1 Collectieve arbeidsovereenkomst
1.4.2 Huishoudelijk reglement

Geen dag is hetzelfde in de kapsalon. Iedere dag krijg je andere klanten in de salon, die je verschillende behandelingen geeft. Denk bijvoorbeeld aan wassen, knippen, snijden, föhnen, omvormen en kleuren. Naast deze werkzaamheden ben je ook bezig met het maken van afspraken, afrekenen en het schoonhouden van de salon.
Het is voor een kapper niet alleen belangrijk om de behandelingen goed uit te voeren. Je moet ook de klanten op de juiste manier te woord staan en op een goede manier met je collega’s samenwerken. In dit hoofdstuk leer je wat het werk van een kapper inhoudt en welke eigenschappen je daarvoor nodig hebt. Ook leer je welke afspraken er worden gemaakt en aan welke regels jij je moet houden.
In een salon zijn er verschillende functies en verantwoordelijkheden. Welke taken je precies uitvoert, hangt af van de functie die je hebt. Binnen de salon kom je de volgende functies tegen: salonassistent, junior stylist, haarstylist dame, haarstylist heer, topstylist en salonmanager.
Salonassistent
Als salonassistent heb je een ondersteunende functie. Je ontvangt klanten, maakt afspraken en geeft advies over verzorgingsproducten. Ook help je je collega’s. Je zet bijvoorbeeld producten en materialen klaar, wast het haar en brengt kleurproducten en permanentvloeistoffen aan. Verder zorg je ervoor dat de salon er schoon en netjes uitziet.
Junior stylist
Als junior stylist heb je een ondersteunende functie. Een van je taken is het wassen van het haar. Ook zet je producten en materialen klaar, ruim je ze op en desinfecteer je ze als dat nodig is.
Naast het ondersteunen voer je ook vaktechnieken uit onder begeleiding van een haarstylist of salonmanager. Als je begint met werken in de salon, mag je nog niet zo veel vaktechnieken uitvoeren. Wanneer je langer in de salon werkt, word je steeds zelfstandiger. Dan mag je bijvoorbeeld ook knippen en het haar in model föhnen.
Haarstylist dame
Als haarstylist dame heb je een zelfstandige functie. Je voert alle vaktechnieken zelfstandig uit. Naast de vaardigheden die je als junior stylist moet beheersen, zijn er nog enkele aanvullende vaktechnieken. De vaktechnieken die je als haarstylist dame moet beheersen, zijn: knippen en snijden van het haar, kleuren en ontkleuren, tijdelijk omvormen, blijvend omvormen voorbereiden, vlechten en opsteken. Ook adviseer je de klant over behandelingen en haarverzorging.
Het kappersvak kan lichamelijk zwaar zijn. Je loopt en staat veel, en je werkt de hele dag met je handen. Daarom is het belangrijk dat je een juiste houding aanneemt. Bekijk online in de les Gezond en veilig werken 2 (snelcode 10001) hoe je dit doet.

Haarstylist heer
Als haarstylist heer heb je een zelfstandige functie en voer je alle vaktechnieken zelfstandig uit. Naast de vaardigheden die je als junior stylist moet beheersen, zijn er nog enkele aanvullende vaktechnieken. De vaktechnieken die je als haarstylist heer moet beheersen, zijn: knippen, snijden en föhnen van het haar in gedekt model, knippen en stylen van het haar in kort model, gezichtshaar verzorgen en vormen. Ook adviseer je over behandelingen en haarverzorging.
Topstylist
Als topstylist heb je een zelfstandige functie. Je voert alle vaktechnieken zelfstandig uit. Ook adviseer je collega’s bij vaktechnische problemen.
Je leert collega’s nieuwe en bestaande vaktechnieken aan. Verder zorg je voor kwaliteit in de salon.
Salonmanager
Als salonmanager heb je een leidinggevende functie. De meeste tijd besteed je aan de bedrijfsvoering, de administratie en het personeelsbeleid. Je houdt trends in de gaten en zorgt ervoor dat er trainingen voor je personeel worden ingepland. Ook voer je zelfstandig vaktechnische handelingen uit en geef je dagelijks leiding aan de medewerkers in de salon.

Het is belangrijk dat jij als kapper goed bent in je vak. Daar hoort ook een passende beroepshouding bij. Je beroepshouding is de manier waarop je je gedraagt op de werkvloer. Denk aan de manier waarop je vaktechnieken uitvoert, maar ook aan hoe je samenwerkt met collega’s. Hoe je dat doet, hangt af van je eigen sociale vaardigheden en je persoonlijke eigenschappen. Ook houd je rekening met de regels in de salon waar je werkt.
1.2.1
Klanten kiezen er niet altijd voor om bij je terug te komen. Of ze terugkomen, laten ze afhangen van het resultaat van een behandeling. Maar ook van de manier waarop jij naar ze luistert en daarmee zorgt voor een fijne omgang.
Het is dus belangrijk dat jij zorgt voor een goede klik. Als jij sociale vaardigheden bezit, dan zul je zien dat klanten zich sneller op hun gemak voelen en bij je terugkomen. Er is niet alleen een fijne klik nodig met je klanten, maar ook met je collega’s. Als het contact met je collega’s prettig is, ga je vaak ook met meer plezier naar je werk. Ook maakt het de samenwerking met collega’s leuker.
Niet iedereen vindt het makkelijk om sociale vaardigheden toe te passen. Probeer altijd goed te luisteren naar je collega of klant. Zorg er ook voor dat je beleefd en vriendelijk overkomt, interesse toont en vragen stelt, en dat je op een duidelijke manier iets kunt vertellen.
Communiceren is het uitwisselen van informatie. Hierbij zijn er altijd een zender en een ontvanger. Communicatie is heel belangrijk in het kappersvak. Zo ben je tijdens een afspraak met een klant altijd bezig met zenden en ontvangen.

Bij het zenden leg je de klant bijvoorbeeld iets uit of stel je de klant een vraag. Je ontvangt informatie als de klant jou iets vertelt over zijn of haar wens. Ook in gesprekken met je collega’s ben je de ene keer aan het zenden en de andere keer aan het ontvangen.
In het hoofdstuk Communicatie lees je meer over communiceren met de klant.

Persoonlijke eigenschappen zeggen iets over hoe je bent als persoon. De ene persoon is heel enthousiast, een ander is heel zorgzaam. Andere voorbeelden van persoonlijke eigenschappen zijn flexibel, eerlijk, geduldig of creatief. Voor een kapper zijn de volgende persoonlijke eigenschappen belangrijk:
• Je bent sociaal. Dat betekent dat je goed met andere mensen kunt omgaan, zoals je collega’s en de klanten.
• Je bent klantgericht. Je zorgt ervoor dat klanten tevreden zijn en dat vind je leuk om te doen.
Het is belangrijk om te leren dat je tevreden bent als de klant dat ook is.
• Je gedraagt je verantwoordelijk. Je zorgt ervoor dat jouw werk goed verloopt. Als dat niet lukt, ben je daar eerlijk over en vraag je hulp.
• Je bent zorgvuldig. Je besteedt veel aandacht aan je werk.
• Je bent resultaatgericht. Je doet je uiterste best om het beste resultaat te krijgen, zodat de klant tevreden de deur uit gaat.
Een persoonlijke eigenschap kan ook te veel aanwezig zijn. Dit noem je een valkuil. Als je bijvoorbeeld te resultaatgericht bent, zit de klant uren in de stoel voordat je eindelijk tevreden bent over het resultaat. Het is dan belangrijk om te leren dat je tevreden bent als de klant dat ook is.
Je voert verschillende behandelingen uit bij klanten. De ene klant wil alleen geknipt worden, terwijl de andere klant een behandeling met knippen, kleuren en omvormen wil. Voor elke behandeling gebruik je specifieke materialen, maar er zijn ook materialen die je bij bijna elke behandeling gebruikt.
Afdeelklemmen gebruik je om het haar te verdelen. Met afdeelklemmen kun je haarpartijen vastzetten, zodat je het haar nauwkeurig en overzichtelijk kunt knippen. Je kunt plastic of metalen afdeelklemmen gebruiken. Je gebruikt ze meestal bij een haarlengte vanaf ongeveer 10 centimeter.
De kapmantel doe je bij de klant om voordat je begint met een behandeling. Hiermee bescherm je de kleding van de klant tegen losse haren en chemische stoffen.
Een handdoek zorgt ervoor dat de kapmantel en de kleding van de klant niet nat worden. Voordat je het haar gaat wassen, leg je een schone handdoek over de schouders van de klant en zet je deze vast met een klem. Voordat je gaat knippen of snijden haal je de handdoek weer weg.
Je kunt een knipkraag gebruiken bij het knippen van lang haar. Je plaatst de knipkraag over de kapmantel. Zo voorkom je dat je in de kapmantel knipt.
Knipkraag


































































Naast de kapmantel zorgt een halskraag of boord ervoor dat er nog minder haar op of tussen de kleding van de klant komt. Ook gebruik je een halskraag vanuit hygiënisch oogpunt. Je doet de halskraag om voordat je begint met knippen. Plaats de kraag tussen de kapmantel en de huid. Vouw de kraag over de rand van de kapmantel heen. De halskraag is van papier. Je kunt deze na gebruik weggooien.
Knippen of snijden doe je meestal in handdoekdroog haar. Tijdens de behandeling kan het haar snel opdrogen. Gebruik een waterspuit om het haar weer nat te maken.
Nadat je klaar bent met knippen of snijden, verwijder je de losse haartjes uit het gezicht en de nek van de klant. Dit doe je met een nekkwast. Nekkwasten zijn verkrijgbaar in verschillende maten en met verschillende soorten haar. Omdat het fijn is als de kwast zacht is, is deze meestal voorzien van varkenshaar. Varkenshaar heeft een gespleten punt, waardoor het zacht aanvoelt.
Voor een goede werkhouding is het belangrijk dat je op de juiste hoogte werkt. Omdat niet iedere klant even lang is, gebruik je een pompstoel. Dit is een stoel waar de klant op zit. De stoel is draaibaar en in hoogte verstelbaar. Je kunt de hoogte instellen met een voethendel.
Halskraag









































































Kappersfiets met fietszadel

Op een kappersfiets kun je zitten, maar ook staand-steunend werken. Hiermee kun je je werkhouding afwisselen. Je kunt kiezen voor een kappersfiets met fietszadel


Kappersfiets met ponyzadel
Je kunt er ook voor kiezen om een kappersfiets met ponyzadel te gebruiken. Het ponyzadel geeft meer steun dan het fietszadel.






Borstel en kam om te ontwarren





Voorafgaand aan een behandeling gebruik je altijd een borstel of kam om het haar te ontwarren. Gebruik hiervoor een borstel met een holle of bolle spiegel. De haren van deze borstels staan wat meer uit elkaar, waardoor het makkelijker is om het haar te ontwarren. Gebruik je liever een kam, dan kies je voor een grove kam.





Werkwagen




Op je werkwagen liggen alle materialen en producten die je nodig hebt bij de behandelingen. Je kunt deze wagen er makkelijk bij pakken.
Elke salon heeft een collectieve arbeidsovereenkomst en een huishoudelijk reglement. Hierin zijn de rechten en plichten beschreven die jij als werknemer hebt. Je vindt hierin ook de verantwoordelijkheden waaraan je werkgever zich moet houden. Het is belangrijk dat je op de hoogte bent van deze documenten.
1.4.1 Collectieve arbeidsovereenkomst
In de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) staan afspraken tussen werkgevers en werknemers over het werk. Zo vind je in de overeenkomst afspraken over salaris, werktijden, werkomstandigheden en verlofregelingen. Ook afspraken over veilig en gezond werken zijn beschreven in de cao.
Afspraken die in de cao staan, worden per vakgebied gemaakt. Dat betekent dat de afspraken in de cao voor het kappersbedrijf gelden voor alle kappers in Nederland. Deze afspraken geven jou als werknemer zekerheid. Een werkgever is namelijk verplicht zich aan deze afspraken te houden.
De afspraken en regels in het huishoudelijk reglement mogen niet ingaan tegen de afspraken die in de cao zijn gemaakt.
Voorbeelden uit de cao
Het is goed om de hele cao een keer door te lezen, zodat je op de hoogte bent van de afspraken die daarin staan.
Je kunt de volgende afspraken in een cao tegenkomen:
• De werktijden liggen tussen 7.00 uur en 21.00 uur.
• Als je langer dan 8 uur per dag moet werken, krijg je een maaltijd van de werkgever.
• Je krijgt meer salaris als je op feestdagen werkt.
• Het werkrooster moet op een vaste plek hangen.
• De werkgever mag maximaal één verplichte training per week geven aan zijn werknemers.
Bijna elke salon heeft naast de cao ook een huishoudelijk reglement. Hierin zijn, aanvullend op de cao, de huisregels van de salon beschreven. Denk bijvoorbeeld aan afspraken en regels over wat er van de werknemer wordt verwacht en hoe de werknemer zich op de werkvloer moet gedragen. Ook staat er vaak in hoe er in een salon gewerkt wordt. De afspraken die in de cao zijn vastgelegd, moeten altijd worden nagekomen. De afspraken en regels in het huishoudelijk reglement mogen daarom niet ingaan tegen de afspraken die in de cao zijn gemaakt.
Regels over het omgaan met de klant
In een huishoudelijk reglement zijn vaak regels beschreven over het omgaan met de klant. Deze regels zorgen ervoor dat de klant prettig bij jou in de stoel zit. Je kunt bijvoorbeeld denken aan regels over:
• hoe je de klant ontvangt;
• wat je wel en juist niet bespreekt met de klant voor en tijdens de behandeling;
• hoe je klachten afhandelt.
Regels in de salon
In het huishoudelijk reglement vind je ook regels die gaan over praktische zaken in de salon. Denk bijvoorbeeld aan:
• wat de werktijden zijn;
• hoe je je ziek moet melden;
• waar de nooduitgang zich bevindt;
• waar je de EHBO-doos kunt vinden;
• wat je doet bij een ongeluk.
Verder vind je in het huishoudelijk reglement regels over wat je wel en niet doet binnen de salon en welke afspraken er zijn over het schoonmaken van de salon.
Persoonlijke presentatie
Je vindt in het reglement ook regels over jou als kapper. Werkgevers vinden het belangrijk dat kappers een goede indruk maken op de klant. Uiterlijk speelt hierbij een grote rol. Het is daarom belangrijk dat je een verzorgde indruk maakt. Ook is het belangrijk om gezond en veilig te werken. Zo kunnen er regels zijn over:
• de kleding die je draagt in de salon;
• je persoonlijke verzorging;
• je taalgebruik;
• je houding.



















2.1 Klanttypen
2.1.1 Karakter
2.1.2 Persoonlijkheidstypen
2.2 Adviesgesprek
2.3 Verkoopgesprek
2.3.1 Opbouw van een verkoopgesprek
2.4 Klachtgesprek
2.4.1 Belang van goede klachtafhandeling
2.4.2 Opbouw van een klachtgesprek

Je bent bezig met een behandeling bij een klant als er iemand de salon binnenstapt. Je vraagt of je hem kunt helpen en hij zegt dat hij graag geknipt wil worden. Je geeft aan dat er nog twee wachtenden voor hem zijn en dat hij mag plaatsnemen in de wachtruimte.
Je richt je weer op het gesprek dat je met de klant hebt.
Aan het begin van de middag bevestig je telefonisch een aantal afspraken en stuur je enkele herinneringen voor afspraken per e-mail. Naast een behandeling uitvoeren vormt communiceren dus een belangrijk onderdeel van je werk als kapper.
In de salon kun je met allerlei soorten klanten te maken krijgen. Met sommige klanten kun je gemakkelijk communiceren, terwijl het bij andere klanten moeilijker zal zijn om een gesprek te voeren. In dit hoofdstuk leer je meer over klanttypen en hoe je daarmee kunt omgaan. Ook leer je meer over de verschillende gesprekken die je met de klanten voert. Een verkoopgesprek verloopt bijvoorbeeld anders dan een klachtgesprek.
Elke dag heb je te maken met verschillende typen klanten in de salon. De ene klant vindt het leuk om te kletsen tijdens de behandeling, terwijl de andere klant liever stil is. Ook weten sommige klanten heel goed wat ze willen, terwijl andere klanten geen keuzes durven te maken. Dit heeft te maken met het karakter en de persoonlijkheid van een klant. Het is handig om de verschillende typen klanten te herkennen, zodat je je gesprek en de behandeling hierop kunt aanpassen.
De manier waarop iemand in verschillende situaties reageert, wordt voor een deel bepaald door het karakter. Er zijn verschillende soorten karakters, waaronder:
• extravert
• introvert
• dominant
• subdominant
Extravert en introvert
Een extravert persoon richt zich op mensen. Hij/zij vindt het leuk om activiteiten te doen en dingen te ondernemen. Een extravert persoon is vol energie, enthousiast, houdt van actie, praat veel en komt voor zichzelf op. Een introvert persoon is daarentegen vaak wat stiller. Hij/zij richt zich meer op eigen gedachten, gevoelens en ideeën.
Extravert en introvert worden vaak tegenover elkaar gezet, net als dominant en subdominant.
Een introvert persoon is wel sociaal, maar is minder opvallend aanwezig dan een extravert persoon.
Dominant en subdominant
Een dominant persoon kun je omschrijven als onafhankelijk. Deze persoon vraagt niet veel en geeft je de indruk dat hij/zij weet waar hij/zij over praat. Een dominant persoon heeft een duidelijke mening en weet goed wat hij/zij wil. Daartegenover staat een subdominant persoon. Een subdominant persoon stelt zich juist afhankelijk op en kan zelfs onderdanig zijn. Deze persoon heeft geen uitgesproken mening en twijfelt vaak.
De manier waarop iemand in verschillende situaties reageert, wordt voor een deel bepaald door het karakter.

Een persoonlijkheid is een combinatie van allerlei karaktereigenschappen. Omdat er veel verschillende karaktereigenschappen zijn, zijn er meerdere combinaties mogelijk. Al die combinaties zorgen voor verschillende persoonlijkheden die mensen uniek maken. Je kunt dan ook onmogelijk bij elke klant de persoonlijkheid herkennen. Toch zijn er persoonlijkheidstypen die je zou kunnen herkennen in de salon. Door in te schatten wat het persoonlijkheidstype van een klant is, kun je de klant helpen op een manier die bij hem of haar past. Je zult elkaar dan beter begrijpen, wat zorgt voor een betere klik.
Extravert-dominant
Deze klant zit vol energie en is zelfverzekerd. Hij/zij vindt het leuk om nieuwe coupes te proberen. Maar als de klant een coupe niet mooi vindt, zal hij/zij je dit ook laten weten. Je kunt deze klant goed helpen door vooraf de behandeling door te spreken en dit vast te leggen in het Diagnose, Advies en Behandelplan (DAB-plan). Een kenmerk van deze klant is dat hij/ zij niet zo goed luistert. Stel daarom veel controlevragen waarin je de klantwens herhaalt. Geef de klant het gevoel dat hij/zij belangrijk is, want deze klant staat graag in de belangstelling.
In hoofdstuk 3 Behandelingen: de basis lees je meer over het DAB-plan.

Extravert-subdominant
Deze klant is altijd in voor een gesprek. Hij/zij is geïnteresseerd, vriendelijk en lacht veel. Je herkent hierin het extraverte karakter. Maar deze klant kan vaak niet kiezen en durft ook geen risico’s te nemen. Daarin zie je het subdominante karakter terugkomen. Je kunt deze klant helpen door hem/haar te ondersteunen bij het maken van een keuze waar de klant zelf achter staat.
Introvert-dominant
Deze klant is rustig, zakelijk en gesloten. Hij/zij zal je goed in de gaten houden als je aan het werk bent om te controleren of je het naar wens doet. Deze klant vindt het belangrijk dat je netjes en volgens de regels werkt. Hij/zij verwacht van jou als kapper dat je zelfvertrouwen uitstraalt en dat je duidelijke adviezen geeft. Als jij twijfelt, zal deze klant zich afvragen of je wel voldoende kwaliteiten hebt om hem/haar goed te helpen. Deze klant neemt zelf een duidelijke beslissing over de behandeling die moet worden uitgevoerd. Je kunt deze klant helpen door goed naar de wensen van de klant te vragen. Vraag door als je twijfelt.
Introvert-subdominant
Net als de extravert-subdominante klant durft deze klant weinig risico’s te nemen als het gaat om de coupe. Deze klant praat weinig en heeft een zachte, eentonige stem. De klant is praktisch, zuinig en toont niet veel emoties. Hij/zij hoort graag dingen als ‘deze coupe is gemakkelijk te onderhouden’.
Jouw persoonlijkheid
Ook jouw persoonlijkheid speelt mee in de omgang met klanten. Misschien herken je jezelf wel in een van de genoemde persoonlijkheden.
Je kunt het bijvoorbeeld lastig vinden keuzes te maken. Maar als jij besluiteloos bent en jouw klant kan ook geen keuzes maken, dan is het moeilijk om samen tot een beslissing te komen over de behandeling. Of misschien ben je zelf wel extravert. Een introverte klant zou zich dan aan jouw geklets kunnen storen. Ben je een dominante kapper en is de klant subdominant?
Dan kan het zijn dat je bazig overkomt en het voor de klant voelt alsof de behandeling wordt opgedrongen. Het is daarom belangrijk dat je weet wat jouw persoonlijkheid is. Zo kun je daarmee rekening houden in de omgang met klanten.
Het is belangrijk om te weten wat jouw persoonlijkheid is, zodat je daarmee rekening kunt houden in de omgang met klanten.

Tijdens een adviesgesprek geef je de klant advies over bijvoorbeeld een behandeling, een product of een manier van stylen. Het is belangrijk om zowel voor, tijdens als na de behandeling advies te geven. Voor de behandeling wil je weten wat de klantwens is en hoe je daaraan kunt voldoen. Tijdens de behandeling leg je uit wat je doet en waarom je het zo doet. Zo geef je de klant de ruimte om aan te geven of hij/ zij het ergens niet mee eens is. Geef na de behandeling ook advies over hoe de klant een bepaalde look thuis kan maken. Je kunt hierbij producten adviseren. Zo zorg je ervoor dat je goed aansluit bij de wens van de klant, waardoor de kans groter is dat de klant tevreden naar buiten stapt.
Een adviesgesprek bouw je op volgens een vaste structuur. Dit zorgt ervoor dat je zelf het gesprek kunt sturen. Gebruik hiervoor het VOCATIO-model. Het gehele model bestaat uit zeven fasen:
1. Verkennen
2. Omschrijven van het klantprobleem
3. Confronteren
4. Argumenteren
5. Tegenargumenten
6. Instemming krijgen
7. Opdracht krijgen
De eerste vier fasen van het model gebruik je bij een adviesgesprek en worden in deze paragraaf toegelicht. De laatste drie fasen komen terug bij de paragraaf ‘Verkoopgesprek’.

In elk klantgesprek kun je gebruikmaken van de LSD-methode. LSD staat voor luisteren, samenvatten en doorvragen. Je luistert eerst naar je klant, dan vat je samen wat je hebt gehoord en vervolgens vraag je door. Deze drie technieken zijn belangrijk om in een gesprek de klant goed te kunnen begrijpen.
Bekijk de uitleg van LSD online.
Snelcode 1 3 1 5 1
Niet elke klant heeft advies nodig. Vaste klanten weten vaak precies wat ze willen. Je kunt dan direct starten met de behandeling.
Verkennen
In de eerste fase zoek je uit wat het probleem of de wens van de klant is. Dit doe je door vragen te stellen. Om de meeste informatie te verzamelen, kun je het beste open vragen stellen zoals: ‘Wat wil je dat een product doet voor je haar?’ Je kunt ook vragen over de situatie stellen, bijvoorbeeld: ‘Wanneer heb je vooral last van droog haar?’ Deze fase voer je altijd uit voordat je begint met een behandeling, zodat je een goed beeld hebt van de wens van de klant.
Omschrijven van het klantprobleem
Na de verkenningsfase geef je in de tweede fase een samenvatting. Zorg ervoor dat je het probleem of de wens van de klant zo duidelijk mogelijk omschrijft. Zeg bijvoorbeeld: ‘Je geeft aan dat je last hebt van droge punten en dat je haar daar pluizig wordt. Je bent op zoek naar een product of behandeling om dit te verhelpen en waar je mooi glanzend haar van krijgt.’
Vraag altijd aan de klant of je het zo goed hebt verwoord.
Confronteren
Nu het probleem of de wens duidelijk is, kun je in de derde fase een oplossing bieden. Leg uit op welke manier deze oplossing aansluit bij de wensen en behoeften van de klant. Bijvoorbeeld: ‘Dit product helpt tegen de droge punten waar je last van hebt. Het geeft het haar een mooie glans. Je gaf aan dat je dat graag wilde.’ Je kunt in deze fase ook meerdere producten adviseren, bijvoorbeeld in verschillende prijscategorieën. Het helpt als je de koopmotieven van de klant kent, zodat je daarop kunt aansluiten.
Argumenteren
Je hebt de klant verschillende oplossingen geboden. Nu ga je in de vierde fase uitleggen welke oplossing volgens jou het beste past. Je geeft argumenten waarom je juist voor deze oplossing hebt gekozen. Ga hierbij in op de wensen en behoeften van de klant. Gebruik je vakkennis en de kennis die je in het gesprek hebt opgedaan over de klant. Zeg bijvoorbeeld: ‘Dit product werkt hydraterend, brengt het vochtgehalte en de pH-waarde in balans en geeft ook glans.’
Nadat je de vier fasen hebt doorlopen, is de klant aan de beurt. Als de klant tevreden is met je advies, kun je verdergaan met het gesprek. Je gaat dan van het adviesgesprek over naar het verkoopgesprek. Als de klant alleen een advies van je wil, stopt het gesprek hier en nemen jullie afscheid.
Door vragen te stellen als ‘toch?’ of ‘klopt dit?’, kun je controleren of je op één lijn zit met de klant.

Het is voor een salon belangrijk om behandelingen en producten te verkopen. Als je behandelingen en producten verkoopt die aan de wensen en behoeften van de klant voldoen, draagt het bij aan de klanttevredenheid. Ook verhoogt dit de omzet van de salon. Het verkopen van behandelingen en producten doe je in een verkoopgesprek
2.3.1 Opbouw van een verkoopgesprek
In het adviesgesprek heb je de eerste vier fasen van het VOCATIO-model doorlopen. Eerst heb je in de verkennende fase onderzocht wat de klantwens is. Die heb je in de volgende fase van het gesprek duidelijk omschreven. Daarna heb je een advies en een prijsindicatie gegeven en heb je uitgelegd waarom je dat advies geeft. Als de klant verder in gesprek wil, ga je het verkoopgesprek in. Daarin doorloop je de laatste drie fasen van het VOCATIO-model: tegenargumenten opvangen en ombuigen, instemming krijgen en opdracht krijgen.
Tegenargumenten opvangen en ombuigen Nadat je hebt uitgelegd waarom je een bepaald advies hebt gegeven, is het de beurt aan de klant. Het is mogelijk dat de klant tegenargumenten noemt op jouw argumenten. Een tegenargument is een reden voor de klant om de behandeling of het product niet af te nemen. Het is belangrijk dat je deze tegenargumenten serieus neemt, maar ook dat je ze probeert om te buigen. Leg bijvoorbeeld opnieuw uit waarom je tot je advies bent gekomen. Dat kan lastig zijn, maar het is zonde als de klant
aan zijn/haar argumenten vast blijft houden en van de aankoop afziet. Een tegenargument is vaak een uitstel van de aankoop. Als de klant de behandeling of het product echt niet zou willen, had de klant er al voor bedankt. Gebruik zoveel verkoopmotieven als je nodig hebt om de tegenargumenten van de klant om te buigen. Doe dit altijd op een vriendelijke manier. Het is belangrijk dat je aanvoelt hoe ver je kunt gaan bij een klant en wat je dus wel en niet kunt zeggen.
Gebruik zo veel verkoopmotieven als je nodig hebt om de tegenwerpingen van de klant om te buigen.


Een koopmotief is een reden waarom een klant iets wil kopen.
Instemming krijgen
In de zesde fase let je op de koopsignalen van de klant. Als je de tegenargumenten van de klant hebt omgebogen en hij/zij is nog steeds geïnteresseerd, dan merk je dat aan de houding van de klant en aan wat de klant zegt. De klant heeft dan een open houding en kijkt je vriendelijk aan. Ook spreekt de klant positief over de behandeling of het product. Op dat moment kun je bij de klant doorvragen of hij/zij de behandeling of het product wil afnemen.
Opdracht krijgen
Als de klant instemt met je voorstel, dan heb je de opdracht gekregen. Maak de verkoop rond door het product af te rekenen, de behandeling in te plannen of een nieuwe afspraak te maken. Een verkoopgesprek is dus geslaagd als je de opdracht hebt gekregen.
• Gemak: de klant vindt het fijn om tijdens de behandeling een verzorgend haarmasker te krijgen, zodat hij/zij het zelf niet meer hoeft te doen.
• Kwaliteit: de klant heeft goede ervaringen met bepaalde producten die hij/zij in de salon koopt.
• Persoonlijk contact: de klant komt al jaren bij je in de salon en je hebt een goede relatie met hem/haar opgebouwd. De klant vertrouwt op je advies en neemt daarom behandelingen en producten bij je af.
• Reputatie: de klant vindt het belangrijk om een goede reputatie te hebben. Hij/zij gebruikt de beste en nieuwste producten. Als je iets nieuws in het assortiment hebt, zal de klant de nieuwe producten zeker kopen.
• Prijs: de klant vindt dat een behandeling of product niet te veel mag kosten. Hij/zij houdt daarom goed in de gaten of je acties in de salon hebt.
Je doet je werk goed als je klanten tevreden de salon verlaten. Maar niet alle klanten zijn tevreden. Het kan gebeuren dat een klant ontevreden is over de behandeling of over een aangeschaft product. De wensen en verwachtingen van de klant komen in zo’n geval niet overeen met het eindresultaat van de behandeling of met de werking van het product. Als dit het geval is, ga je hierover in gesprek met de klant.
Als een klant echt ontevreden is en geen klacht indient, is dat een negatief signaal. Die klant zal waarschijnlijk niet terugkomen in jouw salon. Het is een goed teken als de klant over de ontevredenheid wil praten. De kans is groot dat de klant na een goed gesprek wel zal terugkomen in jouw salon. Je kunt een klacht zien als een aanmoediging om je werkwijze of behandelingen te verbeteren.
2.4.1
Tevreden klanten delen hun positieve ervaring met anderen, maar ontevreden klanten delen hun negatieve ervaring met anderen. Het is daarom belangrijk om een klacht altijd serieus te nemen en erover in gesprek te gaan. Als je samen met de klant een oplossing vindt, gaat de klant vaak alsnog tevreden de deur uit. Hiermee heb je meer kans op positieve mond-tot-mondreclame. Ook voorkom je reputatieschade aan je salon.
2.4.2 Opbouw van een klachtgesprek
Tijdens het klachtgesprek is het belangrijk dat je goed luistert, samenvat en doorvraagt. Het klachtgesprek bestaat uit vijf fasen:
1. Luister en toon begrip.
2. Onderzoek de oorzaak van de klacht.
3. Bied een oplossing.
4. Vraag of de klant akkoord gaat.
5. Neem afscheid.
Luister en toon begrip
Een klacht krijgen is niet leuk, maar het is heel belangrijk dat je niet meteen in de verdediging schiet als de klant een klacht heeft. Laat de klant altijd eerst uitpraten en laat zien dat je luistert. Zorg er vooral voor dat de klant zich serieus genomen voelt. De klant neemt de moeite om erover in gesprek te gaan, dus het is belangrijk dat je laat zien dat je dit waardeert.
Toon begrip voor de emotie van de klant en vat dit samen in een reactie. Neem de tijd voor de klant en geef hem/haar de volle aandacht. Een klant voelt het aan als jij ondertussen met andere dingen bezig bent en zal zich dan niet serieus genomen voelen. Het is ook goed om je excuses aan te bieden.
Onderzoek de oorzaak van de klacht
Om erachter te komen waar de klacht precies over gaat, kun je de klant vragen stellen. Vraag net zolang door totdat je precies weet wat er aan de hand is.
Alleen dan kun je een passende oplossing bieden waar de klant tevreden over is.
TIP
De meeste salons hebben een klachtenprotocol. Hierin is tot in detail beschreven hoe je een klacht afhandelt.
Bied een oplossing
Je kunt ervoor kiezen om zelf een oplossing te bieden aan de klant. Je kunt er ook voor kiezen om te vragen welke oplossing de klant graag zou willen. Houd je bij een klachtgesprek altijd aan de regels van de salon.
Vraag of de klant akkoord gaat
Als je tot een oplossing bent gekomen, is het goed om aan de klant te vragen of dit de oplossing is waar de klant tevreden mee is. Vraag door als de klant nog twijfelt. Het is mogelijk dat de klant niet tevreden is en zelf een andere oplossing biedt. Hierbij is het belangrijk dat je altijd je eigen grenzen en die van de salon bewaakt.
Hoe ontevreden een klant ook is, je kunt niet altijd aan alle eisen tegemoetkomen.
Als je er zelf niet uit komt, kun je altijd hulp vragen aan je leidinggevende.
Neem afscheid
Als jullie beiden tevreden zijn over de oplossing, is het klachtgesprek geslaagd en kun je het gesprek beëindigen. Geef aan dat je het fijn vindt dat de klant de klacht heeft gemeld. Het is ook goed om te benadrukken dat het fijn is dat jullie er samen uit zijn gekomen, zodat je met een positief gevoel afscheid neemt van de klant.
Test je kennis over communicatie.
Snelcode 1 1 0 4 5
• Los een klacht zo snel mogelijk op. Lukt dit niet op korte termijn, spreek dan een datum af waarop het wel lukt, zodat de klant weet waar hij/zij aan toe is en dat jij eraan werkt.
• Neem na een paar weken contact op met de klant. Vraag of alles goed is gegaan. Vaak leidt dit contact tot een nieuwe afspraak. Een klacht kun je dus ook gebruiken als verkoopmoment.
• Heeft je salon een klachtenboek, noteer dan de klacht en wat jouw oplossing was. Zo houd je bij wat er gebeurd is en wie de klacht heeft behandeld.
Je kunt een klacht zien als een aanmoediging om je werkwijze of behandelingen te verbeteren.










3.1 Afspraak maken
3.1.1 Manieren voor het maken van een afspraak
3.1.2 Afspraak inplannen
3.2 Klant ontvangen
3.3 Diagnose stellen, advies geven en het behandelplan opstellen
3.3.1 Het DAB-plan
3.3.2 Een geslaagd advies
3.4 Behandeling uitvoeren
3.5 Klantgegevens invoeren
3.5.1 AVG
3.6 Afrekenen
3.6.1 Prijsopbouw van een behandeling
3.6.2 Manieren voor afrekenen
3.6.3 Productverkoop
3.7 Afscheid nemen
3.8 Opruimen en schoonmaken

Een behandeling begint niet pas op het moment dat je een schaar in het haar van de klant zet. Zodra de telefoon gaat en een klant een afspraak met jou wil maken, is de behandeling begonnen. Voor een klant is niet alleen het resultaat belangrijk, maar ook de ontvangst, de uitvoering en het afscheid. Blijf je klantvriendelijk en voer je je werk professioneel en vaktechnisch goed uit, dan is de kans groter dat een klant bij je terugkomt. Ook het stellen van een diagnose en het geven van een goed advies zijn belangrijke onderdelen van een behandeling. De behandeling is pas afgelopen als de klant de deur uit is en je de gebruikte producten en materialen hebt opgeruimd en schoongemaakt.
Hoe ontvang je een klant, hoe geef je advies over de gewenste coupe en hoe voer je klantgegevens in? In dit hoofdstuk leer je wat de onderdelen van een behandeling zijn en wat deze inhouden. Ook leer je hoe je een afspraak maakt, hoe je een behandeling uitvoert en wanneer je klaar bent voor de volgende klant.
Een behandeling begint met het maken van een afspraak. Salons gaan hier op verschillende manieren mee om. Sommige salons werken alleen op afspraak. In andere salons kunnen klanten binnenlopen en worden ze direct geholpen als er plek is.
Je bent dan flexibel voor de klant, maar het geeft de salon ook meer onzekerheid.
Je weet van tevoren niet hoe je dag eruit gaat zien en hoeveel personeel er nodig is.
De meeste salons werken met een combinatie van beide. De ingeplande afspraken geven zekerheid en daarnaast kun je ruimte vrijhouden voor binnenlopers.
Openingstijden
Salons hebben steeds vaker uiteenlopende openingstijden. Dit geldt vooral voor salons in grote steden. Soms zijn er zelfs meerdere avonden in de week waarop klanten bij de kapper terechtkunnen. Ook kunnen klanten steeds vaker een afspraak maken voor een behandeling op zondag.
3.1.1 Manieren voor het maken van een afspraak
Een klant kan op verschillende manieren een afspraak maken. Veel klanten maken tegenwoordig online een afspraak. Ook kiezen klanten er nog steeds voor om telefonisch een afspraak te maken of langs te komen in de salon. Vervolgafspraken kunnen ook gemaakt worden bij het afrekenen na een behandeling.
Online afspraak
Veel klanten kiezen ervoor om online een afspraak te maken. Een klant kan een afspraak maken via een online afsprakensysteem. Soms kan de klant ook een kapper kiezen die de behandeling uitvoert. Voor klanten is dit een snelle en makkelijke manier voor het maken van een afspraak.
Bij sommige salons kunnen klanten online een afspraak maken via een applicatie op de smartphone. De klant downloadt de app, kiest de salon en plant de afspraak in. Vaak zijn meerdere salons samen aangesloten bij zo’n app. Klanten kunnen dan kiezen bij welke salon zij een behandeling willen inplannen.
Een behandeling begint op het moment dat de klant een afspraak maakt.

Telefonische afspraak
Als de telefoon gaat, neem dan zo snel mogelijk op om ervoor te zorgen dat de klant niet lang hoeft te wachten.
Probeer de telefoon niet vaker dan vijf keer over te laten gaan. Begroet de klant en noem in de begroeting de naam van de salon. Als de klant een afspraak wil maken, is het belangrijk dat je:
• pen en papier bij de hand hebt of direct naar de computer loopt;
• de naam van de klant onthoudt;
• de klant netjes en zakelijk te woord staat, op een vriendelijke en duidelijke toon;
Blijf vriendelijk, maar zakelijk als klanten lang blijven praten. Keer ondertussen terug naar het onderwerp: het inplannen van de afspraak.
• de afspraak noteert in de (digitale) agenda, samen met het telefoonnummer of e-mailadres van de klant;
• het gesprek netjes afsluit door de afspraak te herhalen en afscheid te nemen.
Langskomen in de salon
Een klant kan er ook voor kiezen om langs te komen in de salon om een afspraak te maken. Als een klant de salon binnenkomt, zorg er dan voor dat je:
• een goede indruk maakt door te laten merken dat je de klant gezien hebt;
• zo snel mogelijk naar de klant toe loopt en de klant met wie je bezig bent niet in een ongemakkelijke situatie achterlaat.
Na een behandeling
Soms kiezen klanten ervoor om meteen een nieuwe afspraak te maken na afloop van een behandeling. Vaak zijn dit vaste klanten die weten waar ze aan toe zijn als ze in jouw salon een behandeling krijgen. Bij het maken van een vervolgafspraak kun je inspelen op zaken die je met de klant hebt besproken. Denk aan de wens om het haar eens te kleuren of om de pony schuin te knippen.
Houd bij het inplannen van een afspraak rekening met:
• de planning van de kapper door wie de klant geholpen wil worden;
• de behandeling die de klant wil en de duur ervan.
Als je de duur van de behandeling weet, kun je uitrekenen hoeveel tijd je voor de klant moet inplannen en of dit past in de planning van de kapper. Het verschilt per salon hoeveel tijd er voor een behandeling wordt uitgetrokken.
Bij het inplannen van een behandeling kun je de volgende stappen volgen:
1. Vraag welke behandeling de klant wil.
2. Vraag of de klant het haar ook gewassen en geföhnd wil hebben.
3. Vraag bij welke kapper de klant een behandeling wil plannen.
4. Vraag op welke datum en tijd de klant wil langskomen.
5. Houd rekening met de lengte van de behandeling en de tijd die nodig is om de coupe af te werken en geef dit door aan de klant.
6. Bedenk of je de behandeling kunt combineren: kun je bijvoorbeeld tijdens het inwerken van de haarverf een andere klant helpen?
7. Noteer de afspraak en geef de klant een samenvatting van de gemaakte afspraak.
Wachttijd en inwerktijd
Houd bij het inplannen van een afspraak altijd rekening met de wachttijd van klanten in de salon. Je wilt namelijk voorkomen dat klanten lang moeten wachten totdat ze geholpen worden. Als je afspraken te krap inplant, is de kans groot dat je planning uitloopt en klanten dus langer moeten wachten. Dit kan leiden tot ontevredenheid. Als je afspraken te ruim inplant, verloopt je dag niet efficiënt. Je houdt dan tijd over waarin je andere klanten had kunnen helpen. Houd bij het inplannen van een afspraak ook rekening met de inwerktijd, bijvoorbeeld van haarverf bij een kleurbehandeling. In deze tijd kun je soms ook nog een andere klant helpen.
Lastige situaties oplossen
Het kan gebeuren dat je een klant niet meteen kunt helpen, bijvoorbeeld als de klant binnenwandelt zonder afspraak. Als je ziet dat de klant over een halfuur geholpen kan worden, kun je de wachttijd zo prettig en efficiënt mogelijk proberen te maken. Bied de klant iets te drinken aan. Ook heeft een andere kapper misschien tijd om de haren alvast te wassen. Op deze manier kun je ervoor zorgen dat de klant de wachttijd niet als vervelend ervaart.
Bij het maken van een afspraak volg je altijd het huishoudelijk reglement van de salon. Hierin staan alle regels die in de salon gelden.
Wijs de klant tijdens het wachten op de wificode van de salon.
Nadat de afspraak is gemaakt, komt de klant naar de salon voor de behandeling. Een goede ontvangst is erg belangrijk, omdat dit de klant een eerste indruk geeft van de salon. In het huishoudelijk reglement is vastgesteld hoe je klanten moet ontvangen. Deze regels verschillen per salon.
TIP
In het hoofdstuk Werken in de salon lees je meer over het huishoudelijk reglement.
Voorbeelden van afspraken over ontvangst zijn:
• Zorg ervoor dat er altijd iemand in de buurt van de ingang van de salon is, zodat de klant direct bij binnenkomst ontvangen kan worden.
• Loop met een vriendelijke uitstraling naar de klant toe.
• Stel jezelf voor als de klant voor het eerst bij jou in de salon komt.
• Begeleid de klant naar de stoel.
• Bied de klant iets te drinken aan.
Het volgende onderdeel van een behandeling is het stellen van een diagnose en het geven van een passend advies. Daarna maak je een behandelplan dat je bespreekt met de klant.
Bij het stellen van een diagnose vraag je naar de wens van de klant, kijk je naar de uiterlijke kenmerken en maak je een haaren hoofdhuidanalyse. Je doet dit meestal voordat je het haar gaat wassen. Bij droog haar kun je namelijk het haar en de hoofdhuid beter beoordelen. Als je de diagnose hebt gesteld, geef je de klant een bijpassend advies over de coupe en bespreek je het behandelplan. In sommige salons wordt het advies pas na het wassen van het haar gegeven. Dit heeft dan te maken met de tijdsplanning en de regels van de salon.

Het formulier Diagnose, Advies en Behandelplan (DAB-plan) gebruik je om een diagnose te stellen en advies te geven.
Het DAB-plan bestaat uit:
1. de klantwens
2. de conditie van de hoofdhuid en het haar
3. de technische aspecten van het haar
4. de behandeling die je gaat uitvoeren
5. de techniek die je gaat toepassen
6. de producten en materialen die je gaat gebruiken
7. het advies dat je de klant meegeeft voor thuis
Voordat je de behandeling uitvoert, denk je na over het DAB-plan. Je kunt er ook voor kiezen om het formulier in te vullen. Hierna bespreek je het plan altijd met de klant.
Als je goed hebt nagedacht over alle onderdelen uit het DAB-plan, helpt dit je om de behandeling correct uit te voeren.
Je weet na het invullen van het plan welke behandeling je gaat uitvoeren, hoe je dat gaat doen en welke producten en materialen je daarbij nodig hebt.
Het DAB-plan invullen of bespreken?
Een ingevuld DAB-plan heeft voordelen. Je kunt dan tijdens een behandeling controleren of alles goed gaat en of je geen stappen overslaat. Ook kunnen je collega’s bij een ingevuld DAB-plan de behandeling van je overnemen als dat nodig is. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn als je plotseling ziek wordt. Als de coupe anders is geworden dan verwacht, kun je het DAB-plan ook gebruiken om te achterhalen bij welke stap het mis is gegaan.
Klantwens
De klantwens achterhalen kan heel gemakkelijk zijn, bijvoorbeeld als de klant om dezelfde coupe vraagt als de vorige keer. Het kan ook lastig zijn om de klantwens duidelijk te krijgen. Neem daarom altijd goed de tijd, zodat je aan het einde van de behandeling een tevreden klant hebt. Als de klant erg twijfelt of als de wens onduidelijk blijft, kun je samen op zoek gaan naar een voorbeeld van een coupe om de wens te achterhalen. Raadpleeg bijvoorbeeld een tijdschrift of kijk op internet.
Haar-en hoofdhuidanalyse
Als de klantwens duidelijk is, ga je de conditie van de hoofdhuid en het haar bepalen. Je voert hiervoor een haar- en hoofdhuidanalyse uit. Tijdens deze analyse onderzoek je de technische aspecten van het haar en de conditie van het haar en de hoofdhuid. Voorbeelden van technische aspecten van het haar zijn de haardikte en de haarvorm. Bij de conditie van het haar kun je denken aan een gevoelige hoofdhuid of aan vet haar. Ten slotte bepaal je of er indicaties en contra-indicaties zijn voor de klant. Contra-indicaties zijn condities waaronder een behandeling niet kan plaatsvinden, zoals open wondjes, hoofdluis, eczeem of zeer poreus haar. Bij een indicatie kun je de behandeling juist wél uitvoeren. Het haar en de huid zijn dan in goede conditie.
Bekijk een voorbeeld van een DAB-plan online.
Snelcode 1 9 1 6 6
Hoofdluis
Als je hoofdluis aantreft, neem je de klant apart om je bevindingen te vertellen. Een advies voor thuis is belangrijk. Zo komt de klant snel weer van de luizen af en voelt de klant zich gehoord.
Een geslaagd advies voor de klant bestaat niet alleen uit de klantwens en de haar- en hoofdhuidanalyse. Ook de uiterlijke kenmerken zijn belangrijk om mee te nemen in je advies. Uiterlijke kenmerken zijn de gezichtsvorm en de gezichtskenmerken van een klant. Wat bij de ene klant heel mooi staat, kan bij een andere klant minder goed staan. Iedere klant heeft namelijk andere uiterlijke kenmerken.
Gezichtskenmerken
Een gezichtskenmerk is datgene wat opvalt aan een gezicht. Je kunt hierbij denken aan een wat hoger voorhoofd of grote oren. Aan klanten met grote oren kun je bijvoorbeeld vragen of ze de oren bedekt willen laten of liever niet.
Gezichtsvorm
In de salon behandel je klanten met allerlei gezichtsvormen. Om iedere gezichtsvorm zo mooi mogelijk naar voren te laten komen, varieer je met de haarlengte, krulsterkte en textuur en met de plaats van het volume van het haar. Klanten kunnen de volgende gezichtsvormen hebben:




Ovale gezichtsvorm
Ronde gezichtsvorm
Vierkante gezichtsvorm
Rechthoekige gezichtsvorm


Nadat je de klant advies hebt gegeven over de coupe, vertel je wat de behandeling kost. Zo weet de klant waar hij/zij mee akkoord gaat. Als de klant akkoord is, begin je met de behandeling.
Stappenplan behandeling uitvoeren
Stel de diagnose en adviseer de klant.
Voer de behandeling uit volgens het DAB-plan. 1 2 3 5
Bespreek het DAB-plan of vul het plan in.
Leg de benodigde gereedschappen, materialen en producten klaar.
Doe de kapmantel en handdoek om.
Was het haar van de klant, behalve als je het haar gaat (ont)kleuren.
Advies voor een kleurbehandeling
Voor een geslaagd advies over een kleurbehandeling is het kleurtype van de klant belangrijk.Afhankelijk van de kleur van de huid en ogen bepaal je of een klant een warm of koel kleurtype is. Aan de hand van het kleurtype van de klant kun je een passende haarkleur adviseren.
Controleer of het resultaat van de behandeling voldoet aan je DAB-plan en de wens van de klant.
Föhn en style het haar van de klant. Laat het resultaat zien en vraag of de klant tevreden is.
Haal de kapmantel en de handdoek weg.
Loop met de klant mee naar de kassa om af te rekenen.
Na het uitvoeren van de behandeling sla je de klantgegevens digitaal op. Veel salons gebruiken hiervoor een digitale klantenkaart. Op deze klantenkaart staan persoonlijke gegevens van de klant, zoals de naam, het adres en het telefoonnummer. Naast deze persoonlijke gegevens houd je ook de kenmerken van het haar bij, de producten die de klant gekocht heeft en de behandelingen die de klant heeft gehad.
Het bijhouden van de klantgegevens is belangrijk voor een salon. Je zoekt met deze gegevens namelijk makkelijk op welke behandeling de vorige keer is uitgevoerd. Ook kun je achterhalen welke producten een klant vaak koopt. Met deze informatie kun je gericht aanbiedingen sturen van dit product.
De klantgegevens bevatten persoonlijke informatie over een klant. In de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is beschreven hoe salons met klantgegevens moeten omgaan. De AVG wordt ook wel de privacywet genoemd. Salons moeten bijvoorbeeld duidelijk kunnen aangeven wat ze met klantgegevens doen en hoe ze deze beveiligen. Denk hierbij aan het beveiligen van digitale klantenkaarten met een wachtwoord. Onthoud dat je altijd veilig met klantgegevens moet omgaan. Een klant wil niet dat zijn of haar gegevens in verkeerde handen terechtkomen.

Stuur een klant alleen aanbiedingen als hij/zij hiervoor toestemming heeft gegeven.
Nadat je de klantgegevens hebt ingevoerd of bijgewerkt, reken je de behandeling af. Voordat je start met de behandeling, vertel je altijd wat de behandeling kost. Zo voorkom je dat een klant bij het afrekenen niet met de prijs akkoord gaat. Als je een behandeling gaat afrekenen, volg je een aantal stappen.
Stappenplan afrekenen
Voer de beveiligingscode van de kassa in.
Scan of sla de prijzen aan.
Verwerk kortingen, cadeaubonnen en/of actieartikelen.
Controleer het totaalbedrag en corrigeer dit eventueel.
Ontvang de betaling en geef eventueel wisselgeld terug.
Geef de bon aan de klant.
Zeg de klant gedag.
Behandelingen hebben in iedere salon een vaste prijs. Deze vaste prijs verschilt per salon. De prijs van een behandeling is altijd opgebouwd uit drie onderdelen:
• arbeidskosten
• de kosten van gebruikte producten
• belasting over de toegevoegde waarde (btw)
Wist je dat?
De overheid bepaalt het percentage btw voor producten en diensten en mag dit percentage ook wijzigen.

Onder de arbeidskosten vallen jouw salaris en alle andere personeelskosten die de werkgever betaalt. Denk hierbij aan sociale verzekeringen, reiskosten en vakantiegeld. Naast de arbeidskosten moet de werkgever ook betalen voor de producten die gebruikt worden bij een behandeling. De kosten voor deze producten zijn onderdeel van de prijs die de klant betaalt. Ten slotte hoort bij de prijs ook de belasting over de toegevoegde waarde (btw). Deze belasting betaalt een klant als hij/zij gebruikmaakt van producten of diensten van een bedrijf. Een kappersbehandeling valt onder deze belasting. Je verleent als kapper namelijk een dienst: het behandelen van het haar. De btw wordt door de kassa automatisch berekend. Er zijn twee percentages btw: een laag en een hoog tarief.
Lage btw
Het lage btw-tarief geldt voor de eerste levensbehoeften en bepaalde diensten. Bij de eerste levensbehoeften kun je denken aan voedingsmiddelen en geneesmiddelen. Voorbeelden van diensten zijn werkzaamheden van een fietsenmaker, maar ook een kappersbehandeling. De producten die voor een kappersbehandeling gebruikt worden, vallen ook onder dit percentage. Denk aan een shampoo, een kleurproduct of permanentvloeistof.
Hoge btw
Alle overige producten en diensten vallen onder het hoge btw-tarief. Hierbij kun je denken aan verzorgings- en stylingproducten die je los verkoopt in de salon, zoals shampoo, conditioner of haarversieringen. Ook diensten die niet kenmerkend zijn voor de salon vallen onder dit tarief. Denk aan een schoonheidsbehandeling of visagie.
Een klant kan een behandeling op vier verschillende manieren afrekenen:
• met een pinpas
• met contant geld
• met een creditcard
• met een waarde- of cadeaubon
Waarde- of cadeaubon
Een klant kan ervoor kiezen om te betalen met een waarde- of cadeaubon. Het verschilt per salon hoe deze bonnen werken. Controleer altijd de geldigheid van de bon voordat je de bon invoert. De bon is onbeperkt geldig als er geen einddatum op staat of als nergens vermeld is waar je de einddatum kunt vinden.
Klanten hebben soms interesse in de producten die je in de salon gebruikt. Als een salon deze producten ook verkoopt, kun je de klant bij het afrekenen vragen of hij/zij interesse heeft om bijvoorbeeld een shampoo of gel te kopen.

Na het afrekenen neem je afscheid van de klant. Doe dit op een nette en vriendelijke manier. Blijf attent, ook als je het druk hebt. Dit is belangrijk, omdat het afscheid de laatste indruk is van de klant voordat hij/zij de salon verlaat.
Het laatste onderdeel van een behandeling is het opruimen en schoonmaken van je werkplek. Je verwijdert de haren die op de grond liggen en je reinigt de gebruikte producten en materialen. In sommige gevallen moet je de materialen ook desinfecteren. Je desinfecteert bijvoorbeeld de kappersschaar als deze in aanraking is gekomen met bloed of psoriasis. De behandeling is pas afgerond als je alles hebt opgeruimd en schoongemaakt. Dan ben je klaar om de volgende klant te ontvangen.
De
behandeling
is pas afgerond als je alles hebt opgeruimd en schoongemaakt.
Lastige situaties oplossen
Het kan gebeuren dat de pinpas van een klant niet werkt. Je kunt dan proberen om de magneetstrip van de pas met je kleding schoon te vegen. Het is mogelijk dat de pas daarna weer werkt. Je kunt de klant eventueel vragen hij/zij met een pinpas op zijn/haar smartphone kan betalen. Een klant kan ook een pas hebben die geblokkeerd is of onvoldoende saldo aangeeft. Als de klant ook geen contant geld bij zich heeft, kun je voorstellen om een betaalverzoek te sturen. De klant kan dan alsnog met de smartphone de behandeling betalen. Wanneer dit niet lukt, vraag je of de klant later terugkomt om alsnog te betalen. Je kunt voor de zekerheid de gegevens van de klant noteren. Vraag je leidinggevende om hulp als het niet lukt om de situatie op te lossen.




















4.1 De huid
4.1.1 Cellen en groei
4.1.2 Opbouw van de huidlagen
4.2 Het haar
4.2.1 Opbouw van het haar
4.2.2 Groeicyclus
4.2.3 Eigenschappen van het haar
4.2.4 Technische aspecten van het haar
4.2.5 Soorten haar
4.3 Conditie haar en hoofdhuid
4.3.1 Vet haar en vette hoofdhuid
4.3.2 Poreus en beschadigd haar
4.3.3 Gespleten haarpunten
4.3.4 Gevoelige hoofdhuid
4.4 Haar- en hoofdhuidaandoeningen
4.4.1 Endogene factoren
4.4.2 Exogene factoren
4.4.3 Veelvoorkomende haar- en hoofdhuidaandoeningen

Terwijl een klant in de stoel gaat zitten, valt je op dat de klant erg vet haar heeft. Veel mensen hebben een haar- of hoofdhuidprobleem. Als kapper heb je een belangrijke signaalfunctie, omdat je dicht op het haar en de hoofdhuid van de klant zit. Dit betekent dat je goed moet kijken naar het haar en de hoofdhuid om de conditie te bepalen en afwijkingen te signaleren. Aan de hand hiervan adviseer je bepaalde producten of behandelingen of raad je deze juist af.
In dit hoofdstuk leer je wat de functies van het haar en de hoofdhuid zijn en hoe deze zijn opgebouwd. Vervolgens leer je wat de conditie van het haar en de hoofdhuid inhoudt en welke haar- en hoofdhuidaandoeningen er zijn en vaak voorkomen. Zo heb je voldoende kennis om klanten goed te kunnen behandelen en adviseren.
De huid is het grootste orgaan van je lichaam. Het heeft verschillende functies.
De huid:
• beschermt je lichaam tegen schadelijke invloeden van buitenaf en tegen vochtverlies;
• beschermt je onderliggende organen, botten en spierweefsel;
• regelt je lichaamstemperatuur;
• bevat de zintuigen voor kou, warmte, tast, pijn en druk;
• zorgt voor talgproductie;
• is een opslagplaats voor reservevoedsel;
• voert afvalstoffen af.
Ons lichaam bestaat uit miljoenen cellen die je met het blote oog niet kunt zien.
Een cel is het kleinste zelfstandige onderdeel van een levend organisme.
Elke soort cel heeft een eigen bouw en functie. Sommige cellen kunnen bewegen, zoals witte bloedcellen. Andere cellen, zoals spiercellen, zijn met elkaar verbonden en kunnen zich niet verplaatsen.
Je lichaam groeit doordat cellen zich vernieuwen. Dit doen ze door celdeling.
Je lichaam is voortdurend aan het groeien, van baby tot volwassene. Je cellen delen zich steeds opnieuw.
Een groep cellen met dezelfde functie vormt samen een weefsel.
Weefsels vormen weer organen en alle organen samen vormen ons lichaam.
Je lichaam is opgebouwd uit vier soorten weefsels: bindweefsel, epitheelweefsel, spierweefsel en zenuwweefsel.
Soort weefselFunctie
bindweefsel Bindweefsel zorgt voor stevigheid, beschermt tegen ziektes en slaat vetten op. Het wordt ook wel steunweefsel genoemd.
epitheelweefselEpitheelweefsel scheidt stoffen af of bedekt al je inwendige en uitwendige oppervlakken. Het wordt ook wel dekweefsel genoemd.
spierweefselSpierweefsel brengt het lichaam in beweging door samentrekkende bewegingen.
zenuwweefselZenuwweefsel neemt gevoel waar en geeft dit door aan de hersenen.

Als je ouder wordt, gaat de celdeling langzamer. Je huid wordt dan droger en krijgt rimpels.
De huid is opgebouwd uit drie verschillende lagen:
• de opperhuid
• de lederhuid
• het onderhuids bindweefsel
Opperhuid
De buitenste laag is de opperhuid. Deze laag beschermt tegen ziekteverwekkers, schadelijke stoffen en uv-straling. Ook kan de opperhuid bepaalde stoffen opnemen. De opperhuid bestaat uit meerdere lagen epitheelweefsel en bevat geen zenuwen, bloed- en lymfevaten of klieren. Van binnen naar buiten is de opperhuid opgebouwd uit verschillende lagen. Bekijk de illustratie onderaan de pagina voor een overzicht van de verschillende lagen van de opperhuid.
Verhoorningsproces
De binnenste opperhuidlagen zijn de basaalcellenlaag en de stekelcellenlaag. Daarin ontstaan nieuwe cellen door celdeling. Door de constante aanmaak van
Opperhuid
nieuwe cellen worden huidcellen naar de bovenliggende opperhuidlagen geduwd. Daardoor komen de cellen steeds verder af te liggen van de bloedvaten in de lederhuid. De aanvoer van voedsel en zuurstof vermindert en de cellen sterven af. De cellen verliezen hun celkern en worden steeds platter. Uiteindelijk belanden ze als dood celmateriaal verschilferd aan de oppervlakte, in de hoornlaag. Dit verhoorningsproces duurt ongeveer dertig dagen.
opperhuid
Opperhuid
talgkliertje
Talgklier
lederhuid
Lederhuid
Haarzakje
onderhuids bindweefsel haarzakje
Onderhuids bindweefsel
Langzame verandering van de cel
Hoornlaag
TIP
Meer informatie over de verschillende lagen van de hoofdhuid lees je op de rechterpagina.
Lichtbrekende of doorschijnende laag
Korrellaag
Stekelcellenlaag
Basaalcellenlaag
opperhuid
talgkliertje
opperhuid
hoornlaag
lichtbrekende of doorschijnende laag korrellaag stekellaag
basaalcellenlaag langzame verandering van de cel
lederhuid
onderhuids bindweefsel haarzakje
Hoornlaag
In de hoornlaag zijn alle cellen dood en verhoornd. Verhoornde cellen zijn uitgedroogd en hebben een afgeplatte vorm. Aan het huidoppervlak schilferen de cellen daarom voortdurend af. Ze hebben een beschermende functie: ze beschermen de onderliggende lagen van de huid tegen uitdroging en beschadiging.
Lichtbrekende laag
Onder de hoornlaag ligt de lichtbrekende laag. Dit is een doorschijnende laag die soms ook zo wordt genoemd. Het verhoorningsproces is in deze laag vergevorderd, maar nog niet afgerond. Deze laag bestaat voor een groot deel uit dode cellen.
Korrellaag
Onder de lichtbrekende laag ligt de korrellaag. In deze laag worden de cellen steeds platter. Het verhoorningsproces begint hier. De laag bestaat uit meer levende dan dode cellen.
De onderste laag van de opperhuid is de basaalcellenlaag. Deze laag wordt ook wel de moederlaag genoemd. Hier worden de nieuwe cellen aangemaakt. Ze krijgen zuurstof en voeding vanuit de lederhuid. De nieuwe cellen zijn rond van vorm en bevatten pigment. De nieuwe cellen duwen de oude cellen steeds verder naar boven. De basaalcellenlaag bestaat uit levende cellen. 4 5
Onder de korrellaag ligt de stekelcellenlaag. De cellen in deze laag krijgen geen zuurstof en voedingsstoffen meer vanuit de lederhuid. De lederhuid ligt onder de opperhuid. De cellen krijgen een stekelige vorm en de uitdroging begint. De laag bestaat vooral uit levende cellen.
Lederhuid
De lederhuid is de middelste huidlaag, tussen de opperhuid en de onderhuid. De huid dankt zijn stevigheid aan de lederhuid. In deze laag liggen:
• bloedvaten die de opperhuid van voedingsstoffen voorzien en de lichaamstemperatuur regelen;
• lymfevaten die afvalstoffen en ziekteverwekkers opruimen;
• receptoren die bepaalde prikkels doorgeven;
• zweet- en talgklieren.
De naam lederhuid verwijst naar leder (leer): net als leer is de lederhuid stevig, maar ook soepel. Dat komt doordat de lederhuid uit dicht bindweefsel bestaat. De lederhuid bestaat uit twee lagen: de papillenlaag en de netlaag.
1. Papillenlaag
De papillenlaag is de bovenste laag van de lederhuid en grenst direct aan de onderste laag van de opperhuid, de basaalcellenlaag. Deze grens is golvend, zodat de lederhuid op verschillende plaatsen in de opperhuid binnendringt. In de papillenlaag zitten bloedvaten. De bloedvaten voorzien de opperhuid van voedingsstoffen die nodig zijn voor celdeling. Ook bevinden zich in de papillenlaag de receptoren die prikkels zoals aanraking en kou opvangen.
2. Netlaag
De netlaag is de onderste laag van de lederhuid en grenst aan het onderhuids bindweefsel. In de netlaag bevinden zich bloed- en lymfevaten, zenuwen en de haarzakjes (haarfollikels) met daarin de haarwortel en de talgklieren. Het is dikker dan de papillenlaag en het weefsel heeft een netachtig patroon. Deze laag bestaat uit bindweefsel. Bindweefsel is opgebouwd uit collageen- en elastinevezels. Collageenvezels zorgen voor stevigheid van de huid en elastinevezels voor veerkracht. Naarmate je ouder wordt, vermindert de elasticiteit van de collageen- en elastinevezels. Hierdoor verliest de huid zijn elasticiteit.
Talgklieren produceren talg. Talg wordt ook wel huidvet genoemd. Het houdt je huid en haar soepel.
Zenuw
Talgklier
Haarspier
Zweetklier
Bloedvat
De huid dankt zijn stevigheid aan de lederhuid.
Papillenlaag
Netlaag
Onderhuids bindweefsel
De onderste huidlaag bestaat uit onderhuids bindweefsel. Deze laag is voor het grootste deel opgebouwd uit losmazig bindweefsel: het bestaat uit losse, in elkaar verweven vezels. In de mazen tussen deze vezels liggen vetcellen. Deze laag is niet op elke plek van je lichaam even dik. De dikte is afhankelijk van de hoeveelheid vetcellen. De laag op je hoofd is bijvoorbeeld erg dun, terwijl de laag rond je buik dikker kan zijn.
Het vet in de onderhuid heeft een aantal belangrijke lichaamsfuncties:
• Bescherming: de vetlaag vormt een soort stootkussen voor de onderliggende organen.
• Lichaamsvorm: de hoeveelheid vet bepaalt je onderhuiddikte en daarmee je lichaamsvorm.
• Reservevoorraad: het opgeslagen vet kun je verbranden wanneer je te weinig voeding hebt binnengekregen.
• Temperatuurregulatie: vet vormt een isolerende laag die je beschermt tegen kou.
De vetcellen in de onderhuid zijn in staat om vet op te nemen. Hoe meer vet de vetcellen opnemen, hoe dikker de onderhuid wordt. Je maakt tot aan de puberteit vetcellen aan.
Het onderhuids bindweefsel is opgebouwd uit drie verschillende lagen:
1. een dunne laag bindweefsel dat de verbinding vormt met de lederhuid
2. een dikkere laag vetweefsel dat vetten opneemt
3. een laag vetarm bindweefsel dat de verbinding vormt met de onderliggende spieren en pezen
Vetcellen raak je vanaf je puberteit niet meer kwijt. Het volume, dus de inhoud van de vetcellen, kan wel toe- of afnemen.
opperhuid lederhuid onderhuids bindweefsel Opperhuid Lederhuid Onderhuids bindweefsel
Overal op je lichaam zit haar, op een paar plekken na. Je hebt geen haar op je voetzolen, handpalmen en lippen. Het haar heeft drie belangrijke functies:
1. een beschermende functie
2. een sociale functie
3. een esthetische functie
Beschermende functie
De belangrijkste functie van je haar is bescherming bieden. Het haar op je lichaam beschermt je lichaam tegen temperatuurswisselingen. Het haar op je hoofd beschermt je hoofdhuid tegen uv-straling van de zon en verwondingen door stoten. Je wenkbrauwen, wimpers, neus-, oor- en schaamhaar beschermen je lichaam tegen ongewenst vocht, stof en vuil.
Sociale functie
De coupe die je hebt, zegt iets over jezelf. Kies je voor een strakke en nette coupe of doe je je haar snel in een losse knot? Als je naar een sollicitatiegesprek gaat, kies je waarschijnlijk voor een andere coupe dan wanneer je op je luie zondag lekker thuisblijft. Als je naar een feest gaat, kies je zorgvuldig een coupe uit die bij het soort feest en bij je kleding past.
Esthetische functie
De behandelingen die je als kapper uitvoert, hebben vooral een esthetische functie. Dat betekent dat de klant er door de behandeling mooier, leuker en beter verzorgd uit wil zien. Je kunt het ook een sieraadfunctie noemen.
Een haar bestaat uit een zichtbaar en een onzichtbaar deel. Het zichtbare uitwendige deel is de haarschacht. Het onzichtbare inwendige deel is de haarwortel. De haarwortel ligt vast in een haarfollikel (haarzakje). Aan het haarzakje zitten de talgklieren vast. Het haarzakje eindigt in de haarbol.
De bolle vorm van de haarbol zorgt ervoor dat de haar stevig in de hoofdhuid blijft vastzitten. Midden in de haarbol zit de haarpapil. In de haarpapil zitten bloedvaten die vanuit de lederhuid zuurstof en voedingsstoffen aanleveren. Ook wordt hier het pigment aangemaakt dat het haar kleur geeft.
De
belangrijkste functie van je haar is bescherming bieden.
Haarschacht
Talgklier
Haarbol
Haarspier
Haarzakje/ haarfollikel
Haarwortel
Haarpapil
Een haar is opgebouwd uit drie lagen, zoals je hier rechts kunt zien. Van buiten naar binnen zijn dit: 1. de schubbenlaag; 2. de vezellaag; 3. het merg.
Schubbenlaag
De buitenste laag is de schubbenlaag. Deze laag beschermt de twee onderliggende lagen. De schubbenlaag bestaat uit keratineschubben die als dakpannen over elkaar heen liggen. Keratine is een eiwit. Het is de bouwsteen van het haar. De schubbenlaag bepaalt de dikte van het haar. Hoe meer schubbenlagen, hoe dikker het haar. Over het algemeen varieert het aantal lagen tussen de vier en acht.
Bij gezond haar zijn de schubben gesloten en weerkaatst het licht dat op het haar komt. Het haar glanst hierdoor mooi en het is sterk. Wanneer de schubbenlaag afslijt, ontstaan er gespleten haarpunten. Zijn de haarschubben open? Dan is het haar poreus en dof en raakt het snel in de knoop. Zijn de haarschubben afgesleten? Dan rafelt de onderliggende vezellaag. Het haar wordt zwakker en kan sneller afbreken.
Haarschubben openen zich zodra het haar in aanraking komt met water of (chemische) vloeistoffen zoals (ont)kleurproducten en permanentvloeistoffen.
Vooral bij (ont)kleuren en tijdelijke of blijvende omvormbehandelingen is de vezellaag belangrijk.
Vezellaag
De vezellaag is de middelste laag en ook de dikste en sterkste laag van het haar. Deze laag bestaat uit lange vezels die sterkte en elasticiteit aan het haar geven.
Deze vezels noem je de peptidespiralen. Vooral bij (ont)kleuren en tijdelijke of blijvende omvormbehandelingen is de vezellaag belangrijk. In de vezellaag zitten namelijk verschillende stoffen (pigment) en verbindingen (zwavel-, zout- en waterstofbruggen) tussen peptidespiralen die van invloed zijn op het eindresultaat van deze behandelingen.












Tijdens een ontkleurbehandeling verander je de hoeveelheid en de verhouding van het pigment in het haar.


Bekijk meer informatie over natuurlijk kleurpigment.
Snelcode 1 3 1 8 2
Pigment geeft kleur aan het haar. De samenstelling en de hoeveelheid van het pigment bepalen de kleur van het haar.
Tijdens een (ont)kleurbehandeling verander je de hoeveelheid en de verhouding van het pigment in het haar.
Pigment
Zoutbruggen
Waterstofbruggen
Peptidespiraal
Zwavelbruggen
De zwavelbruggen vormen hechte verbindingen tussen de peptidespiralen, waardoor ze vorm geven aan het haar. Met chemische stoffen, zoals permanentvloeistof, kun je deze verbindingen verbreken. Als de zwavelbruggen verbroken zijn, zakt het haar in elkaar. Met een stabilisatievloeistof kun je het haar in een andere vorm herstellen.
Waterstofbruggen en zoutbruggen vormen ook verbindingen tussen peptidespiralen. Deze zijn minder hecht dan zwavelbruggen. Waterstofbruggen verbreken en zoutbruggen verweken namelijk al zodra je het haar natmaakt. Het zijn losse verbindingen. Ze herstellen ook weer meteen als het haar opdroogt. Nat haar is dus zwakker en kwetsbaarder dan droog haar. Dat komt niet alleen doordat de haarschubben zich dan openen, maar ook doordat de bruggen verbreken en verweken. Bij watergolven en föhnen maak je hiervan gebruik.
Merg
De binnenste laag van het haar is het merg. Het merg voedt het haar zolang de haar nog in de hoofdhuid zit.
4.2.2
De groei van een haar begint in de hoofdhuid. Om te groeien, heeft een haar voedsel en zuurstof nodig. Deze worden via de bloedvaten in de lederhuid afgegeven aan de haarbol. De groeicyclus bestaat uit drie fasen: de groeifase, de overgangsfase en de rustfase. Gemiddeld groeit een haar een centimeter per maand.
Groeifase
De groeifase van een haar duurt twee tot zeven jaar. Het groeiproces van de haren kun je vergelijken met de vernieuwing van de huidcellen in de opperhuid. Tijdens de groeifase geven de bloedvaten voedingsstoffen en zuurstof af aan het haar. Hierdoor gaan de haarcellen zich delen en worden nieuwe haren uit de hoofdhuid naar buiten geduwd.
Om te groeien, heeft een haar voedsel en zuurstof nodig.
Overgangsfase
De overgangsfase duurt twee tot vier weken. Het haarzakje sluit en er is geen contact meer tussen de haarwortel en de haarbol. De bloedvaten kunnen dus geen voedingsstoffen meer afgeven en de celdeling stopt. Het haarzakje krimpt, waardoor de haar omhooggeduwd wordt. De haar blijft nog wel in de hoofdhuid zitten.
Rustfase
De rustfase noem je ook wel de uitvalfase. Deze fase duurt twee tot vier maanden. Tijdens de rustfase vormt zich onder de oude haar een nieuwe haar. Deze duwt de oude haar langzaam uit het haarzakje naar buiten. De oude haar komt los te zitten en valt uit. Aan het witte bolletje (de haarwortel) van de uitgevallen haar kun je zien dat de haar was uitgegroeid. De groeicyclus begint nu opnieuw.
GroeifaseOvergangsfaseRustfase
Groeifasen van het haar.
Oude haar
Einde rustfaseBegin groeifase Nieuwe haar
4.2.3 Eigenschappen
van het haar
Gezond haar heeft een aantal eigenschappen. Sommige eigenschappen kun je zien of meten, zoals rekbaarheid, veerkracht, glans en elektrische lading van het haar.
Rekbaarheid
Het haar is rekbaar tot ongeveer 25% van de eigen lengte. Als het haar zijn rekbaarheid verliest, dan is de kans groot dat het afbreekt. Zonder rekbaarheid valt het resultaat van een behandeling tegen. Het haar is dan futloos en je kunt er weinig tot niets meer mee doen.
Veerkracht
Veerkracht betekent dat een haar weer de oorspronkelijke vorm aanneemt zodra je het loslaat na het uitrekken. Rek je het haar verder uit dan de rekbaarheid, dan kunnen de zwavelbruggen verbreken en verliest het haar zijn veerkracht. De veerkracht van een haar is afhankelijk van de haardikte en verschilt per persoon: hoe dikker het haar, hoe veerkrachtiger het is.
Veerkracht testen
Zo test je de veerkracht van het haar:
1. Pak een haar.
2. Krul de haar met je nagels van boven naar beneden.
3. Rek de haar weer uit.
4. Laat de haar los.
5. Als de haar na het loslaten terugschiet in de oorspronkelijke vorm, dan heeft het haar een goede veerkracht.
Glans
Het haar glanst als de schubbenlaag gesloten is. De haarschubben liggen dan dakpansgewijs over elkaar heen. Ze vormen een glad vlak waarop het (zon)licht weerkaatst.
Capillariteit
De vezellaag van het haar zuigt vloeistoffen zoals water, kleurproducten en permanentvloeistoffen op. Deze eigenschap heet capillariteit.
Hygroscopie
Het haar is hygroscopisch: het trekt water aan. Dit komt door de zoutbruggen in het haar. Het haar neemt niet alleen tijdens het wassen water op, maar ook uit vochtige lucht of uit regen. Een tijdelijke omvorming of geföhnde coupe zakt in vochtige lucht of regen dan ook vrij snel uit.


Elektrische lading
Droog haar kan door kammen of borstelen een negatieve elektrische lading krijgen: het haar wordt statisch. Het haar ontlaadt zich wanneer je een kam gebruikt met een positieve elektrische lading. Je hoort dan een knetterend geluid. Materialen met dezelfde lading stoten elkaar af en materialen met tegengestelde lading trekken elkaar juist aan.
Als statisch haar dus naar de kam of borstel toe vliegt, dan heeft deze een positieve lading. Vaak gebeurt dit bij een hoornen kam of een borstel met natuurlijk haar.
4.2.4 Technische aspecten van het haar
Voor een goed eindresultaat moet je als kapper rekening houden met de technische aspecten van het haar.
Haardikte
De dikte van het haar kun je in drie groepen indelen:
1. fijn haar: 0,04 millimeter en dunner
2. normale dikte: 0,05-0,07 millimeter
3. dik haar: 0,08 millimeter en dikker
Haarvorm
De haarvorm is de vorm van de doorsnede van een haar. Dit kun je vaak niet met het blote oog zien. Je kunt een haarmicrometer gebruiken om de haarvorm te bepalen.
Er zijn drie haarvormen:
1. rond haar
2. ovaal haar
3. bandhaar (plat haar)
De haardichtheid hoeft niet op iedere plaats op het hoofd hetzelfde te zijn.
Het is belangrijk om te weten dat bandhaar lastiger om te vormen is dan rond of ovaal haar. Soms is omvormen helemaal niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat de krul niet blijft zitten.
Een klant met een platte haarvorm kan vragen om een blijvende omvorming, maar de kans dat dit lukt is klein.
Haardikte meten
Als ervaren kapper schat je de dikte van het haar vaak gemakkelijk in. Als je dit zeker wilt weten, kun je een haarmicrometer gebruiken. Met een haarmicrometer kun je eenvoudig tot op honderdsten van millimeters nauwkeurig de dikte en vorm van het haar bepalen.
Een haarmicrometer gebruik je als volgt:
1. Controleer of de wijzer van de haarmicrometer op nul staat en of de meetplaatjes schoon zijn.
2. Leg het midden van een haar tussen de twee meetplaatjes.
3. Lees de dikte van de haar af.
Haarvorm bepalen
Je kunt de haarvorm op twee manieren bepalen:
1. met de tweede meting in de ronding van de lus
2. met de tweede meting op de kruising van de lus
Tweede meting in de ronding van de lus
Bij een tweede meeting in de ronding van de lus volg je de volgende stappen:
1. Meet de haardikte.
2. Maak van dezelfde haar een lus.
3. Leg de haar met de ronding tussen de meetplaatjes.
4. Lees de tweede meting af.
5. Vergelijk de twee meetresultaten.
Is het tweede meetresultaat twee keer het eerste meetresultaat, dan heb je te maken met bandhaar. Is het tweede meetresultaat minder dan twee keer het eerste meetresultaat, dan heb je te maken met ovaal haar. Is het tweede meetresultaat hetzelfde als het eerste meetresultaat, dan heb je te maken met rond haar.
Een voorbeeld: bij de eerste meting is het haar is 0,06 micrometer dik.
• Als het haar bij de tweede meting 0,12 micrometer is, is het bandhaar.
• Als het haar bij de tweede meting 0,09 micrometer is, is het ovaal haar.
• Als het haar bij de tweede meting 0,06 micrometer is, is het rond haar.
Tweede meting op de kruising van de lus Bij een tweede meeting op de kruising van de lus volg je de volgende stappen:
1. Meet de haardikte.
2. Maak van dezelfde haar een lus.
3. Leg de haar met de kruising tussen de meetplaatjes.
4. Lees de tweede meting af.
5. Vergelijk de twee meetresultaten.
Is het tweede meetresultaat hetzelfde als het eerste meetresultaat, dan heb je te maken met bandhaar. Is het tweede meetresultaat minder dan twee keer het eerste meetresultaat, dan heb je te maken met ovaal haar. Is het tweede meetresultaat het dubbele van het eerste meetresultaat, dan heb je te maken met rond haar.
Een voorbeeld: bij je eerste meting is het haar 0,06 micrometer dik.
• Als het haar bij de tweede meting 0,06 micrometer is, is het bandhaar.
• Als het haar bij de tweede meting 0,09 micrometer is, is het ovaal haar.
• Als het haar bij de tweede meting 0,12 micrometer is, is het rond haar.
Haarlengte
De lengte van het haar kun je indelen in:
• kort haar: tot 10 centimeter
• halflang haar: 10-25 centimeter
• lang haar: 25 centimeter of langer
Je kunt de haarlengte van een klant gemakkelijk inschatten, maar je kunt ook je kam gebruiken om deze te ‘meten’. De lengte van een kam is gemiddeld 17,5 centimeter.
Haardichtheid
De haardichtheid is het aantal haren per vierkante centimeter. Het zegt dus iets over hoe dicht de haren naast elkaar op het hoofd zitten. Bij een lage haardichtheid zitten er maar weinig haren op een vierkante centimeter. Je ziet dan de hoofdhuid door het haar heen.
Bij een hoge haardichtheid zitten er juist veel haren op een vierkante centimeter. De haardichtheid noem je ook wel de haarinplant.
Iedereen heeft een of meerdere kruinen. Vaak zitten ze boven op het hoofd, in de nek en bij de rand van het voorhoofd.

Je bepaalt de haardichtheid door goed naar het hoofd van de klant te kijken. De haardichtheid hoeft niet op iedere plaats op het hoofd hetzelfde te zijn. Een klant heeft bijvoorbeeld op zijn voorhoofd een lage haardichtheid en op zijn achterhoofd juist een hoge haardichtheid.
Groeirichting en natuurlijke valling
Als je het haar van een klant oppakt en loslaat, valt het terug in een bepaalde richting. Dit is de natuurlijke valling. Deze wordt bepaald door de groeirichting en de krulsterkte van het haar. De groeirichting ontstaat door de kruinen. Kruinen worden ook wel weerborstels genoemd. Vanaf een kruin valt het haar in verschillende richtingen. Als je bij het creeren van een coupe tegen de natuurlijke valling in werkt, dan kan de klant haarpijn krijgen. De zenuwen raken namelijk geprikkeld als het haar de verkeerde kant op geduwd wordt.
Je bepaalt de groeirichting en de natuurlijke valling als volgt:
1. Kam het haar strak naar achteren.
2. Duw het haar een beetje op, zodat je kunt zien of het haar naar links of naar rechts valt. Op de plaats waar het openvalt, zit meestal een natuurlijke scheiding. Zo kun je ook de kruinen op het hoofd ontdekken.
Krulsterkte
Het haar van de klant kan steil, golvend of krullend zijn. Er zijn drie factoren die dit bepalen:
1. de vorm van het haarzakje
2. de stand van het haarzakje
3. de manier waarop de peptidespiralen met elkaar verbonden zijn
De krulsterkte bepaal je altijd bij droog haar. Stel ook vragen aan de klant. Het is mogelijk dat de klant een tijdelijke omvorming heeft door het gebruik van bijvoorbeeld een krultang. Hiermee moet je rekening houden bij je advies en de behandeling.
Textuur
De textuur van het haar kan rustig, druk of ertussenin zijn. Als in een coupe de haren overal even lang zijn, dan heeft het haar een rustige textuur. Denk bijvoorbeeld aan een coupe op éénlengtelijn, waarbij je alle haren op dezelfde lijn afknipt.. Als de haren niet overal even lang zijn, dan heeft het haar een drukke textuur. Een coupe met veel lagen heeft een drukke textuur.
Haarkleur
De natuurlijke haarkleur wordt bepaald door de samenstelling en de hoeveelheid van het pigment in het haar. De kleur haar van de klant kan de natuurlijke haarkleur zijn, maar ook een kunstmatige kleur. Als kapper moet je weten of het haar van de klant eerder gekleurd is voordat je een kleurbehandeling uitvoert.
Om de (natuurlijke) haarkleur te bepalen, gebruik je de kleurenkaart. De askleuren op de kleurenkaart komen het meest overeen met de natuurlijke kleur. De kleurenkaart gebruik je ook om kleuradvies te geven aan de klant. De klant kan de gewenste kleur aanwijzen en/of jij kunt aanwijzen welke kleur je adviseert.
Bekijk meer informatie over natuurlijk kleurpigment.
Snelcode 1 3 1 8 2

4.2.5 Soorten haar
Niet elk haar is hetzelfde. Tijdens je leven ontwikkel je namelijk verschillende soorten haren. Daarnaast vind je verspreid over de wereld verschillende soorten haar.
Verschillende soorten haar tijdens je leven
Het eerste haar groeit al voor de geboorte: lanugohaar. Dit zijn dunne haren zonder merg en pigment. Ook de haarzakjes zijn er allemaal al voor de geboorte. Tijdens de rest van je leven komen er dus geen nieuwe bij. Het lanugohaar valt rond de achtste maand van de zwangerschap uit.
Er komt vellushaar voor in de plaats, ook wel donshaar genoemd. Vellushaar is
De (natuurlijke) haarkleur bepaal je met de kleurenkaart.
pigmentloos en blijft tot in de pubertijd. In de pubertijd verandert bij mannen 90% van het vellushaar in terminaal haar, bij vrouwen is dat slechts 25% van het haar. Op sommige plekken op het lichaam groeit al direct terminaal haar, zoals op het hoofd en bij de ogen (de wenkbrauwen en de wimpers).
Soorten haar verspreid over de wereld
De meest voorkomende soorten haar zijn:
• Afrikaans haar
• Aziatisch haar
• Europees haar
• mixed hair
Het eerste haar groeit al voor de geboorte.
Natuurlijke kleur



Structuur
Vorm
Behandeling
























Afrikaans haar Aziatisch haar
• donkerbruin tot zwart
• veel blauw pigment in het haar
• donkerbruin tot zwart
• veel blauw pigment in het haar
• fijn tot normaal
• wat stugger en droger
• rond
• sterk krullend (kroeshaar)
• moeilijk te ontkleuren door het blauwe pigment
• niet uitkammen, omdat het dan erg gaat pluizen
• dik en steil
• stug
• meestal bandhaar of een ovale vorm
• moeilijk te ontkleuren door het blauwe pigment
• door de structuur komt het snel omhoog als het kort wordt geknipt
• door de vorm is het lastig om te vormen




















Europees haar
• alle kleurvariaties, van bruin of zwart haar tot blond of rood haar
• veel geel en rood pigment

• fijn, normaal of dik
• steil tot krullend
• droog, vet of normaal
• voornamelijk rond
• ovaal of bandhaar komt ook voor
• door het rode en gele pigment gemakkelijker te (ont)kleuren dan Afrikaans of Aziatisch haar
• slijt snel, dus moet regelmatig worden geknipt






Mixed hair
• veel kleurvariaties, omdat het een combinatie kan zijn van Afrikaans en Aziatisch haar of van Afrikaans en Europees haar
• van bruin of zwart haar tot blond of rood haar
• fijn, normaal of dik
• steil tot krullend
• droog, vet of normaal
• rond, ovaal of bandhaar
• hoe gemakkelijk het is om te vormen, hangt af van de vorm van het haar
• hoe gemakkelijk het te (ont)kleuren is, hangt af van de hoeveelheid blauw pigment
• hoe vaak het geknipt moet worden, hangt af van hoe snel het haar slijt
Als je weet wat de eigenschappen en de technische aspecten van het haar zijn, kijk je naar de conditie van het haar en van de hoofdhuid. De conditie van het haar en van de hoofdhuid bepalen of je een behandeling mag uitvoeren. Als er geen bijzonderheden zijn aan het haar en de hoofdhuid van de klant, dan noem je dit een pro-indicatie. Je mag de klant dan behandelen. Als er bijzonderheden zijn waardoor je de klant niet mag behandelen, dan noem je dit een contra-indicatie.
De conditie van het haar en van de hoofdhuid bepaal je door te kijken naar de volgende punten:
• Is het haar of de hoofdhuid vet?
• Is het haar of de hoofdhuid droog?
• Is het haar poreus en beschadigd?
• Zie je gespleten haarpunten?
• Is de hoofdhuid gevoelig?
4.3.1 Vet haar en vette hoofdhuid
Bij vet haar en/of een vette hoofdhuid heeft het haar een olieachtige glans. Ook is het haar plakkerig en heeft de klant vaak grove poriën. Dit komt doordat de talgklieren te veel vet afscheiden (seborroe). Bij het behandelen van een klant met vet haar of een vette hoofdhuid gebruik je een milde shampoo tegen een vette huid.

Geef niet veel druk tijdens het masseren en kam het haar niet te veel, anders stimuleer je de talgklieren om juist nog meer talg te produceren.
Poreus en beschadigd haar kan beschadigd zijn door te veel kleuren, ontkleuren of blijvend omvormen. Ook kan het haar beschadigd zijn door kammen, borstelen of föhnen of veelvuldig gebruik van de stijl- of krultang. Daarnaast kunnen zonlicht en medicijngebruik zorgen voor poreus en beschadigd haar.
Poreus en beschadigd haar heeft open schubben, waardoor het haar stug aanvoelt. Het breekt snel en het heeft weinig glans en veerkracht. Poreus en beschadigd haar is een contra-indicatie voor (ont)kleuren en blijvend omvormen.
Bij de behandeling van poreus en beschadigd haar gebruik je extra verzorgende producten die de haarschubben sluiten en beschadigingen opvullen.
Als het haar slijt, dan kan het splijten. Dit komt vaak voor bij lang haar, dus bij ouder haar. De haarpunten zijn pluizig en je ziet verdikkingen. Let er bij de behandeling op dat je het haar niet te heet föhnt. Je kunt het haar verzorgen met een speciaal serum voor gespleten punten. Adviseer de klant om het haar niet te veel bloot te stellen aan zon en chloorwater. Adviseer ook om de punten regelmatig te laten knippen.

De conditie van het haar en van de hoofdhuid bepalen of je een behandeling mag uitvoeren.

Soms veroorzaakt een bepaald product een allergische reactie, waardoor iemand huiduitslag of eczeem krijgt. Daar kan de hoofdhuid gevoelig van worden. Een gevoelige hoofdhuid kan ook komen door een huidaandoening. Als de klant een gevoelige hoofdhuid heeft, zie je rode vlekken of een beschadigde huid. Soms zie je ook witte schilfers.
Je kunt het wel behandelen, maar kam en borstel het haar dan voorzichtig. Föhn niet te heet en gebruik milde producten. Een gevoelige huid is een contra-indicatie voor (ont)kleuren en blijvend omvormen. Verwijs door naar de huisarts als er ontstoken of bloedende wondjes aanwezig zijn.

Een gevoelige huid is een contra-indicatie voor (ont)kleuren en blijvend omvormen.
Omschrijving
Oorzaak

• witte huidschilfers
• droog haar en jeuk
• te snelle celdeling van de huid

• gelige huidschilfers en vet haar
• jeuk
• te snelle celdeling van de huid in combinatie met een verhoogde talgklierproductie waardoor de huidschilfers met het vet aan elkaar plakken
• de ophopingen zijn een voedingsbodem voor schimmels
Behandeling
• je kunt de klant behandelen
• antiroosshampoo voor droge roos gebruiken
(deze shampoo doodt schimmels en bacteriën en remt de celgroei)
• het haar niet te veel kammen en borstelen
• na behandeling gereedschap reinigen
• je kunt de klant behandelen
• antiroosshampoo voor vette roos gebruiken (deze shampoo doodt schimmels en bacteriën en remt de celgroei)
• het haar uitspoelen met lauw water
• het haar niet te veel kammen en borstelen
• na behandeling gereedschap reinigen
Als kapper krijg je te maken met klanten met haar- en hoofdhuidaandoeningen. Problemen met en aandoeningen aan het haar en de hoofdhuid ontstaan door endogene of exogene factoren. Endogeen betekent dat de oorzaak van binnenuit komt. Exogeen betekent dat de oorzaak van buitenaf komt. Bij veel haar- en hoofdhuidaandoeningen spelen zowel exogene als endogene factoren een rol.
De belangrijkste endogene factoren zijn hormonen en erfelijkheid.
Hormonen
Hormonen zijn stoffen die aangemaakt worden op verschillende plekken in het lichaam. Zo maken bijvoorbeeld de nieren, de schildklier en de alvleesklier hormonen aan. Ook de geslachtsorganen zorgen voor hormonen. De hypofyse is een onderdeel van de hersensen. De hypofyse zorgt ervoor dat de juiste hoeveelheid hormonen wordt afgescheiden. De afgescheiden hormonen komen in de bloedbaan. Hormonen zorgen bijvoorbeeld voor:
• de stofwisseling;
• de lichaamstemperatuur;
• het slaapritme;
• de talgproductie.
Verschillende soorten hormonen hebben allemaal hun eigen functie. Voorbeelden zijn mannelijke, vrouwelijke en stresshormonen. Hormonen zijn ook van invloed op het haar. Het zijn vooral de mannelijke en vrouwelijke hormonen die invloed hebben op haargroei en haaruitval.
Mannelijke hormonen
Ieder mens heeft mannelijke en vrouwelijke hormonen. Testosteron en dihydrotestosteron (DHT) zijn mannelijke hormonen. Deze hormonen zorgen voor de groei van lichaamshaar, zoals baardhaar, borsthaar en rughaar. Vrouwen hebben minder mannelijke hormonen dan mannen. Een teveel aan mannelijke hormonen (testosteron) kan hormonale acne veroorzaken. Vrouwen met te veel mannelijke hormoon kunnen last krijgen van bijvoorbeeld gezichtsbeharing. Het hormoon DHT speelt een rol bij alopecia androgenetica (vorm van haaruitval).
Vrouwelijke hormonen
Oestrogenen en progestagenen zijn vrouwelijke hormonen. Deze hormonen zorgen voor meer hoofdhaar en een vertraging van de groeifase van het haar. Het haar blijft dus langer in de hoofdhuid zitten. Bij vrouwen verandert de hormoonspiegel vaak. Dit heeft te maken met de menstruatiecyclus. Ook bij zwangerschap verandert de hormoonspiegel. Tijdens de zwangerschap bevat het bloed namelijk veel oestrogeen. Hierdoor wordt haaruitval geremd. Als de zwangerschap voorbij is, neemt de hoeveelheid oestrogeen weer af. De haren zullen dan alsnog uitvallen, waardoor de vrouw ineens veel haaruitval heeft. Dit wordt vanzelf weer normaal.
Stresshormonen
Cortisol wordt wel een stresshormoon genoemd. Je lichaam maakt cortisol aan bij elke vorm van stress. Stress is een reactie van je lichaam op spanning. Je kunt stress hebben omdat je het druk hebt, omdat je zorgen hebt of omdat er iets spannends gebeurt. Je moet bijvoorbeeld een presentatie geven voor een groot publiek of je hebt een sollicitatiegesprek. Als je veel cortisol in je lichaam hebt, maak je automatisch ook adrenaline, testosteron en DHT aan. De combinatie van cortisol, testosteron en DHT zorgt na verloop van tijd voor haaruitval en minder haargroei.
Erfelijkheid
Er zijn verschillende erfelijke haar- en hoofdhuidproblemen. Een erfelijk haar- of hoofdhuidprobleem krijg je van je ouders. Een ouder heeft bijvoorbeeld albinisme en geeft dit door aan zijn of haar kind. Veel erfelijke haar- of hoofdhuidproblemen zijn maar voor een deel erfelijk. De omgeving is ook van invloed op het probleem. Dit is bijvoorbeeld het geval bij eczeem. De aanleg is erfelijk, maar het hangt van de omgeving af of er klachten ontstaan.
Het zijn vooral de mannelijke en vrouwelijke hormonen die invloed hebben op haargroei en haaruitval.
De belangrijkste exogene factoren zijn verkeerde (haar)producten, weersinvloeden, huidflora (goede bacteriën op de huid) en mechanische, thermische en chemische behandelingen.
Verkeerde producten
Door het gebruik van verkeerde (haar)producten kunnen haar en huid uitdrogen. Vaak wordt dit veroorzaakt door producten die alcohol of sporen van alcohol bevatten. Alcohol werkt namelijk uitdrogend. Ook kun je het haar verstikken door te veel van een product te gebruiken, bijvoorbeeld te veel gel.
Weersinvloeden
Weersinvloeden zoals zonlicht en temperatuur hebben invloed op huid en haar.
Zonlicht bevat uv-straling die bij langdurige, onbeschermde blootstelling tot beschadiging van de huidcellen leidt. Hierdoor veroudert de huid snel, maar de huid wordt ook gevoelig en vatbaar voor ziekten. Ook droogt door de uv-straling het haar uit en kan het verkleuren.
Een extreem lage temperatuur zorgt voor een droge huid. Een extreem hoge temperatuur zorgt ervoor dat de huid gaat glimmen. Als het buiten koud is en binnen warm, dan bestaat de kans dat het haar statisch geladen wordt. Mist kan ervoor zorgen dat het haar gaat pluizen en slap wordt. Dit komt door het vocht dat in de lucht zit.
Huidflora
Een gezonde huidflora beschermt de huid tegen ziekteverwekkers. Bij een ongezonde huidflora kunnen er huidaandoeningen ontstaan, waardoor er voor sommige kappersbehandelingen een contra-indicatie ontstaat. Als er door bepaalde bacteriën bijvoorbeeld ontstekingen ontstaan, dan mag je niet blijvend omvormen of kleuren.
Mechanische, thermische en chemische behandelingen
Soms behandelen klanten hun haar te veel.
Ze gebruiken bijvoorbeeld dagelijks een te hete stijltang of ze kleuren hun haar regelmatig zonder het daarna goed te verzorgen. Hierdoor kunnen het haar en de huid beschadigen. Als de huid of het haar te veel is beschadigd, dan mogen geen chemische behandelingen worden uitgevoerd.
4.4.3 Veelvoorkomende haar- en hoofdhuidaandoeningen
Het is belangrijk om haar- en hoofdhuidaandoeningen op tijd te ontdekken en te herkennen, zodat er iets aan gedaan kan worden. Als kapper moet je weten wat je moet doen bij een haar- of hoofdhuidaandoening. Soms kun je gewoon behandelen. Soms kun je niet alle behandelingen uitvoeren en soms kun je helemaal geen behandeling uitvoeren.
Er zijn veel verschillende haar- en hoofdhuidaandoeningen. Sommige zijn zeldzaam, andere kom je regelmatig tegen. Sommige zijn heel ernstig, maar de meeste zijn dit niet. Ondanks het feit dat ze niet ernstig zijn, kunnen ze wel heel vervelend zijn voor de klant. Dit zijn de meest voorkomende haar- en hoofdhuidaandoeningen die niet levensbedreigend zijn:
• eczeem
• psoriasis
• hoofdluis
• berg
• alopecia androgenetica
• alopecia areata (totalis)
• vitiligo
• albinisme
• tinea amiantacea
• schimmelinfectie
• talgkliercyste
• poliosis circumscripta

Omschrijving



• rode, schilferige huid
• soms bultjes of blaasjes
Oorzaak
• aangeboren
• overgevoeligheid voor een bepaalde stof
Behandeling • je kunt de klant behandelen
• milde producten gebruiken
• het haar voorzichtig borstelen of kammen
• de hoofdhuid voorzichtig masseren
• klant doorverwijzen naar de huisarts wanneer er een combinatie van ontstoken of bloedende wondjes is
• chronische huidziekte
• verdikte, rode, schilferende plekken op de huid
• schilfers zitten vast aan de huid en jeuken
• overgang tussen gezonde huid en de huid met psoriasis kun je duidelijk zien
• niet besmettelijk
• versnelde deling en verminderde rijping van hoorncellen in de opperhuid
• ontstekingsreactie in de huid
• erfelijk
• de klant voorzichtig behandelen
• de hoofdhuid zo veel mogelijk ontzien
• milde shampoo, olie of teershampoo gebruiken (koolteer remt ontstekingen en vermindert jeuk, schilfering en zwelling)
• bij een rustige huid een voorbehandeling gebruiken om de huid extra te beschermen
• een onrustige huid is een contra-indicatie voor (ont)kleuren en blijvend omvormen
• na behandeling gereedschap reinigen en desinfecteren
• insect dat zich voedt met bloed in de hoofdhuid
• met het blote oog bijna niet zichtbaar
• hoofdluizen kunnen niet springen, alleen kruipen en vallen
• jeuk (begint na een paar dagen)
• erg besmettelijk, dus adviseer ook om de rest van het gezin te controleren
• fysiek contact met een besmet persoon
• kinderen krijgen het vaak door jassen die tegen elkaar aan hebben gehangen
• de klant niet behandelen
• luisdodend middel adviseren
Omschrijving



• vette, gele korsten op de hoofdhuid
• komt vaak voor bij baby’s en kleine kinderen
• wordt ook wel mannelijke kaalheid genoemd, maar komt ook voor bij vrouwen
• bij mannen zie je diepe inhammen en/of een kalende kruin
• bij vrouwen zie je een lage haardichtheid en/of kale plekken
Oorzaak
Behandeling
• te hoge talgklierproductie of een verstoorde verhouding tussen natuurlijke schimmels en bacteriën (gistinfectie)
• milde shampoo gebruiken en olie laten inwerken op de hoofdhuid
• na gebruik van shampoo en olie de loslatende huid er voorzichtig af kammen
• gevolg van het verouderingsproces
• erfelijk
• kale (ronde of ovale) plekken in het haar
• het haar komt vaak binnen twee jaar terug op de kale plek
• als de kale plek zo groot is dat het hele hoofd kaal is, dan noem je het alopecia totalis
• wimpers, wenkbrauwen en baardhaar kunnen ontbreken
• ontstoken haarwortels waardoor het haar uitvalt
• je kunt de klant behandelen
• niet te hard aan het haar trekken
• een product tegen haaruitval gebruiken
• een geschikte coupe adviseren die de kale plekken zo goed mogelijk bedekt
• een korte coupe adviseren die de terugtrekkende haarlijn minder laat opvallen
• je kunt de klant behandelen
• de kale huid goed beschermen bij chemische behandelingen
• voor behandeling van de aandoening doorverwijzen naar de huisarts
Omschrijving



• witte plekken op de huid
• op de witte plekken groeien witte haren
• kleurloos of wit haar
• soms rode ogen
Oorzaak
• stoornis in het pigment, waardoor pigment in de huid en in het haar ontbreekt
• stoornis in het pigment, waardoor pigment in de huid en in het haar ontbreekt
• pigment ontbreekt vanaf de geboorte
Behandeling
• je kunt de klant behandelen
• het haar voorbehandelen voordat je gaat (ont)kleuren
• je kunt de klant behandelen
• albinisme is een contra-indicatie voor (ont)kleuren
• sterke vorm van roos
• verschillende verschijningsvormen: schilfers, open wondjes, kale plekken of stinkende korsten
• voorbeelden zijn ringworm en hoofdzeer
• kan chronisch zijn
• besmettelijke schimmelinfectie op het hoofd
• komt vooral voor bij kinderen
• niet erfelijk
• je kunt een knipbehandeling uitvoeren
• geen chemische behandeling bij open wondjes
• de klant doorverwijzen naar de huisarts
• na behandeling gereedschap reinigen en desinfecteren
Omschrijving

• rode vlekken
• jeuk
• eventueel open wondjes of ontstekingen


• holte gevuld met talg
• ronde zwelling in de huid met in het midden een zwart puntje
• komt vaker bij mannen voor dan bij vrouwen
• witte pluk (pigmentloos) haar
• meestal op het voorhoofd
Oorzaak
Behandeling
• de bacteriën, schimmels en gisten op de hoofdhuid zijn uit balans en beschadigen de zuurmantel van de huid
• niet besmettelijk
• je kunt het haar van de klant behandelen
• haar en hoofdhuid zacht masseren
• voorzichtig kammen en borstelen
• open wondjes en ontstekingen zijn een contra-indicatie voor (ont)kleuren en blijvend omvormen
• bij open wondjes en/of ontstekingen doorverwijzen naar de huisarts
• verstopping van de talgklier, omdat het talg dat wordt aangemaakt niet meer weg kan
• ontstaan van een holte, doordat je lichaam het vocht probeert af te schermen door om de talgklier heen een wand te maken
• bij aanhoudende irritatie doorverwijzen naar de huisarts
• komt voor bij gezonde mensen, maar sommige mensen hebben een aandoening waarbij poliosis circumscripta voorkomt
• komt soms voor bij mensen met vitiligo of alopecia areata (teruggroeiend haar kan wit zijn)
• poliosis circumscripta is een contra-indicatie voor (ont)kleuren
Test je kennis over huid en haar.
Snelcode 1 1 1 1 9









5.1 Wassen
5.1.2 Wastechnieken
5.1.3 Shampoo
5.2 Masseren
5.2.1 Massagerichting
5.2.2 Massagesnelheid
5.2.3 Druk
5.2.4 Massagetechnieken
5.3 Was- en massagebehandeling uitvoeren
5.3.1 Benodigdheden
5.3.2 Wasbehandeling uitvoeren
5.3.3 Massagebehandeling uitvoeren

Wassen en masseren gaan eigenlijk altijd samen. Een massage tijdens het wassen is niet alleen ontspannend voor de klant, maar heeft ook een reinigende en verzorgende werking door de shampoo. Daarnaast kan een massage tijdens het wassen de huid en spieren stimuleren of juist kalmeren. Of een massage kalmeert of stimuleert, bepaal je met de richting, de snelheid en de druk van de massage. Als kapper is het belangrijk dat je passende producten gebruikt en de was- en massagetechniek toepast die aansluit bij het huidtype van de klant.
In dit hoofdstuk leer je welke was- en massagetechnieken je kunt gebruiken en voor welk huidtype ze geschikt zijn. Ook leer je waarom en wanneer je het haar van de klant wast en masseert.
Vaak was je het haar van de klant voordat je de behandeling uitvoert. Er zijn verschillende redenen waarom je dit doet:
• Je werkt hygiënischer met gewassen haar.
• Je werkt prettiger en overzichtelijker met nat haar bij bepaalde behandelingen, zoals knippen of snijden en watergolven.
• Je besteedt tijdens het wassen aandacht aan haar- en/of huidproblemen doordat je een shampoo, conditioner of lotion kiest die past bij het probleem.
• Je geeft klanten een extra service. Het wassen van het haar en het masseren van het hoofd vinden veel klanten ontspannend.
• Je bereidt het haar voor op een volgende behandeling. Zo is het bij blijvend omvormen belangrijk dat je het haar van tevoren goed wast met een diep reinigende shampoo.
In veel salons wordt het haar zowel voor als na een behandeling gewassen. Voor de behandeling worden het haar en de hoofdhuid gereinigd. Na de behandeling dient het wassen als ontspanning voor de klant. Bij heren wordt het haar soms na het knippen of scheren gewassen om kleine haartjes te verwijderen.

Bij kleurbehandelingen was je het haar vaak juist na de behandeling. Je wast zo de resten van het kleurproduct uit het haar.

Je kunt klanten wassen met drie soorten wastechnieken:
1. de normale wastechniek
2. de oppervlakkige wastechniek
3. de dieptewastechniek
Welke wastechniek je gebruikt, hangt af van een aantal factoren en het effect dat je met het wassen wilt bereiken. De normale wastechniek wordt in kapsalons het meest toegepast.
Normale wastechniek
Druk
• gemiddelde druk
Gebruik
• bij normaal haar en een normale hoofdhuid
• als je het haar wilt reinigen en verzorgen voordat je met een behandeling begint
Effect
• reinigt het haar
• stimuleert de hoofdhuid en de talgproductie licht
Druk
• zeer lichte druk
Gebruik
• bij een vette hoofdhuid
• als je de huid niet extra gevoelig wilt maken
Effect
• reinigt het haar
• stimuleert de hoofdhuid
• stimuleert de talgproductie niet
Dieptewastechniek
Druk
• flinke druk
Gebruik
• bij een droge hoofdhuid en droog haar
• bij sterk verontreinigd haar
• niet bij klanten met een hoge bloeddruk of een gevoelige hoofdhuid
Effect
• reinigt het haar
• stimuleert de hoofdhuid en de talgproductie
Een shampoo bestaat vaak voor 50 tot 70% uit water.
Shampoos reinigen en verzorgen het haar. Er bestaan verschillende soorten shampoos. Elke shampoo bevat een aantal basisingrediënten.
Basisingrediënten
Een shampoo bevat de volgende basisingrediënten:
• werkzame stoffen
• conserveringsmiddelen
• geur- en kleurstoffen
• glansmiddelen
• conditioneringsmiddelen
• wasactieve stoffen
De werkzame stoffen zorgen voor de specifieke werking van een shampoo. Denk hierbij aan stoffen die de haarschubben openen of juist sluiten of stoffen die het haar voeden. Een shampoo is langer houdbaar door de conserveringsmiddelen
De geur en kleur krijgt een shampoo door de geur- en kleurstoffen. De conditionerings- en glans middelen zorgen voor extra bescherming van het haar.

De conditioneringsmiddelen zorgen ervoor dat haarschubben kunnen sluiten, waardoor het haar gladder wordt. De haren krijgen dan minder snel knopen en worden zo beter beschermd. De glansmiddelen geven het haar daarnaast extra glans.
Een shampoo bevat ook wasactieve stoffen en water. De wasactieve stoffen zorgen ervoor dat het vet, het vuil en de dode huidschilfers in het water oplossen. De wasactieve stoffen gaan schuimen zodra ze in aanraking komen met water. De combinatie van wasactieve stoffen en water zorgt ervoor dat alle ingrediënten van een shampoo oplossen.
In kappersproducten, zoals een shampoo, zitten meer werkzame stoffen dan in vergelijkbare producten uit de detailhandel. Bij detailhandel kun je denken aan een drogisterij. Doordat kappersproducten meer werkzame stoffen bevatten, zijn deze producten vaak duurder dan in de detailhandel.





pH-waarde
Shampoos kun je indelen naar de pH-waarde. Deze waarde geeft aan of een shampoo zuur of basisch is. Een zure shampoo sluit de haarschubben, waardoor het haar gaat glanzen. Een basische shampoo opent juist de haarschubben, waardoor je het haar blijvend kunt omvormen. Je kunt een basische shampoo ook gebruiken voor haar dat verontreinigd is.
De pH-waarde wordt aangegeven met een getal tussen de 0 en 14. Hoe lager de pH-waarde, hoe zuurder de shampoo is.
Hoe hoger de pH-waarde, hoe basischer de shampoo is. Een pH-waarde van 7 wijst op een neutrale shampoo. Op basis van de pH-waarde kun je shampoos onderverdelen in:
• pH-neutrale shampoo;
• zwak zure shampoo;
• zwak basische shampoo.



pH-schaal





Soort shampoo pH-waarde
pH-neutraal
Zwak zuur
• 7
• tussen de 5 en 7
Zwak basisch
• tussen de 7 en 8

Functie
neutraal


De pH-waarde geeft aan of een shampoo zuur of basisch is.
• reinigt en verzorgt de haren
• reinigt de haren
• sluit de haarschubben
• reinigt de haren
• opent de haarschubben
Gebruik
• voor de start van een behandeling
• nadat het haar blijvend omgevormd is
• voor gekleurd haar
• voordat je een blijvende omvorming uitvoert
• voor verontreinigd haar
Haar- en huidtypen
Naast de verdeling op basis van pH-waarden kun je shampoos ook onderverdelen naar haar- en huidtypen. Denk hierbij aan shampoos voor fijn haar of een vette hoofdhuid. Deze shampoos werken meestal niet alleen verzorgend en reinigend. Vaak hebben ze ook een andere werking, zoals je kunt lezen in het overzicht hieronder.
Er zijn shampoos die helpen bij haaraandoeningen of -problemen, bijvoorbeeld
bij extreme haaruitval.
Shampoo per haar- en huidtype
Haar normale shampoo voor normaal haar
pH-neutraal/zuur/basisch Werking van de shampoo
zwak basisch
shampoo voor gekleurd haar zwak zuur
shampoo voor fijn haar
huidneutrale shampoo voor elk haartype
herstellende shampoo voor beschadigd haar
Hoofdhuid antiroosshampoo
pH-neutraal
pH-neutraal
zwak zuur
pH-neutraal
shampoo tegen haaruitval
Haar en hoofdhuid shampoo voor droog of gevoelig haar
shampoo voor vet haar
pH-neutraal
zwak zuur
pH-neutraal
• reinigt het haar
• heeft uv-filter om kleur te beschermen
• kan kleurdeeltjes bevatten om kleur mooi te houden
• verstevigt het haar
• geeft het haar meer volume
• reinigt chemisch behandeld haar zonder blijvende omvorming of haarkleuring aan te tasten
• werkt extra verzorgend
• verbetert de doorkambaarheid van het haar
• doodt schimmels en/of bacteriën en breekt huidschilfers af
• herstelt de opperhuid
• alleen gebruiken bij roos
• kan gekleurd haar dof maken
• stimuleert de doorbloeding en haargroei
• zuivert en verfrist het haar
• stimuleert de talgproductie
• brengt het vochtgehalte van het haar op peil
• te lang gebruik kan het haar uitdrogen
• remt de talgproductie

Houdbaarheid en kwaliteit
Shampoos, conditioners, haarmaskers en lotions zijn beperkt houdbaar. Let op het tekentje:
Een massage tijdens het wassen heeft meerdere doelen:
• Je zorgt voor een betere reinigende en verzorgende werking van de shampoo.
• Je kalmeert de huid en ontspant de spieren of je stimuleert juist de huid en spant de spieren aan.
• Je stimuleert de talgklieren of juist niet.
Of een massage kalmerend of stimulerend werkt, hangt af van:
Hieraan kun je zien hoeveel maanden je een product na het openen nog kunt gebruiken. Controleer altijd of het product nog goed is voordat je het gebruikt. Als het product geopend is, kun je er op de volgende manieren voor zorgen dat de kwaliteit langer goed blijft:
• Raak producten niet direct met je handen aan. Gebruik hiervoor pompjes.
• Schud en roer de producten alleen als dat nodig is.
• Sluit de productverpakking goed af. De producten moeten zo min mogelijk met zuurstof in aanraking komen.
1. de massagerichting; 2. de massagesnelheid; 3. de druk tijdens de massage. TIP
• Bewaar producten op een koele, droge en donkere plaats.
Zet de openingsdatum op het product.

Het hart pompt het bloed door de bloedvaten naar de organen, de ledematen en het hoofd. Om ervoor te zorgen dat het bloed makkelijk terugstroomt naar het hart, hebben de bloedvaten kleppen. Als het bloed de juiste kant op stroomt, dan duwt het bloed de kleppen open. Stroomt het bloed de verkeerde kant op, dan duwt het bloed de kleppen juist dicht. Het is belangrijk dat je bij een massage druk uitoefent in de juiste richting.
Oefen je namelijk druk uit in de richting waarin het bloed stroomt, dan stimuleer je de doorbloeding van de huid. Hierdoor worden afvalstoffen beter afgevoerd. Zuurstof en voedingsstoffen worden makkelijker aangevoerd. Oefen je te harde druk uit tegen de richting van het hart in?
Dan verminder je de doorbloeding, waardoor de klant hoofdpijn kan krijgen. Oefen daarom hardere druk alleen uit vanaf het hoofd naar beneden richting het hart.
De snelheid waarmee je masseert, heeft invloed op de wijze waarop de klant de massage ervaart. Als je traag masseert, ontspant de hoofdhuid en haal je de spanning van de spieren. Snelle massagebewegingen activeren juist de hoofdhuid. De spieren spannen zich dan aan en het bloed gaat sneller stromen.
Oefen je druk uit in de richting waarin het bloed stroomt, dan stimuleer je de doorbloeding van de huid.
Pas de hoeveelheid druk altijd aan op de hoofdhuidconditie en het doel van de massage. Gebruik bijvoorbeeld bij een vette hoofdhuid die je alleen wilt reinigen een zeer lichte druk. Hoe meer druk je uitoefent, hoe meer je de talgklieren stimuleert. Het haar wordt hierdoor vetter, wat je bij een klant met vet haar juist wilt voorkomen.
5.2.4
Bij het masseren van klanten kun je verschillende massagetechnieken gebruiken:
• klopmassage (tapotement)
• trilmassage (vibratie)
• kneedmassage (petrissage)
• wrijfmassage (frictie)
• strijkmassage (effleurage)
Iedere massagetechniek voer je op een andere manier en om een andere reden uit. Ook hebben ze verschillende effecten en gelden er in sommige gevallen specifieke contra-indicaties.
Algemene contra-indicaties
Controleer altijd voordat je begint met masseren of de klant geen contra-indicaties heeft. Je mag geen enkele massagetechniek uitvoeren als de klant:
• koorts heeft;
• een hoge bloeddruk heeft of bloedverdunners gebruikt;
• ontstekingen op het hoofd heeft;
• hoofdpijn heeft;
• opvallende pigmentvlekken, moedervlekken of gezwellen op het hoofd heeft;
• bloeduitstortingen of blauwe plekken op het hoofd heeft;
• vette roos heeft en je geen product gebruikt om de roos weg te nemen.
Een klant met hoofdpijn mag je nooit masseren. Doe dat ook niet als de klant denkt dat het masseren verlichtend zal werken. Hoofdpijn kan namelijk verschillende oorzaken hebben. Je bent niet medisch geschoold en je kunt dus niet beoordelen of een massage gevaarlijk kan zijn.
Vraag de klant of de massage prettig aanvoelt. Te veel druk kan pijnlijk zijn.


Klopmassage
Contactpunten
• vingertoppen
• eerste vingerkootjes
Beweging
• snelle tokkelbeweging
• licht kloppende beweging
Toepassing
• vette huidtypen
Effect
• verbetert gevoelszintuigen zonder de talgproductie te stimuleren
• ontspant verkrampte spieren
• spant verslapte spieren aan
• verbetert de doorbloeding
• kalmeert de huid
• stimuleert de zenuwen
Contra-indicaties
• een droog huidtype
Trilmassage
Contactpunten
• vingertoppen
Beweging
• snel trillende vingers
Toepassing
• alle huidtypen
• aan het einde van de massage als afsluiting
Effect
• stimuleert de stofwisseling in de spieren en zenuwen
• ontspant de spieren
• ontspant de zenuwen
• kalmeert de huid
Contra-indicaties
• geen



Kneedmassage
Contactpunten
• duim
• vingertoppen
Beweging
• knedende bewegingen
Toepassing
• bij een droog huidtype
• bij een hoofdhuid met slechte doorbloeding
• bij verslapte spieren
• bij verkrampte spieren
Effect
• activeert de talgklieren
• verbetert de doorbloeding in de hoofdhuid
• stimuleert de stofwisseling in de spieren en zenuwen
• stimuleert de afvoer van afvalstoffen
• spant de spieren aan
Contra-indicaties
• weinig onderhuids vetweefsel
• vette hoofdhuid
• roos
• gesprongen adertjes
Contactpunten
• duim
• vingers
• vingertoppen
• duimmuis
• handwortel
Beweging
• cirkelvormige en zigzaggende bewegingen
Toepassing
• bij droge tot normale huidtypen
• bij een huid met een slechte doorbloeding
Effect
• ontspant verkrampte spieren
• verbetert de doorbloeding van de huid
Contra-indicaties
• geen
Strijkmassage
Contactpunten
• hele hand
• twee duimen tegelijk
• duimmuis
• binnenkant vingers
Beweging
• lange, vloeiende, strijkende bewegingen
Toepassing
• alle huidtypen
• aan het begin van de massage als inleidende grepen
• na intensievere grepen om de huid te kalmeren en te ontspannen
• aan het einde van de massage als afsluiting
Effect
• maakt dode huidcellen los
• stimuleert de huid
• ontspant verkrampte spieren
• spant verslapte spieren aan
• verbetert de doorbloeding
• kalmeert de zenuwen
Contra-indicaties
• in verband met huidverschuivingen bij deze massage: een verouderde, verslapte huid met verslapte spieren (afhankelijk van de hoeveelheid druk)
Bij het uitvoeren van een was- en massagebehandeling gebruik je verschillende producten en materialen. Je volgt bij deze behandelingen een aantal stappen en je houdt rekening met de specifieke aandachtspunten per wasbehandeling en massagetechniek.
Bij een massage tijdens het wassen kan een klant het koud krijgen, omdat hij/zij een tijdje stil ligt met nat haar. Houd daarom rekening met de temperatuur in de salon.

Bij een klant met vette roos mag je geen massage uitvoeren.











Een massage en een wasbehandeling voer je vaak tegelijkertijd uit. Bij beide behandelingen gebruik je verschillende producten en materialen.














De wasbak gebruik je om klanten te wassen en te masseren. De klant ligt hierbij op de stoel en het hoofd hangt achterover in de wasbak. De wasbak heeft een kraan waarmee je de haren kunt wassen.
Om kapperseczeem zoveel mogelijk te voorkomen, draag je handschoenen bij het wassen van het haar en het uitvoeren van massagetechnieken. Zo bescherm je je handen tegen uitdroging en eventuele chemische stoffen.

Bij het wassen en masseren gebruik je een klem om de handdoek van de klant vast te zetten. Je zet de handdoek altijd vast onder de kin. Op deze manier blijft de handdoek om de nek van de klant zitten. De klant wordt hierdoor beschermd tegen bijvoorbeeld water.
Een grove kam gebruik je alleen bij een wasbehandeling. Je kunt de kam gebruiken aan het einde van de wasbehandeling. Na het wassen en droogmaken van het haar ontwar je de haren met een grove kam.
Soms geef je een klant na het wassen en masseren nog een beschermende of verbeterende behandeling. Dit kan het aanbrengen van conditioner of een gezichtsmasker zijn. Bij deze behandelingen heb je een timer nodig. Een conditioner en een gezichtsmasker moet je namelijk een bepaalde tijd laten inwerken. Bekijk op de verpakking van het product hoelang de inwerktijd is.
Een conditioner gebruik je als nabehandeling na het wassen en masseren. Met een conditioner sluit, verzorg en bescherm je de haarschubben, waardoor het haar gaat glanzen en zachter aanvoelt. De meeste conditioners moet je kort laten inwerken en daarna uitspoelen. Op de verpakking van de conditioner staat hoelang je deze moet laten inwerken. Er zijn ook leave-in-conditioners die je juist niet moet uitspoelen. Leave-in-conditioners werken intensiever dan conditioners die je uitspoelt. Dit type conditioner breng je aan op handdoekdroog haar.


























Lotions gebruik je om de hoofdhuid te stimuleren en te verzorgen. Je kunt een lotion gebruiken om bijvoorbeeld roos of haaruitval te verhelpen. Lotions worden ook vaak gebruikt als kuur tegen bijvoorbeeld een jeukende, schilferende of droge hoofdhuid. Hoe vaak je de lotion moet aanbrengen, verschilt per kuur. Lees daarom altijd vooraf de gebruiksaanwijzing goed door. Er zijn lotions verkrijgbaar van merken die gespecialiseerd zijn in huid- en haarproblemen.



Een haarmasker verzorgt het haar zeer intensief. Het product dringt door tot in de vezellaag van het haar en heeft een intensieve, krachtige werking. Je gebruikt een haarmasker bij droog, vet, dof of poreus haar. Een haarmasker kun je ook gebruiken als nabehandeling wanneer het haar extra verzorging nodig heeft, zoals na het (ont)kleuren of blijvend omvormen. Je brengt een haarmasker vooral aan op de punten van het haar, omdat deze de meeste verzorging nodig hebben. Op de verpakking staat hoelang je het masker moet laten inwerken.
Shampoo gebruik je om het haar te reinigen en te verzorgen. Een shampoo bevat verschillende basisingrediënten, zoals werkzame stoffen, geurstoffen en conserveringsmiddelen. Je kunt shampoos op twee manieren onderverdelen: naar pH-waarde en naar haar- of huidtype.
5.3.2
Het aanbrengen en uitwassen van een shampoo, conditioner of haarmasker doe je in een aantal stappen.
Stappenplan shampoo aanbrengen en uitwassen
Bereid de klant voor.
Stappenplan conditioner aanbrengen
Was het haar en maak het handdoekdroog.
Breng de conditioner aan in de lengte van het haar en op de punten.
Verdeel de conditioner gelijkmatig over het haar.
Onderzoek het haar en de hoofdhuid en kies de juiste shampoo.
Controleer de watertemperatuur en maak het haar nat.
Breng de shampoo aan en was of masseer de haren.
Spoel de shampoo uit.
Droog de haren.
Stappenplan snelcode 1 3 0 5 6 1 2 3 4 5 6
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 2 3
Laat de conditioner inwerken als dat nodig is.
Spoel de conditioner uit met lauwwarm water.
Maak het haar handdoekdroog en kam het eventueel door.
Begeleid de klant naar de kappersstoel.
Gebruik niet te veel shampoo. Een hoeveelheid ter grootte van een 1 euromunt in je handpalm is genoeg.
Stappenplan haarmasker aanbrengen
Was het haar, maak het handdoekdroog en ontwar het.
Maak een viervaks- of een sterafdeling.
Breng het haarmasker aan.
Verdeel het product gelijkmatig over het haar.
Laat het haarmasker inwerken (met warme handdoek of folie).
Spoel het haarmasker goed uit.
Maak het haar handdoekdroog.
Begeleid de klant naar de kappersstoel.
Aandachtspunten
Als je een wasbehandeling uitvoert, zorg er dan voor dat je:
• de klant bedekt met een handdoek en deze vastzet met een klem;
• een shampoo kiest die past bij het type haar en hoofdhuid;
• de watertemperatuur controleert voordat je begint met wassen;
• het gezicht en de oren beschermt door een kommetje te maken met je handen;
• de wastechniek aanpast aan het type haar en hoofdhuid en aan de wensen van de klant;
• handschoenen draagt om je huid te beschermen.
Kies altijd een shampoo die past bij het type haar en hoofdhuid van de klant.
5.3.3 Massagebehandeling uitvoeren
Een kneedmassage, wrijfmassage, strijkmassage, klopmassage en trilmassage voer je uit in een aantal stappen.
Stappenplan kneedmassage uitvoeren
Stappenplan wrijfmassage uitvoeren
Plaats je vingers op de huid.
Wrijf met cirkelvormige bewegingen over de huid.
Geef druk naar buiten.
Verplaats je handen en herhaal de beweging.
Plaats je vingertoppen op de huid.
Plaats je duim.
Kneed de huid.
Oefen druk uit op de huid.
Haal alle druk van de huid.
Herhaal de beweging.
Stappenplan snelcode 1 3 0 5 7 1 2 3 4 5 6
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 2 4
Maak zigzagbewegingen naar de kruin toe.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 2 5
Stappenplan snelcode 1 3 0 5 8
Stappenplan strijkmassage uitvoeren
Leg je beide handen ontspannen op de huid. Gebruik je hele hand.
Strijk met je beide handen over het hoofd.
Geef druk in de richting van het hart.
Verplaats je handen en herhaal de beweging.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 2 6
Stappenplan snelcode 1 3 0 5 9
Stappenplan klopmassage uitvoeren
Leg je vingerkootjes op de huid.
Buig je vingers licht en klop met je vingertoppen.
Beweeg je vingers kloppend naar een nieuwe plaats en herhaal de beweging.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 2 7
Stappenplan snelcode 1 3 0 6 0
Stappenplan trilmassage uitvoeren
Plaats je vingertoppen op de huid bij de haargrens.
Span de spieren in je armen aan en laat je handen trillen.
Verplaats je vingers naar een nieuwe plaats en herhaal de beweging.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 2 8
Aandachtspunten
Houd rekening met de volgende aandachtspunten als je een was- en/of massagebehandeling uitvoert:
• Betrek de klant bij de behandeling door te vragen of de behandeling prettig is.
• Gebruik de juiste producten. Stem bijvoorbeeld de shampoo af op het type haar en hoofdhuid van de klant.
• Draag eventueel handschoenen om je handen te beschermen.
• Vertel tijdens de behandeling welke producten je gebruikt, zodat je de verkoop van producten stimuleert.
Test je kennis over wassen en masseren.
Snelcode 1 1 0 6 2










6.1 Föhntechnieken
6.1.1 Föhnen zonder borstels
6.1.2 Föhnen met borstels
6.1.3 Technische aspecten van het haar
6.2 Föhnbehandeling uitvoeren
6.2.1 Benodigdheden
6.2.2 Stappenplan föhnbehandelingen
6.2.3 Aandachtspunten

Na een knipbeurt droog je het haar van de klant vaak met de föhn. Zo gaat de klant niet met nat haar naar huis. Met de föhn kun je het haar ook tijdelijk omvormen. Je kunt het haar er steiler mee maken, maar ook juist meer volume geven. Welke föhntechnieken er zijn en hoe je deze uitvoert, leer je in dit hoofdstuk.
Bij het föhnen blaas je lucht door het haar heen. Het haar droogt daardoor en krijgt volume. Doordat je werkt met warmte, kun je ook de vorm van het haar veranderen. Zo kun je extra volume in het haar föhnen, maar je kunt er ook voor kiezen om op sommige plekken minder volume aan te brengen. Zo beïnvloed je door te föhnen het eindresultaat van de coupe.
Er zijn verschillende föhntechnieken die je kunt gebruiken. Het eindresultaat hangt af van de föhntechniek die je kiest, maar ook van de materialen die je gebruikt. Je kunt bijvoorbeeld met of zonder borstels föhnen. Als je een los en speels effect wilt creëren, föhn je zonder borstels. Je gebruikt dan je handen om het haar in model te krijgen. Door te föhnen met borstels kun je nauwkeuriger werken. Je kunt dan op bepaalde plaatsen meer of juist minder volume creëren. Ook zorgt het werken met een borstel voor een betere reflectie van het licht op het haar. Door de warmte van de föhn en door de borstel wordt het haar gepolijst. Het haar gaat daardoor glanzen.
6.1.1
Er zijn drie technieken die je kunt gebruiken voor een losse, speelse coupe: drogen, scrunchen en kneden.
Drogen en voordrogen
De techniek drogen gebruik je als de coupe niet in een bepaald model geföhnd hoeft te worden. Je droogt het haar om het licht volume te geven en om ervoor te zorgen dat de klant niet met nat haar de salon verlaat. Je kunt met drogen extra volume creëren door tegen de haargroeirichting in te blazen.
Je kunt de techniek drogen ook gebruiken als voorbehandeling voordat je gaat föhnen. Dit noem je voordrogen. Voordrogen doe je bij heel nat haar of bij haar dat lastig droogt, zoals dik haar, lang haar of poreus haar. Je föhnt het haar tot het handdoekdroog is. Daarna voer je de gewone föhnbehandeling uit.
Kneden
Kneden gebruik je bij korte coupes, nonchalante coupes en coupes met een grove permanent en bij haar dat van nature krult. Je versterkt er de drukke structuur van de coupe mee. Je geeft het haar volume door met je handen een knedende beweging te maken in het haar.
Scrunchen
Scrunchen gebruik je vaak bij een korte, nonchalante coupe. Je geeft het haar volume door het haar rond te draaien met een platte handpalm op de hoofdhuid. Tegelijkertijd kneed je het haar met de vingers. Je gebruikt deze techniek vaak in combinatie met kneden. Scrunchen geeft een wilder effect dan alleen kneden. Het is minder geschikt voor poreus haar.
Diffuser
Een diffuser is een opzetstuk voor een föhn. Je gebruikt de diffuser voor natuurlijk krullend haar en voor gepermanent haar. Je legt het haar in de diffuser waardoor het haar zacht en gelijkmatig droogt.
Je kunt föhnen met en zonder borstels.

Er zijn drie technieken die je kunt gebruiken om te föhnen met borstels. Hierdoor kun je op specifieke plekken meer of minder volume aanbrengen. Je kunt aanzetten föhnen, natuurlijk föhnen of rollen föhnen.
Aanzetten föhnen
Aanzetten föhnen doe je vooral in herencoupes. Je maakt volume bij de hoofdhuid door direct bij de hoofdhuid een kantelende beweging te maken met de borstel en tegelijkertijd te föhnen. Aanzetten föhnen zorgt voor een stevige, houdbare coupe. Bij lang haar kun je ook een mooie aanzet föhnen om het kapsel houdbaarheid te geven.
Natuurlijk föhnen
Natuurlijk föhnen doe je om nadruk te leggen op het natuurlijke volume van het haar.
Bij natuurlijk föhnen föhn je de passés in de gewenste richting. Daarvoor gebruik je een pennenborstel of ventilatieborstel. Als je aan de aanzet wat meer volume geeft, krijgt de hele coupe wat meer volume.
Rollen föhnen
Als je heel nauwkeurig volume wilt aanbrengen, kies je voor rollen föhnen. Hierbij gebruik je ronde borstels om de haarpartijen in de vorm van rollen te föhnen. Om de coupe een langere houdbaarheid te geven, gebruik je meerdere borstels. Het haar heeft dan langer de tijd om af te koelen in de nieuwe vorm, waardoor de vorm langer blijft zitten.
Bekijk hoe je de stappen van de verschillende föhntechnieken uitvoert online in de les 'Föhntechnieken uitvoeren'
Stappenplan snelcode 1 0 0 0 6
Bij het kiezen van een föhntechniek houd je rekening met de wensen van de klant, de uiterlijke kenmerken van de klant en de technische aspecten van het haar. Bij het föhnen let je extra op de conditie van het haar en op de haardikte.
Conditie van het haar
Poreus haar is een contra-indicatie voor föhnen op de warmste stand van de föhn. De warmte kan het haar namelijk beschadigen. Kies bij poreus haar altijd voor een lagere temperatuur bij het föhnen.
Haardikte
Dik haar heeft meer tijd nodig om te drogen dan fijn haar. Droog dik haar daarom altijd voor als je het gaat föhnen. Zo wordt de droogtijd verkort.

Door de aanzetten te föhnen zorg je voor een stevige, houdbare
Bij het föhnen gebruik je verschillende benodigdheden. Die kies je op basis van het DAB-plan. Daarna voer je de föhnbehandeling uit.
Voor een föhnbehandeling heb je verschillende materialen nodig. Vooral de borstels en de föhn met mondstukken zijn belangrijk. Bij het föhnen met borstels kun je verschillende borstels gebruiken. Elke borstel zorgt voor een ander resultaat. Met mondstukken bepaal je op welke manier de lucht uit de föhn komt. Je kunt daardoor gerichter föhnen. Er zijn verschillende vormen en breedtes die je kunt gebruiken.
De föhn gebruik je om het haar te drogen met warme of koude lucht. Met warme lucht blaas je het haar in een nieuwe vorm droog. Met koude lucht kun je het geföhnde haar laten afkoelen zodat het beter in de nieuwe vorm blijft. De temperatuur en de hoeveelheid lucht kun je vaak met knoppen op de föhn instellen.
De pennenborstel gebruik je voor het föhnen van aanzetten of bij korte coupes met veel volume.
Bekijk online nog eens een voorbeeld van een DAB-plan om op te frissen hoe je een föhnbehandeling hierin verwerkt.
Snelcode 1 9 1 6 6
Bij heren gebruik je geen ronde borstel, maar een pennenborstel of ventilatieborstel als je föhnt.









Pennenborstel




















































Ventilatieborstel












De ventilatieborstel gebruik je om de droogtijd van het haar te verkorten. De ventilatieborstel heeft gaten waar de lucht van de föhn doorheen gaat. De droogtijd van het haar is daardoor korter dan wanneer je andere borstels gebruikt.






















Polijstborstel








Smal mondstuk
De ronde borstel gebruik je om volume te maken of krullen in het haar te föhnen. Voor grove krullen met veel volume gebruik je een borstel met een grote diameter. Voor fijne, stevige krullen gebruik je een borstel met een kleine diameter. Een metalen föhnborstel geleidt de hitte beter, omdat deze gaatjes heeft. Hierdoor droogt het haar sneller dan bij gebruik van een houten borstel.
De polijstborstel gebruik je na de föhnbehandeling om het haar te polijsten. Daardoor gaat het haar glanzen. Je kunt de polijstborstel ook gebruiken om het haar licht te touperen.
Je gebruikt een smal mondstuk als je föhnt met een borstel. Met het smalle mondstuk blaas je de lucht op het haar op de borstel. Het haar droogt daardoor snel en zit stevig in model.
Je gebruikt een breed mondstuk als je een wat losser effect wilt creëren bij het föhnen, vooral als je föhnt zonder borstels. Met een breed mondstuk blaas je de lucht op een grotere haarpartij dan bij een smal mondstuk. Het haar droogt hierdoor minder snel.
Breed mondstuk
Poreus haar föhn je niet op de warmste stand.

De diffuser gebruik je bij klanten met een natuurlijke krul of grove permanent. De diffuser verspreidt de lucht over een heel breed oppervlak. De warme lucht vermengt zich daardoor met de koudere lucht uit de omgeving. Het haar droogt op die manier rustig en langzaam. Er bestaan ook diffusers met uitstekende nopjes. Daarmee kun je het haar wat losser maken. De diffuser zorgt er ook voor dat een krul niet gaat pluizen. De krul komt mooi uit en blijft goed op zijn plaats zitten.
Daarnaast gebruik je ook weer:
• een kapmantel
• een handdoek
• afdeelklemmen
• een kam
• stylingproducten
Bekijk online welke stylingproducten je kunt gebruiken.
Snelcode 1 3 1 6 5

In het hoofdstuk Werken in de salon lees je meer over veelgebruikte materialen bij behandelingen, zoals een kapmantel, een handdoek en afdeelklemmen.

Een föhn kiezen
Let bij het kiezen van een föhn op de volgende eigenschappen:
• Het aantal warmtestanden dat de föhn heeft.
• Hoe sterk de föhn is. Hoe hoger het wattage, hoe krachtiger de föhn kan blazen.
• Het gewicht van de föhn. Een lichtere föhn is beter voor je lichaam.
• De lengte van het snoer. Denk hierbij aan de afstand van je werkplek tot een stopcontact.
6.2.2 Stappenplan föhnbehandelingen
Er zijn verschillende föhnbehandelingen mogelijk. Elke föhnbehandeling voer je uit in een aantal stappen.
Stappenplan drogen en voordrogen
Zet de föhn op een lage temperatuur.
Föhn het haar.
Breng met je vingers volume aan in het haar.
Werk de coupe af met stylingproducten.
Stappenplan kneden
Zet de föhn op een normale temperatuur.
Föhn het haar in de richting waarin je het haar modelleert.
Kneed het haar stevig bij de aanzet voor meer volume.
Werk de
stylingproducten.
Stappenplan scrunchen
Zet de föhn op een normale temperatuur.
Scrunch met je hand en blaas het haar in de richting waarin je het haar modelleert.
Werk de coupe af met stylingproducten.
Stappenplan aanzetten föhnen
Zet de föhn op een normale temperatuur.
Neem een passé op.
Föhn de aanzetten.
Föhn de lengten van het haar.
Werk de coupe af met stylingproducten.
Föhn de aanzetten bij de scheiding het laatst, anders wordt het haar daar te bol.
Stappenplan natuurlijk föhnen
Zet de föhn op een normale temperatuur.
Deel het haar af.
Neem een passé op.
Föhn de aanzetten.
Föhn de lengten van het haar.
Werk de coupe af met stylingproducten.
Stappenplan rollen föhnen
Zet de föhn op een normale temperatuur.
Deel het haar af.
Neem een passé op.
Föhn de passé en draai de borstel in.
Laat de borstel in het haar zitten tot het haar is afgekoeld.
Föhn de rest van het haar.
Werk de coupe af.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Controleren
Controleer na elke föhnbehandeling of het volume in de coupe past bij de uiterlijke kenmerken en de wensen van de klant. Laat de klant aan het einde van de behandeling het eindresultaat zien in de spiegel. Met een handspiegel kun je ook de achterkant van de coupe laten zien. Vraag of de klant tevreden is met het eindresultaat. Als dat niet zo is, kun je nog aanpassingen doen.
Bij het föhnen van het haar gelden de volgende aandachtspunten.
Föhnen van kort en (half)lang haar Bij het föhnen van een korte coupe hoef je geen afdelingen in het haar te maken. Er is namelijk geen vaste föhnrichting bij een korte coupe, dus je kiest zelf in welke richting jij het prettigst föhnt. Je houdt hierbij wel rekening met de wensen van de klant.
Bij het föhnen van (half)lang haar maak je wel een afdeling voordat je gaat föhnen. Je zet het haar vast met afdeelklemmen. Föhn vanuit de nek naar boven, in horizontale passés. Het natte haar kan zo het geföhnde haar niet opnieuw natmaken.
Let op: zorg ervoor dat lang haar niet aan de achterkant van de föhn in de motor terechtkomt.
Een korte coupe kun je föhnen zonder afdelingen in het haar te maken.

Temperatuur van de föhn
De temperatuur van de föhn is een belangrijk aandachtspunt bij het föhnen. Als je een verkeerde temperatuur kiest, kun je het haar beschadigen. Let daarom op de volgende punten:
• Zet de föhn bij normaal haar op een gemiddelde temperatuur. Als de klant beschadigd haar heeft, kies je de laagste temperatuur. Zo voorkom je dat het haar verder beschadigt.
• Wissel regelmatig de plek waar je föhnt. De warmte kan na een tijdje onprettig aanvoelen voor de klant en je kunt het haar beschadigen als je te lang op één plek föhnt.
• Richt de föhn niet te veel naar de hoofdhuid. Zo voorkom je dat de huid verbrandt door de warmte van de föhn.
• Föhn het haar niet te lang. De warmte van de föhn kan het haar statisch maken.
Lichaamshouding
Houd bij het föhnen je lichaamshouding goed in de gaten. Zo kun je klachten aan je rug en armen voorkomen. Let op de volgende punten:
• Houd de föhn afwisselend in je linkerof rechterhand vast. Zo geef je de spieren van je armen voldoende rust.
• Houd je ellebogen onder schouderhoogte. Je hoeft zo niet met je armen over de klant heen om in de juiste richting te kunnen blazen.
• Loop tijdens het föhnen om de klant heen. Dan hoef je geen ingewikkelde bewegingen met je armen te maken om alle haarpartijen te kunnen drogen. Als je stilstaat, sta dan op twee voeten en buig een beetje door je knieën. Houd je schouders ontspannen en houd je rug recht.
• Houd het snoer van de föhn altijd voor je. Zo raak je niet verstrikt in het snoer en ontstaan er geen gevaarlijke situaties.
Test je kennis over föhnen.
Snelcode 1 1 0 2 0


7.1 Benodigdheden
7.1.1 Materialen
7.1.2 Gereedschappen
7.2 Een passende coupe
7.2.1 De vorm van een coupe
7.2.2 Herkenningspunten van het hoofd
7.2.3 De basisstappen van een coupe
7.3 Scheidingen trekken en afdelingen maken
7.3.1 Scheidingen
7.3.2 Afdeeltechnieken
7.4 Passé opnemen
7.4.1 Projectie
7.4.2 Verplaatsing
7.4.3 Aandachtspunten
7.5 Basis- en gidslijn
7.5.1 Basislijn knippen
7.5.2 Gidslijn gebruiken
7.6 Coupe knippen
7.6.1 Werkwijzen voor knippen
7.6.2 De kappersschaar
7.6.3 Kam en schaar in ruststand
7.7 Coupe afwerken
7.8 Coupe controleren

Je hebt een klant in de behandelstoel die graag een knipbehandeling wil. Voorafgaand aan de knipbehandeling stel je vast welke coupe past bij de klant en welke materialen en gereedschappen je nodig hebt, zoals een grove kam of een tondeuse. Voor en tijdens het knippen volg je een aantal vaste basisstappen die je altijd uitvoert.
In dit hoofdstuk leer je de basis van het knippen. Je leert onder meer welke materialen je nodig hebt en wat de vijf basisstappen bij het knippen zijn. De basis van het knippen is hetzelfde als de basis van het snijden.
Voor knippen of snijden heb je verschillende materialen en gereedschappen nodig. Als je begint met een behandeling, zorg je ervoor dat je alle benodigdheden klaar hebt liggen. Zo begin je goed voorbereid aan de behandeling.
Bij knippen of snijden gebruik je de volgende materialen:
• afdeelklemmen
• kapmantel
• handdoek
• knipkraag
• halskraag
• waterspuit
• nekkwast
• pompstoel
• kappersfiets
• werkwagen
Naast de materialen heb je voor knippen of snijden ook gereedschappen nodig. Denk aan borstels, kammen, scharen en messen. Om de coupe na het knippen en föhnen in model te kunnen brengen, gebruik je stylingproducten.
Een borstel gebruik je bijvoorbeeld om het haar te ontwarren of glad te maken. Het gladmaken van het haar noem je polijsten. Je kunt niet met elke borstel het haar ontwarren of polijsten. Welke borstel je kunt gebruiken, hangt af van de afstand tussen de haren van de borstel en van de vorm van de spiegel van de borstel.
De spiegel is de bovenkant van het borstelbeslag. Het borstelbeslag noem je ook wel de haren van de borstel. De vorm van de spiegel kan recht, bol of hol zijn.
Knippen en snijden
De voorbereiding voor knippen en snijden is hetzelfde, zoals het maken van afdelingen en het opnemen van passés. De technieken en benodigdheden zijn wel verschillend. Je leert in dit hoofdstuk de verschillende benodigdheden voor knippen en snijden, maar in de rest van het hoofdstuk worden alleen de basiskniptechnieken uitgewerkt. Deze kniptechnieken moet elke kapper kunnen uitvoeren.
Bekijk online welke stylingproducten je kunt gebruiken.
Snelcode 1 3 1 6 5
In het hoofdstuk Werken in de salon lees je meer over de materialen.

Een borstel met een rechte spiegel is geschikt voor het ontwarren van zowel nat als droog haar dat middellang tot lang is.
Een borstel met een ronde spiegel gebruik je om het haar te polijsten en wordt ook wel een polijstborstel genoemd. Een polijstborstel gebruik je om het haar te laten glanzen na een föhnbehandeling of watergolfbehandeling.
Een grove kam heeft grove tanden.
Deze gebruik je om het haar te ontwarren. Er zijn verschillende soorten grove kammen, met grovere of fijnere tanden. Je kunt het soort kam dat je gebruikt afstemmen op het type haar van een klant. Bij krullen gebruik je bijvoorbeeld een grovere kam dan bij fijn haar.
Na het ontwarren van het haar met de grove kam gebruik je de knipkam. Een knipkam bestaat uit een grof en een fijn gedeelte. Het grove gedeelte van de kam gebruik je om het haar af te delen. Met de fijne kant kam je de passés door.




































































































Maten van scharen
Kappersscharen zijn in verschillende maten verkrijgbaar. De maat geeft de totale lengte van de schaar aan en wordt in inch aangegeven. 1 inch is 2,54 centimeter en een schaar heeft gemiddeld een lengte tussen de 4 en 6 inch. Voor het knippen van dames worden meestal scharen tussen de 4 en 5,5 inch gebruikt. Voor opknippen gebruik je een schaar van 6 inch of meer. Met een grotere schaar maak je namelijk beter gebruik van de snijbladen. Dit zorgt voor een gelijkmatig effect.
Een flexibele knipkam gebruik je bij het opknippen. De kam is flexibel omdat deze zich aanpast aan de vorm van de nekpartij. De kam is verkrijgbaar in verschillende maten: dik, normaal en dun. Hoe dunner de knipkam, hoe korter je het haar kunt opknippen.
Voor het knippen gebruik je een kappersschaar. Deze schaar gebruik je specifiek voor het opknippen van de contouren. Een kappersschaar is meestal gemaakt van roestvrij staal, met een coating van chroom eroverheen. Dit laagje chroom zorgt ervoor dat de schaar niet gaat roesten. Er zijn scharen voor links- en rechtshandigen. Het verschil tussen een linkshandige en een rechtshandige schaar zie je aan de stand van de snijbladen. Bij een linkshandige schaar is de stand van de bladen andersom vergeleken met een rechtshandige schaar.
De meeste kappers kiezen voor een schaar die gemakkelijk is vast te houden en ongelijke benen heeft. Je noemt dit offset. De ongelijke benen zorgen ervoor dat de schaar beter in de hand ligt. Doordat je duim een kortere afstand naar je ringvinger aflegt, worden je spieren minder moe. Hierdoor heb je minder kans op overbelasting van je spieren.
Een effileerschaar wordt gebruikt om het haar uit te dunnen. Dit noem je ook wel effileren. Een effileerschaar heeft tanden aan beide snijbladen. Dit zorgt voor een licht uitdunnend effect.
Je kunt ook een coupeschaar gebruiken om het haar uit te dunnen. Een coupeschaar heeft aan één blad tanden, het andere snijblad is gesloten. Hierdoor dunt de coupeschaar heel sterk uit, vergeleken met de effileerschaar.
Ook een channelschaar kun je gebruiken als je het haar wilt uitdunnen. Een channelschaar heeft aan één blad brede tanden. Dit noem je ook wel kanalen. Met deze schaar kun je veel verschil in lengte knippen. Je krijgt met een channelschaar een losser effect in de coupe dan met een effileerschaar.
Een open mes wordt ook wel nekmes of scheermes genoemd. Je gebruikt dit mes om te effileren, nekharen weg te halen en te scheren. Ook kan je met het open mes het haar snijden.
Effileerschaar
























































Tondeuse







Aerorasor







Een tondeuse gebruik je om op te scheren. Deze haalt in korte tijd veel haar weg. Het is daarom belangrijk dat je de tondeuse niet te snel beweegt. Je kunt een tondeuse gebruiken met of zonder opzetstukken. De opzetstukken zijn in verschillende maten verkrijgbaar. De maat van het opzetstuk wordt aangegeven in millimeters. Hoe kleiner de maat, hoe kleiner het opzetstuk en hoe korter je het haar opscheert.



De Aerorasor is een kappermes en bestaat uit een houder met vier verschillende mesjes. Je kunt ermee snijden en effileren. De Aerorasor is ontwikkeld naar een ergonomisch ontwerp, zodat je in een goede houding kunt werken. Hierdoor loop je minder risico op overbelasting van je hand, arm of rug. Dit komt vooral doordat je het mesje in vrijwel elke gewenste stand kunt zetten.





Effileermes






Feather razor
Een effileermes gebruik je om het haar te snijden en te effileren. Een effileermes bestaat uit twee onderdelen: het handvat en een messenhouder met daarin een scheermes. De houder is gekarteld, om verwondingen te voorkomen. Je kunt de messenhouder openen om het scheermes te verwisselen. Je bewaart de losse scheermesjes met bescherming. Zo blijven ze scherp en voorkom je dat je je eraan snijdt.
Met een feather razor kun je het haar snijden en effileren. Een feather razor bestaat uit twee onderdelen: het handvat en een mes met daarover een gekarteld gedeelte. Het mesje en de kartels zitten aan elkaar vast. Dit stuk schuif je in het handvat.
Je kunt ook een heuptasje gebruiken. Hierin berg je alle materialen en gereedschappen op die je nodig hebt, zodat je alles tegelijk bij de hand hebt.
Voordat je begint met knippen, bekijk je altijd wat de meest passende coupe is voor de klant. Daarom is het belangrijk om te weten waar een coupe uit bestaat. Als je een coupe bekijkt, let je op:
• de vorm. Als je alle haarpunten geknipt of gesneden hebt, zie je een vorm in de coupe. De vorm kan vierkant, rechthoekig, driehoekig of rond zijn. De lijn van de omtrek van de coupe noem je de vormlijn
• de massa. Op de lijn waar de meeste haarpunten elkaar raken, ontstaat massa. Door het lengteverschil in het haar heeft het haar op deze lijn het meeste volume. Je noemt deze lijn de massalijn
• de textuur. Deze geeft aan of er veel, weinig of geen lengteverschil in het haar zit. Bij een drukke textuur zit er veel lengteverschil in het haar en zie je veel haarpunten. Bij een rustige textuur zit er weinig of geen lengteverschil in het haar en zie je weinig haarpunten.






























7.2.1 De vorm van een coupe
De vormlijn van een coupe maak je door het haar te knippen volgens een bepaalde basistechniek. Dit zijn kniptechnieken die elke kapper moet kunnen uitvoeren, zoals éénlengtelijn, toenemende lengten, afnemende lengten en gelijke lengten. Met elke basistechniek maak je een bepaalde basisvorm.
Je knipt een passende coupe wanneer de vormlijn die je maakt aansluit bij de wens van de klant, de technische aspecten van het haar en de uiterlijke kenmerken van de klant. Om ervoor te zorgen dat de vormlijn bij de klant past, maak je gebruik van één basistechniek of van een combinatie van basistechnieken. Met de gekozen technieken zorg je voor volume op bepaalde plaatsen in het haar en kies je voor een kortere of langere lengte.
Hoe je de verschillende basistechnieken moet toepassen, vind je in hoofdstuk 8 (éénlengtelijn), hoofdstuk 9 (toenemende lengten), hoofdstuk 10 (gelijke lengten) en hoofdstuk 11 (afnemende lengten).
Om ervoor te zorgen dat de vormlijn past bij de klant maak je gebruik van één basistechniek of van een combinatie van basistechnieken.
7.2.2 Herkenningspunten van het hoofd
Tijdens een knipbehandeling maak je gebruik van een aantal herkenningspunten op het hoofd:
1. bovenpartij
2. middenpartij (kruinstrook)
3. onderpartij
4. hoogste punt hoofd
5. lokpartij
6. zijpartij
7. achterhoofdsbeen (atlasknobbel)
8. achterpartij
9. nekpartij
10. voorpartij
7.2.3 De basisstappen van een coupe
Voor en tijdens het knippen volg je een aantal vaste basisstappen die je altijd uitvoert. De manier waarop je de stappen uitvoert, bepaalt het uiteindelijke resultaat.
De basisstappen zijn:
a. scheidingen trekken en afdelingen maken
b. passé opnemen
c. knippen
d. coupe afwerken
e. coupe controleren
In de volgende paragrafen van dit hoofdstuk lees je hoe je de basisstappen een voor een uitvoert.



















Voordat je begint met knippen deel je het haar af. Afdelen doe je altijd in handdoekdroog haar. Kam het haar eerst door, zodat er geen knopen in zitten. Maak daarna een afdeling door scheidingen te trekken met het grove gedeelte van de knipkam. Door afdelingen te maken, kun je het haar nauwkeurig en overzichtelijk knippen. Je knipt het haar dan vak voor vak of baan voor baan.
Een scheiding is een lijn die je met de kam trekt om een gedeelte van het haar af te delen. Trek de scheiding in één vloeiende beweging en zorg ervoor dat je deze mooi recht trekt over de rondingen van het hoofd. Bij het maken van afdelingen gebruik je vier soorten scheidingen:
• horizontale scheidingen
• verticale scheidingen
• diagonale scheidingen naar achteren
• diagonale scheidingen naar voren
Scheidingen trekken
Je gebruikt scheidingen om een afdeling in het haar te maken. Daarna trek je scheidingen binnen elk afgedeeld vak om een onderverdeling te maken. Dit helpt je om tijdens je werk het overzicht te houden. Met elke scheiding die je binnen een afdeling trekt, deel je een nieuwe passé af. Dit is een afgedeelde haarpartij van ongeveer een centimeter breed. Je gebruikt deze passé steeds als gidslijn om de volgende lijn op aan te sluiten.
Je gebruikt voor het afdelen van de passés verticale, horizontale of diagonale scheidingen. Welke scheidingen je trekt, hangt af van de basistechniek die je gebruikt bij het knippen. Horizontale en diagonale scheidingen kun je bij alle basistechnieken gebruiken. Verticale scheidingen gebruik je alleen wanneer je lengteverschil in het haar wilt, zoals bij toenemende lengten en gelijke lengten. Het is belangrijk dat bij het afdelen van de passés de afstand tussen de scheidingen overal even groot is. Ook moeten de scheidingen evenwijdig aan elkaar lopen.
Bij iedere afdeeltechniek hebben de scheidingen vaste plaatsen op het hoofd. Zo loopt de horizontale scheiding bij de viervaksafdeling altijd van het hoogste punt van het hoofd naar beide oren. Soms is het nodig om van deze vaste plaats af te wijken, bijvoorbeeld als de klant een kruin heeft. Meestal valt het haar bij een kruin vanzelf in een scheiding. Voor een mooi eindresultaat is het belangrijk om de scheiding van de afdeling hierop aan te passen. Dit betekent dat je de scheidingen precies door het midden van de kruin trekt, zodat het haar vanzelf in het gewenste vak valt.
Er zijn drie afdeeltechnieken die elke kapper moet kunnen toepassen:
• viervaksafdeling
• sterafdeling
• vijf- of zesbanenafdeling
Welke afdeling je kiest, is afhankelijk van de kniptechniek die je gebruikt. Ook zijn de vorm van het hoofd, de lengte van het haar en de wens van de klant van invloed op je keuze. Bij het knippen van afnemende lengten kun je bijvoorbeeld een viervaksafdeling gebruiken, maar ook een vijf- of zesbanenafdeling
Bij het knippen van éénlengtelijn gebruik je meestal een viervaksafdeling. Bij gelijke of toenemende lengten kies je vaak voor een vijf- of zesbanenafdeling. Je kunt bij toenemende lengten ook voor een sterafdeling kiezen.
Afdelingen maken
Bij het maken van een viervaksafdeling, een sterafdeling of een vijf- of zesbanenafdeling volg je een aantal stappen. Je leest meer over deze stappen op de volgende pagina.
Welke afdeling je kiest, is afhankelijk van de kniptechniek die je gebruikt.
Stappenplan viervaksafdeling
Trek een middenscheiding vanaf het midden van het voorhoofd tot het midden van de nek.
Trek vanuit het hoogste punt van het hoofd een horizontale scheiding naar het hoogste punt van beide oren.
Zet de vier vakken vast met een afdeelklem.
Stappenplan sterafdeling
Trek een middenscheiding vanaf het midden van het voorhoofd tot het midden van de nek.
Trek vanuit het hoogste punt van het hoofd een horizontale scheiding naar het hoogste punt van beide oren.
Verdeel elk vak in twee gelijke vakken door vanuit het middelpunt een diagonale scheiding naar beneden te trekken.
Zet de acht vakken vast met een afdeelklem.















































Stappenplan vijf- of zesbanenafdeling
Trek een scheiding over de kruinlijn en verdeel het haar in twee vakken: boven en onder de kruinlijn.
Verdeel de bovenpartij in drie verticale banen (baan 1, 2 en 3) en zet elke baan vast met een afdeelklem.
Trek horizontale scheidingen van oor tot oor over het achterhoofd heen.
Verdeel zo het haar in twee banen (baan 4 en 5) of drie banen (4, 5 en 6) van gelijke dikte en zet elke baan vast met een afdeelklem.





Afdelen in kort haar
Als een klant kort haar heeft, kun je de afgedeelde partijen niet altijd vastzetten met afdeelklemmen. Maak in dat geval een denkbeeldige afdeling en deel de vakken af door het haar te kammen. Als je het haar iets vochtig maakt, wordt het makkelijker om het haar in de juiste vorm te kammen. Je kamt het haar weg van de haarpartij die je op dat moment knipt.













Wanneer je het haar hebt afgedeeld, ben je klaar om te gaan knippen. Je knipt passé voor passé, dus voordat je begint met knippen neem je eerst een passé op. Een passé is een afgedeelde haarpartij van ongeveer één centimeter breed. Het opnemen van een passé kun je op verschillende manieren doen.Je kunt de passé opnemen in een hoek van verschillende graden ten opzichte van de hoofdhuid. Je noemt deze hoek de projectiehoek. Ook kun je ervoor kiezen om een passé te verplaatsen naar een vast punt of een vaste lijn.
Je maakt een projectiehoek door de passé verticaal naar boven op te nemen vanuit de natuurlijke valling. De projectiehoek die de passé ten opzichte van de hoofdhuid maakt, geef je aan in graden. De vormlijn van de coupe wordt bepaald door de projectiehoek die je gebruikt. Door de projectiehoek krijg je een verschil in lengte tussen de bovenste en de onderste haren. Dit noem je gradatie. Hoe groter je de projectiehoek maakt, hoe sterker de gradatie is. Hoe sterker de gradatie, hoe meer lengteverschil in het haar.
Projectiehoeken
Je kunt verschillende projectiehoeken maken: een kleine, een middelmatige of een grote projectiehoek. Ook kun je het haar in de natuurlijke valling knippen: de 0-gradenprojectiehoek.

Natuurlijke valling (0 graden)
Bij een 0-gradenprojectiehoek knip of snijd je de haren zoals ze vanzelf naar beneden vallen door de zwaartekracht. Je noemt dit de natuurlijke valling. Je neemt de haren dus niet in een hoek ten opzichte van het hoofd op, maar je kamt de haren naar beneden. Je gebruikt deze projectiehoek bij het knippen van éénlengtelijn.
Kleine projectiehoek (0-30 graden)
Bij een kleine projectiehoek neem je het haar op in een hoek tussen de 0 en 30 graden.
Je krijgt hiermee een lichte gradatie in het haar. Je gebruikt deze hoek bij het knippen van afnemende lengten.
Middelmatige projectiehoek (30-60 graden)
Bij een middelmatige projectiehoek neem je het haar op in een hoek tussen de 30 en 60 graden. Je krijgt hiermee een iets sterkere gradatie in het haar. Je gebruikt deze hoek bij het knippen van afnemende lengten.
Sterke projectiehoek (60-89 graden)
Als je de projectiehoek nog groter maakt (tot 89 graden), dan krijg je een sterke gradatie. Je knipt dan nog steeds afnemende lengten. Als je een projectiehoek van precies 90 graden opneemt, dan knip je gelijke lengten. Pas als je een hoek van meer dan 90 graden opneemt, knip je toenemende lengten.
Bij verplaatsing breng je de passé naar een vast punt of een vaste lijn. Doordat je de haren naar een vast punt brengt, leggen de haarpunten allemaal een andere afstand af. Dit zorgt ervoor dat de lengte van de haren na het knippen verschillend is.
Je kiest voor het verplaatsen van de passé om een lengteverschil te krijgen of om verschillende haarpartijen met elkaar te verbinden. Denk aan een klant die een korte voorpartij wil, maar wel veel lengte in de nek wil behouden. Als je een passé naar een vast punt aan de voorkant verplaatst, knip je automatisch meer lengte in de nek dan in de voorpartij. Of je een passé verplaatst, is dus afhankelijk van de coupe die je knipt. Het verplaatsen kun je bij horizontale, verticale en diagonale scheidingen toepassen.
Of je een passé verplaatst, is afhankelijk van de coupe die je knipt.
Bij het opnemen van een passé moet je rekening houden met een aantal aandachtspunten.
Stand van de vingers
De stand van je vingers is van invloed op de coupe die je knipt. Bij de stand van je vingers gaat het om de richting waarin je je vingers ten opzichte van de scheiding houdt. Je vingers kunnen evenwijdig of niet evenwijdig aan de scheiding staan (zie de twee illustraties hiernaast). Hoe de stand van je vingers is ten opzichte van de scheiding, is van invloed op de vormlijn van de coupe. Als je een horizontale scheiding opneemt en je vingers evenwijdig aan de scheiding zet, knip je een horizontale vormlijn (zie de eerste illustratie op de rechterpagina). Als je vingers niet evenwijdig staan, maar bijvoorbeeld diagonaal naar voren, dan knip je een diagonale vormlijn naar voren (zie de tweede illustratie op de rechterpagina). Het is dus belangrijk om de stand van je vingers tijdens het knippen van een vak hetzelfde te houden. Hierdoor blijft de vormlijn hetzelfde.
Spanning
Bij het opnemen van de passé is het belangrijk dat je de passé met de juiste spanning vasthoudt. Zorg ervoor dat de spanning overal gelijk is, anders knip je niet overal op dezelfde lengte. Vooral bij de oren is het belangrijk om hier goed op te letten. Bij het oor springt het haar altijd een beetje omhoog. Als je dan te veel spanning op het haar houdt en de passé knipt, wordt het haar bij het oor een beetje korter.
Zorg ervoor dat je voor het opnemen van een passé het haar goed hebt doorgekamd. Zo voorkom je ongelijkheden.
Scheiding horizontaal
Stand van de vingers evenwijdig
Stand van de vingers niet evenwijdig
Scheiding verticaal
Stand van de vingers evenwijdig
Stand van de vingers niet evenwijdig
Resultaat vormlijn horizontale lijn (met of zonder gradatie)
Resultaat vormlijn diagonaal naar voren of naar achteren (met of zonder gradatie)
Resultaat vormlijn gradatie
Resultaat vormlijn sterkere of minder sterke gradatie
Scheiding diagonaal naar voren
Stand van de vingers evenwijdig
Stand van de vingers niet evenwijdig
Scheiding diagonaal naar achteren
Stand van de vingers evenwijdig
Stand van de vingers niet evenwijdig
Resultaat vormlijn
• diagonale lijn naar voren (met of zonder gradatie)
Resultaat vormlijn
• sterkere of minder sterke diagonale lijn naar voren (met of zonder gradatie)
• horizontale lijn
Resultaat vormlijn
• diagonale lijn naar achteren (met of zonder gradatie)
Resultaat vormlijn
• sterkere of minder sterke diagonale lijn naar achteren (met of zonder gradatie)
• horizontale lijn
Stand van het hoofd
Let bij het opnemen van een passé op de stand van het hoofd. Deze is namelijk van invloed op het eindresultaat. De stand van het hoofd is bijna altijd rechtop. Als de stand van het hoofd niet recht is, heeft dat invloed op de vormlijn en de textuur van de coupe. Denk aan het knippen van éénlengtelijn. Als je een strakke horizontale lijn wilt knippen, moet je het hoofd van de klant niet naar voren kantelen. In plaats van een horizontale lijn krijg je dan een diagonale lijn. Dit is goed zichtbaar als je de klant weer rechtop laat zitten. Bij het knippen van éénlengtelijn zul je het hoofd van de klant dus niet zo snel naar voren of opzij bewegen.
Je wilt bij deze coupe juist een strakke lijn knippen, waarbij alle haren op dezelfde lengte zijn geknipt.
Bij sommige basistechnieken kun je er juist wel voor kiezen om het hoofd van de klant naar voren of opzij te bewegen. Dit doe je bijvoorbeeld als je ter hoogte van de schouder van de klant knipt. Houd er rekening mee dat het haar op deze plaats naar binnen gaat vallen. Je beweegt het hoofd van de klant dan iets opzij, zodat je minder last hebt van de schouder van de klant bij het knippen. Als je het haar te veel zou optillen, zorg je ongewild voor verschil in lengte tussen de bovenste en de onderste haren, oftewel gradatie.
De eerste lijn die je knipt, bepaalt de lengte en de richting waarin je de rest van het haar knipt. Je noemt deze eerste kniplijn de basislijn. De basislijn gebruik je als gidslijn voor de volgende passés die je gaat knippen. Dit doe je door in elke nieuwe passé een stukje van de vorige passé op te nemen. Zo zie je precies op welke lengte je de nieuwe passé moet knippen.
7.5.1 Basislijn knippen
Je knipt de basislijn op de plaats waar je het kortste punt in de coupe wilt hebben. De richting van de basislijn is afhankelijk van de vormlijn die je wilt gaan knippen. De vormlijn kan horizontaal, verticaal of diagonaal zijn. Een basislijn knip je in een aantal stappen.
Stappenplan basislijn knippen
Bepaal de natuurlijke valling van het haar.
Maak een viervaksafdeling.
Maak een horizontale scheiding in vak 1 en 2 en neem een passé op in de natuurlijke valling.
Knip de basislijn in vak 1 en 2.
Reinig en desinfecteer je materiaal.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 5 0
Stappenplan snelcode 1 3 0 5 1
Op welke manier je de gidslijn meeneemt naar de nieuwe passé is van invloed op de vormlijn van de coupe. Je kunt een vaste of een mobiele gidslijn gebruiken.
• Bij een vaste gidslijn breng je alle passés onder dezelfde projectiehoek naar een vaste lijn. Deze lijn gebruik je als gids voor de volgende passés. Doordat het haar in lengte verschilt, legt niet iedere passé dezelfde weg af naar de vaste gidslijn. Hierdoor krijg je lengteverschil in het haar.
• Een mobiele gidslijn neem je wel mee naar elke nieuwe passé. Daardoor neem je alle passés onder dezelfde projectiehoek op. De lengtetoename is bij elke passé hetzelfde, waardoor je geen lengteverschil in het haar krijgt.
Aandachtspunten
Zorg ervoor dat je de passés die je opneemt niet te dik of te breed maakt. Een passé hoort namelijk ongeveer één centimeter breed te zijn. Als de passé te dik of te breed is, kun je de gidslijn niet meer in je nieuwe passé zien. Je weet dan niet op welke lengte je moet knippen of snijden. Als je met een mobiele gidslijn wilt werken, zorgt een te brede passé er ook voor dat je onbedoeld werkt met een vaste gidslijn. Hierdoor wordt elke nieuwe passé steeds langer, waardoor je lengteverschil in het haar krijgt. Dit verandert de vormlijn van de coupe.
Je knipt de basislijn op de plaats waar je het kortste punt in de coupe wilt hebben.
Als je een strakke lijn in de coupe wilt, kies je er meestal voor om met een schaar te knippen. De schaar knipt het haar bot af, waardoor je die strakke lijn krijgt. Je knipt meestal in handdoekdroog haar. Het is dan makkelijker om het haar in bedwang en op spanning te houden. Je kunt er ook voor kiezen om in droog haar te knippen. Het voordeel van knippen in droog haar is dat je direct kunt zien hoe het haar valt.
7.6.1 Werkwijzen voor knippen
Er zijn verschillende werkwijzen waarop je het haar kunt knippen.
Als je een strakke lijn in de coupe wilt, kies je er meestal voor om met een schaar te knippen.

Bovenhands knippen
Als je bovenhands knipt, knip je langs de bovenzijde van je vingers. Je gebruikt deze werkwijze meestal als je de haren van de bovenpartij knipt.

Palm-to-palm
Bij de palm-to-palm-werkwijze wijzen je handpalmen tijdens het knippen naar elkaar toe. Hierdoor beweeg je tijdens het knippen alleen het bovenblad van de schaar. Dit zorgt ervoor dat je pols minder belast wordt.

Onderhands knippen
Als je onderhands knipt, knip je langs de onderzijde van je vingers.
Aandachtspunten
De werkwijze die je gebruikt, hangt af van wat je zelf prettig vindt. Het is bij alle werkwijzen belangrijk om je armen niet boven schouderhoogte te houden. Zo voorkom je dat je je hand, pols of schouders overbelast.
Ook is het belangrijk om nooit verder dan je tweede vingerkootje te knippen. Je wijsvinger wordt namelijk na het tweede vingerkootje wat dikker. Dit zorgt ervoor dat je de lijn niet meer recht knipt. Daarbij is de kans groter dat je in je vinger of hand knipt.
De kappersschaar bestaat uit verschillende onderdelen.
1 Benen
2
Snijbladen
Elk snijblad heeft een snede en een rug. De rug is het botte deel van het blad. De snede is het scherpe deel van het blad, waarmee je knipt. Meestal is de snede glad, maar het kan ook kleine ribbels hebben. Dit noem je microgolven. Deze zorgen ervoor dat het haar niet wegglijdt uit de schaar. Als je het haar wilt slicen, gebruik je altijd een schaar met microgolven.
Schroef
De schroef houdt de bladen van de schaar bij elkaar. Zorg ervoor dat de schroef van de schaar tijdens het knippen naar je toe wijst.
3
Half maantje
Aan de binnenkant van het blad waar de schroef zit, zie je een bolling in de vorm van een halve maan. Door deze verdikking zijn de bladen licht gebogen en raken ze elkaar maar op één punt. Dit noem je het snijpunt. Het snijpunt zit bij een geopende schaar vlak bij de schroef. Als je de schaar sluit, gaat het snijpunt naar de uiteinden van de schaar.
De benen zijn de delen tussen de ogen en de schroef van de schaar. Je noemt ze ook wel halmen.
Ogen
De ogen zijn de openingen waarin je je vingers steekt. Houd je hand zo ontspannen mogelijk en beweeg alleen je duim als je gaat knippen.
Pinksteun
Op een kappersschaar zit ook altijd een pinksteun. Je noemt dit ook wel een angel. Je legt je pink hierop voor meer stevigheid. Dit zorgt ervoor dat je schaar minder beweegt in rich tingen waarin je niet wilt bewegen. Daarnaast geeft de pinksteun de pink rust, wat klachten kan voorkomen.



De kappersschaar vasthouden
Houd de kappersschaar als volgt vast:
1. Steek je duim door het ene oog van de schaar.
2. Steek je ringvinger door het andere oog van de schaar.
3. Leg je pink op de pinksteun voor meer stevigheid.
4. Leg je andere vingers op het bovenste oog van de schaar.
Als je het haar aan het kammen bent, houd je de schaar in ruststand. Als je knipt, zorg je ervoor dat je de kam in ruststand houdt. Het is belangrijk dat je dit op de juiste manier doet.

Schaar in ruststand vasthouden terwijl je kamt:
1. Laat je ringvinger in het oog van de schaar en houd de schaar met gesloten blad in de palm van je hand.
2. Houd met je duim en de andere vrije vingers van dezelfde hand de kam vast. Deze gebruik je nu voor het kammen.

Kam in ruststand vasthouden terwijl je knipt:
1. Draai de schaar, zodat de schroef naar je toe wijst.
2. Steek je duim door het ene oog van de schaar en je ringvinger door het andere oog.
3. Houd je pink op de pinksteun.
4. Houd de kam in je andere hand vast, tussen je duim en handpalm.
Nadat je het haar hebt geknipt, ga je door met het afwerken van de coupe.
Dit kun je op verschillende manieren doen:
• Effileren: door het haar te effileren (uit te dunnen), maak je het haar luchtiger en geef je het haar volume. Ook zorgt dit ervoor dat de haarpunten of de verschillende haarpartijen vloeiend in elkaar overlopen.
• Contouren afzetten: bij herencoupes en korte damescoupes zet je de contouren af. Dit betekent dat je de haren aan de haargrens bijwerkt, zodat je een strakke lijn krijgt. Je kunt er ook voor kiezen om de contouren luchtig af te zetten, waardoor ze minder strak worden.

Het controleren van de coupe doe je op verschillende momenten: tijdens en na het knippen. Je doet dit zodat je nog kunt corrigeren als dat nodig is. Je controleert of:
• de vormlijn klopt en er geen haren uitsteken;
• de lengten van de zijpartijen gelijk zijn.
Je controleert de vormlijn van de coupe bij de meeste basistechnieken met een kruiscontrole. Hierbij controleer je tegengesteld aan de richting waarin je het haar opgenomen hebt om te knippen. Als je horizontale passés hebt opgenomen tijdens het knippen, controleer je de coupe door verticale passés op te nemen.
Na het controleren verwijder je losse achtergebleven haren met een nekkwast of tissue, of door met de föhn de haren weg te blazen.
Controleer de geknipte vormlijn ook in droog haar. Je kunt dan de laatste onregelmatigheden bijwerken.
Test je kennis over knippen: de basis.
Snelcode 1 1 0 5 0
































8.1 De techniek éénlengtelijn
8.2 Eénlengtelijn toepassen
8.2.1 Benodigdheden
8.2.2 Stappenplan
8.2.3 Aandachtspunten
Hair Level online

De eerste basistechniek die je op de kappersopleiding leert, is het knippen van éénlengtelijn. Dat klinkt misschien heel makkelijk, maar er komt meer bij kijken dan je denkt. Je wilt een strakke lijn knippen en er mogen geen lengteverschillen te zien zijn.
In dit hoofdstuk leer je wat de techniek éénlengtelijn inhoudt. Welke variaties zijn er en hoe trek je de scheidingen? Daarna volgen de stappenplannen éénlengtelijn horizontaal, diagonaal naar achteren en diagonaal naar voren.
Bij de techniek éénlengtelijn knip je alle haren op dezelfde lengtelijn af. Je knipt in de natuurlijke valling zonder projectiehoek (0-gradenprojectie). Je werkt met een vaste gidslijn, waardoor je een strakke vormlijn krijgt. Meestal knip je een éénlengtelijn. Dit geeft een strakker effect dan wanneer je snijdt. Doordat alle haren dezelfde lengte hebben, zie je geen lengteverschillen. De textuur van de coupe is rustig. Er zijn verschillende variaties op de techniek éénlengtelijn:
• horizontaal
• diagonaal naar achteren
• diagonaal naar voren
Bij een horizontale éénlengtelijn trek je horizontale scheidingen. Bij een diagonale éénlengtelijn trek je diagonale scheidingen naar voren of naar achteren. De hellingsgraad geeft de sterkte van de diagonale scheiding aan. Hoe sterker de hellingsgraad, hoe sterker de diagonale scheiding en hoe groter het verschil in lengte tussen het kortste en het langste punt in het haar.
Hoe sterker de hellingsgraad, hoe sterker de diagonale scheiding.
Convexe en concave vormlijn
Als je diagonale scheidingen naar achteren trekt, ontstaat er aan de achterkant van het hoofd een V-vorm. De vormlijn van je coupe is bol: convex. Als je diagonale scheidingen naar voren trekt, ontstaat er aan de achterkant van het hoofd een omgekeerde V-vorm. De vormlijn van je coupe is hol: concaaf.


Eénlengtelijn horizontaal

Eénlengtelijn diagonaal naar voren






Eénlengtelijn diagonaal naar achteren

Bij het knippen van éénlengtelijn gebruik je een aantal materialen. De techniek voer je uit in verschillende stappen.
Voor de verschillende variaties van het knippen van éénlengtelijn gebruik je dezelfde producten en materialen.
De föhn gebruik je om de coupe na het knippen te drogen en eventueel te stylen in combinatie met een ronde borstel.
Je gebruikt stylingproducten om de coupe na het knippen en föhnen in model te brengen.
Daarnaast gebruik je ook weer:
• afdeelklemmen
• kapmantel
• knipkraag
• waterspuit
• pompstoel
• kappersfiets met fiets- of ponyzadel
• werkwagen
• borstel en (knip)kam
• kappersschaar














































Lees meer over de materialen in de hoofdstukken:
• Werken in de salon (pagina 17-19);
• Knippen: de basis (pagina 118-121).
8.2.2 Stappenplan
Bij het toepassen van éénlengtelijn voer je verschillende stappen uit.
Viervaksverdeling
Stappenplan éénlengtelijn horizontaal
Deel het haar af in vier vakken.
Knip een basislijn (nekpartij).
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden.
Knip de achterpartij (vak 1 en 2).
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden.
Knip de zijpartijen (vak 3 en 4).
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden.
Controleer je werk.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Reinig en desinfecteer je materiaal.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Werk na het knippen altijd de contourlijn af en verwijder eventuele nekharen.
Stappenplan éénlengtelijn diagonaal naar achteren
Deel het haar af in vier vakken.
Knip de basislijn in de rechter zij- en achterpartij (vak 2 en 4).
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden.
Knip de rechter zij- en achterpartij (vak 2 en 4).
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden.
Knip de linker zij- en achterpartij (vak 1 en 3).
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden.
Controleer je werk.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Reinig en desinfecteer je materiaal.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online. Behandelfilm
Stappenplan éénlengtelijn diagonaal naar voren
Deel het haar af in vier vakken.
Knip de basislijn in de nekpartij (vak 1 en 2).
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden.
Knip de achterpartij (vak 1 en 2).
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden.
Knip de zijpartijen (vak 3 en 4).
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden.
Controleer je werk.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Reinig en desinfecteer je materiaal.
1 3 0 7 9 1 2 3 4 5 6
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 3 9
Stappenplan éénlengtelijn horizontaal en diagonaal naar achteren combineren
Deel het haar af in vier vakken.
Knip de basislijn in de nekpartij (vak 1 en 2).
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden.
Knip de achterpartij (vak 1 en 2).
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden.
Knip de zijpartijen (vak 3 en 4).
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden.
Controleer je werk.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Reinig en desinfecteer je materiaal.
Stappenplan snelcode 1 3 0 8 0 1 3 4 5 6
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 4 0
Voor een strakke éénlengtelijn is het belangrijk dat je het haar in de natuurlijke valling knipt en gelijkmatige spanning op de passés houdt, ook bij het oor. Bij een te sterke spanning of te veel gradatie loopt de éénlengtelijn niet recht. Houd de spanning bij het oor niet te strak, omdat het haar anders omhoog wordt geduwd door het oor.
Houd de kam evenwijdig aan de scheiding en je vingers evenwijdig aan de kam. Als de lijn van de scheiding horizontaal loopt, dan staan je vingers dus ook horizontaal. Bij éénlengtelijn diagonaal naar achteren staan je vingers diagonaal naar achteren.
Let goed op de stand van het hoofd. Deze is bij een strakke éénlengtelijn altijd rechtop. Een schuin hoofd betekent dat je het haar met projectie knipt. Hoe klein die projectiehoek ook is, het betekent meteen dat je geen éénlengtelijn meer knipt, maar afnemende lengten.
Test je kennis over de techniek éénlengtelijn.
Snelcode 1 1 0 4 2

Voor een strakke éénlengtelijn is het belangrijk dat je gelijkmatige spanning op de passés houdt.



















9.1 De techniek toenemende lengten
9.1.1 Projectiehoek
9.1.2 Vaste of mobiele gidslijn
9.1.3 Meerdere gidslijnen
9.1.4 Variaties
9.2 Toenemende lengten toepassen
9.2.1 Benodigdheden
9.2.2 Stappenplan
9.2.3 Aandachtspunten













Een klant laat haar coupe altijd op één lengte knippen. Ze wil wel eens iets anders, maar ze weet niet zo goed wat en vraagt om advies. Je ziet dat ze lang, dik haar heeft. Je stelt voor om het haar van de klant in toenemende lengten te knippen. Dit geeft een speels effect en wat meer volume.
In dit hoofdstuk leer je wat de techniek toenemende lengten inhoudt. Welke projectiehoek gebruik je? Gebruik je een vaste of een mobiele gidslijn en hoeveel gidslijnen hanteer je? Daarna volgen de stappenplannen voor het toepassen van toenemende lengten met een horizontale opneemtechniek en toenemende lengten met een stervormige opneemtechniek.
Bij de techniek toenemende lengten is het haar boven op het hoofd korter en wordt het haar naar de onderkant toe langer. De textuur van deze coupe is druk: er is een sterke gradatie (of veel lengteverschil) zichtbaar.
Het verschil in lengte ontstaat doordat je het haar onder een projectiehoek van meer dan 90 graden knipt. Hierdoor is de afstand die de onderste haren naar de kniplijn afleggen langer dan de afstand die de bovenste haren afleggen.
Of je een geleidelijke of sterke lengtetoename knipt, is afhankelijk van verschillende factoren:
• de projectiehoek die je kiest
• of je een vaste of een mobiele gidslijn gebruikt
• hoeveel gidslijnen je gebruikt
Toenemende lengten kun je zowel knippen als snijden. Bij het snijden voer je dezelfde stappen uit, maar dan met een mes.
De afstand die de onderste haren naar de kniplijn afleggen is langer dan de afstand die de bovenste haren afleggen.
Hoe groter de projectiehoek, hoe sterker de lengtetoename: het verschil in lengte tussen de bovenste en de onderste haren. Bij verticale passés kun je de lengtetoename nog sterker maken. Dit doe je door je vingers niet evenwijdig aan de scheiding te zetten.
De kniplijn kan mobiel of vast zijn. Bij een mobiele gidslijn bepaal je de lengtetoename met de projectiehoek. Deze is bij elke passé hetzelfde. Met een vaste gidslijn boven op het hoofd krijg je een sterkere lengtetoename. De projectiehoek wordt van boven naar beneden namelijk steeds sterker. Het onderste haar is dus het langst. Hoe verder je de lengten naar de vaste kniplijn trekt, hoe sterker de lengtetoename is.
Je kunt ook een combinatie van gidslijnen gebruiken, bijvoorbeeld door een mobiele en een vaste gidslijn te combineren. Je knipt de bovenpartij door horizontale passés steeds recht naar boven op te nemen. Hierdoor krijg je een geleidelijke lengtetoename. De achterpartij en de zijpartijen knip je vaak met een mobiele gidslijn als er meerdere gidslijnen worden gebruikt.
De kniplijn kan mobiel of vast zijn.
is de projectiehoek
Door meerdere gidslijnen te combineren, kun je een geleidelijke lengtetoename creëren.
9.1.4 Variaties
Er zijn twee variaties van toenemende lengten. Het verschil tussen de variaties zit in de opneemtechniek die je gebruikt. Je kunt een horizontale opneemtechniek of een stervormige opneemtechniek gebruiken. Bij de horizontale opneemtechniek maak je eerst een zesvaksverdeling. Bij de stervormige opneemtechniek maak je een sterafdeling met acht vakken.
Bij beide opneemtechieken houd je je vingers en de schaar evenwijdig aan de scheiding. De stand van je vingers bepaalt de sterkte van de gradatie en de hoeveelheid laagjes. Bij de horizontale opneemtechniek behoud je meer lengte in de achterpartij. Bij de stervormige opneemtechniek kun je meer lengteverschillen knippen, vooral wanneer de achterpartij niet de lengte heeft om tot de gidslijn boven het hoofd uit te komen.
Bij het knippen van toenemende lengten gebruik je een aantal materialen. De behandeling voer je uit in verschillende stappen.
9.2.1
Voor beide variaties van het knippen van toenemende lengten gebruik je dezelfde materialen:
• afdeelklemmen
• kapmantel
• knipkraag
• waterspuit
• pompstoel
• kappersfiets met fiets- of ponyzadel
• werkwagen
• borstel en (knip)kam
• kappersschaar
• föhn
• föhnborstel
• feather razor
• stylingproducten

Lees meer over de materialen in de hoofdstukken:
• Werken in de salon (pagina 17-19);
• Knippen: de basis (pagina 118-121).
9.2.2 Stappenplan
Bij het toepassen van toenemende lengten voer je verschillende stappen uit.
Stappenplan toenemende lengten met horizontale opneemtechniek
Maak een zesvaksafdeling.
Knip de basislijn en de voorpartij (vak 1).
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden voor de basislijn.
• Gebruik een projectiehoek groter dan 90 graden voor de voorpartij.
Knip de zijpartijen (vak 2 en 3).
• Gebruik een projectiehoek groter dan 90 graden.
Knip de achterpartij (vak 4, 5 en 6).
• Gebruik een projectiehoek groter dan 90 graden.
Knip de contourlijn en controleer je werk.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Reinig en desinfecteer je materiaal.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 4 2
Stappenplan snelcode 1 3
Buig het hoofd naar voren en kam het haar naar beneden: de vormlijn is strak horizontaal.
Stappenplan toenemende lengten met stervormige opneemtechniek
Maak een sterafdeling.
Knip de basislijn (voorpartij).
• Gebruik een projectiehoek van 90 graden.
Knip het haar (vak 1 t/m 8).
• Gebruik een projectiehoek groter dan 90 graden.
Knip de contourlijn en controleer je werk.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Reinig en desinfecteer je materiaal.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online. Behandelfilm snelcode 1 2 0 4 3
Hoe groter de projectiehoek, hoe sterker de lengtetoename tussen de bovenste en onderste haren.

Gebruik de techniek toenemende lengten in halflang tot lang haar. Kam het haar vanaf de aanzet goed door naar boven. Bij fijn haar houd je de lengte niet te lang en de lijn van de gradatie niet te sterk. Anders lijkt het haar nog fijner. Bij dik haar kun je alle lengten en lengtetoenamen toepassen. Houd bij de stervormige techniek de stand van je vingers goed in de gaten voor de juiste gradatie.
Knip de eerste passés niet te dicht bij de hoofdhuid. Dit geldt vooral als je een wat langere lengte in de achterpartij wilt houden. De lengtetoename moet dan sterk zijn om een geleidelijke overgang te krijgen. Hierdoor is het mogelijk dat je een te dunne onderpartij krijgt. Neem niet te dikke passés op. Je hebt dan namelijk geen goede spanning, waardoor je ongelijke lengten creëert.
Neem een grote basislijn om de vorm te bepalen, zodat de basislijn niet te kort wordt. Knip deze basislijn in delen. Houd er rekening mee dat de lagen in droog haar korter zijn dan in nat haar. Je kunt ook eerst de gehele gidslijn knippen, zodat je de sterkte in de gradatie ziet. Je kunt de lengte dan goed bepalen.
Test je kennis over de techniek toenemende lengten.
Snelcode 1 1 0 4 4


















10.1 De techniek gelijke lengten
10.2 Gelijke lengten toepassen
10.2.1 Benodigdheden
10.2.2 Stappenplan
10.2.3 Aandachtspunten
Hair Level online

Een vaste klant komt bij je voor een knipbehandeling. Hij wil zijn halflange haar weleens kort laten knippen. Je kijkt eens goed naar de vorm van zijn hoofd en je geeft hem het advies om het haar op gelijke lengten te laten knippen. Dit stoere kapsel waarbij je gelijk aan de ronding van het hoofd knipt, past volgens jou goed bij de klant.
In dit hoofdstuk leer je wat de techniek gelijke lengten inhoudt. Welke projectiehoek gebruik je en hoe knip je de passés?
Daarna volgt het stappenplan voor het toepassen van gelijke lengten.
Bij de techniek gelijke lengten knip je alle haren op dezelfde lengte. Doordat je alle haren op dezelfde lengte knipt met een mobiele gidslijn, heeft de coupe een drukke textuur. Alle haarpunten zijn na het knippen zichtbaar.
Je krijgt gelijke lengten doordat je het haar steeds onder dezelfde projectiehoek opneemt en op dezelfde lengte knipt. Je volgt de ronding van het hoofd en neemt elke passé in een hoek van 90 graden ten opzichte van de hoofdhuid op. Bij elke nieuwe passé neem je een deel van de vorige passé mee. Zo weet je precies op welke lengte je de passé moet knippen.
De techniek gelijke lengten ziet er bij iedere klant anders uit, omdat iedere klant een andere vorm van het hoofd heeft.
Bij de techniek gelijke lengten neem je elke passé op in een hoek van 90 graden. Je knipt zo alle haren op dezelfde lengte.
Bij het knippen van gelijke lengten gebruik je een aantal materialen. De behandeling voer je uit in verschillende stappen.
Voor het knippen van gelijke lengten heb je diverse materialen nodig. Je gebruikt bijvoorbeeld een centimeterkam met op de zijkant een centimeteraanduiding. Deze kam noem je daarom ook wel een meetkam. Hiermee kun je na het knippen controleren of de lengten van het haar overal gelijk zijn.
Daarnaast gebruik je ook weer:
• afdeelklemmen
• kapmantel
• knipkraag
• waterspuit
• pompstoel
• kappersfiets met fiets- of ponyzadel
• werkwagen
• (föhn)borstel en (knip)kam
• handdoek
• föhn
• kappersschaar
• stylingproducten
Bij het toepassen van gelijke lengten voer je verschillende stappen uit.
Stappenplan gelijke lengten
Maak een zesbanenafdeling.
Knip de basislijn (baan 1).
• Gebruik een projectiehoek van 90 graden.
Knip de bovenpartij (baan 1).
• Gebruik een projectiehoek van 90 graden.


Lees meer over de materialen in de hoofdstukken:
• Werken in de salon (pagina 17-19);
• Knippen: de basis (pagina 118-121).
Stappenplan snelcode 1 3 0 9 4 1 2 3 4
Knip de zijpartijen (baan 2 en 3).
• Gebruik een projectiehoek van 90 graden.
Knip de achterpartij (baan 4, 5 en 6).
• Gebruik een projectiehoek van 90 graden.
Knip de contourlijnen en controleer je werk.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Reinig en desinfecteer je materiaal.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 4 9

Doordat je met de rondingen van het hoofd mee knipt, moet je goed opletten dat je het haar overal op dezelfde lengte knipt. Let op dat de klant het hoofd rechtop houdt tijdens het knippen en loop met de banen mee. Als de knipbanen van links naar rechts lopen, loop je met de baan mee van links naar rechts. Je staat op de plek waar je het haar knipt zodat je de juiste projectie kunt aanhouden. Knip je een korte lengte, dan kun je je pink als steunpunt op het hoofd houden.
Controleer tijdens het knippen regelmatig of je alle haren nog op dezelfde lengte knipt. Dit kun je doen door regelmatig kruiscontroles uit te voeren of door het geknipte of gesneden haar op te meten met een centimeterkam.
Test je kennis over de techniek gelijke lengten.
Snelcode 1 0 0 4 5









11.1 De techniek afnemende lengten
11.1.1 Mobiele of vaste gidslijn
11.2 Afnemende lengten toepassen
11.2.1 Benodigdheden
11.2.2 Stappenplan
11.2.3 Aandachtspunten
Hair Level online

Er zit een klant met een korte coupe bij je in de stoel. Ze vraagt om een coupe met het haar in de nekpartij wat korter dan de rest. Je stelt voor om het haar van de klant te knippen met de techniek afnemende lengten, omdat je denkt dat dit goed bij de klant past.
In dit hoofdstuk leer je wat de techniek afnemende lengten inhoudt. Er zijn drie variaties, waarbij het verschil zit in de projectiehoek die je gebruikt. Daarbij kies je voor een vaste of mobiele gidslijn. Aan het eind van het hoofdstuk volgt het stappenplan voor het toepassen van afnemende lengten.
Bij de techniek afnemende lengten is het haar boven op het hoofd langer en wordt het haar naar de onderkant toe korter. De textuur van deze coupe is afwisselend. Aan de bovenkant is de textuur rustig. Het haar boven op het hoofd valt glad naar beneden. De onderkant van de coupe heeft wel een drukke textuur. Je ziet een rand met haarpunten. De haren stapelen zich hier op volgens een bepaalde gradatie
Hoe breed de partij met haarpunten is, hangt af van de gradatie. Hoe breder de rand, hoe sterker de gradatie. Hoe sterk de gradatie is, hangt af van de projectiehoek waarmee je het haar knipt of snijdt. Er zijn drie variaties: licht afnemende lengten, gemiddeld afnemende lengten en sterk afnemende lengten. De verschillen tussen de variaties in afnemende lengten zitten in de projectiehoek die je gebruikt.
Bij afnemende lengten is het haar boven op het hoofd langer en wordt het haar naar de onderkant toe korter.
Resultaat
smalle rand, zachte gegradeerde lijn
Projectiehoek
van 0 tot 30 graden (kleine projectiehoek)
Resultaat
brede partij met haarpunten in het kapsel
Projectiehoek
van 30 tot 60 graden (middelmatige projectiehoek)
Resultaat
brede rand in het kapsel
Projectiehoek
van 60 tot 90 graden (sterke projectiehoek)


De techniek afnemende lengten heeft drie variaties, waarbij het verschil is welke projectiehoek je gebruikt.
Afnemende lengten kun je met een vaste of een mobiele gidslijn knippen. Dit geeft een verschillend eindresultaat. Bij een vaste gidslijn breng je alle haarpunten naar een vaste lijn en neem je het haar op onder een steeds kleinere hoek. De massalijn komt lager te liggen dan wanneer je een mobiele gidslijn gebruikt. De massalijn is het punt waar het haar het meeste volume heeft door het lengteverschil in het haar.
Bij een mobiele gidslijn neem je iedere keer een deel van de vorige passé mee als gids. Het haar projecteer je steeds onder dezelfde hoek. De gradatie loopt wat langer door. Hierdoor ligt de massa hoger. Een mobiele gidslijn gebruik je vaak om de onder- of middenpartij van het haar te knippen of te snijden.
Een vaste gidslijn gebruik je voor de bovenpartij. Je sluit dan aan op de mobiele gidslijn, omdat de gradatie anders (te) ver doorloopt. Je wil dit voorkomen, omdat je de bovenpartij anders te kort maakt en de overgang van de lengten niet mooi wordt. Voor een mooiere coupe kun je het best het haar op de kruin wat langer laten.
Bij het knippen van afnemende lengten gebruik je een aantal materialen. De behandeling voer je uit in verschillende stappen.
11.2.1 Benodigdheden
Voor alle drie de variaties van het knippen van afnemende lengten gebruik je dezelfde materialen:
• afdeelklemmen
• kapmantel
• knipkraag
• waterspuit
• pompstoel
• kappersfiets met fiets- of ponyzadel
• werkwagen
• (föhn)borstel
• handdoek
• föhn
• kappersschaar
• knipkam of feather razor
• stylingproducten
Een mobiele gidslijn gebruik je vaak om de onder- of middenpartij van het haar te knippen of te snijden.

Lees meer over de materialen in de hoofdstukken:
• Werken in de salon (pagina 17-19);
• Knippen: de basis (pagina 118-121).
Bij het toepassen van afnemende lengten voer je verschillende stappen uit.
Stappenplan afnemende lengten
1 2 3 4 5 6 7
Maak een zesvaksafdeling.
Knip de basislijn (nekpartij).
Knip de nekpartij (vak 5 en 6).
Knip de achterpartij (vak 3 en 4).
Knip de bovenpartij (vak 1 en 2).
Controleer je werk.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Reinig en desinfecteer je materiaal.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 4 6
Stappenplan snelcode 1 3 0 9 0
Zesvaksafdeling

Om een strakke gegradeerde lijn te knippen, is het belangrijk dat je overal dezelfde spanning en gradatie houdt. Neem steeds passés op van dezelfde dikte. Knip nauwkeurig, vooral als de klant steil haar heeft. Een onregelmatigheid in de vormlijn is in steil haar namelijk goed te zien. Houd er bij krullend haar rekening mee dat het meer opspringt dan steil haar. Hierdoor zorgt de techniek afnemende lengten voor een snel effect in krullend haar. Hoe korter de lengte van het haar, hoe meer de krullen opspringen.
De verschillen tussen de variaties in afnemende lengten zitten in de projectiehoek die je gebruikt:
• Licht afnemende lengten: 0-30 graden.
• Gemiddeld afnemende lengten: 30-60 graden.
• Sterk afnemende lengten: 60-90 graden.
Test je kennis over de techniek afnemende lengten.
Snelcode 1 1 0 4 7
In de praktijk kun je ook beginnen met knippen in vak 5 of bij de contourlijn.



12.1 Basistechnieken combineren
12.1.1 Verschillen en overeenkomsten
12.2 Combinatietechnieken uitvoeren
12.2.1 Benodigdheden
12.2.2 Stappenplan
12.2.3 Aandachtspunten
Hair Level online

Het kappersvak is een creatief beroep: je combineert vaak meerdere basistechnieken. Denk aan het combineren van gelijke en toenemende lengten in één coupe of aan een combinatie van gelijke lengten en éénlengtelijn. Als je de verschillende technieken hebt uitgevoerd, is het belangrijk dat je controleert of de haarpartijen op elkaar aansluiten. Als je de basistechnieken goed met elkaar kunt combineren, kun je bij iedere klant een passende coupe knippen.
In dit hoofdstuk krijg je meer inzicht in de verschillen en overeenkomsten tussen de diverse basistechnieken. Je leert welke combinatietechnieken er zijn en hoe je deze uitvoert. Ook leer je hoe je na het knippen controleert of alle haarpartijen goed op elkaar aansluiten.
Als kapper voer je allerlei behandelingen uit. Bij veel behandelingen combineer je meerdere basistechnieken. Je kunt bijvoorbeeld de basistechnieken toenemende en afnemende lengten combineren. Als je in één coupe twee of meer technieken knipt, noem je dit een combinatietechniek Welke techniek je op welke plaats in de coupe knipt, is onder andere afhankelijk van de wens van de klant en het heersende modebeeld.
Bij het combineren van verschillende basistechnieken is het belangrijk dat je de afdeling aanpast. Op de plek in het haar waar je van techniek verandert, deel je een nieuw vlak af. Je kunt hierdoor de verschillende vlakken vloeiend op elkaar laten aansluiten. Het resultaat daarvan wordt connected genoemd. Ook kun je ervoor kiezen om de vlakken juist niet op elkaar te laten aansluiten als je het haar knipt. Het resultaat is dan disconnected.
Bij het combineren van basistechnieken kun je verschillende scheidingen gebruiken, zoals verticale, horizontale en diagonale scheidingen. De richting waarin je de diagonale scheidingen trekt, is van invloed op de vormlijn van de coupe. Bij diagonale scheidingen naar achteren ontstaat een convexe vormlijn en bij diagonale scheidingen naar voren ontstaat een concave vormlijn.
12.1.1 Verschillen en overeenkomsten
Voordat je technieken gaat combineren, is het belangrijk dat je inzicht hebt in de verschillen en overeenkomsten tussen de basistechnieken.
Zorg ervoor dat je elke basistechniek goed beheerst. Hierdoor kun je ze makkelijker combineren in één coupe.

Bekijk pagina 145 van hoofdstuk 8 voor meer informatie over de convexe en concave vormlijn.
TOENEMENDE
TOENEMENDE
1 2 3 4 5
1 2 3 4 5
1 2 3 4 5
1 2 3 4 5
1 2 3 4 5
EEN LENGTELIJN HORIZONTAAL
LENGTEN
TOENEMENDE
TOENEMENDE
TOENEMENDE
TOENEMENDE
LENGTEN
TOENEMENDE
LENGTEN
TOENEMENDE
LENGTEN
LENGTEN MET
STERVORMIGE
LENGTEN MET
TOENEMENDE
TOENEMENDE
TOENEMENDE
EEN LENGTELIJN HORIZONTAAL
EEN LENGTELIJN HORIZONTAAL
EEN LENGTELIJN HORIZONTAAL
Eénlengtelijn horizontaal
EEN LENGTELIJN HORIZONTAAL
EEN LENGTELIJN HORIZONTAAL
EEN LENGTELIJN HORIZONTAAL
LENGTEN MET
TOENEMENDE
STERVORMIGE
LENGTEN MET
EEN LENGTELIJN HORIZONTAAL GELIJKE LENGTEN
EEN LENGTELIJN HORIZONTAAL
EEN LENGTELIJN HORIZONTAAL
EEN LENGTELIJN HORIZONTAAL
EEN LENGTELIJN HORIZONTAAL
OPNEEMTECHNIEK
STERVORMIGE
LENGTEN MET
STERVORMIGE
LENGTEN MET
OPNEEMTECHNIEK
GEMIDDELDE AFNEMENDE LENGTEN
1 2 3 4 5
1 2 3 4
1 2 3 4
1 2 3 4 5
1 2 3 4 5
1 2 3
1 2 3 4 5
LENGTEN MET
STERVORMIGE
STERVORMIGE OPNEEMTECHNIEK
STERVORMIGE OPNEEMTECHNIEK
STERVORMIGE OPNEEMTECHNIEK GEMIDDELDE AFNEMENDE LENGTEN
OPNEEMTECHNIEK
STERVORMIGE
OPNEEMTECHNIEK
GEMIDDELDE AFNEMENDE LENGTEN
GEMIDDELDE AFNEMENDE LENGTEN
Toenemende lengten met stervormige opneemtechniek
STERVORMIGE OPNEEMTECHNIEK
GEMIDDELDE AFNEMENDE LENGTEN
GEMIDDELDE AFNEMENDE LENGTEN
GEMIDDELDE AFNEMENDE LENGTEN
STERVORMIGE OPNEEMTECHNIEK GEMIDDELDE AFNEMENDE LENGTEN
OPNEEMTECHNIEK
TOENEMENDE
OPNEEMTECHNIEK
LENGTEN MET STERVORMIGE OPNEEMTECHNIEK
LENGTEN
STERVORMIGE
OPNEEMTECHNIEK
LENGTEN
GEMIDDELDE AFNEMENDE LENGTEN
Gemiddelde afnemende lengten
GEMIDDELDE AFNEMENDE LENGTEN
GEMIDDELDE AFNEMENDE LENGTEN
GEMIDDELDE AFNEMENDE LENGTEN
GELIJKE LENGTEN
EEN LENGTELIJN HORIZONTAAL GELIJKE LENGTEN
GELIJKE LENGTEN
Gelijke lengten 1
GEMIDDELDE
AFNEMENDE LENGTEN
GELIJKE LENGTEN
Je gebruikt verschillende producten en materialen bij het uitvoeren van combinatietechnieken. Bij iedere combinatietechniek volg je een aantal stappen. Je houdt hierbij rekening met verschillende aandachtspunten, zodat je de techniek goed kunt uitvoeren bij de klant.
Je gebruikt bij de combinatietechnieken dezelfde producten en materialen als bij de basistechnieken (éénlengtelijn, toenemende lengten, afnemende lengten en gelijke lengten):
• knipschaar
• föhn
• ronde borstel
• afdeelklemmen
• kapmantel
• handdoek
• knipkraag
• halskraag
• nekkwast
• waterspuit
• pompstoel
• kappersfiets met fiets- of ponyzadel
• werkwagen
• borstel en kam om te ontwarren
Wist je dat?
Bij de combinatietechnieken kun je naast de knipschaar ook de coupeschaar of de feather razor gebruiken.

Lees meer over de materialen in de hoofdstukken:
• Werken in de salon (pagina 17-19);
• Knippen: de basis (pagina 118-121).
12.2.2 Stappenplan
De verschillende combinatietechnieken voer je in een aantal stappen uit.
Gelijke en afnemende lengten toepassen (heer)
Maak een zesbanenafdeling.
Gelijke en afnemende lengten toepassen (dame)
Maak een zesbanenafdeling.
Knip de basislijn in de bovenpartij (baan 1).
Knip baan 1 in gelijke lengten (bovenpartij).
Knip de basislijn in de bovenpartij (baan 1).
Knip baan 1 in gelijke lengten (bovenpartij).
Sluit baan 2 en 3 aan op baan 1 (bovenpartij)
Sluit baan 4 (zij- en achterpartij) aan op baan 2 en 3 (bovenpartij).
Knip baan 5 in afnemende lengten (zij- en achterpartij).
Sluit baan 6 in afnemende lengten aan op baan 5 (zij- en achterpartij).
Knip de contourlijnen.
Controleer je werk.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Reinig en desinfecteer je materiaal.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 1 5 3
Stappenplan snelcode 1 3 1 5 4 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Sluit baan 2 en 3 aan op baan 1 (bovenpartij)
Sluit baan 4 (zij- en achterpartij) aan op baan 2 en 3 (bovenpartij).
Knip baan 5 in afnemende lengten (zij- en achterpartij).
Sluit baan 6 in afnemende lengten aan op baan 5 (zij- en achterpartij).
Knip de contourlijnen.
Controleer je werk.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Reinig en desinfecteer je materiaal.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 1 5 6 Stappenplan snelcode 1 3 1 5 7
Gelijke en toenemende lengten toepassen
Maak een zesbanenafdeling.
Knip de basislijn in de bovenpartij (baan 1).
Knip baan 1 in gelijke lengten (bovenpartij).
Sluit baan 2 en 3 aan op baan 1 (bovenpartij).
Knip baan 4, 5 en 6 (zij- en achterpartij) in toenemende lengten aansluitend op de bovenpartij.
Knip de contourlijnen.
Controleer je werk.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Reinig en desinfecteer je materiaal.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 1 5 9 Stappenplan snelcode 1 3 1 6 0
Vraag de klant altijd of de nieuwe lengte naar wens is.
Toenemende lengten en éénlengtelijn toepassen
Maak een viervaksafdeling.
Knip de achterpartij in éénlengtelijn met een horizontale gidslijn (vak 3 en 4).
Sluit de zijpartijen (vak 1 en 2) aan op de achterpartij.
Maak een zesbanenafdeling.
Knip de basislijn in de bovenpartij (baan 1).
Knip baan 1 in toenemende lengten (bovenpartij).
Sluit baan 2 en 3 aan op baan 1 (bovenpartij).
Knip baan 4, 5 en 6 (zij- en achterpartij) in toenemende lengten aansluitend op de bovenpartij.
Knip de contourlijnen.
Controleer je werk.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Reinig en desinfecteer je materiaal.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 1 6 2 Stappenplan snelcode 1 3 1 6 3
Houd rekening met de volgende punten als je combinatietechnieken uitvoert:
• Houd je vingers tijdens het knippen evenwijdig aan de scheiding.
• Controleer je werk tegengesteld aan de richting waarin je geknipt hebt. Let hierbij ook goed op de valling van het haar en op het haar bij het kruingedeelte.
• Neem dunne passés op, zodat je de gidslijn kunt volgen.
• Vraag de klant altijd of de nieuwe lengte naar wens is.
Test je kennis over combinatietechnieken.
Snelcode 1 1 0 8 6
Het stappenplan gelijke en afnemende lengten toepassen is bij heer en dame gelijk. Bij kort haar wordt vaak wel gestart met het knippen of het scheren van de achterpartij.



13.1 Technieken voor pony en lok
13.1.1 Afdeeltechnieken
13.2 Pony en lok creëren
13.2.1 Benodigdheden
13.2.2 Stappenplan
13.2.3 Aandachtspunten
Hair Level online

Voor veel klanten is het vaak een dilemma: wel of niet gaan voor een pony? Door goed naar de gezichtsvorm en de kruinen aan de voorzijde van het haar te kijken, kun jij de klant een passende pony adviseren. Zo kun je kiezen voor een gelaagde of een horizontale pony of tot de conclusie komen dat een lok voor de juiste look zorgt!
In dit hoofdstuk leer je wat de technieken voor pony en lok inhouden. Wat is een pony en wat is een lok? Je leert welke afdeeltechnieken en aandachtspunten er zijn en hoe je een pony of een lok creëert.
Een pony of een lok is de haarpartij aan de voorkant van het gezicht. De pony wordt naar voren gekamd en gedragen, maar valt meestal niet over de ogen. Een pony kan dik, dun, recht, gebogen of diagonaal worden geknipt of gesneden. Een pony wordt meestal los van de coupe geknipt. Er is geen aansluiting met de boven- en achterpartijen. Dit noem je disconnected.
Een lok heeft aan één zijkant een aansluiting met de rest van de coupe. De lok valt wel over de ogen en wordt daarom naar rechts of links gedragen. Een lok kan in een diagonale of gebogen lijn geknipt of gesneden zijn.
Passend advies
Door goed naar de gezichtsvorm en de kruinen aan de voorzijde van het haar te kijken, kun je de klant een passende pony of lok adviseren.
1. Bij een rechthoekige gezichtsvorm met als gezichtskenmerk een hoger voorhoofd zorgt een pony ervoor dat het voorhoofd kleiner wordt.
2. Bij een vierkante gezichtsvorm zorgt een gelaagde lok voor een zachtere uitstraling. Wil de klant graag een pony? Houd deze dan smal zodat het gezicht smaller gaat lijken.
3. Bij een ronde gezichtsvorm kan een dunne pony of een schuine, licht opgeknipte lok het gezicht positief accentueren.
4. Bij een ovale gezichtsvorm kun je verschillende pony's of lokken adviseren. Bijvoorbeeld een pony of lok die speels opzij valt.
Let wel op: wat bij de ene klant mooi staat, kan bij de andere klant minder goed staan.
Een pony of lok knip je vanuit een afdeling. Deze afdeling kan bijvoorbeeld driehoekig of rond zijn. Hoe verder je de afdeling naar achteren op het hoofd maakt, hoe voller de pony of lok wordt. Hoe verder je de afdeling langs de zijpartijen naar beneden maakt, hoe breder de pony wordt.
Bij dik en veel haar hoef je een minder grote afdeling te maken voor een wat vollere pony. Heeft de klant juist fijn of weinig haar, dan zul je voor een net zo volle pony de afdeling wat groter moeten maken. Houd ook rekening met kruinen. Bepaal van tevoren of deze aanwezig zijn en hoe de groeirichting in de ponypartij is. Dit is namelijk direct van invloed op het resultaat. Is de groeirichting bij de klant gericht naar een zijde, adviseer dan de pony of lok in die richting te knippen. Zo valt de pony of lok mooi in droog haar.
Bij het creëren van een pony of lok gebruik je een aantal materialen. De behandeling voer je uit in verschillende stappen.
13.2.1 Benodigdheden
Voor het creëren van een pony of lok gebruik je de volgende materialen:
• afdeelklemmen
• kapmantel
• knipkraag
• waterspuit
• pompstoel
• kappersfiets met fiets- of ponyzadel
• werkwagen
• (föhn)borstel en (knip)kam
• kappersschaar
• föhn
• stylingproducten
Lees meer over de materialen in de hoofdstukken:
• Werken in de salon (pagina 17-19);
• Knippen: de basis (pagina 118-121).
13.2.2 Stappenplan
Bij het creëren van een pony of lok voer je de volgende stappen uit.
Stappenplan horizontale pony creëren
Deel de ponypartij af.
Knip de basislijn.
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden.
Knip de pony.
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden.
Controleer je werk.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Reinig en desinfecteer je materiaal.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode

Stappenplan gelaagde pony creëren
1
2 3 4 5 6 7
Deel de ponypartij af.
Knip de basislijn.
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden.
Knip de pony.
• Gebruik een projectiehoek van 0 graden.
Knip de lagen in de pony.
• Gebruik een projectiehoek van 0-45 graden.
Sluit de pony aan.
Controleer je werk.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Reinig en desinfecteer je materiaal.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 5 4
Stappenplan snelcode 1 3 0 9 2

Door verticale passés op te nemen en in te knippen, kun je een gelaagde pony iets luchtiger maken.
Stappenplan lok creëren
Deel de lokpartij af.
Knip de basislijn.
• Bepaal de projectiehoek aan de hand van de wens van de klant.
Knip de lok.
• Gebruik dezelfde projectiehoek als bij de basislijn.
Controleer je werk.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Reinig en desinfecteer je materiaal.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online. Behandelfilm snelcode 1


13.2.3 Aandachtspunten
Je kunt de pony of lok het beste in droog haar knippen. Zo zie je direct hoe de pony of lok valt door de eventuele kruinen. Ook kun je goed controleren of de pony de gewenste lengte heeft.
Kies je er toch voor om een pony of lok in handdoekdroog haar te knippen, dan kun je deze beter iets te lang knippen. Als de pony of lok opdroogt, is deze vaak wat korter dan hoe het leek in handdoekdroog haar. Controleer als het haar helemaal droog is altijd of de pony of lok goed valt en de gewenste lengte heeft.
Test je kennis over de technieken voor pony en lok.
Snelcode 1 1 0 5 2
Je kunt een pony ook snijden, maar dit doe je altijd in nat haar.









14.1 Effileren
14.1.1 Manieren voor effileren
14.1.2 Effileren met schaar
14.2 Effilatietechnieken
14.2.1 Inknippen
14.2.2 Slicen
14.3 Effilatietechnieken met schaar uitvoeren
14.3.1 Benodigdheden
14.3.2 Stappenplan
14.3.3 Aandachtspunten

Met effilatietechnieken kun je effecten aanbrengen in een geknipte of gesneden coupe. Denk bijvoorbeeld aan een speels effect met meer volume of haar dat soepel in een rechte lijn valt. Je kunt op meerdere plaatsen in het haar effileren. Op welke plaats je effileert, hangt af van het effect dat je wilt bereiken. Kies bijvoorbeeld voor een diepte-effilatie als je meer volume wilt creëren. Afhankelijk van de wens en het type haar van de klant kun je naast de plaats in het haar ook kiezen uit verschillende effilatietechnieken. Denk hierbij aan inknippen of slicen.
In dit hoofdstuk leer je een aantal effilatietechnieken en waar je ze kunt toepassen. Ook leer je in welke stappen je de verschillende technieken met de schaar uitvoert.
Effileren betekent het uitdunnen van haar.
Effileren betekent het uitdunnen van haar.
Door te effileren, kun je zorgen voor:
• volume in het haar;
• richting in het haar;
• haarpartijen die vloeiend in elkaar overlopen.
Je kunt effileren om een coupe na het knippen of snijden af te werken. Hierbij dun je het haar uit zonder iets van de lengte te knippen of te snijden. Je kunt ook de hele coupe effilerend knippen of snijden. Je dunt dan het haar uit en je knipt of snijdt het tegelijkertijd korter.
In een coupe kun je punt-effilatie, lengteeffilatie of diepte-effilatie toepassen.
Als je het haar wilt effileren met een schaar, kun je een effileerschaar, coupeschaar of channelschaar gebruiken. Hiermee bereik je verschillende effecten. De effileerschaar heeft een licht uitdunnend effect, waardoor je met deze schaar in de punten, de lengten en de diepten kunt effileren. De coupeschaar dunt heel sterk uit. Gebruik de coupeschaar daarom alleen bij punt-effilatie. Je zou deze schaar ook bij lengte-effilatie kunnen gebruiken, maar alleen als de klant veel haar heeft.
Je kunt naast de schaar ook effileren met een mes. In sommige salons wordt geëffileerd met een feather razor, maar je kunt hiervoor ook andere messen gebruiken. De plaats in het haar waar je effileert, bepaalt het effect.
Punteffilatie
Geschikt voor:
• alle haarlengten
• alle haardiktes
Plaats in het haar
• punten
Effect
• haarpartijen lopen vloeiend in elkaar over
Geschikt voor:
• alle haarlengten
• normaal tot dik haar
Plaats in het haar
• halverwege de passés
Effect
• haar valt lichter en soepeler
Geschikt voor:
• kort haar
• alle haardiktes
Plaats in het haar
• tot 2 centimeter van de hoofdhuid
Effect
• volume bij de hoofdhuid
• haar valt lichter en soepeler
Er zijn verschillende technieken voor het effileren van het haar. Bij sommige technieken gebruik je een schaar en bij andere een mes. Elke kapper moet de technieken met een schaar kunnen uitvoeren.
De technieken waarbij je een schaar nodig hebt, zijn:
• inknippen;
• slicen.
14.2.1
Als je het haar inknipt, kun je meer volume en een speels, springerig effect in een korte coupe creëren. In lang haar krijg je een meer vloeiend effect en zachtere lijnen. Bij inknippen zet je de kappers-, de coupe- of de effileerschaar diagonaal in de punten van het haar en knip je deze schuin in. Je knipt meerdere keren kleine plukjes haar en schuift steeds iets op in de passé. De punten blijven zo vol, maar worden wel in een hoek geknipt. De hoek waaronder je het haar knipt, bepaalt hoe speels het effect wordt. Je maakt de hoek groter door de schaar verticaler ten opzichte van het haar te houden. Hoe groter de hoek van de schaar, hoe groter het lengteverschil in het haar en hoe speelser het haar valt.
14.2.2
Je kunt het haar ook slicen. In kort haar krijg je dan een piekerige coupe. In lang haar zal het haar vloeiend in elkaar overlopen. Bij slicen gebruik je de kappersschaar als mes. Je houdt de schaar licht open en je laat deze van de bovenkant van de
passé naar de punten toe glijden. Zo dun je het haar uit en laat je het vloeiender vallen. Doordat je het haar in een bepaalde vorm slicet, geef je het een bepaalde richting mee. Je kunt slicen in de punten, lengten en diepten van het haar.
TIP
Slice het haar altijd met een schaar zonder microgolven. Anders glijdt de schaar niet door het haar.


De effilatietechnieken die elke kapper met een schaar moet kunnen uitvoeren, zijn slicen en inknippen. Beide technieken voer je in een aantal stappen uit. Daarbij gebruik je een aantal materialen.
Bij het slicen gebruik je een kappersschaar, net als bij de basistechnieken. Bij het inknippen gebruik je een coupeof effileerschaar. Daarnaast gebruik je ook weer:
• afdeelklemmen
• kapmantel
• handdoek
• knipkraag
• halskraag
• nekkwast
• waterspuit
• pompstoel
• kappersfiets met fiets- of ponyzadel
• werkwagen
• borstel en kam















Wist je dat?
In sommige salons wordt ook een channelschaar gebruikt om te effileren.
Lees meer over de materialen in de hoofdstukken:
• Werken in de salon (pagina 17-19);
• Knippen: de basis (pagina 118-121).
De effilatietechnieken slicen en inknippen voer je in een aantal stappen uit.
Stappenplan slicen met kappersschaar
Pak een passé.
Houd de schaar licht open.
Slice het haar van boven naar beneden.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 3 6
Stappenplan snelcode 1 3 0 8 7
Stappenplan inknippen met coupe of effileerschaar
Pak een passé.
Zet de schaar diagonaal in de punten van het haar.
Knip de punten schuin in met een coupe- of effileerschaar.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 3 7
Stappenplan snelcode 1 3 0 8 8
Effilatietechniek korte coupes
Effilatietechnieken worden veel gebruikt bij korte (heren)coupes. De technieken zijn hetzelfde als bij lang haar, maar het resultaat is anders. Kijk naar de film over het effileren van kort haar bij een heer.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 1 8 2
Houd bij je keuze voor een effilatietechniek rekening met de lengte en de dikte van het haar.
Als je de techniek slicen gebruikt, houd je rekening met het volgende:
• Gebruik een schaar zonder microgolven, zodat de schaar soepel door het haar glijdt.
• Houd de schaar licht open. Als je de schaar te ver sluit, haal je te veel haren weg.
• Bedenk goed hoeveel haar je weg wilt halen. Hoe meer druk je geeft, hoe dunner de punten worden.
Als je de techniek inknippen gebruikt, let je op het volgende:
• Kies een schaar die past bij het resultaat dat je wilt bereiken. De effileerschaar dunt licht uit en de coupeschaar dunt sterk uit.
• Bekijk na het effileren de natuurlijke valling van het haar. Bepaal zo of je het haar nog meer moet effileren.
Test je kennis over effilatietechnieken.
Snelcode 1 1 0 8 9























15.1 Kleurproducten
15.2 Bestanddelen van kleurproducten
15.2.1 Waterstofperoxide
15.2.2 Antioxidanten
15.2.3 Alkaliën
15.2.4 Persulfaten
15.3 Tijdelijke kleurproducten
15.3.1 Kleurversteviging
15.3.2 Kleurspoeling
15.3.3 Semipermanente kleuring
15.4 Blijvende kleurproducten
15.4.1 Oxidatiekleuring
15.4.2 Extra verhelderende kleuring
15.4.3 Ontkleuring
15.4.4 Henna
15.5 Nabehandelingsproducten
Hair Level online
Kleurbehandeling voorbereiden en uitvoeren

Kleurbehandelingen zijn veelgekozen behandelingen in de salon. Denk aan het zetten van highlights of een totaalkleuring. Als je de kleur van het haar wilt veranderen, maak je gebruik van een kleurproduct. Het is belangrijk dat je bij elke klant het juiste kleurproduct gebruikt. De keuze van het kleurproduct hangt af van de wens van de klant en de conditie van het haar. Als een klant graag de eigen haarkleur terug wil en jij stelt vast dat het haar beschadigd is en dat de haarstructuur poreus is, dan kies je bijvoorbeeld voor een semipermanent kleurproduct.
In dit hoofdstuk leer je wat het verschil is tussen tijdelijke en blijvende kleurproducten en uit welke bestanddelen deze producten bestaan. Ook leer je wat nabehandelingsproducten zijn en waarom het belangrijk is om deze na een kleurbehandeling te gebruiken.
Het haar bevat natuurlijk kleurpigment.
Een kleurproduct bestaat uit kunstmatige kleurpigmenten. Deze kleurpigmenten kunnen ontwikkeld of onontwikkeld zijn. Dit heeft een verschillende uitwerking op het haar. De samenstelling van een kleurproduct bepaalt of het kleurproduct een tijdelijke of een blijvende werking heeft op het haar. Een kleurproduct wordt geleidelijk weer uit het haar gewassen, terwijl een blijvend kleurproduct de haarkleur blijvend verandert. Het verschilt per kleurproduct in welke laag van het haar het kunstmatig kleurpigment doordringt.
Bij een blijvend kleurproduct dringt het kunstmatig kleurpigment dieper door dan in een tijdelijk kleurproduct.

Aanbrengen van een tijdelijk kleurproduct
Een tijdelijk kleurproduct breng je aan op handdoekdroog haar. Dit zorgt ervoor dat de haarschubben een stukje openstaan. Als je het product aanbrengt op het haar, zet het ontwikkelde kleurpigment zich direct vast aan en tussen de haarschubben. Dit kunstmatige kleurpigment legt als het ware een kleurlaagje om het haar heen, maar dringt niet door tot de vezellaag van het haar. Daardoor verandert de verhouding van het natuurlijk kleurpigment in het haar niet. De nieuwe haarkleur is tijdelijk. Deze wordt er geleidelijk weer uitgewassen.

De samenstelling van de kleurproducten bepaalt of een kleurproduct een tijdelijke of een blijvende werking heeft op het haar.
Aanbrengen van een blijvend kleurproduct Een blijvend kleurproduct breng je meestal aan op droog haar. De bestanddelen van een blijvend kleurproduct zorgen ervoor dat het onontwikkelde kleurpigment doordringt in de vezellaag van het haar. Daar komt het kleurpigment tot ontwikkeling. Doordat het nieuw gevormde, kunstmatige kleurpigment in de vezellaag doordringt, wordt de mengverhouding van het kleurpigment in het haar blijvend veranderd. De nieuwe haarkleur is blijvend en kan alleen door uitgroei uit het haar verdwijnen.

Tijdelijke kleurproducten zijn gebruiksklaar en kun je direct toepassen op het haar. Blijvende kleurproducten met onontwikkeld kleurpigment moet je eerst klaarmaken. Je mengt hiervoor de kleurstof met de vloeistof waterstofperoxide. Dit zorgt ervoor dat het kleurproduct pas in de vezellaag van het haar tot ontwikkeling komt. Kleurproducten bevatten chemische stoffen zoals alkaliën, antioxidanten en persulfaten. Deze stoffen zorgen ervoor dat het kleurproces in werking wordt gezet.

Tijdelijke kleurproducten zijn gebruiksklaar. Je kunt ze direct toepassen op het haar.
De scheikundige naam voor waterstofperoxide is H₂O₂. De H staat voor hydrogenium, dat is waterstof. De O staat voor oxygenium, wat zuurstof betekent. Waterstofperoxide bestaat dus uit twee delen waterstof en twee delen zuurstof. Deze zuurstofrijke stof zorgt voor het kleurproces. Tijdens dit proces gebeuren er twee dingen:
• Het natuurlijke kleurpigment wordt verhelderd.
• Het kunstmatige kleurpigment komt tot ontwikkeling.
Kleurproces
Het kleurproces verloopt als volgt: de zuurstofdeeltjes in de waterstofperoxide verbinden zich met het natuurlijke kleurpigment in het haar en in het kleurproduct. Dit proces noem je oxideren.
Waterstofperoxide en ammoniak (een alkali) zorgen samen voor de verheldering van het natuurlijke pigment. De ammoniak gaat een verbinding aan met het natuurlijke pigment en de waterstofperoxide in het haar. Het natuurlijke kleurpigment in het haar is al ontwikkeld en zal tijdens het oxidatieproces verhelderen. Het kunstmatige kleurpigment is nog niet ontwikkeld en komt tot ontwikkeling tijdens het oxidatieproces.Het kleurproces is vergelijkbaar met de ontwikkeling en verheldering van het natuurlijke kleurpigment wanneer dit in aanraking komt met de zuurstof in de buitenlucht. Denk aan een tube met kleurproduct waarvan de dop niet goed dicht is gedaan. Doordat er zuurstof bij komt, zie je al snel een kleurverandering in het product. De zuurstof in de buitenlucht is alleen niet voldoende om het kunstmatige kleurpigment tot ontwikkeling te brengen. Daarom voeg je altijd extra zuurstof toe in de vorm van waterstofperoxide.
Concentraties waterstofperoxide
Waterstofperoxide komt in verschillende concentraties voor. Vaak gebruik je een van de volgende concentraties: 3%, 6%, 9% of 12%. Het percentage geeft de hoeveelheid actieve zuurstofatomen aan. Hoe hoger het percentage is, hoe meer zuurstof er wordt afgegeven. Als de hogere percentages niet goed gebruikt worden, kan dit leiden tot schade aan het haar en de hoofdhuid. Het is dus belangrijk om voorzichtig te werk te gaan. Gebruik concentraties van 9% en 12% bij het ontkleuren bijvoorbeeld alleen op de lengten en punten en niet op de aanzet. De sterkte van de waterstofperoxide in combinatie met het ontkleurproduct kan ervoor zorgen dat de hoofdhuid geïrriteerd raakt.
Als je het haar lichter wilt kleuren, kun je wel een oxidatiekleuring met een concentratie van 12% op de aanzet gebruiken.
• op gelijke kleurhoogte kleuren
• donkerder kleuren
• extra karakter geven
• 1 tot 2 kleurhoogten lichter kleuren
• 2 tot 3 kleurhoogten lichter kleuren
• 3 tot 4 kleurhoogten lichter kleuren
• 4 tot 5 kleurhoogten lichter kleuren met een extra verhelderend kleurproduct
Gestabiliseerd H2O2
Waterstofperoxide is niet zo stabiel. De zuurstofatomen ontsnappen al tijdens het bewaren, waardoor het product minder sterk wordt en minder goed werkt. Om dit te voorkomen, wordt er een beetje zuur aan de waterstofperoxide toegevoegd. Na het toevoegen van het zuur noem je de waterstofperoxide: gestabiliseerd H₂O₂. Gestabiliseerd H₂O₂ geeft pas zuurstof af als het in aanraking komt met andere chemische stoffen in het kleurproduct: de alkaliën (basen).
Kleurproducten bevatten antioxidanten
Deze verharden de kleurdeeltjes in het kleurproduct. Ze zorgen ervoor dat de kleurdeeltjes op het juiste moment een verbinding aangaan met de zuurstofatomen, namelijk wanneer de waterstof wordt toegevoegd.
15.2.3
De zuurgraad van een stof wordt uitgedrukt in de pH-waarde. Deze waarden lopen van zuur tot basisch op een schaal 0 tot 14. Zure stoffen hebben een hoge zuurgraad en een lage pH-waarde: tussen de 0 en 7. Basische stoffen hebben juist een lage zuurgraad en een hoge pH-waarde: tussen de 7 en 14. Een pH-waarde van 7 is neutraal.
De alkaliën in een kleurproduct hebben een lage zuurgraad en zijn basisch. Basische stoffen zorgen ervoor dat de haarschubben zich openen, terwijl zure stoffen er juist voor zorgen dat de haarschubben zich sluiten. De alkaliën zijn tijdens het kleurproces nodig om de haarschubben te openen. Hierdoor kan het kunstmatige kleurpigment het haar binnendringen.
Soorten
Er zijn twee soorten alkaliën:
• niet-vluchtige alkaliën
• vluchtige alkaliën
Niet-vluchtige alkaliën, zoals natronloog en kaliloog, zitten in tijdelijke kleurproducten. Ze openen de haarschubben wel, maar verhelderen het natuurlijke kleurpigment niet. Daardoor is de kleur niet blijvend. Een kleurproduct met niet-vluchtige alkaliën is zwak basisch.
Alkaliën zijn tijdens het kleurproces nodig om de haarschubben te openen, zodat het kunstmatig kleurpigment het haar kan binnendringen.
Vluchtige alkaliën, zoals ammoniak, zitten in blijvende kleurproducten. Deze alkaliën verhelderen het natuurlijke kleurpigment. Dit gaat als volgt, bijvoorbeeld bij het gebruik van ammoniak:
• De ammoniak opent de haarschubben. Hierdoor kunnen alle chemische stoffen in de vezellaag doordringen.
• De ammoniak gaat een verbinding aan met het natuurlijke kleurpigment en de waterstofperoxide in het haar.
• Het natuurlijke kleurpigment wordt verhelderd en het haar wordt ingekleurd.
Ammoniak heeft verschillende functies:
• Het opent de haarschubben.
• Het verheldert het kleurpigment (samen met waterstofperoxide).
• Het is een bufferstof.
Een kleurproduct met vluchtige alkaliën, zoals ammoniak, is matig tot sterk basisch.


Een bufferstof zorgt ervoor dat de chemische reactie gelijkmatig verloopt. Tijdens het kleurproces betekent dit dat ammoniak ervoor zorgt dat de zuurstofdeeltjes in de waterstofperoxide gelijkmatig vrijkomen in het haar. Als je geen bufferstof zou toevoegen, zou het haar dat je als eerste hebt ingezet al klaar kunnen zijn voordat je de rest hebt ingezet. Door de bufferstof heb je de tijd om het product goed in te zetten en uit te spoelen.
Persulfaten zitten alleen in ontkleurproducten. Ze versterken het oplichtende effect van ammoniak.



zuur


sterk matig zwak zwak matig sterk



Er zijn drie soorten tijdelijke kleurproducten:
• kleurversteviging
• kleurspoeling
• semipermanente kleuring
Een kleurversteviging is een ontwikkeld kleurproduct dat verkrijgbaar is als lotion of als mousse. Een kleurversteviging zorgt voor versteviging van het haar en legt een kleurlaagje om de schubbenlaag heen. Je brengt een kleurversteviging aan op gewassen, handdoekdroog haar. Dit doe je met een flacon, een kwast, een watje of met je handen. Zorg ervoor dat je handschoenen draagt om te voorkomen dat het kleurproduct afgeeft op je handen. Let er bij het aanbrengen op dat er zo weinig mogelijk kleurversteviging op de hoofdhuid van de klant komt. Zo voorkom je dat het in de huid trekt en de klant een gekleurde hoofdhuid krijgt. Een kleurversteviging heeft geen tijd nodig om in te trekken en wordt niet uitgewassen. Het effect is namelijk na één keer wassen al verdwenen. Na het aanbrengen kun je het haar stylen.
Het kleurpigment in de kleurversteviging geeft de natuurlijke haarkleur meer glans en frist de haarkleur op. Je kunt het gebruiken om een ongewenste gloed mee weg te werken, bijvoorbeeld in ontkleurd haar. Ook kun je er witte haren tot maximaal 15% mee camoufleren en je kunt er accenten in het haar mee aanbrengen. Je kiest een kleurversteviging altijd op basis van de kleurhoogte van de haarkleur van de klant.
TIP
De kleurhoogte geeft aan hoe licht of donker de haarkleur is.




Overtollig kleurproduct kun je wegnemen met een doekje.



Een kleurspoeling noem je ook wel een waterspoeling. Het is een ontwikkeld kleurproduct dat verkrijgbaar is als mousse, gel of crème. Een kleurspoeling geeft een intensievere kleur dan een kleurversteviging. Dat komt doordat een kleurspoeling meer kleurpigment bevat. Daardoor heeft het ook even de tijd nodig om in te werken. Je brengt de kleurspoeling aan op gewassen, handdoekdroog haar. Je kunt het rechtstreeks vanuit de tube of flacon aanbrengen. Je kunt ook een hoeveelheid in een bakje of maatbeker doen en een kwast gebruiken om het product aan te brengen. De tijd om in te werken, ook wel de posetijd, varieert van 15 tot 30 minuten, afhankelijk van de haardikte. Daarna spoel je het product uit. De kleur vervaagt na elke wassing en is na vier tot acht wassingen uit het haar.

Functie
Je gebruikt een kleurspoeling om de gloed van de natuurlijke haarkleur te versterken of op te frissen. Je kunt het haar tot maximaal twee tinten donkerder kleuren, maar nooit lichter. Ook kun je er grijze haren mee camoufleren, tot maximaal 30%. Net als bij de kleurversteviging geldt hiervoor dat je dan kiest voor een kleur vergelijkbaar met de natuurlijke haarkleur.
Een semipermanent kleurproduct is een onontwikkeld kleurproduct dat verkrijgbaar is als gel of crème. Je mengt het met een lage concentratie waterstofperoxide. Daardoor is er wel sprake van een chemisch proces. Het chemisch proces zorgt ervoor dat het kleurproduct dieper op het haar inwerkt dan een kleurspoeling, maar minder diep dan een blijvend kleurproduct. Dit komt doordat het kleurproduct wel in het haar trekt, maar niet doordringt tot de vezellaag. Het zet zich vast tussen de schubben in de schubbenlaag.
De posetijd varieert van 15 tot 30 minuten. Een semi-permanente kleuring blijft ongeveer 24 wasbeurten in het haar zitten.
Met een semipermanent kleurproduct kun je het haar in dezelfde kleurhoogte of donkerder kleuren. Het wordt ook vaak gebruikt als toner om kleur te matteren. Het is erg geschikt voor een kleurbehandeling waarbij geen volledige dekkracht nodig is. Ook kun je een semipermanente kleuring goed gebruiken bij heel poreus haar. De grijsdekking is maximaal 40%.
De posetijd van een kleurproduct is de tijd dat het product nodig heeft om in te trekken.
Er zijn vier verschillende blijvende kleurproducten:
• oxidatiekleuring
• extra verhelderende kleuring
• ontkleuring
• henna
Een oxidatiekleuring is een onontwikkeld kleurproduct dat verkrijgbaar is als crème of als gel. Je mengt het kleurproduct met waterstofperoxide waardoor het natuurlijke kleurpigment wordt verhelderd. Het kunstmatige kleurpigment ontwikkelt zich in de vezellaag. Hierdoor verandert de samenstelling van de kleurpigmenten in het haar blijvend.
De posetijd varieert van 20 tot 45 minuten. Daarna spoel je het haar uit en was je het met een shampoo die past bij de haarconditie van de klant.
Functie
Met een oxidatiekleuring kun je het haar op gelijke kleurhoogte kleuren, maar ook donkerder of lichter kleuren kan tot maximaal drie kleurhoogten. De grijsdekking is 100% bij natuurtinten.
Als je het haar rood gaat kleuren, is de ondergrond erg belangrijk. Bij blond, ontkleurd of grijs haar kan de kleur feller worden dan gewenst. In deze gevallen moet je het haar voorbehandelen. Haar dat al gekleurd is, kun je met een oxidatiekleuring niet lichter kleuren. Dit is alleen mogelijk door het haar te ontkleuren.
Een extra verhelderende kleuring is een speciale oxidatiekleuring waarmee je het haar lichter kleurt. Het is verkrijgbaar als crème of gel en het moet gemengd worden met een wat hogere concentratie waterstofperoxide. Een extra verhelderende kleuring zorgt ervoor dat het natuurlijke kleurpigment verheldert. Daarnaast voegt het kleurproduct kunstmatig kleurpigment toe. Afhankelijk van de kleur die je kiest, is dit een kleurpigment met een warm of koel kleurkarakter. De posetijd varieert van 30 tot 50 minuten.
Functie
Je gebruikt een extra verhelderende kleuring als je het haar drie tot vier kleurhoogten lichter wilt kleuren. Als je het haar meer dan vier kleurhoogten lichter wilt kleuren, moet je het ontkleuren. Grijs of wit haar kun je niet lichter kleuren. Het bevat namelijk geen natuurlijk kleurpigment meer.
Mengkleuren zijn producten die alleen bestaan uit kleurpigment. Deze kun je toevoegen aan het kleurproduct als je extra kleurpigment nodig hebt, bijvoorbeeld als je een roodtint nog feller wilt hebben. Je kunt ook een mengkleur met een ander kleurkarakter toevoegen om een ongewenste gloed weg te werken. Zo kun je een mengkleur met een violetkleurige tint toevoegen bij een blond kleurproduct om een ongewenste gele kleur te neutraliseren.
Grijs of wit haar kun je niet lichter kleuren, omdat het geen natuurlijk kleurpigment meer bevat.
In het hoofdstuk Kleurcorrecties lees je meer over de kleurencirkel en complementaire kleuren.
Een ontkleurproduct wordt ook wel een blondering genoemd. Het is een onontwikkeld kleurproduct dat verkrijgbaar is als crème, gel of poeder. Doordat je het mengt met een percentage waterstofperoxide, ontstaat er een sterk oxidatieproces. Hierdoor verbrandt het natuurlijke kleurpigment. Bij een ontkleuring wordt er dus geen kunstmatig kleurpigment aan het haar toegevoegd.
De posetijd is afhankelijk van hoe licht je het haar gaat kleuren en van het percentage waterstofperoxide dat je gebruikt.
Functie
Met een ontkleurproduct kun je het haar maximaal zeven kleurhoogten ontkleuren. Ook bij ontkleuren geldt dat je wit of grijs haar niet kunt ontkleuren, omdat het geen natuurlijk kleurpigment meer bevat.
Ontkleurproces
Het ontkleurproces verloopt anders dan bij een oxidatiekleuring of een extra verhelderende kleuring. Tijdens het ontkleuren worden het natuurlijke en het kunstmatige kleurpigment in het haar chemisch verbrand. Dit wordt veroorzaakt door het oxidatieproces. Door het oxidatieproces wordt het kleurpigment zo sterk verhelderd, dat het kleurpigment uiteindelijk uit het haar wordt verwijderd.
Kleurpigmenten in het haar zijn verschillend van grootte. Violet, blauw en groen zijn grotere kleurpigmenten, terwijl rood een veel kleiner kleurpigment is. De aanwezige kleurpigmenten in het haar worden van groot naar klein verwijderd. De grotere kleurpigmenten violet, blauw en groen verdwijnen als eerste uit het haar. Daardoor ziet het haar er al snel rood uit. Wanneer al het rode en oranje kleurpigment uit het haar verwijderd is, blijft er alleen geel pigment over. Ook het gele pigment verdwijnt, waardoor de haarkleur verandert van geel naar lichtgeel. Afhankelijk van de posetijd is het resultaat van een ontkleuring zeer lichtblond (9) of super lichtblond (10). De cijfers geven de kleurhoogten aan op een schaal van 1 (zwart) tot 10 (super lichtblond).
Kleurpigmenten in het haar zijn verschillend van grootte. De aanwezige kleurpigmenten in het haar worden van groot naar klein verwijderd.

De posetijd van een ontkleurproduct ligt tussen de 20 en 50 minuten. De posetijd is afhankelijk van hoe licht je het haar wilt hebben en van het percentage waterstofperoxide dat je gebruikt. Het is belangrijk om een ontkleurproduct goed in de gaten te houden. Als je het product te vroeg uitspoelt, houdt het haar een oranje gloed. Als het haar na 50 minuten nog niet licht genoeg is, is het ontkleurproduct uitgewerkt. Spoel het kleurproduct uit en zet het haar nog een keer in met een ontkleurproduct om toch de gewenste kleur te krijgen. Na het ontkleuren kun je een toner gebruiken om de kleur meer in te kleuren.
Henna is een plant (een heester). De bladeren van de plant worden gedroogd en tot poeder vermalen. Deze pure henna kan worden gebruikt als een natuurlijk kleurproduct met een tijdelijke werking. Henna wordt gemengd met warm water in plaats van waterstofperoxide. Door de warmte van het water en de warmte van de hoofdhuid gaat het kleurpigment in de henna zich ontwikkelen. De minimale posetijd is één uur. Hoe langer je de henna laat inwerken, hoe intenser de kleur wordt. Haar dat met henna gekleurd is, kun je alleen nog op dezelfde kleurhoogte of donkerder kleuren. Ontkleuren of lichter kleuren is niet mogelijk.
De kleur die de henna geeft, is afhankelijk van het moment waarop de plant wordt geoogst en van de grond waarop de plant groeit. Je kunt de natuurlijke kleur nog meer versterken of deze een ander kleurkarakter geven. Dit doe je door de henna te mengen met natuurlijk stoffen die ook kleurpigment bevatten. Denk aan wortelsap (oranje kleurpigment), rode wijn (rood kleurpigment), koffie (bruin kleurpigment) of kamille (goud kleurpigment). De grijsdekking is maximaal 30%.

Nadat je een blijvend kleurproduct uit het haar hebt gespoeld en het haar hebt gewassen, is het belangrijk om het haar een nabehandeling te geven. Dit doe je om het oxidatieproces te stoppen en het haar weer in conditie te brengen. De nabehandeling zorgt ervoor dat de haarschubben zich weer sluiten. Een nabehandelingsproduct is daarom altijd een zuur product. Dit zorgt ervoor dat je de kleur fixeert en dat de haren hun soepelheid en veerkracht terugkrijgen.
Een nabehandelingsproduct kan een conditioner, een masker of een pakking zijn. Een masker of pakking gebruik je bij haar dat vóór de kleurbehandeling al in zwakke conditie was. De werking hiervan is intensiever dan die van een conditioner. Je laat het product altijd even inwerken.
De posetijd vind je in de gebruiksaanwijzing van het product. Je kunt tijdens de posetijd eventueel warmte toevoegen met een warmteapparaat of een warm kompres. Spoel het product daarna met veel water uit, zodat er geen resten achterblijven.
















16.1 Totaalkleuringen
16.1.1 Uitgroeibehandeling
16.1.2 Kleurverandering
16.2 Deelkleuringen
16.3 Voorbehandelingsmethoden
16.3.1 Ontkleuren
16.3.2 Reduceren
16.3.3 Voorpigmenteren
16.3.4 Voorbehandelen met een verzorgend product

Het zetten van highlights is een veelgevraagde behandeling in de salon. Bij deze behandeling kleur je een gedeelte van het haar. De klant kan hier heel tevreden mee zijn, maar kan na een tijdje toch terug willen naar een egale kleur. Omdat het haar dan al deels gekleurd is, moet je het eerst voorbehandelen voordat je er een nieuwe kleur overheen kunt zetten. Kies er bijvoorbeeld voor om het te voorpigmenteren om een egale ondergrond te krijgen. Daarna kleur je het haar naar de wens van de klant.
Je kunt ervoor kiezen om een totaalkleuring in het haar te zetten of een deelkleuring toe te passen. In dit hoofdstuk leer je meer over kleuringen en de verschillende voorbehandelingsmethoden die je kunt gebruiken. Ook leer je in welke situaties je het haar moet voorbehandelen.
Bij een totaalkleuring kleur je het gehele haar. Het resultaat is een egale kleur over het gehele haar, van aanzet tot lengten en punten. Hoe je een egaal resultaat bereikt, hangt af van de ondergrond van het haar. De ondergrond kan een natuurlijke of een kunstmatige haarkleur zijn die egaal is of kleurverschillen heeft. Die kleurverschillen kunnen ontstaan door natuurlijke verheldering of door de uitgroei van de kunstmatige haarkleur. Ook kan er kleurverschil ontstaan doordat iemand grijs haar krijgt.
Egale ondergrond
Als de ondergrond een egale kleur heeft, dan kun je hetzelfde kleurproduct aanbrengen over het gehele haar. Je houdt hierbij rekening met de kleur die je wilt gebruiken. Ook houd je rekening met de invloed die de warmte-uitstraling van het hoofd heeft op het kleurproces.
Hoe je een egaal resultaat bereikt, hangt af van de ondergrond van het haar.

In het hoofdstuk
Kleurproducten op pagina 207 lees je meer over waterstofperoxide (H₂O₂).
Kleurverschillen
Bij een ondergrond met kleurverschillen kun je denken aan een donkere aanzet en lichtere lengten en punten. Je bepaalt dan de behandeling op basis van de volgende vragen:
• Hoe kleur je de aanzet zodat je de gewenste kleur krijgt?
• Hoe kleur je de lengten en punten zodat je dezelfde gewenste kleur krijgt?
Vaak zal dit betekenen dat je met twee kleurrecepten werkt: een voor de aanzet en een voor de lengten en punten. Het kleurproduct voor de aanzet meng je met een hoger percentage waterstofperoxide (H₂O₂). Het kleurproduct voor de lengten en punten meng je met een lager percentage H₂O₂.
Je kunt er ook voor kiezen om met twee verschillende kleuren te werken. Dat doe je bijvoorbeeld als je een klant hebt met een donkere aanzet en lichtere lengten en punten. Je gebruikt dan een lichtere kleurhoogte voor de aanzet en een donkerdere kleurhoogte voor de lengten en punten. Dit zorgt ervoor dat je de kleur van het haar egaler maakt. Als er grote kleurverschillen in het haar zitten, kan het nodig zijn om het haar voor te behandelen om een egaal resultaat te krijgen.
Wanneer het haar van de klant een tijd geleden is gekleurd, zie je uitgroei. Je ziet de uitgroei bij de aanzet van het haar waar de natuurlijke haarkleur te zien is. De natuurlijke haarkleur kan lichter of donkerder zijn dan de lengten en punten. Ook kan de klant een uitgroei met grijs haar hebben. Als een klant voor een nieuwe kleurbehandeling komt, kijk je bij het bepalen van de behandeling goed naar het kleurverschil tussen de aanzet en de lengten en punten van het haar.
Als de klant dezelfde kleur als de vorige keer wil, controleer je eerst de lengten en punten. Zijn de lengten en punten nog mooi van kleur en is het grijspercentage niet gewijzigd of 0%? Dan hoef je alleen de uitgroei in te zetten. Na de posetijd emulgeer je het kleurproduct door de lengten en punten, zodat de kleur daar ook weer wordt opgefrist. Dit doe je door een beetje water aan het haar toe te voegen en het kleurproduct van de hoofdhuid los te masseren. Als de lengten en punten lichter zijn geworden, fris je deze op met een semipermanent kleurproduct.
Wanneer het kleurverschil tussen de aanzet en de lengten en punten wat groter is, kun je ervoor kiezen de lengten en punten met een ander percentage H₂O₂ of met een ander kleurproduct te kleuren. Soms is het nodig om delen van het haar voor te behandelen.

Uitgroeibehandeling toepassen
Je kunt verschillende uitgroeibehandelingen toepassen. Zo behandel je uitgroei in grijs haar op een andere manier dan uitgroei met natuurlijke haarkleur. Je past een uitgroeibehandeling toe in een aantal stappen.
Stappenplan uitgroei behandelen
Bereid de behandeling voor.
Maak een viervaksafdeling.
Kleur de uitgroei.
Stel de posetijd in volgens de gebruiksaanwijzing.
Emulgeer het kleurproduct door de lengten en punten heen.
Spoel het kleurproduct uit en was het haar.
Geef het haar een nabehandeling.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 6 5 Stappenplan snelcode 1 3 0 6 6
Wist je dat?
Met emulgeren kun je het kleurproduct van de hoofdhuid verwijderen.

Stappenplan grijsdekkend kleuren
Bereid de behandeling voor.
Maak een viervaksafdeling.
Kleur de uitgroei met een blijvend kleurproduct.
Kleur de lengten en punten met een tijdelijk kleurproduct.
Stel de posetijd in volgens de gebruiksaanwijzing.
Spoel het kleurproduct uit en was het haar.
Geef het haar een nabehandeling.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 6 7 Stappenplan snelcode 1 3 0 6 8
Breng in de voorbereiding op de behandeling contourcrème aan langs de contouren van het haar om de hoofdhuid te beschermen tegen het intrekken van het kleurproduct in de hoofdhuid.
16.1.2
Het is mogelijk dat het haar van de klant al gekleurd is, maar dat de klant een andere kleur wil dan de vorige keer. Dit noem je een kleurverandering. Ook dan kijk je eerst naar de aanzet, lengten en punten om te bepalen of en hoe je eventuele uitgroei gaat behandelen. Afhankelijk van het kleurverschil met de uitgroei, behandel je de lengten en punten met:
• een ander percentage H₂O₂ dan de aanzet;
• een andere kleur kleurproduct dan de aanzet;
• een semipermanent kleurproduct;
• een voorbehandeling.
Kleur veranderen
Welke stappen je moet zetten bij het veranderen van de kleur, is afhankelijk van de klant die in de stoel zit. Als je het haar moet voorpigmenteren, kun je het volgende stappenplan volgen.
Stappenplan kleur veranderen
Bereid de behandeling voor.
Maak een viervaksafdeling.
Pigmenteer het haar voor.
Stel de posetijd in volgens de gebruiksaanwijzing.
Maak de kleurproducten klaar.
Kleur de uitgroei.
Kleur de lengten en punten.
Stel de posetijd in volgens de gebruiksaanwijzing.
Spoel het kleurproduct uit en was het haar.
Geef het haar een nabehandeling.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 6 9 Stappenplan snelcode 1 3 0 7 0
Test je kennis over totaalkleuringen.
Snelcode 1 1 0 6 3

Niet iedere klant wil het gehele haar in één kleur hebben. Als een klant een gedeelte van het haar wil laten kleuren, voer je een deelkleuring uit bij de klant. Bij een deelkleuring kleur je een gedeelte van het haar in een of meerdere kleuren. Ook kun je ervoor kiezen om het gehele haar te kleuren in meerdere kleuren. Het resultaat van de deelkleuring is afhankelijk van de techniek die je toepast, het aantal kleuren en het contrast tussen de kleuren die je gebruikt.
Een deelkleuring kun je op verschillende manieren en met verschillende technieken uitvoeren. Zo kun je kiezen voor de folietechniek, coupe soleil of kamstrepentechniek. Welke techniek je gebruikt, hangt af van verschillende factoren:
• het effect dat je wilt creëren
• de lengte van het haar
• je persoonlijke voorkeur
De folietechniek gebruik je meestal als de klant een of meerdere kleuren in het haar wil. Ook bij lang haar kies je vaak voor deze techniek. De coupe soleil of de kamstrepentechniek gebruik je meestal als je het haar gaat ontkleuren, maar deze technieken kunnen ook gebruikt worden bij een oxidatiekleuring of een extra verhelderende kleuring. Vaak voer je bij kort haar coupe soleil uit, omdat het lastig kan zijn om kort haar in folies te krijgen. De kamstrepentechniek kan op zowel lang als korter haar worden toegepast en is bedoeld om het haar iets lichter te krijgen.
Het resultaat van de deelkleuring is afhankelijk van de techniek die je toepast, het aantal kleuren en het contrast tussen de kleuren die je gebruikt.
Aandachtspunten
Houd er rekening mee dat het inzetten van deelkleuringen vaak meer tijd kost dan het inzetten van een totaalkleuring. Vooral bij lang haar is dit het geval. Als je het haar ontkleurt of lichter kleurt, is het mogelijk dat de eerste ingezette passés al de gewenste kleur hebben, terwijl je nog een deel van het haar moet inzetten. Je kunt dit oplossen door met twee kleurrecepten te werken. Meng het (ont)kleurproduct dat je gebruikt voor de eerste passés bijvoorbeeld met 3% H₂O₂. Gebruik vervolgens bij de passés die je als laatste inzet een percentage van 6%. Het kleurproduct met een lager percentage waterstofperoxide ontwikkelt zich langzamer dan het kleurproduct met een hoger percentage. Met een goede timing kun je dus het gehele haar uitspoelen terwijl je tegelijkertijd overal de gewenste kleur hebt.
Deelkleurbehandelingen toepassen
Je kunt de deelkleurbehandeling met verschillende technieken uitvoeren. Bij de uitvoering volg je een aantal stappen.
Stappenplan twee kleuringen
Bereid de behandeling voor.
Deel het haar af.
Breng de eerste kleur aan.
Breng de tweede kleur aan.
Stel de posetijd in volgens de gebruiksaanwijzing.
Spoel het kleurproduct uit en was het haar.
Geef het haar een nabehandeling.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 1 5 2
Stappenplan
Houd er rekening mee dat het inzetten van deelkleuringen vaak meer tijd kost dan het inzetten van een totaalkleuring.
Stappenplan high- en lowlights met folietechnieken
Bereid de behandeling voor.
Deel de lokpartij af.
Kleur of ontkleur het haar.
Stel de posetijd in volgens de gebruiksaanwijzing.
Spoel het (ont)kleurproduct uit en was het haar.
Geef het haar een nabehandeling.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 7 1
snelcode 1 3 0 7 2

Stappenplan coupe soleil
Bereid de behandeling voor.
Föhn het haar van de klant naar achteren.
Trek de coupe-soleilmuts over het hoofd van de klant.
Trek de plukjes haar door de coupe-soleilmuts.
Maak het ontkleurproduct klaar.
Ontkleur het haar.
Stel de posetijd in volgens de gebruiksaanwijzing.
Spoel het (ont)kleurproduct uit en was het haar.
Geef het haar een nabehandeling.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 7 3 Stappenplan snelcode 1 3 0 7 4
TIP
Is het mutsje dun of scheurt het snel? Gebruik dan twee mutsjes over elkaar.
Stappenplan kamstrepentechniek toepassen
5
Spoel het ontkleurproduct uit en was het haar. 1
Bereid de behandeling voor.
Deel het haar af.
Maak kamstrepen in het haar.
Stel de posetijd in volgens de gebruiksaanwijzing.
Geef het haar een nabehandeling.
Föhn en style het haar naar wens van de klant.
Bekijk de volledige uitwerking van de behandeling online.
Behandelfilm snelcode 1 2 0 7 5 Stappenplan snelcode 1 3 0 7 6
Bij sommige klanten moet je het haar eerst voorbehandelen voordat je het kunt gaan kleuren. Je behandelt het haar voor als:
• het haar kleurverschillen toont;
• het haar poreus of stug is;
• de klant het haar vier of meer kleurhoogten donkerder of lichter wil hebben.
Er zijn verschillende manieren om het haar voor te behandelen. Zo kun je het haar ontkleuren, reduceren, voorpigmenteren of voorbehandelen met een verzorgend product. Elke methode voor het voorbehandelen van het haar, heeft een andere werking en een ander doel.
Je kiest ervoor om het haar te ontkleuren als je het haar van de klant meer dan vier kleurhoogten lichter of donkerder wilt kleuren. Ook ontkleur je het haar als je het lichter wilt maken. Na het ontkleuren kleur
je het haar met een kleurproduct in het gewenste kleurkarakter. Het ontkleurproduct meng je met waterstofperoxide. Of je 3%, 6%, 9% of 12% waterstofperoxide gebruikt, hangt af van de natuurlijke haarkleur, het gewenste resultaat en het merk.
Snelcode 1 1 0 6 4

TIP
In het hoofdstuk Kleurproducten op pagina 207 lees je meer over waterstofperoxide en hoe je dat gebruikt.
Reduceren is een behandeling waarmee je de kunstmatige kleurpigmenten uit het haar verwijdert. De grootste kleurpigmenten verdwijnen als eerste uit het haar en daarna de kleinere. Daarom werkt reduceren alleen op haar dat donkerder is gekleurd of op haar dat op gelijke kleurhoogte is gekleurd. Je kunt niet reduceren op de natuurlijke haarkleur, omdat daarin geen kunstmatige kleurpigmenten zitten.
Reduceren kun je toepassen op het gehele haar, maar ook op een gedeelte van het haar. Je kiest ervoor om het haar te reduceren als de klant van een kunstmatige, donkere haarkleur naar een lichtere kleur wil. Ook kun je het haar reduceren als de klant niet tevreden is over de gloed of het kleurkarakter van het haar. Denk bijvoorbeeld aan een klant die het haar rood wil laten kleuren, maar bij wie de haarkleur te rood is uitgevallen. Door te reduceren, haal je een deel van het kleurpigment eruit, waardoor het kleurkarakter verandert.
Reduceren toepassen
Je reduceert het haar met een reductiemiddel. Sommige merken hebben speciale producten voor het reduceren van het haar. Het is belangrijk om van tevoren de gebruiksaanwijzing goed door te lezen. Je kunt er ook voor kiezen om zelf een reductiemiddel te maken. Gebruik daarvoor een mengsel van ontkleurpoeder, een beetje warm water en een paar pompjes diepreinigende shampoo. Hiermee kun je een ongewenst kleurkarakter verwijderen. Maak het mengsel echter niet te dun.
Breng het reductiemiddel bij voorkeur met een sponsje aan op het haar dat je wilt behandelen. Je gebruikt een sponsje omdat reductiemiddel vaak een dunne vloeistof is. Door het met een sponsje aan te brengen, kun je ervoor zorgen dat al het haar bereikt wordt. Zorg ervoor dat je het sponsje tijdens de gehele behandeling laat bewegen over het haar. Je noemt dit poetsen Door het poetsen zorgt het warme water in het mengsel voor een beetje zuurstof, waarmee je het kunstmatige kleurpigment uit het haar kunt verwijderen. Alleen door de poetsbeweging kan het mengsel zijn werk doen. Je stopt met poetsen zodra je ziet dat het haar de gewenste kleur heeft bereikt of wanneer het ongewenste kleurkarakter is verdwenen. Controleer tussentijds of je de gewenste kleur hebt bereikt. Hiervoor spoel je een passé uit. Heeft het haar nog niet de gewenste kleur? Breng dan opnieuw het reductiemiddel aan op de uitgespoelde passé.
Je kunt reduceren ook inzetten als nabehandeling. Je doet dit als de klant ontevreden is over het eindresultaat, bijvoorbeeld omdat hij/zij de kleur te fel, te dof of niet mooi egaal vindt.

Bij voorpigmenteren voeg je extra kleurpigment aan het haar toe. Je doet dit om de juiste ondergrond te krijgen voor de gewenste kleur. Je voert deze behandeling uit:
• als de huidige haarkleur en de gewenste haarkleur te ver uit elkaar liggen. Denk bijvoorbeeld aan een klant met lichtblond haar die graag een donkerblonde kleur wil. Omdat deze kleuren ver uit elkaar liggen, pigmenteer je het haar eerst voor.
• als het haar kleurverschillen vertoont. Je pigmenteert dan alleen de lichte gedeelten in het haar voor.
Het voorpigmenteren van het haar doe je met een voorpigmentatieproduct. Je kunt kiezen voor een product met ontwikkeld kleurpigment (kleurspoeling) of met onontwikkeld kleurpigment (oxidatiekleuring) of voor een speciaal voorpigmentatieproduct. De producten breng je op verschillende manieren aan.
• Voorpigmentatie met ontwikkeld kleurpigment (kleurspoeling): breng de kleurspoeling aan op handdoekdroog haar. Daarna breng je de gewenste blijvende kleur aan.
• Voorpigmentatie met onontwikkeld kleurpigment (oxidatiekleuring): meng de oxidatiekleuring met H₂O₂. Je brengt dit aan op droog haar. Daarna breng je het kleurproduct aan.
• Voorpigmenteren met een speciaal voorpigmentatieproduct: de werking hangt af van het gebruikte merk. Lees hiervoor de gebruiksaanwijzing van het product.
16.3.4 Voorbehandelen met een verzorgend product
Je controleert voor een kleurbehandeling altijd de conditie van het haar. Wanneer er te weinig keratine in het haar aanwezig is en het haar poreus is, kan het kleurproduct niet goed hechten aan het aanwezige kleurpigment in het haar. Dit zorgt ervoor dat de kleur minder goed houdbaar is en snel weer uit het haar verdwijnt. In zo’n geval behandel je het haar voor met een verzorgend product dat keratine bevat en dat licht zuur is. De keratine zorgt ervoor dat de verbindingen in het haar gerepareerd worden en het haar meer veerkracht en elasticiteit krijgt. Het lichte zuur in het product zorgt ervoor dat de haarschubben zich een beetje sluiten.
Na het voorbehandelen met dit product, kan de kleur zich goed hechten. Ook voorkom je hiermee dat het haar beschadigd raakt. Breng het verzorgende product aan op de delen van het haar waar het nodig is. Afhankelijk van het merk dat je gebruikt:
• spoel je het product eerst uit voordat je de kleurbehandeling uitvoert;
• breng je het kleurproduct direct aan over de voorbehandeling.
Omdat het haar al poreus is, is het kwetsbaar. Je kunt daarom het best kiezen voor een semipermanent kleurproduct of een kleurproduct met een laag percentage H₂O₂.










17.1 Kleurresultaat
17.2 Kleurcorrecties
17.2.1 Kleurkarakter
Hair Level online
Kleurbehandeling
voorbereiden en uitvoeren.

Niet iedereen is meteen tevreden met een coupe. Soms bedenkt een klant zich pas een aantal dagen later dat de nieuwe haarkleur toch niet bij hem/haar past. Als de klant dan bij jou terugkomt, kun je een kleurcorrectie toepassen. Met een kleurcorrectie kun je het kleurkarakter opfrissen of juist afzwakken. Ook kun je het haar bijvoorbeeld donkerder kleuren of ontkleuren, afhankelijk van de wens van de klant.
In dit hoofdstuk leer je meer over de verschillende kleurcorrecties. Ook leer je welke factoren het kleurresultaat kunnen beïnvloeden.
Met een kleurcorrectie kun je het kleurkarakter opfrissen of juist afzwakken.
Het kleuren en ontkleuren van het haar is een complex proces. Ook als je precies weet hoe je de behandeling moet uitvoeren, pakt het resultaat soms anders uit dan je van tevoren had bedacht. Dat kan te maken hebben met verschillende factoren:
• de kleur, dikte, lengte en/of conditie van het haar van de klant
• eerdere kleurbehandelingen die de klant heeft gehad
• het type kleurproduct dat je hebt gebruikt
• de gebruikte hoeveelheid van het kleurproduct
• de gebruikte kleurtechniek
• de gehanteerde tijd om in te werken (posetijd)
• de temperatuur in de salon en de eventuele warmtebron
• je werktempo
• de wens en de verwachting van de klant
Door een of meerdere factoren kan de klant of jijzelf ontevreden zijn over het kleurresultaat. Het haar is bijvoorbeeld te licht of te donker geworden of het eindresultaat is niet egaal. Dan voer je een kleurcorrectie uit. Een kleurcorrectie betekent dat je de kleur aanpast naar de wens van de klant.

In het hoofdstuk Kleurproducten lees je meer over de typen kleurproducten.
Je kunt de kleur in het haar van de klant op verschillende manieren corrigeren.
Je kunt:
• het kleurkarakter opfrissen;
• het kleurkarakter afzwakken of opheffen;
• het haar donkerder kleuren;
• het haar reduceren of ontkleuren.
De kleuren die je gebruikt voor de kleurbehandelingen hebben allemaal een bepaald kleurkarakter. Een kleur kan een koel of een warm karakter hebben. Dat zie je in de kleurencirkel. De drie kleuren aan de bovenkant van de cirkel hebben een koel kleurkarakter. De drie kleuren aan de onderkant van de cirkel hebben een warm kleurkarakter. Je gebruikt vaak een combinatie van deze kleuren om tot een kleur voor een behandeling te komen.
Kleurkarakter opfrissen
Als je klant het kleurkarakter niet warm of koel genoeg vindt, kun je de haarkleur opfrissen. Dit betekent dat je met een tijdelijke kleuring extra kleurpigment in het gewenste kleurkarakter aan het haar toevoegt. Hierdoor zal de kleur van het haar veranderen.
Kleurkarakter afzwakken of opheffen Het is ook mogelijk dat de klant het kleurkarakter juist te koel of te warm vindt. Je kunt dan het ongewenste kleurkarakter afzwakken of opheffen met een product dat kleurpigment in de complementaire kleur bevat. Een complementaire kleur is een kleur die tegenover een andere kleur
staat in de kleurencirkel. Complementaire kleuren zijn bijvoorbeeld blauw en oranje. Welk kleurproduct je gebruikt, is afhankelijk van hoe sterk je de kleur wilt afzwakken of helemaal wilt opheffen. Je kunt kiezen voor een tijdelijk kleurproduct of een ander product met kleurpigment, bijvoorbeeld een speciale shampoo met kleurpigment. Een warme kleur kun je opheffen door een kleurspoeling te gebruiken met een koele complementaire kleur. Koele complementaire kleuren zijn paars, blauw en groen. Je noemt het opheffen van een warme kleur met een koele complementaire kleur het matterende effect van een kleur. Zo kun je bijvoorbeeld een te geel uitgevallen ontkleuring matteren met een kleurspoeling in een violettint.
Als je een gele haarkleur bij een klant een beetje wilt afzwakken, kun je ervoor kiezen om het haar te wassen met een zilvershampoo. Hier zit namelijk veel violet kleurpigment in. Deze violette kleurpigmenten neutraliseren de warme kleur.










Je kunt het ongewenste kleurkarakter afzwakken of opheffen met een product dat kleurpigment in de complementaire kleur bevat.
Is de kleur juist te koel? Dan kun je deze warmer maken door een warme kleur te gebruiken die tegenover de koele kleur staat in de kleurencirkel. Als een klant met licht haar een kleurcorrectie wil, moet je opletten bij het gebruik van de complementaire kleuren. Als licht haar te groen is uitgevallen, kun je het niet rood kleuren, zoals de kleurencirkel voorschrijft. Licht haar zuigt het rood direct op en dat krijg je er niet meer uit. Daarom kun je in dat geval beter een blondeerwassing gebruiken waarmee je mild en makkelijk de groene gloed weghaalt. Een blondeerwassing bestaat uit blondeerpoeder, shampoo en water. Als een klant een askleurige tint heeft en een warmere tint wil, kun je niet zomaar een koperkleurige kleurspoeling gebruiken. Je moet altijd goed kijken naar de kleurhoogte van het haar en wat het onderliggende kleurpigment is. Op basis daarvan pas je het kleurproduct aan om de kleur te bereiken die je wilt.
Donkerder kleuren
Je pigmenteert het haar voor als je het haar van de klant van licht naar donker kleurt. Als de klant de haarkleur te licht vindt, dan kleur je het haar nogmaals met een kleurproduct op de gewenste kleurhoogte. Houd hierbij altijd rekening met de ondergrondskleur van de gewenste kleurhoogte. Dit doe je om te voorkomen dat de kleur anders uitpakt dan je wilt. Denk aan haar dat je bij het nogmaals kleuren vier tinten donkerder kleurt, bijvoorbeeld van kleurhoogte 8 naar kleurhoogte 4. Bij kleurhoogte 4 heb je een andere ondergrondskleur dan bij kleurhoogte 8. Het is mogelijk dat het haar een matte groene gloed krijgt als je geen rekening houdt met de ondergrondskleur.

Reduceren of ontkleuren
Als de kleur te donker is geworden, kun je het teveel aan donker kleurpigment uit het haar verwijderen. Afhankelijk van het aantal kleurhoogten dat je het haar lichter wilt maken, reduceer of ontkleur je het haar. Ook kies je voor reduceren van het haar als het kleurresultaat niet egaal is geworden, bijvoorbeeld omdat er kleurstapeling heeft plaatsgevonden. Kleurstapeling ontstaat doordat er vaak over elkaar heen is gekleurd, waardoor het haar te donker is geworden. Met het reduceren verwijder je het kunstmatig kleurpigment uit het haar. Soms is een reductiebehandeling voldoende om het gewenste resultaat te krijgen, maar het is ook mogelijk dat je het haar nog moet behandelen met een kleurspoeling. Dit doe je wanneer er geen mooie kleur is overgebleven na het reduceren, bijvoorbeeld omdat de kleur te warm of te koel is. Met een tijdelijke kleuring kun je dit bewerken.
In het hoofdstuk Kleuringen en voorbehandelingsmethoden lees je meer over reduceren, ontkleuren en voorpigmenteren.
Test je kennis over kleurcorrecties.
Snelcode 1 1 0 9 6
AAanzetten föhnen 107
Advies 41
Adviesgesprek 28
Aerorasor 121
Afdeelklemmen 17
Afdelen 126
Afnemende lengten 169
Alkaliën 208
Ammoniak 209
Antioxidanten 208
AVG 45
B
Basisch 208
Basislijn 135
Basistechniek 123
Behandelplan 40
Benen 138
Beroepshouding 15
Blijvend kleurproduct 205
Borstel en kam om te ontwarren 19
Borstel met een ronde spiegel 118
Borstel met rechte spiegel 118
Borstelbeslag 117
Breed mondstuk 110
CChannelschaar 120
Collectieve arbeidsovereenkomst 20
Combinatietechniek 179
Complementaire kleur 234
Conditioner 96
Conditioneringsmiddelen 86
Contouren afzetten 141
Contra-indicaties 41
Coupe soleil 223
Coupeschaar 120
D
DAB-plan 41
Deelkleuring 223
Diagnose 40
Diepte-effilatie 197
Diffuser 110
Disconnected 189
Dominant 25
Drogen 105
E
Effileermes 121
Effileerschaar 120
Effileren 141, 197
Extra verhelderende kleuring 212
Extravert 25
FFeather razor 121
Flexibele knipkam 119
Föhn 108, 147
Folietechniek 223
Functies 13 G
Geur- en kleurstoffen 86
Gezichtskenmerk 42
Gidslijn 135
Glansmiddelen 86
Gradatie 130, 169
Grove kam 96, 118
HHaar- en hoofdhuidanalyse 41
Haarmasker 97
Haarstylist dame 13
Haarstylist heer 14
Half maantje 138
Halskraag 18
Handdoek 17
Handschoenen 95
Henna 214
Horizontale opneemtechniek 157
Huishoudelijk reglement 20 I
Indicaties 41
Introvert 25 J
Junior stylist 13
KKamstrepentechniek 223
Kapmantel 17
Kappersfiets met fietszadel 19
Kappersfiets met ponyzadel 19
Kappersschaar 119
Karakter 25
Klantwens 41
Klem 95
Kleurcorrectie 233
Kleurkarakter 234
Kleurspoeling 211
Kleurstapeling 235
Kleurverandering 222
Kleurversteviging 210
Kneden 105
Knipkam 118
Knipkraag 17
Kunstmatige kleurpigmenten 205
LLengte-effilatie 197
Lok 189
Lotion 97
M
Massalijn 122, 172
Matterend effect 234
Mengkleuren 212
N
Natuurlijk föhnen 107
Natuurlijke valling 130
Nekkwast 18
Niet-vluchtige alkaliën 208
OOgen 138
Ondergrond 219
Onontwikkeld kleurpigment 206
Ontkleuren 226
Ontkleurproces 213
Ontkleurproduct 213
Ontwikkeld kleurpigment 205
Open mes 120
Oxidatiekleuring 212
Oxideren 207
PPassé 127
Pennenborstel 108
Persoonlijke eigenschappen 16
Persoonlijkheidstype 26
Persulfaten 209
pH-waarde 87
Pinksteun 138
Poetsen 227
Polijstborstel 109
Polijsten 117
Pompstoel 18
Pony 189
Projectiehoek 130
Punt-effilatie 197
RReductiemiddel 227
Rollen föhnen 107
Ronde borstel 109
SSalonassistent 13
Salonmanager 14
Scheiding 126
Schroef 138
Scrunchen 105
Semipermanente kleuring 211
Shampoo 97
Smal mondstuk 109
Snijblad 138
Snijpunt 138
Sociale vaardigheden 15
Sterafdeling 127
Stervormige opneemtechniek 157
Stylingproducten 147
Subdominant 25
TTextuur 122
Tijdelijk kleurproduct 205
Timer 96
Toenemende lengten 155
Tondeuse 121
Topstylist 14
Totaalkleuring 219
U
Uiterlijke kenmerken 42
Uitgroei 220
VVaktechnieken 13
Ventilatieborstel 109
Verkoopgesprek 30
Verplaatsing 131
Viervaksafdeling 127
Vijf- of zesbanenafdeling 127
Vluchtige alkaliën 209
VOCATIO 28
Voordrogen 105
Vormlijn 122
W
Wachttijd 39
Wasactieve stoffen 86
Wasbak 95
Waterspuit 18
Waterstofperoxide 207
Werkwagen 19
Werkzame stoffen 86
Z
Zuurgraad 208