WIJ, VAN VLEES EN BLOED – #angstenlefanno2018
HET PRILLE BEGIN Zowat een jaar geleden werden de eerste zaadjes geplant van het boekje dat u nu in handen heeft. Aan ‘Wij van vlees en bloed’ ging een intensieve én boeiende voorbereiding vooraf. Wat begon als een brainstorm over sociale thema’s, mondde uit in een pakkend verhaal over angsten en hoe die ons leven bepalen. We hebben die angsten en de mensen die ermee kampen, met de ploeg van Wieder een gezicht gegeven. We tonen in dit boekje mannen en vrouwen zoals ze zijn, met sobere monologen. We plaatsen de angst centraal en zetten er een portie lef tegenover. Lef om komaf te maken met de hang naar veiligheid en naar valse geborgenheid. Jongeren, senioren, Belgen en niet-Belgen, gezonde én zieke mensen: ze komen allemaal aan het woord en laten ons kijken in hun ziel. Het is een kolkende mallemolen vol angst, hoop, lef, verwachtingen en teleurstellingen geworden. Elk van die gevoelens hebben we ook in tekeningen en muziek vertaald. Woord en beeld, pen, potlood en noten smeden het hele verhaal. Het is een relaas van vlees en bloed. We nodigen u uit om al lezend en kijkend de oogkleppen te laten vallen en door de essentie geraakt te worden. We hopen dat het werk u inspireert, motiveert en engageert om anderen te zien zoals ze zijn: puur. Van vlees en bloed. Niet: mensen om bang voor te zijn.
2
3
WIJ, VAN VLEES EN BLOED
“The only thing we have to fear is fear itself”
4
#ANGSTENLEFANNO2018
WIJ VAN VLEES EN BLOED
Angst is zoals oogkleppen opzetten: wanneer we dat doen, zien we slechts een stukje van de anderen en duwen we hen in hokje X of Y. We hebben schrik voor hun realiteit, een andere realiteit, het onbekende. Het voelt bedreigend.
“The only thing we have to fear is fear itself”
Dat proces verloopt soms bewust, soms onbewust. We kopen er een vals gevoel van rust mee. Mensen in ‘onze’ hokjes krijgen een label en belanden in een overzichtelijk kader. Maar het is een kader met een grimmig randje aan.
Angst is het enige waar we écht voor moeten vrezen. Het was 1932 toen de kersverse Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt deze woorden sprak in zijn inhuldigingsspeech. Ook in 2018 wordt de quote nog vaak gebruikt en herhaald. Dat ene bijzondere zinnetje bevat is waar, raak en bijzonder gevat. Anno 2018 groeit de angst voor de andere(n) en voor alles wat anders is in onze samenleving. Het zogenaamde veiligheidsdenken neemt de overhand. We moeten onszelf voortdurend beschermen, zo denken we. Dat idee trekken we door in onze handel, wandel én het beleid: veiligheid is de eerste vereiste.
6
Het maakt dat we mensen ontlopen, letterlijk van ons af duwen of zelfs veroordelen tot ‘niemand zijn’. We hebben schrik om door zo’n vreemde niemand aangesproken, benaderd of betast te worden. We zien potentiële gevaren, en vergeten één ding: dat we zelf ook maar mens zijn. Tegenover dat grimmig randje, de veroordelen en het verwerpen, staat er hoop en perspectief. Gelukkig maar. Dat perspectief kunnen we waarmaken als we samen verder kijken dan onze neus lang is. Het betekent zoveel als: labels weghalen bij de anderen, kritisch naar onszelf kijken en tot het besluit komen dat hokjes niet werken. Ze wringen zelfs het hardst als je er uitgerekend mensen in duwt, want ze evolueren, groeien en krimpen, komen en gaan. Ze passen nergens 100% in, en zeker niet voor altijd. Als we die anderen loskoppelen van wat we niet kennen en van wat ons bang maakt, dan blijft de essentie over: alleen maar mensen.
Historicus Beatrice de Graaf stelde al dat de theorie bijzonder makkelijk te verkopen is, maar op lange termijn vooral meer onveiligheid veroorzaakt. Want wij, doodgewone burgers, raken verslaafd aan securitisering. We zetten sloten op deuren, we zetten hekken rond huizen, we installeren veiligheidsmaatregelen die hun gelijke niet kennen. Over de aard van de dreiging zijn we het lang niet altijd eens, maar bescherming zoeken we des te meer.
GEEN SECURITISERING
Die angst verlamt ons. Het is wat Roosevelt in 1932 al zei. De angst zorgt ervoor dat we minder nuances maken, minder onbevangen naar dingen kijken en minder oog hebben voor wat ons met anderen verbindt.
Dat kan alleen zonder angst, zonder hokjes en zonder wegduwen.
We leven samen als wezens van vlees en bloed, zonder onderscheid. We hebben een ziel, ambitie, een kloppend hart. Net zoals die anderen waar we onterecht bang voor zijn. Ze kennen dezelfde angst en willen bovenal graag gezien worden.
7
Don’t you understand - Vanco A storm is raging inside my head, I’ve been dealing with it all my life you’ve been to school, so you’ll know what to do, you’ll figure it out As I come in, your white room it scares me, and the lights they burn my eyes
8
Er woedt een storm in mijn hoofd, dat is al heel mijn leven zo Jij hebt gestudeerd, je zal wel weten wat te doen, jij vindt wel de oplossing. Je witte kamer maakt me bang wanneer ik binnenkom en het licht brand in mijn ogen.
So I focus, I try to listen, I can hear you but I don’t understand You focus, you can hear me but you’re not listening.
Dus ik concentreer mij, probeer te luisteren, ik hoor je maar begrijp je niet Jij concentreert je, je kan me horen maar je luistert niet
Don’t you understand, I’m scared of what you’ll find don’t you understand, I’m alone in my own mind
Waarom begrijp je mij niet, ik ben bang voor wat je zal vinden waarom begrijp je mij niet, ik ben alleen in mijn gedachten
You say there’s a monster, living inside my head, and you want to erase it
Je zegt er leeft een monster in je hoofd en je wil het doen verdwijnen
Don’t you understand, I’m afraid of what’s to come don’t you understand, I’m alone in my own mind
Waarom begrijp je mij niet, ik ben bang voor wat zal komen waarom begrijp je mij niet, ik ben alleen in mijn gedachten
I don’t know if I’m up for it, I don’t know if I can. erase the monster, without erasing the man Don’t you understand
Ik weet niet of ik er klaar voor ben, ik weet niet of ik het kan het monster doen verdwijnen zonder te verliezen wie ik ben Waarom begrijp je mij niet 9
ANGST IS EEN SLECHTE RAADGEVER “Angst is een slechte raadgever”, zegt de man die tegenover mij zit. De kamer baadt in wit, kil licht. Er hangt één lamp boven het bureau waaraan hij zit. Nergens een spoor van huiselijkheid of gezelligheid te bespeuren. Geen kamerplant, geen tapijtje, geen familiefoto’s op het bureau. Deze man is mijn psychotherapeut. Hij heeft gestudeerd, gebruikt moeilijke woorden en heeft het bevel gekregen om in mijn hoofd graven. Een hoofd dat de dag niet meer van de nacht onderscheidt en dat me voortdurend zegt: je gaat de dieperik in. Je valt. De afgrond lonkt. Bodemloos. Je leven is ontspoord. Ik kom hier op advies van de huisarts. Het is praten, of aan een pillenkuur beginnen, zei ze. Maar ik wil geen pillen die me minder bang maken. Ik wil gewoon niet bang zijn, zonder elke dag een geel-, groen- of roodgekleurd tabletje te slikken. Ik wil terug kunnen ademen zonder dat ik stik. Ik wil terug kunnen lachen zonder te denken hoe het vroeger was. Ik wil van het vreselijke gevoel af. Van alles wat me afremt. Breekt en bang maakt. Spreken is de eerste stap, zei de huisarts. En dus zit ik hier, bij een psychotherapeut. Hij is 50, iets ouder, iets jonger misschien. Hij heeft halflang haar, een iets te dure bril op zijn neus en probeert me zakelijk gerust te stellen. Heeft gepolst naar mijn leeftijd, hobby’s, waar ik de laatste weken mee bezig ben geweest. Hij houdt een pen en een notitieblok in de hand. Drukt het knopje van de pen voortdurend in-uit-in-uit-in-uit. Het geluid maakt me gek maar ik probeer het te negeren. Staar naar de muur achter hem: het is de enige muur in deze ruimte die aangekleed is. Er hangen twee grote affiches. Eén van het menselijke brein en één van Einstein. Einstein trekt zijn ogen wijd opentrekt en steekt zijn tong uit. Het lijkt alsof hij mij alleen in de ogen kijkt, in een zaal vol mensen. Ik glimlach. Ik denk: E = MC2
10
“Heb je gehoord wat ik zei?” Opnieuw de psychotherapeut. Gemoedelijk, maar hij spoort me aan. Ik moet bij de les blijven. Meewerken, noemen ze dat. Ik krijg wekelijks één uur om in mijn ziel te laten kijken. Het voelt beklemmend. Het is erger dan wanneer je bij de dokter de helft je kleren moet uittrekken en ontbloot voor een onderzoekslamp staat. Ik heb nog om het lijf, en toch voel ik me naakt. De binnenkant wordt naar buiten gekeerd. Een binnenkant vol littekens. Einstein is getuige. “Euh, ja”, zeg ik. “Ja. Ja. Ik heb u gehoord.” “Angst is een slechte raadgever. Een vies beestje. Je komt hier om dat beest langzaam te temmen. Dan kom je er ook achter dat je het zo groot of klein maakt als je zelf wil. Het zal tijd kosten en je zal af en toe grenzen moeten verleggen. Dingen vertellen die misschien ongemakkelijk voelen. Denk je dat dat lukt?” Ik denk bij mezelf: hoe cynisch. Dat is bijna hetzelfde als: Denk je dat de wereld straks om zeven uur zal vergaan? Op die vraag antwoordt iedereen neen. De vraag van zojuist heeft hetzelfde effect. Ik wil antwoorden, schreeuwen, tieren tot ik geen stembanden meer over heb: NEEN NEEEEEEEEEEEN NEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEN 11
Neen, ik wil geen dingen vertellen die ongemakkelijk voelen.
We waren arm. We zouden het blijven. Mijn broertje verstopte zich bij elk bezoek achter zijn grote grijze pluche konijn. Hij kon de fronsende blikken ontwijken, leefde in zijn vrolijke kleine wereld. Ik stapelde de afgunst op in mijn hoofd, hersenen, hele lijf.
Neen, ik wil geen beestjes temmen. Neen, ik wil geen tijd slijten grenzen verleggen mezelf binnenstebuiten keren alles blootgeven. Ik wil gelukkig zijn. Gewoon gelukkig. Zorgeloos. Mezelf. Mij. Geen bevend grassprietje.
We zijn altijd arm geweest, thuis. Maar ik woon niet meer thuis. Ik sta op eigen wankele benen. Ik wil een andere weg inslaan. Ik zit bij de therapeut. Helpt u mij, alstublieft, meneer, fluister ik. En dan zeg ik het opnieuw, duidelijk, zodat hij het hoort en Einstein ook. “Helpt u mij, alstublieft, meneer?”
Maar ik kuch. Raap mezelf samen. Kuch nog eens naar Einstein en fluister: Hij glimlacht. Knikt. Een beetje hoop. Mijn eigen grijze pluche konijn. “Ja.” Dat kan alleen zonder angst, zonder hokjes en zonder wegduwen. Flashback. Ik denk aan mezelf en mijn broertje, toen we samen met mama naar dat groezelige gebouw moesten. Omdat rekeningen niet betaald waren. Omdat we geen eten meer konden kopen. Omdat de huisbaas dreigde ons eruit te zetten. Daar, in dat gebouw, zouden ze het oplossen. Maar eigenlijk ging het alleen van kwaad naar erger. Er was altijd geld te kort thuis. Toen ik mama vroeg of papa niks kon helpen betalen, sloeg ze met haar vuist op tafel. Of tegen de muur. Of tegen het venster, die ene keer. Het glas kraakte. Ik zag een paar druppels bloed. Voor mij leek het alsof dat bloed uit haar hart kwam. Ze hebben ons nooit geholpen om de problemen op te lossen. We moesten het zelf doen. Het lukte niet. Ook dat wisten we, toen we wéér dat gebouw binnen gingen. Vragen, aanvragen, formulieren, papieren, bewijzen. Iedere keer opnieuw.
12
13
Fade away - Vanco Surrounded by shadows in the absence of the light you’re tired but you can’t sleep you’re afraid of the night terrified by the thought, you’ll fade away tonight
Omgeven met schaduw, in afwezigheid van het licht moe maar je kan niet slapen, je bent bang van de nacht doodsbang van de gedachte, dat je vannacht zal vervagen
Fade away
Je zal vervagen
Taking shelter in de shade, in a pitch-black instant of night The monsters are waiting, they’re waiting for a fight So take all your courage, step up and fight your fight, or you will
Schuilen in de schaduw, in een pikzwart moment van de nacht, de monsters wacht, ze wachten op het gevecht dus raap al je moed bijeen, ga ervoor en vecht of je zal Vervagen
Fade away
14
And as the sun shines to announce the day ahead the monsters are gone hiding beneath your bed
En wanneer de zon schijnt, om de dag die komt te groeten Dan zijn de monster weg, verstopt onder je bed
When you finally realise they aren’t real they won’t no longer devour your dreams, they will
En als je eindelijk doorhebt dat het allemaal niet echt is dan beheersen ze niet langer je dromen ze zullen
Fade away
Vervagen
Fade away, fade away, fade away
Vervagen 15
ZIE ZA ZEILBOOT Mijn grijze knuffelkonijn begrijpt alles wat ik zeg. Hij weet wat ik denk. Hij weet wanneer ik bang ben, of boos, of triest.
ZIE ZA ZEILBOOT
Als ik heel triest ben, praat ik tegen hem. Dat is overdag, als mama boos op ons geweest. Of wanneer ik in bed kruip en denk aan wat er is gebeurd op school. Soms heb ik het gevoel dat ik er niet bij hoor. Kinderen uit de klas staren naar mij. Ze zeggen dat ik rare kleren draag. Ze zeggen dat ik geen papa heb. Ze zeggen dat mama niet voor mij kan zorgen.
NEEM ME MEE
Als ze iets over mama zeggen, voel ik tranen branden in mijn ogen. Ik sluit ze dan en bijt heel hard op mijn tanden en zeg honderd keer hetzelfde: ZIE ZA ZEILBOOT NEEM ME MEE ZIE ZA ZEILBOOT NEEM ME MEE ZIE ZA ZEILBOOT WIJ MET TWEE Als ik dat in mijn hoofd opzeg, dan lijkt het alsof ik een boot zit. Konijn en ik varen weg vanaf de vuurtoren. De zon zakt al een heel klein beetje in de zee. Hoe verder we van land zijn, hoe stiller alles wordt. Alleen de golven hoor ik nog. En de meeuw die schreeuwt, kilometers van hier. Hij wil dat ik terugkeer, maar ik droom dat ik steeds verder weg vaar. Weg van alles. Weg naar dromenland.
16
Ik zeg het weer, nadat Arne uit de vierde klas aan mijn haar heeft getrokken. Hij mompelt iets van ‘vettige kop’ en ‘nietsnut’. En dat we vies zijn omdat we thuis geen geld hebben. Het is niet waar, wat Arne zegt. Hij liegt. Ik ben niet vies, ik stink niet. Maar ik weet ook dat ik niet zoals de anderen ben. Toen ik mama in september om een nieuwe boekentas vroeg, haalde ze haar schouders op. “Andere keer”, antwoordde ze. Ik weet dat ze het niet kan betalen. Ik weet het echt, maar ik begrijp het niet altijd goed. Iedereen heeft een boekentas op school. En niet iedereen is heel rijk. Als ik er geen heb, moeten wij dus echt wel arm zijn. Zijn we dan eigenlijk wel iemand? ZIE ZA ZEILBOOT NEEM ME MEE Ik zeg het weer, nadat ze me op de trap een duw geven. Ik donder naar beneden. De plastic zak met mijn boterhammen en een pen erin, scheurt open. De jongens die het gedaan hebben, lopen weg. Ze schateren door de hele gang maar niemand kijkt om. De inktvlek op de vloer wordt groter. Terwijl ik de boterhammen opraap en probeer om de inkt weg te geven, passeert de juf van de andere vijfde klas. Ze kan lief zijn maar ook streng. Ze weet niet echt wat ik voel.
17
‘Ruim op’, zegt ze tegen mij. ‘Het is ook altijd iets met jou. En wat heb je in godsnaam met je handen gedaan? Ze zien helemaal blauw!’
ZIE ZA ZEILBOOT NEEM ME MEE
Eigenlijk wil ik schreeuwen dat geen handen heb omdat ik altijd overal naast grijp. Naast gelukkig zijn. Naast niet-gepest-worden. Naast ‘normaal’ zijn. Naast ‘iemand’ zijn.
ZIE ZA ZEILBOOT NEEM ME MEE
Wat zou ze zeggen, als ik haar dat vraag: ben ik iemand, juf? Want de mensen kijken langs me heen als ik iets wil zeggen. Ik lijk onzichtbaar. Omdat ik de juiste kleren niet draag. De dure boekentas niet heb. Omdat mijn papa en mama niet meer samenwonen en ze elkaar van alles de schuld geven als ze elkaar zien. Dan wordt papa woest en krimpt mama ineen. Ze is de slagen gewend. Ik ben het gewend om ernaar te kijken. En niemand ziet zelfs dat ik kijk. Waarschijnlijk omdat ik niemand ben.
(vluchten we van hier, konijn?)
(het hoeft heus niet ver te zijn) ZIE ZA ZEILBOOT WIJ MET TWEE (geen tranen meer. geen pijn.)
KUN JIJ DAAR IETS AAN DOEN JUF? Maar in plaats van te schreeuwen, staar ik naar de rommel en veeg ik mijn handen gauw aan mijn jas af. Mama zal er niet om kunnen lachen: er zitten overal vlekken. Misschien wordt ze daardoor ongelukkig. Dat wil ik niet. Ik wil mensen vrolijk maken. Ik wil dat ze me zien en dat ze weten dat ik het goed bedoel. Dat ik besta. Dat ik voel. Dat ik adem. Ik wil mijn grijze knuffelkonijn nu vasthouden. Mijn neus in zijn snoet kan drukken en alles vergeten.
18
19
Boat of hope - Vanco
‘t is beter daar, er is geen oorlog Je zal een mooier leven hebben dan ervoor
It’s better there, there’s no more war you’ll have a better life than you had before
Gewoon de oceaan oversteken op de boot van de hoop Aan de andere kant zal je veel meer hebben
You just need to cross the ocean They called it the boat of hope On the other side you’ll have so much more But for now, all you can have, your memories in a plastic bag Take me to the other side, take me far away, to where no one knows me, no one knows my name. Take me to the other side, take me far away, to where there’s no more war, a better place to stay Once on the other side, we travelled a thousand milles, but we didn’t make up any ground It wasn’t so much better than it was before, always on our toes, and hiding from the law. And still all we had, were our memories in a plastic bag Take me to the other side, take me far away, to where no one know me, no one knows my name. They took me to the other side, the took me far away Nothing left to lose, but terrified of losing so much more. 20
Maar voorlopig, is alles wat mee mag, je herinneringen in een plastic zak Breng me naar de andere kant, ver weg van hier, waar niemand me kent en niemand weet hoe ik heet. Breng me naar de andere kant, ver weg van hier, naar waar er geen oorlog is, naar een betere plaats Eens aan de andere kant, we reisden duizenden kilometers maar we kwamen niet vooruit. het was niet zoveel beter dan voordien, altijd op ons hoede, verstopten we ons voor de politie En nog steeds was al wat we nog hadden, onze herinneringen in een plastic zak. Breng me naar de andere kant, ver weg van hier, waar niemand me kent en niemand weet hoe ik heet. Ze namen me mee naar de overkant, ze namen me mee ver weg van hier Niets meer te verliezen en toch doodsbang om nog zoveel meer kwijt te raken. 21
ER IS GEEN BELOOFDE LAND We vertrokken in Syrië. We zaten met 100 mensen in de boot. Het kunnen er ook 200 geweest zijn, of meer. Je verliest de tel als je zo bijeen gepropt zit. Ze hadden ons gezegd dat het geluk aan de andere kant van het water lag. We wisten niet of het waar was. We waren bang. Bang voor het onbekende. Bang om te verdrinken. Bang om alles te verliezen. Bang dat het aan de andere kant ook oorlog zou zijn, want daarom stapten we in de boot. Het was de boot weg van mijn geboorteland. De boot weg van de bommen, de gevechten, de brokstukken, de wanhoop. Er was geen hoop meer thuis. Er was niets meer, behalve de spaarcenten van babbo en nonna. En daarmee, zo zeiden de mannen in het tankstation, zouden we aan de overkant geraken. Maar we moesten alles aan hen geven, elke cent, en we mochten één plastic zak met spullen meenemen op de reis. Niks meer. Niks minder. Toen babbo en nonna het verhaal vertelden, geloofde ik hen niet. We zouden nooit het geld in de handen van vreemde mannen duwen. We zouden nooit de plek achterlaten waar we zijn opgegroeid. We zouden nooit onze citrusboomgaard achterlaten. We zouden nooit het huis achterlaten waar ik ben geboren, en mijn 3 zusjes. We zouden nooit… Als je alles kwijtraakt, dan eet de angst voor wat komt je op. Een plastic zak verandert daar niets aan. Je hebt enkel nog herinneringen en een hart dat klopt in je keel. Je bent dapper en je sterft tegelijk. Je ziel huilt. Je komt gebroken toe op een plek waar niemand je kent, niemand je taal spreekt, niemand je verhaal begrijpt. We stapten met 100 of 150 uit de boot. Mannen en vrouwen hadden de reis niet overleefd. We dumpten ze onderweg in de oceaan als voer voor de vissen. Alleen de sterksten bleven over. We kwamen weer aan land, klommen in de vrachtwagens en stelden geen vragen meer. We ondergingen de reis uitgeput en verdoofd. 22
Ik denk dat we 5 dagen en 5 nachten hebben gereden. Soms stopte onze vrachtwagen en mochten we naar verse lucht happen of naar het toilet gaan. De chauffeur snauwde tegen ons. We waren klein. We waren geen mensen meer. We waren angsthazen, op de vlucht, zonder thuis en zonder toekomst, met enkel een plastic zak in de hand. Plots stond de vrachtwagen weer stil. De deuren ging open. We moesten eruit, allemaal. De chauffeur wees in de richting van de haven. Daar moesten we op de andere boot nemen. “England”, blafte hij. “Freedom!”. Hij lachte nog eens, blies de rook van zijn sigaret in mijn gezicht en stapte terug in. Wij bleven achter. We waren met 15. Van 200 naar 15 mensen is geen 10 procent. Geen 10 procent van ons heeft het gehaald. We vertrokken als groep in Syrië en staan als eenzame verstekelingen aan in Zeebrugge, na 3.251 kilometer reizen. In ruil voor de reis is er geen beloofd land, geen eten en geen mens die omkijkt. De priester uit het dorp kwam ons de tweede dag eten brengen. Hij sprak onze taal niet, maar hij leek ons te begrijpen. Gaf ons een schouderklop. De tweede keer bracht hij dekens mee, een stuk zeil en wat kleren. We bouwden er een klein kamp mee, onopvallend, in een diepe berm naast de rijweg. Maar we wisten dat we gevaar liepen. We wisten dat we de baan over moesten, weg van deze plek, om de boot van de hoop te nemen. Naar Engeland. Op een nacht klonk plots het geluid van sirenes. Politie. Iemand had onze schuilplaats verlinkt. Die nacht begon ik te lopen zonder nog na te denken. Ik probeerde de kustlijn te volgen, vergat de boot van de hoop. Ik vergat de kou, de vermoeidheid en de helse reis. Ik liep richting iets onbestemds. Ik liep weg van alles wat ik eerder al was kwijtgeraakt. Ik liep weg van mezelf en wie ik ooit was geweest. Zou ik ooit de andere kant van het water bereiken? Bestaat er eigenlijk een boot van de hoop? 23
Small things - Vanco
24
Little things are changing all around Little things are changing all the time He asks me why are you crying I tell him I don’t even know who you are
Kleine dingen veranderen rondom mij Kleine dingen veranderen voortdurend Hij vraagt me waarom ik huil I vertel hem dat zelfs niet weet wie hij is
I feel them crawling all over my skin I don’t know who I am or how I’ve been. I’m losing my mind, I’m losing my mind all those memories I’ll leave behind.
Ik voel ze over mij kruipen Ik weet niet wie ik ben of hoe ik me voel Ik word gek, ik word gek alle herinneringen die ik achterlaat
There are time when I remember what’s going on and then I hold you in my arms, but for how long until I fade into the background once again I’m afraid of what will happen when those moments run out who am I if I’m not myself, I’m screaming out.
Er zijn momenten dat ik herinner wat er gebeurt dan sluit ik je in mijn armen maar hoelang nog tot ik opnieuw in de achtergrond vervaag Ik ben bang wat er zal gebeuren als die momenten ophouden te bestaan Wie ben ik als ik niet mezelf ben, ik roep het uit.
I feel them crawling all over my skin I don’t know who I am or how I’ve been. I’m losing my mind, I’m losing my mind all those memories I’ll leave behind.
Ik voel ze over mij kruipen Ik weet niet wie ik ben of hoe ik me voel Ik word gek, ik word gek alle herinneringen die ik achterlaat 25
GEVANGEN ZITTEN IN EIGEN HOOFD Ik kijk naar het tv-scherm. Ik zie enkel sneeuw. De man van het nieuws praat niet meer tegen mij en de wereld is stilgevallen. Dat doet ze elke dag wel een keer of tien.
Ze bijten niet, zei mama toen. Het was maar een droom. “Slaap nu maar, sssst...”, suste ze. Ze trok de deur achter zich dicht, maar ik bleef wakkerliggen. Ik was verlamd. Ik wist dat de kleine zwarte beestjes die me zouden verorberen.
De puzzelstukjes van vroeger kan ik nog leggen, maar wat er vandaag gebeurt, gaat aan me voorbij.
Alzheimer, zegt de dokter. Daardoor takel ik af. Daardoor heb ik minder besef van tijd, ruimte en mensen om me heen. De mieren hebben me toch te pakken gekregen. Ze verorberen me langzaam maar zeker van binnenuit. Door hen kan ik niet helder meer denken. Het voelt alsof ik mijn evenwicht verlies. Alsof ik voortdurend val maar de grond niet raak. Dat vallen maakt me bang.
“Alzheimer”, zei de dokter toen we er op bezoek gingen. Was dat gisteren? Of vorige week? Fons zat erbij en keek naar me zonder me echt te zien. Ik hoorde iets over geheugenverlies. Eiwitten in de hersenen en aftakeling. “De ziekte treft 15% van de mensen boven de 70”, zei hij.
Wat was dat? Viel de deur in het slot, daarnet? Of was het 25%? Wie ben ik?
Is daar iemand? Komt moeder weer binnen om me te sussen?
Ben ik al 70? Wie heeft de televisie eigenlijk aangezet?
Ik wil van deze stoel opstaan, maar weet niet meer hoe het moet. Het lijkt alsof ik vastgeroest ben in een huis dat ik niet herken. De kamer krimpt. Er is niemand in de buurt.
Ik krijg het benauwd. Ik wil naar buiten. Ik wil de regen op mijn huid voelen. Ik wil ademen. Toen ik zes was, was ik doodsbang voor mieren. Ik droomde dat ze met duizend mijn kamer binnen kwamen. Ze bekropen me vanaf het voeteneind. Moeder vertelde me dat ik iedere keer schreeuwend wakker werd: “Ze bijten! Ze bijten! Ze bijten!”. 26
Wanneer ik naar de tv kijk, veranderen miljoenen sneeuwvlokken plots in mieren. Altijd weer die mieren. Ze sissen dat ik niet ben wie ik ben, niet heet hoe ik heet, niet woon waar ik woon. Ze straffen me. Bijten aan mijn ziel. Maar ik heb niks verkeerd 27
gedaan. Ik ben een klein meisje en ik speel op straat. Ik loop achter de hoepel aan, schaterlach en wrijf het stof van mijn kleedje. Ik zwaai naar de bakker op de hoek en hoor moeder roepen dat ik naar binnen moet komen:
Wat moet ik met dit koekje?
“De koffie is klaar, Viviane!”
Wie ben ik? Wie is deze man?
Dat is de stem van Fons.
Wat doe ik op deze stoel?
“Maar Viviane, ge beeft en ge huilt. Voelt ge u niet goed vandaag?”, zegt hij.
Ik wou dat de mieren terug uit het huis verdwenen.
Fons toch… Hij is bezorgd en als hij met me praat, wordt de kamer weer groter. Dan vind ik mijn evenwicht terug en val niet meer om. Dat voelt goed. Fons en ik zijn getrouwd. Maar hoe leg ik hem uit dat er beestjes in mijn hoofd kriebelen en knabbelen? Dat ze nare gedachten brengen en dat ik er gek van word? Zou Fons dat begrijpen of zou hij lachen?
Dat de angst wegebde.
Ik wou dat het over ging. Ik zit elke dag meer opgesloten in mijn gedachten, in woelende mierenhopen, spinnenwebben en dikker wordende mist. Het zicht wordt me ontnomen.
Ja, dat is waar.
Ik heb geen houvast meer, kan me nergens aan vastklampen, val naar beneden.
Doodgaan is erg, zeggen de mensen.
Maar gevangen zitten in een hoofd dat het jouwe niet meer is, is nog ondraaglijker.
Ik ben doodsbang. Doods. Bang “Maar Vivianneke, droog uw tranen meiske en hou u rustig. Ik ben toch bij u!”, zegt Fons plots. Hij duwt nog een koekje in mijn hand. 28
29
Leavings - Vanco
30
Shinning lights cutting towards us in the rain. If you re lost, just look again, chances are, everything will look the same
Stralende lichten, snijden onze richting uit in de regen als je verdwaald bent, kijk dan nog eens, de kans is dat alles hetzelfde blijft
Oh, you walk inside, as you hide from the light that seeks you, lovingly decide you are not worth any time, you not worth being mine, but I tell you now, you are, you are my… my, love I won’t lead you to the door, no I ain’t running anymore, I’ll fight for us, I will you say there’s nothing left to do, to say goodbye and I whisper I’ll miss you baby can’t you see, this woman right here is right for me, and baby you are on to me, cause all I am is you, you see I won’t let it in, and you won’t take it out, it’s pilling up, inside If I won’t let it in, and you won’t take it out, it will be pilling up inside, like leavings on the floor.
Je loopt naar binnen, terwijl je schuilt van het zoekende licht, beslis je liefdevol dat je niemands tijd waard bent, dat je het niet waard bent de mijne te zijn, maar ik zeg het je jij bent… mijn lief Nee, ik breng je niet tot aan de deur, ik loop niet meer weg ik zal voor ons vechten je zegt, er is niets meer aan te doen, alleen nog een vaarwel, ik fluister, ik zal je missen maar lief, zie je niet, deze vrouw hier, jij bent de juiste voor mij, en lief je hebt me door want jij bent alles wat ik ben. Als ik het niet binnen laat, en jij neemt het niet op, dan zal het binnenin opstapelen Als ik het niet binnen laat, en jij neemt het niet op, dan zal het binnenin opstapelen, zoals vuilnis op de grond.
31
CONCLUSIE IEDEREEN IS BANG CRISIS REPRODUCEERT NU EENMAAL ONZEKERHEID EN ANGST We worden omringd met mensen uit alle lagen van de samenleving die angst hebben.
Bang om niet rond te komen; bang om te falen; bang om samen te gaan wonen;bang voor het onbekende, bang voor de andere, bang om aan kinderen te denken; bang voor morgen, bang voor de brievenbus, bang voor de toekomst, …
Wie in armoede en uitsluiting verkeert, leeft in angst om te overleven. De rijken hebben angst om hun rijkdom en status te verliezen. De middenklasse hoort dagelijks hoe de mensen uit de lagere klassen niet deugen en dat maakt hen bang. Bang om een deel te worden van de klasse op wie iedereen afgeeft. Volgens ons een schoolvoorbeeld van ‘fuzzy logic’. Het is immers niet omdat mensen in armoede in een nefaste situatie zitten, dat zij per definitie als mogelijke bedreigingen moeten gepercipieerd worden. Dat is volgens ons toch een ‘bridge to far’. Want mocht iedereen in armoede een risicograad betekenen voor onze veiligheid, dan zou het ganse land op een slagveld lijken. En dat is gelukkig niet zo, en dus is er meer nodig om dit gevoel niet alleen te verklaren, maar ook te allen tijde te reduceren.
IEDEREEN IS BANG De angst is ingegroeid in ons allen. Ze is genormaliseerd. In gesprekken wordt meestal het woord ‘bang’ gebruikt want ‘angst’ klinkt zwaarder. Angst wordt al snel met zwakte en ziekte geassocieerd, maar ‘bang zijn’ niet, want ‘iedereen is bang’. 32
Gezien de huidige sociale en economische crisis en het besparingsbeleid dat in Europa regeert, is het probleem van angst alleen maar erger geworden. Crisis reproduceert nu eenmaal onzekerheid en angst. Er heerst zoveel angst dat je zou denken dat we best stoppen met leven. Stoppen met leven gaan we niet snel doen want ook van de dood zijn we bang.
ALLES WAT ANGST INBOEZEMENT VERKOOPT En er is meer. Behalve de sociale en economische miserie zijn er ook politici die inspelen op het angstdiscours en mensen nog angstiger maken, of hen bewust of onbewust zelfs tegen elkaar opzetten. Ze krijgen hierbij de steun van de media die ons bijna elke minuut met angstbeelden bestoken. Terrorisme, extremisme, criminaliteit, IS, ebola, vluchtelingen, ziekten, natuurrampen… alles wat angst inboezemt verkoopt. Van reportages tot live streaming totdat tot we volledig verblind worden door angst. Wie weet durven we straks niet meer naar buiten komen. Angst heeft vele oorzaken en we moeten trachten zoveel mogelijk van die oorzaken aan te pakken. Om te beginnen de sociaaleconomische. De focus van het huidige discours ligt namelijk op repressie en preventie, met een sterke nadruk op negatieve veiligheid. 33
Dat wil zeggen dat we vooral kijken naar het bestrijden van onveiligheid en veel minder naar het creëren van veiligheid. Vanuit dat laatste perspectief draait veiligheidszorg om het stimuleren van een positief gevoel van verbondenheid in de omgeving en om het verbeteren van de sociale cohesie in de buurt. Als burgers hebben we echter weinig te zeggen gezien de macht ligt bij politici en economische elite. Er is wel iets wat in eigen handen hebben: liefde. Als sommigen nu denken dat we het hippiedom nieuw leven wil inblazen: nee – vanuit wieder denken we alleen dat liefde in potentie een politieke kracht kan zijn en een goede remedie tegen angst. Dus misschien wel het krachtigste wapen tegen de angst die de samenleving in zijn greep heeft Tot hier het goede nieuws. Minder goed nieuws is dat we steeds minder in liefde geloven en zelfs angst hebben voor liefde. Als er over liefde wordt gesproken, dan moet het zo oppervlakkig mogelijk zijn. Dat zie je aan het soort boeken over liefde dat goed verkoopt, maar ook aan de tientallen tv-programma’s over liefde.
LIEFDE ROEIT GEEN ARMOEDE UIT LIEFDE LOST HET PROBLEEM VAN WERKLOOSHEID NIET OP Dergelijke programma’s leren ons dat liefde een product is. Een partner vinden is zoals naar de supermarkt gaan en een pakje chips kiezen. En als ze niet de chips hebben van het merk en de smaak die je wil, dan ga je gewoon naar een andere supermarkt. Maar liefde is geen product, het is veel meer dan dat, maar ook niet alles. Liefde roeit geen armoede uit, liefde lost het probleem van werkloosheid niet op. Langs de andere kant zijn er wel mensen die werken en het goed hebben en die meer angst dan liefde kennen. Het is daarom een en/en verhaal. 34
LIEFDESSAMENLEVING IN PLAATS VAN ANGSTSAMENLEVING Liefde is het meest concrete alternatief dat we hebben. Bedenk even hoe de wereld eruit zou zien indien we in liefde geloven. Indien kinderen en jongeren op school over liefde leren. Indien echte liefde en niet oppervlakkige liefde ons in relaties, vriendschappen en gemeenschappen verbindt. Een liefdessamenleving. Wie kiest voor liefde staat positief in het leven. Liefde maakt mogelijk dat we groeien, ons ontplooien en vervolledigen als mens. Liefde helpt ons vertrouwen opbouwen. Vertrouwen in de ander en zelfvertrouwen. Liefde leert ons dat zelfliefde belangrijk is. Zelfliefde die geen egoïsme of narcisme is, maar een persoonlijke zoektocht naar onze plek in de wereld. Zelfliefde die nodig is om onszelf te leren aanvaarden maar ook om verantwoordelijkheid te nemen. Als we voor liefde kiezen dan kunnen we niet anders dan beseffen dat het niet alleen om ons gaat. Liefde kan ons helpen om aan onze relaties, vriendschappen, gezinnen en gemeenschappen de nodige tijd en aandacht te geven. Want het is op deze plekken dat liefde kan bloeien en groeien omdat mensen samenkomen. Het is hierom dat elke kleine stap vooruit in liefde, een grote stap vooruit is tegen angst. Een andere wereld is wenselijk en mogelijk, maar de vraag is wat voor een wereld we willen. Willen we een betere wereld dan zal liefde aan de basis moeten liggen.
Verandering zonder liefde is geen radicale verandering.
35
BEDANKT EN MERCI Een verhaal schrijf je nooit alleen. Er zijn drijfveren, inspirators en ontelbaar velen die helpen om schrijven, en er de juiste invulling aan geven. Bij WIJ VAN VLEES EN BLOED was dit niet anders. Als onze boodschap via deze publicatie een breed publiek bereikt, is dat de verdienste van een heleboel mensen. Zij gaven dit project vorm in woord en beeld. We willen hen uitdrukkelijk bedanken voor hun engagement. De deelnemers van Wieder die zich kwetsbaar hebben opgesteld en hun verhaal hebben verteld: jullie zijn stuk voor stuk niet alleen innemende en schone mensen, maar ook onmisbare parels in een zee van emoties. Ongelofelijk merci daarvoor! De Raad van Bestuur en het dagelijks bestuur van vzw Wieder/ Buurtwerk Sint Pieters geloofden vanaf dag één in het opzet van het project. Samen met hun medewerkers en vrijwilligers maakten ze er een totaalproject van met een breed draagvlak. Bedankt daarvoor.. Julie Van Eeghem zette met visie, inkt, humor én levenservaring de angsten van ‘Vlees en Bloed’n op papier. De deelnemers in armoede waren haar inspiratoren. Major thanks, mevrouw Julie. Bene Van Eeghem toonde ons dat woorden zoveel meer lagen kunnen hebben, en perste onze verhalen uit tot solide monologen. Eigenlijk omdat ze niks liever doet. Super merci, Bene om de woorddeuren voor ons te openen. Vanco goot onze emoties in noten die toucheren. Merci om samen met ons op weg te gaan, en ook om die deuren te durven openen.
strijd tegen armoede, en het creëren van een liefdessamenleving. Ook voor dit project konden we op hun gewaardeerde steun rekenen, en bijkomend ook financiële steun van de dienst welzijn van Stad Brugge en Welzijnszorg. Bedankt daarvoor. De partners, familie en vrienden van de ‘trekkers’, die zagen dat we ons smeten voor de goede smaak en mee geloven in het belang van de liefdessamenleving: bedankt om er te zijn, begrip te tonen, onze kuren te tolereren, en rust te brengen in onze kolkende emoties, en à la limite zaken over te nemen, gewoon zomaar… Jullie hebben het vlees en bloed van dit verhaal, een waardvolle ruggengraat gegeven. Het betekende voor ons dan ook vele beetjes meer dan woorden kunnen uitdrukken. En tot slot zijn er de tientallen mensen en vrijwilligers die belangeloos hun steentje bijdroegen aan en dit project hebben gemaakt tot wat het is: iets om te koesteren. Uit de grond van ons hart, aan u, en u, en u: merci. Namens de organisatie en de deelnemers, Pascale Cockhuyt (coördinator vzw Wieder) Patrick Anthone ( buurtwerker Sint Pieters)
Welzijnszorg, Stad Brugge, OCMW Brugge, Mintus en het Netwerk tegen Armoede, waren en zijn essentiële partners in de Brugge, november 2018 36
37
CREDITS: WIJ VAN VLEES EN BLOED is een publicatie van vzw Wieder Concept: Pascale Cockhuyt Tekst: Benedikte Van Eeghem Tekeningen: Julie Van Eeghem Tekst muziek: VANCO Vormgeving: Decosa Brugge, december 2018 38
39