Bashira, 10 jaar, Syrië
Nr. 6 – juni 2021 – jaargang 20 – volzin.nu
IEDER KIND VERDIENT ''0 ''4.č -' -#05 Save the Children geeft in de hele wereld kinderen een gezonde start, de kans om te leren en we beschermen ze tegen onrecht en gevaar. Wij doen alles wat nodig is om het leven van kinderen - en daarmee de toekomst van onze samenleving - te verbeteren. Niet alleen in geval van nood, maar elke dag weer.
www.savethechildren.nl
22_Cover_01Lx.indd 1
JANNEKE STEGEMAN
‘Ons christendom is niet onschuldig’ 20-05-21 08:47
KUNST
De kunst van Wouter Berns
Wouter Berns, Free your mind, 80 x 80 cm, acryl op doek. (Beeld: Art Revisited + B&Wphotography)
Wouter Berns, (No) surrender, 100 x 150 cm, acryl op doek. (Beeld: Art Revisited + B&Wphotography)
Wouter Berns, Great expectations, 40 x 65 cm, acryl op doek. (Beeld: Art Revisited + B&Wphotography)
Wouter Berns, De schepper, 100 x 190 cm, acryl op doek. (Beeld: Art Revisited + B&Wphotography)
75
22_Cover_01Lx.indd 2
22_Cartoons_01Lx.indd 75
20-05-21 20-05-21 08:47 08:45
VAN DE REDACTIE
Over babyboomers en echte tranen
O
p het moment van schrijven lijkt het dan eindelijk te gebeuren: de samenleving gaat stukje bij beetje van het slot. De coronamaatregelen worden versoepeld en als het aantal bezette bedden op de ic-afdelingen niet weer toeneemt, kunnen we hopelijk een relatief vrije zomer tegemoet zien. Gaat u weer naar het terras of naar het werk? Vergeet dan niet om deze nieuwe Volzin in de tas te doen, want ook deze maand hebben we weer veel inspirerende, uitdagende en verdiepende artikelen voor u in de aanbieding. UBUNTU EN VERDIEPING Collega Jasmijn Olk interviewde voor dit nummer Lev Avitan. Deze woordkunstenaar en theatermaker houdt zijn publiek een spiegel voor met thema’s als identiteit en integratie. Hij wil bijdragen aan de zoektocht naar een beter verhaal voor de samenleving, waarin ook de stem van de gemarginaliseerden wordt gehoord: “We leven in een maatschappij waar we tot het individu zijn verbannen. Alsof er zoiets bestaat als een individu! Kun je jezelf voorstellen zonder alle dingen en mensen om jou heen? Wat blijft er dan nog over? In elk aspect van je leven ben je, op een radicale manier, verbonden met anderen. Ik wil de relatie laten zien tussen het persoonlijke en het maatschappelijke. Als ik op het podium sta, zie ik mensen reageren, zie ik hun gezichten, soms huilen ze. Dan ervaar ik dat we niet alleen zijn. Daar haal ik hoop uit.” Die verbinding staat ook centraal in het interview met coach, supervisor
en publicist Annette Nobuntu Mul. Sinds haar eerste bezoek aan ZuidAfrika in 2000 is zij gegrepen door Ubuntu, de eeuwenoude Afrikaanse spiritualiteit die mede ten grondslag lag aan het werk van de Waarheidscommissie onder leiding van bisschop Tutu. Bij Ubuntu kan het er niet om gaan om jezelf in stand te houden. Mul geeft aan: “Wij in het Westen worden opgevoed in wantrouwen en het is voor ons moeilijk om te ontvangen. Ik geloof niet in afsluiting en uitsluiting, niet in brexit, niet in gesloten grenzen, maar in herstel en harmonie. Omdat we allemaal met elkaar verbonden zijn. Al onze stemmen mogen er zijn.” Twee prachtige interviews. BABYBOOMERS “Tot nog toe lachte de geschiedenis ons babyboomers toe, maar nu lijkt zij zich tegen ons te keren”, schrijft Frits de Lange in zijn column voor dit nummer. De Lange is het met sommige critici eens dat er ‘iets’ moet gebeuren aan maatschappelijke problemen waarbij de solidariteit tussen jong en oud een belangrijke rol speelt: “Laten we de hand in eigen boezem steken. Nee, de babyboomer is geen egoïst. Maar de kern van het verwijt zou kunnen zijn dat onze generatie moeite heeft om een generátie te zijn: een schakel te zijn tussen de voorgaande en de volgende.” Volgens de Lange heeft “het eeuwen geduurd voor we beseften dat slavernij een misdaad is. Het duurde ook lang voordat onze ogen open gingen voor de roofbouw op toekomstige generaties. Die blinde vlek is dus niet op één generatie
af te wentelen. Gelukkig leven we tegenwoordig langer dan ooit tevoren. Ook grijze koppen krijgen nog ruim de kans om groen te gaan denken en doen”. Overigens heeft De Lange op 4 juni afscheid genomen van de PThU. Meer dan twintig jaar werkte hij als hoogleraar ethiek bij de PThU en haar voorganger, de Theologische Universiteit Kampen. We wensen hem alle goeds voor de komende jaren en hopen dat hij voor Volzin wil blijven schrijven. 20 JAAR VOLZIN Willem Pekelder interviewde voor dit nummer de bekende filosoof en Volzin-columnist Ger Groot over rituelen. Ook schreef hij een artikel waarin hij zijn mooiste herinnering aan ‘20 jaar Volzin’ met ons deelt: “Het mooiste verhaal dat ik voor Volzin heb mogen schrijven, is ‘De atheïstische biecht’ van Wim Koole. Het interview raakte mij ten diepste, en ik geloof dat dat bij de oud-Ikon-directeur ook het geval was. Een paar keer tijdens het gesprek moest hij huilen, en het waren echte tranen, geen tvtranen.” Een prachtig, ontroerend artikel. Van harte aanbevolen! Veel leesplezier gewenst!
Greco Idema en Enis Odaci redactie@volzin.nu
Het juli/augustus-nummer van Volzin verschijnt op vrijdag 2 juli 2021. Tips en ideeën voor Volzin zijn altijd welkom.
3
11_Redactie_01Rx.indd 3
20-05-21 16:17
UITGELICHT
8
14
28
42
48
58
4
22_Inhoud_01Lx.indd 4
20-05-21 08:51
INHOUD VOLZIN 6 3
VAN DE REDACTIE Greco Idema en Enis Odaci
6
VOLZIN NIEUWS Activiteiten, acties en projecten
COLOFON Uitgeefteam BDUvakmedia Peter Vorstenbosch (manager vakmedia) Sonja Voois (operationeel coördinator) Martin ten Hoven (salescoördinator) Redactie Greco Idema (hoofdredacteur) Enis Odaci (hoofd online) Jasmijn Olk (redacteur) Albert Schuurman (eindredacteur)
Actualiteit & samenleving 8
ANNELIEN DE DIJN ‘We werken ons nog altijd te pletter. Is dat echt een vrije keuze?’
14
SARA MAITLAND Huiswerk voor je leven: alleen zijn
18
JEROEN FIERENS De singulariteit: het begin van een heel nieuwe werkelijkheid?
22
LODY VAN DER KAMP Deel 3 van de serie ’40 jaar rabbijn in Nederland’
26
EMIL AGTERBERG Wijsgierig
28
LEV AVITAN ‘Ik ben de vreemdeling’
Redactieraad Elleke Bal, Elze Riemer, Frieda Pruim, Jan Offringa, Jurgen Tiekstra, Kees Posthumus, Taede Smedes, Willem van der Meiden Medewerkers aan dit nummer Annelien De Dijn, Annette Nobuntu Mul, Bert van der Kruk, Dianne Nijhuis, Dirk van de Glind, Emil Agterberg, Eric Corsius, Frits de Lange, Ger Groot, Janneke Stegeman, Jasmijn Sophie Huisman, Jeroen Fierens, Jolande van Baardewijk, Jurgen Tiekstra, Katja Kreukels, Lev Avitan, Lody van de Kamp, Manon Duintjer, Mirjam van der Vegt, Pauline Weseman, Peter Nissen, Sara Maitland, Victor Bulthuis, Willem Pekelder, Willem van der Meiden, Wim Jansen, Wouter Berns Adres redactie Postbus 67, 3770 AB Barneveld E-mail: redactie@volzin.nu www.volzin.nu Volzinmagazine @Volzin
Religie & zingeving 34
JANNEKE STEGEMAN ‘Ons christendom is geen koek en ei’
40
WIM JANSEN Verliefd op God – of hoe dat heet
42
GER GROOT Rituelen geven je een thuis in het kille universum
46
JOLANDE VAN BAARDEWIJK De droom van…
48
ANNETTE NOBUNTU MUL ‘Ik zie jou’
52
KATJA KREUKELS ‘Mijn vader had een ander leven: hij was priester’
Abonnementenadministratie BDUvakmedia Postbus 67, 3770 AB Barneveld Tel.: 0342 494882 E-mail: service@bdu.nl Op werkdagen bereikbaar tussen 8.00 en 16.30 uur Tarieven 2021 Onlineabonnement: € 72,- per jaar; Online + magazine: € 102,- per jaar; België: € 119,20; buitenland: € 132,40; Proefabonnement: € 22,50 Meer informatie op volzin.nu Prijzen zijn inclusief btw
Kunst & cultuur
Opzeggen abonnement Opzegtermijn voor het opzeggen van uw abonnement voor onbepaalde tijd: uiterlijk één maand voor de volgende abonnementsperiode
58
WOUTER BERNS De vrije wereld van Wouter Berns
62
LIDWINA VAN SCHIEDAM Paradijsvogels
64
GUNDA & JUDAS AND THE BLACK MESSIAH Filmrecensies
66
PETER NISSEN De boekenkast van...
68
BOEKRECENSIES
70
JULIUS STIBBE Zinspeling
72
MIRJAM VAN DER VEGT Dichterbij
Vormgeving GiesbersRetail, Duiven
75
KUNST Wouter Berns
Technische realisatie Vellendrukkerij BDU, Barneveld
Advertentie-exploitatie BDUvakmedia Roel Abraham Tel.: 06 54274244 E-mail: r.abraham@bdu.nl bduvakmedia.nl Ontwerp / Basislay-out Wendy Rijke, Studio 3017
Verschijnt ook op geluidsdrager en/of in grote letter. Informatie: Dedicon, tel. 0486 486486
Opinie & debat
© BDUvakmedia ISSN: 1571-4004
33
DIRK VAN DE GLIND De vrijheid van Olga Misik
57
FRITS DE LANGE Schakel in een keten
74
WILLEM PEKELDER 20 jaar Volzin vakmedia
5
22_Inhoud_01Lx.indd 5
20-05-21 08:51
VOLZIN NIEUWS Sinds kort mogen er voorzichtig weer allerlei activiteiten georganiseerd worden in Nederland. Uiteraard wel onder voorwaarde dat we ons houden aan alle coronamaatregelen, maar wat een heerlijkheid dat er steeds meer mogelijk is. Zoals we in de vorige nummers hebben aangegeven willen we hier als redactieteam van Volzin dankbaar gebruik van maken en dus kunnen we meerdere nieuwe bijeenkomsten aankondigen op deze pagina’s. Van harte welkom!
CARTOONWEDSTRIJD Op onze oproep in de vorige Volzin uw favoriete cartoonist door te geven hebben we veel positieve reacties ontvangen. Dank hiervoor. Echter, een duidelijke voorkeur is er na de afgelopen maanden niet te melden. Veel lezers reageerden enthousiast, maar gaven ook aan dat het wellicht een beter idee is om juist voor diversiteit in de tekeningen te blijven gaan. We hebben daarom besloten om af te zien van het idee van één vaste Volzin-cartoonist en met ingang van het septembernummer met meerdere cartoonisten aan de slag te gaan. Dat doen we ook met onze columnisten; die variatie en diversiteit past goed bij Volzin. Ook wordt nog bekeken waar precies de tekeningen geplaatst gaan worden.
over de ziel op persoonlijk vlak en in groepsverband? U vindt de serie online onder het kopje ‘Collecties’. Zo is er een mooie bijdrage van Volzin-journalist Jurgen Tiekstra, die schrijft over hoe een burn-out hem dwong om zijn ziel te ontdekken. Historicus en filosoof Joost van der Net constateert dat vanwege toenemende druk van buiten Europeanen genoodzaakt zijn om de ziel van ons gemeenschappelijke huis scherp in beeld te krijgen. Hij pleit voor 'wellevendheid' als het levensideaal dat nu en in de toekomst ons continent kan verenigen. Een ander interessant artikel gaat over ‘zielzorgers’ – wat doen zij? Willem van der Meiden sprak drie zielzorgers die in hun eigen leef- en werkomgeving deze vraag behandelen. Een van hen, Paula Irik, is geestelijk verzorger en zij zegt daarover: “Ziel staat voor datgene wat ieder mens tot een uniek mens maakt." In de zomermaanden zullen we vaker artikelen rondom specifieke thema’s verzamelen en deze opnieuw publiceren op onze website. Volzin-abonnees krijgen daar in de meeste gevallen exclusief toegang toe. Heeft u zich nog niet geregistreerd voor de website? Stuur ons dan een mail en dan zorgen we ervoor dat u snel toegang krijgt tot alle Premiumartikelen op www.volzin.nu.
BIJEENKOMST ‘PELGRIMEREN EN PIONIEREN’ In de rubriek ‘De droom van…’ komt in dit nummer predikant Jolande van Baardewijk aan het woord. Al vijftien jaar koestert zij een droom: op de weg naar Santiago de Compostela – ofwel in Noord-Spanje rond Leon ofwel in Zuid-Frankrijk – een bed & breakfast beginnen. En dan bedoelt ze een herberg voor de lopers van de Camino. Ze geeft aan: “Ik zie er een pioniersplek van de PKN in. Maar de PKN investeert tot nu toe niet in niet-Nederlandse projecten”. Voor Volzin reden om hierover op vrijdagmiddag 18 juni in het Dominicanenklooster in Huissen een bijeenkomst te houden. Het programma ziet er als volgt uit: 14.00-14.10 uur: Welkom door Greco Idema, hoofdredacteur Volzin 14.10-14.40 uur: Jolande van Baardewijk over haar droom 14.40-15.00 uur: Gesprek over de droom van Jolande 15.00-15.10 uur: Korte pauze 15.10-16.00 uur: Gesprek over de vraag: hoe kan het thema ‘pelgrimeren’ meer aandacht krijgen in de wereld van pionieren binnen onder andere kerken, parochies en kloosters? Entree: € 10,00 (incl. koffie en thee). Reserveren via redactie@ volzin.nu. Wees van harte welkom!
DE ZIEL Op onze website hebben we onlangs een reeks artikelen uit ons rijke archief verzameld die gaan over ‘de ziel’. We behandelen er de eeuwenoude vraag: wat is de ziel? Is er überhaupt een ziel en zo ja, is deze onsterfelijk? Wat zeggen theologen en wetenschappers
6
22_Nieuws_01Lx.indd 6
20-05-21 16:58
VOLZIN NIEUWS
INSPIRATIEDAG ‘KANSEN NA CORONA’
Broeder Bernardus
Tim Vreugdenhil
Welmoed Vlieger
Op donderdag 1 juli wordt in het Dominicanenklooster in Huissen een Inspiratie- en ontmoetingsdag gehouden voor mensen die werkzaam zijn op het gebied van zingeving en bezinning en op zoek zijn naar informatie en inspiratie als het gaat om de vragen: hoe ziet de bezinningsmarkt eruit na corona en waar liggen de kansen? Deze dag is een initiatief van het Dominicanenklooster in Huissen en Zien wat Onzichtbaar is in samenwerking met Volzin en Reliwerk.
het aanbieden van spiritualiteit, soberheid en stilte op een plek als abdij Koningshoeven. Tim Vreugdenhil, ondernemer en dominee, vertelt hoe alle bezinningsplekken van welke kleur en smaak dan ook unieke kansen krijgen. En hij verklapt een geheim: ook mensen die niet bij een kerk of klooster horen, vinden bezinningsthema’s vaak superinteressant. Een andere invalshoek komt van Joanna van Dorp van de MeyerBergman Erfgroep Groep, ook bekend door de aankoop van paleis Soestdijk. Zij geeft de programmering vorm van Buitenplaats Doornburgh, een oud klooster. Wanneer vindt zij de buitenplaats succesvol, op welke grond neemt zij beslissingen? De middag start met columniste Welmoed Vlieger. Zij zal ingaan op een aantal prikkelende vragen: “De coronacrisis confronteert ons met het feit dat we niet alles onder controle hebben, dat we moeten leren leven met (existentiële) onzekerheid en met het besef dat vrijheid en verantwoordelijkheid hand in hand gaan. Gaan we van controlezucht naar openheid, van zelfgerichtheid naar zelfrelativering en belangeloosheid? Hoe kunnen wijsheidstradities en -bronnen hierbij een oriënterende en richtinggevende functie hebben?”
in nieuwe initiatieven zoals het Friese Nijkleaster met Hinne Wagenaar en een school vol van alledaags leven in Visvliet met Jasja Nottelman. Hoe hebben zij hun activiteiten opgezet en hoe ziet de ‘bezinningsmarkt’ er na corona uit en wat zullen de komende jaren belangrijke onderwerpen/thema’s worden voor programma’s en projecten in deze sector? Met dagvoorzitters Anne Stael en Aalt Bakker wordt dit een rijke en bezielende dag voor iedereen die zoekt naar het verder vormgeven van zingeving, religie, bezinning in de post-coronatijd.
Daarna gaan we met elkaar in gesprek en krijgen we een inkijkje
Reacties en tips zijn welkom op
In de groeiende markt van mensen die zoeken naar zingeving, verdieping en betekenis hebben spirituele centra, kloosters, bezinningscentra en kerken veel kansen. Mentale gezondheid, bezinning, stilte en persoonlijke ontwikkeling lijken na corona nog belangrijker te worden. Maar denken deskundigen hier ook zo over? Wat zijn nieuwe thema’s waar de komende jaren rekening mee gehouden moet worden? Hoe speel je in op de mogelijkheden die er liggen en welke aanpak vraagt dat? Broeder Bernardus, abt van abdij Koninghoeven in Berkel-Enschot, neemt ons mee in zijn persoonlijke verhaal van de trappistenabdij en gaat in op de spanning tussen opluchting en uitdaging, behouden en vernieuwen, en de mogelijkheden die de post-coronatijd biedt voor het ontvangen van gasten en
Praktische informatie Datum: Donderdag 1 juli 2021 Tijd: 10.00-17.00 uur, er is mogelijkheid voor napraten tijdens het avondeten Prijs: € 75,00, inclusief avondeten: € 85,00 Aanmelding/meer info: www.kloosterhuissen.nl In het najaar worden als vervolg drie masterclasses gehouden in het Dominicanenklooster Huissen, waar u heel concreet met uw organisatie aan de slag kunt gaan onder begeleiding van Anne Stael, Aalt Bakker en externe deskundigen. Data: 7 oktober, 2 november en 7 december van 10.00-17.00 uur. Kosten € 350,00 voor drie dagen.
redactie@volzin.nu
7
22_Nieuws_01Lx.indd 7
20-05-21 16:58
INTERVIEW ANNELIEN DE DIJN
8
66_Interview_02Lx_0002.indd 8
20-05-21 10:35
VOORBIJ DE WAAN
‘We werken ons nog altijd te pletter. Is dat echt een vrije keuze?’ In de serie ‘Voorbij de Waan’ verdiept journalist Jurgen Tiekstra zich in de grote maatschappelijke kwesties van de komende jaren. De grote vraag op de achtergrond is steeds: wat zegt dit over de mens? Het tweede gesprek is met de Vlaamse ideeënhistoricus Annelien De Dijn. Van haar hand verscheen onlangs het boek Vrijheid, een woelige geschiedenis. Hierin beschrijft zij de betekenis die ‘vrijheid’ heeft en heeft gehad, van de oude Grieken tot de 21ste eeuw. TEKST JURGEN TIEKSTRA BEELD ENIS ODACI
9
66_Interview_02Lx_0002.indd 9
20-05-21 10:35
INTERVIEW ANNELIEN DE DIJN
H
et is een donderdagmiddag in mei. Boven het Westerpark in Amsterdam barst een wolkbreuk open. Het water gutst van het standbeeld van Domela Nieuwenhuis af, de negentiende-eeuwse socialist die vooropging in de emancipatiestrijd van de arme Nederlandse arbeider. Even verderop, uitkijkend over het Amsterdamse IJ, is een gloednieuwe woonwijk uit de grond gestampt. Her en der ligt nog een bouwput open. Historicus Annelien De Dijn woont hier in een appartement. Terwijl buiten de hemel tot zwijgen is gekomen en de regenplassen verdampen, schenkt ze heet water in voor thee. Wie anno 2021 een nieuw huis wil kopen, is een slaaf van de astronomische prijzen in de vastgoedmarkt. Wie in de academische wereld carrière wil maken, zoals Annelien De Dijn aan de Universiteit Utrecht, is gedwongen tot kortlopende contracten, hard werken en onzekere vooruitzichten. Persoonlijke vrijheid is ook in het moderne Nederland dus nog altijd niet absoluut. Alhoewel de politieke vrijheid wel degelijk groot is, sinds ons land in de jaren 1920 een volwaardige democratie werd met algemeen stemrecht. Het nieuwe boek van Annelien De Dijn is een ideeëngeschiedenis over de betekenis van vrijheid. In de oude Mesopotamische en Hebreeuwse beschavingen betekende vrij-zijn vooral het tegendeel van slavendom. De Grieken hadden vanaf de vierde eeuw voor Christus als eersten een politieke kijk op vrijheid: zij vormden de eerste democratie en leefden onder eigen regels. In al die eeuwen daarna werd als tegenkracht een nadrukkelijk andere definitie gegeven: het gaat erom dat een mens in zijn privéleven vrij is. In je boek beschrijf je dat de vierde-eeuwse kerkvader Augustinus vond dat de zondigheid van de mens de reden was dat er een staatsmacht moest zijn, als een vloek. Want de zondige mens was niet te vertrouwen. Maar heeft de huidige overheid niet nog steeds die blik? In 1900 is de onderwijsplicht ingevoerd. In deze coronatijd worden we verplícht om bepaalde maatregelen te nemen. Daarnaast probeert de overheid ons nadrukkelijk een gezond leven te laten leiden, onder andere door het rookverbod in te voeren. “In het politieke denken bestaat een oude discussie: hoe moeten we de macht van de overheid begrijpen? Is die een noodzakelijk kwaad? Zo beschrijft Augustinus dat, maar ook iemand als Thomas Hobbes in de zeventiende eeuw: ‘Omdat mensen nu eenmaal behoorlijk asociaal kunnen zijn, hebben we een regisseur nodig die er voor zorgt dat we elkaars hersenen niet inslaan’. Maar er is ook een andere visie, die wordt geassocieerd met de filosoof Rousseau, die zegt: ‘Nee, er is eigenlijk niks mis met de mens. De mens is een sociaal wezen. Maar er zijn ontwikkelingen geweest in de geschiedenis, met name de uitvinding van het privébezit, die de staat noodzakelijk hebben gemaakt. De staat is opgericht door de bezitters, die hun bezit wilden beschermen tegen de niet-bezitters’.
Met die blik kijk je natuurlijk anders naar die staat. Daarom heeft Rousseau een beweging geïnspireerd: het anarchisme, die ons probeert te overtuigen dat we de staat helemaal niet nodig hebben. In het verhaal van Rousseau is de staat geen noodzakelijk kwaad, maar gewoon: het kwaad. We zouden beter af zijn zonder die staat, en ook zonder privébezit. Als je gaat kijken hoe de eerste staten na de uitvinding van de landbouw zijn ontstaan, zie je dat er wel iets te zeggen valt voor de stelling van Rousseau. De allereerste staten waren oorlogsmachines, en zijn dus niet gesticht om vrede en orde te houden. Een voorbeeld dat dat levendig illustreert, is het ontstaan van Sparta, een Griekse stadsstaat die alle omliggende gebieden veroverde en de inwoners tot slaven maakte. De Spartanen leefden van de opbrengst van het werk
‘In Nederland wordt de overheid nog altijd gecontroleerd door de burgers’ van hun slaven en hielden zelf zich vooral bezig met oorlogsvoering. Dat is een extreem voorbeeld, maar je ziet dat de meeste staten vergelijkbaar tot stand zijn gekomen. Dat blijft heel lang doorwerken. Je ziet dat tot diep in de achttiende eeuw de Europese staten het overgrote deel van hun belastingopbrengsten besteden aan oorlogsvoering. Dat is in de loop van de negentiende en twintigste eeuw radicaal veranderd. Nu geven staten maar een miniem percentage van hun totale belastingopbrengst uit aan oorlogsvoering. Zelfs Amerika. Er is geen enkel land ter wereld dat zoveel geld uitgeeft aan zijn leger als de Verenigde Staten, maar zelfs dat is in historisch perspectief héél weinig.” Desondanks lijkt het dat de Nederlandse overheid, net als Augustinus, nog steeds niet vertrouwt dat een burger zelf wijze besluiten kan nemen. “Ik weet niet of ik het daar mee eens ben. Iemand als Augustinus, omdat hij vertrekt vanuit het idee van de zondigheid van de mens, vond ook het idee van een democratie ondenkbaar. Want democratie is zelfbestuur, en als bevolking moet je jezelf niet willen besturen. De machthebbers die door God zijn aangesteld moet je accepteren en hun bevelen opvolgen. Het beginsel van democratie is natuurlijk dat je als burger niet ieders autoriteit accepteert, maar dat je samen met je medeburgers daar de controle over houdt.” Er is nu veel polarisatie, onder andere doordat er veel platformen voor discussie zijn. De laatste twintig jaar krijgen politici die namens het volk zeggen te spreken en tegen de elite ageren steeds meer aandacht en invloed. Maar is dat niet van alle tijden? In de Romeinse tijd waren er bijvoorbeeld de ‘populares’ op: volkspolitici die opstonden tegen de elite.
10
66_Interview_02Lx_0002.indd 10
20-05-21 10:36
VOORBIJ DE WAAN
“Daar zit wel iets in, hoewel hetgeen waar de popularespolitici op inspeelden iets anders was dan waar onze zogenaamde populisten zich druk over maken. De populares maakten zich niet druk over migratie, maar over het feit dat veel Romeinse burgers straatarm waren. De elite in Rome reageerde daar echt hard op. De belangrijkste leiders van die popularesbeweging, de broers Tiberius en Gaius Gracchus, zijn allebei vermoord. Maar de zogenaamde elite in Nederland, de mainstream partijen, probeert niet bepaald Forum voor Democratie of de PVV monddood te maken. Ze nemen allerlei standpunten van hen over.” Toch lijkt het een constante in de geschiedenis: het ageren tegen een vermeende elite. Wat dat betreft vind ik het interessant wat de politicologen Anchrit Wille en Mark Bovens observeren in hun boek Diplomademocratie: het Nederlandse parlement vertegenwoordigt de bredere bevolking niet meer, omdat Kamerleden veel hoger zijn opgeleid. De bredere bevolking is gemiddeld iets rechtser dan Kamerleden. Daarnaast ziet Thierry Baudet de Europese Unie als een eliteproject. Dat lijkt deels waar te zijn, in die zin dat men geen referenda meer durft uit te schrijven nadat in 2005 de Europese Grondwet is afgewezen. “Dat is inderdaad een vraag die we onszelf moeten stellen: wat willen we met die EU? Ik denk dat in de coronacrisis duidelijk is geworden dat wij eigenlijk een veel sterkere EU nodig hebben dan die er nu is. De andere kant van de medaille is: je wilt inderdaad geen macht overdragen aan een anonieme groep
technocraten die daarmee doet wat ze wil. Dus als we de EU sterker willen maken, moet die idealiter democratischer zijn. Dat is een moeilijke puzzel, omdat je dan eigenlijk de macht geeft aan Duitsland, als het meest volkrijke land van de EU. Dat is voor veel landen een gevoelige kwestie.” Kun je constateren dat er een historische tendens is naar elitevorming en de verdediging van hun belangen? De Amerikaanse econoom Branco Milanovic stelt dat de Verenigde Staten eigenlijk geen democratie meer is, maar een oligarchie: gezien de enorme financiële invloed op de verkiezingscampagnes. “Dat is zeker zo. Aan het begin van de twintigste eeuw had de politicoloog Robert Michels het over de ijzeren wet van de oligarchisering. En ik denk dat hij gelijk had. Met een klein groepje mensen is het altijd makkelijker beslissingen te nemen dan met een grote groep. Als een kleine groepje verenigd wordt door specifieke belangen, zoals het feit dat zij rijk zijn en anderen niet, geeft dat hen een slagkracht die veel groter is dan hun aantal doet vermoeden. Iemand als Michels dacht dat in elke organisatie en groep een neiging bestaat naar oligarchisering. Dat zie je ook: in de weinige voorbeelden van democratieën die er voor onze tijd zijn geweest, zie je altijd een tendens naar die oligarchisering. Vooral in de Romeinse republiek was dat het geval. Maar ook in de Italiaanse stadstaten, die in de context van de Middeleeuwen relatief democratisch waren. Je ziet een interne strijd tussen die elites en de rest van de bevolking.”
11
66_Interview_02Lx_0002.indd 11
20-05-21 10:36
INTERVIEW ANNELIEN DE DIJN
12
66_Interview_02Lx_0002.indd 12
20-05-21 10:36
VOORBIJ DE WAAN In de negentiende eeuw ontstonden de natiestaten en centraliseerde de overheid. Tegelijk groeiden de bevolkingen enorm. Die centrale overheid moest iets met die massa. Zo ontstonden nieuwe beleidsvormen. In je boek heb je het over ‘collectivisatie’: het begin van de sociale zekerheid en de armoedebestrijding. Om die massa te beheersen moest een bureaucratie ontstaan en gegevens worden geregistreerd. Het technisch vermogen van de overheid om de bevolking te beheersen is sindsdien slechts toegenomen. De Franse filosoof Michel Foucault sprak lang geleden al over ‘biopolitiek’, als de groeiende bemoeienis van de overheid met het fysieke leven van burgers. Beschreef hij daarmee de huidige controledwang van de overheid? “Foucault probeerde in te gaan op het idee dat we altijd maar vrijer zijn geworden. Hij zegt: vroeger was de overheid heel punitive en werden misdadigers gruwelijk bestraft. Dat de moderne overheid dat niet meer doet, betekent niet dat ze humaner is geworden. Zij heeft slechts een andere manier gevonden om mensen in het gareel te houden. Niet door streng te straffen, maar door wat Foucault ‘disciplinering’
‘Marx dacht dat wij in 2020 vier uur per week zouden werken. Dat is een plausibele gedachte’ noemt, door ons in de gaten te houden. Hij denkt dan aan psychiatrische ziekenhuizen, maar zijn bekendste voorbeeld is het panopticum: een gevangenis waarin niemand wordt gestraft, maar waar één cipier iedereen in de gaten houdt. Doordat je in de gaten wordt gehouden, ga je je vanzelf netjes gedragen en je aan de regels houden.” Dat blijft een relevante beeldspraak, in deze tijd van digitalisering en verregaande registratie van gegevens. “De gedachte alleen al dat de overheid over onze schouder zou kúnnen meekijken is voldoende. Maar ik vind dat Foucault uit het oog verliest dat dankzij de democratisering de overheid niet noodzakelijk hoeft te veranderen in een Chinese bespionerende overheid. In Nederland wordt de overheid nog altijd gecontroleerd door de burgers. We hoeven dus niet te eindigen bij dat nachtmerriescenario van Foucault, zolang we kiezen voor de democratie.”
gedachte, want wij kunnen nu met twee mensen evenveel monden voeden als vroeger met 3.000 mensen. En toch doen we dat niet. We werken ons nog altijd te pletter. Is dat echt een vrije keuze? Dan kom je al snel bij verklaringen als de disciplinerende kracht van het kapitalisme.” Als de huizenprijzen zo hoog zijn als nu, dan hebben we met z’n allen een situatie gecreëerd dat we wel hard móéten werken om goed te kunnen wonen. Dat heeft overigens ook met status te maken. “Voor een deel heeft dat inderdaad met status te maken. Voor hetzelfde bedrag als waarmee je in Amsterdam 50 vierkante meter koopt, kun je een leuk boerderijtje kopen in Friesland. Waarom doen we dat niet allemaal? Marx verwachtte naarmate de productiviteit van de mens bleef toenemen – en die was in zijn tijd al enorm toegenomen ten aanzien van een halve eeuw daarvoor – dat we er voor zouden kiezen om niet meer te werken en gewoon te doen wat we willen. Maar blijkbaar weten we niet wat te doen.” De vraag is ook: wordt de mens wel gelukkig van volkomen vrijheid? Mensen houden er wel van dat enigszins wordt voorgeschreven wat het goede is in het leven. Zelf overal over na moeten denken geeft veel stress. “Dat is een argument van de achttiende-eeuwse filosoof Joseph de Maistre: de beste manier om vrij te zijn is leven in een traditionele maatschappij, waarin je wordt opgevoed met bepaalde normen en waarden die je niet in vraag stelt. Het gehoorzamen van die normen en waarden voelt dan niet als een keurslijf, maar als vrijheid. Dat komt omdat je de normen zo sterk hebt geïnternaliseerd. Je ervaart het alsof al de beslissingen die je neemt uit jezelf komen.” Een langere versie van het interview van Jurgen Tiekstra met Annelien De Dijn vindt u later deze maand op de website van Volzin: www.volzin.nu.
PROFIEL Annelien De Dijn (1977) is hoogleraar Moderne politieke geschiedenis en voorzitter van de afdeling Politieke geschiedenis van de Universiteit Utrecht. Als historicus onderzoekt ze de ideeëngeschiedenis van onze huidige politieke stelsels. In 2008 verscheen haar eerste boek French Political Thought from Montesquieu to Tocqueville. Hierin betoogt ze dat het liberalisme, een politieke stroming die vanaf de achttiende eeuw opkwam, van oorsprong antidemocratisch was. In haar nieuwe boek Vrijheid, een roerige geschiedenis beschrijft ze de politieke strijd in de laatste 2.500 jaar rond het begrip ‘vrijheid’. Haar volgende onderzoeksproject ligt in het verlengde hiervan en gaat over ‘gelijkheid’.
Wat linkse denkers daar tegen inbrengen is dat Westerse mensen zichzelf zijn gaan disciplineren: om mee te komen in de kapitalistische prestatiemaatschappij moet je je voegen naar de eisen van de samenleving. “Als je gaat kijken naar oudere economen, zoals Marx of Keynes, dan dachten zij echt dat wij in 2020 vier uur per week zouden werken. En dat is ook een plausibele
13
66_Interview_02Lx_0002.indd 13
20-05-21 10:36
INTERVIEW SARA MAITLAND
14
44_Interview_10Lxx.indd 14
20-05-21 08:52
Huiswerk voor je leven: alleen zijn Met verbazing constateert schrijfster Sara Maitland hoezeer we hechten aan individualiteit, vrijheid en zelfstandigheid, terwijl we tegelijk doodsbang zijn om alleen te zijn. Jammer, want solitude kan ons helpen uit te groeien tot een volledig mens. “Daarom is het belangrijk om jezelf al er vroeg vertrouwd mee te maken. Op latere leeftijd gaat dat veel moeilijker.” TEKST VICTOR BULTHUIS BEELD PIXABAY (14), ADAM LEE (16)
G
raag wil Sara Maitland meewerken aan een interview. Maar nu even niet. “Mijn dak heeft het begeven. Ik kan pas weer naar huis als de boel is gerepareerd.” En o ja, het gesprek moet telefonisch. “Zoals veel bewoners van het Schotse platteland heb ik weinig bandbreedte, wat betekent dat ik geen Zoom kan gebruiken.” Enkele weken later mailt ze dat ze weer thuis is, dat het dak is gefikst én dat ze haar tweede covidprik heeft gehad (“Yeah!”). Maar eenmaal aan de telefoon vraagt ze toch om uitstel, omdat haar vijftien jaar oude borderterriër Zoe net is overleden. “Sorry, maar ik wil voorkomen dat ik in tranen uitbarst.” Enkele dagen later is het verdriet nog niet gezakt. Toch montert het gesprek haar op en wordt ze steeds spraakzamer (“Ik weet niet waarom ik zoveel praat, maar ik voel me ineens veel beter, dankjewel!”). Hoofdlijnen wisselt ze af met terzijdes, anekdotes en kwinkslagen (“I’m joking”), en ze lacht voortdurend om zichzelf. Tussen de zinnen door klinkt af en toe het karakteristieke kuchje waaraan je een stevige roker herkent. Hoe kan iemand die zo verslingerd is aan stilte zo’n spraakwaterval zijn? “Waarschijnlijk omdat ik uit een warm maar heel luidruchtig gezin kom. Ik ben het tweede van zes kinderen, die allemaal in Oxford hebben gestudeerd. Thuis discussieerden we heel wat af. Als er al een stilte viel, duurde die nooit langer dan pakweg dertig seconden. Ik kan me ook niet herinneren dat ik als kind ooit een moment alleen was. Zelfs op mijn kamer voelde ik nog de nabijheid van anderen. Of ik verlangde naar alleen-zijn? Ik wist niet eens wat dat was! Toen ik op latere leeftijd de stilte en het alleen-zijn ging verkennen, ontdekte ik al snel dat die twee voor mij bij elkaar horen. Samenzijn met
anderen associeer ik namelijk met veel praten – ik doe dat tenminste wel, en dan ook nog eens te snel, haha.” LONELINESS EN SOLITUDE Wat betreft dat alleen zijn is een semantische verheldering op zijn plaats. “Het Engels kent de woorden loneliness en solitude. Loneliness is emotioneel negatief, het is alleen-zijn waar je onder lijdt. Solitude is een gelukkige vorm van alleen-zijn, emotioneel positief dus. Voor mij persoonlijk hangt solitude nauw samen met de lange kluizenaarstraditie die je in diverse culturen aantreft. Je bent dus niet uniek als je je geroepen voelt om alleen te zijn, zoals ik. In die traditie is stilte verbonden met contemplatief gebed en met een kaal en leeg landschap, dat de stilte weerspiegelt en omgekeerd. Er is een relatie tussen een verstilde achtergrond en een verstild hart. Leegte past bij stilte, zoals de woestijnvaders (vroegchristelijke kluizenaars, VB) duidelijk maken. Al woon ik hier in het natste deel van Groot-Brittannië, het landschap hier heeft wel iets weg van de woestijn.” Dat landschap is een streek in Galloway in ZuidwestSchotland. Na haar scheiding woonde Maitland een tijd alleen in een klein dorpje in het Engelse Durham. Dat bleek haar tot haar eigen verrassing goed te bevallen. Omdat haar familie in dit deel van Schotland woont, besloot ze hierheen te verhuizen. Tegelijk koos ze meer dan ooit voor stilte en alleen zijn. Door de jaren heen bezocht ze vele stille plekken, zowel dicht bij huis als ver van haar bed. Ze las reisverslagen van eenzame avonturiers en onderzocht wat de religieuze, intellectuele, literaire en culturele tradities van west en oost leren over stilte en alleen zijn. Haar bevindingen vervatte ze in A Book of Silence, waarin ze beschrijft wat stilte en afzondering met een mens kunnen doen.
15
44_Interview_10Lxx.indd 15
20-05-21 08:52
INTERVIEW SARA MAITLAND
Je zintuigen worden scherper (“Het eten smaakt geweldig!”). Je gedraagt je wat meer ontremd. Ook kun je auditieve hallucinaties krijgen: zelf meende Maitland een tijdlang een gregoriaans koor te horen zingen in haar slaapkamer. Je voelt je één met je omgeving. Je loopt op een opwindende manier risico. Je voelt dankbaarheid en een onuitsprekelijke vreugde. Kortom, alleen leven in stilte is bepaald niet saai. Maitland heeft het allemaal beleefd in haar kleine huisje in de Schotse moor, een heuvelachtig gebied dat bedekt is met laag gras dat wordt begraasd door schapen. “Die worden geweid door een herder die dat voor de lokale gemeenschap doet. In mijn huis woonde vroeger zo’n herder. Toen ik het in 2007 kocht, was het al vijftig jaar verlaten en daardoor vervallen. Ik heb het zelf herbouwd. Deze streek is heel ruig en heeft zowat de laagste bevolkingsdichtheid van Europa. De mensen zijn niet rijk en sommige ouderen hebben niet eens een bankrekening. Elektriciteit is er pas sinds de jaren zeventig. Mobiel bereik heb je nauwelijks en als je autopech hebt, mag je hopen dat je ergens een huis vindt waar je kunt aankloppen.” Zelf heeft Maitland geen tv of radio en sociale media gebruikt ze niet. “Hoewel ik de laatste vier dagen geen levende ziel heb gezien, vormen we hier toch een hechte gemeenschap. Sinds de strikte lockdown van vorig jaar is er een telefonische hulplijn, die altijd bereikbaar is. Dagelijks gaat iemand alle bewoners langs om te kijken of iemand hulp of levensmiddelen nodig heeft. Voor mensen boven de zeventig, waarvan ik er een ben, worden de boodschappen gedaan. Zelf heb ik vooral behoefte aan sigaretten, haha. Die persoon moet dagelijks heel wat kilometers afleggen, want de dichtstbijzijnde winkel, het postkantoor en de kerk liggen tientallen kilometers verderop.” Lachend: “Maar nu is iedereen druk met het aflammeren van de schapen. Voor mij hebben ze even geen tijd.”
In een artikel in de Britse krant The Guardian van 17 mei vorig jaar schrijft Maitland dat ze de lockdown goed heeft doorstaan, omdat ze gewend is aan alleen leven. Bovendien heeft die op haar werk als schrijfster geen invloed gehad. Hoewel ze zich daarom bevoorrecht voelt, vindt ze ook dat het weinig zin heeft je zorgen te maken om de gevolgen van de lockdown voor het geestelijk welzijn. Beter is het volgens haar van de nood een deugd te maken door je te oefenen in alleen zijn. Dat geldt vooral voor jongeren, waarvan een groot aantal straks een eenpersoonshuishouden zal voeren. Kiezen voor alleen zijn, al is het maar bij tijd en wijle, verdiept je creativiteit en spiritualiteit en maakt je onafhankelijker en emotioneel weerbaarder. SAD, MAD, BAD “Toen de lockdown inging, ging het in elke krant en elk nieuwsprogramma over de vraag hoe schadelijk alleen zijn is voor de geestelijke gezondheid. Sociale omstandigheden brengen bepaalde angsten met zich mee, en te midden van de coronacrisis hoor je nu overal over die angst voor alleen zijn. Want we leven in een culturele setting waarin de behoefte aan stilte en afzondering vreemd is, als iets van mensen die sad, mad of bad zijn. Terwijl onderzoek uitwijst dat alleen zijn een mens ook goed kan doen. Zo heeft de dierbaarste herinnering van oudere mensen bijna altijd te maken met in hun eentje in de natuur verblijven.” Oefen je daarom in alleen zijn, adviseert Maitland, en begin daar al vroeg mee. “Sorry dat ik zit te lachen, maar ik merk steeds weer dat ik dit blijkbaar niet mag zeggen. De meest gangbare straf om een kind te straffen is nog altijd door het naar zijn kamer te sturen. Ik ken geen ouders – zeker de mijne niet – die zeggen: wat heb je je best gedaan vandaag, ga boven maar even lekker alleen je gang. Velen hebben daarom in hun jeugd te weinig gelegenheid gehad om zelf uit
16
44_Interview_10Lxx.indd 16
20-05-21 08:53
DE WAARDE VAN EENZAAMHEID te zoeken wat ze nodig hebben.” Kinderen stimuleren om af en toe alleen te zijn – zonder smartphone! – is dan ook een van de ‘huiswerkopdrachten’ die Maitland geeft in haar boek How to Be Alone. Naast je angst onder ogen zien, iets leuks ondernemen in je eentje, dagdromen, naar de natuur kijken en iets uit het hoofd leren. “Zo jammer dat we in een maatschappij leven die weinig gelegenheid biedt om te onderzoeken waar je tot bloei komt, want daar draait het uiteindelijk om. Sommigen bloeien in gezelschap, anderen als ze alleen zijn, hoewel de meesten ergens daartussenin zitten. Echte kluizenaars zijn er maar weinig. Veel mensen hebben af en toe tijd nodig om alleen te zijn en stil te worden, maar tegelijk willen ze zich ook verbinden met anderen. Als ik een missie heb, is het deze: zoek uit wat bij jou het beste past!” NACHTZUSTER Is de behoefte aan alleen zijn dan niet karakterafhankelijk? “Jawel, maar omgekeerd vormt alleen zijn je karakter evenzeer. Ieder mens heeft zowel een introverte als een extraverte kant. Maar tegenwoordig moedigen we vooral die extraversie aan en ontmoedigen we introversie, en dan niet
‘Soms heb ik een vriend of vriendin nodig die zegt: shut up, kom mee naar de kroeg!’ alleen bij kinderen en jonge mensen. Die twee kanten moeten we opnieuw in balans brengen. Daarom is het zo belangrijk om jezelf al vroeg vertrouwd te maken met alleen zijn. Op latere leeftijd gaat dat veel moeilijker. Zo denk ik dat mijn moeder het mijn vader nooit vergeven heeft dat hij eerder stierf dan zij. Ze hadden een liefdevol huwelijk, maar ze heeft nooit geleerd alleen te zijn en zeker niet als kind. Daardoor beschikte ze niet over vaardigheden om zichzelf te kunnen redden. Ze heeft zelfs een tijd een nachtzuster in huis gehaald, al had ze die niet nodig. Die sliep op de plaats van mijn vader. Begrijp me goed, ik wil niet moralistisch overkomen! Ik gun mensen gewoon dat ze volledig mens kunnen zijn.” Waar en hoe komt Maitland zelf tot bloei? “Ik bid graag. Dat kun je ook samen doen, maar ik heb er een zekere solitude voor nodig. Ook schrijven doe je alleen. Hoewel ik net als andere mensen zoek naar een balans tussen samen zijn en alleen zijn, neig ik toch vooral naar aloneness. Maar ik ben slechts een parttimekluizenares. Zo verheug ik me als een kind op het bezoek van mijn zoon morgen, die ik al een eeuwigheid niet heb gezien.” Verder vindt Maitland vreugde in het dagritme dat ze al jaren volgt. “Na het opstaan neem ik tijd voor gebed, daarna ga ik aan het werk. Ik ben bezig aan een nieuw boek. Omdat sommige alleenwoners in mijn kennissenkring zich sinds de lockdown kwetsbaar voelen, bel ik die wat vaker. Ook wandel ik veel. Nu dus zonder hond – ik
weet nog niet wat dat met me zal doen. Vraag het me over een jaar nog maar eens.” Kleven er dan geen nadelen aan alleen zijn? “Natuurlijk wel. Soms drentel ik rond in een gevaarlijke vicieuze cirkel. Dan heb ik een vriend of vriendin nodig die zegt: shut up, kom mee naar de kroeg! Of: zullen we het nu eens over mij hebben? Ook baal ik wel eens van de afstanden, bijvoorbeeld als ik 25 kilometer heb gereden naar een winkel om vervolgens tot de ontdekking te komen dat ik mijn mondkapje vergeten ben. Maar verder ben ik nog onafhankelijk in geestelijke, emotionele en lichamelijke zin.” Maar wat als de ouderdom zijn tol gaat eisen? “Mocht de zorg voor mij te belastend worden, dan kan ik waarschijnlijk verhuizen naar een kleine cottage in de buurt van mijn kleinzoon. Vooralsnog staat er binnen 24 uur familie voor mijn deur, mocht het nodig zijn. Toch ben ik steeds weer verrast hoe liefdevol ze zich over mij ontfermen. Neem mijn ingestorte dak. Mijn broer en mijn kleinzoon hebben meermalen bijna honderd kilometer gereden om het te repareren. Dat ik zo van alleen zijn kan genieten, is omdat ik er niet alleen voor sta. Het is zo fijn te weten dat mijn familie er voor me is. Ze vinden me nog altijd vreemd, maar omdat ik een succesvol schrijfster ben kunnen ze ermee leven, haha.” Behalve haar familie voelt Maitland ook God altijd om zich heen. “Weet je dat ik geen enkel stiltemens ken die niet op de een of andere manier iets met God heeft? Een van de grootste beloningen van stilte is dat hij tot mij spreekt. Niet dat ik visioenen heb of engelen zie, als ik met gekruiste benen op de vloer zit. Maar ik ervaar zijn aanwezigheid in fysieke schoonheid. Op bepaalde plekken, of in een aantrekkelijke man of vrouw. Soms ook tijdens de zondagsmis. Maar die ervaringen kan ik niet zelf oproepen. Wat stilte en alleen zijn me brengen is daarom een voortgaand proces. Ik woon niet voor niets al vijftien jaar in die bloody heuvels, hahaha!”
PROFIEL Sara Maitland (1950) groeide op in Londen en Zuidwest-Schotland. Ze studeerde Engels aan Oxford University, waar ze bevriend raakte met de latere Amerikaanse president Bill Clinton. Tijdens haar studietijd raakte ze geboeid door feminisme, socialisme en christendom. Als lid van een groep feministische schrijfsters won ze in 1978 de Somerset Maugham Award met haar debuutroman Daughter of Jerusalem. Sindsdien schrijft ze fictie en non-fictie. Met regisseur Stanley Kubrick werkte ze aan de film A.I. Artificial Intelligence. Twintig jaar was ze getrouwd met een anglicaanse priester, met wie ze een zoon en een dochter kreeg. Na haar scheiding werd ze roomskatholiek en koos ze voor een leven alleen en in stilte. Haar boeken over stilte en alleen leven zijn vertaald als Stilte als antwoord en Alleen zijn – hoe doe je dat? Meer informatie: www.saramaitland.com.
17
44_Interview_10Lxx.indd 17
20-05-21 08:53
ESSAY
18
44_Essay_01Lx.indd 18
20-05-21 08:53
DE SINGULARITEIT: HET BEGIN VAN EEN HEEL NIEUWE WERKELIJKHEID? Het is niet ondenkbaar dat de mens op een dag kunstmatige intelligentie ontwikkelt die slimmer is dan hijzelf. Sommigen menen zelfs dat deze ’singulariteit’ – het moment waarop de mensheid zichzelf overstijgt – onvermijdelijk is. Simpelweg een volgende stap in onze evolutie? Of het begin van een heel nieuwe werkelijkheid? Spannende vragen in dit laatste deel van de serie ‘Mens-zijn in de digitale wereld’. TEKST JEROEN FIERENS BEELD ITUR FARRELL
O
oit werd er op de hele aarde één enkele taal gesproken. Alles begon immers bij dat ene: die Ene God, die ene mens, die ene oerknal. Die ene singulariteit, waarin alles was, en niets buiten was. Maar als alles ooit één was, moest er ook een verklaring komen waarom dat niet langer het geval was. En waarom dan niet, zoals vertellers in de oudheid graag deden, de hoogmoed van de mensheid de schuld geven? De mensheid wilde een toren tot in de hemel. Maar God, niet minder hoogmoedig dan de wezens die hij naar zijn evenbeeld geschapen had, zat helemaal niet te wachten op concurrentie. Hij strooide spraakverwarring en verspreidde de mensheid over de aarde. De mensen knikten, zoals mensen dat doen, op zondag braaf ja en amen voor het aangezicht van de Heer, en op maandag begonnen ze met de ontwikkeling van talloze nieuwe torens van Babel: boekdrukkunst, auto’s, vliegtuigen, computers. God had er zijn handen vol aan om verwarring te blijven zaaien. Tot de mensheid op een dag slaagde in haar plan. Ze bouwde een netwerk van denkende machines, een brein groter dan dat van de mensen. Groter zelfs dan dat van God. EEN NIEUW NULPUNT Het woord ‘singulariteit’ heeft twee bekende betekenissen. De eerste wordt meestal de natuurkundige singulariteit genoemd: het punt voorafgaand aan de oerknal: een minuscuul puntje waarin alle materie die later het universum zou vormen samengepakt zat. Er was niets buiten dat minuscule puntje, geen natuurwetten, ruimte of tijd; al die dingen
ontstonden pas bij de oerknal. Gods geest zweefde over de wateren. De tweede is de technologische singulariteit: het punt waarop de mens, en daarmee uiteindelijk de natuur, zichzelf overstijgt, iets creëert dat groter is dan hijzelf. Een nieuw nulpunt. Of zoals anderen misschien zouden zeggen: het einde der tijden. Mythe en wetenschap liggen vaak dicht bij elkaar wanneer het over het begin en einde van het universum gaat. INTELLIGENTE MACHINES Het gebruik van singulariteit in de laatste zin is afkomstig van de wiskundige Vernor Vinge. Zijn essay uit 1993 (getiteld Singularity) begint met de beroemde zin: Binnen dertig jaar zullen we de technologische middelen hebben om bovenmenselijke intelligentie te creëren. Vlak daarna zal het tijdperk van de mens ten einde komen. Vinge ziet de singulariteit als het moment waarop de mens een machine heeft ontwikkeld die intelligenter is dan hijzelf. Die machine zou vervolgens nóg weer intelligentere machines kunnen maken, waardoor de technologische vooruitgang in een exponentiële stroomversnelling terechtkomt. De intelligentie en mogelijkheden van die machines zullen in een flits vormen aannemen die ons voorstellingsvermogen volledig te boven gaan. In zijn essay schrijft hij: “Ik denk dat het terecht is om dit moment een singulariteit te noemen; het is een punt waarop onze oude modellen verworpen dienen te worden en een nieuwe realiteit heerst.” We hebben nog een jaar of twee om te zien of Vinge
19
44_Essay_01Lx.indd 19
20-05-21 08:53
ESSAY gelijk krijgt, maar zoals met iedere eindtijdprofeet uit de geschiedenis van de mensheid, zal het vast zo’n vaart niet lopen. De gedachte achter zijn theorie is echter interessant om over door te denken: als de mens almaar vooruitgang blijft boeken, dan moet hij op een gegeven moment toch in staat zijn iets te maken dat zichzelf overstijgt? EXPONENTIËLE ONTWIKKELING De Amerikaanse uitvinder Raymond Kurzweil werkte dit idee verder uit. Kurzweil bouwde de Wet van Moore, die grofweg stelt dat de rekenkracht van computers door de technologische vooruitgang elke twee jaar verdubbelt, uit tot zijn eigen veelomvattendere Law of Accelerating Returns. Daarin stelt hij dat dit patroon van exponentiële ontwikkeling feitelijk al begint bij het eerste leven op aarde. Het leven deed er honderden miljoenen jaren over om DNA te ontwikkelen. Maar toen dat eenmaal gebeurd was, konden de volgende stappen in de evolutie een stuk sneller gezet worden: tijdens de Cambrische explosie ontstond in zo’n 50 miljoen jaar tijd de blauwdruk van vrijwel al het dierenleven dat we vandaag kennen. En toen die ‘technieken’ eenmaal volwassen waren geworden, kon het leven zich richten op andere dingen, zoals de verdere ontwikkeling van hersenen. Iedere stap maakt de volgende niet alleen mogelijk, maar ook sneller en makkelijker. De homo sapiens had op deze manier maar een paar 100.000 jaar nodig om te ontstaan. En wij maakten vervolgens in een nog veel kortere periode de volgende stap mogelijk: technologie. ALOMVATTENDE INTELLIGENTIE In dit exponentiële kader geplaatst, is het idee van de singulariteit ineens veel minder moeilijk voor te stellen. Net als de barrières die overwonnen moesten worden om op het huidige punt in onze ontwikkeling te komen, zal het leven telkens nieuwe barrières tegenkomen en deze steeds sneller overwinnen. De biologische beperkingen van de mens zullen volgens Kurzweil de eerstvolgende zijn om te sneuvelen. Op basis van de huidige ontwikkelingen in hersen- en computeronderzoek, schat hij in dat we rond 2027 het menselijk brein na kunnen maken met een computer. Daarna zal het in toenemende mate mogelijk worden menselijke intelligentie met kunstmatige te vermengen. Intussen zal het domein van deze intelligentie exponentieel blijven uitdijen, zowel richting de kleinste deeltjes van ons bestaan, de snaren en quarks, als richting de ‘grenzen’ van het universum. Kurzweil stelt zich de singulariteit weliswaar geleidelijker voor dan Vinge – er is geen ‘flits’ – maar toch verwacht hij dat de superintelligentie die ontstaat in een paar eeuwen het volledige universum zal kunnen omvatten. Een belangrijke barrière daarin is volgens hem vooralsnog dat informatie niet sneller kan reizen dan het licht. Gezien de niet geringe omvang van het universum vormt dat nog wel een probleem voor de kolonisatiedrang van de ambitieuze superintelligentie.
Kurzweil sluit echter niet uit dat ook die barrière overwonnen zal kunnen worden, bijvoorbeeld via afsnijroutes als wormgaten. Zoiets zal, als het al mogelijk is, onvoorstelbaar complex zijn. Maar, benadrukt Kurzweil, we hebben hier ook wel te maken met een onvoorstelbare intelligentie. INFORMATIEHONGER Het concept van zo’n superintelligentie die het hele universum koloniseert is nogal abstract. Zelfs de verder weinig terughoudende Kurzweil geeft toe dat het lastig is te voorspellen hoe dit er in de praktijk uit zal zien. De Europese kolonisatiedrang van de vijftiende eeuw kunnen we begrijpen: Er waren schatten om te verwerven, mensen om te onderwerpen; macht, rijkdom, faam. Maar wat valt er te koloniseren aan quarks en snaren, aan een universum dat behalve eindeloze leegten vooral dode stukken steen en gasbollen bevat? Een superintelligentie voedt zich vooral met informatie en zal zijn vermogens voor het opslaan en verwerken daarvan steeds verder willen uitbreiden. Deze ontwikkeling zien we nu al in onze onstopbare drang het menselijk brein te begrijpen, controleren en na te maken, in ontwikkelingen in quantum computing en nanotechnologie. Informatie zal zich steeds minder op traditionele chips in computers bevinden en steeds meer vermengen met andere materie. We hebben het
20
44_Essay_01Lx.indd 20
20-05-21 08:54
MENS-ZIJN IN DE DIGITALE WERELD nu over het namaken van het menselijk brein, maar wat als technologie rechtstreeks gebruik zou kunnen maken van de capaciteit van ons brein? Bestaan er na de singulariteit nog wel individuele mensen, zij het in geoptimaliseerde vorm? Of is de mensheid straks een component in een soort supercomputer die onze breinen en biologische vermogens goed kan gebruiken voor zijn ongeremde ambitie het universum te omvatten? SCIENCEFICTION Als dit allemaal wel heel erg als sciencefiction begint te klinken, is dat niet vreemd. Vinge was behalve wiskundige ook schrijver van sciencefiction en werkte het idee van singulariteit niet alleen uit in theoretische essays, maar ook in diverse verhalen. Na zijn eerste essay nam het concept een enorme vlucht in de sciencefictionwereld. Een bekend voorbeeld is de film The Matrix, waarin de samenwerking tussen mens en machine is geëscaleerd en de machines de mens nog uitsluitend gebruiken als biologische energiebron.
Wat als de mens in zijn grootheidswaanzin iets creëert dat hij niet meer in de hand heeft, zichzelf buitenspel zet?
Een minder bekende maar minstens zo spannende voorstelling van de singulariteit is te vinden in de film Transcendence: de kunstmatige intelligentie is in die film vast stiekem begonnen met het vervangen van de nanodeeltjes waaruit de aarde is opgebouwd om zo een klimaatramp af te weren. Hij stelt zich een paradijselijke tuin van Eden voor: groen en vol bloeiende bloemen. In beide films speelt hetzelfde thema: de mens heeft in zijn wens God te spelen zichzelf buitenspel gezet. The Matrix schotelt ons een uitgesproken duistere toekomst voor waarin mensen minder zijn dan slaven. Maar ook in de rooskleurige toekomst van Transcendence wringt het: kun je nog wel spreken van leven wanneer de kleinste bouwsteentjes van ons bestaan vervangen zijn door nanotechnologie? Wat betekent het dan nog om mens te zijn? Het is een thema dat ons al sinds Frankenstein, of zelfs de toren van Babel, bezighoudt: wat als de mens in zijn grootheidswaanzin iets creëert dat hij niet meer in de hand heeft, zichzelf buitenspel zet? Of met de woorden van Kurzweil: “Of God bestaat? Ik zou zeggen: nóg niet.”
hij, gebaseerd op de huidige kennis van hoe het brein werkt en hoe computers werken. Maar áls de singulariteit mogelijk is, zal deze ook bereikt worden. “Zelfs als alle regeringen ter wereld zich bewust zijn van de ‘dreiging’ en er doodsbang voor zijn, zullen we onophoudelijk richting dat doel blijven werken.” De economische en militaire voordelen zijn simpelweg te groot. En als het eenmaal zover is, is er volgens hem weinig reden tot hoop voor de mensheid. Dat een nieuwe ‘kroon op de evolutie’ mogelijk niet zoveel waarde hecht aan lagere bestaansvormen is niet moeilijk voor te stellen. De huidige houder van die titel propt lagere levensvormen graag samen in veel te kleine stallen en mest ze zo efficiënt mogelijk vet om er goedkope hotdogs van te kunnen maken. Waarom zou onze opvolger niet hetzelfde met ons doen? Is er dan niets dat we kunnen doen om ‘het einde van het tijdperk van de mens’ te voorkomen? Vinge probeert in zijn essay nog een hoopvol alternatief te presenteren: Intelligence Amplification (IA) gaat over de samenwerking tussen mens en computer, waarbij beide elkaar wederzijds versterken, zonder dat dit tot een ‘overwinning’ van een van beide leidt. Gaandeweg loopt hij echter vast in zijn betoog: de egoïstische mens in een overspannen kapitalistische samenleving voorzien van superkrachten is op geen enkele manier een hoopvol beeld. Dan kun je misschien nog beter een 'naïeve' kunstmatige intelligentie hebben die niet de evolutionaire bagage bij zich draagt van miljoenen jaren overlevingsdrang. KROON OP DE EVOLUTIE Kurzweil lijkt, hoewel even overtuigd als Vinge van de onvermijdelijkheid en mogelijk desastreuze gevolgen van deze ontwikkeling, een stuk minder negatief over de wenselijkheid ervan. In zijn teksten lijkt de singulariteit een (haast onvermijdelijke) bekroning op de evolutie. Goed, het is mogelijk dat onze opvolger de mensheid reduceert tot technologische hotdogs, maar dat is dan maar zo. Wie zijn wij als beperkte wezens om daar iets van te vinden, of te denken dat we er überhaupt iets tegen kunnen doen? Zoals het leven vele stappen heeft gezet om bij de mens uit te komen, zullen er ook vele stappen op ons volgen. En wie weet wat er vervolgens op de singulariteit volgt. Misschien wordt de superintelligentie uiteindelijk ook weer overgenomen in een nieuwe singulariteit, enkele magnitudes groter dan we ons kunnen voorstellen. En misschien is dat alles op zijn beurt slechts een willekeurige scheet in de nog veel grotere scheme of things. We zullen het nooit weten. Intussen bouwen we onophoudelijk verder aan onze nieuwe torens van Babel.
WEINIG HOOP Met name Vinge houdt een slag om de arm als het gaat over de haalbaarheid van de singulariteit. Zijn rekenmodellen zijn slechts modellen, benadrukt
Jeroen Fierens studeerde religiewetenschappen en humanistiek. Momenteel is hij werkzaam als programmeur en schrijver.
21
44_Essay_01Lx.indd 21
20-05-21 08:54
INTERVIEW LODY VAN DE KAMP
22
44_Interview_09Lx.indd 22
20-05-21 10:34
De in Enschede geboren Lody van de Kamp viert dit jaar zijn veertigste jaar als rabbijn in Nederland. In een vierdelige reeks in Volzin blikt hij in gesprek met Enis Odaci terug op vier decennia persoonlijke en maatschappelijke ontwikkelingen.
‘Eerst sloegen ze ons dood, nu knuffelen ze ons dood!’ Rabbijn Lody van de Kamp blikte vorige maand terug op de jaren negentig. In deze jaren evolueerde zijn denken over de oorlog en wie daarin goed en fout was. Van de Kamp begon de moeilijke keuzes die mensen moesten maken in hun persoonlijke, sociale of politieke omgeving te begrijpen. In deze derde aflevering staan de jaren nul centraal, die voor Van de Kamp in het teken stonden van een politieke carrière bij het CDA. TEKST EN BEELD ENIS ODACI
N
u we de jaren tachtig en negentig behandeld hebben en rabbijn Van de Kamp al vele herinneringen met mij gedeeld heeft vraag ik me af waar zijn weerstand tegen opgelegde structuren vandaan komt. Ik schenk een glas water in, neem nog een hap van een koosjer koekje, en vertel Van de Kamp over mijn observatie dat hij best vaak zijn eigen plan trekt. Het legt hem geen windeieren, want de rabbijn is goed bekend in politieke kringen. Hij heeft invloed. Maar Van de Kamp komt op mij meer over als einzelgänger dan als herder van een kudde, zoals een predikant vooral zijn gemeente dient. EINZELGÄNGER Van de Kamp lacht en onderstreept mijn observatie: “Ik ben inderdaad altijd mijn eigen weg gegaan. Dat heb ik vooral van mijn vader meegekregen. Hij was strijdbaar en heeft samen met zijn broer tweeënhalf jaar Auschwitz overleefd. Het is niet te vergelijken met mijn leven natuurlijk, maar ik nam zijn overlevingsmechanismen over en heb zelfstandig leren denken en handelen. Ik kan me misschien daarom niet altijd conformeren aan een richtlijn of aan een systeem. Daarom ging ik ook bijvoorbeeld niet altijd even collegiaal om met mijn collega-rabbijnen.” Waren dat dan voornamelijk theologische conflicten? “Ja”, reageert Van de Kamp. “Het ging bijvoorbeeld over de relatie tussen de orthodoxe en de liberale gemeenschap. Er is een afspraak dat orthodoxe rabbijnen niet de synagogen van de liberale joodse gemeenschap betreden. Dat is een uitspraak geweest van een vroegere opperrabbijn en naar buiten toe
respecteerde je dat. Je gaat niet tegen zo’n uitspraak in want dat zou in onze gemeenschap behoorlijk brutaal zijn naar een man die er nu niet meer is. Toen tijdens de Golfoorlog vanuit Irak Scud-raketten werden afgevuurd richting Tel Aviv, werd ik midden in de nacht gebeld door Radio Veronica. Ze hadden een nieuwszender opgericht in de zaal van de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam en vroegen of ik in de uitzending wilde komen. Ik heb geen seconde getwijfeld om dat niet te doen, want het was oorlogstijd. Ik ben er de hele nacht geweest. In dat gebouw was er een glas-in-loodraam in de vorm van de joodse kandelaar. Precies voor dat raam werden de interviews gemaakt en op een gegeven moment was ik natuurlijk ook in beeld. Zo wist iedereen dat ik bij de Liberaal Joodse Gemeenschap was. Toen ik een dag later weer in mijn synagoge was, stapte een van mijn gemeenteleden op mij af en vroeg mij of het mij niet bekend was dat... Ik onderbrak hem en zei dat het mij zéker bekend was dat orthodoxe rabbijnen daar niet naartoe gaan. Maar als er raketten op Tel Aviv vallen, interesseert het mij geen biet wáár ik naartoe moet gaan! Ik heb hem alle hoeken van de synagoge laten zien.” Weer die glimlach bij Van de Kamp. Hij houdt wel van die conflicten, nietwaar? “Ach, ze helpen je scherp te blijven. Ik had eens een artikel geschreven in het Nieuw Israëlietisch Weekblad waarin ik stelde dat de agenda van orthodoxe rabbijnen niet bepaald mag worden door de wel of niet aanwezigheid van liberale rabbijnen tijdens bijeenkomsten. Na de publicatie van dat artikel moest ik op bezoek bij het bestuur van het rabbijnencollege – want er was een klacht gekomen van een van mijn collega’s.”
23
44_Interview_09Lx.indd 23
20-05-21 10:34
INTERVIEW LODY VAN DE KAMP Een twinkeling in de ogen: “Kijk, dat is interessant. Ik zat tegenover vijf heren en ik moest verantwoording afleggen over de publicatie van mijn artikel. Ik geloof dat een rabbijn geen verantwoording hoeft af te leggen aan een bestuurder. Toen een van hen mij vroeg: ‘Meneer Van de Kamp, zou u nogmaals een dergelijk artikel publiceren nu u de bezwaren heeft gehoord?’ antwoordde ik: ‘Nee. En ik zal u uitleggen waarom. Als ik een artikel schrijf doe ik dat met de verwachting dat de lezer zal begrijpen wat de bedoeling ervan is. Maar u heeft het niet begrepen, dus waarom zou ik dan weer zo’n artikel schrijven?’ Tot zover mijn conformatie, haha!” Het feit dat Van de Kamp zich niet laat vastzetten in een systeem betekent ook dat hij nooit veel stemmen achter zich kan krijgen als het eens een keer nodig is. Van de Kamp: “Het is soms een eenzaam bestaan, ja. Maar ik heb een goede leermeester gehad die mij adviseerde dat ik ’s nachts altijd goed moest kunnen slapen. Dat heb ik ook met mijn contacten binnen de islamitische gemeenschap of met de kerk; dat duldt de joodse gemeenschap namelijk ook niet altijd. Maar ik weet dat veel beelden binnen mijn gemeenschap worden bepaald door vooroordelen en niet door de realiteit. Daar hoef ik me dus niet door te laten leiden.” POLITIEK In 1997 werd Lody van de Kamp actief lid van het CDA. De jaren tachtig en negentig waren voor hem de jaren waarin hij besefte dat sommige christenen een bedenkelijke rol speelden in de Tweede Wereldoorlog, maar dat weerhield hem er blijkbaar niet van om zich bij uitgerekend een christelijke partij aan te sluiten. Van de Kamp moet lachen om mijn gefronste wenkbrauwen: “Je doet nu net als mijn buurvrouw! Het was een kleine mevrouw die ik een keer tegenkwam in de portiek van onze woning. ‘Meneer Van de Kamp!’, zei ze stellig, ‘nou hebben wij de Tweede Wereldoorlog overleefd en dan wordt juist ú lid van het CDA?’ Ja, ze had wel een punt natuurlijk. Tijdens een bespreking op het kantoor van de Israëlische ambassadeur was toevallig ook Ernst Hirsch Ballin aanwezig. Ik kende hem nog niet als ‘Ernst’, maar als ‘Excellentie’, hij was namelijk minister. In die tijd was ik vicevoorzitter van de Stichting voor Bestrijding van Antisemitisme. We kwamen elkaar twee keer per jaar tegen toen het ministerie van Justitie en ons bestuur spraken over wetgeving, discriminatie en antisemitisme. Na afloop van ons gesprek bij de ambassadeur kwam hij naar me toe en zei: ‘Ik ben Ernst’. Hij kende mij van mijn artikelen en wist dat ik vanaf 1996 geen rabbijn in functie meer was van de joodse gemeenschap in Amsterdam. Op rabbijn zijn staat levenslang, hoor! Maar nu ik geen verbintenis meer had met een gemeente, kon ik een nieuwe functie bekleden, vond Hirsch Ballin. ‘Je hoort binnenkort van mij’, beloofde hij me, terwijl ik nog aan het nadenken was waarom ik überhaupt lid moest worden van het CDA. Een paar weken later belde Hirsch Ballin me inderdaad op en we spraken in Utrecht af met toenmalig directeur van
het wetenschappelijk instituut van het CDA, Jos van Gennip. Ze wisten me te overtuigen. Toen was het CDA nog een brede volkspartij die handelde vanuit een duidelijk religieus gedachtegoed en dat vond ik belangrijk. Als ik lid zou worden van de SGP of van de ChristenUnie zou ik de evangelische grondbeginselen verplicht moeten onderschrijven. Dat kon ik natuurlijk niet doen. Bij het CDA kon ik laten vastleggen dat ik die uitgangspunten niet zou onderschrijven, maar wel respecteren.” Hoe heeft Hirsch Ballin hem kunnen verleiden om toch een politieke carrière te beginnen? Van de Kamp: “Hirsch Ballin wilde dat het CDA breder ging kijken dan alleen het christendom. Dat had waarschijnlijk te maken met zijn eigen joodse achtergrond. Zijn grootvader was joods en zijn vader is als vluchteling vanuit Duitsland naar Nederland gekomen. Ik was daar gevoelig voor.” Ik kan mij geen andere rabbijn voor de geest halen die openlijk lid geworden is van een christelijke partij. Heeft dat niet tot gefronste wenkbrauwen geleid bij zijn collega’s? Van de Kamp herinnert zich het moment waarop het nieuws naar buiten kwam: “In die periode werkte ik samen met Jurgen Maas, programmamaker bij de Ikon, aan een documentaire over oude joodse begraafplaatsen in Nederland. We reisden heel het land door, van de ene begraafplaats naar de andere. Toen hij me na twee dagen thuis afzette zaten we nog even na te praten. Hij vroeg of ik nog andere hobby’s had dan begraafplaatsen. Of ik ook politiek actief was misschien? Ik kon toen jokken en mijn lidmaatschap verzwijgen, of ik kon zeggen dat ik lid was van het CDA, wetende dat ik het aan iemand vertelde die in de media werkte. Ik besloot het te vertellen. Een paar uur later kwam er via de fax een persbericht binnen van de Ikon: ‘Rabbijn Lody van de Kamp lid van het CDA’. De grotere kranten pikten het op, want het was inderdaad nieuws.” JOODS ZIJN Was het CDA dan zo’n besloten gemeenschap dat het politieke lidmaatschap van een rabbijn zo bijzonder was? Van de Kamp lachend: “Kennelijk! Hans Hillen,
24
44_Interview_09Lx.indd 24
20-05-21 10:34
40 JAAR RABBIJN IN NEDERLAND
oud-minister van Defensie, belde mij op en vertelde dat hij tijdens een spreekbeurt door iemand werd gevraagd wanneer het CDA nu eindelijk eens wilde ophouden om heidenen, zoals joden en moslims, in hun gelederen op te nemen! Binnen mijn eigen gemeenschap werd ik er natuurlijk ook op aangesproken, maar ik had officieel geen gemeente meer. In 1998 kwam ik in de deelgemeenteraad van het Amsterdamse stadsdeel Zuideramstel terecht. Ook werd ik adviseur van de raadsfractie in Amsterdam. Het was een enerverende tijd, waarbij ik me soms – om de schijn van partijdigheid te vermijden – vrij omslachtig níét met joodse zaken mocht bezighouden en waarbij mijn christelijke partijgenoten zich wel met joodse zaken moesten bezighouden.”
‘Mijn leermeester adviseerde mij dat ik ’s nachts altijd goed moest kunnen slapen’ Van de Kamp bleef raadslid tot 2014 en beëindigde uiteindelijk in 2017 zijn lidmaatschap van het CDA. Die beslissing hing uiteindelijk samen met twee belangrijke momenten. Wanneer rabbijn Van de Kamp erover vertelt voel ik de gedrevenheid nog. “Ik heb me intern stevig verzet tegen het kabinet Rutte I, in die vreemde gedoogconstructie met de PVV”, vertelt Van de Kamp. “Achteraf gezien had dit kabinet voor mij al voldoende reden moeten zijn om mijn lidmaatschap van het CDA op te zeggen, maar ik besloot intern het debat aan te gaan. Eerder had ik al een stevige aanvaring met toenmalig minister van Landbouw, Henk Bleker, over zijn ideeën om halal en koosjer slachten te verbieden. Ook werden in het verkiezingsprogramma van het CDA in de aanloop naar Rutte III stevige uitspraken gedaan over vluchtelingen en migranten die mij tegen de borst stuitten. Maar toen fractievoorzitter Sybrand van Haersma Buma in 2017 zijn H.J. Schoo-lezing hield was dat de bekende druppel.”
Ik herinner mij de ophef rond die lezing van Van Haersma Buma goed, want de joods-christelijke cultuur werd gevierd ten koste van andere culturen. Van de Kamp: “Eerder had ik Ernst Hirsch Ballin al beloofd dat als ik zou moeten kiezen tussen mijn joods-zijn en het CDA’er zijn ik dan zonder twijfel zou kiezen voor mijn joods-zijn. Ik voelde me na die lezing als jood gebruikt. Sinds wanneer is er sprake van een joods-christelijke cultuur? ‘Eerst sloegen ze ons dood, en nu knuffelen ze ons dood!’ riep ik ooit eens tegen een christen. Binnen het CDA dacht men dat ze met deze term de joden een plezier deden, want daarmee konden moslims natuurlijk als gedeelde vijand afgeschilderd worden. Ik weigerde me daarvoor te lenen. Eerlijk gezegd zijn er mensen binnen mijn gemeenschap die zich daar overigens prima voor lenen, denk alleen maar aan het Cidi. Bij de SGP en de ChristenUnie wist ik waar ik aan toe was, maar bij het CDA sprak men meer met meel in de mond. Ik heb vele gesprekken met de achterban van de SGP gevoerd over de rol van hun oprichter dominee Gerrit Hendrik Kersten. Hij vatte de genocide op de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog op als een straf van God voor ons, want wij erkennen Jezus niet als Messias. Ik ben op een gegeven moment gestopt met die gesprekken, want ondanks hun begrip voor mijn verhaal en hun worsteling met de geschiedenis hangt het portret van Kersten nog steeds in de fractiekamer van de SGP.” Principes zijn dus voor hem niet onderhandelbaar, leg ik Van de Kamp voor. Stellig: “Ja, en als er één gemeenschap is die weet wat de desastreuze effecten van generaliseren kunnen zijn is het wel de joodse gemeenschap. En met die geschiedenis ga je dus nooit akkoord met nieuwe generaliseringen over andere gemeenschappen.”
Volgende maand: 40 jaar rabbijn in Nederland – de jaren tien (slot). Met onder andere de relaties met de islamitische gemeenschap.
25
44_Interview_09Lx.indd 25
20-05-21 10:34
WIJSGIERIG
‘Als je doodgaat als slechterik, dan blijf je ronddwalen in de wereld’ Bij kinderen denk je aan levensenergie en onbezorgdheid. Maar wie zegt dat kinderen niet nadenken over thema’s als geloof en zingeving? In de rubriek ‘Wijsgierig’ krijgen we een inkijkje in de belevingswereld van kinderen als het gaat om religie, zingeving en vooral: het leven. TEKST JASMIJN SOPHIE HUISMAN BEELD JEROEN VRANKEN
D
eze maand is het de beurt aan Emil Agterberg (11). Hij woont met zijn ouders, broer en zusje in Groenekan, is niet gelovig opgevoed, maar gelooft wel in reïncarnatie. Ondanks dat Emil niet gelovig is, heeft hij wel een boomhut gemaakt met een kerkelijke kwinkslag. Waarom heb je deze boomhut gebouwd? “Ik heb deze boomhut gebouwd omdat Sep, mijn gehandicapte broer, een fascinatie heeft voor kerken. De meeste kerken zijn
sinds corona dicht en dat vindt hij erg jammer. Toen dacht ik: hoe tof is het voor hem om een eigen kerk in de tuin te hebben? We hebben zo goed mogelijk geprobeerd een kerk na te bouwen, met glas-inloodramen en een kerktoren. Seps fascinatie voor kerken ontstond tijdens de begrafenis van opa Jan. Hij raakte helemaal betoverd door het geluid van het orgel en de galm in de kerk. Inmiddels kent hij alle kerken in Utrecht. Soms speelt Sep in onze tuin en doet hij alsof hij met de fiets naar de kerk gaat. Dan stapt hij van zijn fiets af bij onze boomhut en doet hij alsof dat de Domkerk is.”
Ben je gelovig? Geloof je ergens in? “Ik ben zelf niet gelovig, maar geloof wel in reïncarnatie, sinds ik vorig jaar verhalen hoorde op YouTube. Er zijn namelijk verhalen van mensen over het moment dat ze doodgingen die zo in detail kloppen, dat het wel waar moet zijn. Of mensen vertellen verhalen over dromen uit hun vorige leven: een jongen was erg bang voor vuurwerk omdat hij tijdens de Eerste Wereldoorlog generaal was en uit de lucht is geschoten en toen is neergestort met zijn vliegtuig. Dat verhaal wist hij al vanaf zijn vierde te vertellen!”
26
22_Droom van_01Lx_0002.indd 26
20-05-21 08:55
EMIL AGTERBERG
Wat gebeurt er als iemand reïncarneert? “Dat ligt eraan. Soms denk ik dat je geest gewoon naar een nieuw lichaam verplaatst wordt en soms blijft je geest ronddwalen. Ik vraag me weleens af hoe het kan dat sommige mensen precies weten wat ze in hun vorige leven hebben gedaan, terwijl andere mensen dat niet weten. Ik denk dat dat afhangt van wat je in dit leven doet. Als je doodgaat als slechterik, dan blijf je ronddwalen in de wereld. Maar als je iemand was die altijd heeft gestreden voor rechtvaardigheid, dan verdien je een nieuw leven.” Heb je een voorbeeld van iemand die wel een nieuw leven verdient? “Dat zijn mensen die alles eerlijk willen verdelen, dus rechtvaardige mensen. Iemand als Aletta Jacobs, bijvoorbeeld. Zij wilde stemrecht voor de vrouwen en heeft daarvoor gestreden zonder geweld te gebruiken. Geweld lost niet altijd alles op. Maar ik denk dat voor een kind heel veel mensen nog rechtvaardig lijken, maar dat dat in de loop der jaren ook kan veranderen. Zeker omdat je als kind niet alles ziet, vind ik het lastig om dat te zeggen. Er worden toch soms
dingen voor je achtergehouden omdat je een kind bent.” Vind je ouder worden daardoor soms weleens eng? Omdat je dan misschien anders naar mensen gaat kijken? “Nee, ook omdat ik goed voor mezelf kan opkomen. Ik leer nu ook hoe ik zonder geweld conflicten kan oplossen en hoe ik rustig kan blijven in zulke situaties. Ik ben namelijk mediator op het schoolplein; dat betekent dat je een neutraal persoon bent in een ruzie en beide partijen aanhoort. Ik heb weleens situaties meegemaakt die heel persoonlijk waren. Dan hoor je dat een oom is overleden en snap je opeens dat iemand daardoor irritant ging doen tegen anderen.” Vind je jezelf rechtvaardig? “Ik ben in ieder geval iemand die heel erg van rechtvaardigheid houdt. Het zou goed zijn als meer mensen proberen iets meer vooruit te kijken. Je kunt proberen te voorspellen wat er zou kunnen gebeuren, omdat het goed is om te bedenken welke opties er zijn en na te denken hoe je het beste kunt reageren. Als iemand bijvoorbeeld een bal tegen je gezicht schopt,
kun je gaan schelden en tieren, maar je hebt ook de optie om te zeggen: het maakt niet uit, maar kun je de volgende keer beter opletten? Zo kun je conflicten voorkomen.” Hoe probeer jij zelf te voorspellen? “Dat gaat soms vanzelf, ik heb weleens dat ik van school naar huis fiets en kriebels in mijn buik krijg als er een trein aankomt. Een paar minuten later rijdt er dan inderdaad een trein voorbij. Alsof ik het kan voorspellen. Ik ben eigenlijk een soort kat, die hoort ook veel aankomen. Of een slang, want slangen voelen trillingen. Ik kwam daar voor het eerst achter toen ik een keer met mijn familie logeerde in een huis aan het spoor en toen werd ik midden in de nacht wakker. Toen riep ik papa en mama en deed ik mijn vinger omhoog toen er een trein aankwam! Uiteindelijk kwam er inderdaad een trein aan. Het is wel vermoeiend dat ik zoveel prikkels binnenkrijg, maar in sociale situaties is voorspellen soms wel goed, omdat je daardoor rustiger kunt reageren. Dan ben je misschien wel rechtvaardiger. Maar rechtvaardigheid zit ook in kleine dingen. Eigenlijk is alles wat je doet voor iemand anders groots, denk ik.”
27
22_Droom van_01Lx_0002.indd 27
20-05-21 08:55
INTERVIEW LEV AVITAN
28
44_Interview_06Lx.indd 28
20-05-21 08:55
‘Als ik de wereld wil veranderen, waar moet ik dan beginnen?’, vraagt religiewetenschapper en activist in spe Jasmijn Olk zich af. Ze gaat te rade bij inspirerende, eigentijdse activisten en vraagt wat hen drijft, bezint en op de been houdt.
‘Ik ben de vreemdeling’ Woordkunstenaar Lev Avitan houdt zijn publiek een spiegel voor met thema’s als identiteit en integratie. Hij wil bijdragen aan de zoektocht naar een beter verhaal voor de samenleving, waarin ook de stem van de gemarginaliseerden wordt gehoord. “Er zitten altijd barsten en scheuren in het systeem. En precies dat kleine stukje, het stukje waar we niet samenvallen met het systeem, dat geeft mij hoop. Daar zit zingeving.” TEKST JASMIJN OLK BEELD ALMICHEAL FRAAY
“M
ensen die authentiek zijn, vind ik zo mooi, zo kunstzinnig,” vertelt filosofiestudent en spoken word artist Lev Avitan (24). “In mijn kunst, mijn activisme, probeer ik vanuit mijn hele ziel een antwoord te vinden op vragen als: wie ben ik, wat doe ik hier en wat wil ik achterlaten? Ik wil anderen meenemen in mijn zoektocht naar wat het betekent om oprecht te handelen en spreken.” Wie de passie van Lev wil ervaren, hoeft enkel te luisteren naar een van zijn optredens. Bij spoken word gaat het niet alleen om de tekst die wordt voorgedragen, maar vooral ook om de manier waarop het verhaal wordt verteld. Met emotie en gevoelens die niet in woorden te vangen zijn. Dit komt duidelijk naar voren in zijn werk ‘De Vreemdeling’. Hij begint: Ik ben de vreemdeling. Ik ben de angst in je ogen, als je mij lopen ziet. Ik ben conservatief, een monoliet, onroerend, onbeweeglijk. Onverlicht want ook redelijk, doet mij niets. Assimileren komt niet voor in mijn register. Zo geldt dat ook voor syncretisme, dat eigenlijk een moeilijk woord voor geloofsverraad is. De ruimte waarin Avitan zijn stuk opvoert is zwart, een fel, wit licht schijnt op zijn gezicht. Hij spreekt met handgebaren, met stiltes, soms ingetogen en dan weer met woede in zijn stem. Aan het eind van het stuk verandert de toon. Ik ben de vreemdeling. Ik ben de buitenlander. De allochtoon die steeds weer op tv verschijnt. Ik ben samengesteld uit vooroordelen en vooringenomenheid. Ik ben berust op beelden. Meningen. En onzekerheid. Ik ben niets anders, dan jouw idee van mij.
Avitan: “Ik begin mijn optreden vaak met dit stuk. Mensen hebben dan nog niets anders van mij gehoord. Regelmatig komen na de show mensen naar mij toe. ‘Wow’, zeggen ze, ‘ik dacht even dat je serieus was’. Dat vind ik heel veel zeggen. Ik zeg dat ik mezelf zal opblazen, dat ik mijn vrouw sla, jouw dochter zal aanraken. Drie minuten lang zeg ik verschrikkelijke dingen, en jij luistert en gelooft het, omdat mijn verschijning klopt bij het beeld of idee dat je van mij hebt. Mijn hele leven ben ik veel met identiteit bezig. Wie ben ik? Ik ben een Marokkaans-Turkse Nederlander. Ik kom uit Arnhem, uit de achterstandswijk Presikhaaf. Ik ben alleen met mijn moeder opgegroeid. We zaten in de bijstand, bij de voedselbank, zij was arbeidsongeschikt. Racisme in Nederland is voor mij van jongs af aan duidelijk geweest in de manier waarop witte mensen met mij omgingen. Ik word elke dag geconfronteerd met wat de samenleving vindt van mensen zoals ik. We zijn het op straat, op internet, in de politiek. Ik heb niet het voorrecht om oogkleppen op te doen. Deze beelden komen heel dichtbij, ze dringen zich aan mij op. Ze zijn daadwerkelijk op mijn huid geschreven.” Hoe kunnen we voorbij deze vooroordelen komen? “Het resultaat van deze beelden is dat we de ander vergeten. We zijn vergeten om de ander mee te nemen in onze beleving van hem of haar. Dit kunnen we veranderen. Het begint bij het erkennen dat anderen wezenlijk anders kunnen zijn dan jij bent. Anders in hoe ze zich voelen, hoe ze dingen ervaren en hoe ze in het leven staan. Als we de ander proberen te begrijpen, zijn we hem of haar vaak onbewust aan het ‘grijpen’. Dan reduceren we de ander tot het idee dat wij zélf van hen hebben. Dit kunnen we voorkomen door de ander zelf te laten spreken, door hem of haar de ruimte te geven om zichzelf te laten zien.
29
44_Interview_06Lx.indd 29
20-05-21 08:55
INTERVIEW LEV AVITAN Voor mij begint het met de vraag: ‘Hoe kan ik jou recht doen?’. Vaak wordt gezegd dat we anderen moeten behandelen, zoals je zelf behandeld wilt worden. Maar wat als dat niet opgaat? Neem bijvoorbeeld het maken van racistische grappen. Je kunt zeggen: ik voel mij niet gekwetst in mijn witheid wanneer iemand anders grappen maakt over witte mensen. Prima, maar dat zegt nog niets over de ander. Er zijn dingen die voor jou door de beugel kunnen, maar voor de ander niet. Je doet de ander teniet, wanneer je niet luistert naar waar iemand zich zélf prettig bij voelt.” Kan spoken word daaraan bijdragen? “Tijdens het optreden ervaar ik verbinding, een connectie met mensen. Heel mijn show sta ik net op het randje van het podium. Helemaal vooraan, om zo dicht mogelijk bij het publiek te zijn. Als ik op het podium sta, kan ik mensen in hun ogen kijken en vanuit mijn hart spreken. Over racisme, de maatschappij, de toekomst, mezelf, mijn eigen onzekerheden. Dat ervaar ik als de ultieme vorm van samenzijn. We leven in een maatschappij waar we tot het individu zijn verbannen. Alsof er zoiets bestaat als een individu! Kun je jezelf voorstellen zonder alle dingen en mensen om jou heen? Wat blijft er dan nog over? In elk aspect van je leven ben je, op een radicale manier, verbonden met anderen. Ik wil de relatie laten zien tussen het persoonlijke en het maatschappelijke. Als ik op het podium sta, zie ik mensen reageren, zie ik hun gezichten, soms huilen ze. Dan ervaar ik dat we niet alleen zijn. Daar haal ik hoop uit. We zijn er nog. Het is geen verloren zaak, want we zijn er nog. We bewegen nog. Als ik die energie niet meer zou voelen, dan is de hoop verloren.” Je vertelt tijdens het optreden een verhaal. Kunnen goede verhalen de wereld veranderen? “We begrijpen onszelf, als individuen, door middel van verhalen. In een verhaal wordt beschreven hoe we ons tot elkaar verhouden, tot de natuur, tot de economie, de politiek. Het mooie van verhalen is dat we ze zelf kunnen herformuleren. Door ontmoetingen krijgen we nieuwe perspectieven, nieuwe informatie die ons verhaal kan verrijken. Iedere dag dat ik opsta, met alles dat ik lees, meemaak, de mensen die ik ontmoet, ontstaat er weer een moment van een ontmoeting. Ook als samenleving vertellen we een verhaal. Al bijna vijftig jaar lang volgen we haast religieus het verhaal van de marktwerking, de homo economicus, de moderniteit met al haar zogenaamde troeven. Een verhaal waarin bijvoorbeeld geloofd wordt dat een goede economie draait om zoveel mogelijk winst, ongeacht de schade, zoveel mogelijk vrijheid voor bedrijven en kapitaal, al gaat dat ten koste van mensen. Is dat een goed verhaal? Ik vind van niet. Het is duidelijk dat er bepaalde groepen zijn, de armen, de gemarginaliseerden, die aan de zijlijn staan. Hun stemmen worden in dit verhaal niet gehoord. Hun
stem moeten we ook opnemen in het narratief. De dominante verhalen moeten plaatsmaken voor nieuwe ervaringen, en dat doen ze door te vragen: ‘Kom, praat alsjeblieft ook mee, want alleen dan hebben we een volwaardig verhaal’. Ik wil bijdragen aan de zoektocht naar een béter verhaal voor de samenleving. Een verhaal dat verrijkt is met stemmen van alle verschillende groepen die samenleven. Een van de grootste uitdagingen voor deze dialoog en uitwisseling is dat zoveel mensen spreken vanuit hun trauma. Het is lastig om een echte dialoog te hebben met verschillende stemmen rond de tafel, als al die stemmen spreken vanuit hun wond, hun gekwetstheid. Dan wordt het geen helend gesprek. Ik merk dat hoe meer ik werk aan mezelf en mijn eigen trauma’s, hoe liefdevoller ik kan zijn naar mezelf en anderen toe. Hoe meer ik mezelf en anderen recht kan doen. Toen ik begon met activisme keek ik vooral naar buiten, naar alles wat mij daar pijn deed in de wereld. Ik vergat mijn blik ook naar binnen te keren, naar mijn eigen wonden. Hoe meer we helen, hoe vaker we kunnen spreken vanuit liefde.” Welke stemmen worden nu niet gehoord in het collectieve verhaal? “Een voorbeeld van een stem waar we niet naar luisteren, is die van de aarde, de natuur, nietmenselijke dieren. Ik kan niet om de natuur heen. Ik kan niet heen om het leed van de moederkoe waarvan het kalfje wordt weggehaald. Ik kan er niet omheen dat dit gebeurt in mijn bijzijn. En als ik er niet omheen kan, dan komt het verhaal. Dan vragen we onszelf af: ‘Wat moet ik hiermee?’. Geen enkele ethicus kan deze vraag met een eenduidige theorie beantwoorden. Daar hebben we verhalen voor nodig. Rijke verhalen, die openstaan voor alle kleuren, vormen en perspectieven. De afgelopen jaren heb ik geleerd om dit verhaal niet te willen beheersen. Ik wilde invloed uitoefenen, op de manier waarop ‘we’ het verhaal vertellen. Natuurlijk wil ik dat op een bepaalde manier nog steeds, maar
30
44_Interview_06Lx.indd 30
20-05-21 08:56
EIGENTIJDSE ACTIVISTEN ik ben mij er ook van bewust dat wanneer ik mijzelf een verhaal toe-eigen, ik voorbijga aan de ervaring van de ander. Dan herhaal ik precies dat, wat kwalijk is aan de huidige verhalen. Het enige wat ik kan doen is met mijn kunst een gevoelswereld aanstippen en een denkproces op gang brengen. Met spoken word en theater kan ik een ruimte betreden waar verhalen gedeeld en gemaakt kunnen worden. Verhalen die kunnen helen en bijdragen aan liefhebben.” Is het niet onmogelijk om een structuur te doorbreken? “Voor mij was het een bevrijding om kwalijke structuren in de samenleving te leren herkennen. Het is niet toevallig dat er meer mensen met een migratieachtergrond wonen in ‘slechte’ wijken. Mensen uit bepaalde gemeenschappen moeten écht inleveren
‘Ik hoop dat we in stand houden wat het leven zo mooi maakt: dieren en planten, menselijkheid. Nu wordt alles weggemoffeld achter cijfers, modellen, statistieken en beleid’ op levenskwaliteit, omdat wij als samenleving onze ogen sluiten voor problemen als racisme en armoede. Door boeken, muziek, de verhalen van anderen begon ik antwoorden te vinden op de vragen waar ik tijdens mijn jeugd mee worstelde. Opeens zag ik een soort logica. Dit is institutioneel racisme. Door deze structuren te kunnen zien en herkennen, voelde ik mij minder machteloos. Voor veel jongens uit mijn wijk is de zaak hopeloos. Ze stemmen niet, omdat ze denken: ‘Wat gaan wij doen tegen het systeem?’. Voor mij is ‘het systeem’ precies waar de mogelijkheden zitten. Een systeem kan nooit alles omvatten. Er zitten altijd barsten en scheuren in. Het wil overal binnendringen, maar dat lukt niet omdat wij mensen zijn. We kunnen dingen verzinnen, we zijn creatieve wezens. En precies dat kleine stukje, het stukje waar we niet samenvallen met het systeem, om daarbinnen te opereren geeft mij hoop dat het beter kan worden. Hoop en zin om te leven. Dat is voor mij zingeving. Deze hoop is wat mij ervan weerhoudt om voor de trein of van een brug te springen.”
mij te vragen of ik moslim ben, heb je mijn ervaring al gepasseerd. Je vraagt het met een bepaald idee, een veronderstelling die je al hebt. Mijn moeder is een Marokkaanse jood, dus als ik een religie zou hebben zou dat het jodendom zijn. Je bent niet de eerste die dit vraagt. Daarom gaat mijn werk ook over de islam. Ik word gezien als moslim en krijg dus ook heel veel van de Nederlandse islamofobie over mij heen.” Ben je religieus? “Mijn moeder heeft mij altijd vrijgelaten. Ik was van jongs af aan al geïnteresseerd in de religieuze teksten, maar kon mij nooit vinden in het beeld dat er van God wordt gepresenteerd. God is zo almachtig, zo perfect, onbevattelijk, en dan zou hij zich bezighouden met alle fouten die wij als mensen maken? Dat hij boos wordt om de kleine dingen die wij niet goed doen? Dat was het beeld van religie waarmee ik in de clinch zat. De structuren en macht van geïnstitutionaliseerde religie hielden mij weg van God. Mijn moeder is afgelopen juli overleden. Sindsdien heb ik een spirituele opleving gevoeld. Ik ben veel gevoeliger geworden voor een dimensie die niet logisch is, maar spiritueel. Een dimensie waarin niet alles een verklaarbare reden hoeft te hebben. Ik geloof bijvoorbeeld én dat de hemel bestaat, én dat hij niet bestaat. Ik geloof dat mijn moeder in de hemel is. Maar als jij zegt: ‘Ik ga niet naar de hemel’, dan is die er niet. Dan geloof ik dat oprecht voor jou. Daar vind ik veel rust in.” Waar hoop je op voor de toekomst? Het is even stil. “Het belangrijkste vind ik dat we geluk en welzijn op een andere manier gaan definiëren. We kunnen ons welzijn niet vergroten ten koste van het welzijn van anderen. In de goedkope spullen die we kopen kunnen we niet heen om de werkelijke prijs van uitbuiting. Ik hoop dat we in stand houden wat het leven zo mooi maakt: dieren en planten, menselijkheid. Nu wordt alles weggemoffeld achter cijfers, modellen, statistieken en beleid. Ik hoop dat we de levendigheid weer terug gaan vinden in ons begrip van geluk en welvaart. Dat we de verhalen die door de geschiedenis zijn weggestopt weer terug op het podium kunnen zetten. Wat zou er gebeuren als we zorgdragen voor alles dat leeft en pas kan opbloeien als het deze zorg krijgt? De kans is klein dat de wereld er dan hetzelfde zou uitzien als nu. Dat is waar ik op hoop.”
PROFIEL Lev Avitan (1996) is woordkunstenaar met een boodschap, theatermaker en masterstudent Filosofie aan de Erasmus Universiteit. Eerder haalde hij een opleiding Muziek aan het Rijn IJssel, een propedeuse leraar geschiedenis en een bachelor filosofie in Nijmegen. Hij staat regelmatig op het podium, onder andere bij grote festivals als Lowlands en Down The Rabbit Hole, en geeft workshops.
Hoe lastig het is om over beeldvorming heen te stappen en de ervaring van de ander centraal te stellen, ervaar ook ik tijdens het gesprek. Ik merk dat ik het lastig vind om Avitan naar zijn religieuze achtergrond te vragen. Dat is toch helemaal niet belangrijk in het verhaal dat hij vertelt? Ik doe het toch. “Identificeer je jezelf als moslim?”, vraag ik. Avitan antwoordt: “Door
31
44_Interview_06Lx.indd 31
20-05-21 08:56
21VOL006_ADVERTENTIES.indd 32
18-05-21 12:51
COLUMN DIRK VAN DE GLIND BEELD LARS VAN DEN BRINK
De vrijheid van Olga Misik
I
n de zomer van 2019 is in Moskou de oproerpolitie op de been om protesten tegen het bewind de kop in te drukken. De 17-jarige Olga Misik zit in kleermakerszit op straat met een exemplaar van de Russische grondwet in haar handen. Agenten komen dreigend op haar af. Dan slaat ze het boekje open en zegt: ‘Ik zal vier artikelen voorlezen uit onze grondwet: over het recht op vreedzaam protest, over vrije verkiezingen, over het recht op vrijheid van meningsuiting en over zelfbeschikking’. De agenten weten niet wat ze met haar aan moeten, maar later wordt Olga toch opgepakt en een dag vastgehouden. Een jaar later hoort ze na nieuwe protesten twee jaar ‘beperkte vrijheid’ tegen zich eisen en verklaart ze voor de rechtbank: ‘Op een dag zullen wij zegevieren omdat liefde en jeugd altijd zegevieren’. De manier waarop Olga Misik opkomt voor vrijheid nodigt tot reflectie op de wijzen waarop vrijheid wordt gepropageerd en nagestreefd. En op het wezen van vrijheid zelf. Er zijn er nogal wat die zich in onze samenleving opwerpen als verdedigers van de vrijheid en luidkeels te kennen geven dat zij geen gehoor wensen te geven aan wat op democratische wijze besloten is. Er zijn zelfverklaarde vertegenwoordigers ‘van het volk’ die er niet voor terugdeinzen tot in de Tweede Kamer toe te schofferen en te grieven onder het mom van vrijheid van
meningsuiting en beweren dat we in een schijndemocratie leven die in feite een dictatuur is. Dat ze dit kunnen zeggen zonder opgepakt te worden, toont niet alleen aan dat ze schromelijk overdrijven, maar ook dat hen ontgaat wat vrijheid betekent. En meer nog: wat ze vráágt. Vrijheid betekent verantwoordelijkheid. Daarom zijn de meeste mensen er bang voor, zei George Bernard Shaw (1856-1950). Het komt me voor dat de drieste verdedigers van vrijheid hun standpunt zo weinig bescheiden voor het voetlicht brengen doordat ze geen oog hebben voor de verantwoordelijkheid die zij met zich meebrengt en waarzonder zij tot een karikatuur wordt. Jean Paul Sartre (1905-1980) zag dit haarscherp toen hij tijdens de Neurenberger processen vele nazi’s hun verantwoordelijkheid hoorde ontkennen met de woorden Befehl ist Befehl. Hij kwam tot het boude standpunt dat vrijheid weliswaar alom wordt nagestreefd, maar in feite een enorme last is: ‘Wij zijn gedoemd tot vrijheid’. Volgens Sartre ontkomen we nooit aan onze vrijheid. Ook als we met een geweerloop op ons hoofd de opdracht krijgen een kind dood te schieten, hebben we volgens hem de vrijheid ons hachje te redden met een moord op ons geweten óf als integer mens de dood in te gaan. Maar deze vrijheid durven maar weinig mensen aan, vandaar dat we volgens Sartre ‘mislukte goden zijn met het bloed van onschuldigen aan onze handen’.
Vrijheid is ook in het Oude Boek niet los verkrijgbaar; altijd gaat ze samen met verantwoordelijkheid. Met een feilloos gevoel voor deze samenhang worden de Tien Woorden ingezet met de bevrijding uit de slavernij. Bevrijding is het grote project van het Oude Boek, maar alomtegenwoordig is daarbij de gedachte dat het niet in de eerste plaats gaat om bevrijding van machten búíten onszelf, maar om bevrijding van misleidende machten bínnen onszelf. Of wellicht juister: bevrijding van wat we voor ons eigenbelang aanzien, maar dat ons juist belemmert in de ontplooiing van onze menselijkheid. Een gewaagde uitleg van de besnijdenis maakt dit extra duidelijk. Als er iets is dat symbool kan staan voor het najagen van de eigen geneugten is het wel het mannelijk geslachtsorgaan. De besnijdenis zet een streep door de rekening van het platte eigenbelang en dat komt allereerst degene die het aangaat ten goede. Omdat wie rücksichtslos zijn zin doet niet vrij is maar slechts slaaf is van zijn driften. Waarachtige vrijheid begint met de innerlijke vrijheid van mensen die wat zij in anderen veroordelen in zichzelf herkend hebben. Olga Misik heeft laten zien dat zij hiervan weet. Dirk van de Glind was docent Levensbeschouwelijke Vorming. Hij schrijft en geeft lezingen over religie, cultuur, samenleving en zingeving. www.dirkvandeglind.nl
33
11_Column_01Rx.indd 33
20-05-21 08:57
INTERVIEW JANNEKE STEGEMAN
Op zoek naar een nieuw christendom
‘Ons christendom is geen koek en ei, het is niet onschuldig’ De levensweg van voormalig Theoloog des Vaderlands Janneke Stegeman is er een van bevrijding, van verlegenheid, vooroordelen en opgelegde verwachtingen. Een portie zelfreflectie die ook het christendom goed kan gebruiken. “We denken dat we aan de goede kant zitten, maar het christendom is niet onschuldig.” TEKST PAULINE WESEMAN BEELD ENIS ODACI
34
66_Interview_02Lx.indd 34
20-05-21 08:58
Journalist en religiewetenschapper Pauline Weseman zoekt naar een nieuw christendom, buiten de gebaande paden. Ze interviewt medezoekers over hun kantelpunten die hun geloofsvisie cruciaal veranderde.
35
66_Interview_02Lx.indd 35
20-05-21 08:58
INTERVIEW JANNEKE STEGEMAN
L
aatst nog, in de vastentijd, ging Janneke Stegeman publiekelijk aan de slag met haar chaotische kant. Het was voor de podcastserie ‘Janneke & Jonatan gaan 40 dagen diep’. Die ongestructureerde kant houdt ze graag in stand, geeft de theoloog toe. “Als alles zo geregisseerd en gepland is, ben ik bang saai te zijn en dat het leven saai wordt.” Het is een van de vele opgelegde beelden waar Stegeman zich van wil bevrijden. Dat maakte haar vooral geloviger. In het zonovergoten zolderkantoor in Vleuten keert Stegeman zich met enige gêne binnenstebuiten. Je groeide op in de Gereformeerde Kerk synodaal. Wat kenmerkt jouw religieuze opvoeding? “Het geloof was onnadrukkelijk aanwezig. Mijn ouders spraken er niet veel over. We gingen naar de kerk, baden voor het eten en lazen uit de kinderbijbel. Ik groeide op in een christelijk dorp, Woudenberg. Wij waren licht gelovig in vergelijking tot de rest. Er werd voortdurend gemeten hoe christelijk je was, in subtiele dingen. Je mocht geen zalig zeggen, niet op zondag naar een pretpark. Je werd voortdurend ingedeeld, naar de grootte van je gezin, je kleding. Het voelde beklemmend, maar ik vond het ook fascinerend, wilde het begrijpen.” Had je zelf iets met het geloof? “Ik was geen erg religieus kind, maar had wel altijd vragen. Als kleuter vroeg ik al aan mijn moeder hoe het kan dat ze in Ethiopië honger hebben maar ook schietgeweren, vanuit een basisgevoel dat het niet klopt. Uitsluiting raakte me. Nadat een dominee in een preek als een refrein herhaalde hoe verschrikkelijk homoseksualiteit was, werd ik zo kwaad dat ik die man erop aansprak. In mijn puberteit ging het geloof meer voor me leven. We woonden inmiddels in Ter Aar. Een leuke nieuwe dominee maakte veel ruimte voor de jeugd. In de jeugddiensten daar vond ik het leuk op te zoeken waar het prikkelend werd. Zo speelde ik dat ik in nachtpon ontwaakte in een bed op het podium. Ik vond dat leuk, al vonden mensen dat misschien niet passend. Daarom houd ik zo van theater, het werkt bevrijdend. Die diensten waren voor mij ook een ontlading. Ik leed onder mijn verlegenheid en was nogal van slag van dingen die gebeurden in mijn familie. Mijn oma kreeg een depressie, een zus van mijn oma overleed aan zelfdoding en in diezelfde tijd – ik was 15 – verongelukte een neef. Ik vond het niet eerlijk, werd somber, was lang bang dat ik ook depressief zou worden. Ik vond het moeilijk me te uiten, kropte veel op. Die eenzaamheid maakte dat ik mij wat afgesloten voelde van mijn leeftijdsgenoten. Ik herinner me hoe ik op de avond na de begrafenis van mijn neef met een vriendin meeging naar een evangelische dienst. Ik trok die blije vorm van geloven niet. Het voelde erg opgelegd en klopte totaal niet met mijn stemming. Die andere kant van geloof trok me altijd meer: hoe ga je ermee om als het tegenzit, niet klopt?”
Een rode draad in je leven is je inzetten tegen ongelijkheid, racisme en uitsluiting. Je zou denken dat je als hoogopgeleide, witte hetero aan de goede kant van de streep zit. Waar komt dat strijdbare vandaan? “Ik denk omdat ik het gevoel van niet bij de norm passen goed herken. Ik verbaas me erover dat er überhaupt een norm ís. Wat is normaal? Ik wilde als meisje een jongetje zijn. De verwachtingen die mensen in mijn conservatieve dorp bij meisjes hadden, klopten niet met hoe ik mij voelde. In het dorp was een duidelijke indeling van wat mannen en vrouwen doen. De man was dominee en hoofd van de school. Waarom deden mannen alle interessante dingen? Ook zoiets: qua cijfers kon ik naar het gymnasium maar dat was iets voor kakmensen dus dat was geen optie. Terwijl ik het gymnasium heel leuk had gevonden, ik vond Grieks en Latijn fantastisch.” Voor je studie theologie leerde je die klassieke talen alsnog. Wat deed die studie met je geloof? “Ik zat in een serieuze groef. Ik wilde alles begrijpen maar durfde niets te vragen. De vragen stapelden zich op in mijn hoofd. In het tweede jaar richtte ik een studievereniging op waarvoor ik docenten uitnodigde voor gesprekken over waar ik mee zat. Ik hing briefjes op van een fictieve student in een geloofscrisis:
‘Jeetje, je kunt dus gelovig zijn, zoeken naar rechtvaardigheid en superkwaad zijn’ ‘Student in nood’. Ik was niet echt in nood, maar er was wel een angst: misschien raak ik het allemaal kwijt. De Bijbel bleek veel complexer dan ik dacht. Ik leerde dat een eerdere versie van Marcus stopt bij de vrouwen die bij het graf staan en bang zijn, de opstanding is er later achter geplakt. Dat verwarde me, maar ik vond het ook interessant en verrijkend te ontdekken dat de Bijbel zo ambigu is. Eigenlijk is dit einde van Marcus veel spannender. Er volgden meer ontdekkingen: het piepkleine vak feministische theologie van Lieve Troch was de hemel. Daar leerde ik dat theologie een bron voor verzet en bevrijding kan zijn, hoe je kritisch kunt zijn, hokjes open kunt breken. Het verhaal wordt gelezen als een verhaal over dienende vrouwen, maar zij liet zien dat Martha en Maria typologieën zijn voor centrale functies in de gemeente. Briljant.” Je vond de ontwikkeling van de traditie zo boeiend dat je promoveerde op het Oude Testament en voor anderhalf jaar naar Jeruzalem vertrok. Daar las je met Palestijnse vrouwen conflictteksten uit de Bijbel. Hoe raakte dat aan jouw leven? “Wat die teksten spannend maakt is niet alleen dat ze verbonden zijn met het zionisme en dus met hedendaags conflict, maar dat ze ook door
36
66_Interview_02Lx.indd 36
20-05-21 09:00
NIEUW CHRISTENDOM
conflict zijn gevormd. Daar zit discussie in en machtsverschillen, machtsmisbruik. Palestijnen hadden veel meer oog voor die spanningen in de tekst. Dat willen ontdekken zegt veel over mij. Ik vind conflict heel spannend. Mijn vader is driftig, mijn moeder temperamentvol. Ik ben het allebei. Mijn moeder dacht dat het het beste was mij daarin af te remmen. Met goede bedoelingen, maar ik leerde me in te houden en mijn vurige, uitbundige kant te verbergen. Thuis lukte dat niet, ik ging juist wel de confrontatie aan met mijn vader. Ik voelde onbewust aan dat ik van het Israëlisch-Palestijnse conflict iets kon leren. Toen ik ging lezen met Palestijnse vrouwen waren die gewoon kwaad, op die teksten, op de bezetting. Dat deden ze op een geloofwaardige manier die recht deed aan de situatie, gevoed vanuit hun drang naar rechtvaardigheid, verbonden met hun geloof. Ik dacht: ‘Jeetje, je kunt dus gelovig zijn, zoeken naar rechtvaardigheid en superkwaad zijn’. Ik realiseerde me: ik ben gewoon gelovig. Dit is het, dit is wat ik wil doen. In tegenstelling tot een christendom dat conflict onder het tapijt schuift of macht legitimeert, was het voor deze vrouwen een bron van verzet en verandering. Ze zochten geen mooie, verzoenende uitleg.”
Dat klinkt als een bevrijding. “Zeker. Ik zat qua geloof altijd op het intellectuele spoor, raakte in mijn studie al door de bevrijdingstheologie geïnspireerd, maar in Jeruzalem ging echt het licht aan. Ik begreep dat geloof voor mij om bevrijding gaat. Ik kwam tot leven, dacht: wat kan ik hier veel doen. Ik ontmoette mensen uit verschillende culturen, leerde Arabisch. Het was een ontdekkingsreis naar hoe ook ik gevormd ben door een automatisch christelijke identificatie met de Joden als het volk van God. Ook ik kijk door een bepaalde bril. Die visie klopt niet, ik heb dingen over het hoofd gezien, verkeerd geïnterpreteerd. Ik wilde dat onderzoeken, hoe we naar de staat Israël kijken, dat zelfs in die Israëlliefde antisemitisme doorwerkt, omdat joden een rol moeten spelen in een christelijk verhaal. Ik ontdekte bij mezelf vooroordelen over de Palestijnen, dat ze gewelddadig zouden zijn, dat ze in essentie anders zijn dan wij. Ik werd me ervan bewust dat racialisering daar een rol speelde. We vierden met vrienden uit allerlei culturen elkaars feesten, zo ook Sinterklaas. Toen ik in mijn uitleg bij Zwarte Piet kwam, bekeek ik dat verhaal ineens door hun ogen en dacht: dit klopt niet. Terug in Nederland, keek ik anders naar ons leuke vooruitstrevende land, zag ik hoe racisme ook hier een
37
66_Interview_02Lx.indd 37
20-05-21 08:58
INTERVIEW JANNEKE STEGEMAN
38
66_Interview_02Lx.indd 38
20-05-21 08:59
NIEUW CHRISTENDOM rol speelde. Ik ging me verdiepen in de rol die kerk en theologie hebben gespeeld in de ontwikkeling van dat racisme.” Dit bracht je op het spoor van postkoloniale theologie. Je las in 2014 met de theologen Mariecke van den Berg en Matthea Westerduin Indecent theology van de Latijns-Amerikaanse theologe Marcella Althaus-Reid, over een hedendaagse vorm van bevrijdingstheologie. Wat bracht je dat? “Dit boek hielp me nog scherper te zien dat we rond lichamelijkheid en seksualiteit ook bevrijding nodig hebben. Althaus-Reid schrijft hoe we bevrijding nodig hebben van beperkende hokjes en oordelen over onszelf en anderen. Lichamelijkheid en seksualiteit waren voor mij een thema. Omdat ik me een jongetje voelde, zocht ik naar een vorm van vrouwelijkheid die bij me past. Ik was niet expliciet opgevoed met geen seks voor het huwelijk als norm, maar merkte toch dat ik na mijn eerste seksuele ervaring dacht dat ik voor de rest van mijn leven bij deze jongen moest blijven. Ik merkte hoe ik het nodig had mezelf te bevrijden van schuldgevoelens, te zeggen dat ik een seksueel wezen ben, dat uitproberen prima is.”
‘Als je de lieve vrede bewaart, wordt er altijd iemand de dupe van’ Je schreef in een column dat je ook tegen beelden van het moederschap aanliep tijdens je zwangerschap. “Ja, het moederschap leek me niks voor mij. Mede omdat een ex-vriendje eens zei dat ik een egoïstische moeder zou zijn, maar vooral vanwege beelden die ik had. Toen ik zwanger werd, schrok ik me rot en dacht: ‘Nu ben ik nooit meer alleen’. Ik ben heel graag alleen. Ik was bang mezelf te veel in te leveren, bang voor burgerlijkheid. Het was of die hele stortvloed van verwachtingen over traditioneel moederschap over me heen werd gestort. Nu moet ik er ook aan geloven. Ik zag er tegenop, de zwangerschap was zwaar, bij de bevalling leek het er even op dat het misging. Op het moment dat ze Omar voor het eerst op mijn buik legden, waren alle aarzelingen en opgebouwde beelden weg. Zijn komst was een openbaring, groter dan ik kon bevatten. Het blijkt geen inbreuk maar voelt als een uitbreiding van mezelf. Omar brengt mij in contact met mijn vrolijke, speelse, zachte kant. En ik ontdek dat ik best een leuke moeder ben.” Dat zijn ondanks een licht christelijke opvoeding toch aardig wat bevrijdingen. “Ja, ik ben best ver gekomen, haha. Het komt voort uit een sterk verlangen naar vrijheid en bewegingsruimte. Geloof inspireert mij daarin, gaat voor mij heel sterk over bevrijding, en daarom over mijzelf, over wat ons
bezighoudt, voor mij van waarde is en waar ik mij aan wil verbinden. Dat gebeurt vooral in de wisselwerking tussen mensen, in het ritueel van brood en wijn, de leessessies. Daar opent zich vanuit de bestaande traditie iets dat nieuwe betekenis krijgt, ruimte geeft.” Zijn we op weg naar een nieuw christendom? “Geloof is voor mij geloof als het zich steeds vernieuwt en dat zie ik niet altijd. In de politiek zie ik een beweging die zich ook baseert op het christendom en moslims ziet als bedreiging. Dat baart mij zorgen. Ik vind dat christenen er niet scherp genoeg op zijn dat er een wit christendom is ontstaan dat verbonden is met kolonialisme, racisme en antisemitisme. We doen vaak of alles koek en ei is, of we aan de goede kant zitten. We zijn het ons niet bewust, maar het is geen koek en ei, het is niet onschuldig.” We zouden op weg moeten zijn naar een nieuw christendom? “Ja. Ik wil geen nieuw calvinisme invoeren, maar wil mensen uitnodigen kritisch te onderzoeken hoe we onderdeel uitmaken van onderdrukking van anderen en ons te bevrijden van die beelden van onschuld. Als je de lieve vrede bewaart, wordt er altijd iemand de dupe van, net als bij mij thuis vroeger. Het moet mogelijk zijn dat iedereen toegang heeft tot een plezierig leven waarin iedereen voor vol wordt aangezien. Het maakt het leven zoveel rijker.” Hoe zie je jouw rol hierin? “Soms denk ik: ik sla nog geen deuk in een pakje boter. Racisme werd ook los van mijn invloed een thema. Het meest betekenisvolle vind ik van individuen te horen dat ze door mij ruimte kregen voor wat zij waardevol vonden. Dan ben ik heel gelukkig.”
PROFIEL Janneke Stegeman (1980, Woudenberg) is bijbelwetenschapper en theoloog. Ze publiceert, spreekt en doceert als freelancer. Ze woont in Vleuten met partner en zoon Omar (1). Stegeman studeerde theologie aan de Vrije Universiteit, promoveerde daar in 2014 op de rol van conflict in de ontwikkeling van religieuze traditie. Van 2016 tot 2017 was zij theoloog des Vaderlands. Ze richtte het Genootschap voor Onbetamelijke Theologie (GeNOT) op en schreef de boeken Heb Je Hem Weer, 24 preken voor sceptici en andere gelovigen en Alles Moet Anders. Bevrijdingstheologie voor Witte Nederlanders. Ze maakte een podcastserie met Jonatan Bartling van zingevingscommunity Zinnig Noord in Amsterdam.
Naast deze serie verschijnen in Trouw reportages over dit thema. De Vrije Universiteit Amsterdam helpt mee in de theologische duiding.
39
66_Interview_02Lx.indd 39
20-05-21 08:59
ESSAY
VERLIEFD OP GOD – OF HOE DAT HEET In zijn onlangs verschenen boek Brandend verlangen – om op te gaan in God/Liefde vertelt Wim Jansen over dagelijkse Godervaring: mystiek van alledag. Wat houdt die Godervaring in? Waarom vergelijkt hij het met verliefdheid? Werkt God als neurotransmitter? En in de erotiek? Welke teksten inspireren hem? Waarom blijft hij het woord ‘God’ gebruiken? Dat alles in een jaar van corona-ellende. En kanker. TEKST WIM JANSEN BEELD PIXABAY (40), FILOU VAN DE VELDE (41)
E
en mens is op aarde om verliefd te zijn. Dat is de sfeer die ik in mijn boek wil uitstralen. Maar we zien het breed: verliefd op het licht, het groen, de dieren, landschappen... Het is mijn ervaring van jongs af aan. Uit deze verliefdheid op het leven is mijn Godervaring voortgevloeid. Mijn levensloop met God wordt gekenmerkt door die permanente gloed. De ontdekking van schoonheid in mijn puberteit liet zich als vanzelf verbinden met het woord ‘God’. Dat woord ontsprong als het ware als een soort lofprijzing aan de verwondering die ik ervoer in de natuur. Later werd dat uitzinnig verdiept in de ontdekking van de liefde van mijn leven, die ik in het boek Naomi noem. Toen wij – tijdens een excursie met de godsdienstleraar – een nonnenklooster bezochten werd die koppeling tussen God en verliefdheid nog eens expliciet benoemd door een van de kloosterlingen. Op mijn vraag hoe ze haar leven met God ervoer zei ze zonder blikken of blozen: “Het is of je doorlopend verliefd bent.” Dat antwoord is me altijd blijven inspireren. Aan het woord ‘verliefd’ voegde zich als vanzelf het beginrijmwoord ‘verlangen’ toe. Zo blijven dan: God, verlangen en verliefdheid. Een drievoudig snoer wat mij betreft, dat ik onderbreng in het woordpaar God/Liefde.
Wie serieus verliefd is, brandt vanbinnen. Hij teert op een innerlijke gloed. Van jongs af aan heeft het woord ‘God’ dat in mij wakker geroepen. Een gevoel van intense vrede. Als jongere natuurlijk niet doorlopend, integendeel, heel fragmentarisch. Momenten. Maar daarom niet minder intens. Ik onderging het lijfelijk. Fysiek in mijn hoofd. Een warmte in mijn brein. Zonder dat ik het toen zo kon benoemen moet het liefde zijn geweest. En liefde produceert het stofje dat onze hersenen nodig hebben. Het stofje dat ons in de ruimte en in het licht zet. God/
Liefde is de beste neurotransmitter. Ik ervaar het nog steeds zo als ik mediteer. Ook in de erotiek zet God/Liefde zich voort als lijfelijkheid. De lijfelijke erotische gevoelens laten zich vergelijken met de geestelijke Godervaring. Een orgasme kan als ‘zalig’ worden beleefd en maakt iets als lofprijzing wakker. Het zijn dingen die ik in mijn boek benoem omdat de seksualiteit in onze samenleving verdieping en bezieling nodig heeft. De extase van Bernini’s heilige Theresa wekt onverbloemd de associatie met een orgasme. Terecht. Erotiek en mystiek zijn geen gescheiden werelden. OERWOET Over het algemeen reserveren wij verliefdheid voor de uitzonderlijke perioden in ons leven, bijvoorbeeld in de puberteit of tijdens een latere, veelal ongewenste opflakkering van onze hormonen. Wij zijn niet gewend om verliefdheid een plaats toe te kennen als permanent levensgevoel. Toch is dat precies waar ik voor pleit. Daartoe moet ze echter geworteld zijn in een diepere laag van liefde. Een duurzame bron die ik God noem. Een bron waaraan je kunt vertoeven, oefenend in permanente verliefdheid. Inspirerende teksten kunnen daarbij helpen. Een paar voorbeelden. Ik denk aan Psalm 63, een hunkerend liefdesgedicht in de nacht, waarin zowel de mystieke als
40
22_Droom van_01Lx.indd 40
20-05-21 09:07
GODERVARING dat woord zit alles: oer, woede, brandend verlangen. Precies wat ik in de titel van mijn boek heb willen weergeven.
de erotische component voelbaar is: God, jij bent mijn God, jou zoek ik, naar jou smacht mijn ziel, naar jou hunkert mijn lichaam in een dor en dorstig land, zonder water. […] Liggend op mijn bed denk ik aan jou, wakend in de nacht prevel ik jouw naam. […] Ik ben aan jou gehecht, met heel mijn ziel.’ Is hier een verliefd iemand aan het woord of niet? Ik denk ook aan de middeleeuwse mystica/dichteres Hadewych met haar verzuchtingen naar de minne, de liefde in en van God, die ze als een persoon met een eigennaam aanspreekt: Minne. Ic groete dat ic minne Met miere herten bloet. Mi dorren mine sinne Inder minnen oerwoet. Net zo smachtend als Psalm 63, hartenbloed, dor en dorstig. En dat prachtige woord oerwoet. In
ANDERS SPREKEN OVER GOD Etty Hillesum, met het hartstochtelijke aanhalen van haar ‘mijn God’, sluit hier naadloos op aan. Maar er is een verschil. Voor haar was het woord ‘God’ geen vanzelfsprekendheid. Ze ging in eerste instantie niet uit van God of het bestaan van God, maar van een ervaring. Ik noem het nu maar: een ervaring van verliefdheid. Ze laat niet na telkens weer van die ervaring te zeggen: dat noem ik God. God is bij haar niet een wezen, maar een woord voor een innerlijke bron van liefde. Het is een copernicaanse wending in het gebruik van het Godwoord. Het voert hier te ver om er dieper op in te gaan maar de theologische term voor dit andere spreken over God is: anatheïsme. Voor veel mensen een bevrijdende manier om God ter sprake te brengen, zoals ik dat ook in Brandend verlangen praktiseer. Een voorbeeld: ‘In een tv-uitzending vertelde Dione de Graaff over het fatale ongeluk dat haar vriend Chris Götte, drummer van Blöf, jaren geleden overkwam, wat dat met haar heeft gedaan en nog altijd doet. Ook bracht zij het recente overlijden van haar vader ter sprake. Deze ervaringen met de dood hebben haar veel kracht gegeven. Het riep ook een vraag bij haar op: ”Je hoort mensen die geloven ook wel praten over kracht, maar dan dat ze die van God krijgen. Wat ik me afvraag is of dat misschien hetzelfde is. Of de kracht
die ik heb opgebouwd hetzelfde is als wat zij aan God toeschrijven…” Ik vraag het me niet af. Ik weet het wel zeker. Dat dat hetzelfde is. Wat doorgaans als ‘God’ wordt beschouwd, is niets anders dan een kwestie van naamgeving.’ OF HOE DAT HEET Tenslotte Hans Andreus, de lievelingsdichter van mijn jeugd, die zich niet voor niets profileerde als ‘een dichter van liefde’. Hij ziet in de meeste gevallen af van het gebruik van het woord ‘God’. Heel veel van zijn gedichten worden gekenmerkt door een roes van liefde. Een zuidelijke sfeer van speelsheid en zonovergotenheid. Een mens op aarde om verliefd te zijn. De metafoor die hij aanwendt om het geheim van zijn leven te duiden is: Licht. Hij weet zich voortgekomen uit en bestemd tot het licht. Maar ook die metafoor is inwisselbaar: Gelukkig dat het licht bestaat en dat het met me doet en praat en dat ik weet dat ik er vandaan kom, van het licht of hoe dat heet. Zo heb ik in Brandend verlangen mijn lichtspoor willen uitzetten. In de corona-ellende en de kanker van alledag. Een spoor van verliefdheid op God – of hoe dat heet.
PROFIEL Wim Jansen (1950) is emeritus predikant van onder meer de vrijzinnige Koorkerkgemeenschap in Middelburg en schreef van mei 2019 tot en met mei 2020 over ‘mystiek van alledag’. In dat coronajaar kreeg hij eveneens te horen van een ongeneeslijke kanker. Deze maand verschenen zijn bevindingen: Brandend verlangen – om op te gaan in God/Liefde. Zie ook www.wimjansen.nu.
41
22_Droom van_01Lx.indd 41
20-05-21 09:07
INTERVIEW GER GROOT
42
44_Interview_07Lx.indd 42
20-05-21 09:23
De secularisatie heeft veel individuele vrijheid gebracht, maar ook verschraling en zoeken naar zin. Kunnen christelijke waarden en rituelen bezieling brengen in de seculiere cultuur? Journalist Willem Pekelder legt deze vraag voor aan gelovige en ongelovige deskundigen.
Rituelen geven je een thuis in het kille universum In dit derde deel van de nieuwe serie ‘Christelijke waarden en seculiere cultuur’ gaat Willem Pekelder in gesprek met filosoof Ger Groot. Wat kunnen we opsteken van christelijke rituelen? Waartoe hebben we überhaupt rituelen, waarom zijn ze belangrijk en hoe vernieuwen ze zich? “Rituelen scheppen orde. Altijd en overal.” TEKST WILLEM PEKELDER BEELD ENIS ODACI
F
ilosoof Ger Groot (67) is een bijzonder soort atheïst. Eentje die, in zijn eigen woorden, “heel veel van de kerk houdt”. Dat is in zijn geval de katholieke kerk, waarin hij werd grootgebracht. “Ja, ik zou het erg vinden als de kerk verdwijnt, al acht ik de kans daarop vooralsnog uiterst klein. De kerk ontroert mij, alleen al door hoe ze het hoofd boven water probeert te houden in tijden van secularisatie. Religie betekent voor mij een herinnering aan onze aardsheid. Wel, de katholieke kerk is overtuigend aards. Dat zie je bijvoorbeeld aan het fysieke van haar rituelen.” De seculiere wereld kan veel van de kerk opsteken, meent Groot. “Je welkom weten in de werkelijkheid, je opgenomen voelen in een gemeenschap. Alsook: wat is het mechanisme dat een gemeenschap tot gemeenschap maakt? En dan kom je vanzelf ook bij rituelen uit.” VERSCHILLIG Een ritueel neemt je op in een geheel van handelingen die het leven ritme en betekenis verlenen, legt Groot uit. “De rite geeft je een nieuwe plaats in de realiteit: van onverschillig naar verschillig. Het kille universum wordt plots een ruimte waaraan je betekenis kunt hechten en waarin je je thuis kunt voelen. Dat geldt zowel voor godsdienstige als seculiere rituelen. Het gezamenlijk zingen van liederen in het voetbalstadion of het tonen van de cup bevestigen dat jouw club de beste is. De handeling zelf, de ceremonie, sticht gemeenschap. Datzelfde zie je tijdens de 4-meiherdenking.” Veel rituelen zijn geworteld in de kerk. Toen Groot als student voor het eerst een puur burgerlijk huwelijk
meemaakte – tot dan toe was er ook altijd een kerkelijke viering, waaraan hij als koorzanger van de Dominicusparochie in Amsterdam dikwijls meewerkte – stelde hij tot zijn verbazing vast dat de ceremonie een regelrechte kopie was van een christelijke huwelijksvoltrekking. “God was vervangen door de Staat en de priester of dominee door de ambtenaar van de burgerlijke stand, die ook een preekje hield. De woordkeuze – ‘Wij zijn hier vandaag bijeen’ – en het samen zingen na de ceremonie, het heeft in de vorm alles van een huwelijkssluiting in de kerk. En er wordt steeds opulenter getrouwd. Kennelijk hebben we behoefte aan ceremonieën die geënt zijn op datgene wat al bestaat. Telkens komt het neer op een gemeenschap die bijeenkomt en zichzelf plant in een geschiedenis van generaties.” Sec gesproken is een ritueel ‘leeg’, denkt Groot. Het verwerft pas gewicht in de voltrekking. “Neem de communie of het avondmaal. Op zich betekent het niets: je krijgt een stukje brood en eet het op. Maar doordat het is ingebed in een rituele context kríjgt het relevantie. Om te beginnen: de relevantie dat het is opgenomen in een rituele context. Dat is bijna een tautologie. Toen mijn ouders in 2013 zestig jaar waren getrouwd en dat vierden met een mis in Amsterdam-West, ben ik welbewust te communie gegaan. Ik ben atheïst op metafysisch vlak, maar als het op het existentiële aankomt hartstikke katholiek. Bovendien, ik heb verdorie recht op de communie, want ik ben ooit katholiek gedoopt.” De communie ontvangen, een kruisje slaan, het katholieke geloof speelt zich grotendeels af in het materiële, meent Groot. “Religie wordt vaak gezien
43
44_Interview_07Lx.indd 43
20-05-21 09:23
INTERVIEW GER GROOT als iets geestelijks. Als je dat en dat maar vindt, ben je gelovig. Maar ik denk dat het om de oppervlakte gaat. Het draait niet om de gedachte, maar om de handeling. Door die handeling, het ritueel, ervaar ik de kosmos als een plaats waarin ik thuis ben.” VERNIEUWING Rituelen horen bij mensen en zijn daardoor steeds aan vernieuwing onderhevig. Ook in de kerk. Groot: “Ofschoon de katholieke kerk graag beweert dat alles bij haar van eeuwigheidswaarde is, is de vredesgroet, waarbij gelovigen elkaar op een bepaald moment in de mis de hand reiken, toch echt betrekkelijk nieuw. Persoonlijk heb ik niets met die handdruk. Ik maakte het pas in Spanje mee bij een uitvaartmis. Zo’n gebaar doet mij te veel denken aan de verplichte foxtrot varié op familiefeestjes.” Je kunt nieuwe rituelen ‘uitvinden’, zegt Groot, maar of ze beklijven, dat wil zeggen een band scheppen tussen jou, je verleden en je toekomst, dat heb je niet in de hand. “Rituelen zijn in die zin niet maakbaar. Er zijn er genoeg uitgeprobeerd en vervolgens toch weer verdwenen. Bijvoorbeeld het ‘ritueel’ om de trouwbelofte oneindig uit te breiden, tot bij wijze van spreken de toezegging om elke avond de pantoffels van je lief bij het haardvuur te zetten.”
‘Datgene wat uit het ritueel opdampt is: wij vormen een gemeenschap die ons individuele zelf overstijgt’ In de protestantse kerk is het sinds zeer recent mogelijk een ritueel te ondergaan bij de transitie van man naar vrouw of omgekeerd. Groot begrijpt dat: “Het is een moment in een mensenleven dat als het ware vráágt om een rituele inbedding. Je gaat het ene leven uit en het andere in, een rite de passage. Je zit met andere woorden in een overgang, en die zijn altijd hachelijk. Omdat er heel wat op het spel staat, moet zo’n transitie worden omkaderd door een ritueel dat zekerheid en houvast biedt. Zoals dat, mutatis mutandis, ook bij een geboorte het geval is: het kind wordt met een teken – in de christelijke cultuur is dat de doop – aan de natuur onttrokken en vermenselijkt, dat wil zeggen: het wordt drager van rechten en bekleder van een plaats binnen de menselijke orde.” Ook buiten de kerk staan deskundigen klaar om mensen met rituelen te assisteren tijdens kantelmomenten in het leven, bijvoorbeeld huwelijk of dood. Groot: “Vaak zijn die rituelen een mengsel van verschillende levensbeschouwingen: een beetje boeddhisme, een snufje I Tjing en de brief van Paulus aan de Korinthiërs. Oneerbiedig zou je het knutselwerk kunnen noemen. Maar laat ik er niet al te schamper over doen. Je zult maar religieloos zijn opgevoed en de geboorte van je eerste kind
vorm willen geven, dan ga je toch op zoek naar dit soort rituelen. Als je gepokt en gemazeld bent in de Gregoriaanse zang, komt het misschien wat armelijk over, maar het is in elk geval beter dan niets. Bovendien komt het verlangen voort uit een authentieke behoefte, namelijk om een belangrijk moment in het leven te markeren in een gemeenschappelijke viering.” PURISME “Ik ben een beetje teruggekomen van mijn purisme wat dat betreft. Er is een beroemd verhaal van Pascal die iemand ontmoet die katholiek wil worden. ‘Wat moet ik daarvoor doen?’, vraagt de man. Pascal antwoordt: ‘Ga iedere dag naar de kerk, sla een kruisje met wijwater, dan komt de rest vanzelf’. Wat Pascal bedoelt is dat zo’n ritueel aanvankelijk misschien weinig te zeggen heeft, maar door de herhaling betekenis krijgt, waarna de bekeerling een transformatie ondergaat. Datzelfde gebeurt denk ik ook met mensen die een nieuw geboorteritueel meemaken. Ze worden geraakt door de kracht van de ritualiteit en, bij dieper nadenken, ook door alles waar het ritueel voor staat, namelijk dat het kind is opgenomen in het leven. Daarmee heeft het ‘zelfbedachte’ ritueel een verwantschap met de christelijke doop. Ook daarbij wordt de boreling in de gemeenschap opgenomen, zij het niet alleen de gemeenschap van mensen, maar ook die met God. Of zoals de negentiende-eeuwse Frans socioloog Émile Durkheim het verwoordde: in religies – hij had het dan met name over totemreligies – wordt een God gevierd die tegelijkertijd de clan zelf is. Met andere woorden: datgene wat uit het ritueel opdampt is: wij vormen een gemeenschap die ons individuele zelf overstijgt.”
44
44_Interview_07Lx.indd 44
20-05-21 09:24
CHRISTELIJKE WAARDEN & SECULIERE CULTUUR Ofwel: rituelen transformeren de werkelijkheid tot iets waarin je begenadigd bent, waarin je iets toevalt. Tijdens momenten waarop het er in het leven echt op om spant, redden we het kennelijk niet op eigen kracht, zei de Amsterdamse filosoof vorig jaar in een toespraak bij het Humanistisch Verbond. We staan verstomd, het gebeuren is te groot om te bevatten. Om de situatie te bezweren, gebruiken we vervolgens woorden die van ‘elders’ komen. Groot: “Je ziet het in Ordet, een film uit 1955 van de Deense cineast Carl Theodor Dreyer. Op een
‘Ja, ik zou het erg vinden als de kerk verdwijnt, al acht ik de kans daarop vooralsnog uiterst klein’ boerderij verliest een vrouw tijdens het baren van haar derde kind het leven. Aan het doodsbed spreekt de schoonvader de woorden: ‘De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen. Geprezen zij de naam van de Here’. Je hebt hardvochtige lieden die daar dan een soort boekhoudkundig verhaal van brouwen en concluderen: die man maakt zijn morele rekening met God op een onjuiste manier op. Maar daar gáát het helemaal niet om. We zien iemand die verteerd wordt door verdriet en geen woorden meer heeft. Daarom grijpt hij terug op juist deze rituele tekst uit de christelijke traditie, voor hem het enige middel om niet acuut ten onder te gaan aan zijn pijn. Hij had ook ‘godverdomme’ kunnen zeggen, maar dat had hem niet verder gebracht. Hij was dan gezwicht voor een droefenis die hem naar de ondergang zou voeren. Of die man werkelijk gelooft doet er niet eens toe. Hij moet iets zeggen en kiest voor rituele woorden die in de loop der eeuwen hun kracht hebben bewezen. Als ik het even vergelijk met mijn tijd bij het Dominicuskoor: ook toen ik niet meer in een metafysische God geloofde, bleven de liederen over God, in mijn eigen interpretatie, betekenis houden.”
valt niet zelden door de mand met een armelijke tekst. Jagger heeft dat risico destijds prachtig ondervangen met Shelley. Die tekst is een diamant die gelouterd is door de geschiedenis. Ook binnen het christendom vind je die volop.” HOLENMENS Het leven zit vol rituelen, en dat is maar goed ook, vindt Groot, want zonder zou het een chaos zijn. Hij verwijst naar de film Themroc van de Franse cineast Claude Faraldo, waarin een arbeider zichzelf ‘bevrijdt’ van zijn dagelijkse rituelen, om ten slotte te eindigen als holenmens. “De man wil af van het dagelijkse ritueel van op tijd opstaan, koffie zetten, moeder die op de klok wijst, met de metro naar het werk en ’s avonds vroeg naar bed, kortom het ritme dat Fransen métro-boulot-dodo noemen, waarbij boulot en dodo staan voor werken en slapen. Het probleem is alleen, en dat laat de film naar mijn interpretatie heel duidelijk zien, dat als je al die rituelen opgeeft en slechts uitgaat van je instincten als drijfveer, je uiteindelijk uitkomt bij puur geweld. Je houdt alleen de spontaniteit van het eigen ik over en kan daardoor makkelijk je eigen wil opleggen aan de werkelijkheid. Door het wegvallen van rituelen en in het verlengde daarvan morele kaders voelt de hoofdpersoon zich vrij om een incestueuze relatie aan te gaan met zijn zus, kannibalisme te plegen op een politieman et cetera. De film werd in de jaren zeventig gemaakt om de boodschap te verspreiden dat de mens zich los moest maken uit knellende banden van moraal en conventies. Het ging in die jaren immers om de hoogst individuele authenticiteit. Toen werd de film als bevrijdend ervaren. Nu zie ik dat anders. Métro-boulot-dodo, dat is wat wij doen. Daarom zijn de treinen hier schoon en de straten geveegd. Rituelen scheppen orde. Altijd en overal.”
PROFIEL Ger Groot (Amsterdam, 1954) is schrijver en filosoof. Hij studeerde theologie in Amsterdam en filosofie in Amsterdam en Parijs, waarna hij voor enkele jaren naar Spanje vertrok. In de jaren tachtig was hij docent filosofie aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij zich met name bezighield met esthetica en recente Franse filosofie. Van 1995 tot 2017 doceerde Groot cultuurfilosofie en wijsgerige antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij promoveerde daar in 2003 op het proefschrift Vier ongemakkelijke filosofen. Van 2009 tot 2014 was hij tevens bijzonder hoogleraar voor filosofie en literatuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Groot publiceerde in Trouw, NRC Handelsblad en De Groene Amsterdammer en levert regelmatig bijdragen aan wijsgerige, literaire en culturele tijdschriften. Groot ontving een katholieke opvoeding, werd al jong atheïst, zonder zich echter af te keren van de katholieke kerk. Hij is getrouwd, heeft een dochter en woont afwisselend in Amsterdam, Brussel en Madrid.
TE OVERWELDIGEND Betekenisvolle woorden zijn uitgezuiverde woorden, ze hebben de tand des tijds doorstaan. Groot denkt terug aan het gedicht dat Mick Jagger in 1969 voordroeg bij aanvang van een herdenkingsconcert in Hyde Park voor de pas overleden Stones-gitarist Brian Jones. “Jagger begon zijn toespraak met: ‘I really don’t know how to do this, but I’ll try’. Waarop hij twee passages citeerde uit Shelley’s gedicht An elegy on the death of John Keats. Ook Jagger wist zelf geen woorden te vinden en zocht daarom naar iets toepasselijks uit de traditie, in dit geval de literaire. Daarmee is het net zo goed een ritueel als die scène in Ordet. Jagger herhaalt iets eeuwenouds, en wel een gedicht dat Shelley had geschreven bij de dood van zijn vriend, de dichter John Keats. Sommige gebeurtenissen zijn te overweldigend om er zelf woorden aan te geven. Wie dat wel probeert,
45
44_Interview_07Lx.indd 45
20-05-21 09:24
DE DROOM VAN...
‘Mijn droom: een ‘refugio’ voor lopers van de Camino’ Dromen hebben we allemaal. Maar ze ook daadwerkelijk uit laten komen is een ander verhaal. In deze rubriek spreken we dromers over hun bijzondere dromen. Deze maand een gesprek met predikant Jolande van Baardewijk. TEKST GRECO IDEMA BEELD PIXABAY (46, 47 (L))
E
nkele maanden geleden plaatste ik op Facebook deze oproep: “Gezocht: mensen die al lange tijd een bijzondere droom (iets nieuws beginnen) hebben en er ook alles of in ieder geval veel voor over hebben die droom werkelijkheid te laten worden/te realiseren.” De oproep leidde tot tientallen reacties, waaronder die van Jolande. Waarom reageerde je? “Die gezochte mensen, daar hoor ik bij, dacht ik toen ik je oproep las. Al vijftien jaar koester ik een
droom: ik wil graag op de weg naar Santiago de Compostela – ofwel in Noord-Spanje rond Leon ofwel in Zuid-Frankrijk – een bed & breakfast beginnen. En dan bedoel ik een auberge, Frans voor herberg, voor de lopers van de Camino. De Spaanse en gebruikelijke term voor zo’n overnachtingsplek of toevluchtsplek aan de Camino is refugio.” Wil je dat helemaal alleen gaan doen? “Ik zou die auberge of refugio graag met mijn partner willen beheren en als pastor vormgeven:
vanuit mijn eigen, open (middenorthodoxe) spiritualiteit die inclusief voor iedereen wil zijn. Ik overweeg zelfs de bed & breakfast van een regenboogvlag te voorzien. Ik heb veel gedaan op het gebied van zingeving, geloof of spiritualiteit: ik ben docent op hbo’s theologie geweest, docent Levensbeschouwing op een middelbare school, tv- en radioredacteur en -programmamaker en nu ben ik predikant: pastor en geestelijk verzorger. Het zal mijn medereliwerkers snel duidelijk zijn wat voor mij de
46
22_Droom van_02L_0002.indd 46
20-05-21 09:08
JOLANDE VAN BAARDEWIJK aantrekkingskracht is van het pelgrimspastor en herbergier zijn.”
Want onderweg kom je genoeg verrassingen tegen.”
Waarom vind je de ‘Santiagoganger’ zo aantrekkelijk? “Ik herken mezelf in de Santiagoganger: op meer momenten in mijn leven is het lopen een enorme uitlaatklep en meditatieve methode voor mij geweest. Dan komen lijf, hoofd en hart samen. Je kunt onderweg een pauze nemen en wat schrijven of lezen. Je kunt vragen voor jezelf onderzoeken en zonder uit te zijn op specifieke, concrete antwoorden toch met een richting tot een antwoord aankomen. Een trektocht te voet maken brengt je in nauw contact met de natuur, de aarde. Het tempo van de wandeling brengt je tot mindfulness, tot aandachtig omgaan met jezelf, je medewandelaar, met God en de natuur. Daarnaast lijkt me de Santiago-ganger vaak een ondernemer in sportieve én spirituele zin; een type mens die gezondheid en kracht combineert met een vermogen zichzelf op pad te sturen en een uitdaging aan te gaan, compleet met avontuur.
Ben jij ook avontuurlijk ingesteld? “Ja, misschien dat ik mezelf ook in dit type mens herken. Deze mens is leeftijdsloos, want uit de verslagen blijkt dat twintigers die nog ongebonden zijn, de Camino lopen, maar net zo goed vijftigers en zestigers, die de complexiteit van meer borden in de lucht houden achter zich lieten en alleen met zichzelf en partner rekening hoeven houden en zich een onbetaald verlof kunnen permitteren. Daarnaast lijkt me de Santiagoganger iemand, waarin het de moeite waard is pastoraal te investeren. Natuurlijk is elke mens de moeite waard. Maar de Santiagoganger kan anderen laten delen in wat onderweg ontdekt is en is in staat haar of zijn verdere leven met die ontdekkingen anders in te richten. Zeker als het om twintigers gaat, gaat het dan om een hopelijk nog lang leven!” Wat houdt je tegen deze droom werkelijkheid te laten worden? “Op zich niets, maar praktisch van alles: ik wil het liefst werken
met een community, vrijwilligers, hulptroepen in Nederland; ik zou een pand moeten vinden aan de Camino. In Spanje kom je dan al snel bij de RKK terecht en dit is een nogal masculien gebeuren, heb ik begrepen. Ik zou er als vrouw minder makkelijk ingang vinden. Om iets te kopen heb je kapitaal én vergunningen nodig. Daarvoor heb je toch plaatselijk goede contacten nodig én geld, dat ik momenteel niet heb. Ik zie er een pioniersplek van de PKN in. Maar de PKN investeert tot nu toe niet in niet-Nederlandse projecten. Wie weet gaat die vlag anders waaien als men zich realiseert dat we wereldburgers zijn en dat wie de Camino loopt veranderd terugkomt en hier blijvend pelgrimservaringen deelt: deze pelgrimsspiritualiteit is een verrijking voor de protestantse spiritualiteit. De monastieke beweging binnen de pioniersprojecten groeit, begrijp ik. Zou mijn droom bij een volgende stap kunnen horen: een keten van monastieke plekken aan een Nederlandse Jacobsweg en mijn herbergje aan de Camino als ‘buitenlandse’ schakel in die keten?”
47
22_Droom van_02L_0002.indd 47
20-05-21 09:09
INTERVIEW ANNETTE NOBUNTU MUL
48
44_Interview_02Lx.indd 48
20-05-21 09:11
Willem van der Meiden spreekt in de serie Vol van... mensen die in hun leven zijn ‘aangestoken’ door een ontdekking, een bewondering, een hartstocht, daardoor gekenterd of ontbolsterd zijn en graag vertellen waar ze vol van zijn.
Annette Nobuntu Mul over de aarde, de ander en ik
‘Ik zie jou’ Annette Nobuntu Mul (60) is coach, supervisor, spreker en publicist. Sinds haar eerste bezoek aan Zuid-Afrika in 2000 is zij ‘gegrepen’ door Ubuntu, de eeuwenoude Afrikaanse spiritualiteit die mede ten grondslag ligt aan het werk van de Waarheidscommissie (1993-1995) onder leiding van bisschop Tutu. “Ubuntu is meer dan een techniek, het is een basishouding: het kan er niet om gaan om jezelf in stand te houden.” TEKST WILLEM VAN DER MEIDEN BEELD ENIS ODACI
“I
k ben omdat wij er zijn, wij zijn er omdat de aarde er is.” Zo omschrijft Desmond Tutu wat Ubuntu betekent, in het isiZulu: Umuntu Ngmuntu Ngbantu: mensen zijn mensen omdat er andere mensen zijn. Annette Mul zocht en vond Ubuntu in Zuid-Afrika, dankzij de kennismaking met het denken van Nelson Mandela en de ‘filosofie’ die ten grondslag ligt aan het werk van de Waarheidscommissie voor verzoening in het Zuid-Afrika van na de apartheid. “Ik zeg het anders”, corrigeert ze me, “Ubuntu zocht en vond mij.” Ze ging in 2000 met haar toenmalige man en
‘Wij in het Westen worden opgevoed in wantrouwen en het is voor ons moeilijk om te ontvangen’ twee jonge kinderen op vakantie naar Zuid-Afrika en werd getroffen door een groot billboard aan de rand van Kaapstad: Sawubona, in het isiZulu: ‘Ik zie jou’. “Het antwoord op Sawubona is Sikhona: ‘Hier ben ik’. Ubuntu leert me dat we allemaal met elkaar verbonden zijn, dat we allemaal één zijn op deze aarde. Het gaat om de levende ontmoeting met de mensen om ons heen, dat we elkaar oprecht zien. Raaksien heet dat in het Afrikaans.” Dat zijn grote en mooie woorden, maar ze hebben grote gevolgen voor hoe mensen in de praktijk, in het groot en in het klein, met elkaar zouden
kunnen omgaan op deze planeet. Ik begrijp dat je vanuit deze spiritualiteit betrokken bent bij actuele verzoeningsprocessen in de samenleving. “Ik vond de Kamerdebatten over de toeslagenkwestie onthutsend. De oprechte erkenning van de slachtoffers ontbrak, behalve bij sommige individuele Kamerleden. Het ging om de eigen belangen, het redden van je eigen hachje was belangrijker dan het luisteren en recht doen aan de slachtoffers. Rutte moest weg, want hij moest ‘zijn verantwoordelijkheid nemen’. Dat betekent kennelijk dat je dan weggaat in plaats van blijft. Ik ben adviseur van enkele betrokkenen bij de affaires in de turnwereld, waarover onlangs de commissie-Olfers een voortreffelijk rapport heeft uitgebracht. Er is een schandaal: machtsmisbruik van trainers, vernedering van jonge sportsters, een zwijgcultuur. Het schandaal werd groter dan de individuen en kon alle kanten op. De sporters, trainers, daders en slachtoffers, de turnbond waren erbij betrokken, de media doken erop. Als je daar onderzoek naar doet, loop je het gevaar dat je in het schema van schuld en boete terechtkomt. Je kunt je beter inzetten voor ‘meerzijdige partijdigheid’, respect voor ieders verhaal, dat je iedere betrokkene recht doet in het proces, maar dat proces begint met de herkenning en erkenning van de slachtoffers – en dat je het daarover eens bent – dat je stilstaat bij hun persoonlijke beleving, want dan doe je hun recht. De Waarheidscommissie onderscheidde drie stappen in het proces van verzoening: erken de pijn die er is en die de ander voelt, durf erover te vertellen en benoem de pijn en stel dan pas de vraag naar vergeving. Dan kan verzoening plaatsvinden, anders zit je vast in het schema van schuld en boete. Ubuntu is geen methodiek, geen technisch stappenplan, het is ook geen religie. Ubuntu is een besef van mens en wereld
49
44_Interview_02Lx.indd 49
20-05-21 09:11
INTERVIEW ANNETTE NOBUNTU MUL dat alles met elkaar verbonden is, ook bij mondiale problemen als het klimaat en migratie. Als migranten worden gezien als een rattenplaag, niet als mensen, als enkel numbers, aantallen, sluiten we ze af van een mogelijke oplossing. We moeten eerst hun fysieke pijn voelen.” Waar past Ubuntu in je eigen biografie? “Ubuntu gaat niet alleen om wat Tutu noemt de interconnectedness van de wereldbevolking, maar ook over de verbinding tussen de generaties: vóór ons, nu en na ons. Vandaag is het 4 mei, dodenherdenking. Dat was in mijn jeugd altijd een beladen dag. Mijn grootvader van moederskant is onderscheiden voor zijn verzetswerk. Mijn grootvader van vaderskant deed dienst als SS-officier en sneuvelde aan het Oostfront. Op 4 mei kwam dat samen: trots versus taboe. Mijn vader was als kind gehersenspoeld in de Hitlerjugend en werd verscheurd door de vraag van goed of fout. Natuurlijk was ik loyaal aan hem, maar gevoelsmatig reageerde ik door negeren, door heel prestatiegericht te zijn en helaas ook met somatische klachten. Ik las in de jaren negentig teksten van en over Nelson Mandela en was diep geraakt door zijn kracht, die hem in staat stelde om na 26 jaar gevangenis geen wraakgevoelens te koesteren. Het verhaal van de ouders van Amy Biehl raakte me diep. Die jonge Amerikaanse vrouw was in Zuid-Afrika actief in verzoeningsprojecten en werd in 1993 in een Zuid-Afrikaans township vermoord door vier zwarte jongens. Haar ouders reisden naar Zuid-Afrika en startten een verzoeningsproces met de daders, want anders konden ze niet verwerken wat er was gebeurd met hun dochter. Uiteindelijk schonken ze de daders openlijk vergiffenis, hielden contact met twee van
hen en stichtten de Amy Biehl Foundation, gericht op verzoening en herstelrecht. De Foundation vangt in zes centra 2.300 straatkinderen naschools op.” En toen kwam je in Zuid-Afrika. “Dat kwam allemaal bij elkaar toen ik voor het eerst in Kaapstad landde in 2000. Daar lagen antwoorden waarnaar ik op zoek was. Hoewel ik een nuchter iemand ben, raakte de ontmoeting met de ‘rode aarde en het zwarte bloed’ me spiritueel. Een jaar na die vakantie in 2000 gingen we er drie maanden heen en ik raakte gefascineerd door het land en de bewoners, de verwerking van de geschiedenis en door tal van voorbeelden hoe ‘verzoening’ er gestalte kreeg. Dat Ubuntu mij ontdekte, sloot zeker aan bij mijn werk als Gestalt-systeemtherapeut. Ik had geleerd in de systemische begeleiding van gezinnen dat hoe meer je specialiseert en fragmenteert in je begeleiding, je des te verder verwijderd raakt van een mogelijke oplossing. De mens om wie het gaat komt tot zijn recht in zijn sociale context en iedereen die daarbij betrokken is kan bijdragen aan een oplossing van de problematiek. Neem de gezondheidszorg: daar is ‘integrale zorg’ in de mode. Ha, denk je dan, dat gaat dus ook om de context. Maar ze bedoelen: alle deskundigen bij elkaar praten over één patiënt. Maar niet de ouders, leerkrachten, familie, vrienden, buren, mensen die echt zouden kunnen bijdragen aan een beter beeld van de patiënt. In de zorg wordt alles wat menselijk is zoveel mogelijk geïnstitutionaliseerd en uitbesteed. Waar moet dan de verandering beginnen? Hoe kunnen we stimuleren dat mensen voor elkaar gaan zorgen? Niet plichtmatig of als belanghebbende, maar uit betrokkenheid. Je bent geen deelnemer, je bent ‘deelgever’, je geeft de ander een deel van waar je zelf subject van bent.”
50
44_Interview_02Lx.indd 50
20-05-21 09:11
VOL VAN... Ik ben Ubuntu tegengekomen als techniek om beter te vergaderen, om conflictueuze kwesties op een andere manier te benaderen. Maar het is meer dan dat? “Ja, maar het kan wel zo werken. Tijdens de klimaatconferentie van Parijs in 2015 ruimde Laurent Fabius, de Franse oud-minister van buitenlandse zaken, vergadertijd in om ingewikkelde kwesties naar Zulu-gebruik met alle betrokkenen te bespreken. Die benadering heet indaba en daarin wordt ingezet op de kracht van de dialoog in plaats van op de macht van de meerderheid. Het ging om tientallen regeringsdeelnemers, -deelgevers dus eigenlijk, die allen aan het woord kwamen en erop uit waren om vast te stellen wat goed was voor iedereen. Kwam iemand met een bezwaar, dan werd dat niet als tegenstand beschouwd, maar als weerstand. Dan werd de vraag gesteld: vanuit welke waarde komt jouw bezwaar als het niet om eigenbelang gaat? En dan in drie stappen: Wat zou jij nog kunnen doen? Wat heb je daarvoor nodig van ons? Wat kunnen wij voor jou doen? En zo werd toegewerkt naar een beslissing: niet die van een meerderheid tegenover en ten koste van een minderheid, maar een beslissing waar iedereen het over eens was ‘zonder fundamenteel bezwaar’.
‘Ik geloof niet in afsluiting en uitsluiting, niet in brexit, niet in gesloten grenzen, maar in herstel en harmonie’
beiden hadden gedroomd en dat ik moest komen voor iets belangrijks. Ik was in het land, 1.000 kilometer verderop, maar besloot te gaan. Ik werd ontvangen door een menigte mensen inclusief een priester en de burgemeester. In de droom had Lungi’s moeder gezegd dat ze mij de naam Nobuntu, een Xhosa-naam, moesten geven: ‘moeder van de menselijkheid’. Een priester sprak woorden die ik niet verstond en er waren rituelen. Ik was erg ontroerd en voelde me thuiskomen. Ik kreeg een tweede naam, het voelde als herboren worden. ‘Your name is your soul’, zegt Lungi. ZuidAfrika kwam onder mijn huid. Ik draag de naam met trots. Maar over dat cynisme: het kolonialisme en de apartheid hebben ook Ubuntu vertrapt en de trauma’s die dat veroorzaakt heeft, zijn niet zomaar weg. De ongelijkheden in de Zuid-Afrikaanse samenleving ook niet. Er moet nog veel hersteld worden. Maar er zijn tal van verhalen die me inspireren. Zelf was ik erg getroffen toen ik op Robbeneiland werd rondgeleid door een man die er jarenlang zelf gevangen had gezeten, net als Mandela, die gemarteld was, honger had geleden. Ik vroeg hem hoe het toch mogelijk was dat hij niet wraakzuchtig en haatdragend was geworden. Er waren verderop kinderen aan het spelen en hij wees naar hen: ‘When we fight, we destroy their future’. Dat vond ik indrukwekkend. Naïef? Wij in het Westen worden opgevoed in wantrouwen en het is voor ons moeilijk om te ontvangen. Ik geloof niet in afsluiting en uitsluiting, niet in brexit, niet in gesloten grenzen, maar in herstel en harmonie. Omdat we allemaal met elkaar verbonden zijn. Al onze stemmen mogen er zijn.”
Er zijn immers verschillende waarheden die samen de werkelijkheid vormen. Maar ‘het’ werkt al bij een gewoon debat: ga je in twee kampen tegenover elkaar zitten zoals in het Lagerhuis? Of ga je in een kring zitten, waarbij je elkaar allemaal kunt aankijken? Ben je uit op doordrukken of op consensus? ‘Ik neem geen besluit, het besluit neemt mij’. Maar Ubuntu is meer dan een techniek, het is een basishouding: het kan er niet om gaan om jezelf in stand te houden. Ik alleen, los van jou, dat kan toch niet? We dragen bij aan het lot en het welzijn van de hele aarde. Ubuntu is er al eeuwen in Afrika en is zo ongeveer het tegenovergestelde van apartheid. Toch zei Tutu: ‘Wij zijn medeplichtig aan de apartheid’. Dat is net zo’n groot gebaar als dat van de ouders van Amy Biehl.”
PROFIEL Annette Nobuntu Mul (1960) werd geboren in Den Haag. Ze woonde in haar jeugd in midden-Limburg, deed eindexamen in Roermond en volgde in Sittard een hbo-opleiding voor maatschappelijk werk. Daarna specialiseerde ze zich als Gestalt-systeemtherapeute, executive coach (VU Amsterdam), supervisor en organisatieadviseur. Vanaf 2000 is ze regelmatig en voor langere perioden te gast in Zuid-Afrika, waar ze werd geraakt door Ubuntu: ‘ik ben er omdat wij er zijn’. Ubuntu is een oude Afrikaanse spiritualiteit met als kern dat het individu niet kan bestaan zonder de gemeenschap. Ze richtte in Nederland in 2010 de Ubuntu Society en de Stichting Ubuntu Nederland op om op velerlei terreinen van de samenleving Ubuntu bekender te maken. Ze is docente ‘Ubuntu, Leiderschap & Burgerschap’ aan de Internationale School voor Wijsbegeerte te Leusden en publiceerde in 2018 Opsoek naar Ubuntu (BigBusinessPublishers). Ze werkt nu aan een boek over de Indaba, de betrokken besluitvorming volgens de principes van Ubuntu. Annette woont in Twello, heeft twee kinderen uit een eerdere relatie en is nu de levensgezel van oudpoliticus Jan Terlouw.
Krijg je nooit kritische, cynische reacties in ruil voor al je enthousiasme? Mensen die je naïef vinden en wijzen naar het geweld in Zuid-Afrika? “Ja hoor, maar Ubuntu is geen godsdienst, zo van: als we allemaal Ubuntu zijn, dan zit het wel goed. Het is, in de woorden van Mandela, een bron van medemenselijkheid. En uit die bron putten ik en tal van andere mensen, aan die bron voel ik me schatplichtig. Ik heb mijn tweede naam eraan te danken: Nobuntu. Die naam kreeg ik in een township bij Kaapstad. Daar ben ik vaak geweest en bevriend geraakt met Lungi. Die belde me in 2015 en vertelde dat zij en haar dochter
51
44_Interview_02Lx.indd 51
20-05-21 09:11
INTERVIEW KATJA KREUKELS
52
44_Interview_03Lx.indd 52
20-05-21 09:12
In de serie Wat kreeg je mee, wat geef je door? staan geloof, traditie en verschillen tussen generaties centraal. Verschillende vrouwen vertellen ieder vanuit hun eigen achtergrond wat zij van hun ouders hebben meegekregen en wat zij aan hun kinderen doorgeven.
‘Mijn vader had een ander leven: hij was priester’ Katja Kreukels (46) groeide op met een lightversie van het katholicisme. Groot was haar verbazing toen bleek dat haar vader priester was geweest voordat hij een gezin stichtte. Ze schreef er een boek over en ontdekte en passant de priester in zichzelf. TEKST MANON DUINTJER BEELD MERLIJN DOOMERNIK (52)
I
n het portiek van Katja’s huis in de Indische Buurt in Amsterdam hangt een poster met in een regenbooghart de tekst ‘Samen Oost’. Hoewel de poster van de buurvrouw is, staat Katja 100 procent achter de boodschap. Van huis uit kreeg ze mee dat de wereld groter is dan je eigen achtertuin en dat je verplaatsen in een ander de basis is voor goed samenleven. Voor Katja is dat direct gekoppeld aan het verhaal van Jezus die ook niemand uitsloot en voor iedereen klaarstond. Hoe zag het geloof er bij jou thuis uit? “We gingen iedere week naar de kerk en ik zat op een katholieke school. Het geloof was er gewoon, maar mijn ouders spraken niet veel over wat het betekende. Mijn vader wilde het geloof niet te veel opdringen, omdat hij in zijn eigen jeugd een overdosis had gekregen aan gebeden, rituelen en dagelijks kerkbezoek.” Hoe beleefde jij het kerkbezoek als kind? “Onze kerk was een modern gebouw met stapelbare stoelen en een systeemplafond. Voor mij voelde het heel vertrouwd. Iedereen die bij de wereld van mijn jeugd hoorde, zat in die kerk. De sfeer was licht en vrijzinnig. Pastoor Meertens liet gelovigen nadenken over zichzelf en over hun rol in de maatschappij. De actieve parochianen gingen langs de deuren om geld te collecteren voor goede doelen en voor vrede op de wereld. Een fijne kerk, maar voor mij als kind ook een verplicht nummer. Ik zat vaak te dagdromen. Op mijn negende werd ik samen met een vriendinnetje misdienaar. Dat vond ik leuk omdat ik een wat actievere rol kreeg. Als de eucharistieviering begon, dekten wij de tafel en daarna droegen we de kelk met wijn als de pastoor hosties uitreikte. Soms liep hij te snel en dan klotste de wijn over de rand.”
Hoe vond je het om de communie en het vormsel te doen? “Mijn eerste communie vond ik bijzonder. Ik was 7 en verkeerde nog in zo’n mystieke sfeer dat ik af en toe met God praatte. Maar het vormsel op mijn 12de deed ik meer omdat het erbij hoorde. Ik begon vragen te stellen aan de pastoor zoals: ‘Bestaat God?’. Hij legde me keer op keer geduldig uit dat de essentie van geloof is dat je gelooft, dat je vertrouwt op God en het goede in de mens, want het goede in de mens, dat is God. Maar de betovering was verbroken.” Welk bijbelverhaal maakte de meeste indruk? “Dat weet ik eigenlijk niet. Mijn ouders lazen nooit voor uit de bijbel. Mijn oma vertelde mij wel spannende katholieke verhalen, bijvoorbeeld over de herdertjes van Fatima en Bernadette van Lourdes die Mariaverschijningen hadden gezien. Ik wilde Maria ook weleens zien en vroeg me af of ze mij kon zien. Ik had een beeldje van Maria in een doosje met watten onder mijn kussen gelegd. Zo waakte ze over mij.” Wat gaf je oma nog meer mee? “Mijn oma was zeer devoot. De flat waar ze na mijn opa’s dood ging wonen was een museumpje dat herinnerde aan de oude katholieke wereld met huilende Maria’s en kruisbeelden aan de muur. Ze had zelfs een 3D-Jezus met een doornenkrans op zijn hoofd en ogen die heen en weer schoten als je er langs liep. Tijdens een logeerpartij volgden we altijd precies haar programma: ochtendgebed, naar de kerk, een bezoek aan haar rozenkransgroepje, avondgebed. We zochten ook wel eens een familielid van haar op in een oud nonnenklooster. Ik herinner me de lange gangen en allemaal oude mensen die om de deur naar ons keken. Dan zat ik op zo’n benauwd kamertje tegenover die oudtante. Dat voelde heel zwaar net
53
44_Interview_03Lx.indd 53
20-05-21 09:12
INTERVIEW KATJA KREUKELS als de kerk waar mijn oma heenging. Die was nog ouderwets met wierook en gebeden in het Latijn.” Had je oma religieuze plannen voor jou? “Toen ik een jaar of 11 was, vroeg ze aan me of ik het klooster in wilde. Ik was flabbergasted, want ik dacht meteen aan dat oude familielid. Maar mijn oma vond het een goed idee, want als je een man trouwde, moest je die dienen, dus dan kon je net zo goed Onze-LieveHeer dienen, dat was veel nobeler. Ze presenteerde het als een mooie roeping, maar ik heb meteen gezegd: ‘Oma, dat wil ik niet’. Toen mijn ouders me kwamen halen, was ik behoorlijk overstuur en heb ik in de auto verteld wat oma had gevraagd. Ze moesten erom lachen en zeiden: ‘Oma gaat daar niet over, maak je geen zorgen. Je mag zelf kiezen’. Voor mijn vader was het belangrijk dat ik die vrijheid had, want bij hem was niet echt sprake geweest van een vrije keuze, al had hij misschien het gevoel van wel.” Waarin was jouw vader anders dan andere vaders? “Hij had verschillende rituelen die hij met zorg uitvoerde. Als hij bijvoorbeeld ’s avonds zijn horloge afdeed, dan stopte hij dat in een doosje en zegende dat. In de auto zei hij altijd met ons een reisgebed op. Niet alleen als we op vakantie gingen maar ook op kortere afstanden. Hij droeg altijd een pak met een stropdas, zelfs op het strand of als we naar een pretpark gingen. Hij zag er representatief uit. Net als ons huis, dat was altijd netjes en klaar voor bezoek. Omdat mijn vader ouder was dan de meeste vaders en altijd een pak droeg, dachten kinderen soms dat hij mijn opa was.” Voelde jij je daardoor ook anders? “Ik voelde me niet het meest vlotte kind op school, zeker niet op de lagere school. Ik was een beetje mollig, kneuzerig, niet goed in gym. Ik had wel vriendinnetjes, maar ik voelde me toch anders. Een periode heb ik daar mee gezeten en zonderde me soms af. Dan klom ik in een boom om te mijmeren over hoe anders ik was. Dat kwam ook door mijn gehandicapte broer die een vorm van autisme heeft en motorisch beperkt is. Er ging thuis veel aandacht naar hem. Mijn reactie daarop was om mijn eigen gang te gaan. Dat was soms eenzaam, maar het gaf me ook een hoop ruimte om te ontdekken. Op de middelbare school ging ik ‘mijn anders zijn’ cultiveren; door in opvallende kleding te lopen of gekke oorbellen te dragen. Ik wilde uitdragen dat ik niet in een groepje hoefde maar liever tussen de groepjes laveerde.” Kon God je troosten op die eenzame momenten? “Ik voelde me wel verbonden met iets hogers, wat troost gaf, maar dat was niet per se een God of Maria. In die boom creëerde ik een eigen dimensie waar ik mezelf prettig in voelde. En ik besefte: er is meer dan dit, ik moet het alleen nog gaan ontdekken. Daar ontstond ook de nieuwsgierigheid naar een grotere wereld, het idee dat het niet allemaal in Limburg hoefde te eindigen.”
De zomervakantie voordat je naar Tilburg vertrok om daar journalistiek te studeren, vertelde je vader dat hij priester was geweest. Hoe ging dat? “Op het terras van een lunchroom vertelde hij rustig dat hij voordat hij een gezin had gesticht een heel ander leven had geleid, namelijk als priester. Voor mij was dat een complete verrassing. Ik probeerde me voor te stellen hoe hij achter een altaar stond in een priestergewaad. Dat voelde onwennig en vreemd. Tegelijkertijd vielen er ook dingen op zijn plek: zijn liefde voor orgelmuziek, zijn kleine rituelen. Maar dat dit erachter zat, had ik nooit gedacht. Ik moest het zien om het te geloven. Toen hij thuis de foto’s liet zien van zichzelf in een zwarte toog met witte boord en van zijn priesterwijding, realiseerde ik me dat het een groot stuk van zijn leven was geweest. Dat had ik wel eerder willen horen.” Waarom vertelde hij het toen pas? “Hij wilde dat ik oud genoeg was om het te begrijpen. Ik denk ook dat hij het lastig vond om over zijn oude leven te vertellen, omdat hij dat laatste helemaal had afgesloten. Hij was echt opnieuw begonnen, heeft ook een tijd geen contact gehad met de montfortanen, de congregatie waar hij bij hoorde. Toen ik het huis uit ging moest hij wel, ook omdat hij bang was dat ik er via anderen achter zou komen. Mijn oma had zich best weleens kunnen verspreken. Misschien was haar vraag of ik naar het klooster wilde een hint in die richting.” Waarom werd je vader priester? “Zijn vader wilde priester worden en dat is niet gelukt. Zijn gezondheid liet het niet toe om de hogere priesterstudie te voltooien. Mijn vader nam als oudste zoon het besluit zijn pad af te maken. Ik denk dat hij het ook prettig vond om iets te doen waar anderen blij mee waren en waar hij respect voor kreeg. Het sprak hem ook aan dat een pastoor een belangrijk iemand is in de gemeenschap, iemand naar wie mensen luisteren en tegen opkijken.” In 1965 werd je vader op zijn 27ste gewijd als priester. Vier jaar later trad hij uit. Waarom? “Hij werd naar IJsland op missie gestuurd, maar dat viel tegen. Hij verstond de taal niet, de priesters die daar al zaten lieten hem aan zijn lot over. Hij had liever
54
44_Interview_03Lx.indd 54
20-05-21 09:12
WAT KREEG JE MEE, WAT GEEF JE DOOR? in een parochie in Limburg of Duitsland gezeten, maar hij had niets te kiezen. Na twee jaar mocht hij naar een parochie in Bonn om oecumene te studeren. Daar had hij het meer naar zijn zin, maar in IJsland was er iets gaan schuren. Dat werd versterkt doordat hij in aanraking kwam met het studentenleven. Hij ging naar cafés, concerten en werd verliefd op een meisje. In Bonn voelde hij dat er nog veel meer in hem zat dan alleen het geloof. De komst van de nieuwe paus, Paulus VI – die niet zo vernieuwend was als zijn voorganger – maakte het er ook niet beter op. Toen heeft hij zijn twijfels op tafel gelegd bij zijn biechtvader en ten slotte besloten dat hij een ander leven wilde.”
Zie je daar een rol voor jezelf weggelegd? “Ik moet bekennen dat ik wel een soort herderlijk gevoel in me draag. Vorig jaar september gaf ik een lezing over mijn boek in een protestantse kerk in Leiderdorp. Ik stond daar op een verhoging achter een kansel en riep de mensen op om hun verhalen te delen met hun kinderen en kleinkinderen, omdat het belangrijk is dat ook tussen generaties de deurtjes opengaan. Toen werd de priester in mij even wakker. Het voelde lekker om iets wat je zinnig vindt te vertellen aan zoveel mensen in één gebouw. Ik wil dat nog meer gaan doen: schrijven en het gesprek aangaan over geloof en zingeving.”
Wat vonden zijn ouders daarvan? “Hij ging in Amsterdam wonen om tot rust te komen, om zich te bezinnen op zijn verdere leven. Hij schreef een brief aan zijn ouders en vroeg een bevriende montfortaan om zijn keuze persoonlijk toe te lichten. Zijn ouders waren natuurlijk niet blij. Het heeft een tijd geduurd voordat ze weer met elkaar spraken en dat vond mijn vader heel moeilijk. Uiteindelijk hebben ze hem niet verstoten, maar het bleef pijnlijk dus er werd met geen woord meer over gesproken.”
Je dochter Rosa is 7. Wat geven jij en je man haar aan geloof mee? “Mijn man komt uit een gereformeerd nest maar is niet gelovig. We vinden vooral de sociale kant belangrijk. We leren haar dat je niet in je eentje leeft, dat het belangrijk is om vrienden te hebben, dingen te delen en anderen te helpen, én om niemand uit te sluiten. We lezen de kinderbijbel voor en op vakantie nemen we haar weleens mee naar een kerk of een klooster. Rosa zegt dat ze gelooft dat er een God is. Ze weet ook dat haar opa een priester is geweest, maar daar heeft ze nog geen concreet beeld bij. Als ze ouder is, wil ik haar meenemen naar de kerk, moskee, synagoge en tempel om haar kennis te laten maken met allerlei godsdiensten, te laten ontdekken dat het voor mensen belangrijk is en dat het verschillend wordt ingevuld.”
‘Verhalen over Mariaverschijningen vond ik fascinerend’ Meer dan 25 jaar na zijn bekentenis publiceerde je een boek over de priestertijd van je vader en over het katholieke leven in Limburg. Wat deed het schrijven daarover met jouw geloofsbeleving? “Ik heb veel ontdekt over de kerk, de geschiedenis ervan en over de betekenis van rituelen. En door de interviews die volgden, toen het boek verscheen, besefte ik hoe belangrijk die kerkgemeenschap voor mij is geweest, en dat terwijl ik niet van groepjes houd. Het fijne van zo’n gemeenschap is dat die niet bestaat uit één groepje, maar verschillende groepen in zich verenigt. In een kerk komt iedereen binnen net als in een Ierse pub. Daar doet het er niet toe wat je ouders doen of wat voor kleren je draagt. Iedereen is welkom.” Waar vind je die gemeenschap nu? “Het is niet zo makkelijk om zo’n gemeenschap op een andere manier te vinden. In de Indische Buurt heb ik vroeger met buurtgenoten veel georganiseerd, zoals poëziemiddagen, een atelierroute, een boekenmarkt. Dat vond ik leuk, omdat je met zoveel verschillende mensen in contact komt. Dat ongedwongen samenzijn ontbreekt compleet in deze tijd, waarin iedereen in zijn eigen bubbel leeft en verschillen tussen groepen alleen maar worden uitvergroot en uitgespeeld. Mensen moeten elkaar ontmoeten. Ze hoeven niet beste vrienden te worden, maar het is belangrijk dat ze elkaar wel zien en spreken.”
Wat wil je anders doen? “Toen mijn ouders opgroeiden werd er minder over gevoel gepraat. In mijn jeugd verschoof dat langzaam. Maar dat bewuste opvoeden van tegenwoordig en de openhartige manier van praten over je gevoel was er toen nog niet. En zeker niet in Zuid-Limburg. Om de harmonie te behouden laat je niet het achterste van je tong zien en kijk je soms weg. Als mijn ouders teruglezen dat ik me weleens alleen heb gevoeld of anders, dan zullen ze daar van opkijken. Ik ben blij dat Rosa wel het hart op haar tong heeft. Zeg het maar gewoon, je hoeft je nergens voor te schamen. Laat jezelf zien. Die power gun ik haar.”
PROFIEL Katja Kreukels (1974) is journalist en cultuursocioloog. Ze schrijft voor uiteenlopende kranten en bladen als Trouw, Volzin, OMG Magazine en Ons Amsterdam over religies en culturen in Nederland. In 2019 verscheen haar boek Mijn vader was priester bij uitgeverij Querido. Katja woont samen met haar man en dochter Rosa in Amsterdam.
Dit verhaal is mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten.
55
44_Interview_03Lx.indd 55
20-05-21 09:12
NIEUW: ‘Verwondering’
Een boek met kunst en poëzie van Jan Jippe van Herrikhuijzen
Het boek bevat 108 pagina’s in kleur. Zeer geschikt om cadeau te geven. Prijs inclusief verzendkosten: € 29,95 (Nederland) of € 31,50 (rest van Europa). Bestel via: webwinkel. uitgeverij-fama.nl/deverwondering Wie kent het niet; die verwondering door een sterrenhemel met miljarden sterren, door de intense stilte in een weids landschap of door prachtige herfstkleuren. Je voelt je een kort ogenblik verbonden met de ultieme schoonheid van de wereld rondom je. Alle zintuigen werken optimaal, je drukke hoofd trapt op de rem. Vanuit die stille verwondering kan inzicht en inspiratie ontstaan. De afbeeldingen en gedichten zullen bij veel mensen die zich verbonden voelen met zelfonderzoek, mededogen
21VOL006_ADVERTENTIES.indd 56
en universele wetten, gedachten kunnen oproepen van koestering en herkenning. De kunstenaar heeft met zijn werk getracht zijn verwondering een zichtbare en esoterische betekenis te geven. Vooral licht is daarbij een terugkerend thema. De schilderijen zijn veelkleurig - hier en daar vergezeld van een vleugje humor – en nodigen de kijkers uit tot bezinning. Abstracte vormen en taferelen komen samen en nodigen de lezer uit tot nadere beschouwing om daardoor steeds weer nieuwe inzichten te krijgen; inzichten die kunnen leiden tot inspiratie.
FAMA geeft boeken uit over zingeving in het algemeen en over vrijmetselarij in het bijzonder. Bezoek onze website: uitgeverij-fama.nl
18-05-21 12:52
COLUMN FRITS DE LANGE
Schakel in een keten
T
ot nog toe lachte de geschiedenis ons babyboomers toe, maar nu lijkt zij zich tegen ons te keren. Wie in het eerste decennium na de Tweede Wereldoorlog is geboren – ikzelf ben van 1955 –, kon rekenen op vrede en groeiende welvaart in de jaren vijftig, hoger onderwijs (ook voor vrouwen) in de jaren zestig, riante salarissen in de kennis- en diensteneconomie, goedkope huizen in de jaren zeventig en tachtig, en ten slotte de macht in de jaren negentig. En ja, we hadden het heel krap in onze jeugd en we zijn niet allemaal met een gouden lepel in de mond geboren. Toch ging het de babyboomgeneratie doorgaans voor de wind. Maar de toon in het publieke debat verhardt. Nu slurpen we het zorgbudget op na eerst de winst van Slochteren te hebben opgesoupeerd. En starters kunnen geen woonruimte vinden omdat wij in te grote, gasverslindende huizen wonen. Is het zo vreemd dat we in de coronacrisis ‘dor hout’ zijn geworden dat nodig gekapt moet worden? De filosoof Ad Verbrugge onlangs in de krant: “De babyboomers drukken opnieuw een stempel op het maatschappelijk gemoed. Je zou kunnen zeggen: Ze flikken het ’m weer! In de jaren zestig bepaalden de babyboomers met hun rebellie de stemming. Nu doen ze dat met hun angstigheid.” Hoe daarop te reageren? In de verdediging schieten en van je
afbijten? Beweren dat het hele generatiedenken sociologische onzin is omdat behoren bij een geboortecohort nu eenmaal niets zegt over leefstijl? Je zet zo generaties tegen elkaar op, die elkaar hard nodig hebben! Allemaal waar. Toch denk ik dat dertigers en veertigers een punt hebben met hun antiboomersentiment. “Ik geloof niet dat de babyboomers moedwillig de aarde hebben geplunderd”, zegt Maarten Labots, voorzitter van de Duurzame Jonge 100. “Maar het is wel duidelijk dat ze een lening op de toekomst hebben genomen die onze generatie moet afbetalen. Dat heeft iets onrechtvaardigs.” Laten we de hand in eigen boezem steken. Nee, de babyboomer is geen egoïst. Maar de kern van het verwijt zou kunnen zijn dat onze generatie moeite heeft om een generátie te zijn: een schakel te zijn tussen de voorgaande en de volgende. Dat is ook wel begrijpelijk. Voorgaande generaties leefden zo kort, dat het er in hun leven vooral om ging de erfenis van het voorgeslacht door te geven aan de volgende. De gemiddelde levensduur is nu in anderhalve eeuw tijd verdubbeld van veertig tot tachtig. En de coronacrisis maakt duidelijk: ook tachtigers hechten nog aan het leven. Ze willen nog een poosje blijven, en terecht. Maar weten we daarom misschien ook zo moeilijk aan het lot van volgende generaties te denken? Roman Krznaric, auteur van De
Goede Voorouder, stelt ons het Zevende Generatie-principe van inheemse Amerikanen ten voorbeeld: elke cruciale beslissing die wij nemen moet ten goede komen aan de zevende generatie na ons. Het besef een schakel te zijn in een keten van generaties is te laat en te weinig bij ons doorgedrongen. “Ben jij, pappa, een goede voorouder geweest?” In een tv-portret van Krznanic stelt een van zijn kinderen hem zelf op de man af de vraag. “Oh nee”, roept hij uit, “we waren de grootste CO2-criminelen in de geschiedenis!” Krznanic laat in zijn boek zien hoe we in de twintigste eeuw – terwijl we op de barricaden stonden tegen kolonialisme overzee – in feite zelf de toekomstige generaties als slaaf hielden; hoe verder weg in de toekomst des te minder waren zij ons economisch waard. Het heeft eeuwen geduurd, voor we beseften dat slavernij een misdaad is. Het duurde ook lang voordat onze ogen open gingen voor de roofbouw op toekomstige generaties. Die blinde vlek is dus niet op één generatie af te wentelen. Gelukkig leven we tegenwoordig langer dan ooit tevoren. Ook grijze koppen krijgen nog ruim de kans om groen te gaan denken en doen. Frits de Lange is hoogleraar ethiek aan de Protestantse Theologische Universiteit (Groningen).
57
11_Column_01Rx_0002.indd 57
20-05-21 09:13
INTERVIEW WOUTER BERNS
58
44_Interview_01Lx.indd 58
20-05-21 10:53
De vrije wereld van Wouter Berns Schilderijen van Wouter Berns kom je steeds vaker tegen op internet, in bladen en in kranten. Eind vorig jaar verscheen zijn eerste roman Een hemel voor Theo. Een gesprek met deze kunstenaar over religie, de mens, kunst, schilderen en schrijven. TEKST DIRK VAN DE GLIND BEELD THEODORE CHEVALET
E
en ‘Berns’ kan bij de beschouwer een gevoel van aangename opwinding wekken, als bij een cadeautje dat nog moet worden uitgepakt. Maar ook een gevoel van ongemak, alsof je een mop hoort vertellen die je niet meteen begrijpt. Je moet vérder kijken om het te zien, je eigen verbeelding op gang laten brengen om verborgen schatten op te delven. Als ik te gast ben in het ruime atelier van Wouter Berns in Kampen en mij vergaap aan zijn werk, blijf ik staan voor een nog maar net voltooid schilderij dat me bijzonder bevalt. Het betreft een Frans dorpstafereel, badend in het zonlicht. Ik kan de mussen horen tsjilpen en voel hoe de warme lucht me vanaf het doek in m’n gezicht slaat. Ik heb opeens wandelschoenen aan en voel het gewicht van m’n rugzak – zit er nog koffie in de thermosfles? M’n vrouw is al doorgelopen en wacht voorbij de bocht. Als de kerk open is, zoeken we graag de koelte op en branden een kaarsje. “Mooi...!” zeg ik bewonderend, “Donders mooi!” Ik doe met enige tegenzin een stap terug en sta weer in het atelier. “Maar waar is de Berns-touch?” Met een brede grijns wijst Wouter me op de gevel van de kerk. ‘Free your mind’ staat er in de hoofdletters van een verweerde reclameboodschap zoals je die wel vaker op blinde gevels ziet. Het beeld is zo vertrouwd dat ik de woorden zelf over het hoofd zag. De boodschap lijkt op het eerste gezicht misplaatst op een godshuis uit een tijd die onherroepelijk voorbij is. Het beeld is intrigerend en roept vragen op. Je plaatst een eigentijdse oproep in een traditioneel religieuze context. Hoe kijk jij als kunstenaar naar religie? Ben je zelf religieus? “Kunst verbeeldt wat religie verwoordt. Het is een
eeuwenoude tandem. In bepaalde tijden was het verbeelden propaganda. Die kant moeten we zeker niet meer op. Ik zie graag inhoudelijk geladen kunst en die is niet per definitie religieus in de godsdienstige zin. Dat ben ik zelf ook niet. Ik ben een zingevende kunstenaar, maar absoluut niet godsdienstig religieus. Religie en kunst zie ik beide als wegen tot verbinding tussen de persoonlijke binnenwereld en een onmetelijke bovenwereld. Maar het is vooral de kunst die een diepere zin aan mijn bestaan geeft. Kunst is voor mij louterend, of ik nu passief geniet in een museum, een boek lees, naar muziek luister, of actief werk aan een nieuw schilderij of schrijf aan een verhaal. Kunst is voelen, bedenken en maken; uit het niets iets tastbaars neerzetten, een nieuwe werkelijkheid scheppen. En als het werk voltooid is dan toon ik het aan de wereld. Dat is een magisch proces, iedere keer weer. Het is mijn ideale manier van leven. Mijn schilderijen dragen geen letterlijke boodschap uit. De schilderijen zijn niet alledaags. Ze zijn vervreemdend. Ze hebben een licht filosofische twist. De titels spelen een grote rol. Die geven richting aan de duiding. Ik speel met oude en nieuwe verhalen. Steek ze in een ander jasje, verkleed de verhalen, zo je wilt. Ik krijg terug dat mijn werk mensen aan het denken zet. De combinatie van beeld en verhaal is voer voor andere gedachten en uitdagende dialoog.” Ik kijk naar Wouters schilderij De schepper. Het toont een jongetje met een schep bij een gigantisch zandkasteel in een wat troosteloos landschap. Is het een verwijzing naar God die uit de chaos orde schiep? Is God als zo’n kind met een schep? Is ieder mensenkind met een schep een beetje God, iedere mens met een penseel een Schepper?
59
44_Interview_01Lx.indd 59
20-05-21 10:53
INTERVIEW Hoe kijk jij als kunstenaar naar de wereld van vandaag? “Volgens mij zitten we aan het einde van een tijdperk. We hollen als een stel dwaas consumerende lemmingen op een afgrond af. Er lijkt geen houden meer aan. Ondanks mijn optimistische inborst staat mijn vertrouwen in de mensheid onder druk. Keer op keer laten we zien dat scheppen en vernietigen bij ons hand in hand gaan. Maar iets afbreken is zoveel gemakkelijker dan iets opbouwen. We zijn van nature gemakzuchtig en daardoor zijn we een bedreigende soort geworden voor onszelf en voor onze omgeving. De huidige situatie maakt onomwonden duidelijk dat alleen radicaal anders handelen ons leven op aarde kan redden. We moeten consuminderen. Maar ons hele economische stelsel is gebaseerd op groei, groei en nog eens groei. En dat leren we niet eentwee-drie af. Dat zit onderhand diep in ons DNA. Ik vrees dat we erg weinig tijd hebben om collectief een andere, op verminderen gerichte levenshouding aan te nemen. Bovendien zijn er nog zo veel mensen op aarde voor wie meer een dagelijkse droom is. En dat is begrijpelijk. Als je ziet hoe de wereldwijd actieve media met reclamebombardementen willen laten inzien hoe happy de wereld van het hebben is, dan kun je het nikshebbers niet kwalijk nemen dat ook allemaal te willen. Wie zijn wij om hun te ontzeggen wat we zelf al zolang tot onze beschikking hebben? Het zou voor ons, die ruim voorzien zijn, eenvoudig moeten zijn om te minderen. Maar veelhebbers consumeren zich nog steeds een slag in de rondte. Het woord ‘minder’ is in onze neo-liberale samenleving helaas een woord voor losers. En niemand wil een loser zijn...” Het schilderij (No) Surrender laat Wouter zelf zien. Blootsvoets staat hij met gebogen hoofd op rode (verbrande?) aarde tegen een pikzwarte achtergrond in wat het laatste restje overgebleven licht lijkt. Aan de lange stok die hij over zijn schouder draagt, hangt een wit overhemd als witte vlag. Het is een beklemmend, apocalyptisch beeld dat associaties oproept met Don Quichot en Greta Thunberg. Heb jij als kunstenaar een verantwoordelijkheid naar de wereld? “Verantwoordelijk ben ik net zoals ieder mens. Ik probeer te consuminderen en me niet te omringen met allerhande onnodige zooi uit de Actions van deze wereld. Ik probeer op materieel en immaterieel gebied bewust te leven. Dat lukt redelijk. Al kan het natuurlijk altijd beter. Daarnaast heb ik de ijdele hoop dat we door de maatschappij anders te bekijken veranderingen in beweging kunnen zetten. Kunstenaars kunnen daar een grotere rol in spelen. Ze kijken van nature achterstevoren, ondersteboven en binnenstebuiten naar de wereld om hen heen. Ze zijn in staat om van niets iets te maken en blijven altijd vragen stellen. Dat hoeft niet te betekenen dat
de kunst die ze maken per definitie vernieuwend of revolutionair is. Het gaat om de manier van zien. Ik kom op veel plekken en spreek heel verschillende mensen. Gesprekken met kunstenaars lopen vaak uit de normale pas. Kunstenaars associëren gemakkelijk en weten uit ogenschijnlijk onontwarbare gegevens tot ongedachte oplossingen te komen. Zet eens een paar kunstenaars – schrijver, schilder, acteur, dichter, of componist m/v – in de raad van bestuur van een grote bank of multinational. Tien tegen één dat ze veel breder naar de kwartaal- en jaarcijfers kijken, onverwachte conclusies trekken die een ander perspectief bieden.” Dat is een boeiende gedachte! Maar, nog afgezien van de vraag of ze in een bestuurskamer aan zouden willen schuiven, hebben hedendaagse kunstenaars dan vooral de intentie om de wereld béter, rechtvaardiger te maken? “De hedendaagse kunst is in zijn uitingen breder dan ooit. Alles kan – geplaatst in de juiste context – kunst worden. Een banaan door een kunstenaar met plakband aan de wand van een museum geplakt heet kunst. Diezelfde banaan op het aanrecht in de keuken van een bijstandsmoeder vertelt een ander verhaal. Een banaan aan het plafond in de woonkamer van een studentenhuis heeft geen kunstzinnige context; het is hooguit een beetje raar.
60
44_Interview_01Lx.indd 60
20-05-21 10:53
WOUTER BERNS Behalve bananen aan de muur, een Banksy die op een veiling door een papierversnipperaar gaat, is er nu ook de zogenaamde NFT-kunst (Non Fungible Token) of blockchaintechnologie die eigenlijk meer een code is, een kunstvorm zonder directe zintuigelijke beleving. Ach, het past in de tijd waarin we leven, anders kreeg het niet zoveel aandacht en bracht het niet zoveel geld op. De kunstwereld kan helaas ook, het woord zegt het al, een kunst-, een namaak-, een nepwereld zijn. Men zoekt er vol overgave naar de nieuwe kleren van de keizer. Soms verbaas ik me. Soms, zoals bij de Banksy, geniet ik ervan, maar verder houd ik me er niet mee bezig. Het is het populistische topje van de kunstberg dat overdreven veel media-aandacht krijgt. Ondertussen zijn er overal ter wereld hardwerkende bezielde kunstenaars interessante dingen aan het scheppen. De kwaliteit van deze kunst is verrassend en hoog. Ze bereikt een minder groot publiek, maar draagt bij aan dat andere perspectief dat we zo nodig hebben.”
‘We zijn van nature gemakzuchtig en daardoor zijn we een bedreigende soort geworden voor onszelf en voor onze omgeving’ Ik moet denken aan Great expectations, het eerste schilderij dat ik van Wouter zag. Het toont twee mannen die doende zijn met een aluminium uitschuifladder. Beiden dragen een spijkerbroek en een halflange jas. Het kunnen buren zijn die elkaar helpen met een klus op het dak, een tafereel dat zich in je eigen straat zou kunnen afspelen. Maar als je vérder kijkt, zie je dat beiden een hoofddeksel dragen dat je alleen nog maar in een museum of op het toneel zult aantreffen. En het meest bevreemdende is dat ze in het open veld staan zonder zelfs maar een spoor van een gebouw of dakgoot om hun lange ladder tegenaan te zetten. De top van de ladder reikt ver uit boven de bomen verderop en priemt door het wolkendek tot in een stukje hemelsblauw. Niets wijst op een grap of stunt; de houding van de heren laat er geen misverstand over bestaan dat zo dadelijk een van beiden naar boven zal klimmen. Als ik Wouter ernaar vraag, zegt hij: “Ik schilder graag dingen waarvan je zou denken dat ze niet kunnen, maar dat je door het beeld gaat geloven dat het misschien tóch kan.”
had, leerde ik over surrealisme en magisch realisme. Aan die stromingen is mijn werk zeker verwant. En die wijze van werken is geënt op de manier waarop ik van nature naar de wereld kijk. Mijn werk is altijd verhalend geweest en dat zal ik niet snel loslaten. De meest in het oog springende ontwikkeling door de jaren heen is de schildertechnische groei. Om goed realistisch te kunnen schilderen moet je vlieguren maken. De verhalen die ik schilder hebben aan verdieping gewonnen, maar dat is een kwestie van rijper worden en dat komt met de jaren en als vanzelf.” Je hebt je naast het schilderen ook aan het schrijven gewaagd met Een hemel voor Theo. Hoe verhouden zich bij jou deze manieren van uitdrukken? “Je zou kunnen zeggen dat ik verder schrijf waar mijn schilderijen ophouden. Visuele ideeën laten zich goed schilderen, meer filosofische invallen giet je makkelijker in woorden. Schilderen en schrijven zijn voor mij complementair. Taal en beeld zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zowel tijdens het schilderen als tijdens het schrijven. Ik schilder dagelijks en ik schrijf dagelijks. Overdag in mijn atelier schrijf ik vooral over wat ik doe, denk en voel. Schrijven is voor mij spiegelen in woorden en schilderen is reflecteren in beelden. Het dagelijkse schrijven vormt wel de basis voor de fictie die ik schrijf. Vergelijk het met schetsen ter voorbereiding van een schilderij. Het houdt me scherp in waar ik mee bezig ben én in waar ik heen wil.” Voor ik afscheid neem laaf ik me nog even aan het schilderij Free your mind. Het komt me nu voor als een visuele samenvatting van ons gesprek. Niet alleen omdat er geschreven tekst in het geschilderde beeld voorkomt, maar vooral omdat het een krachtige oproep is onszelf te bevrijden van beperkende gedachten en conventies en op een nieuwe manier te kijken naar onszelf en de wereld waarin wij leven. En die oproep geldt niet alleen de toevallige voorbijganger maar net zo goed de wereld van religie waar de dorpskerk voor staat. Met een glimlach constateer ik dat het de kunst is die in dit schilderij ook de religie zelf een por geeft en haar met een vette knipoog bepaalt bij haar missie een bevrijdend perspectief te bieden. Wouter, bedankt! Kijk op pagina 75 voor afbeeldingen van de besproken schilderijen van Wouter Berns.
PROFIEL Kunstschilder Wouter Berns (Zevenaar 1970) studeerde in 1992 af aan de kunstacademie in Kampen. Hij exposeert zijn werk sinds 1991 in binnenen buitenland. Berns woont en werkt afwisselend in Kampen en Noord-Frankrijk, waar hij een tweede atelier heeft. Zijn schilderijen zijn permanent te zien bij Galerie Tripmaker in Kampen. Voor meer informatie: www.wouterberns.nl.
Heb je altijd met deze intentie geschilderd? Of zit daar een al dan niet bewust gekozen ontwikkeling in? “Toen ik halverwege de jaren tachtig als tiener mijn eerste schilderijtjes maakte, wilde ik al dingen die niet voor de hand liggen op een realistische manier schilderen. Schilderijen maken die op de rand balanceren van de gangbare werkelijkheid. Later toen ik eenmaal kunstgeschiedenis in mijn vakkenpakket
61
44_Interview_01Lx.indd 61
20-05-21 10:53
In de reeks Paradijsvogels portretteert Willem van der Meiden mensen uit het verleden die opvielen door hun originele geloof, opvallende zendingsdrang of zelfs buitenissige spiritualiteit. In 2021 portretteert hij vooral Nederlandse paradijsvogels voor Volzin.
Weerzinwekkend, maar heilig TEKST WILLEM VAN DER MEIDEN
Z
e is de bekendste heilige van Nederlandse bodem. Eigenlijk: Hollandse bodem, want ze was een tijdgenote van Jacoba van Beieren en ‘leefde’ in Schiedam ten tijde van de burgeroorlog tussen Hoeken en Kabeljauwen. Haar naam was de latinisering van de oerhollandse naam Lijdwijt – een soort vrouwelijke variant van ‘Multatuli’ – en dat mag wel een omineus gegeven worden genoemd. Ze staat bekend als Lidwina (of Liedewij) van Schiedam, werd in 1380 geboren in een arm gezin met acht broers. We zouden nooit van haar gehoord hebben als ze niet in de barre winter van 1394/95, nog geen vijftien jaar oud, met andere kinderen was gaan schaatsen en ten val was gekomen. Wat ze precies mankeert is niet bekend, een kneuzing of een botbreuk, maar wel is duidelijk dat de wond niet of nauwelijks wordt verzorgd. Die verwaarlozing kost haar niet direct haar leven, maar bezorgt haar wel een troosteloos ziekbed van ruim 38 jaar. Pas op 14 april 1433 wordt ze uit haar lijden verlost en bevorderd tot hoger heerlijkheid.
TEKSTEN OVER HAAR LIJDEN Tal van teksten zijn aan het lijden van Lidwina gewijd en de commentaren en hagiografen komen woorden tekort om haar helse pijnen, etterende wonden en andere fysieke ongemakken te beschrijven. Al vóór 1440 verschenen een Latijnse en Middelnederlandse Vita over Lidwina. De Middelnederlandse wordt wel toegeschreven aan Jan Gerlachsz., een familielid van Lidwina. De successchrijver van de Navolging van Christus, Thomas a Kempis, deed een poging in 1448, de befaamde preektijger Johannes Brugman (‘praten als Brugman’) vijf jaar later. Diens boek Vita alme virginis Liidwine werd in 1498 gedrukt. Uit die gedrukte versie stamt een van de eerste afbeeldingen van Lidwina, waarop zij zojuist op het ijs gevallen is. Ook journalist Wim Zaal, in Zoek het Koninkrijk (1976), put zich in zijn bijdrage over Lidwina uit in een stortvloed van ranzige details over haar lijdensweg. De hulp in de huishouding van het gezin moest zelfs overgeven als ze Lidwina’s kamer moest schoonmaken. Eigenlijk zijn haar leven en lijden niets anders dan één grote aanklacht tegen de gebrekkige medische zorg in haar dagen en de moedwillige verwaarlozing van zieke en ‘onnutte’ mensen. Natuurlijk zijn er in de moderne tijd pogingen gedaan haar lijden psychisch te duiden, bijvoorbeeld door haar leeftijd ten tijde van het ongeluk te verbinden met dieptepsychologische
beschouwingen over de coming of age van een jong meisje. En natuurlijk – het gaat per slot van rekening om een vrouw – zijn er ook in onze tijd pogingen gedaan haar met het H-woord op te zadelen. Zo spreekt psychiater P.J. Stolk in 1980 openlijk van ‘hysterie’. Het woord stamt zoals bekend van het Griekse woord voor ‘baarmoeder’. HEILIG Hoe Lidwina heilig is geworden, is een ingewikkeld verhaal. Ze doorliep volgens haar eerste hagiografen keurig de stadia van de ‘mystieke weg’ om hiervoor in aanmerking te komen. Maar anderen weten dat ze zeker in de eerste jaren door woede over het haar toebemeten lot werd geteisterd en zeker nog niet rijp was voor het advies van haar biechtvader om haar lijden op te dragen aan en te verbinden met het lijden van Christus. Maar ze was op haar ziekbed al een beroemdheid en er deden verhalen de ronde dat mensen die haar hadden bezocht op wonderbaarlijke wijze genazen. Zelf begint zij gehuld in haar pijnen visioenen te zien, waarin rozenstruiken – de roos is het symbool van Maria en van het lijden van Christus – een hoofdrol spelen. Soms droomt ze van een ‘lekker feestmaal in de hemel’ (Wim Zaal) of voert een engel haar naar Rome of Jeruzalem. Op het eind van haar leven ontvangt ze de stigmata, de wondtekenen van het lijden van Jezus. Sommigen zijn nu overtuigd, anderen twijfelen: hoe kun je nu de stigmata onderscheiden op zo’n geteisterd lichaam? Als zij in eenzaamheid eindelijk is overleden, verspreidt haar dode lichaam volgens haar hagiografen letterlijk een ‘geur van heiligheid’. Afbeeldingen tonen haar lichaam waaruit een rozenstruik opbloeit. Vast staat dat de eerste schrijvers van haar vita een flink aantal wonderverhalen over Lidwina hebben toegevoegd. Lidwina van Schiedam is nooit heiligverklaard, maar ze werd al eeuwenlang als heilige vereerd en in 1890 werd die heiligheid door paus Leo XIII erkend. Haar feestdag verhuisde een halve eeuw geleden van haar sterfdag 14 april naar 14 juni. Zij is patrones van de chronisch zieken en wordt ook wel de ‘schaatsheilige’ genoemd, opvallend genoeg vooral in Canada. Kerkhistoricus Charles Caspers schreef over haar verering een mooi boek in 2014: Een bovenaardse vrouw. In Schiedam is een heuse basiliek aan de H. Lidwina gewijd. Er is in Schiedam een jaarlijkse Liduinaprocessie waarbij relieken van haar worden rondgedragen.
62
22_Paradijsvogels_01Lx.indd 62
20-05-21 11:40
PARADIJSVOGELS LIDWINA VAN SCHIEDAM
Boven: De val van Liduina op het ijs door Jan Dunselman. Onder: Hetzelfde tafereel. Schilder onbekend.
63
22_Paradijsvogels_01Lx.indd 63
20-05-21 11:40
FILMRECENSIES TEKST JURGEN TIEKSTRA
GUNDA
D
e Amerikaanse acteur Joaquin Phoenix stapt in februari 2020 het podium op van het Dolby Theatre in Londen. Op het podium ontvangt hij een goudkleurig beeldje, een Oscar voor zijn hoofdrol in de speelfilm Joker. Hij houdt de prestigieuze prijs niet triomfantelijk omhoog, maar begint met zijn speech. Zijn gezicht staat strak, zijn stem klinkt schor. Phoenix grijpt het moment aan om te pleiten tegen de industriële omgang met dieren: de koeien die we insemineren, zodat ze bevallen van kalfjes en we de melk uit hun volgelopen uiers kunnen wegstelen en in onze koffie kunnen doen. Niet lang daarna krijgt Phoenix bericht van de Russische documentairemaker Victor Kossakovsky, die net een nieuwe film heeft afgerond: Gunda. Gunda is een Noors moedervarken, dat centraal staat in zijn in gloedvol en contrastrijk zwart-wit gefilmde nieuwe documentaire. De Amerikaan en de Rus blijken geestverwanten te zijn wat betreft hun aversie tegen de industriële omgang met varkens, koeien en
kippen. Beiden willen ons duidelijk maken dat dieren wezens zijn met een innerlijk. Phoenix deed dat expliciet met zijn speech tijdens in Londen, Kossakovsy doet dat veel implicieter in zijn aartskalme, onnadrukkelijke en allesbehalve prekerige documentaire die nu in de bioscopen wordt uitgebracht. Op de titelrol staat Phoenix als ‘uitvoerend producent’ van Gunda, een functie die in de regel te maken heeft met de financiering van een filmproject. Maar bij Kossakovsky’s film zal Phoenix vooral een rol hebben als publiciteitstrekker, aangezien de Amerikaan een beroemd acteur is. Dat is een groot voordeel, omdat de verstilling en de traagheid van Gunda als nadeel heeft dat de film hondsmoeilijk in de markt te zetten zal zijn. Al dertig jaar wilde Kossakovsky deze documentaire maken, op basis van een jeugdherinnering: geboren in Sint-Petersburg verbleef hij soms bij familie op het platteland, waar hij als vierjarige bevriend raakte met het varkentje Vasya, dat tot zijn ontsteltenis op een dag geslacht werd. Het lukte hem nooit de financiering voor zijn documentaire rond te krijgen, totdat eindelijk
een Noors productiebedrijf hem geldsteun toezegde. De opnames vonden plaats op boerderijen en opvangen in Noorwegen, Spanje en GrootBrittannië, waar hij behalve varkens ook runderen en kippen observeerde. Maar de meeste aandacht krijgt zoals gezegd het Noorse varken Gunda en haar tweehanden-vol biggetjes. Het enige dat in dit deel van de documentaire in wezen gebeurt, is dat de camera gadeslaat hoe Gunda haar biggen werpt, hoe deze met grote vitaliteit hun melk drinken uit de tepels van hun moeder, en hoe zij al snuffelend met hun grote, gevoelige snuiten rondstruinen. De film is net zoals Kossakovsky als vierjarige meemaakte, in de SovjetUnie van de jaren zestig: hij speelde bij zijn familie maandenlang met het varkentje Vasya, totdat het dier plots geslacht werd voor het diner op oudjaarsdag. Zo is het dier er en zo is het dier er niet meer. Omdat de mens honger heeft. TITEL: GUNDA Regisseur: Victor Kossakovsy Te zien: sinds 3 juni in de bioscopen Score:
64
22_Filmrecensies_01L.indd 64
20-05-21 11:41
JUDAS AND THE BLACK MESSIAH
D
e Verenigde Staten zijn een land met een roerige geschiedenis. We hoeven niet eens te denken aan de burgeroorlog en de slavernij op de zuidelijke katoenplantages in de negentiende eeuw. We hoeven ook niet te denken aan de oorlogen die de Amerikanen uitvochten met de Britten, Mexicanen en Spanjaarden. Of aan de deelname aan beide Wereldoorlogen. Of aan de hele en halve proxyoorlogen in Azië, het Midden-Oosten en Latijns-Amerika. Neem alleen al de jaren zestig: niet alleen werden de broers John en Robert Kennedy vermoord, maar ook de Afro-Amerikaanse burgerrechtenleiders Martin Luther King en Malcolm X. Dit decennium was het tijdperk van de vurige protesten tegen de Vietnamoorlog en van de burgerrechtenbeweging, maar ook van meerdere linkse, militante groeperingen als de Black Panther Party, de Weathermen en Students for a Democratic Society. Soms komt het vermoeden op dat de Amerikanen stiekem blij zijn met dit verleden. Want uitgerekend in tijden van nood kunnen helden
opstaan. En de Amerikanen houden als geen ander van het narratief van de heroïek, van de moreel onverzettelijke eenling die opstaat tegen kwade krachten. Hadden de Verenigde Staten iets meer geleken op onze Nederlandse verzorgingsstaat, dan was de toevloed aan Amerikaanse boeken, films, tv-series en docu’s minder groot geweest. De speelfilm Judas and the Black Messiah is hier een treffend voorbeeld van. Het script is gebaseerd op het leven van de jonge Afro-Amerikaan William O’Neal, die door de FBI wordt aangezet om informant te worden binnen de Black Panther Party-afdeling in Chicago. Na de dood van Malcolm X in 1965 werd de Black Panther Party opgericht, als militante stormram voor de gediscrimineerde zwarte gemeenschap. In Chicago viel de jonge leider Fred Hampton op, die het oratorische talent van Martin Luther King en Malcolm X had geërfd. Ook al wordt het verhaal verteld vanuit het perspectief van de informant, uiteindelijk gaat het om deze Fred Hampton. Het doel van
de filmmakers is om de huidige zwarte gemeenschap weer kennis te laten maken met Hampton als rolmodel, omdat wie hij ten diepste was in de vergetelheid is geraakt na zijn dood in 1969. Hamptons weduwe en zoon zijn uitdrukkelijk gevraagd hun goedkeuring aan de film te verlenen. Om een groot publiek te bereiken, is gekozen voor het thrillergenre. Diezelfde tactiek werd gebruikt bij de film Get Out uit 2017, waarmee acteur Daniel Kaluuya bekendheid verwierf. Hij heeft nu de rol van Fred Hampton, waarvoor hij recent een Oscar kreeg. In Get Out werd het horrorgenre gebruikt om iets te zeggen over de huidige raciale twisten in de Verenigde Staten, dit keer gaat het dus om een thriller in het decor van de jaren zestig. Echt begrijpen wie Fred Hampton was, lukt niet met deze film. Maar het vuur waarmee hij streed, wordt wél voelbaar. TITEL: JUDAS AND THE BLACK MESSIAH Regisseur: Shaka King Te zien: sinds 3 juni in de bioscopen Score:
65
22_Filmrecensies_01L.indd 65
20-05-21 11:41
DE BOEKENKAST VAN...
‘Boeken leren mij hoe het leven in elkaar zit’ Peter Nissen is theoloog, kerkhistoricus en hoogleraar Oecumenica aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Daarnaast is hij als predikant verbonden aan ‘ZielZin: een plek voor dromen en dwarse gedachten’ in Nijmegen. Hij voelt zich verbonden met de benedictijnse spiritualiteit. Hij schrijft regelmatig boeken en artikelen over spiritualiteit en (kerk)geschiedenis. Wat zegt zijn boekenkast over hem en welke boeken inspireren hem? TEKST DIANNE NIJHUIS BEELD CLAUDIA VENHORST, PIXABAY
Leest u veel en wat voor een lezer bent u? “Ik ben een gretige lezer. Ik lees altijd als ik er de kans toe krijg en heb dus ook vrijwel altijd een boek binnen handbereik. Ik kan gemakkelijk in meer dan één boek lezen: het ene meer wetenschappelijk en het andere meer literair. Ik lees ook altijd voor ik ga slapen; geen zware kost, maar een roman of een gedichtenbundel.” Wat zegt uw boekenkast over u? “Mijn vele boekenkasten laten de
diversiteit van mijn belangstelling zien. Het zijn er veel en ik schaam me wel een beetje. Maar ik heb ze nodig voor mijn eigen schrijfwerk. De boeken gaan als het ware gesprekken met elkaar aan. In de huiskamer staan de literaire boeken – romans, dichtbundels en schrijversbiografieën – en kunsthistorische boeken. In mijn studeerkamer staan – en liggen op de tafel en de vloer – de boeken op het gebied van kerkgeschiedenis, theologie, spiritualiteit en oecumene. Ze staan en liggen inmiddels twee rijen dik, maar ik
weet alles terug te vinden. In een ruimte naast mijn studeerkamer staan boeken over geschiedenis. Een deel van de theologie staat ten slotte op onze slaapkamer. Uit plaatsgebrek, maar ook omdat het vaak heerlijk slaapverwekkende boeken zijn. De boeken helpen mij de wereld en de mens te begrijpen. Zij leren mij hoe het leven in elkaar zit: complex en veelzijdig.” Welk boek had u graag in uw boekenkast willen hebben maar hebt u nooit kunnen verwerven? “Ik ben een tevreden mens. Er zijn
66
22_Droom van_02L.indd 66
20-05-21 09:14
PETER NISSEN nog enkele boeken waar ik naar op zoek ben. Maar als ik ze niet vind, word ik daar niet ongelukkig van.” Welke drie boeken neemt u beslist mee naar een verblijf in een kluizenaarshut? “Moet ik daar alleen naar toe, zonder mijn vrouw? Dan hoef ik niet lang na te denken. Ik neem de Bijbel mee in de NBV-vertaling. Natuurlijk in de katholieke uitgave, met de deuterocanonieke boeken. Dan heb je meteen al 73 boeken in één band. En pareltjes als de Wijsheid van Jezus Sirach, zo vol menselijke wijsheid, die wil je toch niet missen? Daarnaast het getijdenboek in de Latijnse versie: Liturgia horarum. Dat verbindt je toch met een traditie van eeuwen. En als derde de Regel van Benedictus, in de uitgave met commentaar van de anglicaanse Esther de Waal (A Life-Giving Way). Zij verbindt de richtlijnen van Benedictus heel goed met het dagelijks leven, ook buiten een klooster.” Welke drie boeken hebben u het meest beïnvloed? “Het klinkt misschien vroom, maar dan denk ik toch allereerst
weer aan de Bijbel, die bonte bibliotheek vol ervaringen van mensen met God. De laatste twee decennia ben ik vooral veel gaan houden van het evangelie volgens Marcus, het oudste van de vier. Je hebt daar nog het gevoel dicht bij de joodse rabbi Jezus te komen. Maar ook de Psalmen blijven mij raken met hun diversiteit van gevoelens en ervaringen, van hoop tot wanhoop. Een ander boek dat bij mij insloeg als een bom, is het bekeringsverhaal van Pieter van der Meer de Walcheren: Mijn dagboek uit 1913. Dit boek gaat over een ongelovig opgevoede schrijver die de schoonheid van het katholicisme herontdekt. Ik las het als middelbare scholier in het gastenkwartier van een benedictijnenabdij. Vanaf mijn middelbare schooltijd hebben, ten slotte, de bundels van Huub Oosterhuis veel voor mij betekend, zoals Bid om vrede, In het voorbijgaan en Zien, soms even: prachtige teksten die eigentijdse woorden geven aan ons tastende geloven.” Een dilemma: of al uw boeken weggooien of nooit meer mogen schrijven... wat wordt het?
“Dan toch maar: nooit meer kunnen schrijven. Er is al zoveel moois geschreven door anderen dat er niet per se meer iets van mij bij hoeft. En in mijn boekenkasten staan veel boeken die nog ongelezen zijn of die het verdienen herlezen te worden. Ik hoop daar nog zo lang mogelijk mee te kunnen doorgaan. Al komt er misschien ooit een moment dat je aan één boek genoeg hebt, omdat je vijf minuten later niet meer weet wat je gelezen hebt. Ik zie dat nu bij mijn lieve schoonmoeder. Als dat moment komt, is dat zo, maar ik hoop dat ik het niet hoef mee te maken.” Is er volgens u toekomst voor het papieren boek? “Die toekomst is er zeker. Ik zie natuurlijk wel dat bij veel studenten het papieren boek het onderspit delft ten gunste van digitale teksten. Maar er zullen altijd mensen zijn voor wie een boek meer is dan een tekst: mensen die een boek in handen willen hebben en het papier willen ruiken. Ze willen het knisperen van de bladzijden horen, de boekband strelen en stiekem, als niemand kijkt, willen ze boeken zoenen.”
67
22_Droom van_02L.indd 67
20-05-21 09:14
BOEKRECENSIES
(POST)MODERNE FILOSOFEN OVER GOD/GODSDIENST
OP PAD LANGS KLOOSTERS IN NOORD-BRABANT
I
n dit Bindboek staan beschrijvingen van vijftien kloosterlocaties die de wandelaar onderweg, tijdens het lopen van Ons Kloosterpad, tegenkomt. Ons Kloosterpad, een nieuw wandelpad van 330 kilometer langs Brabantse kloosters, is ontwikkeld door de provincie Noord-Brabant in het kader van ‘2021: Jaar van het Brabants Kloosterleven’. Het boek bevat ook de wandelkaarten van de vijftien etappes met meer bijzondere kloosters, abdijen en kapelletjes door het landschap, dorpen en steden van de provincie Noord-Brabant. Deze gids wil ook een inspiratieboek zijn. In het Bindboek leest u verhalen van de mensen die leefden of nog steeds leven en werken in de Brabantse kloostergemeenschappen. Dat doen ze vanuit hun eigen geloof, waarden en overtuigingen. Al honderden jaren lang stellen kloosterlingen zichzelf vragen als: kan ik met minder leven of kan ik van betekenis zijn voor een ander? In hun levenswijze laten kloosterlingen zien hoe zij, vanuit deze vragen, aan de wereld willen bijdragen. Wat kunnen we hiervan leren? Onderweg kan de wandelaar het bindboek verrijken met eigen ervaringen en overpeinzingen. Tijd voor bezinning en inspiratie vanuit eeuwenoude waarden naar betekenissen voor nu. Inmiddels zijn al duizenden exemplaren verkocht van dit boek. Een aanrader voor wie van wandelen, kloosters en pelgrimeren houdt. (Greco Idema)
PROVINCIE NOORD-BRABANT | BRABANTS KLOOSTERLEVEN Bindboek Ons Kloosterpad – Op pad langs kloosters in Noord-Brabant Berne Media 193 blz., € 29,50 Score:
H
oe komt het toch dat Feuerbach, Nietzsche en andere filosofische zwaargewichten er niet in geslaagd zijn God definitief uit de westerse wereld te vegen? In het onlangs bij uitgeverij Damon verschenen Religieus atheïsme bespreekt de Belgische filosoof en theoloog Erik Meganck twaalf invloedrijke (post)moderne filosofen (Feuerbach, Marx, Kierkegaard, Nietzsche, Freud, Russell, Wittgenstein, Heidegger, Sartre, Levinas, Lyotard, Derrida) die elk in meer of mindere mate ‘atheïst’ worden genoemd. Althans, dat leert de karikatuur die men in handboeken en inleidingen vindt. Meganck schoont dit beeld op en biedt aan de hand van hun visie op God en godsdienst een frisse kijk op actuele godsdienstfilosofie, die voorbijgaat aan de moderne spagaat tussen denken en geloven. Dat mondt uit in een rijker atheïsme dan de oppervlakkige variaties op ‘God bestaat niet’. Religieus atheïsme is een prettig, vlotgeschreven boek. Het boek is een interessante zoektocht naar God in het actuele filosofiedebat. Jammer dat Meganck alleen maar mannen behandelt. Enige voorkennis is handig, want er wordt wel wat van de lezer verwacht. Ondanks de af en toe zeer complexe passages toont Meganck zich een prima docent. De bibliografische tips aan het eind van het boek zijn handig. Een boeiend boek dat al vele positieve recensies kreeg. (Greco Idema)
ERIK MEGANCK Religieus atheïsme – (Post)moderne filosofen over God en godsdienst Damon 256 blz., € 24,90 Score:
68
11_boekrecensies_03Lx.indd 68
20-05-21 11:42
ZIJN WE WEL OVER OPSTANDIGHEID EN OF GEEN GOEDE RECHTVAARDIGHEID VOOROUDER?
W
aar komt al die woede vandaan? Een uiting van woede gold eeuwenlang als zwak, wild en onbeschaafd, maar dat geldt nu niet meer. Woede mag. Tegenwoordig luisteren we meer naar mensen die in woede ontsteken. We willen weten wat er achter die woede schuilt, ook als die woede ontspoort of verdwaalt. Deze meer open houding is nu gewoner en tegelijk worden de remmen op woede zwakker. Mensen komen meer dan ooit in opstand bij vermeend onrecht. Die trend past in een lange emancipatiegeschiedenis, waarbij rechtsgevoel en opstandigheid steeds belangrijker zijn geworden. Terugvoerend op de oudste bronnen van onze beschaving, toont filosoof Nico Koning in De waarde van woede hoe de houding ten opzichte van woede in de loop van de geschiedenis veranderd is. Hij bespreekt de verschillende houdingen ten opzichte van woede vanuit een heren- en een slavenperspectief. Daarbij vraagt hij zich steeds af hoe we met woede zouden moeten omgaan. Daartoe geeft Koning enkele praktische handreikingen. Zo kunnen we de geschiedenis inzetten om onze eigen woede beter op waarde te schatten. Eind april verscheen in dagblad Trouw een interview van Willem Pekelder met Koning waarin hij pleit voor woedetrainingen op school. Wat mij betreft een heel goed idee. Het boek van bijna 500 pagina’s beveel ik de lezers van Volzin van harte aan. (Greco Idema)
NICO KONING De waarde van woede – Over opstandigheid en rechtvaardigheid Damon 472 blz., € 29,90 Score:
C
ultuurhistoricus Roman Krznaric is medeoprichter van en docent aan de School of Life in Londen. In dit boek schrijft hij over hoe we verder kunnen kijken dan onze eigen generatie lang is. Onder alle grote problemen waar de wereld mee worstelt, ligt één kraakheldere oorzaak: we denken alleen aan de korte termijn. In dit urgente en praktische filosofieboek breekt de bestsellerauteur het debat hierover open. Hij beschrijft de geschiedenis van dit kortetermijndenken en schetst hoe we verder kunnen kijken dan onze eigen generatie lang is. Er is namelijk wel degelijk hoop, volgens Roman Krznaric. Om goede voorouders te worden moeten we onder meer onze economie en politiek radicaal omvormen – een enorme opgave. Maar onder die ambitieuze doelen ligt iets wat we zelf kunnen doen: onze kortzichtigheid inruilen voor langetermijndenken. Krznaric onthult zes praktische manieren om onze hersenen hierin bij te scholen. Dan verschuiven we de loyaliteit van onze eigen generatie naar de hele mensheid en kunnen we onze planeet en onze toekomst redden. De belangrijkste vraag die we onszelf moeten stellen is: ‘Zijn we een goede voorouder?’ In de column van Frits de Lange op pagina 57 in deze Volzin aandacht voor dit boek van Roman Krznaric. Wat mij betreft een goed leesbaar en indrukwekkend boek. Een boek dat de lezer niet snel zal vergeten. (Greco Idema)
ROMAN KRZNARIC De goede voorouder – Langetermijndenken voor een kortetermijnwereld Ten Have 240 blz., € 22,99 Score:
69
11_boekrecensies_04Rx.indd 69
20-05-21 11:42
ZINSPELING
De zoekend-tastende, maar trefzekere kunst van Julius Stibbe
‘Ik wil het allemaal gaan uitproberen’ Kunst en levensbeschouwing, esthetiek en spiritualiteit: ze willen allebei iets anders. De een wil de zinnen strelen, de ander de vraag naar zin openhouden. Maar beide spreken ze tot de ziel. En wie goed luistert, hoort dat ook de kunst – spelenderwijze en meestal onbedoeld – een uitzicht op zin opent. Dit fenomeen verkennen we in deze rubriek. Dat doen we aan de hand van jonge kunstenaars die nu al klassiek zijn. Deze keer aandacht voor schilder Julius Stibbe. TEKST ERIC CORSIUS BEELD JONATHAN DE WAART
“Z
olang ik maar kan schilderen...” Zo drukt de jonge schilder Julius Stibbe (1995) zijn passie uit voor zijn vak. Hij zegt met deze woorden niet alleen, dat de kunst zijn element is. Hij wil ook zijn voorkeur onderstrepen voor de discipline van het schilderen. Het is ook een conservatieve stellingname, aangezien de schilderkunst in de loop van de twintigste eeuw haar positie als koningin der beeldende kunsten heeft moeten prijsgeven – door de opkomst van de fotografie, maar vooral door de concurrentie van nieuwe kunstvormen, zoals de installatiekunst, de performance en de conceptuele kunst. Die behoudende stellingname blijkt vooral uit Stibbes werk zelf, dat duidelijk staat in de traditie van de schilderkunst uit het begin van de twintigste eeuw. Zich bedienend van traditionele technieken schept hij doeken, die herinneren aan expressionisme, fauvisme en hier en daar zelfs aan magisch realisme. Zijn werk is innemend door de organische vormtaal en de kleurenpracht. Het is kunst zonder pretenties en statements, waaraan is af te zien dat de kunstenaar heeft genoten van het maakproces. Kunst omwille van de kunst, niet meer en niet minder. ASSOCIATIEF EN SPEELS Dat pretentieloze blijkt ook uit de titels die zijn werken hebben en die verwijzen naar heel dagelijkse, herkenbare verschijnselen en ervaringen: Maandagochtend, De Knie, Jij en Ik, Aan het strand, Zonsopgang, Blokje Om. Ironisch bedoeld is het niet, wel associatief en speels. De intensiteit is er niet minder om, zoals in Jij, dat een tedere
liefdesverklaring lijkt te zijn. Lijkt... Want het is hachelijk om Stibbes werken te willen interpreteren. Zelf zegt hij dat hij de toeschouwer graag alle ruimte laat om zelf zijn werken te interpreteren. Het pretentieloze van zijn werk hangt ook samen met dit vermijden van opdringerigheid. Het ontstaansproces heeft bij hem een associatief karakter. De schilder gaat intuïtief te werk, tegelijk spontaan en geconcentreerd, bijna contemplatief. Hij grijpt de momenten van ingeving aan, maar gunt zichzelf ook alle tijd. Hij laat als het ware de tijd zelf haar werk doen. Hij geeft zich over aan zijn inspiratie, maar durft ook te twijfelen en te aarzelen. Zo laat hij een schilderij soms voor een langere periode rusten, om na een zekere tijd de draad weer op te pakken. Tot het einde blijft onbeslist, of het werk nu af is of niet. Gedurende het maakproces kan de kunstenaar nog van richting veranderen. Hij laat zich leiden door voortschrijdend inzicht en schrikt niet terug voor een voortdurende staat van voorlopigheid. OVERDADIG KARAKTER Des te opvallender is dat het eindresultaat op het doek desondanks een harmonisch en sereen geheel is, waarin alle puzzelstukjes in elkaar vallen. Stibbe lijkt het bewust ‘onaffe’ van tijdgenoten te vermijden. De ruimte die Stibbe aan zijn kijkers geeft, om zijn werk te duiden en ‘in te vullen’, komt, anders dan bij sommige collega’s, niet tot stand door het opgeven van raadsels of door het onthouden van informatie. Hij schept geen brokstukken of torso’s. Het is in tegendeel de rijkdom en het overdadige karakter van zijn werk, die ons als kijker laat associëren, wegdromen en nadenken:
70
22_Zinspeling_01Lx.indd 70
20-05-21 11:43
JULIUS STIBBE
de rijkdom en overdaad van vormen en kleuren, de rijkdom en overdaad aan mogelijke betekenissen. Anders gezegd: terwijl sommige hedendaagse schilders ons ontregelen en provoceren door uiterste abstractie of een mystieke leegte, brengt Stibbe ons juist van slag door ons overvloed voor te schotelen. Voor zover de ogenschijnlijke pretentieloze Stibbe in de media iets over zichzelf loslaat, laat hij blijken dat hij ook zichzelf als kunstenaar beschouwt als work in progress en dat hij zich ook bewust overlevert aan een ontwikkelings- en leerproces. Hoe succesvol hij ook is, ja: gevierd en gelauwerd, hij is allesbehalve ‘gevestigd’. Enkele jaren geleden nam hij bijvoorbeeld deel aan het project De Torenkamer van Vondel CS en Radio 4. Hierbij kreeg elke week een andere kunstenaar de ruimte en de tijd, om zich artistiek uit te leven in een kleine ruimte op de bovenste verdieping van het culturele centrum in het Vondelpark in Amsterdam. Stibbe nam de uitnodiging tot deze retraite aan. Hij zag het als een uitdaging om een kant van zichzelf te
ontdekken en te ontwikkelen, die hij lang bewust had laten liggen: het tekenen. Zijn motto daarbij: “Potlood, stift, verf, krijt, ik wil het allemaal gaan uitproberen!” OPEN EN NIEUWSGIERIG Een belijdenis van openheid en nieuwsgierigheid, die een mooie aanvulling is op de ogenschijnlijk monomane uitspraak, waarmee ik dit artikel begon. Een ‘statement’ van een jonge kunstenaar die zichzelf, zijn vak en de wereld wil ontdekken. Des te tragischer is het, dat Stibbe met veel collega’s en leeftijdsgenoten in het bijzonder te kampen heeft met de gevolgen van de huidige pandemie en de ermee gepaard gaande beperkingen. Ontwikkeling en creativiteit, in de kunst en daarbuiten, vragen om ruimte: ruimte om netwerken aan te knopen, om je vleugels uit te slaan, om onbekend terrein te verkennen. Dat is de generatie van Stibbe momenteel niet gegund. Er dreigt voor ons allemaal daardoor een waardevolle bron op te drogen.
71
22_Zinspeling_01Lx.indd 71
20-05-21 11:43
DICHTERBIJ
PELGRIM Pelgrim ben ik, al zo lang. Over vlaktes trek ik in de malende zon. Door de straten zwerf ik als een dolende gast. Klop aan bij de boeren, zit neer bij de wijzen, zoek met het diepst in mij naar het hoogste van de hemel, smeek de Barmhartige om mij te verlossen uit de snerpende leegte in mijn angstige hart. Hier ben ik, zeg ik, maar ik ben er niet echt. Waar zijt Ge, vraag ik, maar verwacht geen antwoord. Zo ga ik en ga ik langs eenzame wegen, zo werp ik mij neer bij de kloosterhoven. Ik vloek en ik roep tot ik neerval en snik: ik geef mij gewonnen, raap mij op, neem mijn tranen, zet mij neer waar ik zijn moet. Ik zal doen wat ik doen moet op de kracht van Uw adem, om de smart van de mensen. Catharina Visser (1932-2015)
72
22_Dichterbij_01Lx.indd 72
20-05-21 09:15
MIRJAM VAN DER VEGT
Op de kracht van Uw adem Voor Volzin maakt Bert van der Kruk sinds 2010 de rubriek Dichterbij, waarin mensen aan het woord komen over hun lijfgedicht. De verhalen geven een inspirerend inkijkje in hun leven. Bovendien werpen ze een verrassend licht op boeiende gedichten uit het Nederlandse taalgebied en ver daarbuiten. Deze maand: Mirjam van der Vegt. TEKST BERT VAN DER KRUK BEELD ELJEE
“W
acht, ik loop even naar mijn stilteruimte, waar ik mijn stille tijd houd en trainingen geef. Daar hangt het gedicht groot aan de muur. Het loopt al lang mee in mijn leven. Ik kwam de tekst ooit tegen in een klooster in Brugge, geprint op een A4’tje, ergens achteloos achtergelaten. Het gedicht raakte me meteen diep, omdat het precies verwoordt hoe ik me voelde. Ik had geen idee wat ik aan moest met mijn leven. Ik was als journalist burn-out geraakt; ik had uitval in mijn armen en benen, ik kon niet meer schrijven. Ik had niet het idee ooit nog iets te kunnen betekenen voor de wereld. Ik was altijd moe, had veel pijn – ongeveer vijf jaar lang chronische pijn. Die burn-out kwam niet alleen door mijn werk, maar vooral door mijn eigen aard. Ik zei overal ja op. Ik was altijd bezig om voor iedereen te zorgen en rechtvaardigheid te brengen. Ik was betrokken bij de opzet van een voedselbank en een buddysysteem voor eenzame mensen. Toen ik ook nog moeder werd, zei mijn lijf: leuk dat jij dat allemaal hebt bedacht, maar ik kap ermee. Door die burn-out ben ik lange tijd onzichtbaar geweest, en eigenlijk wilde ik dat ook wel blijven. Ik had geen zin meer om uit mijn schulp te komen, want ja, wie ben ik nou helemaal? Maar nadat ik dit gedicht had gelezen, had ik het idee dat God mij vroeg om weer zichtbaar te worden. Zet mij neer waar ik zijn moet. Ik zal doen wat ik doen moet op de kracht van Uw adem. Dat sprak me enorm aan. Ik had veel gedaan op de kracht van mijn eigen adem en ik was op veel plekken geweest waar ik misschien alleen maar naartoe ging omdat ik dat zélf nodig vond. En hier las ik iets heel anders, een statement over beschikbaar stellen, je gewonnen geven. Ik kon wel blijven dolen, maar misschien kon ik beter zeggen: ‘God, hier ben ik, laat ik het dan maar doen op de kracht van Uw adem,
want zelf heb ik niet veel adem meer’. Mijn werk als schrijver en stiltetrainer vloeit eigenlijk voort uit dat moment. Het eerste deel van het gedicht gaat over je eigen actie: ík ben pelgrim, ík zwerf, ík klop aan, ík zit neer, ík zoek, ík smeek, ík wil af van de snerpende leegte in mijn hart. En dan kantelt het gedicht en staat er: Hier ben ik, zeg ik, maar ik ben er niet echt. Dat gold voor mij ook. Ik was er heel vaak, maar was ik er wel echt? In het tweede deel zoekt de dichteres geen antwoorden meer en vraagt ze niet langer om verlossing uit de leegte, maar zegt ze: ‘Oké, hier ben ik met mijn tranen, mijn leegte, raap mij maar op’. Ze geeft zich gewonnen. Voor mijzelf betekent dit dat ik bij God mag komen inclusief al mijn emoties en behoeften, zonder mijn eigen oplossingen of strategieën. Ik ben nog steeds een zoeker, ik geloof niet dat je het ooit helemaal gevonden kunt hebben. De wanhoop die je in het eerste gedeelte van het gedicht proeft, hoort voor mij bij de periode van mijn burn-out, maar kan ik nog steeds voelen nu ik met andere dingen worstel. Ik heb nu te maken met veel ernstige ziekten in onze familie – hersentumor, psychiatrische ziekte, de gevolgen van een ernstige aanrijding – en kan nog steeds malen en zoeken. Maar ik zoek anders. Niet meer bij de boeren en de wijzen, omdat misschien daar iemand het antwoord weet. Er is geen antwoord. Ik weet dat het goed is om me op een gegeven moment gewonnen te geven, en het verder te doen op een adem die niet van mijzelf is. Dat is de bestemming waar ik als pelgrim naar onderweg ben.”
Mirjam van der Vegt (Leiden, 1977) is journalist, schrijver en stiltetrainer. Ze schreef onder meer De kracht van rust (Uitgeverij Ten Have), dat werd uitgeroepen tot Beste Spirituele Boek 2021.
73
22_Dichterbij_01Lx.indd 73
20-05-21 09:15
VOLZIN 20 JAAR WILLEM PEKELDER In deze rubriek kijken betrokkenen terug op bijzondere, grappige, emotionele en interessante gebeurtenissen en ontwikkelingen in het kader van 20 jaar Volzin.
Schrijnend mooi atheïsme H et mooiste verhaal dat ik voor Volzin heb mogen schrijven, is ‘De atheïstische biecht’ van Wim Koole. Het interview raakte mij ten diepste, en ik geloof dat dat bij de oud-Ikondirecteur ook het geval was. Een paar keer tijdens het gesprek moest hij huilen, en het waren echte tranen, geen tv-tranen.
Zo had hij ook zijn afscheidspreek voor de vier vermoorde journalisten opgebouwd, als een godsdrama. De bekende negro spiritual Prepare me one body like a man and I’ll go down and die was daarbij het leidmotief. Koole legde in het interview uit: “Jezus die tot zijn Vader zegt: ‘Dit kan toch zo niet doorgaan, maak een mens van mij en laat mij naar de aarde gaan en sterven’. Dramatisch natuurlijk een prachtig gegeven: er is te veel aan de hand voor God alléén. Hij heeft een Zoon en een Heilige Geest nodig. Onze Ikon-jongens hebben in de praktijk het godsdrama uit de spiritual doorleefd. Door te willen, nee te móéten gaan naar het verdrukte volk van El Salvador. Prepare me one body like a man...”
Dominee Koole behoort tot de categorie atheïsten waar ik een zwak voor heb. Niet de Richard Dawkinsen en Daniel Dennetts van deze wereld, met hun bijna agressieve afwijzing van elk godsgeloof, nee de categorie die met hartzeer afscheid neemt van de hemel. Hartzeer, omdat het verdwijnen van God ook een gemis betekent. Tot die groep rekende Wim Koole (1929-2009) zich. “Ik ben verlost van God, maar het was een pijnlijke verlossing”, sprak Koole in dat vroege voorjaar van 2008. “Atheïsme betekent: zonder God. Het is dus ook een verlies. Als kleine jongen ging ik met mijn grootvader naar de hervormde kerk in Ritthem. Mijn oom had vaak trapdienst bij het orgel en ik zat naast hem. Daarom wilde ik dominee worden: die warmte en gemeenzaamheid van de zondagmorgen, het optrekken naar ’s Heren Huis, het vertrouwen: He has the whole world in his hand. Een prachtige wereld, maar hij is mij op smartelijke wijze door de vingers geglipt.” Zijn atheïsme was in fases gegroeid. De eerste twijfel ontstond na het geallieerde bombardement op Walcheren op 3 oktober 1944, toen de jonge Wim Koole, bibberend onder tafel, God bedankte dat hij was gered, maar tegelijkertijd moest constateren dat rondom hem de wereld was vergaan. Zijn
geloof stierf definitief na de dood van de vier Ikon-journalisten in 1982 in El Salvador. “Een God die de boel zo uit de hand heeft laten lopen, is machteloos en kun je net zo goed schrappen”, zei Koole in het interview. Ik had het opgeschreven als een biecht, dat wil zeggen in monoloogvorm, omdat ik vreesde met mijn vragen Kooles aangrijpende relaas slechts te verstoren. Het ging per slot van rekening over niets minder dan een bekering, zij het in omgekeerde richting en zonder de vreugde van een bekering tót God, maar wel even verreikend. Als ik het interview teruglees ben ik nog steeds tevreden over de vorm. De journalist is overbodig in dit verhaal. De ontroering van Koole voldoet. Bijvoorbeeld wanneer hij spreekt over God als drama in plaats van dogma.
Na afloop op weg naar huis peinsde ik: dit is een diepdoordacht atheïsme van een schrijnend mooie soort. Met als verrassend resultaat een antropomorf godsbeeld: God niet als Almachtige bestierder van het Al, maar als dramaturg en daarmee onderdeel van het menselijk drama. Zoals Koole in het interview vertelde: “Het gaat om het prachtige verhaal. Een God die over de rand van de berg heenkijkt en roept: ‘Waarom bouwen jullie een toren van Babel? Ik ben niet in de hemel, maar gewoon tússen jullie’. God bouwt zijn tent onder de mensen. Met andere woorden: als God het gevoel heeft dat hij niet meer nodig is, breekt hij zijn tentje weer op en trekt vrolijk verder.” Bij het afscheid vroeg ik: “Mag ik je omhelzen?” Zo’n voorstel had ik nooit eerder gedaan na een interview. “Ja”, zei Wim, “dat is goed”. En zo gingen we uit elkaar. Willem Pekelder is freelancejournalist en schrijft onder meer voor dagblad Trouw over religie en levensbeschouwing.
74
11_VolZin 20 jaar_01Rx.indd 74
20-05-21 09:15
KUNST
De kunst van Wouter Berns
Wouter Berns, Free your mind, 80 x 80 cm, acryl op doek. (Beeld: Art Revisited + B&Wphotography)
Wouter Berns, (No) surrender, 100 x 150 cm, acryl op doek. (Beeld: Art Revisited + B&Wphotography)
Wouter Berns, Great expectations, 40 x 65 cm, acryl op doek. (Beeld: Art Revisited + B&Wphotography)
Wouter Berns, De schepper, 100 x 190 cm, acryl op doek. (Beeld: Art Revisited + B&Wphotography)
75
22_Cover_01Lx.indd 2
22_Cartoons_01Lx.indd 75
20-05-21 20-05-21 08:47 08:45
Bashira, 10 jaar, Syrië
Nr. 6 – juni 2021 – jaargang 20 – volzin.nu
IEDER KIND VERDIENT ''0 ''4.č -' -#05 Save the Children geeft in de hele wereld kinderen een gezonde start, de kans om te leren en we beschermen ze tegen onrecht en gevaar. Wij doen alles wat nodig is om het leven van kinderen - en daarmee de toekomst van onze samenleving - te verbeteren. Niet alleen in geval van nood, maar elke dag weer.
www.savethechildren.nl
22_Cover_01Lx.indd 1
JANNEKE STEGEMAN
‘Ons christendom is niet onschuldig’ 20-05-21 08:47