Skip to main content

ONveranderbaarheid van organisaties

Page 1

4 Macht: de politieke kant van r­obuustheid Onveranderbaarheid van organisaties wordt medebepaald door stabiele machtspatronen. Macht is een beladen onderwerp bij mensen, maar heel goed zichtbaar en daardoor bespreekbaar bij dieren. Om de zin en functie van macht wat beter te begrijpen, vroegen we etholoog Jan van Hooff een bijdrage te leveren over de rol van macht in het dierenrijk.

Macht: de politieke kant van robuustheid

47


Macht en stabiliteit van de sociale organisatie bij dieren Prof. dr. Jan van Hooff Emeritus hoogleraar Ethologie, Universiteit Utrecht In 1922 deed de Noorse onderzoeker Schjelderup-Ebbe een experiment met kippen. Hij bracht een aantal hennen dat elkaar niet kende, samen in één ruimte. Prompt braken er pikgevechten uit tussen de kippen. Maar na korte tijd zag Schjelderup-Ebbe iets veranderen. Aanvankelijk kon elke kip iedere andere kip aanvallen. Maar al spoedig werden de aanvallen nog slechts in één richting uitgevoerd. α viel β, γ en δ aan; β pikte naar γ en δ, maar ze liet het wel uit haar kleine kippenkoppie om naar α te pikken. Aan het eind van de reeks stond de spreekwoordelijk omega, Ω, die door iedereen werd gepikt en niemand dorst terug te pikken. Er ontstond een dominantiehiërarchie of ‘pikorde’. Die term is zelfs in ons alledaagse spraakgebruik ingeburgerd, zonder dat we beseffen waar hij vandaan komt. Opvallend was ook dat met de tijd de gevechten minder veelvuldig en heftig werden. Het bleek dat zowel de ondergeschikte als de overheerser daar baat bij hadden. De ondergeschikte gunde de dominant de voorrang en ging zo heilloze confrontaties uit de weg. De dominant beheerste zodoende de toegang tot bestaansmiddelen en hoefde zijn machtspositie niet telkens opnieuw te bewijzen. Het streven naar een machtspositie blijkt een universeel verschijnsel in allerlei dierlijke samenlevingen te zijn. We snappen heel goed dat de fysieke en mentale eigenschappen, zoals heerszucht en assertiviteit, die overwicht opleveren in de wedijver om macht onder positieve evolutionaire selectiedruk staan. Immers, de individuen die dankzij deze eigenschappen toegang hebben tot de betere territoria, het betere voedsel, de betere nestplaatsen, de favoriete – want betere – geslachtspartners, enzovoort, enzovoort, die individuen zullen dus ook in een betere gelegenheid zijn om nakomelingen voort te brengen. Daarmee verbreidt de aanleg tot de eigenschappen, die hen zo succesvol maakten, zich in volgende generaties. Macht betekent het vermogen om een situatie, of dat nu een sociale of een nietsociale betreft, te kunnen voorspellen en te kunnen beheersen. Het betekent een welkome reductie van onzekerheid. Een experiment met ratten illustreert dit. Drie diertjes werden dagelijks enige tijd, elk apart, in een kooitje geplaatst. Twee van hen kregen op onvoorspelbare momenten, maar wel tegelijkertijd een elektrisch schokje. De derde was de controlerat, die alleen maar de handelingen van verplaatsing onderging. Bij één van de twee ratjes die geschokt werden, ging vijf seconden voor de schok een lampje branden. Dat kondigde dus de schok aan. Na verloop van tijd werden de drie ratjes onderzocht op tekenen van gestresstheid, bijvoorbeeld maag- en darmzweren. De controlerat bleek nauwelijks van de be48

onveranderbaarheid van organisaties


handeling geleden te hebben. De twee geschokte ratjes vertoonden echter duidelijke stress-symptomen. Opvallend was dat de rat, waarbij de schokjes niet waren aangekondigd de sterkste symptomen vertoonde. Wanneer zo’n rat in het schokkooitje geplaatst werd, verkeerde hij constant in gespannen afwachting, terwijl de andere rat zich alleen schrap zette als het lampje aanging. Dezelfde onaangename situatie was dus dragelijker voor het dier dat zich erop kon instellen. In een ander experiment kregen drie dieren in de schokkooi een wieltje dat ze konden ronddraaien. Weer werden er twee geschokt op een onvoorspelbaar moment. Nu ging voor beide een lampje branden. Dat werd weer na vijf seconden voor beide gevolgd door een schok. Maar in dit geval kon één van de dieren voorkomen dat de schok gegeven werd door aan het wieltje te draaien als het lampje ging branden. Na verloop van tijd vergat hij dat en dan kregen beide ratten opnieuw een schokje. Beide ratjes kregen dus evenveel schokken. Toch toonde het ratje dat de toediening kon controleren door aan het wieltje te draaien nauwelijks stress-symptomen. Hij beheerste de situatie, in tegenstelling tot zijn maatje. Voorspelbaarheid en daaraan gekoppelde beheersbaarheid van situaties zijn zaken die dieren nastreven. Bovendien staat de dominant in het centrum van de ‘aandachtsstructuur’. Anderen letten op hem en richten zich naar hem. De machtigen investeren in ‘vertoon’, in imponeergedrag dat de aandacht op hen gericht houdt. Jane Goodall nam in haar chimpanseepopulatie waar dat een man ontdekte dat je door een hels kabaal te maken door te trommelen op een leeg benzineblik, in ‘aanzien’ en macht steeg. De machthebber heeft een bepalende invloed en de anderen hebben zich maar naar de machthebber te schikken. Maar zolang die machthebber een vaste lijn volgt, betekent dat ook voor de ondergeschikten een hoge mate van voorspelbaarheid, die het hen mogelijk maakt daar op een aangepaste wijze op in te spelen. Voor ondergeschikten die geen enkel vooruitzicht hebben om zelf een hogere machtspositie te bereiken, verdient een bestendiging van een stabiele machtsstructuur waarbinnen ze hun draai gevonden hebben dan ook de voorkeur. Toch blijft het voor de ondergeschikten interessant om zelf de lakens uit te delen, in plaats van aan de leiband te lopen. In sociale groepen van dieren zien we dan ook regelmatig pogingen om de macht over te nemen. Hoe dat gebeurt, verschilt van soort tot soort en van omstandigheid tot omstandigheid. In gemeenschappen met een complexe sociale structuur is fysieke kracht en mentaal doorzettingsvermogen en assertiviteit, hoewel nodig, niet altijd voldoende om de macht te verwerven en te behouden. Het wereldberoemd geworden onderzoek aan de chimpanseekolonie van Burgers’ Zoo te Arnhem heeft dit fraai zichtbaar gemaakt. De mannen in een chimpanseegroep vormen een hecht blok tegenover de mannen uit andere groepen, maar binnen de groep wedijveren ze om de machtsposities. Een enkele man kan die echter nooit op eigen kracht bereiken. Dat lukt hem alleen maar als hij gesteund wordt door andere groepsleden. Hij moet dus coalities

Macht: de politieke kant van robuustheid

49


vormen: niet alleen met andere mannen, maar ook met invloedrijke vrouwen. Voor die andere mannen geldt echter de vraag: waarom zou ik een collega, die eigenlijk mijn rivaal is, gaan steunen? En welke collega ga ik dan aan de macht helpen? De dieren blijken twee afwegingen te maken (dat zullen geen beredeneerde afwegingen zijn, maar intuïtieve inschattingen). Ten eerste, zou ik zelf überhaupt een kans hebben? Zo nee, wie blijkt er dan het meest voor over te hebben dat ik partij voor hem kies en dat hij het dankzij mijn steun voor het zeggen krijgt? Het onderzoek heeft laten zien dat de machtsstrever de steun van anderen ‘koopt’ met toegeeflijkheid, dienstbetoon en gunsten. Zo kan de leider toelaten dat zijn coalitiepartner paart met een eventueel vruchtbaar wijfje. Krijgt de steungever te weinig terug, dan kan hij van partij wisselen. Interessant is de rol van de volwassen vrouwen. In het wild houden die zich meestal afzijdig van de mannelijke machtsspelletjes. In de Arnhemse gevangenschapsgemeenschap, waar ze veel meer in elkaars aanwezigheid vertoeven, zijn ze echter meer betrokken. Ze steunen de leidende man (tenzij deze zich te despotisch gedraagt). Bij enkele machtswisselingen zwenkten ze onmiddellijk naar de winnaar. Hun belang en dat van hun jongen is vooral gediend bij rust in de tent. En dat bereik je door de heersende machthebber in zijn positie te bestendigen. Kortom, het streven naar beheersing en macht is algemeen. De toe-eigening van voorrechten kan worden afgedwongen met geweld. Maar macht wordt niet alleen veroverd. Het kan ook gegund worden als een uitkomst van sociale transacties tussen partijen in een systeem van ‘voor wat hoort wat’. Bovendien kan macht berusten op gezag. Voor een aantal diersoorten is aangetoond dat beslissingen betreffende het groepsgedrag, bijvoorbeeld de keuze van de dagelijkse marsroute – waar gaan we voedsel zoeken, waar gaan we drinken en waar gaan we rusten – door bepaalde groepsleden gemaakt wordt. Een goed onderzocht voorbeeld leveren mantelbavianen. Die leven in grote groepen op de dorre water- en voedselarme hoogvlaktes van Ethiopië en Somalië. Zo’n groep bestaat uit meerdere kleine haremgroepjes. Die omvatten elk één volwassen man en een of enkele vrouwen met hun kinderen. Voordat de harems ’s morgens de gemeenschappelijke slaapkliffen verlaten en afzonderlijk in verschillende richtingen uitzwermen op hun lange dagelijkse voedselzoektochten, vindt er een soort stemproces plaats over de plek waar ze elkaar rond het middaguur zullen ontmoeten: bij een waterpoel om te drinken. Dat doen ze liever samen, want bij drinkpoelen kunnen wel eens roofdieren in hinderlaag liggen te wachten. ’s Morgens vroeg gaat een aantal mannen bij elkaar zitten. Dan loopt er eentje een bepaalde richting uit en kijkt om. Als de rest blijft zitten staat een tweede op en gaat een eindje een andere richting uit. Dit kan zich enkele malen herhalen. Als een man echter een stukje gevolgd wordt door de anderen, dan breekt de club vervolgens op en gaan de verschillende haremgroepjes ieder huns weegs. De Zwitserse onderzoeker Stolba, die dit waarnam, besloot door te lopen in de richting die het laatst was aangegeven. Als hij op die route een poel tegenkwam bleef hij daar wachten en zag tot zijn verrassing rond het middaguur de verschillende harems daar samen50

onveranderbaarheid van organisaties


komen. Hij concludeerde dat de dieren ’s ochtends bij elkaar voorstellingen moeten hebben opgeroepen van mogelijke drinkplaatsen en dat een bepaald voorstel ‘gewonnen’ had. Hij vond ook dat oude ervaren mannen vaak richtinggevend en de anderen vaak ‘meegaand’ waren. Die oude mannen waren echter niet altijd de meest dominante mannen. Leeftijd en ervaring leiden dus tot gezag. Iets dergelijks is ook vastgesteld bij buffels en olifanten. Die leven in matriarchale gemeenschappen, waar juist de oude koeien de beslissingen nemen. Deze individuen hebben dus een vorm van macht, die niet voortkomt uit een zucht tot het zich bij voorrang toe-eigenen van begeerde zaken. Voorzover bepaalde sociale structuren zekerheid bieden, zowel aan de machthebbers en richtinggevers als aan de ondergeschikten en meegaanders, is het vaak in ieders belang om zo’n structuur te bestendigen. Maar alles is betrekkelijk. De individuen die de macht niet hebben, blijven aan de verleiding blootstaan om de kaarten eens opnieuw te schudden. Wiedes! Maar even wiedes is het dat de machthebbers buitengewoon gehecht zijn aan het ‘pluche’ en dat zij hun dominante positie alleen onder sterke en onweerstaanbare dwang zullen opgeven. De heftigheid van rangconflicten in het dierenrijk toont dit. Geen enkele ranghoge doet gemakkelijk afstand van voorrang in de toegang tot gewaardeerde zaken, van het vermogen om de dingen naar zijn hand te zetten en daarmee van een positie in het centrum van de aandachtsstructuur, dus van ‘aanzien’.

Macht: de politieke kant van robuustheid

51


4 Macht: de politieke kant van robuustheid In ons werk en ‘in de wereld buiten’ is de strijd om de macht alomtegenwoordig. We zien in organisaties soms openlijke, maar vaker verholen gevechten over wie iets mag beslissen. En veel debatten gaan evenzeer over inhoudelijke vraagstukken alsook over positionering van degenen die aan dat debat deelnemen. Als je op inhoud vaak gelijk krijgt, rijst immers je ster en versterk je je positie. Wat Jan van Hooff beschrijft over het spel tussen apen is voor mensen maar al te herkenbaar. Lees het boek Chimpanzee Politics van Frans de Waal (1991). Hij is een leerling van Jan van Hooff, en je kunt het niet laten om een vergelijking te trekken tussen wat hij aan apengedrag beschrijft en wat je zelf dagelijks tegenkomt. Het politieke aspect van robuustheid gaat over macht, posities en verhoudingen ten opzichte van elkaar. En ook dit aspect kent een stabiele en een dynamische kant. Het stabiele deel noemen we het machtspatroon. Het dynamische deel het machtsspel.

Facet

Aspect Sociaal

Cognitief

Politiek

Dynamisch

Interactie

Leren

Machtsspel

Stabiel

Routines

Geheugen

Machtspatroon

Tabel 4.1: Politieke aspecten van robuustheid Jan van Hooff beschrijft dat het machtsspel gespeeld wordt op een speelveld met spelregels. Het speelveld bestaat in het hier en nu, maar kent ook een historie waardoor het geworden is zoals het is. Het gegroeide speelveld noemen we het machtspatroon. En omdat de pikorde een machtspatroon is en dus blijvend, zal kipje Omega zich doen gelden als er een nog zwakker kippetje bij komt.

4.1 Het machtsspel In de vorige hoofdstukken lag het accent vooral op hoe door convergentie van werkelijkheidsbeelden en handelingspatronen cognitieve en sociale gezamenlijkheid ontstaat. Het politieke aspect van robuustheid organiseert juist het verschil. In betekenisgevingsprocessen ontstaat niet één uniforme betekenis. Met de vorming van meerdere sociaal-cognitieve configuraties (Bolk in Van Dongen, 1996) zijn ook verschillen in betekenis georganiseerd. En die verschillen vormen een belangrijke motor voor de dynamische kant van robuustheid.

Macht: de politieke kant van robuustheid

53


Het creëren van werkelijkheden met behulp van betekenisgevingsprocessen gaat niet alleen over het creëren van nieuwe betekenissen, maar ook over het ijken en herijken van betekenissen ten opzichte van elkaar. In situaties waarin mensen verschillende werkelijkheidsbeelden hebben, en daarbij verschillende handelingspatronen, ontmoeten die verschillen elkaar in interactie. De sociaal-cognitieve configuraties en betekeniseilanden uit de vorige hoofdstukken bestaan, omdat mensen zich (als groep) verbinden met werkelijkheidsbeelden. In interactie gaat het dan niet alleen om hoe betekenissen te laten convergeren, maar ook om te bepalen hoe betekenissen zich ten opzichte van elkaar verhouden. Er ontstaat een positioneringsspel van betekenissen. Het positioneringsspel van betekennissen gaat vergezeld van een positioneringsspel van betekenisgevers, de actoren in het politieke spel. De functie van dat spel is om verschillen te benutten voor verduidelijking van de relatie naar en ten opzichte van elkaar. Volgens Watzlawick (1990) geven we aan twee zaken betekenis: aan objecten en aan relaties. Objecten zijn redelijk constant en hun karakteristieken kunnen onderzocht worden. Verschillen in betekenis die worden toegekend aan objecten zijn via een objectieve analyse goed te verminderen. De ambiguïteit is makkelijk kleiner te maken. Voor relaties en werkelijkheidsdefinities geldt dat niet: ze zijn niet objectief en ook niet eenduidig. Stel dat je met je manager een verschil van mening hebt over je salaris. Over de betekenis van de relatie tussen het functiegebouw en het salarissysteem is vrij gemakkelijk overeenstemming te krijgen. Maar als dat salaris volgens jou niet in verhouding staat tot je inzet, is het creëren van eenduidigheid in werkelijkheidsbeelden tussen jezelf en je manager moeilijker. Het besluit van de manager voelt niet als een objectief besluit, maar als een ‘relatievoorstel’ ten opzichte van jou, je inzet en je persoon. Het verschil van inzicht tussen jou en de manager betreft niet alleen het object salaris, maar heeft ook direct betrekking op de relatie. De betekenis die aan een relatie wordt toegekend, is altijd intersubjectief en staat dus nooit eenduidig vast. In interactie is dit altijd in onderhandeling.

4.1.1 Belangen

In het positioneringsspel spelen belangen van mensen en de manier waarop ze verbonden zijn met configuraties ook een rol. Mensen gaan niet met iedereen verbinding aan. Ze maken een afweging of het hen meerwaarde oplevert in middelen of positie, of dat het hen steun oplevert voor hun overtuigingen en werkelijkheidsbeelden. Als dat nut niet meer aanwezig is, vertrekt men uit de configuratie of van het betekeniseiland en sluit men zich aan bij een ander. Termeer (2001) beschrijft hoe configuraties afbrokkelen en veranderen omdat er nieuwe mensen bijkomen met andere werkelijkheidsdefinities. Dat kan omdat mensen nooit helemaal van één configuratie zijn. Mensen zijn partially included (Weick, 1979): ze behoren tot meerdere configuraties, groepen

54

onveranderbaarheid van organisaties


of betekeniseilanden. En omdat ze tot meerdere behoren, geeft dat de ruimte om te bewegen over configuraties heen. Van Dongen e.a. (1996) beschrijven hoe mensen door meervoudige inclusie verbonden zijn met verschillende configuraties en hoe juist die meervoudige inclusie bijdraagt aan de verschillen en de onderhandelingen daarover. Op die manier ontstaat in betekenisgeving een voortdurend politiek spel van p­ositionering van configuraties ten opzichte van elkaar en van mensen daar­ binnen, een machtsspel dat nooit af is en dat door die dynamiek betekenis­ gevingsprocessen levend houdt. Van Dongen e.a. noemen juist het verschil vitaal voor betekenisgeving en voor dynamiek in de organisatie. Zij zien dat machtsspel, en de conflicten die daarmee samenhangen, als onontkoombaar in een meer­voudige werkelijkheid. Het machtsspel, de spanning van het verschil en het c­onflict horen erbij. Het machtsspel is niet grenzeloos. Het machtspatroon, dat ooit in betekenisgeving gebouwd is, markeert het speelveld waarbinnen het machtsspel gespeeld wordt.

4.2 Het machtspatroon Is het niet fascinerend dat de Franse revolutie een einde wilde maken aan de feodale verhoudingen en dat Napoleon zich vijftien jaar na de bestorming van de Bastille tot keizer liet kronen? Als je door je oogharen kijkt, gedragen de hedendaagse Franse presidenten zich nog altijd als een Lodewijk. Soevereine macht, allure en grandeur, een nalatenschap in monumenten en gedrag op het randje van wet en moraal met maîtresses en affaires. Alsof een zeer ingrijpende reorganisatie, die de Franse revolutie zonder twijfel was, sommige elementen uit het machtspatroon niet heeft geraakt. Ook bij andere grote revoluties lijken stukken uit de machtsverhoudingen onaangetast. Zo heeft Poetin ondanks de Russische revolutie en glasnost en perestrojka iets tsaristisch en vertonen de Chinese leiders ondanks een zelfs culturele revolutie, kenmerken van onaantastbare Mandarijnen. Jung Chang beschrijft in Wilde Zwanen (Chang, 1994) de lotgevallen van drie generaties gewone Chinese vrouwen. Als lezer zie je tussen de regels door haarscherp een wereld die uiterlijk ingrijpend verandert, maar waarin de machtsstructuur, de feodale verhoudingen, grotendeels stabiel blijven. Dichter bij huis geldt voor Nederlandse machthebbers dat zij hun macht juist dienen te ontkennen en dat ze ‘gewoon’ moeten doen. In Geert Maks Kleine geschiedenis van Amsterdam (Mak, 1994) lezen we al terug dat het bij ons volk van dominees en kooplieden al eeuwen niet past om te pronken. Nederlandse machthebbers doen het daarom egalitair, samen met anderen en eten een broodje kaas. Ze zijn daardoor overigens niet minder machtig.

Macht: de politieke kant van robuustheid

55


Ook in organisaties zien we een dergelijke historische stabiliteit in machtspatronen. Hoeveel er ook verandert, het machtspatroon blijft blijkbaar hetzelfde en roept daarom een daarbij horende dynamiek op. Zelfs bij grote veranderingen, waar de spelregels en de onderlinge verhoudingen behoorlijk door elkaar geschud worden, lijkt het patroon eronder zo stabiel en krachtig dat het ‘oud’ gedrag oproept en mensen in oude ‘rollen’ terechtkomen. Zelfs als organisaties bewust veel aandacht besteed hebben aan een nieuwe managementstijl, schijnen de historische patronen er vaak nog doorheen. In een organisatie met een erg ingewikkeld en vooral niet erg effectief besturingspatroon werd besloten de Raad van Bestuur wat op afstand te plaatsen en op hoofdlijnen te laten besturen. Om dit te realiseren werd een extra managementlaag aan de besturingsstructuur toegevoegd. Deze laag moest aansturing geven aan de operationele processen, zodat de Raad van Bestuur ruimte kreeg voor het besturen van de organisatie. Enige tijd leek het gewenste effect te ontstaan, maar bij wisseling van het bestuur hervond het nieuwe bestuur langzaamaan weer zijn belangstelling voor operationele, concrete kwesties. Eén van de redenen was dat hierop makkelijker invloed kon worden uitgeoefend. Het maakte de Raad van Bestuur zichtbaarder in het machtsspel dan met de sturing op bestuurlijke thema’s alleen. Soms zijn machtspatronen verankerd in de aard van de organisatie. Het machtsspel binnen de ambtelijke organisatie lijkt soms op het spel van hun politieke bazen: gedrag voor de bühne, individueel scoren, onderhandelgedrag en opportunisme. In professionele organisaties zoals ziekenhuizen, advocatenkantoren of onderzoeksinstituten worden managers serieus genomen als ze beroepsgenoot zijn. In haar proefschrift De medicus maatgevend, over leiderschap en habitus stelt Yolande Witman (2008) dat een arts gezag in zijn groep kan hebben juist door het feit dat hij vakgenoot is. Hij moet als leidinggevende ook vooral dokter en collega blijven. Daarmee kan hij zijn eigen collega’s beïnvloeden. Vanuit die rol kan hij een brug slaan naar de managementwereld. Ze waarschuwt ervoor dat de dokter zich niet als manager moet gaan gedragen door bijvoorbeeld voortdurend nadruk te leggen op productiecijfers, omdat hij dan het gezag onder zijn collega’s verliest. In familiebedrijven kan het grondpatroon dat gestart is door de oprichter nog jaren nadat het bedrijf niet meer in de familie is, doorschemeren in de besluitvormings- en machtsstructuur. Dan heet het dat de cultuur van de oude heer ‘…’ nog steeds zichtbaar is. Een crisismanager gaf ooit leiding aan een fabriek van zoetwaren. De directietafel van het bijna failliete familiebedrijf bevatte daar van oudsher een keur aan producten uit het bedrijf. Terwijl hij met een aantal collega’s lange dagen maakte om het bedrijf langs de afgrond te leiden, stak hij nietsvermoedend een chocolaatje in zijn mond. ‘Mierzoet,’ zei hij, terwijl hij het weer uit zijn 56

onveranderbaarheid van organisaties


mond nam en gedachteloos in de prullenbak gooide. Twee dagen later liep hij door een van de bonbonfabrieken. Daar lag de productie stil, machines werden omgebouwd. Desgevraagd lichtte de bedrijfsleider toe dat hij daartoe opdracht had gegeven, omdat ‘de bonbons toch te zoet waren? We hebben de receptuur veranderd.’

4.3 Machtspatronen: gelaagde complexiteit Evenals routines en geheugen kent het machtspatroon een gelaagde complexiteit. Het bevat betekenissen en beelden die richtinggevend zijn voor handelen en die gaan over de positie van partijen ten opzichte van elkaar, en over de mate waarin sommige betekenissen meer ‘waar’ zijn dan andere. Dit machtspatroon is onderdeel van het robuuste weefsel. Clegg (1989) onderscheidt een aantal niveaus dat ons kan helpen te begrijpen hoe het machtspatroon gebouwd wordt en hoe de verschillende delen ervan in elkaar grijpen: 1. Het eerste niveau is het niveau van de directe interactie. Hierin vindt betekenisgeving plaats tussen mensen en bepalen mensen in interactie met elkaar hoe men zich tot elkaar verhoudt, wie meer macht heeft en op welke manier. Op dit niveau worden machtsmiddelen ingezet om de pikorde te bepalen. Dit is het niveau van concreet gedrag. 2. Het tweede niveau is het niveau van regels en procedures. Op het eerste niveau hebben mensen hun verhouding ten opzichte van elkaar bepaald. Op dit tweede niveau worden deze verhoudingen vastgelegd in routines, de handelingspatronen, en meer concreet in regels en procedures. Dit niveau beschrijft hoe, als het om macht gaat, mensen zich ten opzichte van elkaar (horen te) gedragen. Dit niveau is vergelijkbaar met dat van de regelgeving: formele regels begrenzen de gedragsmogelijkheden. 3. Het derde niveau is het niveau van de machtsstructuur. Macht is op dit niveau doorvertaald naar en krijgt zijn beslag in de inrichting van de organisatie. Het derde niveau is het niveau van het machtspatroon: het is het moeilijk veranderbare ‘speelbord’ waarop het machtsspel gespeeld wordt. Mensen hebben er geen invloed meer op, maar het is wel richtinggevend voor hoe het spel gespeeld wordt. Als metafoor is het te vergelijken met hoe we met de grondwet omgaan. Het zijn de metaregels die zelf eigenlijk buiten discussie staan en waar zelfs de regelgevers zich aan te houden hebben. Zo heeft de grondwet een zekere onaantastbaarheid. Als iemand iets voorstelt dat in strijd is met de grondwet, is het al bijna om die reden heiligschennis. Waar de gewone wetten met enige moeite veranderbaar zijn, is de grondwet alleen veranderbaar met grote meerderheden zowel vóór als na verkiezingen.

Macht: de politieke kant van robuustheid

57


4.4 Beperkte bestuurskracht door machtspatronen Het ingewikkelde van het derde niveau van Clegg is dat het geen bestuurder meer kent. Waar de eerste twee niveaus nog door bestuurders en managers ‘gemanaged’ kunnen worden, en waar op die niveaus ook de strijd om de macht wordt gevoerd, machtswisselingen plaatsvinden en corrigerende krachten een machtsbalans doen ontstaan, is het derde niveau zo’n complex geheel van factoren dat daar niet één stuurman is. Het is een onbestuurbaar bolwerk dat ooit is vormgegeven door individuen, maar nu op zichzelf staat en zo vanzelfsprekend is dat het een eigen leven leidt. Het blijft bestaan omdat individuele medewerkers zich gedragen conform de geldende regels en die regels op hun beurt de ruimte inperken om dat te veranderen. Macht reproduceert daarmee zichzelf en houdt zo zichzelf in stand. Dit druist in tegen de neiging die mensen hebben om de machthebber ultieme macht toe te dichten. Hij gaat immers over alles? Dan moet ’ie toch ook alles kunnen veranderen? De historie en het bouwwerk van het machtspatroon laten zien dat het anders is. In gemeenten is sinds de dualisering het toch al ingewikkelde spel tussen Raad, College en ambtelijke organisatie er niet makkelijker op geworden. Soms worden grote tegenstellingen ervaren en de samenwerking blijkt vaak moeilijk. De burgemeester, als voorzitter van Raad en College heeft formeel weliswaar een beperkte machtspositie, zijn gezagvolle rol leidt er wel degelijk toe dat hij dikwijls over macht beschikt. De boodschap van zowel Raad als College aan de burgemeester is vaak: regel dat onze relatie goed blijft en dat we allemaal effectief zijn. De achterliggende boodschap daarbij is vaak: houd die andere partij uit mijn nek en zorg dat ze slimmer, efficiënter, klantgerichter, besluitvaardiger et cetera, worden. De eerste rol kan de burgemeester als netwerker vervullen, de tweede zeker niet. Hij is niet de ultieme baas met dat vermogen. Formele machthebbers zijn overigens ook om andere redenen niet altijd degenen die ook daadwerkelijk aan de touwtjes trekken. Zo schetst apenonderzoeker Frans de Waal (2005) dat president Bush weliswaar ‘king’ is van zijn volk, maar dat hij dat mede is, omdat het alfamannetje en ‘kingmaker’ Dick Cheney hem naar voren schoof. In ons eigen land is goed zichtbaar hoe machthebbers van elkaar afhankelijk zijn. Nederland kent een traditie van coalitievorming. Dat was al zo bij het aanleggen van polders; dat kun je niet zonder je buren. Dat zien we terug in het landsbestuur waar nooit één partij de meerderheid heeft. Je ziet het ook in de wijze waarop de top van organisaties vaak uit een collectief bestaat: Raden van Bestuur, Raden van Toezicht, en Raden van Commissarissen bestaan uit mensen die er als groep uit moeten zien te komen, maar die ook in samenspel met de andere raden de organisatie moeten besturen.

58

onveranderbaarheid van organisaties


En een vorst is niets zonder zijn hofhouding. De Engelse tv-serie Yes Minister laat prachtig zien hoe de ondersteunende ambtenaar de eigenlijke machthebber is. In organisaties zijn er hele netwerken van formele en informele macht die de eindverantwoordelijke in positie brengen en houden om die verantwoordelijkheid te kunnen dragen. Ook in organisaties wordt de machtige vaak ingekapseld. Staven, adviseurs, secretarissen en secretaresses bepalen mede welke informatie doordringt tot de baas en welke voor hem niet nodig is. Dit brengt hem in een van de rest van de organisatie geïsoleerde positie. En zo dragen mindermachtigen bij aan de beïnvloedingsruimte van de machtigen. Tot slot zijn machthebbers door wet- en regelgeving ingebed in een groter machtspatroon. (Medezeggenschaps)wetgeving is een voorbeeld waarin formele machtsverhoudingen tussen bestuurders en medewerkers, en daarmee tussen mindermachtigen en machtigen, in een organisatie ‘geregeld’ worden. De cao, de Wet op de ondernemingsraden of de afspraken uit het bestuurlijk overleg zijn de spelregels. En hoewel bestuurder en ondernemingsraad wel de degens met elkaar kruisen, zal geen medezeggenschapsorgaan het wagen om een coup te plegen, en de regels buiten spel te zetten. Waarom zouden ze? Het is zo goed geregeld. Tijdens een directievergadering lag een voorstel van P&O om een regeling te maken voor de verstrekking van ergonomische hulpmiddelen ter besluitvorming voor. Bij het lezen van de notitie bleek het te gaan om het verstrekken van beeldschermbrillen. Hoewel de interim-directeur van deze organisatie tegen was, bleek hij niet anders te kunnen doen dan instemmen. De Arbo-wet en de rolopvatting van de betreffende P&O-er waren dwingender dan de eindverantwoordelijkheid van de interim-directeur. Niet akkoord gaan zou heel veel gedoe opleveren en daar was het niet belangrijk genoeg voor.

4.5 Het belang van een bepaalde werkelijkheid De realiteit zoals die beleefd wordt, is altijd totstandgekomen in een proces van betekenisgeving. En daarbij zijn er altijd mensen die meer of minder hun stempel gedrukt hebben op de dominante betekenis. Degenen die met hun interpretatie een sterk stempel op de definitie van de werkelijkheid hebben gedrukt, hebben er belang bij om die werkelijkheid zo te houden. Homan (2006) beschrijft deze interpretatie-eigenaars als ‘regimebewakers’. Deze zullen de interpretatie en waarnemingen beschermen tegen ondermijningen van hun visie op de werkelijkheid. Een van ons herinnert zich hoe hij een mooi idee in een leergang bedacht en daarna iedere keer als iemand zich afvroeg of dit niet anders kon, met bijzondere aandacht luisterde naar de argumenten, op het vinkentouw om het eigen mooie idee te beschermen.

Macht: de politieke kant van robuustheid

59


Degenen die minder een stempel hebben kunnen drukken, nemen ook hun positie in in het machtspatroon. Groepen die, hoewel relatief machteloos, toch hun invloed willen uitoefenen, bewegen zich naar een lokaal betekeniseiland in de organisatie en laten van daaruit hun stem horen. Zo zijn er groepen die het niet eens waren met de fusie van jaren geleden en daarover vanuit hun lokale betekeniseiland nog steeds hun onvrede ventileren. Dat geluid beïnvloedt de meest dominante betekenis niet meer. Men vindt vooral bevestiging bij elkaar, en daarmee ook identiteit. Voor de organisatie zijn ze hooguit nog stoorzender.

4.6 Rollen: de persoonlijke ‘mal’ in de collectieve structuur Joost van den Vondel dichtte: “De wereld is een schouwtoneel. Elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel.” Rollen zijn een belangrijk mechanisme voor het behoud van machtsstructuur en machtspatronen. De rol die iemand krijgt, beschrijft de wijze waarop hij geacht wordt invulling te geven aan de sociale orde. Een rol is niet gekoppeld aan de persoon, het is een onderdeel van de sociale orde die invulling behoeft. Niet alleen in taak en inhoud, maar ook in relatie tot anderen. Een rol is in die zin niet vrijblijvend. Rollen hebben dezelfde functie als normen. Ze brengen orde in een groep, ze reguleren verwachtingen over het eigen gedrag en dat van anderen en ze maken de sociale werkelijkheid en het handelen van mensen daarbinnen voorspelbaar. Daarnaast dragen rollen bij aan de identiteit van de rolhebber. Rollen creëren dus duidelijkheid. Voor de rolhebber en zijn omgeving. Goffman (1956) beschrijft hoe in sociale interactie rollen geïnstitutionaliseerd raken en (stereotiepe) verwachtingen oproepen. De rol wordt een collectieve representatie waarvan zowel degene die de rol vervult als de mensen om hem heen, verwachtingen hebben over de aard van het gedrag. Rollen zijn conventies. Goffman beschrijft hoe zowel actor als toeschouwer met elkaar het spel van deze collectieve representatie spelen, voldoen aan elkaars verwachtingen, en zelfs ‘wegkijken’ als er gedrag wordt vertoond dat niet helemaal rolconform is. De sociale orde regelt door middel van rollen welk gedrag vertoond en gezien wordt. Op deze manier zijn rollen de mal waarin individuele spelers de verwachtingen van het machtssysteem uitvoeren. Deels omdat hen dat een sociale identiteit geeft, deels omdat de groep het zo verwacht. Dit gegeven geeft dieper inzicht in waarom ook de meest machtige relatief machteloos is in het veranderen van het machtspatroon. Het machtsspel is er niet voor hem. Het is vaak ook niet gecreëerd door hemzelf. Ook hij is, met welke motieven ook, maar een speler in het spel, die in zijn directe interactie wordt ingeperkt door de spelregels in de machtsstructuur. Deze structuur is een construct dat gecreëerd is, een werkelijkheidsconstructie waarin alle leden van de organisatie zich bewegen en dat voor waar aangenomen wordt. Van de machtige wordt bepaald gedrag verwacht. Ook hij mag niet zomaar uit zijn rol stappen, zich machteloos

60

onveranderbaarheid van organisaties


gedragen, of de macht op andere plaatsen neerleggen. Dat past niet in de gecreëerde werkelijkheid.

4.7 Individueel handelen: vrijheid in gebondenheid Als het niet rollen en rolverwachtingen zijn die maken dat mensen binnen het machtspatroon blijven, dan zijn er nog groepsnormen en groepsdruk die ervoor zorgen dat iemand die de spelregels wil veranderen, ‘teruggefloten’ wordt. De sociale invloed van de groep speelt hierbij een grote rol. De druk van de groep op individuele leden om zich te houden aan de groepsspelregels is groot. En de straffen zijn hard. Uitsluiting, laag in de pikorde gezet worden en gebrek aan waardering zijn middelen die een groep kan inzetten om individuen duidelijk te maken dat ze zich niet naar verwachting gedragen. Hoe meer mensen van elkaar afhankelijk zijn voor het realiseren van de taak, hoe groter de conformiteitsdruk (Brown, 2006). Mede daardoor hebben mensen de neiging om mee te gaan met de groepsnorm en hun eigen mening aan de kant te zetten. In conflictueuze situaties spreken mensen zich in een (individueel) interview anders uit dan ze in de groep doen. In een onderzoek naar een conflict tussen afdelingshoofd en medewerkers, gaven medewerkers in een interview aan eigenlijk helemaal niet zo’n probleem te hebben met hun leidinggevende. Ze vonden het misschien geen makkelijke man, maar “zo erg als ‘de anderen’ hem vinden, vind ik hem niet. Ik kan best met hem door één deur”. Op de vraag of ze dat ook in de groep wilden vertellen, gaven ze echter ontkennend antwoord. Dan zouden ze collega’s afvallen. Groepen hanteren stevige sancties als het gaat om normafwijkend gedrag, ook als het eigenlijk bijdraagt aan het belang van de groep als geheel. Belangwekkend in dit kader is het klassieke experiment van Kahn en Boulding (1966). In de helft van de groepen die zij voor hun onderzoek vormden, plaatsten ze iemand die getraind was als ‘advocaat van de duivel’. Deze persoon had de opdracht kritische inbreng te leveren bij groepsbeslissingen. De groepen mét een advocaat van de duivel presteerden significant beter dan de groepen zonder. Toen de groepen niettemin de opdracht kregen een groepslid bij geheime stemming uit de groep te zetten, waren het juist deze kritische mensen die van doorslaggevend belang voor het beter presteren waren, die er zonder uitzondering uitgezet werden. Een reden om je te houden aan de groepsnorm is dat mensen het niet prettig vinden om buiten de groep te vallen. De werkelijkheidsbeleving van de groep is weliswaar beperkend, maar het is tevens de context waarin de wereld voor jou als individu begrijpelijk is. En dat niet alleen, de groep en die sociale orde geven je ook een (sociale) identiteit en bieden je veiligheid en zekerheid over wie je bent.

Macht: de politieke kant van robuustheid

61


Ze geven zekerheid over bij wie je hoort en daarmee ook steun en warmte. De behoefte van mensen om erbij te horen, draagt op deze manier bij aan het onveranderbare karakter van het machtspatroon.

4.8 Het Platform tegen A6-A9 en het machtsspel Het onderwerp A6-A9 speelt zich af in een context met een oud, stabiel machtspatroon. RWS is al sinds de Tweede Wereldoorlog een machtige partij in de (op)bouw van Nederland, het wordt wel getypeerd als ‘een staat binnen een staat’ (Rijkswaterstaat, 2007). Het machtspatroon wordt in sterke mate door RWS en haar hechte relatie met de minister en het politieke veld bepaald. Andere spelers kunnen er veel minder invloed op uitoefenen. Bovendien is RWS in geld en capaciteit veruit de machtigste speler, die in staat is haar macht te bestendigen door andere partijen te bespelen. Zo had zij bijvoorbeeld ongeveer alle grote ingenieursbureaus en advocatenkantoren betrokken in het proces rond de A6-A9, zodat geen van hen tegenpartijen kon ondersteunen omdat ze al namens de andere partij bij het onderwerp betrokken waren. In het machtsspel rondom de aanleg van een nieuwe snelweg spelen de technische en financiële (on)mogelijkheden, de politieke verhoudingen en de mediaaandacht een grote rol. Hoewel het Platform in eerste instantie de rol van underdog had, heeft het zich ontwikkeld tot een stevige speler. Hiervoor moest het Platform zicht krijgen op het machtspatroon dat er heerste rondom het onderwerp, en het moest zichzelf daar een positie in verwerven en het spel meespelen. En wel op zo’n manier dat het het machtspatroon voor het eigen doel wist aan te wenden. De media waren een belangrijke partij voor het Platform, omdat de media veel aandacht hebben voor de (potentiële) underdog. Bovendien waren de media voor de leden van het Platform een redelijk toegankelijke partij. Ook de lokale overheden zoals gemeenten en provincies waren voor het Platform van belang. En omdat deze spelers ongeveer voor hetzelfde belang stonden, was het, net als met de geassocieerde natuur- en milieuorganisaties, vooral een kwestie van vertrouwen opbouwen en rollen verdelen. Deze partners hadden andere mogelijkheden en beperkingen in het spel dan het Platform. De politieke partijen waren zeker ook belangrijk: de uiteindelijke besluitvorming zou immers in de Tweede Kamer plaatsvinden. De aansluiting lukte bij de ene partij vanzelfsprekend gemakkelijker dan bij de andere. Bekende Nederlanders waren, omdat ze woonden in het gebied, belangrijke nieuwe spelers die veel aandacht konden genereren. Het bleken deze bekende Nederlanders die ervoor zorgden dat het Platform een positie verwierf in het machtsspel. RWS was zo onbekend met dit fenomeen dat ze op die strategie niet goed wist te reageren. Als voorbeeld mag dienen dat een ambtenaar van 62

onveranderbaarheid van organisaties


RWS bij het Platform (tevergeefs) naar adressen van deze bekende Nederlanders vroeg, omdat de minister hen wilde uitnodigen voor een bijeenkomst. Binnen dat machtspatroon en met de bijbehorende spelers moest het spel gespeeld worden. In dat spel bleek de door het Platform gegenereerde kennis van waarde om RWS stevig tegenspel te leveren. Het standpunt van het Platform werd een belangrijke drager voor het publieke debat en in de bestuurlijke beĂŻnvloeding. Het publieke debat ging niet alleen over A6-A9, maar ook over de alternatieven. Het Platform slaagde erin om de weg door het eigen kwetsbare gebied als zo onaantrekkelijk en onmogelijk te presenteren dat een voor een de politieke partijen zich daartegen uitspraken. De minister kon ten slotte niet anders dan zich daarbij aansluiten en omzien naar alternatieven. Wat is er niet veranderd? Het basismachtspatroon van politiek/ambtelijke organisatie, pers en maatschappelijke tegenspelers. Ook het spel is in zijn basis niet veranderd. Het is deze groep wel gelukt om een stevige speler met een andere tactiek te worden en dat heeft het machtsevenwicht in het debat bepaald. Met succes. De weg kwam er niet. Het Platform bleek het machtsspel goed te hebben gespeeld.

4.9 Samenvatting Macht is belangrijk in organisaties. Het vormt een basispatroon dat richtinggevend is voor handelen van mensen. Macht is echter een onderwerp dat dikwijls met taboes omkleed wordt en het is mede daarom vaak moeilijk grijpbaar. Machthebbers willen hun macht nog wel eens ontkennen. Het is ook zo dat er zelden sprake is van absolute en soevereine macht. Macht is verdeeld over meerdere spelers, maar juist dat maakt die factor robuust. Het machtsspel dat in organisaties wordt gespeeld, vindt altijd plaats binnen de kaders van de machtsverhoudingen. Het is dit stabiele machtspatroon dat zo vanzelfsprekend en met taboes omgeven is, dat het zich aan veranderingen onttrekt. Wij zijn althans nog geen opdrachtgever tegengekomen die deze verhoudingen zo wilde veranderen dat hij er zelf daadwerkelijk minder van kreeg. Naast de formele of informele individuele machtsfactoren, zijn ook groepsdynamische aspecten vaak dwingend in het voorschrijven van gedrag.

Macht: de politieke kant van robuustheid

63


5 Pathologische vormen van r­obuustheid Er zijn ook ongezonde vormen van onveranderbaarheid. Piet Boonekamp houdt zich in Wageningen al jaren bezig met de gezondheid van aardappels en de b­edreigingen ervan. Hij belicht hoe veranderbaarheid en onveranderbaarheid voor aardappels en ziektekiemen een rol spelen in de strijd om gezondheid en overleven.

Pathologische vormen van robuustheid

65


Een toevallige ontmoeting van Phytophthora en aardappel? Dr. Piet Boonekamp Business Unit Manager Plant Research International, Wageningen Het toeval van de Europese aardappeleter Uit ruïnes in Peru en Chili van meer dan 2000 jaar geleden zijn restanten van aardappel gevonden. Bij de Inca’s was de aardappel een bestanddeel van het dagelijks menu. De Spaanse conquistadores brachten midden zestiende eeuw de aardappel vanuit de Andes naar Europa. Niemand wilde hem eten, want behalve de knol is de rest van de plant giftig. Het leek dus niets te worden met de aardappel in Europa. Pas laat in de achttiende eeuw kreeg de aardappel een kans. Er dreigden voedseltekorten te ontstaan door de trek van boeren naar de stad als gevolg van de industriële revolutie. De graanproductie die altijd had voldaan, gaf nu te weinig opbrengst om de bevolking te voeden. De toenmalige botanici zagen het veel betere potentieel van de aardappel en kregen slimme marketingsupport van de Franse koning. Hij gaf opdracht in de koninklijke tuinen veel aardappelen te verbouwen. Steeds werden aardappelen met veel vertoon naar de koning gebracht. De tuinen werden echter dag en nacht zwaar bewaakt. Maar soms werd opzettelijk ’s nachts de bewaking teruggetrokken. En natuurlijk slopen de boeren dan de tuin in om aardappelen te stelen. En zo werd zonder dwang de aardappel populair en werd het de belangrijkste voedingsbron in Europa. Al gauw was een groot deel van de bevolking afhankelijk van de aardappel. Zo aten de arme Ieren in de negentiende eeuw alleen maar aardappelen, circa vijf kilo per dag per persoon. Een toevallige ontmoeting tussen de aardappel en Phytophthora in Europa Het gebied van oorsprong voor de aardappel is centraal Mexico. Behalve de cultuuraardappel (Solanum tuberosis) zijn er daar zeer veel wilde aardappelsoorten. Daarnaast is het ook de broedplaats van Phytophthora (Phytophthora = plantenvernietiger) met een grote variatie. De cultuuraardappel is bijzonder gevoelig voor Phytophthora. Van hieruit heeft de cultuuraardappel zich verspreid over geheel Midden- en Zuid Amerika. In tegenstelling tot Mexico zijn in de Andes de omstandigheden voor infectie niet altijd ideaal. Vanuit dit gebied hebben de Spanjaarden de aardappel meegebracht zónder Phytophthora. Is dit toeval? Nee, waarschijnlijk heeft men bewust aardappelen uit de gezondste regio meegenomen. Omdat er in Europa geen Phytophthora was ging het een tijd goed. De Europese aardappel en Phytophthora hadden elkaar niet hoeven te ontmoeten. Maar in de negentiende eeuw werden er ook aardappelen vanuit ... Mexico (dé broedplaats van Phytopht66

onveranderbaarheid van organisaties


hora) geïmporteerd. In 1845 leidde deze ziekte tot een hongersnood over geheel Europa. In Ierland stierf eenderde van de bevolking en eenderde emigreerde naar de Verenigde Staten. Was de import van de ziekte toeval? Waarschijnlijk niet, er zijn aanwijzingen dat men van deze vreselijke ziekte wist en deze wilde bestuderen en zo de geest in de fles binnenhaalde. Was dit dom toeval? Nee, over infectieziekten bij planten bestond onder de toenmalige wetenschappers grote scepsis en er was een intensief debat of schimmels het gevolg w­aren van een plantenziekte (de communis opinio) of de oorzaak (de nieuwe geest). Door Phytophthora kwamen er bewijzen voor het laatste. Een geweldige bijdrage aan een verandering in het wetenschappelijk denken. Maar Phytoph­thora is nooit meer weggegaan en dé aardappelziekte gebleven! De aardappel bijna vernietigd door Phytophthora in 1845 Nu Phytophthora en de aardappel elkaar gevonden hadden, begon een strijd, met als wapen het vermogen om te kunnen veranderen. Phytophthora kan alleen overleven door aardappel te infecteren. Voor infectie heeft zij een virulentiegen nodig. De aardappel kan zich verweren door een resistentiegen. Eén resistentiegen kan steeds één virulentiegen onschadelijk maken en zo de infectie van Phytopthora stoppen. Phytophthora moet dan een nieuw virulentiegen maken, dat het resistentiegen van aardappel kan omzeilen. Blijkbaar was dit in 1845 het geval met het Phytophthoratype dat zijn intrede deed in Europa. Vrijwel alle aardappelen in Europa werden geïnfecteerd binnen enkele jaren. Toch overleefden enkele aardappelvariëteiten. Deze hadden blijkbaar een geschikt resistentiegen. Deze aardappelvariëteiten werden gebruikt om een nieuwe populatie aardappelen op te bouwen met resistentie tegen Phytophthora. Waarom ontwikkelde Phytophthora niet snel een nieuw virulentiegen om ook deze aardappelen te infecteren? Het antwoord is, geen seks! Er was (gelukkig!) maar één kloon van Phytophthora overgekomen uit Mexico. En deze kloon kon zich alleen via sporen voortplanten en niet via seks. En seks is juist hét middel om genen van jezelf en die van een partner door elkaar te husselen en nieuwe combinaties over te dragen aan je kinderen. Phytophthora zou op die manier snel van allerlei partners nieuwe virulentiegenen hebben verkregen. De overgebleven aardappelen zouden onvoldoende snel nieuwe resistentiegenen kunnen ontwikkelen en dus geen kans hebben gehad. Door het ontbreken van seksuele partners bleef Phytophthora nu niets anders over dan te proberen haar eigen virulentiegen zó te veranderen dat de resistentiegenen van de nieuwe aardappelvariëteiten geen verweer meer hadden. En dat is een langzaam proces van vallen en opstaan. Om dit te begrijpen is enige kennis van veranderingen op DNA-niveau nodig. Een gen bestaat uit een DNA-streng van tienduizenden letters waardoor als het ware een zeer lang woord gevormd wordt. In het nageslacht moeten de letters dezelfde blijven om de betekenis van het woord (= functie van het gen) te behouden. Nu is het een natuurlijk proces dat, weliswaar met een lage frequentie, zo nu en dan ergens een letter verandert. Dit noemen we ‘mutatie’. Zo’n veranderd gen komt dan

Pathologische vormen van robuustheid

67


in het nageslacht. Vrijwel altijd betekent dit dat de functie van het gen slechter wordt (= woord wordt onleesbaar) en een nadeel betekent voor het nageslacht. In een enkel geval kan er echter een ander woord ontstaan met een andere betekenis. Zo zou in Phytophthora na allerlei slechtere genen uiteindelijk een nieuw virulentiegen kunnen ontstaan. De kans hierop is klein, maar statistisch zou het één Phytophthora in 150 jaar wel gelukt moeten zijn. Zo’n Phytophthora zou dan een geweldig concurrentievoordeel hebben bij de infectie van de overgebleven aardappelvariëteiten. In korte tijd zou ze de oude populatie van Phytophthora volledig verdrongen hebben én ook de aardappel in Europa geen tweede kans gegeven hebben na 1845. Dit zou zeker gebeurd zijn als de aardappelenkweker in de negentiende en twintigste eeuw niet iets van veredeling was beginnen te begrijpen. In tegenstelling tot Phytophtora had de aardappel wel seks tot zijn/haar beschikking. Het stelde weliswaar niet zoveel voor, want seks kon alleen plaatsvinden met verwante cultuuraardappelen, met doorgaans een genenpakket van meer-van-het-zelfde. Toch gaven kruisingen (= seks) meer mogelijkheden tot veranderingen in resistentiegenen dan louter via mutatie. De tijdsduur tot nakomelingen duurt voor de aardappel echter jaren, dus flitsend inspelen op Phytophthoravarianten was moeilijk. Er was echter één belangrijk voordeel, de aardappelkweker. Die zocht zelf de beste twee aardappelpartners uit in plaats van kruisingen aan het toeval over te laten. Hij had geen invloed op de combinaties in het nageslacht, want die ontstaan door toeval. De kweker kon echter daarna door selectie individuen uit het nageslacht halen die resistent waren tegen alle gangbare Phytophtora’s. Zonder kennis van de genen was de kweker in staat voldoende nieuwe resistentiegenen in de aardappel te krijgen om Phytophthora bijna 150 jaar in toom te houden. Waarom ging het vanaf 1980 toch nog bijna mis? Door de hete zomer van 1975 was er een tekort aan aardappelen ontstaan in Europa en er werden tonnen aardappelen geïmporteerd vanuit Mexico (en niet vanuit de Andes zoals de Spanjaarden vier eeuwen ervoor deden). En samen met de aardappelen werden nieuwe Phytophthorapopulaties geïmporteerd. En wat voorspeld kon worden gebeurde: de nieuwe populatie kon wel seks hebben met de oude! Voor het eerst in 150 jaar kreeg Phytophthora de kans om niet alleen via mutaties nieuwe virulentiegenen te verkrijgen, maar ook via seks. Dit gaf Phytphthora een geweldige voorsprong in het jarenlange evenwicht met de aardappel, en inderdaad was in een paar jaar de oude populatie van Phytopthora geheel vervangen door een nieuwe met geheel andere virulentiegenen. De Europese cultuuraardappel was dus ineens zeer gevoelig voor Phytophthora geworden. Was dit toeval? Nee, men had kunnen weten dat import van zoveel aardappelen uit de broedkamer van Phytophthora dit grote risico kon inhouden. Was het te vermijden geweest? Nee, want door de globalisering van de handel was de nieuwe Phytopthorapopulatie vroeg of laat toch Europa binnengekomen. Het voordeel is dat een geweldige im68

onveranderbaarheid van organisaties


puls is ontstaan om versneld nieuwe resistentiegenen in de cultuuraardappel in te brengen. En die zijn met name voorhanden in de wilde aardappelsoorten van centraal Mexico, want ondanks de grote druk van Phytophthora worden die in tegenstelling tot de cultuuraardappel nooit ziek. Het onderzoek heeft samen met de kwekers veel technieken ontwikkeld om die nieuwe resistentiegenen vanuit de wilde aardappelsoorten over te brengen in de cultuuraardappel. En zo wordt verwacht dat het evenwicht weer hersteld kan worden... Maar de strijd zal door blijven gaan. Conclusie Veelal wordt gesteld dat een organisme als Phytophthora zichzelf verandert om beter te overleven onder gewijzigde omstandigheden. Dit suggereert een planmatige aanpak. Dat is niet zo. De veranderingen in Phytophthora zijn louter toeval. De meeste zijn dodelijk voor de individuen. Slechts een enkele verandering blijkt een voordeel te zijn en dat veranderde individu krijgt dan de kans de populatie over te gaan nemen. Als gevolg van het toeval ontstaat er zo steeds een populatie die beter aangepast is aan de gewijzigde omstandigheden. Dit gaat ten koste van de oude populatie, die uitsterft. De rol van de mens? Niet het toeval maar het resultaat van het toeval kon door menselijk ingrijpen worden gestuurd. En zo houden we de cultuuraardappel in stand.

Pathologische vormen van robuustheid

69


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
ONveranderbaarheid van organisaties by VMN Media - Issuu