TIJDSCHRIFT OVER KWALITEIT EN VEILIGHEID IN ZORG
| september 2017 |
4
Thema: Wijkgericht werken DE WIJK NEMEN INTEGRAAL WERKEN IS NIEUW EN TIJDROVEND GGZ EN SOCIALE PROFESSIONALS WERKEN SAMEN ZELFSTUREND IN DE AMBULANTE PSYCHIATRIE NIET VOOR MAAR MET DE WIJK ZORG OP DE JUISTE PLAATS ER IS GEEN WEG TERUG JE ZIET HET PAS ALS JE HET DOOR HEBT WWW.TIJDSCHRIFTKIZ.NL
REDACTIONEEL
KIZ TIJDSCHRIFT OVER KWALITEIT EN VEILIGHEID IS EEN UITGAVE VAN VAKMEDIANET JAARGANG 26, 2017 www.overkwaliteitvanzorg.nl Redactie Kees Ahaus, hoofdredacteur (Rijksuniversiteit Groningen); Tijn Kool (IQ Healthcare; Radboudumc Nijmegen); Barbara van der Linden (ZonMW); Jennie Mans (Vilans); Peter van Splunteren; Maaike Langelaan (NIVEL); Haske van Veenendaal (Trant); Gera Welker (UMCG). Eindredactie Jan Kloeze (jankloeze@vakmedianet.nl) Informatie Aanbieden van artikelen: c.t.b.ahaus@rug.nl en jankloeze@vakmedianet.nl Uitgever Frederique Zeemans (frederiquezeemans@vakmedianet.nl) Accountmanager Madeleine van Vliet, 06 36453891 madeleinevanvliet@vakmedianet.nl Vormgeving & opmaak colorscan, www.colorscan.nl Druk Ten Brink, Meppel Adres Vakmedianet, Postbus 448 2400 AK Alphen aan den Rijn www.tijdschriftkiz.nl Abonnementenadministratie klantenservice@vakmedianet.nl, 088-584088 Abonnementen Tijdschrift KiZ verschijnt 6 keer per jaar. Jaarabonnement € 155,00. Verzending buitenland per jaar € 29,50 (EU) en € 41,50 (niet-EU). Prijzen zijn exclusief btw. Op alle uitgaven van Vakmedianet zijn de Algemene Voorwaarden van toepassing. Deze zijn te vinden op www.vakmedianet.nl Doelgroep KiZ richt zich op managers en professionals die binnen zorginstellingen verantwoordelijk zijn voor kwaliteit en veiligheid in de zorg. Copyright Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande toestemming van de uitgever. © Vakmedianet 2017 Publicatievoorwaarden Op iedere inzending van een bijdrage of informatie zijn de standaardpublicatievoorwaarden van Vakmedianet van toepassing. Deze zijn te vinden op www.vakmedianet.nl. Disclaimer Alle in deze uitgave opgenomen informatie is met de grootste zorgvuldigheid samengesteld. De juistheid en volledigheid kunnen echter niet worden gegarandeerd. Vakmedianet en de bij deze uitgave betrokken redactie en medewerkers aanvaarden dan ook geen aansprakelijkheid voor schade die het directe of indirecte gevolg is van de opgenomen informatie.
Wijkgericht werken
D
e grote veranderingen in de structuur van het zorgstelsel in Nederland gaan gepaard met een revival van de wijk en haar bewoners bij het aanbieden van zorg- en welzijnsactiviteiten. Want bij de introductie van de grootscheepse veranderingen van het zorgstelsel worden hoge verwachtingen en doelen benadrukt: de zorg moest dichter bij de burger komen, meer aandacht voor ‘empowerment’ en zelfregie, ‘ontzorgen’ en substitutie van dure tweedelijnszorg naar goedkopere eerstelijnszorg. Tegelijkertijd klonken ook bezorgde geluiden: wordt er niet teveel bezuinigd, krijgt iedereen straks wel dezelfde kwaliteit van zorg en vallen mensen met complexe problemen niet buiten de boot? De redactie van KiZ was benieuwd wat er de afgelopen tijd is bereikt met de wijkbenadering in de verschillende sectoren en vroeg een aantal auteurs om hun licht over dit vraagstuk te laten schijnen. Ard Sprinkhuizen geeft ter introductie een overzicht van de bedoeling van de wijkbenadering en wat daarvan in de praktijk terecht komt. Vervolgens laten Silke van Arum en Thijs van den Enden aan de hand van hun onderzoek, zien hoe gemeenten bezig zijn met de invulling van sociale wijkteams. De samenwerking tussen verschillende disciplines is vaak een bottleneck. Margit van der Meulen schetst hoe er samengewerkt kan worden tussen sociale professionals en professionals van de GGz met behoud van ieders rol en competentie. Henk-Willem Klaassen beschrijft in een persoonlijk verhaal zijn ervaringen met nieuwe organisaties als Buurtzorg en BuurtzorgT. Er zijn twee voorbeelden opgenomen van de wijkbenadering in de praktijk. Sanne Krol laat zien hoe een preventieve wijkbenadering voor kinderen (en hun ouders) met overgewicht er uit ziet en Eric Veldboer vertelt hoe verzekeraar Menzis de ketenbenadering in wijken bevordert. Tot slot laten we twee wethouders aan het woord over hun ervaringen met wijkgericht werken. Aldus ontstaat een divers beeld van de stand van zaken met de wijkbenadering in Nederland. Aan de pluszijde zien we dat in veel gemeenten de wijkbenadering is aangeslagen en dat sociale wijkteams langzaamaan hun plek krijgen in het zorgstelsel. Er ontstaan ook nieuwe organisatievormen voor zorg, vaak tegen de verdrukking in. Zeker op het gebied van preventie lijkt een wijkbenadering kansrijk. Echter, er zijn ook minpunten. De decentralisatie van de zorg gaat samen met een aantal hooggestemde doelen, lang niet alle doelen zijn goed te bereiken en gemeenten worstelen met deze (te) hooggestemde verwachtingen. Daarnaast blijkt de samenwerking tussen de verschillende professionals bij, vooral, complexere problemen een lastig punt. Die gebrekkige samenwerking bestond al vóór de grote veranderingen in het stelsel. Blijkbaar is dit systeemprobleem ook in de nieuwe structuur niet opgelost. Misschien is het goed dat beleidmakers, politiek, professionals en financiers daarin de komende tijd hun tanden gaan zetten. Niet in de vorm van papier, maar met concrete maatregelen. Wellicht zou (meer geld voor) training en scholing van professionals in de wijk al een hoop verschil maken. Overigens is buiten het thema ook een artikel opgenomen over de succesfactoren bij (team)reflectie in het kader van kwaliteitsverbetering, geschreven door Zorginstituut Nederland op basis van eigen onderzoek.
Haske van Veenendaal en Peter van Splunteren
ISSN 1878-2829
KWALITEIT IN ZORG | 2017 | NUMMER 4
INHOUD SEPTEMBER 2017 | 4
THEMA: Wijkgericht werken 4
De wijk nemen A. Sprinkhuizen De wijk maakt een glorieuze comeback als drager van vernieuwingen in beleid en uitvoeringspraktijken in zorg en welzijn. Wat betekent dit voor de kwaliteit van het professioneel handelen in dit domein?
10 Integraal werken is nieuw en tijdrovend S. van Arum en T. van den Enden Sociale wijkteams zijn de afgelopen jaren als paddenstoelen uit de grond geschoten. Movisie heeft in 2014 en in 2015 de inzet van deze teams in kaart gebracht. Dit artikel beschrijft resultaten van deze peiling.
16 GGZ en sociale professionals werken samen M. van der Meulen In dit artikel kijken we naar de rol van de sociale professional en de GGZ-professional bij de ondersteuning van psychisch kwetsbare mensen in de wijk.
20 Zelfsturend in de ambulante psychiatrie H.W. Klaassen Sinds twee jaar maak ik een geheel andere manier van denken, werken en organiseren mee, namelijk die van Buurtzorg en BuurtzorgT. Een impressie van het werken in een zelfsturende organisatie in de zorg.
24 Niet voor maar met de wijk S. Krol Bij de start van het programma B.Slim had 20%-25% van de kinderen in de Amersfoortse aandachtswijken overgewicht. Recent is gebleken dat dit percentage met drie tot zeven punten is gedaald.
29 Zorg op de juiste plaats H. van Veenendaal en E. Veldboer KiZ sprak Eric Veldboer, Regiomanager zorg Twente, die bij diverse projecten betrokken is over het slimmer organiseren van ondersteuning aan burgers en cliĂŤnten in de keten.
30 Er is geen weg terug P. van Splunteren Wat heeft wijkbenadering tot nu toe opgeleverd en hoe succesvol is het? De KiZ-redactie legde onder meer deze vraag voor aan Ton Schroor, wethouder in Groningen en aan Ruud Grondel, wethouder in Diemen.
32 Je ziet het pas als je het door hebt C. Roos, R. Jadoenandansing, A. van der Aalst, I. van der Voort Zorginstituut Nederland heeft zorgorganisaties geĂŻnterviewd en bevraagd hoe zij reflectie als instrument voor leren en verbeteren toepassen. Wat maakt reflectie voor hen succesvol? Wat kan de langdurige zorg hier van leren?
KWALITEIT IN ZORG | 2017 | NUMMER 4
3
THEMA
WIJKGERICHT WERKEN
Over de wijk als drager van vernieuwingen in het sociaal domein
De wijk nemen De wijk maakt een glorieuze comeback als drager van vernieuwingen in beleid en uitvoeringspraktijken in zorg en welzijn. Wat is daarbij de bedoeling? Hoe pakt dit uit in de praktijk? En wat betekent dit voor de kwaliteit van het professioneel handelen van professionals in het domein van zorg en welzijn? Ard Sprinkhuizen
Waarom is de wijk toch zo populair bij beleidsmakers? (foto: Nick_Nick)
4
NUMMER 4 | 2017 | KWALITEIT IN ZORG
DE WIJK NEMEN
E
erst kijken we nog eens naar de populariteit van de wijk in het beleid. Waar komt dat toch vandaan? In de geschiedenis van zorg, sociaal werk en sociaal beleid zie je een afwisseling tussen beleid en uitvoering die zich dan weer eens richt op gebieden (wijken, buurten, dorpen), dan weer op individuen en dan weer op groepen, vaak ook in een wisselend evenwicht. Zo werden de jaren ’80 van de vorige eeuw bijvoorbeeld gedomineerd door een sterk categoriale aanpak, maar was de stadsvernieuwing ook juist gericht op het gebied (‘bouwen voor de buurt’). In de jaren ‘50 tot en met de jaren ’70 was het fenomeen van de Woonscholen populair, dat een strakke gebiedsgerichte invulling combineerde met op bemoeizorg (of -zucht, zo je wil) geënte individuele (cliëntsysteemgerichte) interventies in de gespecialiseerde gezinszorg. Ook de zogenaamde ‘sociale vernieuwing’ in het begin van de jaren ’90 kende een sterk wijk- of zelfs straatgerichte invulling (‘Opzoomeren!’), net als de innovatieimpulsen vanuit het Grote Steden Beleid en de Stedelijke Vernieuwing. Deze ‘gebiedshectiek’ leek in het begin van de jaren nul even gekalmeerd, maar sinds de introductie van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning in 2007 (eerste prestatieveld: Versterking van leefbaarheid en sociale samenhang in wijken, buurten en dorpen) is de beweging naar de wijk weer helemaal terug. Zo kent bijna 90% van de gemeenten in Nederland inmiddels enige vorm van ‘sociale wijkteams’ (Movisie, 2016). Dat zijn multidisciplinaire teams die zich op integrale dienstverlening vanuit zorg én welzijn richten op ‘maatschappelijke ondersteuning’, preventie, signalering en toegang.
De wijk als beleidsmagneet Beleidsmakers, professionals, maar ook burgers (vrijwilligers) in het domein van zorg en welzijn zoeken sinds de ontmanteling van de zuilen in de jaren ’60 naar een manier om systematisch te bouwen aan een ‘goede’ samenleving, waar iedereen ‘tot zijn recht’ kan komen. Het gaat bijvoorbeeld om het zoeken van een goede balans tussen rechtmatigheid en rechtvaardigheid, om ‘ieder het zijne’ te kunnen geven, zonder te vervallen in willekeur. De samenleving vol vanzelfsprekendheden uit de vorige eeuw heeft stapsgewijs plaatsgemaakt voor een samenleving vol twijfel. Twijfel over de sociale opgave, over de rol van professionals, over de beleidskracht en de maakbare samenleving, over de inrichting van de sociale infrastructuur, over de manier waarop er ‘gestuurd’ kan worden, over ‘wat werkt’ en over wat ‘goed werk’ is.
KWALITEIT IN ZORG | 2017 | NUMMER 4
In toenemende mate lijkt de oplossing gezocht te worden in ‘dichter bij de burger’. Dat geldt niet alleen voor het beleid, voor bestuurders, maar ook voor professionals, maatschappelijke organisaties en zelfs voor burgers zelf. Denk bij dit laatste aan de nadruk op de rol van cliëntenraden, op de toenemende nadruk op ‘ervaringsdeskundigheid’ als cruciale kennisbron. De vraag is alleen: hoe kom je nu echt ‘dichterbij’. De wijk (of de buurt, het dorp) lijkt in ogen van nogal wat spelers de sleutel te bieden. Sinds pakweg 2007 waart een bestuurlijke decentralisatiegolf door het land. Het Rijk, maar ook de provincies, hebben een groot deel van hun taken in het sociaal domein bij gemeenten belegd. Dat zou immers de bestuurslaag zijn
Wat is al bekend? De beweging naar ‘de wijk’, het gebiedsgericht werken, zal voorlopig een belangrijke rol die het spelen dichtst bijinrichting de burger staat ensociaal dús de blijven in de van het brede domein. Het werken in de wijk is zeker burger hetin best kentdomein. en zijnSterker, noden niet ietsook nieuws het sociale hethet kent een decennialange traditie, waarmeest adequaat zou kunnen lenigen. Gemeenuit allerlei kwaliteitsmaatstaven afgeleid kunnen worden. Een voorbeeld hiervan is dat het ten hebben deze tussen beweging vertaald in eenis om lo- korte lijnen op te bouwen en te voor samenwerking professionals belangrijk kale ‘micro-decentralisatie’ wijk, onderhouden (Van den Berg et al,naar 2005).de Ook grotede landelijke programma’s als Heel de buurt of het dorp. In2003) sociologische literatuurdaarna en daarvoor hebben een Buurt (o.a. de Boer et al, en andere programma’s wordt er aanwijzingen dan wel gesproken van ‘de verzorschat aan en richtlijnen opgeleverd over ‘wat werkt’ in het wijkgericht gingsstad’, maar gemeenten lijken er eerder werken. een of een ‘participatiepad’ Wat‘verzorgingsstraat’ is nieuw? Toch stelt de huidige situatie professionals en organisaties voor andere en nieuwe uitdagingen. In de eerste plaats is, door de decentralisatiegolf in het brede sociale domein, het voor het eerst mogelijk om schotten (financieel, organisatorisch, inhoudelijk) tussen allerlei disciplines (gezondheidszorg, GGZ, jeugdzorg, welzijn en maatschappelijke dienstverlening) weg te nemen. Dat gebeurt dan ook, en er ontstaan steeds meer hybride vormen, waarin de verschillende professies (en cliënten en bewoners) elkaar tegenkomen op het niveau van de wijk, de buurt, het dorp. Het vraagt om een andere manier van kijken naar professionaliteit, waarin veel meer zal worden gevraagd van samenwerkingsvaardigheden, van overbruggende professionaliteit, en van de ambachtelijkheid van sociale professionals, van hun vaardigheden om zich in complexe omstandigheden te bewegen. In die zin vraagt alleen al de sterk veranderde en veranderende context om een heroriëntering op ‘wat nodig is’, zelfs voor professionals en organisaties die van oudsher een band met de buurt hebben. Wat kan je ermee? Dit alles laat onverlet dat de beweging om ‘de wijk te nemen’ een schat aan kansen biedt om de kwaliteit van de zorg, hulpverlening en ondersteuning veel krachtiger aan te laten sluiten bij de noden en vragen van burgers, vanuit een integraal perspectief, vanuit een samenhangende visie op de verschillende leefgebieden van burgers. Een huisarts zal, als het goed is, beter aan kunnen sluiten op het aanbod van een welzijnsvoorziening bij eenzaamheidsproblematiek. De jeugd-GGZ heeft allicht baat bij een goede band met de sportclub in de buurt. Het betekent ook dat de vraag naar andere en dynamische kwaliteitsnormen en richtlijnen, die aansluiten op meer gebiedsgerichte en samenhangende beroepspraktijken, gesteld zal moeten worden. Hopelijk zijn enkele ingrediënten in dit artikel ondersteunend bij de zoektocht naar antwoorden op deze spannende vraag.
5
THEMA
WIJKGERICHT WERKEN
Specialistische voorzieningen en diensten; niet vrij toegankelijk (indicering of specialistische diagnose). Bijvoorbeeld gedwongen kader, opname in institutie.
Sociale teams; schakelen en verbinden tussen de niveaus; het doen van lichte interventies • Vooral generalistische werkwijze • Soms met en focus op jeugd, GGZ, armoede, ouderen, zorg...(T-shaped professional) • Preventief, primaire toegang
vroegsignalering, (primaire en secundaire) preventie
Basisinfrastructuur:algemene voorzieningen, eerste lijnsgezondheidszorg, wijkveiligheid, onderwijs, gemeenschapshuizen, economische voorzieningen
Beperkte draagkracht
Substitutie
Specialistische voorzieningen en diensten; vrij toegankelijk voor professionals. Ambulante ondersteuning. Indicering naar niet vrij toegankelijke voorzieningen.
Civil society, vrijwillige inzet, verenigingsleven Direct persoonlijk en social netwerk
Individuele levenssfeer–strength-based
Uit: Sprinkhuizen, Ard(2015). Haarlem: lectoraat maatschappelijk werk Hogeschool Inholland
die het dichtst bij de burger staat en dús de burger ook het best kent en zijn noden het meest adequaat zou kunnen lenigen. Gemeenten hebben deze beweging vertaald in een lokale ‘micro-decentralisatie’ naar de wijk, de buurt of het dorp. In sociologische literatuur wordt er dan wel gesproken van ‘de verzorgingsstad’, maar gemeenten lijken er eerder een ‘verzorgingsstraat’ of een ‘participatiepad’ van te maken. Het gaat daarbij niet om een in-
Het gaat niet om ‘opschalen’ of ‘afschalen’, maar om verbinden cidentele oprisping. Integendeel. Bijna alle wettelijke kaders, zoals de Participatiewet, de Jeugdwet, de Wmo 2015 sturen in deze richting. En deze beweging naar de wijk, naar het
6
gebied, is niet voorbehouden aan het gemeentelijk beleid. Je ziet dit ook terugkomen in de Wet Langdurige Zorg, waar bijvoorbeeld verzorgingshuizen worden ontmanteld, waar een grootschalige ambulantisering van GGZ en Begeleid Wonen wordt ingezet en mensen langer thuis (willen) blijven wonen, of in de Zorgverzekeringswet, waarin de wijkverpleegkundige op het schild wordt gehesen. Het is niet alleen het beleid dat deze richting inslaat, datzelfde geldt voor maatschappelijke organisaties, voor de GGZ, voor ziekenhuizen, voor huisartsen, voor maatschappelijke opvang. En niet alleen voor de instituties, maar ook voor de (tien)duizenden professionals die daarin werken.
De bedoeling Maar waarom is deze beweging nu ingezet en wat is de bedoeling? Er is een hele banale reden te bedenken. En die draait om geld. Dat is
NUMMER 4 | 2017 | KWALITEIT IN ZORG
De wijk nemen
iets anders, voor de duidelijkheid, dan de noodzaak om te bezuinigen. Als je kijkt naar de ontwikkeling van budgetten in welzijn, zorg en ondersteuning, dan zien we dat er in de tweedelijns zorg (dus verpleeghuizen, jeugdzorg, verstandelijk beperkten, gezondheidszorg in de tweede lijn) circa 100 miljard euro per jaar omgaat. Dat bedrag is het afgelopen decennium met circa 10% per jaar gestegen. In de ondersteuning in de eerste lijn is de laatste jaren 3 miljard euro per jaar ingezet (en dat bedrag daalt alleen maar). Het gaat daar om lokale inzet op preventie, vroegsignalering, vrijwillige zorg, mantelzorgondersteuning, maatschappelijke ondersteuning, jongerenwerk, ouderenwerk en tal van dergelijke voorzieningen en diensten. De bedoeling van de ‘transformaties’, en met name van de versterkte gebiedsgerichte inzet, is minstens drieledig. Het bewerkstelligen van een zogenaamde ‘substitutie’ van de tweede lijn naar de eerste lijn en naar de nuldelijn. Die laatste staat dan voor de ondersteuning die burgers onderling kunnen organiseren. Veel meer vanuit de leefwereld en de behoefte van de cliënten, bewoners, burgers vertrekken. Dus een integrale benadering vanuit de leefgebieden van burgers. Dit is overigens iets anders dan vraaggericht werken. Professionals maken ook hun eigen afwegingen, op basis van professionele en normatieve beweegredenen. Het inzetten op ‘empowerment’, inzetten op ‘eigen kracht’, en het versterken van de netwerken, binnen de mogelijkheden van de cliënten en bewoners. Empowerment gaat nadrukkelijk ook over het verwerven van controle over het eigen leven en de omgeving. Het idee is, dat alle spelers in het sociaal domein, en mede op basis van een gebiedsgerichte aanpak, op een complementaire (aanvullende) wijze met elkaar gaan samenwerken. Dat betekent ook dat professionals onderling begrijpen van elkaar wat ze aan het doen zijn, en ook begrijpen dat ze ‘contextueel handelen’. Het gaat niet om ‘opschalen’ of ‘afschalen’, maar om verbinden. De figuur bij dit artikel laat deze beweging zien.
De praktijk Het zal duidelijk zijn dat deze beweging naar de wijk niet zonder slag of stoot gaat. In de praktijk zie je terug dat de samenwerking tussen professionals uit allerlei verschillende disciplines tal van andere vaardigheden vraagt. Wijkverpleegkundigen komen uit een hele andere wereld dan jongerenwerkers, hanteren andere kwaliteitsstandaarden en hebben zelfs een ander idee over ‘wat werk is’ en hoe te verantwoorden wat je gedaan hebt of hebt bereikt.
KWALITEIT IN ZORG | 2017 | NUMMER 4
Rondlopen over straat en contact leggen met meiden is iets anders dan lichaamsgebonden zorg aan huis bieden. Ook het vertrouwen tussen verschillende typen professionals in elkaars kennis en kunde blijkt lang niet altijd aanwezig en zal moeten worden opgebouwd. Van veel professionals in sociale wijkteams wordt verwacht dat ze ‘generalis-
Veel sociale teams zuchten onder een (te) zware caseload tisch’ werken. Nog afgezien van de vraag wat dat precies behelst, is er bij professionals in de meer specialistische zorg (zoals gedragswetenschappers in de jeugdzorg, GGZ professionals, professionals in de opvang en behandeling van huiselijk en seksueel geweld) twijfel of de ‘generalistische professionals’ wel genoeg in huis hebben om specifieke problematiek te onderkennen en om cliënten tijdig door te verwijzen. Het gaat niet alleen om andere samenwerkingsvaardigheden. Er wordt ook gevraagd om andere manieren van werken. Dat heeft mede te maken met het kunnen hanteren van een meer integraal perspectief op de cliënt of bewoner en met het dichter werken op de leefwereld van bewoners. Hierdoor ligt het soms minder voor de hand om strak geprotocolleerde instrumenten te gebruiken of vastomlijnde kennis in te zetten. Het gaat minder om strikte ‘evidence based’ manieren van werken, en meer om het kunnen toepassen van kennis, met de context, de grenzen en mogelijkheden van de cliënt en de eigen professionele vaardigheden nadrukkelijk en bijna letterlijk als ‘speelruimte’. Dat vraagt ook om het kunnen hanteren van een veel hogere mate van onzekerheid in contacten met cliënten en bewoners.
Zwaar Ten slotte blijkt uit veel onderzoek naar de ‘transformaties’, dat mede door de manier van werken (dichterbij de burger, in de wijken, integraal) veel sociale teams zuchten onder een (te) zware caseload (Kolner en Sprinkhuizen, 2014; Movisie, 2016; SCP, 2016; Jansen et al, 2017). Interessant is verder dat veel teams niet toekomen aan opdrachten die juist centraal staan in de transformatie: outreachend werken, inzetten op preventie en vroegsignalering, de brug slaan met en het versterken van de ‘civil society’. Dat heeft niet alleen te maken met de werkdruk, maar ook met onwennigheid van veel professionals om iets als samenlevingsopbouw ter hand te nemen. Daarbij komt dat in veel gemeenten
7
THEMA
WIJKGERICHT WERKEN
de ‘sociale basis’ (dat wil zeggen al die voorzieningen, vrijwillig en professioneel, die voor iedereen toegankelijk zijn (buurthuizen, kerken, sportverenigingen, basisscholen, enzovoort) niet toegerust is om met complexere sociale kwesties om te gaan, die op ze afkomen door de ‘substitutie-opgave’. Denk aan meer GGZ-cliënten in een wijk, meer demente of hulpbehoevende ouderen die langer thuis wonen, of leerlingen met gedragsproblemen in het regulier onderwijs.
Kwaliteitszorg in een turbulente omgeving Het zal duidelijk zijn dat deze beweging naar gebiedsgericht werken, en alles wat daarmee samenhangt, nogal wat vraagt van de sociale professionals die hiermee direct of indirect te maken krijgen. Ik zet enkele sleutelkwesties op een rij, zonder direct het antwoord te (kunnen) geven. In de eerste plaats zullen professionals veel meer moeten leren werken in een hoogcomplexe omgeving, waar met name de sociale complexiteit van veel vraagstukken vraagt om vaardigheden in het kunnen omgaan met twijfel en telkens veranderende omstandigheden. Donald Schön wijst in dit kader op het belang van ‘reflexieve professionaliteit’, waarbij de professional iemand is die met al zijn professionele vaardigheden zijn weg weet te vinden in telkens weer veranderende sociale omstandigheden. In de tweede plaats vraagt de beweging naar de wijk ook om een andere manier van omgaan met methoden, methodieken en instrumenten. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (2017) wijst erop dat de context waarin professionals hun beroep uitoefen vaak veel belangrijker is dan de methode die zij inzetten. Dat geldt des te meer voor professionals die voorheen vooral in de beschutting van hun behandelkamer met cliënten te maken hadden. In de derde plaats vraagt het om een andere manier van kijken naar professionaliteit. Door de beweging naar het gebiedsgericht werken komen professionals vanuit allerlei verschillende disciplines, maar ook met allerlei verschillende kennisgebouwen, met elkaar in aanraking en wordt er gevraagd om veel meer samen te werken. Dit vraagt om een zekere mate van gelijkwaardigheid tussen professies en kennisbronnen. Een specialist staat in deze zin niet ‘boven’ een generalist, maar hanteert andere kaders om een geval te beoordelen. Datzelfde geldt bijvoorbeeld voor het inzetten van ervaringskennis als kennisbron naast pro-
8
fessionele kennis. Het vraagt, kortom, om meer professionele bescheidenheid. In de vierde plaats vraagt de beweging naar de wijk ook om andere manieren van verantwoorden en sturen. Het afrekenen op basis van allerhande strikt geformuleerde indicatoren (caseload, drempeloverschrijdingen, zelfs het aantal succesvol afgesloten behandelingen) werkt niet. In het alledaagse leven blijkt dat veel problemen hardnekkig zijn (WRR, 2017) en dat de kansen die er liggen niet zo makkelijk in cijfers te vangen zijn. Het vraagt van professionals betere vaardigheden om verhalen op te halen uit hun praktijken en die over te dragen naar elkaar, naar opdrachtgevers, bestuurders én naar de cliënten en bewoners. Ten slotte vraagt de beweging naar de wijk en naar de leefwereld van bewoners ook om een krachtige normatieve en soms ook morele positiebepaling van sociale professionals. De transformaties en de daarmee samenhangende wetgeving en het beleid zijn sterk inhoudelijk geladen, meer dan voorheen het geval was. Professionals zullen binnen hun eigen professionele afwegingskaders moeten kijken ‘wat werkt’, en een stevige stem moeten laten horen op het moment dat beleid in hun praktijk niet uitpakt als bedacht. Literatuur Van den Berg, J. van den; Scholte, M.; Sok, K.; Russel, N. (2005). Werkboek Korte lijnen. Werken aan structurele samenwerking in de eerstelijns-GGZ. Utrecht: NIZW (nu: Movisie). Boer, N. de, Broekman, H., Kagie, P. Sprinkhuizen, A., Wild, J. de (2003). Heel de Buurt gebundeld. Een staalkaart van vier jaar buurtgericht investeren. Utrecht: NIZW (nu: Movisie). Jansen, E., Sprinkhuizen, A., Veldboer, L., Verharen, L., de Waal, V. (2017). Kwesties en keuzes in wijkhericht werken. Utrecht: Werkplaatsen Sociaal Domein. Kolner, C. en Sprinkhuizen, A. (2014). Uit het Doolhof. Observaties en reflecties bij de ontwikkeling van sociale (wijk)teams in Noord-Holland. Haarlem: KC Wmo en Wonen, Wmo Werkplaats Noord Holland, lectoraat Maatschappelijk Werk Inholland. Movisie (2016). Sociale (wijk)teams in beeld. Stand van zaken na de decentralisaties (najaar 2015). Utrecht: Movisie. RVS (2017). Zonder context geen bewijs. Over de illusie van evidence-based practice in de zorg. Den Haag: Raad voor Volksgezondheid en Samenleving. Schön, D.A. (1983, 1991). The Reflective Practitioner. How professionals think in action. Farnham: Ashgate SCP (2016). Overall rapportage sociaal domein. Rondom de transitie. Den Haag: SCP. WRR (2017). Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op zelfredzaamheid. Den Haag: WRR. Informatie over de auteur Ard Sprinkhuizen is associate lector Maatschappelijk Werk bij de Hogeschool Inholland en eindverantwoordelijk voor de Werkplaats Sociaal Domein Noord Holland (www.kpsdnh.nl).
NUMMER 4 | 2017 | KWALITEIT IN ZORG
Congres: sturen op kwaliteit
Rondetafels en Workshops Dashboards in de praktijk Op weg naar verandering Value Based Healthcare Positieve gezondheid
Durf keuzes te maken
De PROM’s toolbox Care en Cure leren van elkaar
2 november 2017 Media Plaza, Utrecht
U gaat naar huis vol nieuwe ideeën, tips, tricks en tools!
Bent u (mede)verantwoordelijk voor kwaliteit en veiligheid in de zorg? Het KiZ-congres helpt u ontwikkelen als het gaat om het maken van keuzes in het sturen op kwaliteit. Tijdens dit congres krijgt u antwoord op vragen als: •
Hoe ga ik om met externe druk?
•
Hoe vertaal ik kennis van kwaliteit en veiligheid naar actie?
•
Hoe betrek ik de cliënt/patiënt bij kwaliteit en veiligheid?
•
Hoe verander ik binnen de zorginstelling opvattingen over kwaliteit en veiligheid?
Meer informatie, kortingen en inschrijven: www.kizcongres.nl
#kizcongres
THEMA
WIJKGERICHT WERKEN
Sociale wijkteams volop in ontwikkeling
Integraal werken is nieuw en tijdrovend Sociale wijkteams zijn de afgelopen jaren als paddenstoelen uit de grond geschoten. Gemeenten zagen de sociale (wijk) teams als dĂŠ manier om te voldoen aan de extra taken die zij er door de decentralisaties bij kregen. Movisie heeft in 2014 en in 2015 een enquĂŞte uitgezet onder gemeenten om de stand van zaken rondom de inzet van deze teams in kaart te brengen. Dit artikel beschrijft resultaten van deze peiling. S. van Arum en T. van den Enden
Enorme werkdruk door grote variatie in hulpvragen.
10
NUMMER 4 | 2017 | KWALITEIT IN ZORG
INTEGRAAL WERKEN IS NIEUW EN TIJDROVEND
Type professionals Per gemeente worden keuzes gemaakt over de achtergronden en expertises van de leden van het (wijk)team. De positionering en opdracht aan het team heeft vaak invloed op de samenstelling. Een toegangsteam werkt in de regel met voornamelijk generalisten, terwijl een expertiseteam vaak uit medewerkers met meer specialistische kennis bestaat. Uiteraard kan een wijkteam ook bestaan uit een combinatie van generalisten, specialisten of T-shaped professionals. ■ Generalist: hulpverlener die over allerlei onderwerpen een behoorlijke basiskennis heeft om de problematiek vanuit verschillende levensdomeinen in kaart te brengen. ■ Specialist: wordt ingeschakeld bij specifieke vraagstukken die specialistische kennis vereisen. ■ T-shaped professional: is een combinatie van beide, namelijk een professional die een eigen specialisme heeft, maar naar buiten toe als generalist optreedt en signaleert.
nier. Slechts een klein aantal gemeenten kiest ervoor om niet met sociale (wijk)teams te werken, maar de zorg en ondersteuning te organiseren middels bijvoorbeeld een loket, coaches of een bestaande netwerkconstructie van vóór de decentralisaties. Maar het gros van de gemeenten zag in 2014 een sociaal wijkteam als een must. In 2014 bleek 93% van de 32 grootste (G32-) gemeenten 1 of meerdere wijkteams te hebben en 66% van de kleinere gemeenten. Sinds de 0-meting in het najaar van 2014 zit vooral groei bij het aantal kleine gemeenten dat met sociale wijkteams werkt. Bij de laatste peiling in 2015 hadden in die gemeenten 86% een wijkteam. De G32-gemeenten bleken in aantal teams te groeien van gemiddeld 5 in 2014 naar gemiddeld 8 in 2015 per gemeente. Het grootste deel van de gemeenten heeft echter tussen de 1 en 3 wijkteams. In kleinere gemeenten is één wijkteam voldoende voor de hulpvraag.
Breed integraal team
A
an het onderzoek in 2015 hebben 234 gemeenten meegedaan. Maar liefst 87 procent van deze gemeenten werkt met één of meerdere wijkteams. De namen voor deze teams kunnen verschillen; sociaal team, wijkteam, gebiedsteam. Ook de taken en doelgroepen verschillen. Zo zijn er teams die zich uitsluitend richten op complexe en meervoudige problemen bij gezinnen en teams die van alle inwoners, van jong tot oud, hulpvragen oppakken. Maar er zijn ook overeenkomsten. Zo willen vrijwel alle teams ‘dichter bij de burger’ staan en zorgen dat deze eerder en beter geholpen wordt, zodat zwaardere en duurdere zorg voorkomen wordt. De peiling van 2015 liet vooral zien dat de teams nog volop in ontwikkeling zijn. Het werken in een multidisciplinair team en met een integrale aanpak was voor de uitvoerende professionals nieuw en tijdrovend. Beloftes op het terrein van preventie en ondersteunen van burgerinitiatieven werden nog niet waargemaakt. Het werken met sociale (wijk)teams voor het organiseren van de maatschappelijke ondersteuning lijkt dan ook een proces te zijn voor een lange adem. Deze zomer volgt een nieuwe peiling.
Cijfers De behoefte bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) aan meer kennis omtrent wijkteams vormde aanleiding om in 2014 de stand van zaken rondom sociale (wijk)teams te peilen onder gemeenten. Een sociaal wijkteam is een manier om vorm te geven aan maatschappelijke ondersteuning, maar niet de enige ma-
KWALITEIT IN ZORG | 2017 | NUMMER 4
Er zijn bij de wijkteams verschillende modellen te onderscheiden. De meest gekozen vorm, zo bleek uit de peiling, is een breed integraal wijkteam voor alle bewoners en voor alle hulpvragen (42% van de gemeenten). Bij deze teams kunnen inwoners terecht voor het aanvragen van een traplift of rolstoel, maar deze teams zijn
Gemeenten experimenteren om het mandaat van professionals te vergroten er ook voor gezinnen die met bijvoorbeeld jeugdhulp, schuldsanering én GGZ te maken hebben. Deze grote hoeveelheid en verscheidenheid aan individuele hulpvragen zorgen voor een enorme caseload en werkdruk voor het team. Wellicht is dit een verklaring waarom bijna
Rapportages en onderzoeken Begin 2015 verscheen de rapportage ‘Sociale (wijk)teams in vogelvlucht, State of the Art najaar 2014’, een eerste peiling onder 224 gemeenten over de stand van zaken rondom de sociale (wijk)teams. De tweede meting heeft in het najaar van 2015 plaatsgevonden. Van de 234 gemeenten (60% van totaal aantal gemeenten) die aan het onderzoek deelnamen werkt 87% met sociale (wijk)teams. De resultaten verschenen begin 2016 in het rapport ‘Sociale (wijk)teams in beeld, stand van zaken na de decentralisaties (najaar 2015)’. Voor de publicatie ‘Organisatievormen en positionering van (wijk)teams: Overwegingen en ervaringen van gemeenten in beeld’ zijn medewerkers uit 17 gemeenten in Nederland geïnterviewd, die keuzes maakten rondom de inrichting en positionering van hun wijkteam. In juli 2017 is een derde landelijke peiling onder alle gemeenten uitgezet. De uitkomst van dit onderzoek verschijnt eind 2017. Alle rapporten zijn te vinden op de website movisie.nl.
11
THEMA
WIJKGERICHT WERKEN
Modellen Bij de organisatie van (wijk)teams zijn verschillende modellen te gebruiken. We onderscheiden de volgende modellen: ■ Model A: Breed integraal team, waar zoveel mogelijk hulpvragen, ook specialistische, binnen het (wijk)team worden opgepakt. Zo nodig met kennis van buiten het team (bijv. bij psychische problematiek van GGZ/GGD). Doelgroep: 0-100 jaar. Variant A1: voor alle hulpvragen van enkelvoudige tot meervoudige problematiek. Variant A2: uitsluitend voor complexe of meervoudige hulpvragen, bijv. multiprobleemgezinnen. ■ Model B: Domein-/doelgroep specifieke teams. Meerdere teams functioneren naast elkaar op afgebakende domeinen of doelgroepen. Heldere werkafspraken voorkomen overlap. Afhankelijk van de hulpvraag komt de casus bij één van de teams terecht: bijvoorbeeld in het volwassenenteam of team jeugd en gezin, of een team voor meervoudige problematiek. ■ Model C: Generalistisch (wijk)team functioneert als voorpost met daarachter één of meerdere domeinspecifieke teams.
de helft van de gemeenten aangeeft dat het team onvoldoende toekomt aan de gestelde taken als outreachend werken en het organiseren van de nuldelijnszorg. Het betrekken van bewoners, vrijwilligers en ervaringsdeskundigen had nog weinig prioriteit. Mede met het oog op het besparen van kosten was het belangrijkste doel in 2015 het voorkomen of uitstellen van een beroep op zwaardere zorg.
T-shaped De sociale wijkteams hebben blijkbaar hun handen al vol aan de nieuwe integrale en wijkgerichte manier van werken. Niet vreemd, als je bedenkt dat dit voor veel professionals een nieuwe en veeleisende manier van werken is. Het integraal werken in de wijk vraagt van een professional om in samenhang en afstemming domeinoverstijgend samen te werken aan effici-
Experimenteren om het mandaat van professionals te vergroten ente en effectieve ondersteuning bij hulpvragen van de inwoner. En deze ondersteuning samen met de inwoner en dicht bij de inwoner te organiseren. En daarbij ook preventief te werken om nieuwe of zwaardere hulpvragen te voorkomen. Kortom: professionals die in staat zijn om als ‘generalist’ de problemen van inwoners breed uit te vragen, maar met hun eigen specialisme ook ondersteuning kunnen bieden. In 2015 werkte 74% van de gemeenten met zogenaamde T-shaped professionals. Hierdoor kunnen de wijkteams zelf hulp- en ondersteuningsvragen oppakken en wordt dure tweedelijnszorg voorkomen of uitgesteld.
12
Ruimte voor doorontwikkeling Om meer inzicht te krijgen in de stand van zaken rondom de wijkteams is met medewerkers uit 17 gemeenten gesproken over hun ervaringen en gemaakte keuzes rondom de wijkteams. Uit dit kwalitatieve onderzoek kwam een aantal thema’s naar voren. Zo bleek dat de gemeenten bezig zijn met ‘doorontwikkelen’ van de teams en hun werkwijze. De meesten overwegen geen grote structurele veranderingen in hun gekozen organisatievorm. Wel proberen zij door middel van kleine aanpassingen, zoals het oprichten van een extra laagdrempelig loket, of het kiezen voor een andere taakverdeling tussen verschillende teams, de zorg en ondersteuning voor inwoners te verbeteren of te vereenvoudigen. Een meer structurele verandering die wel zichtbaar is in enkele gemeenten, is het samenvoegen van aparte teams voor specifieke doelgroepen, zoals bijvoorbeeld jeugd en volwassenen, tot één breed integraal team voor alle huishoudens. Het starten met gescheiden teams sloot aan bij de oude situatie, zoals het Centrum Jeugd en Gezin, waardoor niet in één keer alle taken bij een nieuw team terecht kwamen: “De gemeente heeft ervoor gekozen om alles in stappen op te delen, om eerst een en ander goed in te bedden. (…) Nu zijn ze er aan toe om door te ontwikkelen. We zijn in een fase gekomen waarbij hier meer ruimte voor is.” Of het samenvoegen van teams tot één breed integraal team een landelijke trend is, zal blijken uit de nieuwe peiling.
Experimenteren Een tweede thema dat uit de gesprekken met de gemeentemedewerkers naar voren kwam, is de ruimte die de wijkteams krijgen om ‘te doen wat nodig is’. Regelgeving staat soms haaks op wat het beste is voor de cliënt. Men is het erover eens dat dat niet wenselijk is: “Als dat volgens regelgeving niet kan, dan moeten we kijken hoe we het zo kunnen organiseren dat het wel kan, of een alternatief zoeken. We proberen wel alles uit de kast te halen om waar te kunnen maken wat volgens de consulent en cliënt nodig is.” Gemeenten experimenteren om het mandaat van professionals te vergroten. Zo zijn er pilots waarin wijkteammedewerkers een bedrag per jaar naar eigen inzicht mogen besteden. Sociale wijkteammedewerkers in Krommenie kochten een lasuitrusting voor een cliënt met schulden, uit het budget maatwerkondersteuning. De man kon hierdoor als zelfstandige lasser aan de slag en de bijstand verlaten. In Heerlen werken ze ‘white label’: “De sociale buurtteams en de mensen van de tweedelijns zorgorganisaties kunnen op afroepbasis ingezet
NUMMER 4 | 2017 | KWALITEIT IN ZORG
19TITEL_THE
Sociaal wijkteam kocht een lasuitrusting voor een cliënt met schulden.
worden. Daar hoeft geen indicatie aan te pas te komen. De ervaringen met de pilot waren erg positief. Met ingang van 1 januari 2017 vindt deze werkwijze in heel Heerlen plaats.”
Op de voet volgen Als er één ding is wat we leren van deze onderzoeken, is het dat de wijkteams volop in ontwikkeling zijn. We volgen deze ontwikkeling op de voet om meer zicht te krijgen op de landelijke stand van zaken; Wat gaat er goed? Waar liggen de uitdagingen en waar is behoef-
te aan ondersteuning? Of het de sociale (wijk)teams lukt om de hoge verwachtingen waarvoor ze zijn opgericht ook daadwerkelijk waar te maken, weten we waarschijnlijk pas over een aantal jaren. Het is zaak om ondertussen verder te werken aan kwaliteitsverbetering. Door te evalueren, te leren en door te ontwikkelen. Informatie over de auteurs Drs. Silke van Arum is senior onderzoeker bij Movisie. MSc. Thijs van den Enden is junior onderzoeker bij Movisie.
Wat is al bekend? Gemeenten zien de sociale (wijk)teams als dé manier om te voldoen aan de extra taken die zij er door de decentralisaties bij kregen. Bijna alle gemeenten werken met één of meerdere sociale (wijk)teams. Wat is nieuw? Gemeenten zijn de teams en hun werkwijze aan het ‘doorontwikkelen’ bijvoorbeeld door het oprichten van een extra laagdrempelig loket, of het kiezen voor een andere taakverdeling tussen verschillende teams of de zorg en ondersteuning voor cliënten te verbeteren of vereenvoudigen. Zo wordt gezocht naar mogelijkheden om de leden van de wijkteams meer mandaat te geven om ‘te doen wat nodig is’ voor de cliënt. Wat kan je hiermee? Op de hoogte zijn van de landelijke ontwikkelingen rondom sociale (wijk)teams. Hoe zien deze teams eruit, welke taken en doelgroepen hebben ze, hoe zijn ze samengesteld, met wie werken ze samen, wat gaat er goed en welke knelpunten zijn er?
KWALITEIT IN ZORG | 2017 | NUMMER 4
13
1 1 1 21 1
1 1 1 ;
. . .1. . . /
791 17:1 1 1851 1861 17569 && &% (, (' %
( "* !" ) )
' ( * &% #1 - ## %
# 1 (# %
. !& $ $ !. %."! $ .( !. . $ % ' &''$
*( * .1 '#&.$ %* +''#.1 %1 &## &( * &% # 1 %1 (+$ (& )) $+# *
%1 () '
'( " () 651*&')'( " ()1 %1 && # ( ( %21 PHWренRQGHUренDQGHUHр░И #1 ##0 $&.'. !.&$ !% "$ & %. ""$(" $ !. &. . ' %& . " ! . & ! ! (& 41 & 1 #&$$
$&.'. !.! $. ."$ ! % & 0. &. $ .( !. ) $ $%. !.'). $" . %. ! ( ! .
1 +''#.1 % ' %(" . .' &$" !. !! !. . !& $! & "! . '## +. ! 1 & ",& (&+'
) $ $%. * $ !. &. !. !. 1$ ) 1 %*(+$ !. $% #.( $ "" &. ) & &. !. .,"$
(% % ) 1DренD╚╡ренRRSренYDQренGH]Hрен0DVWHUFODVVр░И -.. &.'. !, &. !. .#$ ! # %. !. & " !. ( !. # $ & "! . * ! . !. '!&.'. , . &" # %% !. !. .#$ & -.. &.'. " .'.').#$" %% !. !& $ &0. EHWURXZEDDUрп╡ренVQHOренHQренH╔Ъ ренренFL┬нQWренLQренNXQWренULFKWHQ -.. &.'.) &.!" . %." . !. ' &''$.& . $ % $ !.) $ !. "!& !'. $ !. !. ( $ & $ !. .!"$ . % -.. '!&.'. .#$ ! # %.( !. !. $% #. !. .#$ & . $ ! !
.
. . . . 4 3 4 1
WEBSITE EN KENNISBRIEF KIZ
Website en Kennisbrief KiZ
Digitale uitbreiding tijdschrift KiZ Steeds meer mensen weten www.overkwaliteitvanzorg.nl, de nieuwe website van KiZ, te vinden. Ook de kennisbrief van tijdschrift KiZ blijkt populair. Maar voor wie de digitale uitbreiding van KiZ nog niet op het netvlies had staan: neem eens een kijkje op de site en abonneer u gratis op de driewekelijkse kennisbrief. J. Kloeze
J
arenlang beschikte KiZ uitsluitend over een digitaal archief waarin de pdf’s van de gepubliceerde artikelen waren ondergebracht. Met enige muisklikken konden belangstellenden zo’n artikel downloaden. Dat archief bestaat nog steeds, maar is nu ondergebracht bij een nieuwe website genaamd www.overkwaliteitvanzorg.nl. Wie rechtsboven op de knop Archief klikt, komt op de vertrouwde site met de pdf’s.
Navigatie De andere navigatieknoppen op de site geven rechtstreeks toegang tot de belangrijkste thema’s van tijdschrift KiZ. Dat zijn achtereenvolgens van links naar rechts Patiëntgerichte zorg, Implementeren, Borgen, Crisismanagement, Ketens en Netwerken, Meten en Weten, Kaders en Richtlijnen, Inkoop en Bekostiging en tenslotte Trends en Ontwikkelingen. Achter die knoppen staan vele
KWALITEIT IN ZORG | 2017 | NUMMER 4
relevante artikelen online. Het zijn veelal eerder in het blad gepubliceerde verhalen, die nu dus ook online zijn te vinden, vaak met onderlinge verwijzingen en andere verrijking.
Kennisbrief Nieuws is er genoeg. Nieuws verschijnt langs vele wegen en wordt door grotere redacties dan die van tijdschrift KiZ uitstekend verzorgd. Dat gaan wij dus niet overdoen. Wij onderscheiden ons liever met kennisbrieven. Onze kennisbrief verschijnt driewekelijks en bevat altijd een samenhangend viertal artikelen over een bepaald thema of onderwerp. Al bijna 1.000 belangstellenden hebben zich op deze kennisbrief geabonneerd, die zeer goed wordt gewaardeerd. Dat blijkt uit de online statistieken. En dat blijkt uit de snel groeiende abonneecijfers. Ga naar onze nieuwe website www.overkwaliteitvanzorg.nl en meld u aan!
15
THEMA
WIJKGERICHT WERKEN
Ondersteuning van mensen met een psychische aandoening in de wijk
GGZ en sociale professionals werken samen Lang niet altijd lukt het mensen met een psychische beperking om naar eigen wens te participeren, te werken en te leven. Hulp en ondersteuning kunnen dan een bijdrage leveren aan een beter leven. Sociale professionals kunnen in samenwerking met GGZ deze inwoners helpen het leven in te richten. De vraag is hoe deze hulp en ondersteuning op elkaar afgestemd kan worden. In dit artikel kijken we naar de rol van de sociale professional en de GGZ-professional bij de ondersteuning van psychisch kwetsbare mensen in de wijk. Margit van der Meulen
G
emeenten ondersteunen mensen binnen hun gemeentegrenzen wanneer zij moeite hebben het leven zelfstandig voor elkaar te krijgen. Dat geldt zeker bij mensen met specifieke belemmeringen, veroorzaakt door een aandoening of beperking. Dat vraagt om passende ondersteuning. Sociale professionals voeren die taak in opdracht van gemeenten uit. Vaak is die ondersteuning wijkgericht georganiseerd, terwijl het leven van mensen zich niet uitsluitend in de wijk afspeelt. Een belangrijk uitgangspunt van goede steun is
sen waar het voor bedoeld is. En als deze past bij het dagelijks leven en bij hun behoeften. In een inclusieve samenleving hoort iedereen erbij en telt iedereen mee. Daarvoor is er in de fysieke woonomgeving letterlijk en figuurlijk ruimte nodig voor diversiteit. Bijvoorbeeld door stigmatisering – wij/zij-denken – te vermijden. En door specifieke aandacht voor sociale ruimte te hebben. Goede ondersteuning gaat in op de behoeften van inwoners met een hulpvraag. Het gesprek daarover met de betrokkene is belangrijk. Behoeften kunnen op verschillende levensgebieden liggen. Bijvoorbeeld gebrekkige huisvesting, schulden, het niet durven bellen met instanties, het openen van post. En ook over het contact leggen in de buurt of boodschappen doen. Eigenlijk op elk mogelijk terrein. De zwaarte van vragen verschilt. Het gesprek aangaan over behoeften maakt dat mensen niet hoeven in te gaan op problemen, dingen die ze niet kunnen. Het onderstreept dat ieder persoon één geheel is, inclusief alle kwaliteiten en kwetsbaarheden. Juist dat benadrukken helpt bij het omgaan met zaken die niet vanzelf gaan.
De gevolgen van decentralisatie
Wanneer treed ik op? En wanneer niet? dat ieder mens zijn of haar eigen plek heeft om te wonen en te leven. Dat geeft de gelegenheid om mee te doen in de samenleving. Uit onze focusgroepen blijkt dat ondersteuning effectief is, wanneer deze omarmd wordt door de men-
16
Eén van de hoofdpunten van de transformaties in de GGZ en de Wmo is dat ondersteuning zo veel mogelijk in de leefomgeving moet plaatsvinden. Het is effectiever als steun daadwerkelijk aansluit bij de leefwereld: dichtbij en toegankelijk. Maar hoe doe je dat? En wie doet er wat? Wat kunnen professionals bijdragen aan de leefwereld? Er zijn in Nederland verschillende steunsystemen aanwezig met lokale verschillen in de inrichting en uitvoering van de
NUMMER 4 | 2017 | KWALITEIT IN ZORG
GGZ EN SOCIALE PROFESSIONALS WERKEN SAMEN
professionele zorg en ondersteuning. Niet-professionele ondersteuning is ook nadrukkelijker aanwezig dan vóór de stelselherziening. Uit onze inventarisatie blijkt dat het kwetsbaarproof zijn van voorzieningen van groot belang is. Een voorziening is kwetsbaarproof als er een cultuur is die andere groepen insluit naast de eigen groep. Iedereen is dan welkom. Dat kan met aandacht voor alle aanwezigen, een veilige sfeer, enthousiasme van de professional. En door niet te kijken naar wat mensen niet (meer) kunnen, maar naar wat ze wél kunnen en wat ze willen bijdragen. En door zelf contact te leggen met mensen die de weg in de wijk niet alleen kunnen vinden. Ook dat is een taak voor sociale professionals. Hoe sociale professionals daar aan kunnen werken en hoe GGZprofessionals kunnen bijdragen aan het lokale steunsysteem, werken we nu verder uit.
Sociale professionals Sociaal werkers en wijkteams hebben contact in de wijk, zij kennen de wijk en de bewoners. Daarmee zijn ze op de juiste plek om mogelijkheden en sociale ruimte voor mensen met een psychische beperking te scheppen. De meeste sociale professionals hebben echter geen specifieke kennis van GGZ-problematiek. Dat hoeft ook niet. Zij zijn de aangewezen personen om te werken aan sociale ruimte. Sociale professionals kunnen zorgen voor de randvoorwaarden om deze mensen mee te laten doen. Voor sociale professionals is er de uitdaging van de wijkgerichte aanpak: Wanneer treed ik op en wanneer niet? Durven professionals te ontzorgen, in letterlijke zin? Belangrijk is dat de sociale professional kan opschalen. Maar daarvoor is enige kennis over problematieken - zoals mogelijk bijbehorend gedrag - noodzakelijk én een goede afstemming met GGZ. In het lokale samenspel zijn de relaties en de (organisatie van de) communicatie belangrijk: hebben we elkaars telefoonnummer en weten we wie we moeten bellen indien nodig? De sociale professional probeert gestalte te geven aan ‘zo zwaar als het moet en zo licht als het kan’. Uit ons onderzoek komt naar voren dat de sociale professional aan een vijftal aspecten aandacht moet geven bij het bieden van goede ondersteuning. Deze aspecten gelden waar relevant ook voor GGZ professionals. De aspecten zijn: 1. De eigen houding. Onvoorwaardelijke aandacht is de basis. Die aandacht is er dan ook voor de aanwezige (latente) behoeftes. Vaak gaat het om behoeftes die niet snel te realiseren zijn. Geduld en doorzettingsvermogen zijn nodig. Voor professionals bete-
KWALITEIT IN ZORG | 2017 | NUMMER 4
kent dat zij moeten werken vanuit de presentiebenadering (Baart, 2001): wees aanwezig en zie de hele mens. Een mens is meer dan zijn ziekte of aandoening. Het is van belang om goed te luisteren naar wijkbewoners, ongeacht of ze met een beperking of aandoening leven. 2. Vanuit die houding gaat de sociale professional in de wijk kwartiermaken. Kwartiermaken is zorgen voor een verwelkomende omgeving. Het gaat om begrip kweken, ruimte maken waar iemand welkom is. In het buurthuis, bij een activiteit, in de straat, zodat mensen niet vreemd worden aangekeken. 3. Samenwerken in de wijk. Elke professional levert zijn eigen bijdrage. Mensen hebben vragen op allerlei levensgebieden. Daarom is het van belang dat de professional weet wie er welke steun levert en hoe de verschillende professies elkaar aanvullen. Daarbij gaat het om samenwerking rondom informele zorg in de breedste zin van het woord. Heb zicht op iemands netwerk. Zorg dat er rek – begrip voor onderhavige problematiek en voldoende veerkracht bij informele zorger(s) – is om mensen op te vangen. Daar kan een ondersteuner op letten en in sturen. Een onorthodoxe en laagdrempelige aanpak met geduld en doorzettingsvermogen is nodig voor sluitende ketenaanpak. Neem bijvoorbeeld met de politie
Het Zwitsers juridisch zakmes Informatie delen tussen professionals kan lastig zijn in verband met het beroepsgeheim. Er zijn vier invalshoeken die professionals kunnen helpen om het delen van informatie bespreekbaar te maken: ■ Het zelfbeschikkingsrecht van mensen. Door ouders en jongeren goed te informeren kunnen zij zelf keuzes maken en meedenken. Dit recht is een behulpzame bril voor professionals om door te kijken. ■ Preventieve vroegsignalering. Informeren over tijdige (vroege) hulp kan later intensievere trajecten voorkomen. ■ Om zorgen te verifiëren is het van belang achter de voordeur te komen en niet af te wachten. ■ Professionals toerusten met een methodiek van informatie delen. In principe geldt het uitgangspunt dat betrokkene toestemming moet geven voor het delen van informatie. Het Zwitsers zakmes, ontwikkeld door Jolanda van Boven, is een methodische ondersteuning bij de afweging om informatie te delen als de betrokkene hiervan niet op de hoogte is. Belangrijk uitgangspunt van de methode is het vastleggen van de informatie en het motiveren van beslissingen. Ook kan het zakmes gebruikt worden bij de afweging of de juiste maatregel wordt voorgesteld en om hierover in gesprek te gaan met de betrokkene en/of zijn familie. Meer informatie over het Zwitsers juridisch zakmes is te vinden op de website van koersvo.nl en veiligheidshuizen.nl.
17
THEMA WIJKGERICHT WERKEN
18
NUMMER 4 | 2017 | KWALITEIT IN ZORG
GGZ en sociale professionals werken samen
Sociale ruimte Sociale ruimte omvat enerzijds mogelijkheden in de omgeving om te ontmoeten, voor iedereen en makkelijk toegankelijk. Anderzijds omvat het ook de sfeer, de bereidheid en de mogelijkheid om contact te maken met anderen. Zodat er daadwerkelijk contact kan zijn tussen mensen met verschillende achtergronden en mensen zich niet uitgesloten voelen. Een voorbeeld hiervan is Wijk en Participatie in Amersfoort: www.wijkenpsychiatrie.nl.
dagelijks de E33-meldingen (‘incident verward persoon’) door. Stel daarbij de vraag: waar is ondersteuning nodig en van wie kan die het beste komen? 4. Herstel. Herstel gaat over het leven oppakken. Vanuit de grenzen die bij een aandoening horen. Dat kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld in contact met ervaringsgenoten. Denk aan deelname aan een zelfhulpgroep of bezoeken van een zelfregiecentra. Maar ook een cursus als HEE of Herstellen doe je zelf. Ook dit gaat over de behoefte van de persoon in kwestie. Wil hij of zij werken? Of bijvoorbeeld contact met anderen? 5. Oog voor preventie. Mensen waarvan bekend is dat ze een psychische beperking hebben, kunnen een terugval krijgen. Of een te hoge belasting ervaren. Daar alert op zijn is belangrijk, maar ook zorgen dat de belasting niet te hoog is. Door bijvoorbeeld te zorgen voor laagdrempelige steun, die de belasting tijdig kan verlagen.
met de persoon zelf alsook met de ondersteuners. Dus ook met de sociale professional. De sociale professional heeft kennis nodig wanneer op te schalen, om signalen van overbelasting en disbalans te herkennen. De sociale en GGZ-professional vullen elkaar aan. Zij hebben elkaar nodig om een goed steunsysteem te vormen. Literatuur Baart, A., Een theorie van de presentie. Lemma: Utrecht, 2001 Meulen, M. van der., GGZ in de wijk. Movisie: Utrecht, 2017 https://www.movisie.nl/publicaties/GGZ-wijk Venneman, B. Uitleg juridisch zakmes. CJG Krimpen a/d IJssel, 2009 https://cjgkrimpenaandenijssel.nl/informatie-voor-professionals/documenten-privacy/ https://www.koersvo.nl/bijeenkomsten/ nieuwjaarsbijeenkomst/#juriste-jolanda-van-boven-van-toestemming-naar-transparantie Informatie over de auteurs Margit van der Meulen is adviseur Thuis in de wijk, Movisie.
GGZ-professionals Naast de steun in het dagelijks leven aan individuen levert de GGZ een bijdrage aan het steunsysteem in de wijk. Zij beschikken over kennis van psychische aandoeningen en bijbehorende behandelingen. Daarmee bieden GGZ medewerkers expertise en een achterwacht voor de sociale professionals. Om dat te bewerkstelligen is een goede en duurzame samenwerking tussen GGZ en sociale professionals van belang. En moeten beide vormen van ondersteuning op elkaar aansluiten. Daarom is ook hier de houding van alle professionals belangrijk. En de gerichtheid op de behoefte van de betreffende persoon. De samenwerking tussen GGZ en sociale professionals is geen doel op zich, maar een middel om mensen met een psychische aandoening te helpen. Het gaat uiteindelijk om de mensen die steun nodig hebben. Niet iedereen heeft een goed inzicht in de eigen problematiek. Dat kan betekenen dat mensen niet goed weten wat er gebeuren moet als ze de regie over hun eigen leven (tijdelijk) kwijt zijn. De GGZ moet het gesprek hierover aangaan, zowel
KWALITEIT IN ZORG | 2017 | NUMMER 4
Wat is bekend? Passende ondersteuning is van belang om mensen met een psychische beperking te laten meedoen. Door de decentralisatie worden zorg en ondersteuning dichter bij huis georganiseerd en is afstemming tussen sociale en GGZ-professionals van belang. Zowel voor sociale professionals als GGZ begint goede afstemming met bewustwording van de behoefte van de inwoners en daar van uitgaan. Wat is nieuw? De contouren van passende ondersteuning zijn in beeld. Laagdrempeligheid en toegankelijkheid zijn kernelementen, evenals een gemêleerd ondersteuningsaanbod. Het kan gaan om fysieke plekken waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en hulpvragen kunnen stellen en uitwisselen. De GGZ werkt hierbij samen met andere ondersteuners, met en zonder ervaring met GGZ-problematiek. De GGZ zorgt voor specialistische ondersteuning, de overige ondersteuners helpen op het sociale vlak. Wat kun je er mee? De gemeente kan sturen in het proces van samenwerking. Door bijvoorbeeld een verwijzer aan te stellen die mensen adequaat doorverwijst. Maar ook door het samenspel op gang te brengen over het onderlinge gesprek en de afstemming. We pleiten ervoor dat de gemeente hierover in gesprek gaat met het wijkteam, sociale professionals en mensen met een psychische aandoening. De bedoeling is dat iedereen meetelt en meedoet. Mensen met en zonder beperkingen. In de inclusieve samenleving kijken we naar elkaar om, starten we bij de behoeften en leefwereld van mensen en werken sociale professionals en GGZ gezamenlijk aan wijkgerichte, integrale en persoonlijke zorg en ondersteuning.
19
THEMA
WIJKGERICHT WERKEN
Anders denken, anders doen
Zelfsturend in de ambulante psychiatrie Veertig jaar ben ik werkzaam geweest als (sociaal psychiatrisch) verpleegkundige binnen de somatische en psychiatrische gezondheidszorg, in organisaties waarin hiërarchie en medisch gestuurd denken en handelen voorop stonden. Sinds twee jaar maak ik een geheel andere manier van denken, werken en organisatievorm mee, namelijk die van Buurtzorg en BuurtzorgT. In dit artikel een impressie van het werken in een zelfsturende organisatie in de zorg. Henk Willem Klaassen
B
ij Buurtzorg en BuurtzorgT gaat het om de cliënt in zijn context. Zijn verhaal en zijn omgeving staan centraal. Het voelt voor mij als een soort van wake-up call: kan het ook anders?! Ja het kan anders. ‘Over een aantal jaren zullen we terugkijken en ons afvragen waarom we dat niet eerder hebben bedacht’, schrijft Gerard Lohuis over deze ontwikkeling in mijn boek ‘Werken in de nieuwe GGZ’. Buurtzorg werd in 2006 in Almelo opgezet door Jos de Blok. Hij startte een zelfsturend
De organische groei is voor een groot deel afhankelijk van ‘bevrijde’ professionals team in de wijkverpleging. Een zelfsturend team dat wars was van wet- en regelgeving. In die tijd bepaalden indicatiecommissies en ziektekostenverzekeraars de duur van verpleegtechnische handelingen (bijvoorbeeld vijf minuten voor het aandoen van een steunkous). Er was geen tijd om naar andere aspecten van het leven van de cliënt te kijken. De wijkverpleegkundige was niet meer goed in staat om de gehele situatie van de cliënt te overzien en bijvoorbeeld in te schatten of de cliënt de deur nog uitging om boodschappen te doen; hij of
20
zij kwam eigenlijk alleen nog maar binnen voor een korte handeling. Binnen het Buurtzorgconcept werd voor een andere insteek gekozen, namelijk: de wijkverpleegkundige bepaalt samen met de cliënt wat de cliënt nodig heeft. Niet een indicatiecommissie. (Klaassen, 2016).
Huisarts Sinds ik bij BuurtzorgT werk, merk ik dat het werken een totaal andere instelling van me vraagt. Naast dat ik zelf verantwoordelijk ben voor het leveren van goede zorg, ga ik ook samen met mijn team volgens zelfsturende principes te werk. Er zijn geen managers of stafmedewerkers die bepalen wat de volgende implementatie is, maar wij bepalen dat als team. Ik merk dat de huisarts in de wijk een belangrijke spil is voor de cliënt, ik merk dat mijn contact met de huisarts essentieel is. De huisarts wil graag weten wat er met zijn cliënt gebeurt.
Geen implementaties Na het eerste zelfsturende [Buurtzorg]-team in Almelo volgden er meer. Tien jaar later zijn er 850 Buurtzorg-wijkteams en werken er 9568 medewerkers bij Buurtzorg. De overhead is minimaal, een marketing- en communicatieafdeling heeft het bedrijf niet. Naast Buurtzorg zijn
NUMMER 4 | 2017 | KWALITEIT IN ZORG
ZELFSTUREND IN DE AMBULANTE PSYCHIATRIE
Bevrijde professionals ontdekken een nieuw potentieel in de GGZ.
er gaande de jaren ook andere diensten ontwikkeld, te weten : Buurtzorg Jong, Buurtdiensten, Buurtzorg Pension, Buurtzorghuis, Familiehulp, Buurtzorg Kraam en BuurtzorgT. Eind oktober 2016 zijn er in totaal 13.169 medewerkers in dienst. Het gedachtegoed en de organisatie worden verder ontwikkeld. Buurtzorg heeft een unieke organisatiestructuur binnen de gezondheidszorg. (Klaassen, 2016). Twee belangrijke kenmerken zijn dat de organisatie opgebouwd is met uitsluitend zelfsturende
KWALITEIT IN ZORG | 2017 | NUMMER 4
Casus Bert is een 45 jarige man, ongehuwd, HBO opgeleid, hij leeft al meer dan tien jaar met veel angsten en komt weinig op straat. Bert krijgt begeleiding en behandeling vanuit het BuurtzorgT-team. Hij krijgt zowel medicatie als training om met zijn angsten om te gaan. Bert en ik bepalen samen hoe vaak medicatie nodig is en bepalen ook samen welke doelen we maken. Daarnaast krijgt Bert ook wekelijks een maatje op bezoek, samen gaan zij elke week er op uit. Geregeld spreek ik met zijn moeder en vrienden om de samenwerking en de afstemming te bespreken. Ik heb het idee dat het veel meer gaat om de cliĂŤnt en zijn verhaal en zijn omgeving en dat ik zodoende de behandeling en begeleiding daarop afstem.
21
THEMA
WIJKGERICHT WERKEN
teams en de kwaliteit van zorg wordt door client, naasten en hulpverlener gezamenlijk bepaald. Daarnaast vinden binnen de organisatie geen implementaties of reorganisaties plaats, in tegenstelling tot wat in de reguliere GGZ de laatste jaren gangbaar is. Er is een grote tevredenheid bij cliënten, naasten en medewerkers. Tot vijf keer toe (van 2012 tot en met 2016) werd Buurtzorg uitgeroepen tot beste werkgever. Het behaalde de hoogste score in de categorie ‘meer dan 1000 medewerkers’. (Klaassen, 2016).
Tweedelijn BuurtzorgT is in 2013 opgezet en biedt tweedelijns gespecialiseerde ggz-hulp aan. De organisatie is gebaseerd op de principes en visie van Buurtzorg. Bij BuurtzorgT werken 90 medewerkers in 15 teams verspreid over het land, inclusief de kleine overhead van bestuurder, coach en ondersteunende medewerkers. Het afgelo-
Nu ook keuze in gespecialiseerde ggz-hulpverlening pen jaar is het aantal medewerkers verdubbeld. Ook de medewerkers van BuurtzorgT hebben de professionele verantwoordelijkheid om in hun eigen zelfsturende team zorg te dragen voor kwalitatief goede zorg. Daarnaast zijn zij onder andere ook verantwoordelijk voor acquisitie, budgetneutraal financieel huishouden, aanname van personeel, het werken binnen de visie van Buurtzorg en BuurtzorgT. De ontwikkeling die Buurtzorg de afgelopen tien jaar heeft doorgemaakt in de somatische gezondheidszorg, kan een ontwikkeling zijn die BuurtzorgT ook door gaat maken. Beide organisaties hebben geen strategische plannen
Toelichting Wat is al bekend? Er zijn initiatieven om de GGZ meer cliënt- en wijkgericht te laten werken. Zelfsturing in de gezondheidszorg kan zowel kosten besparen als kwalitatief betere zorg bieden. Wat is nieuw? BuurtzorgT werkt sinds 4 jaar vanuit hetzelfde model als Buurtzorg en levert gespecialiseerde ambulante GGZ. Binnen BuurtzorgT is de hulpverlener aan het stuur. Wat kan je hiermee? Besef dat psychiatrische hulpverlening ook op een andere manier dan de reguliere GGZ georganiseerd kan worden: in de wijk, met zelfsturende teams.
22
hoe groot en hoe snel zij willen groeien. De groei vindt organisch plaats en is voor een groot deel afhankelijk van ‘bevrijde’ professionals die een stap kunnen maken in het ‘anders denken, anders doen’.
Voor wie Buurtzorg biedt eerstelijns wijkverpleging. Dat betekent dat alle burgers zich zelfstandig als cliënt kunnen aanmelden bij Buurtzorg en samen met een Buurtzorg medewerker bepalen of de juiste zorg geboden kan worden. Bij Buurtzorg werken MBO en HBO geschoolde wijkverpleegkundigen en verzorgenden. BuurtzorgT biedt tweedelijns gespecialiseerde GGZ-hulp. Burgers kunnen zich via de huisarts laten verwijzen. Bij BuurtzorgT werken (sociaal) psychiatrisch verpleegkundigen, sociaal pedagogische hulpverleners en psychiaters. Ervaringen met psychische of somatische klachten, van zichzelf of van naasten, zetten hulpverleners van BuurtzorgT gepast in bij het contact met de cliënt.
Uitgangspunten en werkwijze Uitgangspunten die beide organisaties hebben zijn: de noodzaak van goed zorgen, betrekken van de sociale omgeving, beter (t)huis in de buurt; geen getemde, maar bevrijde professionals; kwaliteit weer centraal; vertrouwen, geen controle; inspiratie in plaats van management; menselijkheid in plaats van bureaucratie; samen en dichtbij; vereenvoudigen; anders denken anders doen; ervaren en bekwaam en gebruikmaken van e-health. Ik ben zelf verantwoordelijk samen met mijn team om na te denken over kwalitatieve goede zorg, wijkgericht te zijn en zichtbaar te zijn voor bijvoorbeeld huisartsen. Dat wordt verder niet ingegeven door mails/rapporten of implementaties van het bedrijf. Het bedrijf ben ik, het bedrijf zijn wij. Door die verantwoordelijkheid te krijgen en niet afhankelijk te zijn van meerderen daagt dat mij veel meer uit. Zowel Buurtzorg als BuurtzorgT hebben als kenmerk dat zij in de buurt werken. Zij hebben een klein kantoortje in de wijk en bezoeken hun cliënten vooral thuis. Er wordt veel samengewerkt met de huisarts en de naasten van de cliënt. Daarnaast wordt op maat gekeken in hoeverre er aansluiting gevonden kan worden met het aanbod in de wijk (buurthuizen, vrijwilligers, buren, (vrijwilligers-)werk). Binnen de wijkverpleging kunnen burgers en huisartsen al langere tijd kiezen uit verschillende zorgaanbieders. Binnen de gespecialiseerde hulpverlening waren de grote GGZ-instellingen
NUMMER 4 | 2017 | KWALITEIT IN ZORG
de enige aanbieders voor gespecialiseerde GGZ-hulp in de regio. Met de komst van onder andere BuurtzorgT bestaat er nu ook op deze markt keuzemogelijkheid.
Effectiviteit Er is onderzoek gedaan naar de effectiviteit van Buurtzorg. Laloux beschrijft deze in Reinventing organizations (2015): Laloux geeft onder andere enkele uitkomsten van een studie van Ernst & Young uit 2009 (Laloux, 2015): ■ Omdat Buurtzorg cliënten helpt zichzelf te redden, heeft het gemiddeld 35 procent minder zorguren per cliënt nodig dan andere zorgorganisaties. ■ De besparingen voor de sociale zekerheid zijn aanzienlijk. Ernst & Young schat dat het bijna € 2 miljard zou schelen als alle georganiseerde thuiszorg in Nederland op de Buurtzorgmanier zou worden verleend.
Dilemma’s Omdat BuurtzorgT zich niet geheel wil conformeren aan alle regelgeving die de zorgverzekeraars opstellen, krijgen zij ‘slechts’ 60-80 procent van de reguliere vergoeding (volgens DBC-regelgeving). Dat maakt de organisatie kwetsbaar. Ik ben als hulpverlener ook ondernemer geworden. Dat gaat mij en mijn collega’s niet altijd even gemakkelijk af. Naast het feit dat het bevrijdend werkt om vanuit de visies van zelfsturing te werken, is het ook hard werken om je (financiële) administratie goed in orde te hebben. Feitelijk moet je er zorg voor dragen dat je elke maand voldoende behandeltijd hebt geleverd. Het is steeds een balans die je samen moet bespreken, hebben we genoeg aanmeldingen? Registeren we goed genoeg? Weten we goed genoeg hoe we de administratie in orde houden? Dat is voor mij en andere hulpverleners een uitdaging.
Samenwerken BuurtzorgT en de reguliere GGZ zouden heel goed naast en met elkaar kunnen samenwerken en afstemmen. Voor ‘super’gespecialiseerde ggz-hulp heeft een reguliere GGZ-instelling veel betere faciliteiten (afdelingen en gespecialiseerde hulpverleners). Ik denk in deze aan intensieve behandelingen voor mensen met psychoses, depressie, PTSS die in de ambulante zorg te complex blijken. De reguliere GGZ zou een stuk meer kunnen inkrimpen door zich te richten op deze supergespecialiseerde hulp en de ‘gewone’ psychiatrische hulpverlening over te laten aan zelfsturende wijkteams (die niet aangestuurd worden door reguliere GGZ-instel-
KWALITEIT IN ZORG | 2017 | NUMMER 4
lingen, want per slot is het gevaar dat de overhead daarin te bepalend is). Veel hulp die door de reguliere GGZ gegeven wordt, kan absoluut goedkoper en efficiënter. Daarnaast moet gezegd worden dat zelfsturing niet een gemakkelijke opgave is. Voor zelfsturing moet je kiezen en het moet je niet opgelegd worden. Je moet gemotiveerd zijn om in aan ander model te werken. Dat vraagt voor veel hulpverleners nog een grote uitdaging van omdenken.
Motivatie In de afgelopen veertig jaar dat ik als verpleegkundige in de gezondheidszorg werk, werden ziekenhuizen en GGZ-instellingen groter en groter. Met het idee dat zij goedkoper en efficienter werden, en dat ik betere zorg zou leve-
Ik ben als hulpverlener ook ondernemer geworden ren. Ik merkte dat er (te)veel reorganisaties en implementaties werden verricht die niet altijd tot het gewenste doel leiden. Ik had het idee dat de veranderingen ook niet altijd de zorg ten goede kwam. In de meeste gevallen werden al deze plannen opgelegd vanuit de bovenlagen van de organisaties. Ondanks het feit dat vele hulpverleners in deze veranderingen veel en goed werk verrichtten, werd er een groot beroep gedaan om mijn motivatie elke keer weer aan te scherpen. Ik kreeg het gevoel dat ik het niet goed genoeg deed. Ik ervaar nu een grotere rust. Ik mag handelen vanuit wat ik kwalitatieve zorg vind (werken vanuit sociaal-psychiatrische context), die niet mijn managers, maar mijn cliënt, zijn of haar naaste en ik kunnen bepalen. Zelfsturing is als een uitdaging in mijn vak erbij gekomen, ik moet zowel ondernemer als samenspeler in mijn team zijn. Dat daagt uit, motiveert en stimuleert. Dat gaat ook wel eens mis, maar vraagt van mij telkens weer anders denken, anders doen. Literatuur Klaassen, H.W., (2016), BuurtzorgT, werken in de nieuwe ggz; uitgave door V en VN ism Buurtzorgt. ISSN nummer: 13863541 Te verkrijgen bij almere@buurtzorgt.nl Laloux, F. Reinventing Organizations, (2015), Uitgeverij LannooCampus, Vierde druk, september 2016. Leuven België. Informatie over de auteur Henk-Willem Klaassen is sociaal psychiatrisch verpleegkundige, werkzaam bij BuurtzorgT.
23
THEMA
WIJKGERICHT WERKEN
B.Slim Amersfoort; samen in de wijk tegen overgewicht
Niet voor maar met de wijk! Sinds 2005 loopt in de gemeente Amersfoort het leefstijlprogramma
Doel
B.Slim ‘Beweeg meer. Eet gezond’. Het programma richt zich zowel op
Het programma B.Slim zit inmiddels in de 3e projectperiode, voor deze periode is als doel gesteld: Het percentage kinderen van 0-18 jaar met overgewicht neemt in de B.Slim wijken van Amersfoort verder af met 3% in de projectperiode 2015-2017. Om dit doel te behalen ligt de focus van de activiteiten op het vergroten van de bewustwording rond het belang van gezonde voeding en bewegen. Bij de activiteiten voor kinderen ligt het accent niet zozeer op voorlichting maar vooral op activiteiten die zij zelf kunnen doen. Bij de activiteiten voor ouders wordt naast het vergroten van de bewustwording ingezet op het aanreiken van tools en handvatten voor het verbeteren van de eigen leefstijl en die van hun kind(eren).
kinderen met een gezond gewicht als op kinderen met overgewicht van 0-19 jaar en hun ouders/verzorgers. Bij de start van het programma had 20%-25% van de kinderen in de aandachtswijken overgewicht. Recent is gebleken dat dit percentage met drie tot zeven punten is gedaald. Sanne Krol
H
et programma loopt in vier aandachtswijken. De input vanuit de wijk staat voorop bij de aanpak van overgewicht. Bij de start zijn focusgesprekken gevoerd met wijkbewoners. Sleutelfiguren die dagelijks met de doelgroep werken, zoals de brede school coördinatoren, opbouwwerkers, kinderwerkers en buurtsportcoaches uit de B.Slim wijken zijn nauw betrokken. Twee keer per jaar komen zij bijeen en vragen vooraf waar ouders behoefte aan hebben. Samen wordt daarna gekeken waar kansen liggen en mogelijkheden om in te spelen op signalen van bewoners. Zo is er recent de voorlichting ‘gezond eten tijdens de ramadan’ verzorgd op vraag van de bewoners. Wegens groot succes is deze voorlichting uiteindelijk in
In de wijk waar in 2005 als eerste is gestart, daalde het overgewicht van 27% naar 20% drie wijken op verschillende momenten georganiseerd. De nauwe samenwerking met de sleutelfiguren maakt het mogelijk een activiteitenplan op maat te hebben.
24
Vertrekpunt Kenmerkend voor het programma is de integrale aanpak met een breed samenhangend pakket van middelen, bestaande uit vijf pijlers: draagvlak, voorlichting en bewustwording, maatregelen gericht op de omgeving, signaleren en adviseren, en ondersteuning . Daarnaast wordt, om de doelgroep te bereiken, wijkgericht gewerkt. Meer dan bij een stedelijke aanpak kan zo worden aangesloten bij de wensen en behoeften van de bewoners en worden bewoners beter betrokken bij de activiteiten. De betrokkenheid van bewoners wordt vergroot door ze de kans te geven binnen een gegeven kader mee te laten denken over de invulling van de activiteiten. Daarmee worden activiteiten beter zichtbaar en beter toegankelijkheid voor iedereen. De activiteiten vinden plaats in een voor de doelgroep vertrouwde omgeving.
NUMMER 4 | 2017 | KWALITEIT IN ZORG
NIET VOOR MAAR MET DE WIJK!
Systematische wijkaanpak om overgewicht bij kinderen terug te dringen.
Uitgangspunten bij het wijkgericht werken: kleinschalige, laagdrempelige lokale activiteiten in de eigen wijk/buurt; ■ participatie van de doelgroep, activiteiten die aansluiten bij hun wensen en behoeften; ■ aansluiten bij reeds bestaande initiatieven en structuren; ■ outreachend werken: bestaande en nieuwe activiteiten worden dichter bij de doelgroep gebracht; ■ intersectorale samenwerking op zowel beleids- als uitvoeringsniveau zoals met onderwijs en sport. ■
Al vanaf de start van B.Slim in 2005 staat de input van de wijk voorop bij de aanpak van overgewicht. Zo zijn er destijds focusgesprekken gevoerd met de wijkbewoners. Daarnaast zijn er gesprekken gevoerd met sleutelfiguren die dagelijks met de doelgroep werken of er bij betrokken zijn, zoals de brede school coördinatoren, opbouwwerkers, kinderwerkers en buurt-
KWALITEIT IN ZORG | 2017 | NUMMER 4
sportcoaches. Op basis van de input van zowel de wijkbewoners als de sleutelfiguren is per wijk een activiteitenplan op maat gemaakt. Zo wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de
Leefstijl B.Slim is een leefstijlprogramma van de gemeente Amersfoort. Met een integrale en wijkgerichte aanpak beoogt de gemeente Amersfoort overgewicht onder kinderen en jongeren te voorkomen en te stabiliseren. Daarnaast is het vergroten van de bewustwording rond het belang van een gezonde leefstijl een belangrijk doel. Aanleiding voor het project waren in 2005 cijfers van de GGD regio Utrecht. Daarin was te zien dat in een aantal wijken van de gemeente Amersfoort het percentage kinderen met overgewicht fors hoger lag dan gemiddeld in Amersfoort. B.Slim is een project van de gemeente Amersfoort waar samen met de GGD regio Utrecht en partners in de wijk uitvoering aan wordt gegeven. B. Slim wordt gefinancierd vanuit de ‘Gezond in de stad’-gelden en subsidie van de gemeente Amersfoort. In de eerste twee projectperiodes van 2005 tot 2015 is B.Slim positief ontvangen in de B. Slim wijken, zowel bij de doelgroep als bij de samenwerkingspartners. De brede samenwerking heeft geleid tot een scala van activiteiten. Door de vele activiteiten komt de doelgroep op meerdere momenten en plaatsen in aanraking met de B.Slim boodschap.
25
THEMA
WIJKGERICHT WERKEN
Toelichting Wat is bekend? Een wijkgerichte aanpak helpt om de doelgroep te bereiken. Door nauw samen te werken met de sleutelfiguren in de wijk kan een laagdrempelig en toegankelijk activiteitenaanbod gerealiseerd worden in de vertrouwde omgeving van de bewoners. Daarnaast is het voor het aanpakken van de factoren die van invloed zijn op de gezondheid een integraal beleid nodig. Integraal beleid krijgt vorm in een aanpak waarin wordt gewerkt met een breed samenhangend pakket van middelen, bestaande uit vijf pijlers: draagvlak, voorlichting en bewustwording, maatregelen gericht op de omgeving, signaleren en adviseren, en ondersteuning . Zo ontstaat een mix van interventies en activiteiten die bewoners op verschillende plaatsen tegenkomen. Wat is nieuw? De betrokkenheid van de wijkbewoners wordt steeds belangrijker. Dat zie je bij vele projecten gericht op gezondheidsbevordering en ook bij B.Slim. Zowel aan het begin van het project als ook tussentijds vindt afstemming plaats met de bewoners over de voortgang en hun wensen. Wat kan je er mee? Een wijkgerichte aanpak binnen gezondheidsbevorderende projecten helpt om de doelgroep beter te bereiken en betrokken te houden. Blijvende aandacht daarbij is nodig voor het doel van het project en bewoners ruimte te geven binnen een van te voren vastgesteld kader.
belevingswereld, de wensen en behoeften van de doelgroep en bij bestaande initiatieven in de wijk. De pijlers van de integrale aanpak vormen daarbij de kapstok.
Samenwerken als sleutelwoord Binnen B.Slim hebben diverse organisaties hun krachten gebundeld in de strijd tegen overgewicht: Sport, Recreatie en Onderwijsvoorzieningen (SRO), in de buurt 033, Stichting ABC, Amersfoortse Diëtisten Associatie (ADA-groep), Meander Medisch Centrum, Huisartsen Vereniging Eemland, FrieslandCampina, gemeente Amersfoort en GGD regio Utrecht. Samen vormen zij de adviesgroep van B.Slim en bepalen gezamenlijk op hoofdlijnen de richting van het programma. Daarnaast wordt nauw samengewerkt met de sleutelfiguren in de wijken. Dit gebeurt in werkgroepen in de wijk maar ook in een werkgroep waarin alle sleutelfiguren uit alle B.Slim wijken elkaar ontmoeten. Twee keer per jaar komen zij bijeen en vragen vooraf waar ouders behoefte aan hebben. Samen wordt gekeken waar kansen liggen en wordt ingespeeld op de signalen van ouders. Door de nauwe samenwerking met de sleutelfiguren die dicht bij de doelgroep staan is het mogelijk een haalbaar en uitvoerbaar activiteitenplan op
Activiteitenplan Het activiteitenplan is een schematische weergave van de activiteiten die per wijk op jaarbasis gaan plaatsvinden. Een aantal van deze activiteiten zijn aan het begin van het nieuwe jaar vastgesteld. Dit zijn vaak terugkerende activiteiten waar veel belangstelling voor is, zoals de Superchefs kookgroepen voor kinderen en de natuurlessen. Van andere activiteiten, zoals de Lekker fit! Maanden, wordt alleen de datum vastgesteld. De invulling gebeurt later samen met de sleutelfiguren mede op basis van inbreng van wijkbewoners.
26
maat voor de wijk te maken. De uitvoering van het activiteitenplan vindt plaats in de wijk bij o.a. de scholen, BSO’s, kinderdagverblijven, de buursportclubs, de moskee en waar mogelijk lokale ondernemers. Zo krijgen kinderen en hun ouders/verzorgers op alle vindplaatsen in de wijk dezelfde boodschap en gedachte mee. Daarbij is de beschikking over een breed netwerk in de wijk van essentieel belang. Zij zijn de oren en ogen in de wijk bij het uitdragen van de B.Slim boodschap.
Effectiviteit Eind 2014 zijn bij de metingen van de Jeugdgezondheidszorg ( JGZ) de eerste positieve resultaten van het programma gemeten. De JGZ ziet ieder schooljaar de kinderen uit groep 2 en uit groep 7 en meet dan onder meer lengte en gewicht van ieder kind. In de B.Slim wijken was in 2014 een daling te zien van kinderen met overgewicht van 21% naar 18%. In één van de B.Slim wijken, de wijk waar in 2005 als eerste is gestart, is zelfs een daling gezien in het overgewicht van 27% naar 20%. In 2015 en 2016 zijn deze cijfers stabiel gebleven. Voorzichtig kan de conclusie worden getrokken dat deze integrale wijkgerichte aanpak op lange termijn lijkt te werken. Juist door de samenwerking in de wijk en het brede aanbod aan activiteiten komen kinderen en hun ouders/verzorgers op verschillende momenten en vaak spelenderwijs met gezonde voeding en beweegprogramma’s in aanraking en daarnaast krijgen zij op verschillende vindplaatsen dezelfde boodschap. Informatie over de auteur Sanne Krol is Professional Publieke Gezondheid bij de GGD regio Utrecht en projectleider B.Slim Amersfoort.
NUMMER 4 | 2017 | KWALITEIT IN ZORG
SYMPOSIUM
Focus op Kleinschalig wonen
12 OKTOBER 2017 • 9.30-16.30 UUR
Miele Experience Center in Vianen
DIn 1 dag volledig op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen, knelpunten en oplossingen rond kleinschalig wonen en kwaliteit van leven DLaat u inspireren door experts en cases uit de praktijk
www.focusopkleinschaligwonen.nl Focus op Kleinschalig wonen wordt georganiseerd door
Dag van de
Gastvrijheid
! e m i t y t i l Qua Beleef Jaar na jaar dé plek waar alle professionals op het gebied van eten, drinken en gastvrijheid in de zorg elkaar ontmoeten: Alles draait deze dag om gastvrijheid en quality time voor patiënt & cliënt. De unieke opzet zorgt ervoor dat iedereen uit het team zijn hart op kan halen. Van managers tot voedingsassistenten en van koks tot leden van de cliëntenraad. U dus ook! Meer informatie en inschrijven op: www.dagvandegastvrijheid.com Dit jaar vindt voor het eerst tijdens de Dag van de astvrijheidsGastvrijheid de uitreiking plaats van de Gastvrijheidsg met Sterren. awards van Gastvrijheidszorg Bent u erbij?
Ontmoet professionals
Doe kennis op Raak geïnspireerd
THEMA
WIJKGERICHT WERKEN
Zorg op de juiste plaats Zorgverzekeraars hebben de opdracht om de zorg betaalbaar te houden en om (ervaren) kwaliteit te bevorderen. Menzis is één van die verzekeraars en wil dit realiseren voor elk mens, ongeacht achtergrond of gezondheidsrisico’s. Een van de manieren om aan kwaliteit en betaalbaarheid te werken, is om te kijken hoe je zorg op de juiste plaats kan bieden. KiZ sprak Eric Veldboer, Regiomanager zorg Twente. H. van Veenendaal en E. Veldboer
E
ric Veldboer vindt de verplaatsing van zorg naar de woonomgeving van de patiënt logisch: “de kosten van de zorg lopen op. Dan kun je premies verhogen of het pakket verkleinen, maar de beste oplossing om het betaalbaar te houden is om de middelen die er zijn efficiënter in te zetten. Dat is in het belang van iedereen; burgers, zorgprofessionals, de zorgverzekeraar én gemeenten.” In de regio Twente is sprake van vergrijzing en in sommige dorpen ook van ontvolking doordat mensen meer naar de stad trekken. In een aantal projecten van Menzis wordt nu geexperimenteerd met het realiseren van zorg op de juiste plaats. Veldboer: ‘Een voorbeeld is de groep kwetsbare ouderen. Met de betrokken partijen rondom deze zorgketen gaan we bij elkaar zitten zoals de specialist ouderenzorg, de casemanager dementie, de wijkverpleegkundige, de WMO-consulent en de huisarts. Ook cliënt- en welzijnsorganisaties doen mee. In die keten worden vervolgens verbeteringen aangebracht, zoals het ontwikkelen c.q. versterken van een lokaal geriatrisch netwerk gericht op het versterken van de eigen regie en zelfredzaamheid van ouderen. Vervolgens wordt dit als experiment opgezet om de effecten met elkaar te kunnen realiseren en volgen.’
Regionaal schakelpunt en financiering Bekende obstakels bij het verplaatsen van zorg zijn uiteraard de coördinatie en de financiering. Verschuivingen in waar en door wie de zorg wordt verleend, leiden tot veranderingen in geldstromen tussen specialismen maar ook in budgetten, met name ZvW, WLZ en WMO. ‘Dat is inderdaad een punt’, zegt Veldboer, ‘Om die reden hebben we een regionaal schakelpunt geopend. Dit schakelpunt
KWALITEIT IN ZORG | 2017 | NUMMER 4
houdt overzicht over de beschikbaarheid van noodopvang, zodat als er problemen zijn, er een goede oplossing kan worden geboden. Als mensen het thuis niet meer redden, moet er juist snel hulp geboden worden voordat het erger kan worden. Zo moet geriatrische expertise op tijd worden ingezet, dat heeft een preventieve werking. Aan de achterkant kijken wij naar wat dit betekent voor financiering en welke voorzieningen moeten worden uitgebreid. We zien bijvoorbeeld dat bij problemen ouderen soms op de verkeerde plek terecht komen. Ze belanden in het ziekenhuis terwijl een eerstelijns voorziening veel passender is. Het is ook goedkoper, maar dan moeten we wel voldoende capaciteit regelen en proactief werken zodat mensen niet zorg gaan uitstellen waardoor de problemen groter worden.’
Patiëntenportaal Versterking van de eigen regie van de oudere met hulp van zijn of haar netwerk is een belangrijk middel om meer zorg thuis te kunnen bieden. Goede informatie en coördinatie is daarin onmisbaar. ‘Belangrijk in onze aanpak is het casemanagement en instrumenten zoals een goede patiëntportaal. De patiënt en zijn netwerk moeten het overzicht kunnen houden. Als het kan zelf en als het nodig is met de juiste ondersteuning vanuit de wijkverpleging of een andere casemanager. Daar wordt in een ander project aandacht aan besteed’, zegt Veldboer.
Niet alleen voor kwetsbare ouderen Zo’n experiment is uiteraard waardevol. Maar de ambitie van Menzis is groter. Veldboer: ‘Wij doen inmiddels mee aan veel van dit soort experimenten. Niet alleen voor kwetsbare ouderen, maar ook in de GGZ, acute zorg, samenwerking 1e en 2e lijn, en jeugd. Telkens is de kunst weer om vanuit de patiënt te denken en een samenwerking te realiseren die proactief kan inspelen op problemen en versterking van de regie van de patiënt. We zijn als zorgverzekeraar enthousiast over het inrichten van meer van dit soort regionale en lokale zorgnetwerken.’ Informatie over de auteurs Haske van Veenendaal is redacteur van KiZ. Eric Veldboer is Regiomanager Zorg Twente bij Menzis.
29
THEMA
WIJKGERICHT WERKEN
Wijkbenadering in de ogen van twee wethouders
Er is geen weg terug Wat heeft de wijkbenadering tot nu toe opgeleverd voor mensen van een gemeente en hoe succesvol is de wijkbenadering? De KiZ-redactie legde onder meer deze vraag voor aan Ton Schroor, wethouder in Groningen, en aan Ruud Grondel, wethouder in Diemen.
vraagt goede en integrale afstemming met peuterspeelzalen, kinderdagverblijven, de jeugdgezondheidszorg en scholen. Ouder- en Kindcoaches bieden ondersteuning op scholen en kinderdagverblijven, zowel aan kinderen als aan ouders.”
Peter van Splunteren
Nieuwe verbindingen
“W
e willen iedereen in de gelegenheid stellen om maximaal deel te nemen aan de samenleving. Zoveel mogelijk op eigen kracht, met ondersteuning in en door het sociale netwerk. Mensen die het niet op eigen kracht redden, kunnen rekenen op onze steun. Daarbij leveren we zoveel mogelijk maatwerk in de zorg en ondersteuning voor onze inwoners. Het liefst in hun eigen leefomgeving. Waarbij we met een integrale blik kijken naar oplossingen en bij voorkeur ook het eigen netwerk van mensen, zoals familie, vrienden en buren willen inschakelen”, stelt Ton Schroor, Groningen, over de belangrijkste doelstellingen van wijkgericht werken. “We willen dat iedereen de juiste ondersteuning krijgt, op een laagdrempelige manier. Daarbij vinden we het belangrijk dat er goede basisvoorzieningen zijn, aangevuld met specialistische voorzieningen. De basisstructuur bestaat uit een scala aan vrijwilligers en professionele organisaties die dichtbij opereren en inwoners ondersteunen en begeleiden om problemen te voorkomen. Specifieke voorzieningen worden alleen ingezet als dat nodig is. Daarbij wordt zoveel mogelijk gezocht naar maatwerk”, vult Ruud Grondel aan. Diemen kent grotestadsproblematiek maar door de dorpsomvang is het goed mogelijk kleinschalig en met korte lijnen te organiseren. Hij noemt het voorbeeld van Ouder en Kind-coaches: “We sluiten zoveel mogelijk aan bij de natuurlijke ontwikkeling en omgeving van kinderen. Dat
30
Beide wethouders benadrukken dat de samenwerking tussen hulpverleners nu makkelijker verloopt dan voorheen en men elkaar snel weet te vinden in de wijk. Hierdoor is het mogelijk eerder in te grijpen en als nodig ook specialistische hulp in te schakelen. Schroor: “Een deel van de inwoners die hulp nodig heeft, zoekt die niet buiten de eigen wijk. Soms vanwege praktische (‘er niet kunnen komen’) of financiele redenen, bijvoorbeeld de eigen bijdrage of vervoerskosten. Hen kunnen we nu dicht in de buurt, in hun eigen wijk bedienen. Daarnaast ontstaan er nieuwe waardevolle verbindingen tussen huisartsen, scholen, wijkteams en initiatieven in de samenleving. Dat kan doordat we dichtbij zijn en werken met vaste aanspreekpunten. De lijnen zijn korter, en omdat het kleinschaliger is georganiseerd is er meer overzicht en actievere samenwerking.” Grondel: “Inwoners komen meer aan zet en worden daarbij ondersteund. Het oplossende vermogen blijkt groot, de leefbaarheid neemt toe en de problematiek af. Daarnaast lukt het steeds beter om kleine problemen snel op te lossen. Er zijn minder doorverwijzingen en dat is te danken aan vroegtijdig signaleren en de inzet van ‘OK coaches’ en andere ambulante hulpverleners. We constateren ook dat de laagdrempeligheid en toegankelijkheid van voorzieningen is toegenomen. Dit is te danken aan het netwerk en de verdeling van verantwoordelijkheden. Professionals kunnen elkaar sneller vinden, ze kennen elkaar beter en kunnen snel(ler) ingrijpen bij specifieke hulp.”
NUMMER 4 | 2017 | KWALITEIT IN ZORG
ER IS GEEN WEG TERUG
Ton Schroor, wethouder in Groningen
Organisatiebelang In Groningen ziet men dat de verbinding tussen welzijnswerk en vrijwilligerswerk aan de ene kant en professionele hulp aan de andere kant lastig is. Dat komt met name door cultuurverschillen en een ander verantwoordelijkheidsbesef voor de cliënt. Men heeft dit probleem gesignaleerd en werkt daaraan met de inzet van praktijkbegeleiders. Beide wethouders merken bij de samenwerking dat er soms een spanning zit tussen een generalistische en een specialistische werkwijze. Maar die spanning moet ook niet overdreven worden. Het belang van de client moet voorop staan, niet dat van de organisatie. Wijkgerichte benadering kan ervoor zorgen dat het organisatiebelang vermindert. Ze zoeken de oplossing in het aangaan van de dialoog tussen de hulpverleners over de verschillende beelden en verantwoordelijkheden. Dialoog maakt de weg open voor meer begrip voor elkaars standpunten. Soms helpt het om iemand in te schakelen om dat proces te begeleiden.
Crisisgevallen Wethouder Schroor: “Wij investeren in Groningen in de wijkteams met praktijkbegeleiders, gedragswetenschappers, wij bieden een scholingsprogramma en we ontwikkelen een eigen professioneel kader binnen onze wijkteams. Ook gaan we kenniskringen/ ontwikkeltafels met de zorgaanbieders organiseren. De gemeente ontwikkelt samen met partijen een goede wijkgerichte infrastructuur. We zijn niet alleen opdrachtgever, maar zelf ook partij.” Wethouder Grondel: “We hebben in Diemen geinvesteerd in een zogenoemd Brede Hoed Team. Daarin werken hulpverleners samen om
KWALITEIT IN ZORG | 2017 | NUMMER 4
Ruud Grondel, wethouder in Diemen.
mensen met ingewikkelde problemen snel hulp te bieden. Dat loopt goed. We onderzoeken nu of en in welke mate een light versie zou kunnen bijdragen in het effectief oplossen van enkelvoudige problematiek. We constateren dat het aantal crises toeneemt. Duiding daarvan is lastig. We hebben onszelf de opdracht gesteld preventiever/ambulanter te werken. Onduidelijk is in welke mate de reflex optreedt dat de casuïstiek te lang dichtbij gehouden wordt. Een vergelijkbare vraag is: zien we nu meer omdat zaken laagdrempelig worden opgepakt, of zijn we aan het problematiseren?” Belangrijkste les voor de gemeente Groningen tot nu toe is dat het tijd kost om een goede structuur neer te zetten, maar wachten totdat de structuur helemaal uitgedacht is, is zonde van de tijd. De adviezen uit Groningen op een rij: Ga aan de slag en werk met korte verbetercycli. Investeer in de scholing van de medewerkers in het brede gedachtegoed van het integrale, preventieve wijkgerichte werken. De belangrijkste les uit Diemen is dat er geïnvesteerd moet worden in informele netwerken en integraal werken. Dat is continu nodig. Verder is van groot belang de cliënt in een vroeg stadium te bereiken en de behoefte aan steun/ hulp te inventariseren en daarin de ‘vraag achter de vraag’ te ontdekken. Maar lang niet alles is eenvoudig op te lossen. “We zijn in ieder geval nog vol in ontwikkeling en voeren voortdurend verbeteringen door. Leren, aanpassen en door ontwikkelen. Dat is wat we doen.” Informatie over de auteur Peter van Splunteren is zelfstandig adviseur en redacteur KiZ.
31
PATIËNTGERICHTE ZORG
Succesvol reflecteren in de zorg. Lessen uit de praktijk.
Je gaat het zien als je het door hebt Reflectie heeft een belangrijke plek gekregen in de kwaliteitskaders
Vele wegen naar reflectie
verpleeghuiszorg, gehandicaptenzorg en het toezichtkader van de
Tijdens de interviews kwamen we veel verschillende methoden tegen die helpen om te reflecteren (zie tabel 1). Ze hebben allen gemeen dat ze tot denken aanzetten en zo bijdragen aan de verbetercyclus en de kwaliteit van zorg. Rode draad in al de methoden van reflectie is dat organisaties zichzelf een spiegel voorhouden en op zoek gaan naar verbeterpunten. Iedere methode beoogt medewerkers zich continu bewust te maken van het effect van hun handelen en zich af te vragen wat de cliënt nu nodig heeft. Reflectie, ook in de vorm van feedback, maakt hen bewust van dingen die onbewust niet goed gaan én dingen die onbewust wel goed gaan. Veel organisaties denken bij de keuze van de methode na over hoe deze laagdrempelig kan plaatsvinden, zodat het bijdraagt aan een veilige sfeer waarin medewerkers open staan voor feedback en meedenken over verbetermaatregelen. Alle genoemde succesfactoren dragen bij aan de hierboven genoemde elementen.
Inspectie. Reflectie past bij de wens van ‘continu leren en verbeteren’. Mede daarom heeft Zorginstituut Nederland zorgorganisaties geïnterviewd en bevraagd hoe zij reflectie toepassen. Wat maakt reflectie voor hun succesvol? Wat kan de langdurige zorg hier van leren? C. Roos, R. Jadoenandansing, A. van der Aalst, I. van der Voort
H
et belang van reflectie wordt breed gevoeld in de langdurige zorg. Het kwaliteitskader gehandicaptenzorg benoemt ‘zelfreflectie in teams’ als één van de vier bouwstenen om kwaliteit van zorg te bevorderen. In het kwaliteitskader verpleeghuiszorg staat: “Kort-cyclische feedback, continue reflectie en dialoog wordt gestimuleerd en vindt in een open klimaat plaats” en “Er is voor alle zorgverleners voldoende tijd en ruimte om te leren en te ontwikkelen via feedback, intervisie, reflectie en scholing”. Daarnaast heeft de inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ) in het toetsingskader kwaliteit verpleeghuizen en gehandicaptenzorg een norm over reflectie opgenomen: “de zorgaanbieder zorgt dat zorgverleners ruimte krijgen om systematisch te reflecteren op goede, veilige en persoonsgerichte zorg voor de cliënt”. Men wil dus graag reflecteren, maar hoe gaat het in de praktijk? Vanuit het traject ‘Samen de kwaliteit van langdurige zorg verbeteren’ (zie kader) ging het Zorginstituut in gesprek met zorgorganisaties over hoe zij reflectie toepassen in de praktijk. Acht organisaties deelden met passie hun ervaringen. In dit artikel behandelen we de factoren die volgens deze organisaties belangrijk zijn om door reflectie succesvol bij te dragen aan de kwaliteit van zorg.
32
Zeven succesfactoren 1. Reflectie als basishouding Reflectie wordt soms wel toegepast maar leidt pas echt tot betere zorg als het onderdeel vormt van het dagelijkse werk. Er moet een cultuur van reflecteren en elkaar aanspreken ontstaan in de organisatie. De hele organisatie, van bestuur tot zorgverlener, moet weten en voelen dat het belangrijk is om je steeds af te vragen of wat je doet bijdraagt aan kwaliteit van leven van de cliënt. Reflectie is dus bij uitstek niet het ‘feestje’ (of de verplichting, net hoe je het bekijkt) van de medewerkers. Het moet voelbaar zijn dat de tijd voor reflectie goed besteed is. Managers en bestuurders maken duidelijk dat hun organisatie reflectie op
NUMMER 4 | 2017 | KWALITEIT IN ZORG
JE GAAT HET ZIEN ALS JE HET DOOR HEBT
het handelen belangrijk vindt voor het bieden van goede kwaliteit van zorg. Dit bereik je niet als reflectie gepland staat voor eens per twee weken op de vrijdagmiddag, snel voordat iedereen toe is aan weekend. Of als reflectie als een invuloefening wordt gezien. De kunst is om de verwondering te blijven vinden, even afstand te nemen en met een open blik naar de cliënt kijken en naar je eigen werk of dat van collega’s. 2. Creëer een veilige omgeving De belangrijkste voorwaarde voor succesvolle reflectie is een veilige omgeving. Een organisatiecultuur waarin mensen niet meteen worden afgerekend op hun fouten maar hier van kunnen leren. Een veilige cultuur ontstaat niet vanzelf. Medewerkers moeten de ruimte en de veiligheid voelen om mogelijkheden tot verbetering bespreekbaar te maken. Binnen een team kan loyaliteit aan elkaar een effectieve reflectie in de weg zitten. Dan kan het helpen om medewerkers van een andere locatie mee te laten kijken. Die kijken met een frisse blik en hebben geen loyaliteitsprobleem. Bovendien wordt zo het leren van elkaar tussen locaties bevorderd. 3. Benadruk wat er goed gaat Reflectie leidt niet alleen tot kritiek. Het kan ook bevestigen wat er al goed gaat. Het benadrukken van wat goed gaat en het uitspreken van waardering, geeft vaak een impuls aan het werkplezier en de betrokkenheid van medewerkers. Vanuit die positieve feedback staat men meer open voor verbeteringen. “Toen het team de reflectierapportage kreeg viel het hen ontzettend mee. Het was vooral opbouwend. Er stonden veel complimenten in over wat er goed ging. Deze zaken waren zo vanzelfsprekend voor het team dat zij zelf dit niet meer zagen. Het team ging meteen aan de slag met de verbeterpunten, namelijk minder ‘zorgen voor’ en meer ‘zorgen dat’. Ze leerden zo meer rekening te houden met wat cliënten zelf konden.” (Interview Esther Liefers, Noorderbrug). Complimenten dragen aldus bij aan een veilige sfeer waarin mensen open staan voor verbeterpunten. Bovendien lijkt hier het aloude adagium ‘alles wat je aandacht geeft, groeit’ op te gaan: als je complimenten geeft over wat goed gaat, zullen mensen zich meer bewust zijn van hun kwaliteiten en deze ook vaker inzetten. 4. Oefen met feedback Reflectie gaat over je eigen handelen, maar ook over het handelen van collega’s. Het begint vaak met het geven en ontvangen van feed-
KWALITEIT IN ZORG | 2017 | NUMMER 4
back. Het kan heel persoonlijk worden als je collega’s je aanspreken op keuzes die je gemaakt hebt. “In het begin vonden we het allemaal moeilijk om feedback aan elkaar te geven als iets niet goed liep. Ondertussen is hier een open aanspreekcultuur ontstaan. Als iets niet lekker loopt, onderneem je actie. En de drempel om samen te werken is veel lager geworden” (Kim Wabeke, LUMC).
In de spiegel durven kijken, levert vaak nieuwe inzichten op.
Dingen die onbewust niet goed gaan én dingen die onbewust wel goed gaan Geven en ontvangen van feedback is spannend, zeker in het begin. Oefenen helpt, bijvoorbeeld door elkaar eerst aan te spreken op kleine verbeterpunten. Daardoor wordt het makkelijker om ook grote verbeterpunten bespreekbaar te maken. Er is vaak een cultuurverandering nodig naar een open cultuur waarin men elkaar durft aan te spreken, om hulp vraagt en samenwerking zoekt.
Het traject ‘Kwaliteit van langdurige zorg verbeteren’ Wat is er nodig om goede kwaliteit van leven te realiseren in de langdurige zorg? Deze vraag stond centraal in het traject ´Kwaliteit langdurige zorg verbeteren´van Zorginstituut Nederland. Het Zorginstituut stelde deze vraag aan alle betrokkenen in de gehandicaptenzorg, geestelijke gezondheidszorg en de verzorging, verpleging en thuiszorg. Het ging hierbij om cliënten, zorgverleners, zorgaanbieders, verzekeraars en gemeenten, maar ook om kennisinstituten en toezichthouders. Gezamenlijk kwamen zij tot vijf thema’s in kwaliteitsverbetering: Persoonsgerichte zorg, deskundige professionals, bruikbare kennis, nuttige informatie, sterke leiders (goed bestuur en leiderschap). Meer informatie over deze thema’s vindt u in de beleidsnotitie “Samen de kwaliteit van de Langdurige zorg verbeteren”.
33
PATIËNTGERICHTE ZORG
5. Ontwikkel een moreel zintuig Wie vaker reflecteert, wordt zich meer bewust van morele dilemma’s. Een behandelaar wordt zich bijvoorbeeld bewust dat hij de vraag óf behandeling wel gewenst is, nooit stelde. Hij stelde meteen de vraag wélke behandeling nodig was. Nu hij zich er bewust van is dat er een keuze is, wordt ook duidelijk welke dilemma’s aan de keuze-opties kleven. Wie vaker reflecteert, gaat dat soort situaties herkennen. “De ethische dilemma’s waren er altijd al, maar met Moreel Beraad ga je ze veel beter zien. Je ontwikkelt er een soort zintuig voor. Bepaalde situaties vallen meer op. Cruijff zei het al ‘je ziet het pas als je het door hebt’. Dat is hier echt op van toepassing.” (Bas ter Meulen, OLVG) Je ontwikkelt als het ware een moreel zintuig en krijgt dus meer oog voor mogelijke verbeteringen. Dankzij het morele zintuig ontdekken medewerkers ingesleten gewoontes die de cliënt niet ten goede komen. Ze kunnen dan bespreekbaar maken waarom ‘we iets doen zoals we het doen’ en dat biedt de basis voor verbetering. Sommige organisaties merken dat het samen reflecteren op wat goede zorg nu eigenlijk is, ook leidt tot meer teambuilding en minder morele stress. 6. Stel vragen die aanzetten tot denken “Door vragen te stellen die aanzetten tot nadenken, kun je veel bereiken. Het is dan een soort vliegwiel dat je aandraait. Het gaat erom dat je de zorgprofessional ruimte geeft om zelf na te denken en verantwoordelijkheid te nemen.” (Linda Myszka, ZinZia Zorggroep) Door mensen zelf na te laten denken, geef je ruimte voor reflectie. De zorgprofessional wordt als het ware gestimuleerd verantwoordelijkheid te nemen. Bij een incidentenmelding kan je vragen naar feiten, maar je kunt ook vragen hoe de medewerker het ervaren heeft, wat het met hem of haar doet. Vervolgens kun je bespreken hoe je van die ervaring kunt leren. Dit geldt voor het omgaan met incidenten, maar ook voor het bieden van passende zorg. Zo kan het zijn dat een medewerker ‘beter aansluit’ bij de ene cliënt dan bij de andere. Hier kom je alleen achter als je dit met elkaar durft te bespreken. Als men ervaart dat reflectie leidt tot meer tevreden cliënten, en tot meer werkplezier en zelfs tijd kan opleveren, dan pas draagt reflectie echt bij aan kwaliteit van zorg.
ontwikkeling van reflectiemethoden ondersteunde en mogelijk maakt. De bestuurder geeft zelf het goede voorbeeld. Laat de bestuurder zelf zien hoe zij/hij met dilemma’s omgaat, en wat zij/hij heeft geleerd van fouten? Reflectie moet je leren, dus er moet sprake zijn van voldoende en adequate opleidingsmogelijkheden en een veilige omgeving. De bestuurder moet zorgdragen voor goede randvoorwaarden om reflectie succesvol toe te passen in de organisatie. De kwaliteitskaders in de langdurige zorg erkennen de rol van het bestuur hierin.
De interviews De geïnterviewden vertellen dat reflectie in hun organisatie leidt tot kwaliteitsverbeteringen, betere kwaliteit van leven voor de cliënt, en meer werkplezier en grotere betrokkenheid voor de medewerkers. Reflectie helpt om bewuste keuzes te maken. Zoals bij ZinZia, waar medewerkers dankzij de feedback van cliënten minder druk voelen om alle taken af te ronden, maar vooral de taken die ze doen met aandacht voor de cliënt uitvoeren. Of zoals bij het OLVG, waar men bewuster in overleg met cliënten besluit om te behandelen of juist daarvan af te zien. In alle interviews kwam naar voren dat reflectie dé manier is om persoonsgerichte zorg te leveren, omdat medewerkers stilstaan bij wat de cliënt nodig heeft en omdat ze nadenken over het effect van het eigen handelen. Medewerkers, zo stellen de geïnterviewden, zijn zich meer bewust van wat ze doen en waarom ze dat doen. Ze halen daardoor meer voldoening uit hun werk. Uit de interviews blijkt welke factoren belangrijk zijn om reflectie met succes toe te passen. De interviews laten ook zien dat na een aanvankelijke tijdsinvestering, er aanzienlijk tijd bespaard kan worden als er eenmaal een reflectief proces op gang is gekomen. Essentieel is wel dat er niet een interventie of methode wordt ‘uitgerold’, maar zorgvuldig en met aandacht wordt toegepast en dat iedereen ervan doordrongen is waarom er gereflecteerd wordt. Daarmee ontstaat de reflectieve basishouding die we als eerste succesfactor hebben beschreven. Vaak zetten organisaties meerdere interventies tegelijkertijd in. Zo ontstaat een goed beeld van eventuele ‘blinde vlekken’. De resultaten van de reflectiemethoden worden gebruikt om voor de cliënt direct merkbare zorgverbeteringen door te voeren.
Oproep 7. Steun van het bestuur Uit de interviews bleek dat in de organisaties met een bloeiende reflectiecultuur, de bestuurder een groot voorstander is van reflectie en de
34
We nodigen u van harte uit om uw bevindingen, uw succesfactoren, obstakels, resultaten rondom reflectie te delen op de LinkedIn pagina van ‘Kwaliteit van Langdurige zorg verbete-
NUMMER 4 | 2017 | KWALITEIT IN ZORG
JE GAAT HET ZIEN ALS JE HET DOOR HEBT
Tabel 1 Reflectie methoden en interventies Tabel 1 Reflectie methoden en interventies Interventie *
Geïnterviewde zorgorganisatie die deze toepast **
Moreel beraad Methodisch groepsgesprek over morele dilemma’s in de zorg.
OLVG Amsterdam, DrieMaasHave, Noorderbrug
Presentietheorie Methode om je continu bewust te zijn van de behoeften van de cliënt op dit moment.
Zinzia Zorggroep
Beelden van Kwaliteit Externe legt gedurende drie weken zijn observaties over de gang van zaken op een afdeling vast in een feitelijk verslag, dat hij daarna met het team deelt.
Noorderbrug
(handvatten uit de) Leanmethode: methode om dagelijks te bespreken hoe zorgprocessen verbeterd kunnen worden.
LUMC, OLVG en ZinZia Zorggroep
Regie vanuit eigen kracht Clienten, verwanten en medewerkers verzamelen continu verbeterpunten en pakken deze zelf/samen op.
Noorderbrug
Intervisie Medewerkers gaan met elkaar in gesprek over kwaliteit en verbeterpunten in samenwerking.
Noorderbrug en DrieMaasHave.
Dilemma workshops Systematisch een dilemma analyseren en de gevolgen van de te maken keuze in beeld brengen.
trainingen gegeven door ZonMw.
Spiegelgesprekken Cliënten vertellen medewerkers over een concrete ervaring met de zorg en houden hen zo een spiegel voor.
Reinier de Graaf Ziekenhuis
De Pendleton Rules Positieve benadering: ’wat gaat goed, wat kan beter’ om drempel voor feedback te verlagen.
OLVG
Interne audits Medewerkers kijken mee op een andere afdeling en geven feedback.
Noorderbrug, ZinZia Zorggroep
Familiebijeenkomsten feedback van cliënten en mantelzorgers.
DrieMaasHave
Onderdompeling Medewerkers worden een dag cliënt op de eigen groep.
Zinzia Zorggroep
Het goede gesprek Gestructureerde gesprekken met cliënten, mantelzorgers, medewerkers over wat belangrijk is voor hen.
Zinzia zorggroep
Professionele adviesraad Medewerkers verenigd in een PAR adviseren de Raad van Bestuur over mogelijkheden om te verbeteren.
Zinzia Zorggroep
Belevingswandelingen Cliëntenraad maakt wandeling over enkele afdelingen en deelt observaties met medewerkers en management.
Reinier de Graaf Ziekenhuis
Gastreizen Medewerkers bekijken de gastvrijheid van het eigen ziekenhuis door de ogen van de cliënt aan de hand van 10 gastvrijheidsregels.
Reinier de Graaf Ziekenhuis
* Voor de inhoud van de interventies zie de interviews [http://bit.ly/2w1gEHs]. De wijze waarop de organisaties de interventies toepassen, kan afwijken van de beschrijving in de literatuur. In dit artikel ligt de focus op de toepassing in de praktijk en de lessen die dit oplevert voor de langdurige zorg. ** De eerste respondenten zijn actief benaderd, omdat zij bekend staan als lerende organisaties. Vervolgens vonden we nieuwe respondenten volgens de sneeuwbalmethode: we vroegen respondenten welke organisatie volgens hen een goed voorbeeld gaf van reflectie in praktijk. Daarnaast hebben enkele respondenten zichzelf aangemeld naar aanleiding van de publicatie van de eerste interviews.
ren’. Grappig, schrijnend, wetenschappelijk onderbouwd, eenmalig, het is allemaal welkom. Aan het einde van het jaar maken we een overzicht met de meest illustratieve quotes.
gepubliceerde interviews op de site zijn de citaten in hun context terug te vinden. De inhoud van dit artikel is de verantwoordelijkheid van de auteurs.
Respondenten
Informatie over de auteurs: Charlotte Roos, Rashmi Jadoenandansing, Angelie van der Aalst en Ineke van der Voort werken allen bij Zorginstituut Nederland.
De auteurs danken alle respondenten hartelijk voor hun openheid en hun bijdrage aan de kennisontwikkeling over dit onderwerp. In de
KWALITEIT IN ZORG | 2017 | NUMMER 4
35
Al 25 jaar organiseert Medilex de beste studiedagen en congressen voor alle zorgprofessionals. Medilex wordt niet betaald door de farmaceut, de overheid, de consultancy, de uitgever of welke andere partij dan ook. Onafhankelijke voorlichting over maatschappelijk relevante thema’s is ons speerpunt dit maakt Medilex uniek in zorg en welzijn.
Samen aan het roer
Masterclass zorgverkoop
3-daagse cursus
3-daagse cursus
Basisvaardigheden teamontwikkeling voor leidinggevenden
Bevlogenheid en duurzame inzetbaarheid in de zorg
Excelleren en disfunctioneren van medisch specialisten
Eerder dan verwacht
beoordeeld met
7,8
Van vinken naar vonken
Alleen de hoofdzaken 2018