ERIK SUIDMAN
1964 - 2018

Echt gezellig wordt het nooit It never gets really comfortable
![]()
1964 - 2018

Echt gezellig wordt het nooit It never gets really comfortable

‘Deze pagina’s zijn gewijd aan het werk van kunstschilder Erik Suidman. De mens staat centraal in zijn werk, maar nimmer in enige als esthetisch te kwalificeren gedaante. Wanhoop en verwording verscheuren zijn protagonisten, onpeilbaar verdriet kluistert zijn modellen in een van troost verstoken wereld. Het kleurengamma is beperkt en somber van toon, vleeskleurige creaturen zwalken moedeloos door ruimten die gedomineerd worden door ritmische tegelpatronen, smakeloos behang of naargeestige weersgesteldheden. Een zwak lichtpunt schuilt in een overtrokken benadering van alle misère. Maar echt gezellig wordt het nooit, ook in vrolijker werk dringt zich een wrange ondertoon op.’
Erik Suidman over zijn eigen werk, op www.eriksuidman.nl
‘These pages are dedicated to the work of artist Erik Suidman. Man is central to his work, but never in any form that can be qualified as aesthetic. Despair and degeneration tear his protagonists apart, unfathomable grief locks his models in a world devoid of consolation. The range of colours is limited and gloomy in tone: flesh-coloured creatures wander despondently through spaces dominated by rhythmic tiled patterns, tasteless wallpaper or dismal weather. Some lightness may be found in an exaggerated approach to all misery. But it never gets really comfortable; even the more cheerful works have a bitter undertone.’
Erik Suidman on his own work, on www.eriksuidman.nl

Jaap Röell
Het overrompelende werk van Erik Suidman zag ik voor het eerst in de zomer van 2007. Toen vierde het Genootschap Kunstliefde haar tweehonderdjarig bestaan met onder andere een tentoonstelling in de voormalige meubelzagerij van het Dutch Design Center te Utrecht. In de hoge ruimte hadden Erik en Elisabeth Kaldeway (1979) een stellage gebouwd van sloophout en steigerplanken die tot aan het plafond reikte (pag. 240). In deze stellage, een soort open boekenkast, plaatsten zij hun schilderijen. Erik vulde dat aan met koppen van klei en papiermaché. Kaldeway zei over dit werk in de catalogus bij de expositie: ‘Onze installatie gaat over angst in de breedste zin van het woord.’ Of, zoals Karen Duking in de catalogus schreef: ‘ Van de grond tot de nok van het dak schreeuwen, beven, kermen, sidderen en trillen de mannen, vrouwen en kinderen. De titel van dit werk: Een kast vol pijn.’ Als de zagerij nog in bedrijf zou zijn geweest, had dit geluidloze geschreeuw boven de gillende zaagmachines uitgeklonken. Het deed me denken aan de scène in de film The Godfather III, toen niet Michael Corleone (Al Pacino) op de trappen van het Teatro Massimo in Palermo door de sluipmoordenaar werd doodgeschoten, zoals de bedoeling was, maar per ongeluk zijn dochter Mary die naast hem stond. Michael slaakte een ellenlange ijselijke kreet van wanhoop en onpeilbaar verdriet. Een scène die begint zonder geluid en daardoor des te indringender is.
Erik was in 2005 lid van de kunstenaarsvereniging Kunstliefde geworden. Het bood hem de gelegenheid regelmatig deel te nemen aan ledententoonstellingen. Hij droeg ook bij aan verschillende projecten binnen Kunstliefde. Zo heeft hij pas afgestudeerde HKU-studenten begeleid in het project De belofte.
In de herfst van 2009 werd het pand van Kunstliefde aan de Nobelstraat ingrijpend verbouwd. Er kwam onder andere een nieuwe pui in. Tijdens deze werkzaamheden werd de oude pui met een houten schot afgedekt. Erik en Herko van Eerden beschilderden toen dit schot. Erik deed dat door een jaren-vijftig-gezin te schilderen: vader, moeder, drie kinderen variërend van ongeveer vier tot zeven jaar. Netjes gekleed en stijfjes poserend voor een niet-bestaande fotograaf. Ditmaal geen verwrongen gezichten in een staat van existentiële crisis. Geen pijniging – of het moest zijn dat je kon voorvoelen dat deze kinderen zo’n twaalf jaar later de banden van de sociale beklemming met een paukenslag zouden verbreken, hun ouders in verwarring achterlatend. Erik wilde, naar ik aanneem, het voorbij fietsende en lopende publiek niet onverhoeds de stuipen op het lijf jagen.
In de zomer van 2014 vroeg ik aan Erik om een schilderij te maken van Zwarte Piet. De aanleiding was de opgelaaide discussie over ‘black Pete’ als symbool van discriminatie en ‘white supremacy’. Zou een ‘regenboogpiet’ een oplossing kunnen zijn? Erik heeft toen een schilderij gemaakt van een ‘multipiet’ (pag. 187), een in vele kleuren gespikkelde Piet met een klassieke Spaanse kraag boven een geborduurd jasje. En als tegemoetkoming aan de Zwarte Piet-critici: geen oorringen en ook geen zwierige pet met veer. Wel een Piet die met grote ogen van lichte verbijstering waarneemt wat er allemaal over hem wordt gezegd (geschreeuwd) en geschreven (via social media de wereld in geslingerd). Dit werk werd getoond tijdens de ledententoonstelling van Kunstliefde in september/oktober 2014, inclusief een fotoprint daarvan op canvas, in zwart-wit en in kleur. Erik voelde zich achteraf niet zo gelukkig met dit project. Hij vond dat het te veel het karakter had gekregen van een eendimensionale verbeelding van een seizoensgebonden subject. Dat is niet wat hij wilde schilderen. Hij wilde los van het anekdotische – meer het tijdloze van algemeen menselijke emoties schilderen, zoals angst, verbijstering en eenzaamheid.
Ifirst saw Erik Suidman’s overwhelming work in the summer of 2007. The artists’ association Kunstliefde was celebrating its bicentenary with an exhibition in the former sawmill of the Dutch Design Centre in Utrecht. Erik and Elisabeth Kaldeway (1979) had built scaffolding from scrap wood and wooden boards that reached all the way to the ceiling, in which they displayed their paintings (p. 240). Erik completed it with clay and papier-mâché heads. In the catalogue accompanying the exhibition Kaldeway said: ‘Our installation is about fear in the broadest sense of the word.’ Or, as Karen Duking wrote in her contribution: ‘From the floor to the ridge of the roof, men, women and children shout, tremble, scream and shake. The title of this work: A Closet Full of Pain.’ If the sawmill had still been operational, this silent screaming would have resounded over the shrieking saws. It reminded me of the scene in the film The Godfather III, when one of the assassin’s bullets intended for Michael Corleone (Al Pacino), who is standing on the steps of the Teatro Massimo in Palermo, strikes his daughter Mary who is standing beside him instead. Michael’s long horrible cry of despair and unfathomable sadness begins as silence and is therefore all the more intrusive.
Erik became a member of Kunstliefde in 2005. This enabled him to regularly participate in members’ exhibitions. He also contributed to various projects within Kunstliefde. For example, he supervised recently graduated students from the University of the Arts in Utrecht in the project De belofte (The Promise).
In the autumn of 2009, the Kunstliefde building on the Nobelstraat in Utrecht was drastically rebuilt. Among other things, a new façade was added. During this construction work, the old façade was covered with wooden boards. Erik and Herko van Eerden covered these boards with a painting. Erik portrayed a typical 1950’s family: father, mother, three children aged between four and seven, all neatly dressed and posing stiffly for a non-existent photographer. This time there were no distorted faces in a state of existential crisis. No torment – unless we presume that some twelve years later these children would leave their parents in disarray. Erik didn’t want, I suppose, to scare passers-by with overly expressive faces.

In the summer of 2014 I asked Erik to make a painting of Zwarte Piet, the reason for this being the heated discussion about ‘black Piet’ being a symbol of discrimination and white supremacy. Could a ‘rainbow Piet’ be a solution? Erik then made a painting of a ‘multipiet’ (p. 187), a Piet speckled in many colours with a classic Spanish pleated collar above an embroidered jacket. As a concession to the Black Piet critics, there were no earrings or jaunty feathered cap. On the contrary, this Piet observed what was being said (shouted) and written about him (heavily debated on social media) with eyes wide in slight bewilderment. This work was shown during the members’ exhibition at Kunstliefde in September/ October 2014, and included a photo print of it on canvas, one in black and white and one in colour. Erik did not feel content about this project afterwards. He felt that it had acquired too many characteristics of a one-dimensional depiction of a seasonal subject. That is not what he wanted to paint. He wanted to avoid the anecdotal – and wanted more to express the timelessness of shared human emotions, such as fear, bewilderment and loneliness.
Suidman en anderen
Erik Suidman was als schilder autodidact. In 1993 maakte hij op verzoek van een huisgenoot een muurschildering. Dit was voor hem een belangrijke impuls om van het schilderen zijn werk te maken. De eerste jaren daarna heeft hij eindeloos geëxperimenteerd en gezocht naar de technische beheersing van het schildersvak. Geleidelijk aan ontwikkelde hij zijn stijl tot wat je neo-expressionisme of expressief-realisme kunt noemen. In een gefilmd portret uit oktober 2015 zei hij over zijn drang om te schilderen: ‘Dit is wat ik moet doen, dit is waar ik mijn onrust in kwijt kan.’
Zijn schilderkundig handschrift wordt gekenmerkt door een vlakke verfbehandeling en een beperkt kleurengamma waarbij vleeskleurige en gedempte tinten overheersen. Het licht in de schilderijen is over het algemeen egaal, tl-buisachtig. De centrale figuur op het doek vult een belangrijk deel van het kader. Het lijkt alsof Suidman als schilder angst voor het lege had, horror vacui, zoals overigens ook de titel was van een groepstentoonstelling waar hij met Sarah Gunti, Wies Hesselink en Herko van Eerden in 2013 in Zeist aan deelnam. Eriks ‘volle’ doeken dwingen hun aanwezigheid af, ze laten niet los. Er is geen rustpunt in zijn schilderijen te vinden. De kijker kan niet dwalen in een perspectivisch geschilderde achtergrond. Elke plek op het doek is gevuld met… aanwezigheid. En er zomaar iets naast hangen, gaat ook niet. Het doek van Erik zou het eenvoudigweg verpulveren. Zijn schilderijen worden veelal ongeschikt geacht om boven de bank te hangen, met uitzondering wellicht van werken uit de koeienserie (pag. 136-143). De koeien Agatha, Clara, Jacoba en Johanna kijken nieuwsgierig doch dommig en emotieloos naar de schilder, die vanuit een laag standpunt naar ze opkijkt. Ook die koppen zijn bijna geheel kadervullend geschilderd. In het schilderij van koe Petronella is zowaar een doorkijk aanwezig in de vorm van een bomenrij op de achtergrond. Petronella kan met haar soortgenoten boven de bank. Ze waren dan ook een commercieel succes voor Suidman.
Dat kadervullende van de ongenadig afgebeelde mensenkoppen doet denken aan het gevoel van ongemak dat het werk van Jenny Saville (1970) oproept. In pasteus aangebrachte lagen olieverf schildert zij vleeskleurige, volumineuze naakte vrouwen. Daarmee verbeeldt Saville de discrepantie tussen het ideaalbeeld van vrouwelijke schoonheid en de werkelijkheid van het imperfecte lichaam. Haar werken gaan over het doorbreken van beklemmende conventies over hoe een vrouw eruit moet zien en hoe ze zich moet gedragen. Saville heeft geen rem op het onthullen van het verhulde en het zeggen van het ongezegde. Zij tracht met haar ‘volle’ doeken reuring te brengen in sociale verhoudingen. Dit laatste was niet zozeer wat Erik met zijn werk beoogde. Hij was niet uit op het aanzwengelen van een maatschappelijke discussie over een door hem ervaren misstand, of het zou zijn weerzin moeten zijn geweest tegen het dierenleed dat dag in dag uit plaatsvindt in de bio-industrie, onvermijdbaar eindigend in het abattoir. Over het werken in een slachthuis heeft Suidman een indringende serie schilderijen gemaakt met titels als De slager, Afgehakt hoofd, Gehaktdag, Het gewroken varken en Hertenkop (pag. 27-35) In die werken schilderde hij zijn beklemmende evaringen als uitzendkracht in het Utrechtse abattoir van zich af. Schilderijen waarin het bloed rijkelijk vloeit in besmeurde wit of groen betegelde ruimten waar de slagers met een zekere trots en ook grote vrolijkheid hun ambacht uitoefenen. Zoals de reclame ons doet geloven dat alle varkentjes zich knorrend van plezier in overvolle vrachtwagens naar het slachthuis laten vervoeren.
Bij het zien van die slachthuisschilderijen dringt zich de vergelijking op met de serie werken die Chaim Soutine (1893-1943) onder de titel Le Boeuf heeft geschilderd. Een van die schilderijen hangt permanent op zaal in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Op dit werk is het nog niet geheel uitgebeende karkas van een koe tegen een diepblauwe stoffen achtergrond centraal in de compositie geplaatst. Soutine is daarbij
Suidman and others
Erik Suidman was a self-taught painter. In 1993 he made a mural at the request of a housemate. This was an important impulse for him to turn painting into his profession. In the first few years he experimented endlessly in his quest to master the technical aspects of painting. He gradually developed his style into what can be called neo-expressionism or expressive-realism. In a video portrait filmed in October 2015, he said about his urge to paint: ‘This is what I have to do, this is how I can express my restlessness.’
His artistic signature is characterised by a flat paint treatment and a limited range of colours, where flesh-coloured and muted tones predominate. The light in the paintings is generally uniform, fluorescent. The central figure on the canvas fills an important part of the frame. It seems as if Suidman, as a painter, was afraid of emptiness, horror vacui, also the title of a group exhibition with Sarah Gunti, Wies Hesselink and Herko van Eerden in Zeist in 2013. Erik’s ‘full’ canvases impose their presence, they won’t let go, and there is no point of rest. The viewer cannot wander in a perspectival-painted background. Every place on the canvas is filled with... a presence. Simply just hanging something else beside it is not an option. Erik’s work would pulverise it. His paintings are often considered unsuitable for hanging above the sofa; works from the cow series are perhaps an exception (pp. 136-143). The cows Agatha, Clara, Jacoba and Johanna look inquisitively, yet stupidly and emotionlessly at the painter, who looks up at them from a low viewpoint. The heads are also painted in an almost frame-filling manner. In the Petronella painting there is a row of trees in the background offering a sort of vista. Petronella and her fellow cows were a commercial success.
The framing of the mercilessly depicted human heads evokes a similar feeling of discomfort that the work of Jenny Saville (1970) induces. She paints fleshcoloured, voluminous naked women in layers of pastel oil paint. In this way, Saville represents the discrepancy between the idealised image of female beauty and the reality of the imperfect body. Her work interrogates the oppressive conventions about what a woman should look like and how she should behave in challenging ways, Saville pulls no punches when revealing the disguised and saying the unsaid. With her ‘full’ canvases she tries to stir up social relations. The latter was not exactly what Suidman intended with his work. He was not interested in provoking discussions about social issues, except for expressing his aversion to the cruelty in the factory farming industry, which ends in the slaughterhouse. Suidman made a compelling series of paintings about working in a slaughterhouse, with titles such as The Butcher, Chopped Head, Meat Day, The Avenged Pig and Deer’s Head (pp. 27-35). He expressed his distressing experiences as a temporary worker in the Utrecht abattoir in these paintings in which abundant blood flows in smeared white or green tiled rooms, where butchers practice their craft with a certain pride and cheerfulness. This is similar to how advertising leads us to believe that the pigs transported in overcrowded lorries to the slaughterhouse are grunting with joy.
These abattoir paintings are comparable to the series painted by Chaim Soutine (1893-1943) titled Le Boeuf. One of these paintings is on permanent display in the Stedelijk Museum in Amsterdam. In this work, a cow’s carcass, which has not been completely deboned, is placed at the centre of the composition against a deep blue fabric. Soutine was inspired by Rembrandt’s work The Slaughtered Ox from 1655, which he exhaustively studied at the Louvre.
geïnspireerd geweest door het werk De geslachte os van Rembrandt uit 1655 dat hij uit-en-te-na in het Louvre heeft bestudeerd.
Francis Bacon (1909-1992) heeft een serie schilderijen gemaakt met als titel Figure with Meat. Een van die werken hangt in het Art Institute of Chicago. Op de voorgrond zit een enigszins verkrampte en van elk decorum ontdane oudere man op een hoge houten stoel. Bacon verwijst daarmee naar het schilderij dat Diego Velázquez in 1650 van Paus Innocentius X in vol ornaat heeft geschilderd. Bacons ‘Innocentius’ is daarentegen gehuld in een vaal paarsblauwe pij in plaats van in een pauselijke mozetta en zijn mond staat half open als in een langgerekte schreeuw van pijn en onmacht. Van onschuld is hier geen sprake, wel van eenzaamheid. Achter de stoel hangen vanaf het plafond de helften van een zojuist geslachte en van ingewanden ontdane koe. Een schilderij als ontmaskering van decadente wellust en als reflectie op de tijdelijkheid van het leven, ook al ben je eens een machtig man geweest. Een soort hedendaagse vanitas.
Erik Suidman heeft zich laten inspireren door de werken van Jenny Saville en Francis Bacon. Zo ook door het werk van Lucian Freud. Maar zo luid en expressief als de relatief snel door Erik op het doek aangebrachte portretten zijn, zo Engels gereserveerd en emotioneel afstandelijk zijn de figuren op Freuds doeken naar levend model geschilderd. Bij hem blijven de monden gesloten. Het bloed lijkt onderhuids stil te staan, er hangt een lichte vorm van vermoeidheid over zijn modellen. Wat Freud en Suidman gemeen hebben is de concentratie, noem het fixatie, op de geschilderde persoon als exponent van samengebalde emotie. Bij de een terughoudend, bij de ander expressief aanwezig.
De boekenkast biedt voor een schilder vele mogelijke referenten om zich aan te spiegelen of om zich tegen af te zetten. Voorgangers kunnen inspireren, prikkelen en soms ook irriteren. Uiteindelijk gaat het erom dat de schilder een eigen werkwijze en stijl vindt om binnen het kader van een op vier latjes gespannen doek een goed schilderij te maken. Om zich als schilder in een bijna driftige obsessie waar te maken. Die drift balde zich bij Suidman samen in zijn meest omvangrijke werk: Het lijden der mensheid. Onder deze titel maakte hij al een aantal jaren schilderijen op een bescheiden standaardformaat van 24 bij 18 centimeter – ook goed voor de verkoop – zonder dat hij wist dat dit in de herfst van 2015 zou uitmonden in een compositie van dertienhonderd geschilderde en getekende portretten die alle wanden van de benedenvloer van Kunstliefde volledig zou beslaan. Directeur Marion Wagenvoort van Kunstliefde, in 2014 op bezoek in Eriks atelier, had hem de suggestie gedaan om van deze kleine portretten op doek, paneel, hardboard of karton, die alle wanden vulden in zijn atelier, een grootse expositie te maken van vele honderden werken. Erik heeft zich vervolgens anderhalf jaar lang volledig gewijd aan het realiseren daarvan. Door de tijdsdruk werd hij gedwongen om sneller te werken, meer impulsief en met lossere toets dan bij zijn andere werk en ook andere technieken en materialen te gebruiken zoals acrylverf, potlood, houtskool en aquarel. Deze kleine portretten kregen een bijna impressionistisch karakter. Was dit een voorbode van een mogelijk nieuwe fase in zijn schilderscarrière? We weten het niet. We zullen het nooit weten.
De dertienhonderd werken werden in twaalf lange rijen boven elkaar bij Kunstliefde gepresenteerd: een massademonstratie van individuen. Een stadion vol grimassende schreeuwers, blank, geel, grijs, kind of bejaarde. Ook doodskoppen, vals grijnzende clowns, maskers en vrouwen in boerka’s waarvan slechts de ogen werden getoond. Nijntjes en ook honden- en hazenkoppen. En veel koppen naar Erik zelf in verscheurde gemoedstoestand. Maar ook Kuifje, Suske en Wiske, smurfen of een enkele spiegel van hetzelfde formaat als de schilderijen, waardoor de kijker zich plotseling deel zag uitmaken van deze eindeloze optocht van koppen. Er zaten ook enkele abstracte werken tussen van drie verticaal geschilderde banen in de kleuren van bloed, bot en
Francis Bacon (1909-1992) made a series of paintings entitled Figure with Meat. One of these works is on display at the Art Institute of Chicago. In the foreground an older man sits on a high wooden chair, slightly tensed and stripped of any decorative features. Bacon thus references the painting that Diego Velázquez made in 1650 of Pope Innocentius X in full attire. On the other hand, Bacon’s ‘Innocentius’ is cloaked in a faded violet vestment instead of a pope-like mozetta, and his mouth is half open as if he is screaming with pain and helplessness. There is no innocence here, only loneliness. Behind the chair, the parts of a newly slaughtered and gutted cow hang from the ceiling. This is a painting that unmasks a decadent desire and reflects on the transience of life, from which even the most powerful cannot escape. It seems to be a kind of contemporary vanitas.
Erik Suidman was inspired by the works of Jenny Saville and Francis Bacon. Lucian Freud was another influence. Whereas Erik’s quickly painted portraits are loud and expressive, the figures on Freud’s canvases exude typical English reserve and emotional distance. His figures’ mouths are closed. Their blood seems to stand still subcutaneously, and there are signs of fatigue on the faces of his models. What Freud and Suidman have in common is the focus, call it fixation, on the depicted person as an exponent of repressed emotions. Some figures are withdrawn, while others are expressively present.
To a painter, a bookcase offers many possibilities to reflect upon or resist. Predecessors have the ability to inspire, stimulate and sometimes irritate. Ultimately, it is a case of the painter finding his own way of working and a personal style to make a decent painting within the framework of a canvas stretched on four slats. That is, to live up to an almost passionate obsession with painting. In Suidman’s case, this passion was displayed in his most extensive work: The Suffering of Mankind. For a number of years, he had painted small works under this title measuring 24 x 18 centimetres, which sold well. He was as yet unaware that in the autumn of 2015 this would result in a composition of 1300 painted and drawn portraits that would fill the walls of Kunstliefde’s lower floor. Director Marion Wagenvoort of Kunstliefde, who visited Erik’s studio in 2014, had suggested that these small portraits on canvas, panel, hardboard or cardboard, that filled all the walls in his studio, be presented as a grand exhibition of many hundreds of works. Erik devoted himself entirely to realising this for the next year and a half. Time constraints compelled him to work faster, more impulsively and with a looser touch than with his other work. In addition, he used other timesaving techniques and materials such as acrylic paint, pencil, charcoal and watercolour. These small portraits acquired an almost impressionistic quality. Was this approach a harbinger of a new phase in his painting career? We don’t know. We will never know.
The 1300 works were displayed in twelve long rows on top of each other at Kunstliefde: a mass protest of individuals, a stadium full of grimacing screamers, white, yellow, grey, young and old, and skulls, viciously grinning clowns, masks and niqab-clad women with only their eyes visible. Miffy and dogs and hare’s heads were also present as well as a lot of Erik’s own face in a fractured mental state. Not to mention Tintin, Suske and Wiske, the Smurfs and a single mirror the same size as the paintings that included the unsuspecting viewers in this endless parade of heads.
There were also a few abstract pieces: three vertically painted strips in the shades of blood, bone and skin: a deconstructed portrait. It was as if all these heads, alive or dead, were witnessing the construction of a bridge to hell: what comes into the light that should have been concealed in darkness? Here, to quote
huid; deconstructies van een portret. Het was alsof al deze koppen, levend of dood, de bouwwerkzaamheden voor zich zagen van een brug naar de hel: wat komt hier in het licht dat in het duister verhuld had moeten blijven? Hier was, om met Willem Kloos te spreken, sprake van de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie, dertienhonderd maal.
Een tentoonstelling die qua presentatie vergeleken kan worden met een ander hoogtepunt uit de geschiedenis van Kunstliefde: het door Pyke Koch ten voeten uit geschilderde portret van zijn vrouw Heddy Koch-de Geer, dat van 26 oktober tot 6 november 1940 als enig werk in een verduisterde omgeving in Kunstliefde werd getoond.
Verstilde poëzie
Erik Suidman schilderde omdat hij niet anders kon. Zelden deed hij dat in opdracht en ook slechts spaarzaam naar aanleiding van een maatschappelijke gebeurtenis. Zijn werk stond niet ten dienste van iets of iemand. Het was autonome kunst. Zijn werk ging over menselijke angsten en existentiële beklemming. Hij schilderde Eenzaamheid – zie de serie vrouwelijke ‘wachters’ met een cocktailglas in de hand en gesloten monden, Vervreemding – zoals de oudere dames die zelfs met een feestmuts op niet bepaald feestelijk kijken, Verbijstering – waarvan de vele zelfportretten getuigen en ook Angst – voor die enge clowns.
Zijn werk is niet in losjes kwebbelend gezelschap te verdragen. Slechts in stilte kan ik de expressie enigszins bevatten. Om vervolgens, na enige tijd, de ruimte langzaam achteruitlopend te verlaten en de deur voorzichtig dicht te doen in de hoop dat al die koppen blijven waar ze zijn. Het is als met een goed geschreven gedicht van droefenis en wanhoop. Ook dat kan ik slechts in stilte en alleen met mezelf delen.
De serie schilderijen van ranzige wc-potten en smerige wasbakken tegen een wisselende achtergrond van besmeurde tegeltjes (pag. 46-49), geeft een doordringend beeld van droefenis, neerslachtigheid en wanhoop. Achter de gulzige monden van de vuile potten gaat een kilometers lang en geperfectioneerd verwerkingssysteem voor menselijke uitwerpselen schuil. In deze schilderijen wordt het onzichtbare gedefinieerd door slechts de vuile ingang te laten zien. Er hoeft echter maar weinig te gebeuren of de krochten barsten open en de smurrie spuit eruit. De vernislaag beschermt ons niet.
Het ligt niet voor de hand Eriks werk als verstilde poëzie te omschrijven. Toch maakt juist deze serie walmende vuiligheid een vergelijking met het lezen van een gedicht mogelijk. Een gedicht waarin de deken van medemenselijkheid weggetrokken wordt op een manier die de lezer doet huiveren en die, ter bescherming van zichzelf, de ogen sluit. Zoals het gedicht Vrede van Leo Vroman, die dit in 1974 schreef tegen de alles verzengende achtergrond van de Tweede Wereldoorlog, van elke oorlog eigenlijk, en dat de machteloze angst voor wreedheid in woorden tracht te vatten. De slotstrofe daarvan luidt:
Kom vanavond met verhalen hoe de oorlog is verdwenen, en herhaal ze honderd malen: alle malen zal ik wenen.
Een gedicht als een geluidloze schreeuw, door Erik op het doek aangebracht.
Jaap Röell is eigenaar van KuuB, Ruimte voor Kunst en Cultuur, te Utrecht en recensent hedendaagse kunst. Hij is oud-voorzitter van het Utrechtse Genootschap Kunstliefde.
Willem Kloos, one found ‘the most individual expression of the most individual emotion’, 1300 hundred in one fell swoop.
In terms of presentation, this exhibition can be compared to another highlight in Kunstliefde’s history: the portrait of Pyke Koch’s wife Heddy Koch-de Geer. Exhibited from 26 October to 6 November 1940 she was depicted full-length, and was the only work in Kunstliefde to be showcased, in subdued light.
Erik Suidman painted because he had no choice. He rarely worked on commissions and only sparingly in response to social issues. He did not work at the service of anything or anyone: it was autonomous art about human fears and existential oppression. He painted Loneliness – see the series of the women waiting with closed mouths and a cocktail glass in their hands; Alienation – the older ladies who, although they are wearing festive hats, do not look particularly festive; Astonishment – as evidenced by the many self-portraits; and also Fear – the creepy clowns.
His work cannot be appreciated in the company of chattering people. Only in silence can I grasp the expression, and only to a certain extent. Then, after some time, I slowly walk backwards out of the room and carefully close the door, hoping that all those faces remain where they are. It’s like a well-written poem about sadness and despair that I can only share with myself in silence.
The series of paintings of rancid toilet bowls and filthy sinks against backgrounds of dirty tiles (pp. 46-49) is a penetrating portrayal of sadness, dejection and despair. Behind the greedy maws of the dirty bowls lurks a kilometres-long, sophisticated processing system for human excrement. With these paintings, the unseen is defined by showing merely the befouled entrance. However, little needs to be done for the innards to burst open and release the gunk: the layer of varnish offers us no protection.
Describing Erik’s work as a form of silent poetry may seem misplaced. Yet, it is precisely this series of steaming filth that makes the comparison with reading a poem possible. A poem in which the blanket of humanity is pulled away in a manner that makes the reader shudder and close his eyes in self-preservation. It is like the poem Vrede (Peace) by Leo Vroman, written in 1974, against the all-encompassing scorched background of the Second World War, and of every war for that matter. The poem attempts to put the impotent fear of cruelty into words.
The closing strophe of this is:
Come and tell me tonight, how the war is no more
Tell it to me a hundred times
Each time I shall weep.
A poem, like a silent scream, depicted by Erik on a canvas.
Jaap Röell is the owner of KuuB, Ruimte voor Kunst en Cultuur, in Utrecht and a contemporary art critic. He is former chairman of the Utrecht artists’ association Kunstliefde.

Suidman was bijna dertig toen hij begon met schilderen, zonder enige opleiding. ‘De nutteloze academische jaren dienden in hoog tempo te worden ingehaald’, schreef hij later in een zelfgemaakte folder. Aangetrokken door alles wat hij nog niet kon was hij de eerste jaren vooral bezig zijn techniek te ontwikkelen. De meeste van die werken eindigden uiteindelijk aan de straat – soms na eerst wel te zijn geëxposeerd, zoals de ‘onafzienbare collectie groteske heiligen, onbeholpen uitgevoerd in Hema-hoogglansverf’. Toch nam zijn werkelijke oeuvre ook al snel een aanvang. ‘In 1995 werd de vroegste manifestatie van het in somberheid zwelgend latere werk geconcipieerd, Een dagje aan het strand, een meer dan levensgrote voorstelling van een ongelukkig gezin op een grauwe dag aan het water.’
Suidman was almost 30 when he started to paint, without any formal training. ‘I had to make up for the time I wasted at university’, he wrote later in a leaflet. In the first few years he primarily focused on developing his technique, encouraged by everything he was not yet able to do. He put most of these works outside on refuse collection days and then watched from his window to see who took them. Sometimes he did this after they had been exhibited, for example, the ‘immense collection of grotesque saints, clumsily produced with Hema high-gloss paint’. And yet, his oeuvre was starting to take shape. ‘In 1995 the earliest manifestation of the later, more sombre work was conceived: A Day at the Beach, a larger than life representation of an unhappy family on a grey day at the waterfront.’












De week die Suidman als uitzendkracht in een Utrechts abattoir werkte vormde de inspiratie voor een aantal van zijn meest typerende schilderijen, zoals Het slachthuis (1998-1999), ‘een bloederige verbeelding van de mens als vleeswaar’. ‘De vrolijke slagers op de voorgrond staan in schril contrast tot het leed dat op de achterwand hangt te versterven’, schreef hij op zijn website. Het thema ‘bloed’ werd een terugkerend element in zijn oeuvre, al bleven veel van deze werken onverkocht – met als grote uitzondering De slager (2002), dat na zijn overlijden werd aangekocht door het Centraal Museum in Utrecht.
‘Van een peilloze troosteloosheid is ook de sanitairserie. Hier geen grof geweld of onmatig spektakel, maar alledaagse treurnis tussen beklemmend saaie tegelpatronen.’
Bij exposities waren bezoekers vaak verbaasd als ze de zachtaardige man ontmoetten die deze werken had gemaakt.
The week Suidman worked as a temporary employee in a Utrecht abattoir inspired a number of his most characteristic paintings such as The Slaughterhouse (1998-99), ‘a bloody representation of man as a meat product’. ‘The cheerful butchers in the foreground are in stark contrast to the those dying on the back wall in anguish’, he wrote on his website. Blood became a recurring theme in his oeuvre, even though many of these works remained unsold, with the notable exception of The Butcher (2002): it was purchased by the Centraal Museum in Utrecht after his death.
‘The sanitation series also depicts unfathomable bleakness. Here, there is no crude violence or an unmanageable spectacle, but merely everyday sadness captured amid oppressively dreary tile patterns.’
Visitors to his exhibitions were often surprised to meet the gentle man who had made these works.























De beschaving 3, 4










Suidman schilderde uitdrukkingen en emoties. Harde, extreme emoties of de doffe verveling van mensen die lethargisch staan te wachten, ‘lijdzaam verzakt in dadenloosheid, wachtend op de bus, het lot, Godot, of soortgelijke desillusies’. Hij voelde wat de geportretteerde doormaakte, zei hij in een interview. ‘Niet als ik zijn kleding schilder of de achtergrond, maar als ik met het gezicht bezig ben. Dan neemt mijn eigen gezicht vaak dezelfde uitdrukking aan, een hysterische verkramping of een schreeuw. Het klinkt als een truc, maar ik denk dat het niet zou werken als je het bewust doet. Een bepaalde energie maakt zich vast aan de penseelstreek, de snelheid of de intensiteit van schilderen, wat kan leiden tot iets wat communiceert met de beschouwer.’
Suidman painted expressions and emotions: harsh, extreme emotions or even the dull boredom of people waiting lethargically, ‘patiently subsiding into inertia, waiting for the bus, fate, Godot, or similar disillusions’. He felt what the person being portrayed was going through, he said in an interview. ‘Not when I paint the clothes or the background, but when I’m working on the face. My own face often mimics the same expression, a contorted spasm or hysterical scream. It sounds like a trick, but I don’t think it would work if you did it consciously. A certain energy attaches itself to the brushstroke and the speed or intensity of painting, which can lead to something that interacts with the viewer.’






De muggenplaag ca. 2005
The Mosquito Infestation Olie op doek Oil on canvas 65 x 65 cm
De ondergang van het matriarchaat, 2005
The Demise of the Matriarchy Olie op doek Oil on canvas 150 x 90 cm














Half 5, 10 over half 5, kwart voor 5, 10 voor 5, 5 uur 2006 4:30 p.m., 4:40 p.m., 4:45 p.m., 4:50 p.m., 5:00 p.m.
Olie op doek
Oil on canvas
50 x 50 cm







































op
4
60 x 60 cm
3
op doek Oil on canvas
60 x 60 cm
Boxer 1
op doek Oil on canvas
60 x 60 cm






































De eerste koe heette nog gewoon ‘Koe’, maar al snel kregen ze namen, zoals Geertruida, Maria, Sophia, Jacoba, Clara en Johanna. Dieren behoorden tot zijn eerste onderwerpen – aanvankelijk vooral varkens, omdat er in zijn ateliercomplex een Porky’s Bar zat, waar hij steeds nieuwe schilderijen voor maakte. Later schilderde hij ook honden en vooral veel koeien. Ze werden een commercieel succes, waar Suidman jaren van heeft kunnen leven, totdat het hem begon tegen te staan om steeds weer op bestelling grote hoeveelheden koeien te schilderen. Hij was gek op dieren, een vegetariër, die het in zijn werk ook opnam tegen het doden van dieren – in de bio-industrie of tijdens de jacht.
The first cow was called ‘Cow’, but soon they received names like Geertruida, Maria, Sophia, Jacoba, Clara and Johanna. Animals were among his first subjects – initially mainly pigs, because there was a Porky’s Bar in his studio building for which he made paintings. Later, he also painted dogs and many more cows. They became a commercial success, which Suidman was able to live off for years, until he started resisting the steady stream of commissions for cows. A vegetarian, he was very fond of animals, and in his work also took a stand against the slaughter of animals –both in factory farming and by hunters.
















Na jaren vooral harde, eenduidige emoties te hebben geschilderd raakte Suidman steeds meer gefascineerd door ambiguïteit. Clowns worden geacht mensen op te vrolijken, maar wat gaat er achter dat vrolijke gezicht schuil? Suidman had moeite met mensen die onoprecht waren, maar de dualiteit van clowns boeide hem ook: ‘Enge mannen die hun ware intenties verbergen met opzichtige schmink. Achter dat masker kan alles of niets zitten. De vermeende kindervriend kan zich dan ook ontpoppen tot de kwade genius in tal van horrorscenario’s, en figureert tevens als de opgeverfde melancholicus in talloze volkse kitschvarianten.’ Het verbergen van de gezichtsuitdrukking kreeg een logisch vervolg in de serie maskers, waarin ook weer het thema ‘dieren’ terugkwam.
After years of painting mainly hard, unambiguous emotions, Suidman became increasingly fascinated by ambiguity. Clowns are supposed to cheer people up, but what is hidden behind their cheerful faces? Suidman had trouble with people who were insincere, but he was also fascinated by the duality of clowns: ‘They’re creepy men who hide their true intentions with ostentatious make-up. Behind that mask could be everything or nothing. The alleged children’s friend can therefore emerge as the evil genius in numerous horror scenarios, and also figures as the exaggerated melancholic in countless folk tales.’ Hiding one’s facial expression was given a logical sequel in the masks series, in which the theme ‘animals’ also recurred.



























Konijnenmasker 4 2013
Rabbit Mask 4
Olie op doek
Oil on canvas
60 x 60 cm
Konijnenmasker 3 2013
Rabbit Mask 3
Olie op doek
Oil on canvas
60 x 60 cm
Konijnenmasker 1 2013
Rabbit Mask 1
Olie op doek
Oil on canvas
60 x 60 cm


















































Wat begon als speeltuin om af en toe iets uit te proberen werd uiteindelijk zijn magnum opus: losse schilderijtjes, op het vaste formaat 24 bij 18 centimeter, die al snel de overkoepelende titel Het lijden der mensheid kregen. Soms waren het studies voor een groter werk, maar ook maakte hij na afloop van dat grote werk nog wel eens kleintjes – voor overzichtelijke meeneemprijzen, zeker in de jaren dat hij weinig grote doeken verkocht. Vaak schilderde hij ze ook om een nieuwe techniek uit te proberen: olie, acryl, pastel, aquarel, Siberisch krijt, houtskool, potlood – alles komt langs in dit ‘panopticum van menselijke emoties’, gemaakt op doek, canvasboard, hout, MDF, hardboard, papier en karton. Dertienhonderd stuks waren er in 2015 te zien op zijn grootste expositie.
What started out as a playground to try out something from time to time eventually became his magnum opus: individual paintings, in the fixed format of 24 x 18 centimetres. Soon, they were given the overarching title The Suffering of Mankind. Sometimes they were studies for a larger work, and after finishing a large piece he also made small paintings, that were easier to sell. He did so especially in the years when he sold only a few large canvases. He often painted them to try out new techniques: oil, acrylic, pastel, watercolour, Siberian chalk, charcoal and pencil. All of these can be found in this ‘panoptic compendium of human emotions’, which was made on canvas, canvas board, wood, MDF, hardboard, paper and cardboard. Thirteen hundred pieces were shown at his largest exhibition in 2015.






Het lijden der mensheid The Suffering of Mankind Doodskoppen Skulls 24 x 18 cm
















































































































































Het lijden der mensheid The Suffering of Mankind Kinderen Children 24 x 18 cm




































































































































































































































































lijden der mensheid


















Het lijden der mensheid The Suffering of Mankind
Abstracten Abstracts 24 x 18 cm













Voor iemand die graag meubels timmerde heeft Suidman opvallend weinig uitstapjes gemaakt naar ruimtelijk werk. Een uitzondering is de installatie die hij maakte voor Nebenwelten (2005), een locatieproject met elf andere kunstenaars in de parkeergarage van de Toren van Babel, ooit de huisvesting van de Sociale Dienst in Utrecht. Suidman maakte drie poedels die bungelen aan een touw, terwijl in een hoek van de ruimte hun afscheidsbrieven wachten op lezing. Een jaar daarna volgde Nebenwelten 2, ditmaal in de parkeergarage van een afvalverwerker in Ede. Suidman maakte van papier-maché een aantal hoofden die met hun mond open wezenloos langs de toeschouwer heen kijken. Later volgde een serie koppen waarvan hij alleen nog de basisvorm in 3D uitvoerde, alle details en de expressie op de gezichten waren afkomstig van zijn penseel. ‘Een lijfloos leger van kippengaas, behangplaksel en oude kranten bezingt geluidloos de tragiek van het menselijk tekort.’
Daarnaast maakte hij vaak bijzondere exposities, in zekere zin ook een vorm van ruimtelijk werk.
For someone who liked to craft his own furniture, Suidman made remarkably few attempts at three-dimensional art. One exception is the installation he made for Nebenwelten (2005), a project with eleven other artists in the parking garage of the Tower of Babel, once the location of the social services in Utrecht. Suidman’s contribution included three poodles hanging from ropes, with farewell letters waiting to be read in a corner of the room. Nebenwelten 2 followed a year later, this time in the parking garage of a waste disposal company in Ede. Suidman made a number of heads out of papiermâché that stare vacuously past the viewer with open mouths. For a later series of heads he only made very basic three-dimensional models of heads and then applied all the details and facial expressions with his brush. ‘A lifeless army of chicken wire, wallpaper paste and old newspapers silently lament the tragedy of human shortcomings.’ In addition, he often made special exhibitions, which in a sense are also a type of three-dimensional work.























































Suidman had altijd een plan. Hij dacht in series, waarbij hij vaak van tevoren al wist hoeveel het er gingen worden, op welk formaat en met welke techniek.
Ook als hij mensen liet poseren, meestal vrienden, had hij duidelijke ideeën in zijn hoofd. Modellen moesten gezichten trekken, grimassen, waarna Suidman makkelijk zo’n honderd foto’s schoot, waaruit hij later de meest bruikbare selecteerde. Kijk chagrijnig, kijk boos, kregen modellen te horen. Bij het drieluik De rode colonne, De onschuldigen en De rouwklagers (pag. 85-87) was de instructie aan model Fabian Galama: boos, euforisch en wanhopig.
Model Reny de Jong benaderde hij met de woorden: ‘Ik heb een schilderij in gedachten en denk daarbij aan jou, en aan jou alleen. Het gaat over verveelde huisvrouwen.’



Suidman always had a plan. When thinking in terms of series, he often decided in advance how many works it would comprise, what size he wanted and what technique he should use.
Even when he had people pose, mostly friends, he had clear ideas in mind. His models had to pull faces, grimaces, which Suidman would sometimes photograph 100 times, and then select the most useful ones. The models were told to look grumpy or angry. In the triptych The Red Column, The Innocent and The Mourners (pp. 85-87) model Fabian Galama received the instruction to look angry, euphoric and desperate.
He approached model Reny de Jong with the words: ‘I have a painting in mind and I’m thinking about you, and only you. It’s about bored housewives.’















Suidman poseerde ook vaak zelf. Hij was niet ijdel – te bescheiden om goede promotie te maken voor zijn werk – maar van het poseren genoot hij wel.
Na afloop veranderde hij allerlei details. Een gele jurk? Hij hield niet van geel, dus dat werd een jurk met een blauw motiefje. Op de achtergrond kwamen kale tegels, bakstenen muren of kleurrijke behangetjes. Soms hadden modellen nietsvermoedend geposeerd om later te ontdekken dat ze triomfantelijk stonden te lachen voor een paar vers geslachte mensen.




Suidman often posed himself as well. He was not vain – he was too modest to promote his work properly – but he did enjoy posing.
Afterwards he often changed all sorts of details. A yellow dress? He didn’t like yellow, so it became a dress with a blue pattern. Backgrounds consisted of plain tiles, brick walls or colourful wallpaper. Sometimes models had posed unsuspectingly only to discover later that they were portrayed laughing triumphantly in front of a few freshly slaughtered humans.







In 2014 deed Suidman mee aan de ledententoonstelling bij Kunstliefde met als thema ‘Muziek’: Da capo al fine. Hij genoot ervan om te werken met een voorgesteld thema maar had aanvankelijk geen enkel idee, behalve trompetterende mannetjes. Uiteindelijk besloot hij tot het uitbeelden van één klank, waar – niet geheel verrassend – de letter A zich het beste voor bleek te lenen. Hij maakte (minstens) negen kleine schilderijtjes en één grote: Het koor (pag. 83).


In 2014, Suidman participated in the members’ exhibition Da capo al fine at Kunstliefde on the theme of ‘Music’. He enjoyed working to a theme, but had no ideas regarding this one at first, except for small trumpeting men. Eventually he decided to portray a single sound, for which – not entirely surprising – the letter A seemed to lend itself best. He made (at least) nine small paintings and one large painting, The Choir (p. 83).








Toen Suidman begon met schilderen kon hij lang bezig zijn met de anatomische details, zoals de handen op het ‘staatsieportret’ (pag. 23) dat hij maakte van zijn vriendin Denise –enigszins tot irritatie van Denise, die zelf wel een opleiding aan de kunstacademie had gevolgd en vond dat hij meer les moest nemen. Bovendien zijn de handen naar haar idee uiteindelijk toch niet goed gelukt.
Het probleem verdween grotendeels toen Suidman ging werken met een projector. Gedurende twee decennia bestond zijn werkwijze eruit dat hij foto’s verzamelde, al dan niet zelfgemaakt, die hij onder de projector legde, waarna hij de tekening in potlood kon opzetten.
Het mooie van deze projector is dat er geen transparant in hoeft, zoals bij een diaprojector. Suidman kon gewoon werken met een foto, afgedrukt bij de Hema, die vervolgens via een spiegel werd geprojecteerd. Dat betekende wel dat de lichtopbrengst minder was dan bij het projecteren van een dia, wat ertoe leidde dat het opzetten altijd in de avond- of nachtelijke uren diende te gebeuren – toevallig toch momenten van de dag waarop Suidman graag werkte, vaak nadat hij klaar was met zijn werk in het restaurant.
When Suidman first started painting, he spent a lot of time on the anatomical details. For instance, he worked hard on the hands in the ‘state portrait’ (p. 23) that he made of his girlfriend Denise – somewhat to the annoyance of Denise, who had studied at the Art Academy and thought that Erik should take more lessons. In the end, according to Denise, the hands did not turn out very well.
The problem largely disappeared when Suidman started working with a projector. For two decades, his method consisted of collecting photographs, either taken by Suidman himself or by others, which he then placed on the projector, so that he could compose the drawing in pencil.
The beauty of this projector is that it does not need a transparent inlay, as with a slide projector. Suidman could work with a simple photo, printed at the Hema, which was then projected by a mirror. Obviously, the resulting image was much more opaque than when projecting a slide, so he had to work with it when it got dark. As it happens, this was when Suidman preferred to work, often after he had finished his shift at the restaurant.





Bij de kleine schilderijen, gezamenlijk Het lijden der mensheid, werkte Suidman minder vooropgezet, meer in het moment, zeker toen de productie daarvan in 2014 en 2015 op stoom kwam. De productie van die vele honderden schilderijen organiseerde hij op een bijna fabrieksmatige manier. Er lagen stapels foto’s klaar, soms ook door vrienden aangedragen, waarna hij op een apart rek opzetjes maakte in potlood. Vervolgens werkte hij de schilderijen uit, waarbij hij elk uur van de dag probeerde te benutten. Zelfs tijdens het telefoneren schilderde hij door.
Om de saaiheid te doorbreken en het proces te versnellen zocht hij naar andere methoden. Allerlei technieken kwamen daarbij aan bod, behalve olieverf onder meer acryl, pastel, Siberisch krijt, houtskool, potlood – en uiteindelijk ook aquarel, toen hij die techniek niet langer voorbehouden achtte aan hobbyende huisvrouwen.
Hij maakte ook veel monotypes, afdrukken op papier van geschilderde portretten op plastic sheets. Dit leverde snelle en schilderachtige portretten op, minder uitgewerkt en vluchtiger van aard. Soms gebruikte hij de afdruk om weer verder in te werken, ook als hij een afdruk had gemaakt van een schilderij en er waren papierresten meegekomen in de print. Verder experimenteerde hij met verschillende soorten papier, met water verdunde verf en verschillende penseelstreken.
Door het vele experimenteren ontdekte hij nieuwe stijlen. Dit vormde de aanleiding voor gedachten over een nieuwe koers, niet zo precies omlijnd, met ingevulde vlakken en patronen, maar losser en minder perfectionistisch, waarbij je ook de sporen van het schilderen laat zien. Na het afronden van De muur (pag. 319) wilde hij daar een begin mee maken.

With the small paintings, collectively titled The Suffering of Mankind, Suidman worked less with preconceived ideas and more spontaneously, especially when in 2014 and 2015 the production of these many hundreds of paintings was on a roll. He worked in an almost factory-like manner. There were piles of photos ready to be used, some of which were suggested by friends, of which he made pencil sketches that he put on a separate shelving unit. Then he worked on the paintings, trying to make the most of every hour of the day. Even while he was on the phone, he continued to paint.
In order to escape the monotony and speed up the process, he looked for other methods. He used all sorts of materials and techniques: besides oil paint he worked with acrylics, pastels, Siberian chalk, charcoal, pencils and eventually also watercolours, once he no longer considered this technique to be the prerogative of housewives who painted as a hobby.
He also made many monotypes, prints on paper of portraits that he first painted on plastic sheets. This resulted in quicker and pictorial portraits, less elaborate and more casual in nature. Sometimes he painted on these prints, even if a print he had made of a painting still had bits of paper stuck to it. He also experimented with different types of paper, water-diluted paint and different brushstrokes.
By experimenting, he was able to discover many new styles, which prompted him to think about a new direction, not as precisely defined, with filled in areas and patterns, but freer and less detail-oriented, where one could see the brushwork. He decided he would experiment more after he had finished The Wall (p. 319).











Er brandt nog licht in het atelier van Suidman. Hij werkte graag ’s avonds en ’s nachts. Dan kon hij beter foto’s projecteren en een afbeelding ‘opzetten’ in potlood. Het was bovendien lekker rustig, zodat hij hard muziek kon draaien zonder iemand te storen.
The light is still burning in Suidman’s studio. He liked to work at night when he could project photos more easily and ‘sketch’ an image in pencil. Moreover, it was nice and quiet, so he could play his music really loud without disturbing anyone.




1964
Erik Suidman wordt op 5 oktober geboren in Mijdrecht, een plaats die hij later zou betitelen als een ‘duf wederopbouwdrama’. Zijn ouders, Pam Suidman en Mieke Bakker, hadden elkaar leren kennen bij Lettergieterij Amsterdam v/h N. Tetterode, waar Pam boekhouder was. Mieke zei haar administratieve baan op toen ze ging trouwen. Erik is de middelste van drie kinderen. In 1963 is Pauline geboren, in 1965 komt zijn broer Donald ter wereld.
1967
Het gezin verhuist voor Pams werk naar Benthuizen, vlak bij Zoetermeer. Erik blijkt een verlegen en gevoelige jongen te zijn, die al snel de beschermeling wordt van zijn moeder.
1973
De ontvangst in Brabant, waar Pam een baan in Den Bosch heeft gekregen, is allesbehalve hartelijk. Het gezin komt terecht in Helvoirt en valt op door een harde G. De boeren-

1964
Erik Suidman was born on 5 October in Mijdrecht, a place he would later call a ‘dull, post-war reconstruction catastrophe’. His father Pam Suidman and mother Mieke Bakker met at Lettergieterij Amsterdam v/h N. Tetterode, where Pam was an accountant. Mieke quit her administrative job when she got married. Erik was the second of three children. Pauline was born in 1963, his brother Donald in 1965.
1967
The family moved to Benthuizen, near Zoetermeer, for Pam’s work. Erik was a shy and sensitive boy, who soon became the centre of his mother’s attention.
1973
Their arrival in the province of Brabant – Pam now had a job in Den Bosch – was everything but welcoming. The family ended up in the town of Helvoirt and stood out because of their ‘hard G’ sound
kinderen in zijn klas dagen Erik uit, en als hij daar niet op ingaat vinden ze hem arrogant. Donald en Pauline treffen het beter, met een gemengde klas, zodat Erik in de praktijk veel speelt met de vriendjes van zijn broer. Samen hebben ze de EDS-club (Erik-Donald-Suidman), waarmee ze krantjes, puzzels, korte verhalen en tekenfilms maken.
1975
Erik maakt zijn eerste echte schilderij –volgens een interview dat hij later
geeft aan een kinderkrant was dat op elfjarige leeftijd. Toch staat hij op jonge leeftijd niet bekend als een schilder in de dop. Hij kan leuk tekenen en ziet meer details dan een ander, maar zijn grootste schilderprojecten betreffen vooral het schilderen en weer herschilderen van zijn kamer. Lange tijd wil hij dierenarts worden. Wel valt zijn schrijftalent op: Erik maakt het een aantal keren mee dat hij aanvankelijk geen voldoende krijgt voor een werkstuk, omdat de onderwijzer zich


(deviant from the so-called ‘soft G’ that is common in the southern provinces in the Netherlands). The farmers’ children in Erik’s class provoked him, and if he didn’t respond, thought him arrogant. Donald and Pauline did better, as their classes were more mixed, so Erik ended up playing a lot with his brother’s friends. Together they formed the EDS-club (Erik-Donald-Suidman), where they created newspapers, puzzles, short stories and cartoons.
1975
According to an interview he later gave to a children’s newspaper, Erik painted his first real painting at the age of eleven. However, he wasn’t really showing signs of being a painter in the making. He enjoyed drawing and saw more detail than anyone else, but his painting projects mainly consisted of painting and repainting his room. For a long time, he wanted to become a veterinarian. However, his talent for writing was striking. Initially, Erik did not get a pass mark for
niet kan voorstellen dat hij het zelf heeft geschreven.
1977
Erik gaat naar de middelbare school in Vught, waar hij beter aardt dan op de lagere school.
1980
Verkleed als Zwarte Piet doet Erik mee aan de intocht van Sinterklaas. Op een gegeven moment glipt hij ertussenuit, gaat het

several assignments because the teacher didn’t believe that he wrote them, which his parents then rectified.
1977
Erik attended secondary school in Vught, where he fitted in better than at primary school.
1980
Dressed as Zwarte Piet, Erik participated in the ‘arrival’ of Sinterklaas, a Dutch tradition
gemeentehuis in en verschijnt dan plots op het dak – dat is tenslotte waar Zwarte Piet thuishoort! Het tekent zijn roekeloosheid. Hij heeft nauwelijks oog voor gevaren en doet wat in hem opkomt. Geen boom is veilig voor Erik.
1982
In de schoolkrant Paskwien schrijft hij een bijdrage met als titel ‘De laatste polonaise’: een genadeloze afrekening met de gruwelijkheden van carnaval, waarin
mensen verwoede pogingen doen het samen gezellig te hebben, maar uiteindelijk worden gekweld door golven van verdriet en teleurstelling.
1983
Zijn ouders gaan scheiden. Het is voor iedereen een opluchting dat er een einde komt aan de spanningen in huis.
1984
Erik besluit Nederlands te gaan studeren in Utrecht. Met zijn moeder gaat hij eerst nog naar Kreta, waar hij voor haar een tekening maakt van een gegroefd Grieks mannenhoofd. In Utrecht komt hij terecht in een studentenhuis aan de Frisostraat. Het echte leven kan beginnen. Erik maakt met zijn nieuwe vrienden lange nachten, zijn keuken puilt uit van het glaswerk en hij rookt als een ketter – dat is dan ook de naam die hij zijn kat geeft: Ketter. Ondertussen studeert hij.


where Sinterklaas, having supposedly travelled from Spain, disembarks from a steamboat in the company of his Moorish helpers. At one point he sneaked out, entered the town hall and suddenly appeared on top of the roof – after all, that’s where Zwarte Piet is supposed to be! This was a sign of Erik’s recklessness. He enjoyed taking risks and was impetuous. No tree was safe from Erik.
1982
He wrote a story for the school newspa-
per Paskwien titled ‘De laatste polonaise’ (The last polonaise): a merciless reckoning with the atrocities of the annual carnival, in which people frantically try to have a good time together, but are ultimately tormented by waves of sadness and disappointment.
1983
Erik’s parents agreed to get a divorce. Everyone was relieved that the friction in the house was coming to an end.
1984
Erik decided to study Dutch in Utrecht, but first went on a trip to Crete with his mother, where he made a drawing for her of a Greek man’s furrowed face. In Utrecht he ended up in a student house on the Frisostraat. Real life could finally begin. Erik and his new friends spent long nights together, his kitchen was full of unwashed glasses, and he smoked like a chimney. In the meantime, he was attending university. Fellow students had to
Medestudenten moeten aanzien hoe hij de schrijfstijl van gezamenlijke werkstukken volledig naar zich toe trekt: lange, barokke zinnen, waarvan iedere docent wel moet snappen uit wiens koker ze komen. Het leidt zelden tot irritaties, daarvoor is Eriks enthousiasme te ontwapenend. Ook met verf drukt hij overal zijn stempel op. Elke spaak van zijn fiets heeft een andere kleur en als een van zijn vrienden verhuist, dan komt hij niet helpen verven, hij komt schilderen.


watch how he made the writing style of collaborative papers completely his own: long elaborate sentences that left the tutors in no doubt as to who had written them. It rarely led to irritation, Erik’s enthusiasm was too endearing for that. He also left an imprint on everything with paint: each spoke of his bicycle was a different colour. When one of his friends moved, he didn’t just help with the painting, he also made a painting!
1985
Erik heeft voor het eerst een vriendin, tot en met de zomer.
1986
Hij krijgt een relatie met Denise Crul, die net als hij in het studentenhuis aan de Frisostraat woont. Ze studeert aan de Kunstacademie. Behalve creativiteit delen ze een passie voor rommelmarkten en verre reizen. Samen verzamelen ze kandelaars, kroonluchters en andere snuisterijen. Eriks
studentenkamer komt gaandeweg steeds voller te staan, met een indrukwekkende collectie Mariabeelden; de gezamenlijke gangen in het studentenhuis raken langzaam verstopt.
1987
Als uitzendkracht werkt Erik een week in een slachthuis. Het weerzinwekkende werk maakt veel indruk op hem en vaak komt hij met zweren op zijn handen thuis. Niet lang daarna wordt hij vegetariër.
bijkomen van de steile beklimming.

1985
Erik had his first girlfriend.
1986
He started a relationship with Denise Crul, who also lived in the student house on the Frisostraat. She studied at the Art Academy. Not only did they share a passion for creativity, but they were also both mad about flea markets and travelling to faraway places. They collected candlesticks, chandeliers and other knick-knacks. Erik’s
dorm room gradually filled up with, among others, an impressive collection of statues of the Virgin Mary; the communal corridors in the student house slowly became congested.
1987
Erik took a temp job in a slaughterhouse for a week. The revolting work had an impact and he often came home with sores on his hands. Not long after this, he decided to become a vegetarian.
In die tijd heeft hij een periode tekenles van Denise, die een klas studenten heeft op de begane grond in de Frisostraat. Ze leert hem portrettekenen, onder meer door goed te kijken, en ze corrigeert zijn werk. Erik gaat er op dat moment niet mee door. Zijn creativiteit zoekt een uitweg langs verschillende kanalen: hij maakt kastjes, bouwt bedden hoog in de lucht en put zich uit in zelfgemaakte cadeaus.
Erik poseert voor een van zijn eerste muurschilderingen, ongevraagd aangebracht.

During this time, he took drawing lessons from Denise who was teaching a group of students on the ground floor of the Frisostraat building. Among other things, she taught him how to draw portraits by looking closely, and she corrected his work. But Erik didn’t attend these for very long. He flexed his creativity in different ways, making cabinets, building loft beds and going to great lengths crafting his own gifts.
Denise, inmiddels afgestudeerd aan de Kunstacademie, verhuist naar een zelfstandige woning elders in Utrecht. De twee zien elkaar minder vaak dan voorheen, ook vanwege haar werk in de mode, maar dat halen ze in tijdens gezamenlijke reizen, naar onder meer Nepal, Egypte, India, Thailand, Cambodja en Kameroen.
1989
Erik doet mee aan de voorstelling Bedankt, lieve ouders, improvisatietoneel onder



Denise, who by now had graduated from the Art Academy, moved elsewhere in Utrecht. They didn’t see each other as much as before, partly because of her work in fashion, but they caught up during trips to Nepal, Egypt, India, Thailand, Cambodia and Cameroon.
Erik participated in the improvisational theatre performance Bedankt, lieve ouders (Thank you, dear parents), under the guid-
leiding van een docent van de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar, waar hij duidelijk zijn stempel op drukt. De voorstelling in het Academietheater is niet direct een groot succes, maar de spelers hebben er dusdanig veel lol in dat ze na afloop van de cursus doorgaan met een eigen groepje. Erik schrijft daar een tekst voor, een hilarisch stuk over een gezin dat ’s avonds spelletjes doet, terwijl moeder de geboorte van haar kinderen vervloekt en tegelijk het ‘hemels gezinsgeluk’ verdedigt.
1992
Met een forse vertraging, die onder meer te wijten was aan de ziekte van Pfeiffer, rondt Erik in juni zijn studie Nederlands af. Hij is doctorandus, afgestudeerd op mythe en werkelijkheid in Bezorgde ouders van Gerard Reve.
Daarna kan hij beginnen aan wat zijn bestemming had geleken: een roman schrijven. Hij wil het een jaar de tijd geven en eist aanvankelijk van zichzelf veel disci-

ance of a teacher from the Academy of Expression through Word and Gesture, on which he clearly left his mark. The production in the Academy Theatre wasn’t exactly a success, but the actors had so much fun that they formed their own group at the end of the course. Erik wrote a piece for this group, a hilarious play about a family that plays games in the evenings, while the mother curses her children’s existence yet simultaneously defends the ‘divine nature of familial bliss’.
After a considerable delay, partly due to glandular fever, Erik finished his studies in Dutch in June. His thesis was on myth and reality in Bezorgde ouders (Parents Worry) by Gerard Reve.
After graduating he started following what seemed to be his destiny: writing novels. He decided to give it a year and initially demanded a lot of himself, working every day, whether inspired or not.
pline: gewoon elke dag aan het werk gaan, of je nou inspiratie hebt of niet.
Hij schrijft over een gezin met twee kinderen, met opzet zo doorsnee als het maar kan, dat vast zit in een slopende dagelijkse routine. Liefde lijkt er niet te zijn en alle pogingen iets van het leven te maken zijn bij voorbaat gedoemd te mislukken (zie pag. 294-295).
Op


He wrote about a family with two children, deliberately as average as possible, which is stuck in an exhausting daily routine. Love doesn’t seem to exist and all their attempts to make something of their lives are doomed to fail (see pp. 296-297).
However, Erik didn’t enjoy writing much. He spent a lot of time on it, but didn’t talk about it a lot. The loneliness of being a writer was hard and the futile lives of the four protagonists in his story offered too
Erik beleeft echter weinig plezier aan het schrijven. Hij is er veel mee bezig, maar vertelt er weinig over. De eenzaamheid van het schrijven valt hem zwaar en het uitzichtloze bestaan van de vier hoofdpersonen biedt te weinig dramatische ontwikkeling om richting te geven aan het verhaal. Het schrijven gaat steeds langzamer.
1993
Hij doet een cursus fotografie, nadat hij het jaar daarvoor foto’s heeft gemaakt
voor een reisgids over Berlijn. Hij maakt onder andere zelfportretten, waarin hij met een mes in de mond vervaarlijk in de lens kijkt (pag. 298-299). Daarnaast fotografeert hij de bruiloft van zijn zus Pauline, ruim zeven maanden zwanger. Voor het afdrukken van de foto’s heeft hij een doka in een van de badkamers van het studentenhuis.
Ondertussen redigeert hij afstudeerscripties, maakt een fotostrip voor het blad van

few dramatic opportunities to give it direction. He wrote less and less.
He attended a photography course, after having taken photos the year before for a travel guide about Berlin. Among other things, he made self-portraits, in which he stares menacingly into the lens with a knife in his mouth (pp. 298-299). He also photographed the wedding of his sister Pauline, who was more than seven months
pregnant at the time. He developed the photos in a darkroom in one of student house bathrooms.
In the meantime, he edited theses, made a photographic comic strip for the magazine of the Utrecht University of Applied Sciences, where his brother Donald was an editor, and applied for ‘decent’ jobs, for example at a dictionary publisher: ‘While sifting through the swamp of dreary advertisements I found your enchanting
de Hogeschool Utrecht, waar zijn broer Donald redacteur, is en solliciteert op serieuze banen, bijvoorbeeld als medewerker aan een woordenboek: ‘Tijdens het uitdreggen van het grijze advertentiemoeras werd ik getroffen door uw begeesterende oproep. Een woordenboek is voor mij meer dan een dorre verzameling alfabetisch gerangschikte lemmata, ik hanteer het instrument veeleer als een onuitputtelijk reisverslag door de verborgen krochten van het Nederlands taalge-
bied’, schrijft hij aan Het Spectrum. En aan De Groene Amsterdammer: ‘Te midden van ingeslapen of door crises vermolmde opinieweekbladen blijft De Groene een oase van kritisch chagrijn. Meer dan graag verruilde ik dan ook het uitgehold karkas waarin mijn dagen zich ten einde slepen voor de warmte van uw burelen.’
Zijn huisgenoten zien blijkbaar iets anders in Suidman dan een schrijver. Iemand
een sollicitatiebrief, waarin Erik zich op verzoek van zijn broer Donald kandidaat stelt voor het maken van een fotostrip. Onder: een van de afleveringen.


job opening. To me, a dictionary is more than an empty collection of alphabetically arranged lemmata. I prefer to use the instrument as an inexhaustible travelogue through the labyrinth of the Dutch-speaking world’, he wrote to the publishers, Het Spectrum. And to De Groene Amsterdammer he wrote: ‘De Groene remains an oasis of critical grumpiness in the midst of opinion magazines that have fallen asleep or were ransacked by crises. I would be more than happy to exchange the hol-
lowed-out carcass in which I will end my days for the warmth of your offices.’
Apparently, his housemates regarded Suidman as something other than a writer. Someone asked him to paint a mural, which satisfied him far more than his year spent writing had. Another housemate had a studio for him.
vraagt hem een muurschildering te maken, iets waaraan hij meer plezier beleeft dan aan een jaar lang schrijven. Vervolgens heeft een andere huisgenoot een atelier voor hem.
Later beschreef hij het zo in een folder: ‘In februari 1994 begon Erik Suidman, op dat moment reeds bijna dertig, kalend en keurig afgestudeerd in de Neerlandistiek, vrijwel van de ene dag op de andere in een bij toeval verkregen atelier voltijds te
schilderen. Zonder ooit enig schilderkundig onderricht genoten te hebben en ongehinderd door enige kennis van materiaal of techniek zette hij op plompe wijze zijn eerste schreden op het schildersvlak.’
Kalend is hij overigens niet, maar inderdaad bijna dertig.
Suidman komt terecht in een voormalig schoolgebouw aan de Vondellaan op nummer 30, waar hij een atelier deelt

He later described it as follows in a brochure: ‘In February 1994 Erik Suidman, at that time almost thirty, balding and a Dutch language graduate, started to paint in a studio that had been acquired by chance, almost from one day to the next, on a full-time basis. Without ever having received any formal artistic training and unimpeded by any knowledge of materials or techniques, he took his first clumsy steps in the profession of painting.’
He was not balding, by the way, but indeed almost thirty.
Suidman ended up in a former school building: number 30 on the Vondellaan, where he shared a studio with two other artists, including his housemate Ellen Sillekens. His enormous canvases soon began to dominate the space. For the first year he painted with Hema paint, mainly because he liked the high-gloss paint from this low-cost chain store so much, and was
met twee anderen, onder wie huisgenote Ellen Sillekens. Met zijn enorme productie gaat hij al snel de ruimte domineren. Hij schildert het eerste jaar met Hema-verf, omdat hij de hoogglanslak zo mooi vindt, en is vooral bezig met leren. De meeste werken die hij in deze periode maakt eindigen later aan de rand van de straat, waarbij hij van een afstand kijkt wie wat meeneemt. Ze zijn stripachtig, niet heftig genoeg naar zijn idee, schattige onderwerpen zoals dierenportretten, al begint
hij meteen ook aan een grote serie heiligenportretten, om af te rekenen met zijn katholieke jeugd in Brabant.
In oktober heeft hij voldoende werk om mee te doen aan de open ateliers en een poster te maken waarop hij zich ‘schilder’ noemt.


mainly occupied with learning-throughdoing. During this period, most of his work ended up discarded beside the refuse containers, and he would observe from a distance who took what with them. The paintings were comic-like, in his opinion not intense enough, with saccharine subjects like animals, although he also started a large series of portraits of saints, to finally come to terms with his Catholic upbringing in the province of Brabant.
In October he had enough works to participate in the Utrecht open studios and made a poster in which he called himself a ‘painter’.
1995
Erik heeft een bijbaantje bij restaurant Bougainville. Hij begint er als afwashulp, maar mag al snel voorgerechten en toetjes maken. Koken is een van zijn talenten, hij pakt graag groots uit. In Bougainville, en later in de Minnarij, leeft hij zich niet alleen uit op de gerechten, waarbij hij soms afwijkt van de voorgeschreven ingrediënten, hij bouwt er ook een nieuwe vriendenkring op, na jaren veel op Denise gericht te zijn geweest.
Als het pand aan de Vondellaan 30 gaat sluiten verhuist Suidman naar een ander atelier, wederom aan de Vondellaan. Hij heeft er in het souterrain een eigen ruimte, die hij vanwege de kosten in het begin nog wel eens deelt met een onderhuurder. Nog altijd druk aan het leren laat hij zich inspireren door Porky’s Bar, een roze ruimte in het gebouw die hij volhangt met schilderijen van varkens.

De serie heiligenportretten bevat ook een zelfportret.

Erik worked part-time at the restaurant Bougainville. He started there as a dishwasher, but was soon making appetisers and desserts. Cooking was one of his talents: he preferred to make elaborate, decadent dishes. At Bougainville, and later at the Minnarij, he not only devoted himself to the food, sometimes deviating from the prescribed ingredients, but he also gathered a new circle of friends after many years of dedicating a lot of time to Denise.
When the building on the Vondellaan had to be vacated, Suidman moved to another studio further down the same road. He had his own space in the basement, which in the beginning he sometimes shared with a sub-tenant to reduce his costs. Still learning, he was inspired by Porky’s Bar, a pink space in the building that he adorned with paintings of pigs.
Eerste solo-expositie, in het kerkje van Warfhuizen. Hij toont er zijn heiligenbeelden, een serie die hij in februari 1995 al had afgesloten met, aldus een zelfgemaakt A4’tje, ‘een schrijnende verbeelding van het ultieme onderwerp, God zelve, een eerste werk in acrylverf, hetgeen geheel nieuwe paden baande in de moeizame strooptocht der volleerde verbeelding.’ God kost 500 gulden en wordt later afgeprijsd tot 300.
Een lokale krant schrijft: ‘Echt vrolijk word je niet, wanneer je de expositie van Erik Suidman bekijkt in het kerkje van Warfhuizen. Maar dat zal ook niet de bedoeling zijn van deze schilder. Zijn werken zijn vaak gruwelijk, bloederig en luguber. Een eigen interpretatie van de thema’s der hagiografieën van de katholieke kerk noemt hij het zelf, gefascineerd door de “overdadige poppenkast waarmee de katholieke kerk haar achterhaald concept verkoopt”. Een duidelijke stellingname, die
op zijn eerste solo-expositie.

His first solo exhibition, in the church in Warfhuizen. He exhibited his statues of saints, a series that he had already completed in February 1995 with, according to a short self-written text, ‘a poignant depiction of the ultimate subject, God Himself, the first work in acrylic paint, which paved new paths in the laborious pilgrimage of the accomplished imagination’. God cost 500 Guilders but the price was later reduced to 300 Guilders.
A local newspaper wrote: ‘You are unlikely to become cheerful when looking at Erik Suidman’s exhibition in Warfhuizen’s small church. But that is probably not the painter’s intention either. His work is often gruesome, bloody and sinister. He calls it his own interpretation of the Catholic Church’s hagiographies, fascinated as he is by the “exuberant puppet show which the Catholic Church uses to sells its outdated concept”. An unambiguous position that undoubtedly provokes many counter-
ongetwijfeld veel tegenreacties oproept. De agressie spat onmiddellijk van de doeken af. Suidman legt de als magisch realistische stripfiguren uitgevoerde martelaren een vervreemdend gebrek aan diepte op. Vrijwel alle geportretteerden kijken de toeschouwer aan met een gekwelde grijns, opgewekt door de tekenen van hun martelaarschap.’


reactions. The aggression erupts off the canvases. Suidman imposes an alienating lack of depth on the martyrs, portrayed as magical realistic cartoon characters.
Almost all the portrayed faces look at the viewer with a tormented grin, elicited by their martyrdom.’
1998
Suidman maakt steeds vaker werken die niet aan de straat eindigen. Het avondmaal toont zijn schoonvader die in de regen een bakje friet verorbert (pag. 22). Het slachthuis (‘het enige hoogtepunt uit de korte bloeitijd van het vegetarisch realisme’) is de eerste uit een reeks bloederige taferelen, met drie lachende slagers die zo te zien net vijf mensen hebben afgeslacht en aan een vleeshaak gehangen (pag. 31).
Wel kost het schilderen van dit soort grote werken hem veel tijd – Het slachthuis volgens hem bijna een jaar – ook omdat hij lang bezig kan zijn alle anatomische details goed te krijgen.
In maart gaan Erik en Denise samenwonen. Zij heeft een huis gekocht aan de Abel Tasmanstraat dat voor hen beiden voldoende ruimte heeft. Door de vele reizen voor haar werk in de mode en het harde werk van Suidman, ook in de avond- en nach-

telijke uren, zien ze elkaar weinig. Ze is blij met een plek waar ze samen apart kunnen wonen.
1999
Erik werkt hard en verbeten, hunkerend naar erkenning. Ondertussen ontvangt hij afwijzing op afwijzing: ‘Helaas moeten we je meedelen dat we het werk niet geschikt vinden voor een expositie.’ ‘Naar onze mening was uw werk voor onze doelstelling minder geschikt.’ ‘Helaas is uw

1998
Suidman increasingly made work that didn’t end up beside the refuse containers.
The Dinner depicts his father-in-law eating a bowl of French fries in the rain (p. 22).
The Slaughterhouse (‘the only highlight of the short heyday of vegetarian realism’) is the first in a series of bloody scenes, portraying three smiling butchers who seem to have just slaughtered the five people hung on meat hooks behind them (p. 31).
However, painting such large works took a lot of time – The Slaughterhouse took almost a year, according to Suidman – also because he spent a long time getting the anatomical details right.
In March, Erik and Denise moved in together. She bought a house on the Abel Tasmanstraat with enough space for both of them. They hadn’t seen much of each other in the years before: she had travelled a lot for her work in the fashion industry
and Suidman worked incessantly, also at night. She was happy with a place where they could live together yet lead separate lives.
1999
Erik worked tenaciously, yearning for recognition. In the meantime, one painting after another was rejected: ‘We unfortunately, have to inform you that we don’t consider this work suitable for an exhibition.’ ‘In our opinion, your work
documentatie geen aanleiding geweest voor de commissie om u uit te nodigen voor de volgende ronde van de selectieprocedure.’ ‘Wij adviseren u volgend jaar niet deel te nemen.’
Hij schildert ook geen makkelijke onderwerpen, maar besmeurde wc-potten en ander sanitair: ‘De in goedkoop ondergoed gestoken figuren wachten lethargisch, soms ten prooi aan wanhoop, op een duister lot. De buitenwereld is verdwenen
achter patronen van koude badkamertegels, die de slachtoffers gevangen zetten in een wereld die angst en kilte wasemt’, schrijft hij zelf.
Het werken ’s avonds in het restaurant doet hem goed, maar zodra Suidman thuis komt is hij moeilijk toegankelijk. Hij wil zich bewijzen, maar kan niets vinden waarin hij zich succesvol kan noemen.
2000
Er komt een einde aan de relatie met Denise. Erik gaat in zijn atelier aan de Deken Roesstraat wonen maar komt na een week weer terug. Niet lang daarna moet hij ook dat atelier verlaten en betrekt hij met al zijn spullen de benedenverdieping van de Abel Tasmanstraat.
Toch zijn er ook lichtpuntjes. ‘Helaas past uw werk niet in mijn galerie’, schrijft Erna Bijl de Vroe van galerie De Genieloods in

wasn’t quite suitable for our purposes.’ ‘Unfortunately, your documentation has not prompted the committee to invite you to the next round of the selection procedure.’ ‘We advise you to not participate next year.’
He didn’t paint accessible subjects either, but dirty toilet bowls and other sanitary facilities: ‘The figures in cheap underwear are lethargic, at times falling prey to desperation, waiting for a dark fate. The
outside world has disappeared behind patterns of cold bathroom tiles, which imprison the victims in a world that emanates fear and bleakness’, he wrote.
Working in the restaurant in the evenings was good for him, but as soon as Suidman came home he disappeared into his own world. He wanted to prove himself, but couldn’t find anything with which he could be successful.
Aalsmeer op een getypte afwijzingsbrief. Maar ze heeft er met de hand iets bijgeschreven: ‘Ik was oprecht gefascineerd en geschokt! Mooi werk – iets te heftig voor mij. Misschien ooit?!’
Eind van dat jaar doet Suidman zijn eerste grote verkoop. Het publiek (pag. 121), een gigantisch werk waarop Suidman zelf tientallen malen staat afgebeeld met holle grimassen – het jaar daarvoor geschilderd en onder meer te zien geweest op een

The relationship with Denise ended. Erik moved into his studio on the Deken Roesstraat but moved back after a week. Shortly after that, he had to leave the Deken Roesstraat studio too, and moved with all his belongings to the ground floor of the Abel Tasmanstraat.
There was some light at the end of the tunnel, however. ‘Unfortunately, your work does not suit my gallery’, wrote Erna Bijl
de Vroe from De Genieloods gallery in Aalsmeer in a typed rejection letter. But she added in handwriting: ‘I was genuinely fascinated and shocked! Lovely work –a little too intense for me. Maybe one day?’
At the end of that year, Suidman made his first major sale. The Audience (p. 121), a gigantic work in which Suidman himself is depicted dozens of times mimicking hollow
tentoonstelling over humor in de kunst – gaat voor het formidabele bedrag van 6200 gulden naar de gemeente Utrecht, in het kader van een SBKUaankoopronde (Stimulering Beeldende Kunst Utrecht).
Ook bij die tentoonstelling over humor viel zijn werk al op. ‘Tekenend voor de verscheidenheid is het schilderij van Erik Suidman. Eén lachbui is al goed voor vele grimassen.’ Aldus Jinke Hesterman in het
Deventer Dagblad, naar aanleiding van de groepsexpositie De lach-en-de-kunst in het Kunstpaleis. En: ‘De meeste indruk in deze categorie maakt opnieuw een schilderij van Erik Suidman waarop hij een man heeft afgebeeld die ogenschijnlijk tevergeefs al dagen op het toilet zit. Het miserabele bestaan van Onno W, filosoof is de welluidende titel van dit kunstwerk. Lachen!’
2001
Denise weet via haar contacten een appartement te vinden waar Erik zou kunnen wonen. Hij vertrekt naar de Lange Lauwerstraat, waar hem een eenkamerwoning wacht. Later dat jaar vindt hij ook een nieuwe werkplek in de Vlampijpateliers, gevestigd in een oud industrieel pand aan het spoor, die hij vanaf 1 januari 2002 kan betrekken.
2002
Op 17 juni gaat Erik naar het strand. Het is een warme dag en hij neemt de trein naar Zandvoort. Op weg naar zee loopt hij iemand voorbij die hij eind van de dag weer tegenkomt als hun trein vertraging blijkt te hebben: danser en choreograaf Fabian Galama. Hij wordt Eriks partner.
Bij zijn coming-out is Erik 37 jaar. Hij gaat vrienden en familie langs om het nieuws te delen, steeds opgeluchter, al is niet


Eerste werkruimte in de

grimaces. Painted the year before and shown at an exhibition about humour in art, it was purchased by the city of Utrecht for the tremendous sum of 6200 Guilders as part of the SBKU (Stimulation of the Visual Arts in Utrecht) programme.
His work also stood out at this exhibition on humour, De lach-en-de-kunst (Laughter and the art) in the Kunstpaleis. In her review of this group exhibition for the Deventer Dagblad, Jinke Hesterman wrote:
‘Erik Suidman’s painting represents the diversity. A single burst of laughter is sufficient for many grimaces. […] The most impressive exponent of this theme is again a painting by Erik Suidman depicting a man who has been stuck on the toilet for days, seemingly in vain. The Miserable Existence of Onno W, Philosopher is the euphonious title of this work of art. Smile!’
Through her acquaintances, Denise managed to find somewhere Erik could live. He moved to a one-room apartment on the Lange Lauwerstraat. Later that year he also found a new studio space, in the Vlampijpateliers, an old industrial building beside the railway tracks, where he could move in as of January 2002.
2002
On 17 June Erik went to the beach. It was a sunny day and he decided to take the train to Zandvoort. On the way to the beach he passed someone he met again later while they were waiting for their delayed train: dancer and choreographer Fabian Galama. He became Erik's partner.
At the time of his coming-out, Erik was 37 years old. He went to friends and family, sharing the news, becoming more and
iedereen even verbaasd: sommigen zagen de signalen al jaren daarvoor.
Het spannendst is het bezoek aan zijn vader, maar wanneer Erik meedeelt dat hij een man heeft ontmoet blijkt zijn vader geen enkel probleem te hebben met de homoseksualiteit van zijn zoon.
Er breekt een betere periode aan. Erik neemt weer contact op met oude vrienden en in het ateliercomplex aan de Vlampijpstraat maakt hij veel nieuwe vrienden.
In zijn werk heeft hij inmiddels een aantal thema’s ontwikkeld waarop hij flink kan voortborduren. De bloederigheid van Het slachthuis (1998-1999) komt weer terug bij De slager (2002), waar hij zelf op een bijna triomfantelijke manier voor poseert, en later in Gehaktdag (2006), gebaseerd

op een paginagrote advertentie van supermarktketen C1000 (p. 27).
De mistroostigheid van Een dagje aan het strand (1995) krijgt een vervolg in de vorm van een serie verlepte vrouwen (de ‘wanhopige huisvrouwen’), die stilletjes poseren in een bloemetjesjurk voor een bloemetjeshang, op een moment dat het eigenlijk gezellig had moeten zijn (pag. 62-67).
Verder zijn er wachtende mannen, die doen denken aan een personage uit Suid-
mans onvoltooide manuscript: de vader, die bij zijn monotone werk in de zeepfabriek eindeloos op de klok kijkt. Ook maakt Suidman, net als bij Het publiek (1999), weer grote schilderijen waarop dezelfde persoon vele malen is afgebeeld, nu vaak met een hoofdrol voor zijn partner Fabian.
In januari doet Suidman mee aan de veiling Kunst voor kust, georganiseerd door de Vlampijpateliers, waar hij drie speciaal
more relieved. Not everyone was surprised though: some people had already noticed the signs years before.
The most nerve-wracking thing was bringing the news to his father. But when Erik told him he had met a man, it turned out his father had no problems at all with his son’s homosexuality.
A better time was approaching. Erik re-contacted old friends and made many new ones at the studio complex on the Vlampijpstraat.
He had developed a number of themes that he could now expand upon. The bloodiness of The Slaughterhouse (199899) reappeared in The Butcher (2002), where he poses in an almost triumphant way, and later in Meat Day (2006), based

on a full-page advertisement by the supermarket chain C1000 (p. 27). The gloominess of A Day at the Beach (1995) was followed by a series of wilted women (the ‘desperate housewives’), who pose peacefully in front of a floral backdrop wearing floral dresses at a moment when they should have been enjoying themselves (pp. 62-67).
There were also men who are waiting, reminiscent of a character from Suidman’s
unfinished manuscript: the father, who looks endlessly at the clock during his monotonous work at the soap factory. As in The Audience (1999), Suidman made large paintings depicting the same person multiple times, now often featuring his partner Fabian.
In January, Suidman participated in the Kunst voor kust auction, organised by the Vlampijpateliers, for which he made
gemaakte portretten voor beschikbaar stelt: India, Sri Lanka en Atjeh (pag. 116-117). De opbrengst gaat naar slachtoffers van de tsunami van Tweede Kerstdag 2004. Later dat jaar stelt hij ook werken ter beschikking voor een veiling ter gelegenheid van Wereldaidsdag.
Restaurant De Minnarij gaat sluiten, waarna Suidman via zijn contacten in de Vlampijpateliers nieuw werk vindt in een winkel voor kunstenaarsbenodigdheden, Peter
van Ginkel. Het verbreedt niet alleen zijn vriendenkring, ook zijn technische mogelijkheden: voor het adviseren van klanten moet hij verstand hebben van alle denkbare schildersmaterialen.
Samen met collega’s Sarah Gunti, Wies Hesselink en Jep van de Ven is hij de motor achter een gezamenlijk project, waar uiteindelijk twaalf kunstenaars aan mee doen: Nebenwelten. In de ondergrondse parkeergarage van een Utrechtse kantoor-

toren vinden ze de perfecte plek om de binnenwereld te tonen, ‘de nevenwereld waar de tragedie van dit aards bestaan zijn valse vertoningsvormen kan afschudden’. Suidman maakt een driedimensionale installatie, bestaande uit drie poedels die gezamenlijk hebben besloten afscheid te nemen van dit aardse bestaan.
Hij wordt lid van het Utrechtse kunstenaarsgenootschap Kunstliefde, met illustere voorgangers als Gerrit Rietveld en Piet

three portraits: India, Sri Lanka and Atjeh (pp. 116-117). The proceeds went to victims of the Boxing Day 2004 tsunami. Later that year he also donated works to a benefit auction for World Aids Day.
Restaurant De Minnarij closed. Suidman, using his connections at the Vlampijpateliers, started working in Peter van Ginkel, a shop that sold artists’ supplies. This not only broadened his circle of friends, but also his technical capabilities:
in order to advise customers, he had to be familiar with every imaginable painting material.
Together with colleagues Sarah Gunti, Wies Hesselink and Jep van de Ven, he was the driving force behind a collaborative project, in which twelve artists eventually participated: Nebenwelten. The underground parking garage of a Utrecht office tower was the perfect place to show the world within, ‘a world where the tragedy of
this earthly existence can shake off its false manifestations’. Suidman’s three-dimensional installation consisted of three poodles who together decided to bid farewell to their earthly existence.
Erik became a member of the Utrecht artists’ society Kunstliefde, joining renowned predecessors such as Gerrit Rietveld and Piet Mondriaan, where he regularly participated in members’ exhibitions.
Mondriaan, waar hij regelmatig zal meedoen aan ledenexposities.
Suidman exposeert bij Galerie Beeldkracht onder de titel Waar wachten we eigenlijk op? De galerie in het Oost-Groningse plaatsje Scheemda is op dat moment een vast verkooppunt van zijn koeien, maar ze staan ook open voor ander, minder vrijblijvend werk van Suidman – al komen de meeste van deze werken uiteindelijk

Suidman exhibited at Galerie Beeldkracht under the title Waar wachten we eigenlijk op? (What exactly are we waiting for?).
At that time, this gallery in Scheemda, in the province of Groningen, represented him and sold his cow paintings. The gallery was also interested in his more confrontational works, but most of these were returned unsold. The cows were still an important source of income, but not for long. He no longer liked the
retour. De koeien zijn nog even een belangrijke bron van inkomsten voor Suidman, maar niet lang meer. Het steeds commerciëlere karakter van de galerie bevalt hem niet langer.
In het Streekblad schrijft Fred Ootjers: ‘Door zijn keuze om de rauwe naakte werkelijkheid te verbeelden schaart Erik Suidman zich in een rij van grote kunstenaars uit de moderne en hedendaagse kunst als Edvard Munch, Francis Bacon en

increasingly commercial character of the gallery.
Fred Ootjers wrote in the Streekblad: ‘By choosing to depict raw, naked reality, Erik Suidman has joined a line of great artists from modern and contemporary art such as Edvard Munch, Francis Bacon and Lucian Freud, who also opened themselves up to human misery as a source of inspiration. He too has the quality to observe thoroughly, the result of which he
Lucian Freud, die zich ook laten of hebben laten inspireren door menselijke misère. Ook hij bezit de kwaliteit om grondig te observeren, het resultaat daarvan toont hij ons zonder omweg, met een al even bizar gevoel voor humor.’
Cornel Bierens schrijft over Mijn hart (pag. 57): ‘Hier beeldt de kunstenaar zichzelf af als een bijzonder altruïstisch mens. Hij biedt de kijker zijn grote hart aan, dat is zoveel als zijn leven. Het perspectief van
bovenaf benadrukt de nederigheid van de kunstenaar. Er is geen reden om te twijfelen aan zijn goedgeefsheid, zijn gezicht staat oprecht, hij schmiert niet, heeft zo te zien geen bijbedoelingen, en zijn nederigheid slaat niet door naar een verdachte onderdanigheid. En toch scheelt er iets, en dat zit ’m in het feit dat het royale gebaar beperkt blijft tot het gebaar zelf. Dit schilderij had ook een foto kunnen zijn, hoewel, zou een fotograaf het beeld ooit zo monotoon hebben kunnen krijgen?’

shows us without reservations, and with an equally bizarre sense of humour.’
In a catalogue accompanying a group exhibition, Cornel Bierens wrote about My Heart (p. 57): ‘Here the artist portrays himself as a particularly altruistic person. He offers the viewer his big heart, which is worth as much as his life. The viewpoint from above emphasises the artist’s modesty. The viewer has no reason to doubt his generosity, his face is sincere,
he doesn’t blink, seems to have no ulterior motives, and his humility doesn’t fade into suspicious subservience. And yet something is wrong, the fact that the generous gesture is limited to the gesture itself. This painting could also have been a photo, but could a photographer ever have made the image so monotonous?’
From: Ten voeten uit, published by Verkuno, association of visual artists and designers, on the occasion of an exhibition.
Uit: Ten voeten uit, een uitgave van Verkuno, vereniging van beeldend kunstenaars en vormgevers, ter gelegenheid van een expositie.
2007
In de zomer verhuist Fabian naar Edinburgh, waar hij een opleiding tot binnenhuisarchitect gaat volgen.
Kunstliefde organiseert een expositie met als thema ‘Naakt’. Suidman maakt het


2007
In the summer Fabian moved to Edinburgh to study interior design.
Kunstliefde organised an exhibition on the theme ‘Naked’. Suidman made the painting Benno, a man with a naked lower body, who provocatively displays his genitals and wears a T-shirt with the text ‘Use me’ (p. 108). This was an exception: Suidman was unable to identify with gay stereotypes and later refused to exhibit nude studies.
schilderij Benno, een man met een naakt onderlijf, die uitdagend zijn lid toont en een T-shirt draagt met de tekst ‘Use me’ (pag. 108). Een uitzondering. Suidman kan zich totaal niet identificeren met de stereotypen van de homowereld. Latere verzoeken om naakten te exposeren slaat hij af.
2008
Suidman exposeert bij Springers Wonen. Daar ontdekt hij dat zijn werk, dat volgens
sommigen niet zo geschikt is voor ‘boven de bank’, eigenlijk heel mooi combineert met de strakke Italiaanse banken die er in de showroom staan. Hij verkoopt diverse grote werken, genoeg om er het komende jaar van te leven.
Na een groot afscheidsfeest vertrekt Erik in juni naar Edinburgh, zijn woning in de Lange Lauwerstraat doet hij in onderhuur. Fabian en hij betrekken samen een grote flat, met voldoende ruimte voor een ate-



Suidman exhibited at Springers Wonen, an interior design and furniture store. There he discovered that his work, which according to some was unsuitable for displaying ‘above the couch’, actually blended in very nicely with the sleek Italian sofas in the showroom. He sold several large works, earning more than enough to support himself for the coming year.
After a big farewell party Erik left for Edinburgh in June. He had sublet his house in the Lange Lauwerstraat. Erik and Fabian moved into a large apartment together, with enough space for a studio. It didn’t work out. Erik didn’t settle down in Edinburgh; he had difficulty connecting with people. When Fabian’s friends came to dinner, no one said anything about Erik’s paintings, which were prominently displayed in the apartment. It didn’t help that Fabian, then in his second year, went on a
lier. Het is geen succes. Erik aardt niet in Edinburgh, hij vindt er geen aansluiting. Als er vrienden van Fabian komen eten, zegt niemand iets over de schilderijen van Erik, die nadrukkelijk aanwezig zijn in het appartement. Wat niet helpt is dat Fabian, die dan in zijn tweede studiejaar zit, een uitwisseling heeft met de VS. Hij is drie maanden weg. Als Fabian met Kerst terugkomt treft hij Erik in miserabele staat aan. Niet lang daarna besluit Erik terug te gaan.
2009
Terug in Utrecht – de relatie met Fabian is inmiddels beëindigd – vindt Erik weer een plek in de Vlampijpateliers, ditmaal iets kleiner dan voorheen. Ook gaat hij weer werken bij Peter van Ginkel en hij wordt opnieuw lid van Kunstliefde. Hij is er betrokken bij een leertraject voor jonge kunstenaars, De belofte
Suidman schildert Tony Macaroni (zie omslag). In de clowns heeft hij een nieuw

three-month exchange to the US. When Fabian returned home for Christmas, he found Erik in a miserable state. Not long afterwards Erik decided to go back to the Netherlands.
Back in Utrecht – the relationship with Fabian was over – Erik was able to once again rent a space in the Vlampijpateliers, this time a little smaller than before. He also returned to work at Peter van Ginkel
and re-enlisted with Kunstliefde. He was involved in a project for young artists, De belofte (The Promise).
Suidman painted Tony Macaroni (cover image). He had found a new subject: clowns, which were dramatically interesting – one never knows what their cheerful façades conceal – and also sold well. This was actually the only time in his career that these two objectives coincided so beautifully.
onderwerp gevonden: dramatisch interessant – je weet nooit wat er achter hun vrolijke façade schuilt – en tegelijkertijd een verkoopsucces, eigenlijk de enige keer in zijn carrière dat die twee zo mooi samenvallen.
Suidman woont een korte periode in zijn atelier, omdat hij zijn woning aan de Lange Lauwerstraat kwijt is. In mei verhuist hij naar de Breedstraat, wederom een een-
kamerwoning, waar hij van sloophout een keuken timmert met daarbovenop een bed.
2011
Erik en Fabian pakken begin van het jaar hun relatie weer op, nadat ze samen Kerst hebben gevierd in Edinburgh. Het wordt definitief een relatie op afstand, want Fabian heeft inmiddels een baan gevonden in Edinburgh. De twee skypen iedere maandag en ontmoeten elkaar gemiddeld eens per maand, vaak ook op de plekken waar


2010
Suidman lived in his studio for a while because he had lost his house on the Lange Lauwerstraat. In May he moved to the Breedstraat, to another one-room apartment, where he made a kitchen out of scrap wood with a loft bed on top of it.
2011
Erik and Fabian resumed their relationship at the beginning of the year, after having
ze het goedkoopst naartoe kunnen vliegen: Londen, Berlijn, Brussel, Rome, Boedapest. Suidman schildert afgehakte hoofden, waar hij zelf voor poseert, en de eerste vrouw met een boodschappentas: Dirk (pag. 91). Bij het schilderen van een serie portretten onder de titel Feest (pag. 96), vier oude, gegroefde vrouwen met een feestmuts op, ontdekt hij dat wat aanvankelijk bedoeld was als onderschildering prima voldoet als eindresultaat. Hij wordt losser in zijn manier van werken.

spent Christmas together in Edinburgh. It was going to be a long-distance relationship, because Fabian had found a job in Edinburgh. The two Skyped every Monday and met about once a month, often in the places they could fly to the cheapest: London, Berlin, Brussels, Rome or Budapest.
Suidman painted decapitated heads, using himself as the model, as well as the first woman with a shopping bag: Dirk (p. 91). While painting a series of portraits entitled
Party (p. 96), four elderly, wrinkled women wearing party hats, Suidman discovered that what was originally intended as an underpainting ended up being a fine end result. He became more relaxed in his approach.
2012
Erik joined Facebook. He no longer wanted to work with a gallery, but to sell his art directly, if possible, through open studios or at the thematic Kunstliefde exhibitions,
2012
Erik gaat op Facebook. Hij wil niet meer werken met een galerie, maar zijn kunst zoveel mogelijk rechtstreeks verkopen, via open ateliers of bij thematentoonstellingen van Kunstliefde, en soms ook nog door te exposeren in een winkel. Hij besteedt veel tijd aan zijn website, soms aan details die niemand ziet, maar de pagina met verkoopinformatie staat jarenlang ‘onder constructie’. Suidman leeft permanent op de armoedegrens. Bij Peter van Ginkel


and sometimes by exhibiting in a shop. He spent a lot of time on his website, sometimes on details that nobody else cared about, but the sales page was ‘under construction’ for years. Suidman always lived on the brink of poverty. At Peter van Ginkel he was paid the minimum wage and he worked as a cleaner to earn a bit extra.
The Audience, sold years earlier, appeared on TV several times as a backdrop for a talk show hosted by Wilfried de Jong.
krijgt hij het minimumloon, daarnaast doet hij schoonmaakwerk.
Het publiek, jaren daarvoor verkocht, is diverse malen op tv te zien, als groot achtergrondbeeld bij een praatprogramma van Wilfried de Jong.
2013
Suidman schildert nog twee vrouwen met een boodschappentas, na zijn overlijden verworven door het Centraal Museum, en
dierenmaskers – in zekere zin een combinatie van twee eerdere thema’s: dieren en de verborgen gezichtsuitdrukking.
2014
‘In 1997 startte Erik Suidman een serie van 120 portretten, te fabriceren tussen het reguliere werk door. Op paneeltjes van standaardformaat 18 x 24, ingeraamd in neutrale houten lijsten. De serie, opgezet als een schilderkunstig onderzoek naar huidskleur en expressie, zwol aan tot een

2013
Suidman painted two more women with shopping bags that were acquired by the Centraal Museum after his death, and animal masks – in a way a combination of two previous themes: animals and concealed facial expression.
2014
‘In 1997 Erik Suidman started a series of 120 portraits, to be made alongside the usual work. The portraits were painted
on standard sized panels of 18 x 24, in neutral wooden frames. The series, set up as painterly research into skin colour and facial expression, grew into a panoptic compendium of human emotions. The portraits can be regarded as separate units, but together they form a grand and compelling and more than wall-filling work of art.’
This according to an old flyer, in which Suidman also offered his services as
panopticum van menselijke emoties. De portretten zijn te beschouwen als losse eenheden, maar vormen tezamen een groots en meeslepend, meer dan muur vullend kunstwerk.’
Aldus een oude folder, waarin Suidman ook zijn diensten als portretschilder aanbiedt. Prijzen vanaf 400 gulden.
De serie, die al snel de overkoepelende titel Het lijden der mensheid krijgt, telt
374 werken als directeur Marion Wagenvoort van Kunstliefde hem voorstelt deze te exposeren. Suidman wil dan graag echt groot uitpakken en alle muren in Kunstliefde helemaal volhangen. Na enig meet- en rekenwerk blijkt dat dit ongeveer 2500 schilderijen zou vergen, een aantal dat noodgedwongen wordt bijgesteld tot tweeduizend. In de bovenruimte komt een andere kunstenaar, vermaard schilder van zelfportretten Philip Akkerman – een keuze waar Suidman buitengewoon verguld mee is.

a portrait painter. Prices started at 400 Guilders.
The series, which was soon given the overarching title The Suffering of Mankind, comprised 374 works when Marion Wagenvoort, director of Kunstliefde, suggested that he exhibit them. Suidman wanted a grand exhibition; he wanted to cover Kunstliefde with his portraits. After measuring and calculating, it appeared that this would require about 2500 paintings,
a number that by necessity was adjusted to 2000. Another artist, the renowned painter of self-portraits Philip Akkerman – a choice Suidman was extraordinarily pleased with – would occupy the upstairs space.
When an interviewer asked what his work says, he only needed two words: ‘Be careful.’
In een interview heeft hij op de vraag wat zijn werk zegt slechts twee woorden nodig: ‘Wees voorzichtig!’
2015
Kranten, tijdschriften, internet – overal komen portretfoto’s vandaan die Suidman als basis gebruikt voor zijn magnum opus. Er zijn dagen dat hij tien schilderijen maakt. Collega’s komen hem eten brengen, zodat hij non-stop kan doorwerken. Als ze naar huis gaan brandt bij Suidman nog altijd het licht.
Het streefgetal wordt nog een paar keer bijgesteld, maar uiteindelijk hangen er in oktober dertienhonderd werken op de grote wanden van Kunstliefde.
In een korte documentaire relativeert hij het belang: ‘Tijdens het schilderen kan ik wel een beetje doormaken wat degene die ik portretteer doormaakt. Maar zo’n hele muur, dat wordt voor mij echt behang. Daar wordt van alles op geschreeuwd, er zijn mensen aan het huilen. Dat doet mij

Newspapers, magazines, the Internet –Suidman used photos from everywhere as the basis for his magnum opus. Some days, he made ten paintings. Colleagues brought him food, so that he could work non-stop. Often when they left late at night, Suidman’s lights were still burning.
The target number was readjusted several more times, but eventually in October 1300 paintings were hung on the Kunstliefde’s expansive walls.
In a short documentary he put the importance of this exhibition into perspective: ‘When painting, I experience a little bit of what the person I’m portraying is undergoing. But for me, a whole wall like this becomes like wallpaper. People are shouting, people are crying. That doesn’t bother
niets. Ik zie een soort kleurenbrij en verder zie ik niets.’
Hij is misschien iets te bescheiden: Kunstliefde trekt een recordaantal bezoekers.
2016
Suidman heeft tijd nodig om bij te komen van zijn mega-expositie. Hij rondt nog een aantal grote schilderijen af, clowns en maskers, maar begint ook na te denken over een nieuwe koers.
In Engeland blijkt zijn werk op een onverwachte manier populair geworden. Op een kunstacademie in Sunderland krijgen de leerlingen opdracht om in Suidmans stijl te schilderen. ‘Erik Suidman inspired clowns’ verschijnen in grote aantallen online en verdringen zijn eigen schilderijen uit de zoekresultaten – wie zich wil oriënteren op Suidmans werk kan makkelijk de verkeerde indruk krijgen. Het kost hem maanden om zelf weer boven in de zoekresultaten te komen, door eigen werk

me. I see a kind of mush of colour and nothing else.’
Perhaps he was being a little too modest: Kunstliefde attracted a record number of visitors.
Suidman needed some time to recover from his major exhibition. He completed a number of large clowns and masks paintings but also started thinking about a new direction.
His work unexpectedly turned out to be popular in England. At an art academy in Sunderland, the students were instructed to paint in Suidman’s style. Large numbers of ‘Erik Suidman-inspired clowns’ appeared online and displaced his own paintings from the search results – anyone wanting to orientate towards Suidman’s work could easily get the wrong impression. It took him months to get back to the top of the search results by uploading his own work to Pinterest, among others,
te uploaden op onder meer Pinterest en te zorgen dat hij stijgt in de rankings.
2017
De ledenexpositie bij Kunstliefde heeft als thema ‘Grens’. Suidman schildert drie clowns achter een afrastering van gaas: Keeping the Clowns Out (pag. 162-163).
Ondertussen zint hij nog altijd op een nieuwe koers, opmerkelijk lang voor zijn


and by ensuring that he rose in the rankings.
The theme of the 2017 members’ exhibition at Kunstliefde was ‘Border’. Suidman painted three clowns behind a wire fence: Keeping the Clowns Out (pp. 162-163)
In the meantime, he was still thinking of a new direction, which was taking a surprisingly long time for him. In his opinion his
doen. Zijn werk is te plat, vindt hij, het mag losser, minder perfectionistisch.
Op 7 december, Fabians verjaardag, maakt hij De muur af (pag. 319). Alle stippen zitten erop. Hij wil er eigenlijk nog wat langer van genieten, maar er is al een belangstellende voor het doek.
De twee reizen naar India, Eriks favoriete reisbestemming vanwege de kleuren, de geuren, de contrasten tussen mooi
en lelijk, en de vele dieren: apen, biggen, kamelen, koeien, honden en eekhoorntjes. Fabian is er nog nooit geweest, Erik gaat voor de vijfde keer. Via WhatsApp stuurt hij vele foto’s naar het thuisfront. Fabian en Erik zijn gelukkig.
2018
Op 2 januari zijn de twee van plan naar de Taj Mahal te reizen, het mausoleum dat Shah Jahan tussen 1632 en 1648 liet bouwen, nadat zijn echtgenote Mumtaz


work was too flat, it could be freer, less detail-oriented.
On 7 December, Fabian’s birthday, he completed The Wall (p. 319). The polka dots were the last to be added. He’d hoped to enjoy it a while longer, but someone was already interested in it.
The pair travelled to India, Erik’s favourite destination because of its colours, smells, the contrast of the beautiful and the ugly,
and the many animals: monkeys, piglets, camels, cows, dogs and squirrels. This was Erik’s fifth visit; Fabian had never been there before. Erik sent many pictures back home through WhatsApp. Fabian and Erik were very happy.
On 2 January they set off on a trip to the Taj Mahal, the mausoleum that Shah Jahan had built between 1632 and 1648, after his wife Mumtaz Mahal had died in childbirth.
Mahal in het kraambed was overleden. Direct na vertrek blijken ze in de verkeerde trein te zitten, als andere reizigers zich melden voor hun stoelen. Ze kunnen er nog uit, de trein rijdt nog niet hard. Fabian komt goed terecht, hij valt achterover maar staat snel weer op zijn benen. Erik valt ook achterover en zwiept daarbij zijn benen omhoog, richting de trein. Zijn benen krijgen een klap van de stalen trap van de volgende treindeur en hij loopt een hoofdwond op. Zijn hart klopt nog drie minuten.
But they boarded the wrong train, something they only realised when other travellers produced tickets for their seats. They could still get off; the train wasn’t going that fast. Fabian jumped, fell backwards but quickly regained his balance. Erik also fell backwards, but the next set of steel steps struck his legs and he hit his head on the ground. His heart beat for another three minutes.
ONVOLTOOID MANUSCRIPT
Het manuscript waar Suidman in 1992 en 1993 aan werkt bevat veel van de thema’s die later terugkomen in zijn schilderijen: wachten, verveelde huisvrouwen, pogingen om het gezellig te hebben die gedoemd zijn te mislukken, smerig sanitair, de hele treurigheid van ons vleselijke bestaan, en zelfs een masker en reclame voor zeep, inclusief de bijbehorende valse belofte van geluk. In sommige beschrijvingen is al duidelijk de schilder Suidman aanwezig. En in de babbeltoon waarmee de moeder tegen God praat is makkelijk een echo te horen van Gerard Reve, op wiens werk Suidman het jaar daarvoor is afgestudeerd.
Het manuscript beschrijft een aantal dagen uit een traditioneel gezin: vader die naar zijn werk gaat, moeder die zich verveelt, een zoon en een dochter.
Zoon Wim schrikt wakker uit een nare droom, kijkt uit het raam en beziet een wereld waarin iedereen dezelfde levens leeft.
De huizenrij aan de overkant doemde in de schemering op. Een muur van identieke gezinswoningen, deuren en ramen vormde een eindeloos herhaald patroon van donkere vlekken. Achter die geblindeerde vensters sluimerde het leven voort als een wezenloos spiegelbeeld van het leven aan deze kant van de straat. Dezelfde mensen, dezelfde levens, de enige verandering school in veroudering en afsterven, om vervangen te worden door nieuwe generaties die in niets verschilden van de vorige.
Moeder verwijdert enkele etensresten van de vorige avond uit haar gebit en staat op.
Langzaam, gekweld door hoofdpijn, kwam ze overeind. ‘Dank u voor deze nieuwe morgen, dank u voor deze nieuwe dag’, piepte ze vals, ‘dank u dat ik met al mijn zorgen bij u komen mag. Pfft.’ Al haar zorgen, was dat op de vroege ochtend geen al te zware belasting voor de here God? Snel schudde ze deze profane gedachte van zich af, het paste een eenvoudig huisvrouw niet om vragen te zetten bij een conceptie wier onaantastbaarheid haar schier te boven ging.
Even later glipt zoon Wim de badkamer in.
Hij bevond zich in een nauw en vochtig hok dat in vroeger tijden alleen het toilet gehuisvest had. Na de ondergang der badhuizen was het hok uitgebouwd tot badkamer. Hiertoe hing boven de toiletpot een douchekop die door een gammel buizenstelsel met de keukengeiser was verbonden, en was naast het fonteintje een tandenborstelrekje bevestigd. Na het douchen diende men het door een verzakte vloer op de bodem van de cabine achterblijvende water in het afvoerputje te dweilen, waarin het door toedoen van een reeds jaren slepend defect in de stankafsluiter werd verruild
voor een bedwelmende putlucht. De muren waren doordrenkt geraakt van de weeë geur van vochtrot, een geur die zich tot ondeelbaar onderdeel van de huiselijke atmosfeer had opgewerkt. Terwijl hij zijn tanden poetste leegde hij zijn blaas in de wasbak, een efficiënte methode om beide taken gelijktijdig af te werken.
Bij het ontbijt begroet Wim zijn moeder.
Zonder make up zag zijn moeder er uit als een verweekte aquarel. Haar gezicht was een schaduwloze vlakte van verkreukeld papier, bekrast met ontelbare dunne lijnen. Haar mond was een streep die haar wangen straktrok tot een zuinig masker, ook als ze lachte hingen de groeven rond haar mond treurig terneer. […] Overmatig gebruik van inferieure smeersels en goedkope huishoudzeep had haar huid zo uitgeloogd, dat Wim koude rillingen kreeg als zijn moeder met haar hand over haar gezicht streek. Haar bleke hoofdhuid was bezaaid met pigmentvlekken van ongelijke grootte en werd slechts gedeeltelijk bedekt door enkele restanten dun, kleurloos haar. Over haar gehavende coiffure had zij een doorzichtig haarnet geschoven van een woeste kleur roze, dat als een lichtbaken de grauwheid van haar trekken benadrukte. Haar peignoir was van een zelfde fletse tint als de gordijnen en het tafelkleed, en stamde waarschijnlijk uit dezelfde jaren waarin de jonggehuwden hun nimmer vervangen huisraad verwierven. Het verval dat als een vale schemer over het interieur lag, had het huis en haar bewoners in gelijke mate aangetast, waardoor de familie als een nest kameleons door de verveloze kamers spookte.
Moeder vertelt trots hoe ze bij de slager drie kilo ossenworst voor de helft van de prijs mocht meenemen.
Ze stond op en dribbelde naar de ijskast, waaruit ze een met lachende varkens bedrukte plastic tas nam. Haar ogen glinsterden toen zij een groot, in vaal bruin papier ver-
pakt pakket op tafel zette. Onhandig frommelde ze het pak open en toonde haar inhoud. Een vormeloze rode massa perste zich in tomeloze blijdschap naar buiten, het roodwit geblokte tafelkleed verloor plaatselijk haar patroon door bloedverlies van het ambachtelijk kwaliteitsproduct.
Wim keek vol ingehouden afgrijzen naar de handen van zijn moeder, waaraan stukken worst kleefden als uitgeknepen wondvlees. ‘Drie kilo’, kirde zijn moeder, ‘en het is niet eens zondag’.
Zodra iedereen de deur uit is, maakt moeder zich klaar voor het bezoek dat iedere maandag om tien uur komt koffiedrinken.
Ze keek op haar horloge. Bijna half tien, ze moest zich haasten. Ze nam een tube uit de op de kaptafel opgestelde voorraad en spoot een gladde substantie in haar handpalm. Geroutineerd smeerde ze de zalf over haar gezicht uit. Met een spatel kitte ze de harde lijnen rond haar mond dicht. Ze voelde hoe haar rimpels volliepen en wachtte tot het folie gehard was. Na enkele minuten was het smeersel gestold, haar gegroefde huid werd omhuld door een plastic masker waarop ze een hard palet van kunstmatige pigmenten aanbracht.[…] Langzaam opende ze de ogen. In de spiegel was een lijkbleek bepoederd masker verschenen, beschilderd met de ongeremde opmaakkoorts van een travestiet. Boven haar ogen schitterden groene schelpen van watervaste verf, haar dunne lippen waren verdwenen onder brede banen hardroze lippenstift. Op haar schedel verhief zich een mangovormige koepel van dof blond kunsthaar die haar hoofd langzaam in haar romp drukte, een buitenmaats bouwwerk dat het dragen van een helm overbodig maakte en bioscoopbezoek anders dan op de achterste rij verbood. Nu ging ze vrijwel nooit uit, dus dit bezwaar had geen enkel gewicht.
Vader Harry doet geestdodend werk aan de lopende band, waarbij hij zijn ogen nauwelijks van de klok kan afhouden.
Het was negen over twee. Een dag als alle andere. Om de vijf minuten dwaalde vaders blik naar de klok, een frequentie die bij het naderen van de pauze werd opgevoerd totdat zijn ogen de kruipende wijzers niet meer loslieten. Vaak had hij het idee dat de tijd stilstond. Dan dwong hij zich om een uur of langer niet op de klok te kijken, maar als hij dan opkeek bleken er slechts minuten verstreken. De fabriek vormde een gat in de kosmos, een onverklaarbare doorbreking van de tijdsorde. Buiten zijn werkuren flitste het leven aan hem voorbij, maar tussen half negen en vijf sleepte de dag zich voort in een benauwende opeenvolging van minuten, eindeloze uren, een overstelpende tijdsmassa die hem elke ochtend bij het betreden van de fabriekshal verzwolg. […] Elf over twee. De klok had geen secondewijzer, om de minuut sprong de grote wijzer met een klein rukje voorwaarts. Vader was er zeker van dat hij een secondewijzer continu zou volgen in zijn tijdro-
vende baan om het uurwerk. Blind schoof hij zijn karton in de doos. […] De tekst op de etiketten had hij al honderden malen gelezen, in diverse hem onbekende talen. De in miljoenen groene flessen vervatte substantie betrof een universeel reinigingsmiddel, dat een veelvoud aan oppervlakken streeploos reinigde en een duurzame glans aanbracht. Deze eigenschappen werden al tientallen jaren bezongen door huisvrouwen over de gehele wereld, die gelukzalig door hun pijnlijk glimmende interieurs walsten. […] Dertien over twee. De wijzer tuimelde met een korte ruk voorover, veerde toen iets terug, alsof de tijd twijfelde tussen stilstand en vooruitgang, maar viel toen toch weer op zijn plaats. […] De wijzer sprong toch nog plotseling vooruit. De laatste minuut voor de pauze was ingegaan. Gedurende vijftien minuten zou de strijd met de tijd gestaakt worden, in de kantine heerste het normale aardse ritme. Gelaten wachtte vader de sirene af, die elk moment kon opklinken, maar nog een eeuwigheid verwijderd was.
Dochter Anja heeft een amoureuze ontmoeting in het fietsenhok.
Hij zat wijdbeens op zijn motor, gehuld in strakgespannen zwart. Onder de stof van zijn broek verborg zich een landschap van spieren, die in een traject van licht hellende banen tot zijn lendenen voerden. Op het kruispunt van zijn benen golfde een mysterieuze uitstulping. […] Dat hij haar uitverkoren had vervulde haar van trots. Twee stukken vlees, gekeurd en gewogen, bungelend aan hun vleeshaken, in afwachting van verdere verwerking. […] Ze slingerde haar blik in de zijne. Met weerhaken, als zij losliet zou zijn vlees uiteengereten worden, hij mocht slechts bestaan bij de gratie van haar blik. Als haar aandacht verslapte zou zijn geslacht verslappen, als zij zich afwendde vernietigde ze het object van haar verwondering. […] Ze rukte zich los en deed een stap achteruit. Verwilderd keek hij om zich heen. Ze glimlachte. Hij had haar nodig. Deze oermens, deze uitstalkast van mannelijke kracht, was op dit moment, op dit plein in deze stad, afhankelijk van haar toegeeflijkheid. Zijn begeerte maakte plaats voor verbazing om het plotseling afgebroken ritueel. Hij stamelde iets onverstaanbaars. Ze werd getroffen door zijn ontreddering, ze had op het juiste moment afgehaakt, hem in zijn zwakke plek getrapt.
’s Avonds thuis bezingt moeder het huiselijk geluk.
‘Wat hebben we het toch goed’, zei moeder terwijl ze haar gehaktbal aansneed. ‘Het toetje is nog een verrassing.’
Haar ogen vonkten van misplaatste voorpret. Een verrassing betekende custard met rozijnen, die zekerheid was na al die jaren wel doorgedrongen. Werktuiglijk begon men het kostelijke voer naar binnen te werken.
The manuscript that Suidman worked on in 1992 and 1993 contains many of the themes that later recur in his paintings: waiting, bored housewives, attempts at having a good time that are doomed to fail, dirty sanitary facilities – the dreadful sadness of our carnal existence. The manuscript even features a mask and an advertisement for soap, supposedly a harbinger of happiness. In some descriptions the painter Suidman is already clearly present. And in the tone the mother uses when she speaks to God, it is quite easy to hear an echo of Gerard Reve, whose work had formed the topic of Suidman’s thesis the year before.
The manuscript describes a couple of days in a traditional household: a father who goes to work, a bored mother, a son and a daughter who attend school.
The son Wim wakes up from a bad dream, looks out of the window and sees a world in which everyone basically lives the same life.
The row of houses across the street appeared at dusk, a wall of identical family homes, their doors and windows forming an infinitely repeated pattern of dark stains. Behind those shuttered windows, life lurked as a blank reflection of life on this side of the street. The same people, the same lives, the only change was aging and dying, to be replaced by new generations that were no different from the previous ones.
Mother picks some food from the previous evening’s dinner from between her teeth and gets up.
Slowly, tormented by headaches, she got up. ‘Thank you for this new morning, thank you for this new day,’ she squealed insincerely, ‘thank you for allowing me to come to you with all my worries. Pff.’ All her worries, wasn’t that too heavy a burden for the Lord this early in the morning? She quickly shook off this profane thought: it did not suit a simple housewife to question a conception whose inviolability almost surpassed her.
A little later, Wim sneaks into the bathroom.
He found himself in a narrow and humid room that pre— viously had only housed the toilet. The room had been converted into a bathroom after the demise of the public baths. To this end, connected to the kitchen boiler by a rickety system of pipes, a showerhead hung above the toilet bowl, and a toothbrush rack was attached beside the wash-
basin. After showering, the water left behind due to the sunken floor had to be mopped into the drain, where, because of a years-long defect in the odour control valve, it was replaced with an unnerving sewage smell. The walls were impregnated with the sickly odour of mould, a stench that had become inseparable from the domestic atmosphere. As he brushed his teeth, he emptied his bladder into the sink, an efficient way to complete both tasks simultaneously.
Wim greets his mother at breakfast.
Without any make-up, his mother looked like a faded watercolour. Her face was a shadowless plain of crumpled paper, etched with countless thin lines. The line that was her mouth tightened her cheeks into an austere mask; even when she laughed the furrows around her mouth drooped sadly. [...] Excessive use of cheap ointments and affordable household soap had leached her skin so much that Wim shivered when his mother touched her face with her hand. Her pale scalp was strewn with pigment spots of unequal size and was only partially covered by a few wisps of thin, colourless hair. Over her battered coiffure she had slid a transparent violent pink hairnet, which, like a light beacon, emphasised the drabness of her features. Her peignoir was of the same pale shade as the curtains and the tablecloth, and probably dated back to the same years when the newlyweds acquired their never-replaced household effects. The decay that obscured the interior like a fog had affected the house and its occupants to the same degree, causing the family to haunt the colourless rooms like a nest of chameleons.
Mother proudly announces how the butcher had been kind enough to let her buy three kilos of raw beef sausage for half the price.
She stood up, staggered to the refrigerator and took out a plastic bag adorned with laughing pigs. Her eyes glistened when she put a large package wrapped in shabby brown paper on the table. She clumsily fumbled it open and revealed the contents. A shapeless red mass oozed out with boundless joy, and the blood from this artisanal, quality-made product engulfed the red-and-white chequered pattern on the tablecloth. Wim stared in restrained horror at the shreds of sausage dangling from his mother’s hands like bulging wounds. ‘Three kilos,’ his mother cooed, ‘and it’s not even Sunday.’
Once everyone has left, mother prepares for her visitors who come to drink coffee every Monday at ten o’clock.
She looked at her watch. Almost half past nine, she had to hurry. She took a tube from the supply on the vanity table and sprayed a smooth substance into her palm. With a practised movement, she smeared the ointment on her face, and glued the hard lines around her mouth shut with a spatula. She felt her wrinkles fill up and waited for the paste to harden. After a few minutes the ointment had solidified and she started applying a range of harsh artificial pigments to the plastic mask that covered her grooved skin. [...] She slowly opened her eyes. Before her in the mirror a deathly-pale powdery mask emerged, decorated with the uninhibited make-up frenzy of a drag queen. Above her eyes shone green shells of waterproof paint, her thin lips had disappeared under wide bands of bright pink lipstick. On her scalp, a mango-shaped dome of dull, blond, artificial hair slowly squashed her head down into her torso. This elaborate structure made the wearing of a helmet unnecessary and would prohibit cinema attendance, other than in the back row. Now, she hardly ever went out so this objection carried no weight whatsoever.
Father Harry, engaged in mind-numbing work on the production line, can barely keep his eyes off the clock.
It was nine past two on a day like any other. Father’s gaze wandered towards the clock every five minutes, and with increasing frequency as the break approached, until his eyes were unable to let go of the clock’s creeping hands. He often felt that time had stood still. Then he would force himself to avoid looking at the clock for an hour or longer, but when he did look up it turned out only minutes had passed. The factory formed a hole in the cosmos, an inexplicable interruption in time. Life flashed by when he wasn’t at work, but between half past eight and five the day dragged on in an oppressive succession of minutes and endless hours, an overwhelming mass of time that swallowed
him up every morning as he entered the factory. [...] Eleven past two. The clock didn’t have a second hand; as each minute passed, the big hand skipped forward with a little twitch. Father was sure that if the clock had one, his eyes would be glued to the second hand as it made its sluggish circuit around the clock. He blindly inserted his piece of cardboard into the box. [...] He had already read the text on the labels hundreds of times, in languages he didn’t know. An all-purpose detergent, the substance that the millions of green bottles contained cleaned a multitude of surfaces without streaks and left a lasting sheen. For decades, housewives all over the world have celebrated these qualities as they waltzed happily through their blindingly shiny interiors. [...] Thirteen past two. The hand tumbled forward with a jerk, then bounced back a little, as if time had hesitated between stillness and motion, and then fallen back into place. [...] The hand suddenly twitched forward. The last minute before the break had begun. The battle with time would cease for fifteen minutes – in the canteen the normal earthly rhythm prevailed. Father, resigned to his fate, waited for the buzzer, which would resound at any moment, but was still an eternity away.
Daughter Anja has an amorous encounter in the bicycle shed.
He was straddling his bike, cloaked in black. The fabric of his trousers hid a landscape of muscles, a path of slightly sloping lanes leading to his loins. At the intersection between his legs, a mysterious bulge rippled. [...] That he had chosen her filled her with pride. Two pieces of meat, inspected and weighed, dangling from meat hooks, awaiting further processing. [...] She glanced into his eyes. If she let go, his flesh would be torn apart, he could only exist by the grace of her gaze. If her attention strayed, his bulge would soften, if she turned away she would destroy the object of her awe. [...] She pulled herself loose and took a step backwards. He looked around him wildly. She smiled. He wanted her. This primitive man, this display of masculine power, was at this very moment, on this square in this town, dependent on her indulgence. His desire gave way to astonishment because of the interrupted ritual. He stuttered something unintelligible. She was struck by his desperation, she had uncoupled at the right moment, kicked him in his weak spot.
In the evening, mother sings the praises of domestic happiness.
‘Oh, we are so very fortunate,’ said mother while carving her meatball. ‘Dessert is a surprise!’ Her eyes sparkled with misplaced anticipation. A surprise meant custard with raisins, which after all these years had become a well-known fact. Mechanically, they began to process the precious food.










Zo’n tweehonderd familieleden, vrienden en collega-kunstenaars van de Vlampijpateliers liepen vanmiddag in een processie naar de Werkspoorkathedraal, om afscheid te nemen van de Utrechtse kunstenaar Erik Suidman. Kunstwerken van Suidman werden meegedragen. © Marnix Schmidt
Onder grote belangstelling is vanmiddag afscheid genomen van de vorige week in India verongelukte Utrechtse kunstenaar Erik Suidman.
AD.nl, 12 januari 2018

In�deze�rubriek�elk�weekeinde�een�necrologie�van�iemand�die�recent�is�overleden.

Kunstenaar Erik Suidman (1964-2018) hield van het bombastische en pakte dingen groot aan.
In India was hij gelukkig. De overdaad en grootsheid van het land fascineerden de Utrechtse kunstenaar Erik Suidman, talloze foto s stuurde hij naar huis. Het was de vijfde keer dat hij India bezocht. Voor het eerst was zijn partner Fabian Galama ook mee. Op 2 januari gaat het mis. Met de trein zouden de twee vanuit de stad Sawai Madhopur naar Agra reizen. Als de trein zich in beweging zet, merken ze dat ze in de verkeerde trein zitten. Ze willen hun vergissing op ‘Indiase wijze’ herstellen, vertelt Galama: door uit de rijdende trein te springen. Galama komt goed terecht, maar Suidman valt en loopt een fatale hoofdwond op. Op een bepaalde manier paste zijn dood bij hem, zegt zijn zus Pauline. „Hij was als kind al roekeloos. Zag hij een boom met een uitstekende tak, dan klom hij erop. Tot de tak brak en Erik op de grond viel. Deze gedachte geeft een beetje troost aan de nabestaanden van de 53-jarige kunstenaar. Pas op latere leeftijd begon Suidman kunst te maken. De eerste dertig jaar
van zijn leven had hij naar eigen zeggen vermorst aan opvoeding en opleiding” Hij groeide op in een aantal dorpen, waar hij zich niet op zijn plek voelde. Zijn geboorteplaats Mijdrecht vond hij een „duf wederopbouwdrama Op school in Brabant, waar het gezin naartoe verhuisde toen Suidman acht was, voelde hij zich met zijn harde g en keel-r voortdurend anders dan zijn klasgenoten. Op een van de eerste schooldagen werd er poep aan het stuur van zijn fiets gesmeerd.
Op zijn negentiende verhuisde hij naar Utrecht, waar hij ruim tien jaar deed over een studie Nederlands. Intussen volgde hij cursussen, reisde hij en maakte hij veel vrienden in zijn nieuwe thuisstad. Suidman studeerde af op het werk van schrijver Gerard Reve en schreef een roman, waar hij volgens studievriend Roy van de Graaf nooit tevreden over was. Het manuscript moet nog op een van zijn vier computers staan. Toen hij het schilderen ontdekte, wat hij zijn ware bestemming noemde, stortte Suidman zich er vol in. Daarnaast bleef zijn liefde voor het Nederlands. Hij gebruikte graag bombastische
Van�winters�weer�is�ook�de�komende�vijf�dagen geen�sprake.�Vanaf�zondag�komt�de�temperatuur



taal, met veel lange woorden en mooie formuleringen. En altijd een kwinkslag of een element van humor. Zelfs in een simpel mailtje gebruikte hij prachtige zinnen, met humor en cynisme vertelt vriendin Lou Vos, die hij kent uit de Vlampijpateliers waar hij schilderde. Zijn grote liefde vond Suidman in Fabian Galama. De twee mannen ontmoetten elkaar op een warme zomerdag op het perron in Zandvoort, toen hun trein vertraagd was. Ze waren vijftien jaar samen. Sinds tien jaar woont Galama in Edinburgh. Ook Suidman verhuisde daar tijdelijk naar toe, maar zijn werk sloeg er niet aan. Galama was de eerste en enige man op wie Suidman verliefd werd, zegt studievriend Van de Graaf. Suidman kwam pas uit de kast op zijn 37ste, nadat hij Galama had ontmoet. Daarvoor woonde hij lange tijd samen een vrouw.
Erik Suidman was gul en behulpzaam, zeggen zijn vrienden. Van de Graaf: Als je bij hem kwam eten, maakte hij er een groots diner van, al had hij geen cent te makken. Het liefst pakte hij alles groots aan. Dat was ook te zien aan zijn grootste expositie, eind 2015. In de Utrechtse ga-
Erik�Suidman op�zijn grootste�expositie�in�2015. Tijdens�het�schilderen kan�ik�doormaken�wat�degene�die�ik�portretteer d�o�o�r�m�a�a�kt�.� FOTO�MARNIX�SCHMIDT
Zijn schilderijen hoefden niet per se geschikt te zijn om boven de bank te hangen
lerie Kunstliefde toonde hij zo n 1.300 portretten, allemaal op hetzelfde kleine formaat. Die grote portrettenproductie begon als vingeroefening, of om te experimenteren met nieuwe technieken. Een soort tussendoortjes bij het gewone schilderwerk. Op het hoogtepunt schilderde Suidman zes portretjes per dag. Al snel hing zijn hele atelier er vol mee, wat directeur Marion Wagenvoort van Kunstliefde op het idee bracht er een expositie van te maken. Het plan was aanvankelijk om 2.000 portretten in de galerie te tonen – dat bleek onhaalbaar. In zijn schilderijen zijn vaak heftige emoties te zien, slagerijscènes met veel bloed, depressieve clowns. Weinig vrolijke beelden. Studievriend Van de Graaf: Ik ben nog steeds verbaasd dat dat eruit kwam, terwijl hij zelf vrolijk was. Blijkbaar vond hij dit spannend. Volgens Vos vond Suidman het ook fascinerend om te tonen wat mensen liever verbergen. Misschien, oppert zus Pauline, speelde ook zijn voorliefde voor Gerard Reve een rol bij de groteske figuren en uitgesproken emoties die hij schilderde. „Tijdens het schilderen kan ik doormaken wat degene die ik portretteer doormaakt , vertelt Suidman zelf in een
videoportret dat naar aanleiding van de expositie werd gemaakt. Zo’n hele muur vol gezichten doet hem dan weer niets. Dat wordt voor mij echt behang. Ik zie een soort kleurenbrij en verder niets.
S uidman maakte ook een goed verkopende serie portretten van koeien. Toen hem werd gevraagd daar meer van te maken, weigerde hij. Hij wilde zijn eigen werk niet commercieel uitbuiten. Zijn schilderijen hoefden niet per se geschikt te zijn om boven de bank te hangen. Bij het maken van de honderden portretten experimenteerde Suidman met allerlei materialen, technieken en stijlen. Na de expositie maakte hij nog een aantal series in zijn oorspronkelijke stijl, maar hij wilde eigenlijk op zoek naar een nieuwe. Alleen nog één serie afmaken, en even op reis. Naar India. Na zijn dood kwam Suidman nog even terug in zijn atelier. Hij lag er opgebaard, terwijl collegakunstenaars waakten. Op 12 januari werd zijn kist in een processie naar de naastgelegen Werkspoorkathedraal gebracht, een voormalig fabriekspand, waar het afscheid werd gehouden. Zijn schilderijen werden meegedragen.
Deze�zaterdag�is�het�overdag�droog.�Wolkenvel den�laten�soms�ruimte�toe�voor�de�zon.�Zater dagmiddag�is�het�maximaal�7�tot�9�graden.�De zuidwestelijke�wind�neemt�geleidelijk�toe,�om zaterdagvond�langs�de�kust�hard�te�worden,�7 Beaufort.�Tegen�die�tijd�trekt�een�regenfront�van west�naar�oost.�Het�front�is�gekoppeld�aan�een actieve�oceaandepressie�die�zondag�naar�het zuiden�van�Zweden�trekt.�Komende�nacht�en morgenochtend�volgen�enkele�opklaringen
C�O�LO�FO�N NRC�Media�BV Hoofdredacteur:�Peter�Vandermeersch
Vragen,�opmerkingen�of�suggesties?�Stuur�een mail�naar�redactie@nrc.nl�of�ga�naar�nrc.nl/contact. Postadres:�Postbus�20673,�1001�NR�Amsterdam,
Reageren�op�artikelen�uit�de�krant?�Stuur�dan een�ingezonden�brief�van�maximaal�250�woorden




Suidman is commemorated at Peter van
where he worked a few days a week.
Members of Kunstliefde pose in front of Suidman’s work on 11 March 2018.






Het Centraal Museum in Utrecht koopt twee werken van Suidman aan en krijgt twee andere werken geschonken. De Kunstuitleen neemt vijf werken op in de collectie.
The Centraal Museum in Utrecht bought two of Suidman’s paintings and another two works were donated. The Kunstuitleen added five works to its collection.








In de Vlampijpateliers wordt een opslag gemaakt voor zijn werk en archief.
Alle werken van Suidman worden onderzocht en geordend. Ze krijgen een stempel, met zijn naam in zijn eigen karakteristieke kapitalen-handschrift, en een nummer.
Half maart 2018 is er een crowdfunding-weekend in Suidmans atelier. Het streefbedrag, voor de financiering van dit boek, wordt datzelfde weekend al gehaald.
Dit boek verschijnt op 5 oktober 2019, de dag dat Erik Suidman 55 jaar zou zijn geworden, tegelijk met de opening van een expositie in KuuB, Ruimte voor Kunst en Cultuur, te Utrecht.
A depot was created in the Vlampijpateliers for his work and archives.
All of Suidman's works were investigated and arranged. They were stamped with his name in his own characteristic capital letters, and numbered.
A crowdfunding weekend was held in Suidman’s studio in mid-March 2018. The target amount, used to finance this book, was raised that very same weekend.
This book was published on 5 October 2019, the day Erik Suidman would have turned 55, and coincided with the opening of an exhibition of his works at KuuB, Ruimte voor Kunst en Cultuur, in Utrecht.


Samenstelling Fabian Galama, Roy van de Graaf, Lou Vos
Teksten en research Roy van de Graaf
Essay Jaap Röell
Vertaling Babice Dams, Mark Poysden
Ontwerp Fabian Galama, Lou Vos
Beeldresearch Het lijden der mensheid Laetitia Galama
Technische realisatie en advies Joyce Dekker, Miranda de Groot, Twin Media bv Druk Publishers Services, Rudo Romijnders
Uitgever BigBusinessPublishers, Donald Suidman
De meeste reproducties van de grote schilderijen zijn gemaakt door Norbert Waalboer. De werken op pagina 72, 79, 111 en 230 zijn vastgelegd door Theodor Asoltanei, terwijl op pagina 187 een reproductie staat die is gemaakt door Ruben de Heer en op pagina 139 een van Paul Gilling. Een enkele reproductie is gemaakt door de samenstellers van dit boek. Voor de reproducties van de kleinere werken (Het lijden der mensheid) hebben we veelal gebruik gemaakt van reproducties die Erik Suidman zelf heeft gemaakt.
De meeste foto’s in de redactionele hoofdstukken aan het eind van het boek zijn afkomstig van vrienden en familieleden van Erik Suidman. Foto’s pagina 302, 304, 305 en 314/315 © Marnix Schmidt. Foto pagina 287 uiterst rechts © Sjaak Ramakers. Foto’s pagina 266/267, 270, 271 en 290 (links) © Henk Pijnenburg. Foto’s pagina 248, 249, 250/251, 252, 253 © Luuk Huiskes. Foto’s pagina 291 links en pagina 292 stills uit de video Portret, PP Producties (Peter Paul van der Houven).
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, door middel van druk, fotokopieën, geautomatiseerde gegevensbestanden of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Beeld omslag voorzijde Tony Macaroni
Beeld pagina 2 Abstract 24 x 18 cm (deel van een shirt/poetslap)
Beeld omslag achterzijde Tafelblad atelier
© 2019, BigBusinessPublishers / familie Suidman
ISBN 9789491757853
NUR 641
BISAC ART016030
Met dank aan iedereen die op de een of andere manier heeft bijgedragen aan de totstandkoming van dit boek: de crowdfunders en iedereen die heeft geholpen met praktische ondersteuning of door het aanleveren van informatie en/of beeldmateriaal.
Composition Fabian Galama, Roy van de Graaf, Lou Vos
Texts and research Roy van de Graaf
Essay Jaap Röell
Translation Babice Dams, Mark Poysden
Design Fabian Galama, Lou Vos
Image research The Suffering of Mankind Laetitia Galama
Technical realisation and advice Joyce Dekker, Miranda de Groot, Twin Media bv Printing Publishers Services, Rudo Romijnders
Publisher BigBusinessPublishers, Donald Suidman
Norbert Waalboer made most of the photographs of the large paintings. Theodor Asoltanei photographed the works on pages 72, 79, 111 and 230, while Ruben de Heer made the photogragh on page 187 and Paul Gilling the one on page 139. Some photographs were taken by the compilers of this book. Erik Suidman took most of the photographs of the smaller works (The Suffering of Mankind).
Most of the photos in the editorial chapters at the end of the book were provided by Erik’s friends and relatives. Photos pp. 302, 304, 305 and 314/315 © Marnix Schmidt. Photo p. 287 on the far right © Sjaak Ramakers. Photos pp. 266/267, 270, 271 and 290 (left) © Henk Pijnenburg. Photos pp. 248, 249, 250/251, 252, 253 © Luuk Huiskes. Photos pp. 291 (left) and 292 stills from the video Portret, PP Producties (Peter Paul van der Houven).
All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, distributed, or transmitted in any form or by any means, including photocopying, recording, or other electronic or mechanical methods, without the prior written permission of the publisher.
Image front cover Tony Macaroni
Image page 2 Abstract 24 x 18 cm (part of a shirt / cleaning cloth) Image back cover Table top from his studio
Thanks to everyone who contributed in one way or another to the creation of this book: the crowdfunders and everyone who provided practical support, information and/or photos.
Dorothe Arts, Mieke Bakker, Jappe Beekman, Thomas Belyea, Indra van den Berg, Mariaan van den Berg, Petra Berghorst, Renata Berk, Geertje Blok, Marja Bosma, Ellen Broens, Magiel de Bruijne, Hedwig Conradi, Denise Crul, Mike Derks, Hanne Devries, Patrice Dijkman, Rita van Ditzhuijzen, Roeland Dobbelaer, Vivienne Doeland, Annelies Douze, Jolanda Drukker Murray, Mischa van Dullemen, Joost van den Einden, Chris van den Elzen, Kim van Engelen, Donald Fleming, Willy Friedeman, Angela Galama, Ivo Galama, Gaudia Galama, Lidewij Galama, Willemien Geenen, Nel Griffioen, Sarah Gunti, Peter Hazen, Roos van der Heiden, Eva den Heijer, Wies Hesselink, Sebastiaan d’Hont, Peter van der Horst, Peter Paul van der Houven, Denise Hulst, Reny de Jong, Elisabeth Kaldeway, Harold van de Kamp, Miriam van Kampen, Jessica Kersting, Wim Koster, Miriam Kraan, Mieke Kuijper, Jolanda Lafèbre, Jacqueline Laimböck, Diana van der Ley, Annick van Lookeren Campagne, Ron Massey, Gerco Meijer, Marie Christine Meijer, Paula Mommersteeg, Ros Oscar, Phil Pijnenburg, Sander Polderman, Marit Postma, Nienke Reehorst, Caroline Roessingh, Robert Roest, Con Sadée, Tijn Sadée, Thomas Sadée, Bethany Le Sager, Joleen Schipper, Lars van Sigtenhorst, Ellen Sillekens, Didi Steen, Ilse Stijntjes, Nard Stoks, Pam Suidman, Pauline Suidman, Therese Suidman, Lieke Tripaldelli, Jessica Tummers, Ramon Verberne, Arien van Veen, Marloes van Verseveld, Marion Wagenvoort, Manon van der Wal, Kim de Weert, Inge Zeelen.
