Skip to main content

707_Ego Documenta | Felix de Rooy

Page 1

VISUAL ARTS

VISUAL ARTS

Felix René de Rooy

THEATER

Felix de Rooy is een ‘renaissance man’. Een briljant beeldend kunstenaar maar ook een gepassioneerde film- en theatermaker, tentoonstellingsmaker, opiniemaker en dichter. Hij is een van de oprichters van Theater Cosmic in Amsterdam. Werkend vanuit zijn Surinaamse-, Antilliaanse en Nederlandse roots is hij voortdurend op zoek naar de universele kern van het bestaan.

Felix de Rooy is zowel nationaal als internationaal meerdere malen bekroond voor zijn werk.

Felix de Rooy

FILM

visual art | theater | film | exhibits | portraits | writings

Hij heeft zichzelf meermaals getypeerd als koloniaal orgasme, als buitenechtelijke bastaard geschrapt uit het Europese Testament: “Zo ontsnap ik de gevangenis van genetische en historische identiteit. Gevlucht naar het mythische land van La Race Mélangée: het Niemandsland van het vuilnisbakkenras. The Invisible Race dat zich - met een door onderdrukking en twijfel gesnoerde mond - grenzeloos en anarchistisch vermenigvuldigt. Onderhuids en tussen de lakens, tegen raciale ontkenning en nationale afstoting in.”

THEATER

T he test ament of my ego in the museum of my mind FILM TENTOONSTELLINGEN

Felix de Rooy visual art | theater | film | exhibits | portraits | writings

EXHIBTIS

EXHIBTIS


The testament of my ego


in the museum of my mind Felix de Rooy visual art theater film exhibits portraits writings


Colofon ego documenta

The testament of my ego in the museum of my mind Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van:

Mondriaan Stichting Nederland

Fundashon Bon Intenshon Curaçao

Garden of Eden Suriname

www.voordekunst.nl Nederland

KIT Publishers

Postbus 95001 / 1090 HA Amsterdam E-mail: publishers@kit.nl Website: www.kitpublishers.nl © 2012 KIT Publishers — Amsterdam / Felix de Rooy — Amsterdam Beeldresearch: Barbara Martijn en Felix de Rooy Essays: Stefan van Raay, Jennifer Smit, Charl Landvreugd, Reece Aguiste, Barbaro Ruiz Martinez, Willy Westermann, Glenn Helberg, Ruben San a Jong Foto omslag: Foto’s beeldende kunst: Kirk Claes Barbara Martijn & Felix de Rooy Redactie: René Wissink (www.atelierargos.com), Deventer Vormgeving: High Trade BV, Zwolle Lithografie & druk: Met dank aan: Marguerite de Rooy, Patricia B. , Alan Hazel & family, Carl van der Meulen, Anna Oltheten, René Metsh, Mark Walraven, Jean van Lingen, Ana de Velde Harsenhorst, MTNL Amsterdam, Gregory E. Elias.

In dit boek kunt u via QR Codes met uw smartphone of tablet extra informatie vinden in de vorm van beeld en geluid via het YouTube kanaal van Felix de Rooy. QR Readers: www.i-nigma.com | www.beetagg.com YouTube kanaal Felix de Rooy - http://bit.ly/PkQftr

De redactie heeft zijn uiterste best gedaan de rechthebbenden van alle foto’s te achterhalen. Degenen die desondanks menen dat dit naar hen toe niet is gebeurd, worden verzocht contact op te nemen met de uitgever. ISBN 978 94 6022 209 2


Inhoud Inleiding / Introduction

6/7

Visual Art / Beeldende Kunst

Essay | Stefan van Raay Essay | Jennifer Smit Early years Psycho-realisme, 1969-1973 Curaçao, 1973-2007 Essay | Charl Landvreugd Wandkleden / Tapest0ries Assemblages

12 14 22 66 70

Theater

Essay | Willy Westermann Ceremonia di siglo xx Mama Korsou i su yu sin trabaw E dos Krianan Desiree Lippenschrift Een nacht nu Voor vrouwen.... Mirage Josaphat The Human Voice Dans, dans dan! 00

9

10 11 34 48

48 Being happily reborn; notes on being Felix 80 Collages 86 Digital Collages 00

96 98 100 102 104 106 108 110 112 114 116

00 00 93 10 Jaar Cosmic Illusion 94 Zeg de zee vaarwel 118 4d for Thee 120 Marival 122 Montezuma’s Revenge 124 De dood en het meisje 126 Jörgen Raymann 128 Duet/Duel 130 Earthlinks 132 De kleur van Droes 134 De schaduw van goedheiligman 136 137 Battle: Sapeurs du Congo 00

142 144 146 148

Antillean Cinema in the Absence of Ruins: the Case of Felix de Rooy Almacita di Desolato Ava & Gabriel Muhe Frida Boy Ecury

Film

Essay | Reece Auguiste Every Picture tells a Story Apo-Clypse Tur kos bon na New York Desiree

Felix de Rooy: the Caribbean Cocteau Tikkun Olam Suriname, 2000-2010 Nederland, 1982-2010

139 140 150 154 158 160

Exhibits / Curator Tentoonstellingen

163

Portraits

190

Wit over Zwart (Negrophilia) Influences De erfenis van slavernij - Nederland 2003 De erfenis van slavernij - Curaçao 2006 De erfenis van slavernij - Suriname 2007 Pictures of Felix de Rooy

Writings

Columns | Felix de Rooy

164 168 170 174 175 190

Ego Documenta Savonet Museum Kunst van overleven Antepasado di Futuro

00 00 Memento Mori | Felix de Rooy

Nomade in niemandsland: Kroniek van een koloniaal orgasme

176 180 184 188

196

198 198


INLEIDING 6

Als erfgenaam van het koloniaal orgasme, als buitenechtelijke bastaard geschrapt uit het Europese Testament, ontsnap ik de gevangenis van genetische en historische identiteit. Gevlucht naar het mythische land van La Race Mélangée: het Niemandsland van het vuilnisbakkenras. The Invisible Race dat zich - met een door onderdrukking en twijfel gesnoerde mond - grenzeloos en anarchistisch vermenigvuldigt. Onderhuids en tussen de lakens, tegen raciale ontkenning en nationale afstoting in. Het dolende ras, geboren uit conflict en confrontatie, nieuwsgierigheid en herkenning, tederheid en intimiteit. Haar kinderen zijn niet langer twijfelende, kwijnende halfbloedjes die lijden aan een chronische identiteitscrisis, maar mutanten met dubbel- en multibloed dat mengt en voedt. Multi-moksi-meti’s, engelen van gemengd vlees. Ooit kunnen zij de aarde voor uitzichtloze volkerenmoord behoeden. May all humans be brothers, want alle rassen zijn in ons klaargekomen. In mijn bloed stromen samen: Amazone indianen, Afrikaanse slaven, slavenhouders en abolitionisten uit Nederland, Duitsland, Frankrijk en Portugal. In mijn hart is de strijd om raciale en culturele identiteit voorbij. Beslecht door generaties spermatozoön en eicellen ben ik bevrucht, volgroeid, uitgeperst en gebaard: een verse vreemdeling op aarde. Ik word verscheurd door seksen, rassen, culturen en religies, die door mijn bloed razen, kokend opborrelen in koortsdromen en visioenen. Ik verlang naar heling van de historische pijn tussen mijn indiaanse overgrootmoeder en haar Europese verkrachter. Ik voel het dreigende zwijgen tussen mijn Afrikaanse grootmoeder en mijn Europese grootvader, een wapenstilstand tussen schaamte en begeerte, schande en schuldgevoel. Ik lees de Bijbel en Xaviera Hollander, poets mijn Benetton-bewustzijn op en slurp Max Havelaars solidariteitskoffie uit Delfts blauwe kopjes. Ik ben me bewust van mijn kwetsbaarheid, mijn gemengde identiteit. Wier Neerlands bloed door d’aadren vloeit, van vreemde smetten vrij. Een tirannieke litanie ontkent mijn gemuteerde genen. Van schaamte bevrijd, vlieg ik op de vleugels van mijn gekleurde diversiteit. Uit de schimmen van een geleden strijd, ontrafel ik verworven tederheid.

FELIX DE ROOY Amsterdam (1995)


INTRODUCTION As the hidden heir to the colonial orgasm, as the extramarital bastard exorcised from the European testament, I escape the prison of genetic and historical identity. I became a refugee in the mythical country of the mixed race, la race mélangée, the no man’s land of the mongrel race. The invisible race of creolité, who despite lips chained by oppression and fear, multiplies beyond all border lines with the heartbeat of anarchy. Beneath the skin and between the sheets against the tide of racial exclusion and nationalistic rejection.

7

The wandering race, born from conflict and confrontation, curiosity and recognition, tenderness and intimacy. Its children are no longer insecure, self-effacing half-breeds suffering from a chronic identity crisis. They have blossomed into mutants with double and multi blood that fuses and nurtures. Multi-mixed mutants, angels of fused flesh infusions. One day, they will save the world from the apocalypse of mutual genocide. May all humans be connected for all races have come inside us. In my bloodstream collide Amazon Indians, Africans enslaved, slave masters and abolitionists from the Netherlands, Germany, France and persecuted Jews from Portugal. My spirit has traveled beyond battlefields of racial and cultural confrontation. Molded by generations of male sperm invading female egg cells I was fertilized, nurtured, full grown, squeezed, pushed out and given birth to a fresh nomad in no man’s land. I am torn asunder by the sex, race, culture and religion pulsating through my veins, boiling my blood in feverish visions. I long to heal the historical pain between my Amazon ancestor and her European rapist. I feel the threatening silence between my African and Western ancestors, an armistice between shame and desire, lust and guilt. I read the Bible and surf on waves of internet porn, I polish up my Benetton consciousness and sip Fair-trade coffee from Delft blue porcelain cups. I am conscious of my vulnerability, my mixed identity, my hybrid bloodline stained by alien cultures. The tyranny of hypocrisy and the litany of cultural schizophrenia reject my mutated genealogy. Freed from mutilating shame I take to the sky on wings of colored diversity. From the shadows of colonial history I extract the tenderness of my universal destiny.

FELIX DE ROOY Amsterdam (2012)

Felix de Rooy & René Wissink | Family Tree Digitalprint on Canvas (Ego Documenta 2004)


Self-Portrait Indian Ink on Paper (1968)


Visual Art Beeldende Kunst Felix de Rooy: the Caribbean Cocteau

9

10

Essay | Stefan van Raay

Tikkun Olam

11

Essay | Jennifer Smit

Early Years

12

Psycho-realisme

14

Curaçao, 1973-2007 16 Suriname, 2000-2010 34 Nederland, 1982-2010

48

Being happily reborn; notes on being Felix

64

Essay | Charl Landvreugd

Wandkleden

66

Assemblages

70

Collages

80

Digital Collages

86


Felix de Rooy: the Caribbean Cocteau 10

When I look at Felix de Rooy’s creative work- the visual art, the theatrical and cinematographic productions, the curatorial projects- I consider the work of a multi-faceted Caribbean artist who works in a wide range of different media. The boundaries between the different art forms are fluid and not as strict as they often have become in the art world. From an art critical perspective this fluidity is problematic because there is a tendency to put artists in neatly labelled categories defined by medium and method. Apparently it is forgotten that artists like the Frenchman Jean Cocteau, the Austrian Arnold Schoenberg or the Chilean Alejandro Jodorowsky embraced different art forms to express themselves. In De Rooy’s case an evaluation of his artistic achievements is not complete without taking his whole oeuvre into account including the films, theatre productions and curatorial projects. In that sense he has to be regarded in the same way as Jean Cocteau, who was as multi-talented and himself a great example for De Rooy. De Rooy does not hesitate to quote or use the imagery of the great names in European art history and incorporate this boldly into his work reflecting the heritage of the former colonising European mother country, in this case the Netherlands. But being a mixed race child of Surinam and the Netherlands Antilles other elements play an equal role: the pre-colonial and indigenous cultures of those countries, the racial and cultural mix of today and the vibrancy of folk art and craft are important elements in his work. The formal process of making art is not an aim in itself, it is the story or message that is more important than the means to achieve this, which perhaps explains why De Rooy is not afraid to explore different art forms. De Rooy’s earlier paintings, drawings and other two-dimensional work are influenced by late 19th-early 20th century artists like Aubrey Beardsley, Toulouse-Lautrec and Jan Toorop, who were all re-discovered in the Swinging Sixties. Their work or style found its way into design, fashion and youth culture and the young De Rooy not only lived through that now mythical and hedonistic time but also adapted these artists’ style into his own work. Also, the similarities with Cocteau’s style clearly show the Frenchman’s influence on De Rooy, who has continued to work in this linear, symbolistic approach. In De Rooy’s subject matter the European traditions in art are apparent: Greek myths, the Madonna and Child and other Roman Catholic subjects, and direct quotations from Leonardo are all feature in his oeuvre. They are proof of De Rooy’s highly intellectual upbringing and European education. But that is just one side of the story. De Rooy is rooted in the complex history of different races and cultures in the former Dutch slave trading colonies in the Caribbean and he refers back to the pre-colonial cultures and religions, the brutal conquest by the colonisers and consequent introduction of new religions and a new class system dominated by white Europeans and slavery. The heritage of three centuries of colonial rule is evident all over the Caribbean today. When one combines within oneself traces of the white European ruler, the black African slave, perhaps the indigenous Surinam Indian, the indentured South Indian or Javanese labourer, the range of subject matter, stories and emotions is limitless. In De Rooy’s case his open homosexuality from an early age on has added even more to the many different aspects to the man and the art itself. However brutal or poignant the subject of a work may be, it is mainly expressed in colourful, dreamlike, sensual imagery in which the human or mythological figure often takes centre stage. In his paintings and drawings De Rooy reveals himself as a dreamer and a creator of his own mythological world, perhaps surprisingly less militant than in his cinematographic, theatre and curatorial projects.

Stefan van Raay

Director of Pallant House Gallery, Chichester, United Kingdom April (2012)


Tikkun Olam Als ik naar het werk van Felix kijk en de persoon van Felix in ogenschouw neem, dan moet ik direct denken aan wat in het Hebreeuws wordt genoemd Tikkun Olam, letterlijk vertaald in het Engels: ‘Repair the world’ of poëtischer vertaald ‘Mend the world’. Het verbeteren en het herstellen van de wereld. Bij het concept van Tikkun Olam gaat het erom de wereld te verbeteren waardoor de goddelijke aspecten van gerechtigheid, medeleven en vrede op aarde zichtbaar zullen worden. Dit concept werd in de zestiende eeuw geïntroduceerd door de rabbijn en kabbalist Isaak Luria (1534 – 1572). Volgens Luria was God bij de schepping niet in staat het goddelijke licht geheel over te brengen. Zo bleef er voor de stervelingen op aarde nog het een en ander over om te repareren en te herstellen.

Een levenskunstenaar en een kunstenaar van het leven par excellence. Jazeker, een levenskunstenaar en een kunstenaar van het leven. Felix voert ons met zijn beeldende kunst mee in de krochten en gangen van zijn eigen creativiteit, levensfilosofie en persoonlijke lotgevallen. Ook die zijn niet te kadreren of in een hokje of vakje te proppen. Net zo multigefacetteerd als zijn persoon is, is zijn beeldende kunst. Niet één stijl, maar verschillende stijlen die hij steeds bezigt, afhankelijk van het onderwerp. En die onderwerpen en thema’s zijn gevarieerd, wisselend en van uiteenlopende dimensie en aard, zoals het leven zelf.

Het is volgens Luria aan de mens om hieraan bij te dragen. En beeldende kunst kan volgens mij daarin een belangrijke rol spelen. Met name de beeldende kunst van Felix. Door ons te wijzen op onze zwakheden en onze beperkingen en onze fragiliteit, en dat wij allemaal sterfelijk zijn en dat ons verblijf op aarde slechts tijdelijk is. Maar ook op onze spiritualieit, onze verbeelding en onze creatieve kracht. Felix is een kosmopoliet, een homo universalis. Voor hem zijn er geen grenzen. En eigenlijk ook geen landen. De wereld is zijn woonplaats en hij put uit de hele aardbol, cross culture and cross time. Felix heeft dat wat ik zou willen kenschetsen als een wereldziel. Hij schakelt leven en kunst aan elkaar, zoals in zijn eigen persoon alle kunstvormen zijn samengevloeid. Hij overbrugt kloven en slecht barrières waar dat op het eerste gezicht onmogelijk leek. Binnen de Caraïbische context heeft hij als beeldend kunstenaar door zijn authentieke, artistieke credo een unieke positie ingenomen die jammer genoeg nog niet voldoende onderkend wordt en op zijn merites wordt beoordeeld.

Een van Felix’ meest pregnante uitspraken is zonder enige twijfel: ‘Alles is verloren – tot Abel wordt herboren - de herinnering vergeet’. Hij herinnert ons hiermee aan wat wij stervelingen met ons meedragen, de eerste broedermoord. Een gegeven dat tot nadenken stemt. Hoe gaan we daarmee om? En hoe kunnen we daar iets aan doen? Uit de Griekse mythologie toont hij ons in het schilderij ‘Icarus descending’ de overmoed van Ikarus: Ikarus die de raad van zijn vader Daidalos niet opvolgde en te dicht bij de zon ging vliegen en zo naar beneden viel. En in het wandkleed ‘Return of Ulysses’ dat in samenwerking met Mieke Soemodihardjo tot stand is gekomen, het overspel van Odysseus’ vrouw, dat de Griekse held ontdekte na omzwervingen over de gehele wereld. Maar ook zijn eigen, intrigerende spiritualiteit deelt Felix met ons: zoals bij de kunstwerken ‘The Inner Messaiah’, ‘River Spirit’, ‘Forest Spirit’, waarbij hij tegelijkertijd het lichaam en de lichamelijkheid van de mens bejubelt in deze weergaloze schilderijen. Een eigen en zeer persoonlijke versie van deze techniek van ‘body prints’ die de Franse kunstenaar Yves Klein (1928-1962) in de vorige eeuw initieerde.

Felix is een bijzonder mens, multigetalenteerd en multidisciplinair. Want hij is niet alleen beeldend kunstenaar, maar ook dichter, schrijver, theatermaker, filmmaker, regisseur en curator. Hij is niet in een vakje te plaatsen en niet onder een noemer te vatten. Dat is zijn ex huberante en veel omvattende vermogen. Zijn persoonlijke visie is er een die gebaseerd is op het leven hier op deze soms roerige, pijnlijke en dan weer wonderschone wereld en daar put hij zijn kracht en zijn inspiratie uit.

Tevens snijdt Felix eeuwenoude ‘klassieke’ relaties aan als die van de kunstenaar met zijn muze, en evenzo die van de tovenaar met zijn leerling. Maar ook in de spirituele wereld van de Caraïbische regio vindt hij een inspiratiebron. Zoals de tekening ‘Ingi Winti’, als eerbetoon aan de Surinaamse indianen en de ‘Tres Potencias’ (de drie krachten) van de Cubaanse santería, die de inhoudelijk leidraad zijn geworden van de tentoonstelling Antepasado di Futuro, die in 2010 in het Curaçaosch Museum werd gehouden.

De assemblages van Felix zijn exquise kunstobjecten. Ook in deze kunstvorm die zijn samengesteld uit ready mades uit alle denkbare culturen, etaleert Felix op overtuigende wijze dat hij het ‘métier’ van ‘assembleur’ meester is. De kunstwerken hebben niet alleen een intrigerende visuele schoonheid maar zijn vooral getuigenissen van meervoudige gelaagdheden die exemplarisch zijn voor zijn passie en betrokkenheid bij bijvoorbeeld het slavernijverleden. Hij maskeert de nog heersende pijn van deze gruweldaden uit het koloniale verleden niet maar breekt juist een lans om deze zwarte pagina uit de geschiedenis van de mensheid bespreekbaar te maken in al haar nuances, die zo vaak weggemoffeld worden. Felix’ visie op het onderwerp van de multiculturaliteit is gebaseerd op inclusion van alle etniciteiten en niet op exclusion van bepaalde bevolkingsgroepen die in het huidige tijdsgewricht niet politiek correct zouden zijn. ‘Eigenlijk is iedereen multicultureel’, vertelde hij mij onlangs. En daarmee raakt hij op eigenzinnige wijze de kern van deze zaak die in vele samenlevingen aan de orde van de dag is en een ‘problematisch’ gegeven is geworden. Het begrip multiculturaliteit heeft in de loop van de jaren scherpe kanten gekregen, zou gefaald hebben en maar al te vaak en te graag worden wezenlijke gegevens ervan genegeerd en de culturele invloed van bepaalde etnische groeperingen vergeten. Geijkte parameters worden dan ook in Felix’ gedachtegoed resoluut van de hand gewezen. Zijn kunstwerken ademen een sfeer van totale inclusion: alles komt bij elkaar op een harmonieuze manier, alsof het altijd zo geweest is. Door parallellen tussen alle culturen te trekken en die culturen in hun eigen waarde te laten, botsen deze niet meer. Er ontstaat een soort natuurlijke flow, een beeldend amalgaam van allerlei culturele diversiteiten die de gehele mensheid heeft voortgebracht. Dat artistieke panorama is karateristiek en wezenlijk voor de beeldtaal van Felix. Daarbij draagt hij met zijn intrinsieke credo als kunstenaar ook nog eens op poëtische en overtuigende wijze bij aan het Tikkun Olam.

Jennifer Smit

Curaçao, juli 2012

11


Early years 1964-1968 12

The Dilemma Aquarel & Ink on Paper (1965)

Munch’s Echo Acrilic on Board (1966)


GENESIS For you touched What was me Found out who I am A small reflection Of what you are So you can never be Completely lonely Again

13

Suriname (1969)

Ego & Super Ego Ecoline & Indian Ink on Paper (1966)

Life Cycle Indian Ink on Paper (1968)

4


Psycho-realism 1969-1973 14

The Trip Paint Marker on Paper (1971)

Portrait of Yusara Silkscreen (1971)


15

Young Soul Prophet Paint Marker on Paper (1970)

Revelations of the Mind

Hybrid Insemination

Paint Marker on Paper (1970)

Paint Marker on Paper (1971)


16

Beware in Belfast. Watercolour and pastel (1973)

The Shamans Quest Watercolour and pastel (1972)


17

Paranoia

Watercolour and pastel (1972)


18

The Magic Touch Lithography (1972)

Study in Inconsequence Lithography (1973)


19

Carry on Lithography (1972)


20

A Woman on the Bridge Lithography & Color Pencil (1973)


21

The Unification Lithography (1974)


Curaçao 1973-2007 22

Facing the Future Oil on Canvas (1975)


Kharma on Curaçao Oil on Canvas (1976)


24

Resurrection

Oil on Wood (1983)


The Temptation of St. Anthony

Oil on Wood (1975)


26

The End of Love

Oil on Canvas (1978)


27

Visions of Rosemary

Oil on Canvas (1976)


28

Spirits of the Ancestors

Pencil on Paper (1979)


29

The Dawn of independence

Indian Ink on Paper (1977)


1 Ego & Super Ego 1966 Ecoline & Indian Ink on Paper

The Roots of Fertility Etching (1976)


31

Bicentenial Angel Silkscreen (1976)


2 Life Cycle 1968 Indian Ink on Paper

32

Bula un Banda Acrilic on Canvas (2007)


34

SunStroke

Oil on Tarpaulin (2002)


Suriname 2000-2010

Lingam Yoni

Acrillic & Oil on Wood (2004)

4


Cosmic Mother

Spraypaint Acrylic Oil on Canvas (2003)

Primal Father Spraypaint Acrylic Oil on Canvas (2003)


37

Primal Father Detail


38

Sunrise

Acrillic & Spraypaint on Canvas (2005)


39

Meteor

Acrillic & Spraypaint on Canvas (2005)


40

Loving Leonardo

Acrillic & Spraypaint on Silk (2006)


41

Sisters of Sorrow

Acrilic on Wood (2008)


43

Golgotha Acrillic & Spraypaint on Canvas (2007)


44

Portrait of Alan

Oil on Canvas (2003)


45

Selfportrait

Oil & Spraypaint on Canvas (2003)


46

River Spirit Acrylic & Spraypaint on Canvas (2007)


Nederland 1982-2010

Characters in Search of an Author Aquarel & Pastel on Paper (2000)

Atlantis

1

Aquarel & Pastel on Paper (2001)


49

The Eunuchs Harem Aquarel & Pastel on Paper (2000)

The Intruder Aquarel & Pastel on Paper (2001)


50

Insane in the Membrain Aquarel & Pastel on Paper (2000)

The Wisdom of Madness Aquarel & Pastel on Paper (2000)


Nostalgia Aquarel & Pastel on Paper (2001)

Multiple Personality Syndrome Aquarel & Pastel on Paper (2001)


52

Mad Messiah

Aquarel & Pastel on Paper (2000)


Tantric Budha

Aquarel & Pastel on Paper (2001)


55

Amazon Flow

3

Acrylic on Canvas (2007)

The Secret Acrylic on Canvas (2008)


Portrait of a Painter

Acrylic on Canvas (2007)


57

Portrait of a Painter

Acrylic on Canvas (2008)

4


58

Inner Messiah

Acrylic & Oil on Canvas (2007)


Saint Celibatus Acrylic & Oil on Canvas (2007)

Forest Spirit Acrylic & Oil on Canvas (2007)


Las Tres Potencias

Acrylic & Oil on Canvas (2008)

Desire

Acrylic on Canvas (2008)


61

Anime Veritas

Acrylic & Oil on Canvas (2007)


63

Icarus

Acrylic & Oil on Canvas (2008)


Being happily reborn; notes on being Felix René 64

“Und Auch der Künstler kann nur sehen, was er gewollt hat, wenn er sieht, was er gemacht hat.” It will take a diversity of scholars to decode the messages hidden in the work of Felix de Rooy. Trying to speak about him, I find it best to get my information straight from the horse’s mouth. When I asked him to identify the core of his practice in one sentence, two words were uttered; Eros and Thanatos, Love and Death. He calls his work Psychic Realism. In its crudest explanation it could mean the actualities of the psyche manifesting in a visual representation and brought to light for viewing by others. In Felix’ case it is the struggle and lovemaking between the two gods Eros and Thanatos that creates visions resulting in images akin to surrealist and magical appearances. The Psyche projects the images like a film projector onto the screen from the inside out. The dissector renders the signs and symbols into works in order to analyze the unconscious. Felix explains Psychic Realism as being dynamic and in no way static. In his case it is a constant oscillation between loving and dying at the same time. He says: “The spiritual and emotional exploration of my life always remained nourished by Eros” The result is a plethora of expressions in different disciplines from drawing and filmmaking to the art of assemblage. Admittedly, we should always remain cautious when an artist speaks about their work. ”Sometimes because an artist has created a self-image and nourishes it. Often also because the artist … cannot predict what the work will do or what it means.” Having said that, in the case of Felix de Rooy and his oeuvre the nomadic context he provides marks the entrance into the work. He shows us that it is not sufficient to approach the body of work from a Caribbean/colonial point of view or solely through the aesthetics of Western art history. The clue here seems to be to add the lens of the nomad living within the space of (post) colonialism. And, read it through the outsider that lives an alternative that can not be caught by the system” … moving from part to part in an infinite succession of linkages and changes in direction.” In Nomade in Niemandsland 1(Nomad in No-man’s-land 1), we read about Felix’ history. How genetics and cultures from different continents come together to produce him. He is the un-rooted multi-continental island mixture of many travels and traveling souls. Obviously this has its effects on the artist. As de Rooy states: ”The pathological nomad insistency of my family is also deeply rooted in my psyche.” Thus, his winged Eros escapes from its current locale and flies up to the skies to discover new spaces. Like Icarus, time after time he crashes down to earth. However, Felix René, Happily Reborn from the ashes, constantly re-emerges after an episode of unintended selfdestruction. It is here in this moment of wreckage, which is an intensely amorous copulation with the self in an effort to become rooted, where his auto-analysis reaches its high point. Through this ever-repeating process we could see his complete multidisciplinary practice as a system in itself. In this system, every work becomes a way to work through lived experiences of fear and joy, life and death – Eros and Thanatos. This is a gift that Felix receives from his father who acknowledges and visualizes his fears by painting the old man that terrifies him in the reality of his nightmare as a child. The wandering spirit is chained in paint and the image is placed in his bedroom. Having caught the demon lurking in his psyche, the child Felix’s mind comes to rest. He is taught the key to exorcising through art. What we learn from this story is that Felix’s development is close to the romantic 19th (early 20th) century idea that emphasizes the authenticity and pureness of the artists feelings. Through its captivity in paint, the suffering emerging from his nightmare opens up the portal to another dimension. This has a spiritual meaning and a purifying function for the artist. Because of this sensibility, de Rooy moved through time as a rebel in the time/space of the Antilles in the 20th century. As a nomadic inhabitant of the Caribbean, local politics and morals have no say over his artistic production. He portrays the world as it is through his eyes. As a nomad in the 21st century he still voyages into continents inhabiting No-man’s-land. Living in this nomadic realm is a different state of being that is able to escape the intercontinental (post) colonial system even though it is born from and operates within it. It is a layered existence that negates most of the complexities of postcolonial society because it has its own organization, ways of describing itself, criticizing, and reproduction of self through art. Nomads know that they are different from the system that is hosting them at any particular moment. In this sense the nomad system and the system of Felix’s art practice are two autonomous layers working simultaneously to produce him and his works.


Being happily reborn; notes on being Felix René 65

For Caribbean people, the Americas and Europe have always been at the border and center of their lived experience simultaneously. Actively negotiating these spaces, physically (re) migrating into them and trying to make them home is part of recent history. Migration, however, is not the same as Nomadism. For the nomad, the settlement is always temporary, and as migratory subjects we can learn from how the nomad spirit organizes itself in the new space. When taking flight, it always takes bits and pieces from a variety of social spheres in any visited society to the new environment. Making the multi-ethnic, multicultural and multi-rootedness its point of reference when producing its multidisciplinary self. From that perspective the nomad is a systemic type and an example of what European Union subjectivity could look like in a few generations from now. The beginnings of this subjectivity are found in migration from the Caribbean, Asia and Africa to the region and more recently from the Eastern European countries to the West. Even though the motivation may be different, these movements resemble the origins and production of the Caribbean region and results in “(European) Creole” subjectivities akin to Felix’s. A new form of nomadism, without having to physically move to another space, is achieved with the coming of the Internet. Via the screen, generations brought up with the new tools take parts from different social locales into the known environment. What Felix teaches us is that art is a way to work through lived and imagined experiences. His early development commenced in fin-de-siècle romantic views and progressed into turn-of-the-century Contemporaneity. Generations of migrant subjects can take him as a case in point of how to negotiate their subjectivity and exemplify their difference in a setting that considers them as novel and be happily reborn Creole.

Charl Landvreugd Olsberg-Bruchhausen, May 2012

1

Luhmann N., Die Kunst der Gesellschaft, Frankfurt Am Main, Surhrkamp Verlag, 1997, p. 44 Rooy de F., Nomade in Niemandsland 1, XXIII, chapter IX. Original text: “De spirituele en emotionele ontdekkingsreis van mijn leven, bleef altijd door Eros gevoed.” 3 Bongers H., “Kunst, staat en markt”, Het eigen leven van Kunstwerken, Hugo Bongers, Rotterdam, p. I-209. Original text:” Soms omdat een kunstenaar ooit een imago heeft gecreëerd en dat imago blijft koesteren. Vaak ook omdat de kunstenaar wel weet wat hij doet, maar daarmee nog niet de werking of betekenis van zijn werk kan voorspellen of uitleggen.” 4 Deleuze G. and Guattari F., A Thousand Plateaus: Capitalism and Schizophrenia, Translation by Masumi B., University of Minnesota Press, Minneapolis, London, 1987, P. 494 5 Rooy de F., Nomade in Niemandsland 1, XXIII, chapter IV. Original text: “De pathologische nomadendrang van mijn familie is ook in mijn psyche diep geworteld.” 6 Ibid., chapter IX. 7 Rooy de F., Nomade in Niemandsland 1, XXIII, chapter XV, original text:”Het schilderij hing in mijn slaapkamer en bracht me, vreemd genoeg, tot rust. Mijn vader erkende en visualiseerde mijn angst. Hij maakte mij meester van mijn verborgen gaven. … . De sleutel van exorcisme door kunst heb ik van mijn vader ontvangen.” 2


Wandkleden Tapestries in collaboration with

66

Mieke Soemodihardjo

The Sorcerer’s Apprentice

Textile Embroidery (2008)

The Sun in Maya

Textile Embroidery (2009)


67

Shaman’s Dream

Textile Embroidery (2008)


68

Brokopondo Spirits

Textile Embroidery (2007)


69

Spirit of the Ancestors

Textile Embroidery (2009)


Assemblages 70

La Esclava Anastatia

(1987)


71

El Negro Felipe

(1987)

Ave Europa Regina

(1989)


EKILIBRIO DE MI BERDAT 72

Mei-mei di tristesa i ternura Mei-mei di trankilidad i lokura Mi ta resa pa e amor ku ta dura Mas ku un suspiru den eternidad Mei-mei di laman i salu Mei-mei di flor i palu Mi ta lucha kontra e malu Ku ta kibra e bendishon Mei-mei di orgasmo i suspiru Mei-mei di angel i vampiro Mi destino ta kaba divino Den brasanan di kreashon Mei-mei di miserikòrdia i kastigu Mei-mei di libertat i katibu Mi alma ta kanta komo testigu Di e sanger sagrado di humanidat E ekilibrio di mi bèrdat Amsterdam(2002)

Cry Suriname

(2002)


73

Primal Mother

(1992)


Altar para Dia de los Muertos Multimedia Assemblage (2004) Pallant House Gallery Chichester, England

1


MARKANAN DI ALMA Den mi kurason ankrá Markanan di historia lubidá Diosnan nobo ta kura heridanan gastá Ta destrui tèmpelnan Di un pasado maldishoná Riba mi kueru marká Heridanan di tempu pasá Doló bieuw ta inspirá Di nobo piká Ta kibra e spiritu bendishoná

75


MARKS OF THE SOUL University gallery, Florida Atlantic University, U.S.A.

76

The sacrament and process in the contemporary Caribbean are some of the issues that Felix de Rooy invokes through his art. The space de Rooy creates engages multiple functions and parallels the theatrical notion of using experience and space to help people understand the world around them. De Rooy strives for spiritual enlightenment and an understanding of the world, and is thus engaged in a process of philosophical reflection and cultural research with its base in Kongo culture.

De Rooy`s roles, or characters, are the pieces displaced in the space as giant Nkisi that are personalized not by the medicine and vibration in classic Kongo tradition but by a new medicine created by de Rooy that relates to his understanding of medicine as technology, reflection, and as film, closed circuit in this case, to emphasize the drawing of strength from within. He engages these energies as his spiritual vibration and as forces of his own creative nature through the use of cinematic language and documentation of daily life during the exhibit.

De Rooy displays his objects by following the methodology of the Nkisi, or power sculpture, from the Kongo religious tradition on both sides of the ocean. This use of religious methodology in order to create a new reality is central to the discussion of ritual language. As it is connected to theatrical performance, the reality installed in this exhibit parallels experience in film.

The figures become a system of recording experiences within the art, and within the space. The secret Kongo medicine is evident in the clairvoyant eyes like the closed circuit video camera as a system of recompilation of representations of different types of persons. The representing and recording through the camera implies a process of healing and introspection of the power to reflect upon one’s own representation.

Trained in the art of filmmaking, de Rooy replaces the experience of making a film and narrating a story with the transformation of the space into a virtual narrative, with motion becoming the action that exposes a new reality.

De Rooy exposes himself, his interior, as a form of offering and representation of the most intimate part of his being, his organs. Substituting the medicine on the inside of the Nkisi for a movie of his entrails, he transforms his

interior narrative into a form of medicine. These elements form a portrait of a being in its maximal expression and, like the being and its extension, are established through the experience and not through mere representation. For de Rooy, the being can only possibly be experienced and lived, but once simply represented is dead. De Rooy works with three basic concepts in his project: the phallic, feminine, and functional. The phallic form, aesthetically pleasing, represents the potency of human and cultural reproduction. The degree of femininity of the figures relates to fertility and maternity as a basic human function, and parallels the theme of motherhood recurrent in African art and in Caribbean domestic life. The functionality of objects stems from their containment of individual purposes and life forces. As a form of substituted medicine, the use of film and cinematographic technique replaces traditional film experience with a real-life, real-time setting to allow for intimate reflection and healing.

Barbara Martinez-Ruiz, Curator, 2001


MARKS OF THE SOUL In my soul Marks of history forgotten New Gods heal old wounds Destroy temples of a past rotten

1 Ego & Super Ego 1966 Ecoline & Indian Ink on Paper

On my skin Scars of time begotten Ancient pain breeds fresh sin Harvest sad seeds of oblivion

LITTEKENS VAN DE ZIEL In het hart gevonden Scherven uit verleden strijd Oude pijn baart nieuwe zonden Op het altaar van vergetelheid In het hart gevonden Littekens geleden tijd Een nieuwe God heelt oude wonden Bouwt tempels op vergankelijkheid Amsterdam (2001)

Marks of the Soul Multimedia Assemblage (2001)


DYONISIAN NIGHT I think I saw Apollo weeping Amber tears seeping Through cracks in his body Carved in marble white Lost the silent beauty He was keeping Under fiery sun His eternal bride I think I heard Apollo sighing Mutilated limbs through time eroding Inspiring songs Only Orpheus could remember Lamenting his dismembered corpse Sucked dry the saps From his loins exploding I think I felt Apollo bleeding Dark blood streaming from his torso Undulating under stroboscopic light Stripping Jockstrap gleaming Sacrificing love’s memory Shrouded by darkness Of Dyonisian night I think I saw Apollo weeping Antepasado di Futuro Mixed Media (2010) Curaçao Museum

Mikonos, (1994)

79


THE LAST TEMPTATION 80

Sometimes you are my Jesus Sometimes Lord of the Rings Shadow that haunts me Spirit that sings Sometimes my last temptation Sometimes secret bride Kiss of salvation against The dying light Sometimes you are my holy lover Sometimes demon buried inside Ancient mother Eternal child Sometimes my lonely prophet Sometimes breath of God on a moonlit night My fate uncovered Battered and bright Sometimes you are my Jesus Paramaribo (2002) Astral Madonna

(1986)


Collages 81

Resurrection

(1987)


The Spectre of Civilisation

(1985)

Mother Ear


rth

(1988)

Rebirth

(1985)


Detail Apocalypse


85

Apocalypse

(1986)


Digital Collages in collaboration with

Kirk Claes

86

1

2

Madonna

(2012)

Queen of the Night

(2012)


4


PIEL DE CANELA El canto del angel Sobre la tierra cayó Un cuerpo piel de canela vistió Hombres y muyeres amó Segun la ley del deseo En todos los cuerpos A Dios buscó Cuando murió Su cuerpo piel de canela dejó Alas crecieron A la luz volvió En el ojo de Dios El angel confesó La memoria de su vida pasado En todos los cuerpos Que habia amado Una gran nostalgia encontró Por el amor abandonado

88

Rio de Janeiro (1991)

Kawali

(2012)


Amazon

(2012)


Satyr

(2012)


91

Ethiopian Prince

(2012)


titel jaar techniek Self-Portrait 1968 Indian Ink on Paper


Theater 10 Jaar Cosmic Illusion Willy Westermann

94

Ceremonia di siglo xx

96

Mama Korsou i su yu sin trabaw

98

E dos Krianan

100

Desiree

102

Lippenschrift

104

Eennachtnu

106

Voor vrouwen...

108

Mirage

110

Josaphat

112

The Human Voice

114

Dans, dans dan!

116

Zeg de zee vaarwel

118

4d for Thee

120

Marival

122

Montezuma’s Revenge

124

De dood en het meisje

126

Jörgen Raymann

128

Duet / Duel

130

Earthlinks

132

De kleur van Droes

134

De schaduw van goedheiligman

136

Fashion Battle: Sapeurs du Congo

138

93


10 Jaar Cosmic Illusion

94

Nu de stichting Cosmic Illusion tien jaar bestaat, is er een duidelijke lijn te zien in het werk van de twee exponenten van de stichting: Norman de Palm en Felix de Rooy. Reeds vanaf de eerste dichtbundel Na Kaminda van Norman en de eerste expositie van het werk van Felix zijn de hevige emoties van beiden voelbaar. Als wij hun latere producties nalopen, zien wij dat het bijeenvoegen van beider emoties die hevigheid alleen nog maar versterkt heeft. Een synergie waarbij het samengaan van de delen meer oplevert dan de som der delen. Het centrale thema bij beiden is de innerlijke strijd die nodig is om tot bewustwording van zichzelf te komen. Deze strijd wordt voor de buitenwereld in symbolen vervat waardoor hun wereld moeilijk toegankelijk lijkt, maar eenmaal geraakt door hun beeldspraak wordt men gedwongen hun wereld binnen te treden, waarna hun strijd een symbool blijkt te zijn voor de strijd die in ieder mens bestaat, ook al is men zich daar niet altijd van bewust. De elementen waarmee zij deze strijd voeren zijn echter voor beiden verschillend. Norman gebruikt in zijn woorden symbolische begrippen die ten doel hebben de essentie te versluieren. Hierdoor krijgt zijn werk een abstract en mysterieus karakter waar het vrouwelijke element een grote plaats inneemt. Felix gebruikt in zijn werk symbolen voor de mannelijke kracht met een sterk exotische ondertoon, waardoor een concreet en direct shockeffect wordt bewerkstelligd. Religieuze aspecten zijn in beider werk constant aanwezig doordat beiden gefascineerd zijn, ieder op hun eigen manier, door het hoe en waarom van het begin, de vruchtbaarheid, het man-of vrouw-zijn, het wit- of zwart-zijn, de dood en het leven na de dood. Wie zich afvraagt of de beeldende kunst van Felix bepaald wordt door hetgeen Norman schrijft, komt bedrogen uit. Men kan stellen dat de literator in de eerste plaats denker is en de beeldende kunstenaar vormgever en concluderen dat de vormgeving van Felix bepaald wordt door het geschrevene van Norman. Niets is echter minder waar. Ieder heeft zijn eigen voedingsbodem. Wederkerig vullen zij elkaar aan. Norman geeft Felix’ werk diepte, Felix geeft Normans werk duidelijkheid. Het product van hun samenwerking is hierdoor te plaatsen binnen een mystisch-exotisch realisme met een magnetiserende uitstraling. Een nieuwe – andere – kunstuiting, die meer en meer herkend moet worden in een wereld die bestaat uit keurig gebaande paden en waarin men bang is zich over te geven aan de indringende emoties die hun werk oproept.

Willy Westermann, Dramaturg Amsterdam, 1986

Photography

Kees de Graaff Amsterdam, 1986


95


Ceremonia di siglo XX 1976 Productie: Auteur: Regie & Decor: Kostuums: Licht: Geluid: Affiche-ontwerp: Fotografie: Dramatis Personae: 96

Diosa di Tristesa Dios de Guerra Diosa di Commercio Dios di Decadencia Diosa di Fertilidad Mama Tera

Cosmic Illusion Productions Felix de Rooy Felix de Rooy René Metsch Erik van Dijk Egbert Ridderplaat & Carl van der Meulen Felix de Rooy Erik van Dijk – – – – – –

Sandra Nobo Cedric Polonius Corry van Heyningen Dennis Zanoni Roxana Salas & Fina Ferreira Miriam Inesia


48


Mama Korsou y su yu sin trabow 1977

98

MAMA CORSOW:

Productie: Auteur: Regie & Decor: Decorbouw: Muzikale leiding: Affiche-ontwerp: Fotografie: Dramatis Personae:

Cosmic Illusion Productions Felix de Rooy & Norman Ph. de Palm Felix de Rooy Cedric Polonius Fons v/d Mullen Felix de Rooy Hubert Derx

Mama Korsou Yu sin Trabou Shon Pastor Prostituta Kria Obrero Politico Jufrow di Skol Direktora

Omayra Leeflang Reggie Fancito Norman de Palm Lucille Wout Ester Delfina Cedric Polonius José Margaretha Marelva Celestina Henna Bosma

– – – – – – – – -

manifestatie van vakmanschap en orginaliteit “... WILLEMSTAD – De toneelgroep Ilushon Kosmiko heeft gisteravond met Mama Korsow i su yiu sin trabow bewezen een verrassende realiteit te zijn. Verbluffend professioneel, verfrissend eigen. Toneel anders dan anders en toch niet “would be”. Lof met drie hoofdletters voor Felix de Rooy voor deze theaterproduktie waarin vakmanschap en originaliteit overal terug te vinden was van tekst tot regie tot decor. Een tekst, met naast een prima inhoud, een papiamentsgebruik; zo ritmisch, zo melodieus, zo mooi, dat het één lang gedicht had kunnen zijn. Regie zoals je die maar zelden tegenkomt: helemaal af! Er moet een perfekt samenspel zijn geweest tussen de regisseur en zijn spelers om zoveel talent en topprestaties te kunnen halen uit deze jonge mensen. Articulatie, houding, gebaren, allemaal zo harmonieus, goed afgewerkt, natuurlijk en spontaan… Er werd zelfs goed gehuild, zo goed dat de hele zaal er stil van was, een prestatie die je maar zelden tegenkomt op onze toneelplanken. Goed werk van Esther Delphina. Felix de Rooy had kritiek op de samenleving maar doortrokken van een milde relativerende humor en ook daardoor nooit kwetsend, althans naar mijn gevoel…” “… Wat ook zalig was, nu eens een keer géén vertaling (hoe uitstekend de vertaalden en vertalers ook mogen zijn) maar helemaal eigen werk. Een stuk dat tot in het binnenste van je binnen aanspreekt omdat het je eigen leefwereld is, je eigen problematiek, je eigen mentaliteit. En dan het decor; uniek en functioneel.

Ook hier die overal terug te vinden knappe symboliek, net zoals in de tekst, gebaren, muziek en dans. Met het vorderen van het stuk wordt door al de kinderen van Mama Corsow een bedriegelijke eenheid opgebouwd, bestaande uit een grote dobbelsteen. Een dobbelsteen, die zoals later blijkt alle kanten uit kan rollen en ook weer uit elkaar kan vallen wat inderdaad gebeurt …” “… En Mama Corsow klaagt stuiptrekkend op de uit elkaar vallende dobbelsteen: “Kinderen, ik ben het zo moe vernederd te worden. Werk alsjeblieft samen aan de onafhankelijkheid en bevrijdt me van deze druk”. Helaas een vruchteloze smeekbede. Dit is nu eens een stuk waarvan ik zou zeggen dat iedere Antilliaan zou moeten gaan zien, zónder vooroordeel! Jonge mensen in ieder geval, maar ook ouderen die dan wel zouden moeten proberen hun eventuele oogkleppen thuis te laten. Het zou namelijk zonde zijn ook maar het kleinste onderdeel van Mama Corsow te moeten missen door verstarring en gebondenheid aan allerlei holle conventies.…” Mayra van der Dijs Amigoe (1977)

Balada di Mama Korsow “... “Ai, esta dushi rekwerdo ta Mi ta korda virgen mi tabata Asina felis ku palu i bestia riba mi I e laman fwerte i brutu ku tabata rondonami Ola tras ola nos por a kombersa ku otro I e tabata kontestami ku su boroto Ai, mi ta korda mi prome amante: e indjan Sin violensia e a bini riba mi Foi otro banda di laman Pero no por a dura hopi nos amor puru I apasiona Ora e spanjó a jega i nos harmonía a keda aplasta Asina a kuminsa mi bida maldisiona Di hun homber pa otro má wordu lastra...” Felix de Rooy 1977


48


E dos Krianan 1979

E DOS KRIANAN:

Productie: Cosmic Illusion Productions Auteur: Jean Genet Vertaling: Nydia Ecury Regie: Felix de Rooy Decor: René Metsch Kostuums: Boutique Trinitaria Affiche-ontwerp: Felix de Rooy Fotografie: Ed Vlieger Dramatis Personae: 100

Mevrouw Claire Solange

– – –

Diana Lebacs Norman de Palm Gibi Basilio

toneelspel van allure “… Het stuk beschrijft de haat-liefde verhouding tussen een mevrouw en haar twee meiden. De twee meiden spelen een rol, door, tijdens haar afwezigheid, om beurten voor mevrouw te fungeren. Door die rolverdeling kunnen zij uiting geven aan hun gevoelens tegenover hun mevrouw. Ze houden van haar en ze haten haar.. In de liefdesgevoelens zit het verlangen verborgen, net zo te zijn als zij. Maar ook haten zij, in haar, de maatschappij die hen vernedert. De meiden geven de mevrouw een illusie van macht, maar tijdens haar afwezigheid vindt er een machtsovername plaats. Dan kunnen ze haar, ongelimiteerd, beurtelings vleien, vernederen en vertrappen. Wat als spel begonnen is, ontaardt in een dwangmatige handeling en spitst zich toe in een dramatische ontwikkeling, waarin de illusie vernietigd wordt en slechts de harde realiteit overblijft. E dos Krianan is beslist geen gemakkelijk stuk om te gaan zien. Maar het is wel een stuk, dat gezien mag worden, niet in de laatste plaats, door de manier waarop de regisseur en de spelers zich van hun taak hebben gekweten. Regisseur Felix de Rooy heeft het tot een mooi geheel gekomponeerd en de spelers laten een uitstekend toneelspel zien. De meiden worden gespeeld door Gibi Bacilio en Norman de Palm. Diana Lebacs geeft vorm aan de mevrouw …” Selly Beurs- en Nieuwsberichten (1979)

ACTUACION MAESTRAL DEN DOS KRIANAN “... Director Felix de Rooy a destaca den su direccion di e obra, y por a nota claramente cu el a usa henter esenario pa su actornan, di manera cu actuacion a tuma lugar usando cada metro cuadra disponibel y tambe e a utiliza e sala pa drentada di mevrouw...” “... Grupo Ilushon Kosmico! A haci un hit na Aruba sigur cu e obra aki y un felicitaicon nan merece indudablemente cu esaki di parti di amantenan di teatro Arubano...” Extra Aruba, (1980)


48


Desiree

DESIREE:

1981 Internationale tournee: New York – Edinburgh – London – Nederland – België – Duitsland – Denemarken - ZwitserlandItalië – Suriname – Nederlandse Antillen

102

Productie: Auteur: Regie: Decor & Kostuums : Licht & Geluid: Affiche-ontwerp: Fotografie: Dramatis Personae:

Cosmic Illusion Productions Norman Ph. de Palm Felix de Rooy Felix de Rooy Felix de Rooy Felix de Rooy Hajo Piebenga + Felix

Desiree

Marian Rolle

–

“… Desiree is based on the true story of a young Black woman who in a moment of frenzy murders her child in a burning oven. The setting is in a shabby one-room tenement in Harlem, U.S.A. The theme is universal and an international plea on behalf of all oppressed people. The brutal pressures that lead a person to this insanity are present today. Shadows of Desiree ride with you on the subway and may be within your own personality. When it is realized that people of color have been the subject of prejudice and racism will something be done about it? Or will nothing be done until Desiree becomes the reflection in our own mirror? The purpose of reality theater is to make you and me and the whole world aware of what is happening so that we may stand together and overcome. Norman de Palm exposes an array of issues that are commonly ignored by most. Felix de Rooy and Marian Rolle create an environment that vibrates with pain and symbolic involvement. Felix also directs Marian through an increible characterization of the schizoid state. Marian makes spiritual contact with her character and is transformed into the very conflicts and ideologies that drive Desiree to madness. She leaves the audience stupefied in her thrilling performance …” Gisselle Colon The Black American (1983)

‘DESIREE’ at the Old Red Lion “... From the dregs of Stateside bedsit land, where the rising damp has a built-in sadness, comes a mystery play of intense pain and anger by Norman de Palm. Miss Desiree Clift has turned her kennel into a temple to depressive neuroses that break into her religious fanaticism, until – pursued by the devil she believes to be living in her baby daughter – she drives herself to extin-

guish the demon in evangelical rage. Marian Rolle performs this monologue with imaginary rows and conversations with lovers and employers in ninety minutes of such emotional frenzy that the contemplation of it could only be borne by the psychologically healthy. The shadows of her loveless past haunt me still ...” David Roper The London Event (1984)

FESTIVAL FRINGE REVIEWS “... It is a measure of the achievement of this harrowing play about a black woman in working-class USA that across so many cultural barriers it conveyed to me a horrifying sense of helplessness. Brutalised by the uncaring father of her child, condescended to by her white employer, Desiree finds consolation only in evangelical religion; but then the effect of that exploitative creed is to induce shame in her at her own body and self-respect. So her beloved baby becomes in her distorted imagination a symbol of what she calls her carnal desires, and she kills it in a final act of self-abasement before the imperious demands of lover, church and white culture. Marian Rolle gives an excellent performance, combining despair with beautiful moments of great tenderness. And though at times I did long for some more enduring images of hope, her delivery was so compelling as to suggest that in Desiree’s isolation hope would be crassly naive, an irrelevant product of the white liberal meliorism that has passed her by ...” Lindsay Paterson, The Scotsman (1982)

MARIAN ROLLE MET AANGRIJPENDE MONOLOOG “… Wanneer Marian Rolle als de vrouw Desiree kermend en jammerend het toneel verlaat, een doos in de armen dragend waarin ze haar dode baby verbeeldt, is ze tot ver in de katakomben van de Stadsschouwburg hoorbaar. Het publiek blijft enkele minuten roerloos zitten voordat het durft te applaudisseren …” Harry Huizing Nieuwsblad van het Noorden (1982)

SCHRIJNEND PORTRET VAN EEN WAANZINNIGE VROUW “… De voorstelling geeft het publiek amper ruimte zich over de werkelijkheid van vrouwen als Désiree illusies te maken. Met een weerzinwekkende apotheose in de slotscène, waar Désiree zojuist op een kussen, menend dat het haar kind is, heeft ingebeukt, wordt de toeschouwer bruut ingepeperd dat elke gedachte aan enig perspectief in dat bestaan valse hoop is. De tragiek van Désiree is aangrijpend en stuitend tegelijk. Het doet een behoorlijke aanslag op het incasseringsvermogen van de toeschouwer …” Hanny Alkema de Volkskrant (1984)


“MARIAN ROLLE ALS DESIREE: BIJNA ONVERDRAAGLIJK”. Toneel teatraal (1984)

“ONTHUTSEND TONEEL OVER DEMONISCHE MOEDER” Kester Freriks NRC Handelblad (1982)

“DESIREE”: SUBLIEM EN VERBIJSTEREND “… De Desirés wonen niet alleen in het gettho in Harlem, ze zijn overal te vinden. Hun leven is een grote aanklacht tegen de onrechtvaardigheid, de uitbuiting en de ellende van het blote bestaan. Wat in CCC wordt opgevoerd is geen spel maar een schreeuwende werkelijkheid, zo echt gebracht dat iedereen die ernaar kijkt wordt opgeschrikt uit zijn sudderende zorgeloosheid …” Beurs- en Nieuwsberichten (1981)

“MARIAN ROLLE INDRUKWEKKEND IN CCC. Desiré’-blues door merg en been.” Amigoe (1984)

48


Lippenschrift 1984

104

Productie: Auteur: Regie: Decor: Kostuums: Muziek: Licht: Geluid: Affiche-ontwerp: Fotografie: Dramatis Personae: Rachel Fairouz – Theresa – Christoph / Christophine –

Cosmic Illusion Productions & S.T.A. & S.T.I.P.T. Norman Ph. de Palm Felix de Rooy Salomé Franken Pieter Paul Verberne Rob van Zomeren Cor de Vries Rob Visser Felix de Rooy Kees de Graaff Martine Crefcoeur Pamela Koevoets Yvonne Pelasula Willem Jan Mulder

LIPPENSCHRIFT “… Gevangen in hun persoonlijk isolement, tussen steigerpijpen en podia die één wooneenheid suggereren, bevinden zich de vier personages waaruit ‘Lippenschrift’ is opgebouwd. Het huis is het huis van het menselijk bewustzijn waarin de relatie individu-maatschappij (etalage); persoonlijke verhoudingen (salon); seksualiteit (slaapkamer) en individualiteit (spiegelkamer) ieder een eigen ruimte innemen en er hun verhaal doen, gedragen door Christoph/Christophine, Fairuz, Rachel en Theresa. Christoph/Christophine is travestiet. Hij zoekt naar wie hij méér is: Christoph of Christophine. Hiervoor stroopt hij zijn verleden af en kiest er die momenten uit waarop hij zich bewust werd van zijn tweeslachtigheid. Deze dramatiseert en vergroot hij: Enig kind, de moeder, de afwezige vader die alleen aan de horizon opduikt, de man met de groene ogen, het verraad van zijn moeder, de concurrentieslag, optreden in travestieclubs. Rachel is rijk. Het rijk-zijn heeft een verlammende invloed op haar. Ze geeft zin aan haar bestaan via psychotherapieën die ook als het ware haar belangrijkste activiteit worden. Fairuz kijkt terug op een fragmentarisch leven dat net zo leeg en ongedefinieerd is als dat van Rachel. Fairuz was eens een middelmatige klassieke danseres, trouwde, het huwelijk liep spaak, ze raakte overspannen en eindigt als een nachtclubdanseres. De redenen hiervoor zijn zuiver willekeurig gekozen. Zij is pure woede over het ongrijpbare en projekteert die in een club-act op haar publiek. Theresa is jong, leeft in herinneringen aan een andere tijd… Tot op dat moment dat de sprookjes verscheurd worden en Theresa afgevoerd wordt naar ‘een koud land, ergens drie hoog achter, waar het licht grijs is’. Het isolement verschuift maar blijft bestaan.

De vier figuren raken ongezegd bij elkaar betrokken, vormen een eenheid in hun zoeken, hun dilemma’s, hun emotionaliteit. ‘In isolement verbonden’ zou Rachel gezegd kunnen hebben. Christoph/Christophine: ‘Misschien zijn we wel delen van één figuur’. Theresa: ‘We zijn allemaal delen van een verleden tijd’. ‘Borrelpraat, absolute intellektuele masturbatie’, zou Fairuz hebben kunnen vinden …” Theaterunie (1984)

COSMIC ILLUSION: ONGECENSUREERDE EMOTIES “… Lippenschrift boeit op een ongewone manier. Het steeds prachtige toonbeeld, roept associaties op aan erotische afbeeldingen uit de tijd van de romantiek. Vier met een 18eeeuwse wuftheid uitgedoste vrouwen (onder wie één travestiet) in boudoirachtige ruimtes – veel rood en zwart – een prikkelende decadente sfeer. De personages gaan gebukt onder het juk dat leven heet; in poëtische bewoordingen verhalen ze over hun grote lijden. Soms om te lachen, maar nooit lachwekkend. De Palms ondertoon komt overeen met die van de Franse schrijver Jean Genet (De Meiden, Het Balkon): vechten tegen de eenzaamheid met het besef dat die strijd in wezen zinloos is. Ook De Palm koketteert vanuit dit wanhoopsgevoel met perversiteiten. Tegen het eind voert actrice

Pamela Koevoets een striptease vol vulgaire bewegingen uit, die echter allesbehalve vulgair is. De tekst van De Palm en het bijna griezelig realistisch acteren (zelden heb ik iemand zo in een scène zien opgaan) maken van de striptease een soort wanhoopskreet; een gevecht tegen het ‘lage’ in de mens, dat zelfs met al het verstand van de wereld maar niet overwinnen kan worden. Werkelijk: adembenemend…” Eric van der Velden Utrechts Nieuwsblad (1984)

Uit EPILOOG LIPPENSCHRIFT Ik begrijp waarom moeders opbranden En vaders geen St. Christoffels zijn, Nog de wereld kunnen redden. Ik wil ook geen verleden tijd meer spelen Want als pijn zich vastzet onder de huid is het altijd daar Je verlangt naar een kus uit de hemel naar iets dat maar eenmaal daar is Geef het weg, offer het Voor het heilig verbond tussen ons We zoeken toch allemaal Naar die absolute situatie “the ultimate drama” De zelf-verbranding Of juist niet.. juist nooit Juist ja..juist..... Norman Ph. de Palm (1984)


48


EENNACHTNU 1984 Productie: Stichting Theaterunie & Gail Pilgrim Auteur: Norman Ph. de Palm & Salomé Franken Regie: Felix de Rooy Decor: Salomé Franken Kostuums: Salomé Franken Affiche-ontwerp: Salomé Franken Fotografie: Gerda van der Veen Dramatis Personae: 106

Anouk

–

Salomé Franken

SOLOVOORSTELLING GEEFT MEESLEPEND BEELD VAN ONTREDDERDE ACTRICE “… De solo voorstelling Eennachtnu, van Salomé Franken, eindigt zoals ze begint: een actrice stoort zich aan de luide popmuziek van haar buurman. Ze holt woedend naar hem toe en op dat moment gaat de telefoon die ze door al het lawaai niet hoort. Het is ongetwijfeld haar minnaar op wie ze juist wanhopig wachtte. Het vergeefse telefoongerinkel lijkt symbolisch voor haar verstoorde persoonlijk leven…” “…Salomé Franken is van oorsprong beeldend kunstenaar en dat is aan deze voorstelling goed af te zien – het is beeldend theater. Maar hoe mooi alle visuele effecten ook zijn, ze kunnen toch niet helemaal verhullen, dat er nauwelijks een dramatische ontwikkeling is. De paniek van de actrice Anouk, haar hartstochten en twijfels worden meeslepend en suggestief verbeeld, maar tegelijkertijd is het alsof de echte actrice, Salomé Franken, geen eind kon vinden. Misschien dat ze daarom haar toevlucht neemt tot de truc om het begin aan het slot te herhalen …” Lien Heyting NRC (1984)

DE TONEELSPELER ALS GESCHIFTE ARTISTIEKELING “... Salomé Franken boft. Geholpen door schijver Norman de Palm, regisseur Felix de Rooy en de Theaterunie mag zij zich in haar solo voorstelling Eennachtnu heerlijk uitleven op het toneel. Niet iedere jonge beeldend kunstenares-decorontwerpster krijgt een dergelijke kans. Franken speelt hier een onzekere, introverte actrice, die een solo-programma voorbereidt waarin zij geheel naar eigen inzicht een aantal uiteenlopende, veelal bekende vrouwenfiguren zal uitbeelden. Naast Maria uit ‘The sound of music’, Carmen uit de gelijknamige opera, en

de mythische Euridyce heeft zij ook ene Danique la Fantastique een plaats toebedacht. Met haar heeft de actrice het moeilijk, want Danique is alles wat zij zelf niet is…” “… Opmerkelijk aan deze voorstelling is vooral dat, in tegenstelling tot haar personage, Salomé Franken zelf de gêne al een heel eind voorbij is. Voor iemand die niet als actrice is opgeleid en voor het eerst alleen op het toneel staat, toont zij zich bijzonder ongeremd. Zij durft meer dan menig oudgediende in het vak, en daar moet men niet te licht over denken.…” Hanny van der Harst Trouw (1984)

EENNACHTNU: EMOTIES BIJZONDER VERBEELD “… Solovoorstellingen kampen nogal eens met het probleem de aandacht van het publiek niet te kunnen vasthouden. Het is ook geen geringe opgave in je eentje anderhalf uur lang een theater te bespelen. Maar als het lukt, is het een prestatie die grote bewondering wekt…” “… Eennachtnu gaat niet alleen over een episode uit het leven van Anouk,. Het behandelt de smartelijke eenzaamheid, zoals ontelbare vrouwen die moeten beleven, hoewel ze dat zelf nooit zullen erkennen. Die smart wordt tot uitdrukking gebracht door de rauwe, intens gewonde kreten die de vrouw uitstoot als ze merkt dat haar vriend niet meer komt. Wanneer ze tegen de morgen (het kille ochtendlicht schijnt al naar binnen) uiteindelijk uitgeput wil gaan slapen, begint haar buurman keihard muziek te draaien. Ze gaat de gang op om hem uit te schelden, inmiddels gaat in haar kamer de telefoon. De vriend? De moeder? De regisseur? Ze hoort het niet en dat is misschien nog wel het meest tragische detail. Op Eennachtnu is de kritiek geuit, dat er geen ontwikkeling van het karakter te

bespeuren is. Juist daarom is het stuk echter zo realistisch. In het leven merk je zelden, dat je karakter in één nacht verandert; je vecht wanhopig met emoties, maar ze putten je slechts uit.…” Renée Douwes Hervormd Nederland (1984)

ACTRICE OP ZOEK NAAR ZICHZELF Heftige solovoorstelling van Salomé Franken “… AMSTERDAM – Het begin van “Eennachtnu”, de nieuwe solovoorstelling van Salomé Franken, is zo traag dat dit het ergste doet vrezen voor de rest van het stuk. Gelukkig heeft zij nog zoveel pijlen op haar boog dat je een uur later op het puntje van je stoel zit …” “…De opbouw van de voorstelling laat helaas nog wel wat te wensen over. Er zijn nog te veel fragmenten waarin niets gebeurt en de verveling op de loer ligt. Even later loopt de spanning echter weer op en wisselen ontroering en verbijstering elkaar af. De heftigheid waarmee ze optreedt is vaak te ongenuanceerd, zodat de uitbarstingen in een zekere monotonie dreigen te vervallen. Artaud, een Frans theatermaker uit het begin van deze eeuw die pleitte voor het theater als een hevige roes, zou ongetwijfeld genoten hebben …” Marian Buijs Haarlems Dagblad (1984)


48


Voor vrouwen.... 1986

108

Productie: Cosmic Illusion Productions & S.T.A. & S.T.I.P.T. De Nieuw Amsterdam Auteur: Ntozake Shangé Vertaling en bewerking: Norman Ph. de Palm Regie: Felix de Rooy Choreografie: Zack Thompson Decor: Felix de Rooy Kostuums: Pieter Paul Verberne Muzikale leiding: Denise Jannah Licht: Stephanie Johnson Geluid: Yugurtha Hamour Affiche-ontwerp: Edwin de Leeuwerk Fotografie: Angèle Etoundi Essamba & Jean van Lingen Dramatis Personae: Regenboogvrouwen: Tamar Baruch, Bo Bojoh, Wilke Durand, Debby Kowsoleea, Yvonne Ristie, Kietje Sewrattan, Paulette Smit.

MIX VAN POËZIE EN DANS IN WISSELENDE “VROUWENTRIP” “…Ik zit aan de andere kant van de regenboog, ruim scherven van dagen op die ik doorbracht met wachten. Regels die Ntozake Schange tien jaar geleden schreef toen haar ‘choreopoem’ op Broadway twee jaar lang een groot succes was geweest. Met de Nederlandse versie van deze mix tussen dans en dichterlijke taal Voor vrouwen die in regenbogen geloven maar ook zelfmoord overwogen presenteert het professionele allochtonengezelschap De Nieuw Amsterdam (DNA) zich aan den volke. Bewerker Norman de Palm heeft de tegenstelling tussen blank en zwart teruggebracht tot de vrouw in haar algemeenheid. Zijn kleurenpalet is vernederlandst; Surinaams, Hindoestaans, Indonesisch en Antilliaans …” ‘Dit is een vrouwentrip’, zegt een van de actrices middenin het stuk, en ze heeft gelijk. Maar dan wel één met hart en ziel, die vol overtuiging gebracht wordt. Met al het moois en alle makkes vandien …” Marian Buijs de Volkskrant (1986)

AUTHENTIEK EN FRIS. VEELKLEURIGE ‘REGENBOOGVROUWEN’ VAN DNA “… Afkomstig uit Suriname, de Antillen, Indonesië en Nederland, hebben de actrices teksten gekregen waarin ze hun emotionele betrokkenheid (positief en negatief) met hun achtergrond kwijt kunnen. Daardoor klinkt wat zij afzonderlijk vertellen zeer authentiek, terwijl het totaal van hun ervaringen veel meer recht doet aan de universele aspiraties van de schrijfster. De verrassing, dat je kijkt naar zeven unieke vrouwen die tegelijkertijd tesamen een beeld geven van vrouwen in het algemeen, is mede te danken aan de regie van De Rooy. Hij heeft kunnen beschikken over zeven uiterlijk fraaie actrices, en dat is nooit weg.

Ze krijgen van hem volop de gelegenheid hun aantrekkelijkheden te tonen, maar wat hij bij deze relatief onervaren ploeg vooral uitbuit is hun onbedorvenheid en hun gevoel voor humor. In tegenstelling tot wat het gevestigde toneel maar al te vaak laat zien heeft het spel van dit zevental gedurende bijna de hele voorstelling een verademende frisheid. Verrassend is ook de flair, waarmee vrijwel ieder van hen zich de lang niet gemakkelijke teksten heeft eigen gemaakt. Bij het grote publiek mogen ze dan onbekend zijn, ze beschikken stuk voor stuk over onvermoede talenten, die in deze mooi aangeklede en belichte voorstelling liefdevol tot hun recht komen …” Hanny van der Harst Trouw (1986)

DANSGEDICHT IN ‘GEKLEURDE’ THEATERTAAL “…For colored girls.. heet hier Voor vrouwen die in regenbogen geloven maar ook zelfmoord overwogen. Het gaat niet meer over zeven zwarte Amerikaanse vrouwen, maar over die zeer Nederlandse mengeling: Surinaams (creools én hindoestaans), Antilliaans, joods, Indisch, en dan in min of meer

verhollandste verschijningsvormen. Wanneer de hindoestaanse vertelt over haar schooljeugd in de Achterhoek, het creoolse meisje over een ontmoeting in de Zandvoortse duinen of de Curaçaose over haar heimwee in de Bijl-mer, dan bereikt De Palm een verrassend en kritisch effect. Zo krijgt de blanke Nederlander in het theater zijn land niet te zien en het is tijd dat het wel gebeurt …” “… De specifiek ‘zwarte’ oorsprong van het stuk heeft De Palm met zijn keuze voor een ‘Nederlandse’ bewerking moeten laten varen. Wat zijn multiraciale personages verbindt is hun vrouwelijkheid en hun maatschappelijke minderheidspositie. De culturen waaruit deze figuren stammen zijn onderling zo verschillend, dat de vorm waarin de voorstelling is gegoten slechts aan de buitenkant blijft. De met veel flair uitgevoerde choreografie van de voorstelling heeft meer met afro-amerikaanse dansles voor alle gezindten te maken dan met gemeenschappelijke ‘wortels’ …” Jac Heijer NRC Handelsblad (1986)


48


Mirage

ONBESLISTE STRIJD TUSSEN SCHRIJVER EN PERSONAGES

1987

110

Productie: Rose du Sable Productions Auteur: Yugurtha Hamour & Djamel Bara Vertaling: Joke Hermsen Regie: Felix de Rooy Choreografie: Zack Thompson Muzikale begeleiding: Floris Nielen Lichtontwerp: Yugurtha Hamour & Felix de Rooy Kostuums: Joanna Becker Licht: Erik van Dijk Geluid: Jos ten Brink Affiche-ontwerp: Felix de Rooy Fotografie: Jean van Lingen Dramatis Personae: De Schrijver Sanfin – Lagalère – Smyrna – Labise – – Koceilla

Paul Bérénos Martijn Apituley Patrice Elais Letitia Zichterman Djamel Bara

“…Balancerend op het randje van de gekte vanuit de diepste eenzaamheid wordt soms de mooiste poëzie geboren, met een waarheid die boven het materiële uitstijgt. Het theaterdebuut van de uit Noordwest-Afrika afkomstige Yugurtha Hamour en Djamel Bara gaat daar over. In hun stuk Mirage (fata morgana, zinsbegoocheling), dat in de Amsterdamse Balie zijn première beleefde, is de schrijver Sanfin in een afmattend gevecht gewikkeld met de personages, aspecten van zijn innerlijk, die hij heeft geschapen. Lagalère, die voor de zelfkwelling en de zelfkritiek van de schijver staat, zit hem het dichtst op de huid. Hij is de door de wol geverfde cynicus die alles al heeft meegemaakt, en die wel even de vijf slechtste recensies over Sanfins boek in zijn oren zal toeteren. Zijn commentaren en analyses zijn genadeloos; liefde is voor hem truttig sentiment, hem ruste alleen wellust. Dan is er Smyrna: zij symboliseert de kinderlijke onschuld die de schrijver ondanks alles heeft bewaard. Labise staat voor de roem, met haar corrumperende neigingen. Tenslotte is Koceilla de belichaming van de pijnlijke, maar gekoesterde eenzaamheid van de kunstenaar; een isolement dat leidt tot oogverblindende fata morgana’s. Koceilla is degene zonder houvast in het leven die de vergankelijkheid bezingt. Hij wil eenzaam zijn, omdat dan zijn dromen het helderst zijn. Sanfin tracht zijn zinsbegoochelingen te regisseren en wijst de personages hun plaats. Maar ze komen op hem af en nemen een loopje met hem. De strijd eindigt onbeslist. Sanfin heeft ons ‘één van zijn krankzinnigheden’ verteld en hij verklaart de verwarring van zijn ziel heilig. Alles wat mensen dierbaar kan zijn verdampt tot leegte. Dat is het dan. En toch ging het intussen over schoonheid, liefde en vrijheid. Ik heb de voorstelling drie keer moeten zien voordat ik wist wat ik ervan vond. Die dwangmatige uitingsdrang, dat narcisme, die pogingen om je dromen tot in detail uit te tekenen en de baas te blijven, dat komt me bekend voor, dat is inherent aan elk creatief proces. Maar tegelijkertijd irriteerde het. Het heeft iets van: de wolken in gaan, op zoek naar luchtkastelen. In Mirage wordt de hallucinatie gecultiveerd als waarde op zichzelf, en met een dergelijke l’art pour l’art-opvatting kan ik slecht uit de voeten. Van de acteurs springt Martijn Apituley als Lagalère eruit, vooral omdat hij meer is dan zijn uitdossing als geile sadomasochist suggereert. Smyrna is een plaatje, maar Patrice Elais speelt deze rol als een schoolmeisje die niet begrijpt wat ze zegt. Eerlijk gezegd ergerde ik me al aan Djamel Bara als Koceilla; hij staat erbij als een moderne David van Michelangelo, maar met een air van ‘ik heb niets met de wereld te maken, daar sta ik boven.’ Aankleding en belichting zijn echter perfect afgewerkt, zoals we dat van Cosmic Illusion gewend zijn. Visueel valt er dus wel iets te genieten …” Lieke van Duin, Trouw (1987)


48


Josaphat 1987

112

Productie: Auteur: Bewerking: Regie: Decor: Kostuums: Muziek: Licht & Geluid: Affiche-ontwerp: Fotografie: Dramatis Personae:

Cosmic Illusion Productions Tone Brulin Felix de Rooy Felix de Rooy Frank Raven Joanne Becker le Mystère des Voix Bulgares Jos ten Brink Felix de Rooy Jean van Lingen

Sofia – Father Josaphat/ Joseph von Rittelstein -

Marian Rolle Huib Broos

“JOSAPHAT”, INDRINGENDE CONFRONTATIE

JOSAPHAT

“…In hartje Amsterdam, op de Wallen, staat de schuilkerk Ons’ Lieve Heer op Solder, waar in de 17de en 18de eeuw tijdens een periode van godsdienstonvrijheid door katholieken, doopsgezinden en lutheranen in het geheim diensten werden gehouden. Het pand is ogenschijnlijk ingericht als woonhuis, maar verbergt op zolder een riante kerk. In deze omgeving, waar elke plank de geur van eeuwen uitademt, speelt de theatervoorstelling “Josaphat”, geschreven door Tone Brulin. Op het altaar ligt de oorlogsmisdadiger Joseph von Rittelstein (Huib Broos) te slapen. Op het laatste moment ontsnapt aan de geallieerden heeft deze kamparts zich de rol van de heilige Josaphat aangemeten. In de loop der jaren heeft hij zichzelf wijsgemaakt dat hij is overgeleverd aan de genade van de kerk en dat die geen onderscheid maakt tussen de gewonnen zieltjes. Met die interpretatie van de rooms-katholieke principes heeft hij zich volkomen ingedekt tegen mogelijke schuldgevoelens. Hij wordt opgespoord door de zwarte nazi-jaagster Sofia (Marian Rolle), wier familie door de Ku-Klux-Klan is uitgemoord. In plaats van de schijnheilige aan de autoriteiten over te leveren, is zij haar emoties niet de baas en neigt naar een ander christelijk principe, dat van naastenliefde en vergeving. De confrontatie ontaardt in een zeer zwaar aangezet psychologisch drama, waarin de curieuze mengeling van boetedoening en verge-vingsdrang haast surrealistisch overkomt. De motieven van de makers zijn wat dat betreft niet bijzonder scherp gesteld. Af en toe bekruipt mij het gevoel dat regisseur Felix de Rooy naar een dubieuze en paradoxale enscenering heeft gezocht om niet simpelweg saai te eindigen met de arrestatie van de misdadiger. Anderzijds opent het drama de mogelijkheid de vraag te stellen naar de zin van een strikte veroordeling. En niet in de laatste plaats toont het hoe emoties, ontstaan door de botsing van twee verledens, de drijfveren van beide personages grotendeels vertroebelen …”

“... Het stuk heeft de opzet van een thriller. Sophia, een zwarte Amerikaanse vrouw, zoekt haar gram bij een Duitse kamparts die ze na een speurtocht van jaren aantreft als monnik in een Romeins klooster. De oorlogsmisdadiger heeft de naam van Sint Josaphat aangenomen, die meestal wordt afgebeeld met de bijl waarmee zijn parochianen hem in 1640 om zijn wreedheid in stukken hakten. Op een aanvankelijk nogal melodramatische, maar gaandeweg bewondering afdwingende manier ontwikkelt zich een psychologische strijd tussen beul en slachtoffer, waarin de rollen tegen het eind verwisseld blijken. Josaphat herbergt vele ‘multiculturele’ elementen, niet alleen uiterlijk zichtbaar, maar ook in het verhaal: de (witte) kampbeul moet keer op keer het trauma van zijn schuld beleven. De morele strijd tussen wraak en vergiffenis verscheurt het ‘slachtoffer’, niet voor niets een zwarte vrouw. Het verband tussen rassenhaat en naziterreur, gewoonlijk een aangewezen recept voor een regelrechte draak, wordt in Josaphat genuanceerd ontrafeld. ”

Eric de Ruijter de Telegraaf (1989)

Frank Siddiqui Trouw (1989)


48


The Human Voice 1992

114

Productie: Auteur: Regie & Decor: Bewegingsadviezen: Licht & Geluid: Affiche-ontwerp: Fotografie: Dramatis Personae:

Cosmic Illusion Productions Jean Cocteau Felix de Rooy Cecile van Deursen Jos ten Brink Nando Faneyter René Emil

The Woman

Marian Rolle

–

DECOR HUMAN VOICE VERTELT VERHAAL VOOR HET IS OPGEVOERD “…La voix humaine van Jean Cocteau is een bijna stukgespeelde monoloog waarin een vrouw zich overeind houdt aan de telefoon tegenover haar geliefde, die zojuist hun relatie heeft verbroken. De inmiddels bijna klassieke tekst, ooit prachtig verfilmd met Anna Magnani, wordt in het Engels gespeeld door de Amerikaanse actrice Marian Rolle. Rolle kan veel, maar hier moet ze het opnemen tegen een onmogelijk decor. De telefoon is zo groot als een flinke twijfelaar, met een hoorn die ze keer op keer overeind moet hijsen. De vrouw staat tussen instortende muren waarin het silhouet van een vertrekkende man is uitgezaagd, alsof hij zo door de wand is gestapt. Daarmee is alles al verteld, dus vraag je je af waarom het stuk nog moet worden gespeeld. Het is een wonder dat de actrice temidden van deze chaos nog kans ziet iets te tonen van haar talent, waarmee ze soepel laveert tussen naïviteit en koketterie, wanhoop en cynisme. Zo’n exuberantie heeft dringend behoefte aan een regisseur die de teugels aantrekt. En dat heeft Felix de Rooy niet gedaan. In tegendeel, hij heeft veel overbodigs aan de tekst toegevoegd: de actrice tooit zich met een hondenkop en beeldt met rollende ogen een nachtmerrie uit. Maar zijn bewerking eindigt met het damesbladcliché dat je vooral van jezelf moet houden …” Marian Buijs de Volkskrant (1992)

BERUSTING NA TELEFOONTJE “… Jean Cocteau, wiens stuk beter bekend is onder de Franse titel ‘La voix humaine’, toont een vrouw die angstvallig wacht op een telefoontje van de man die haar kort daarvoor heeft verlaten. Het doet vreselijk pijn, maar ze heeft begrip voor het feit dat hij teruggaat naar zijn vrouw. Hij heeft immers aan het begin van hun relatie min of meer aangekondigd dat hij dat ooit zou doen. Nu is het zover. Wanneer het telefoongesprek doorkomt is de verbinding slecht, zitten er anderen op de lijn en wordt er herhaaldelijk afgebroken. De vrouw vecht tegen haar radeloosheid en eindigt in een doffe berusting. Marian Rolle, een Amerikaanse actrice die veelvuldig in ons land is, speelt de vrouw in de regie van Felix de Rooy. Die combinatie heeft al eerder erg mooi theater opgeleverd …” Algemeen Dagblad (1992)


48


Dans, dans dan 1993

116

De Nieuw Amsterdam & Theater aan het Spui Auteur: Astrid Roemer Regie & Decor: Felix de Rooy Dramaturgie: Alida Neslo Understudy: Arnie Breeveld Kostuums: Joanne Becker Licht: Rob Goudsmit Geluid: Willem Helverstein Affiche-ontwerp: Felix de Rooy Fotografie: Jean van Lingen Dramatis Personae: Dame – Gerda Havertong Moeder – Bo Bojoh Zuster – Lorette van Heteren Vader – Otto Sterman Echtgenoot – Mike Libanon Lijkenwasser 1: – Jenny Mijnhijmer Lijkenwasser 2: – Daniella Mercelina Het Lijk – Nikè van Lil

DANS, DANS DAN

KLAAGZANGEN RAKEN GEVOELIGE PLEKKEN

“Een dame bezoekt een dodenwake. Het lichaam dat ligt opgebaard is dat van haar geliefde. Klaagvrouwen leiden de dodenwake in, het rouwproces kan op gang komen. De ontmoeting met de familie onthult een web van conflicten en onverwerkte frustraties. De aanwezigheid van de dame veroorzaakt een chaos aan herinneringen. Deze confrontatie met de dood spiegelt pijn, genot en gevoelens van schuld. De naakte waarheid verstrikt hen in de dans van het leven met de dood.

“…Centraal op de vloer staat een witte lijkkist. Twee in het wit geklede klaagvrouwen maken met fladderende mouwen en helder gesproken treurzangen een begin met het rouwceremonieel. Op het voortoneel, dat van de kist is gescheiden door middel van een zwart raamwerk, zit een zwarte dame…”

Het is het ritme van het dagelijks leven. Ieder mens, zelf planten en dieren, stenen kennen deze dans. Mijn kind, niet ieder mens wil de dans uitvoeren. Niet ieder mens kan haar uitvoeren. Niet ieder mens voert de dans precies uit …” Astrid Roemer (1993)

MIJNENVELD VAN RELATIES IN ‘DANS, DANS, DAN!’ “… Dans, dans, dan! is een verwarrende voorstelling. De onrust die zich meester maakt van mensen die met de dood geconfronteerd worden is er neergeslagen in de zinnen. Astrid Roemer legt wonde plekken bloot …” “… Roemer laat de personages aan de baar exploderen. Onverwerkte gevoelens komen aan de oppervlakte en laten zien dat de gezinsleden wildvreemd voor elkaar zijn. Het fatale ongeluk van de dochter brengt dat versneld aan het licht. ‘Haar binnenkant is haar buitenkant geworden’, merkt haar echtgenoot op, terwijl hij het doodskleed van het verminkte lijk rukt. Maar het lijk is niet het enige koude, harde, gehavende lichaam hier. Roemer voerde ook een dame in zwart (Gerda Havertong) op, die warmere gevoelens koestert voor de overledene en in poëtische passages (uit Levenslang Gedicht van Roemer) herinneringen oproept aan hartstochtelijke momenten tussen sandelwood-wierook, venkelthee en Slavische dansmuziek. Het licht springt dan op stemming spotlicht. Het zijn de mooiste ogenblikken, meditatieve oases in een zee van onrust…” De Telegraaf (1993)

“…Meestal heeft Roemer meer woorden nodig. Zij hanteert met verve een bloemrijk, lyrisch taalgebruik. Bij de klaagzangen heeft dat het meeslepende effect van een bij zo’n ritueel passende vervoering. Bij de dialogen dreigt de bedoelde scherpte van de confrontatie tussen de nabestaanden nu en dan ondergesneeuwd te worden door al te barokke beeldspraken. Bij Gerda Havertong als de minnares stoort dat nog het minst. Zij kan de door haar bezongen liefde laten klinken alsof die ter plekke uit haar ziel opborrelt. Overigens is dat mede te danken aan de regie van Felix de Rooy, die het spel mooi strak heeft gehouden. Zodoende ontaardt de pijnlijke ontmoeting van de minnares met de familie, die zelf bovendien de handen al vol heeft aan slechte relaties en frustraties, niet in voor de hand liggende hysterie. Veel onthutsender dan de in wezen onbelangrijke kwestie van een lesbische verhouding wordt, juist door het ontbreken van elk sensationeel tintje, de confrontatie van obligaat liefdesvertoon met werkelijk gevoel …” Hanny Alkema Trouw (1993)


48


Zeg de zee vaarwel 1995

118

De Nieuw Amsterdam Auteur: Bewerking & Regie: Dramaturgie & Vertaling: Choreografie: Muziek: Decor: Kostuums: Licht: Affiche-ontwerp: Fotografie: Dramatis Personae:

Reinaldo Arenas Felix de Rooy Jenny Mijnhijmer Steven Yusuf Daniëls Roy Kuschel Felix de Rooy Joanne Becker Rob Goudsmit Sebastian Holzhuber Jean van Lingen

De Schrijver Zijn Vrouw De Weduwe De Jongen

Bart Kiene Muriël Bats Marline Williams Dennis Meijne

– – – –

ZEG DE ZEE VAARWEL “… Een Cubaans echtpaar verlaat de troosteloosheid van Havana voor een week vakantie in een strandhuis aan zee. De man is een verbitterd schrijver, een gedesillusioneerd revolutionair. Zij is een jonge moeder, vastgelopen in een uitzichtloos huwelijk, gevangen in de kooi van haar ongewenste moederschap. Een excentrieke weduwe en haar jonge uitdagende zoon worden onverwacht hun buren aan het strand. Verborgen conflicten en onderdrukte verlangens drijven als wrakhout naar de oppervlakte. Vier personages, drenkelingen in hun tragikomische zee. Theatergroep De Nieuw Amsterdam brengt met dit theaterstuk een intieme visie op het postrevolutionaire Cuba. Reinaldo Arenas werd in 1943 in Holguín, Cuba geboren. Op vijftienjarige leeftijd vocht bij mee in Fidels revolutie. Zijn homoseksualiteit en de kritische politieke opvattingen die Reinaldo Arenas in zijn boeken verwerkte, bezorgden hem echter jaren gevangenisstraf en heropvoeding door het Cubaanse regime. In 1980 vluchtte Arenas tijdens de Exodus van Mariel uit Cuba naar Miami. In de tien jaar dat hij in Amerika woonde is zijn literair werk een afrekening geweest met zijn Cubaanse verleden. In 1990 pleegde Reinaldo Arenas in New York zelfmoord. Otra vez el mar is als roman in 1969 in Cuba geschreven …” Felix de Rooy (1995)

‘ZEG DE ZEE VAARWEL’ TEKENT CUBAANSE WANHOOP “… Zeg de zee vaarwel is niet bepaald een voorstelling die de mambo danst. De plezante ongerijmdheid en ongeremdheid die de produkties van De Nieuw Amsterdam tekent, is even weg. Hoewel de kleuren van het decor nog steeds zonovergoten lijken, is er trieste grauwheid in het acteren. De zinnen lijken opgetogen, maar er zit verdriet onder. Regisseur Felix de Rooy en zijn acteurs Bart Kienen, Muriel Bats, Marline Williams en Dennis Meijne maken een ontroerende rauwe voorstelling van Arena’s tekst. Een zwaarmoedige indruk die je niet zomaar achter je kan laten. Een feestje is het niet dit keer. Maar wellicht zijn de Cubaanse slaafgeboornen daar ook niet meer toe in staat …” Dick van den Heuvel de Telegraaf (1995)

LITANIEËN UIT CUBAANSE ROMAN MISSEN OP HET TONEEL ZEGGINGSKRACHT “…Het stuk Zeg de zee vaarwel is in de eerste plaats een zee van woorden. Felix de Rooy bewerkte een roman van de Cubaanse schrijver Reinaldo Arenas, een gewezen revolutionair wiens homoseksualiteit en afwijkende politieke houding hem op gevangenisstraf en heropvoedingskamp kwamen te staan, moet liet de tekst in hoge mate literair. Afgezien van Marline Williams die zich, als de weduwe ontpopt als een

geslaagde comédienne en begaafd de taal onderwerpt, worstelen de acteurs met de lappen frontaal gebrachte monoloog …” ”…Het is duidelijk dat deze personages onder druk van de heilstaat zo lang niet meer direct hebben kunnen verwoorden wat ze bedoelen, dat ze zich nu nog uitsluitend in metaforen weten uit te drukken …” Joyce Roodnat, NRC (1995)

ZWOEL VERLANGEN OP HET STRAND VAN EEN TROPISCH EILAND “…Het jongetje, gespeeld door Dennis Meijne, heeft een net volgroeid puberlichaam van hoogstens 1.60 meter en wat Meijne met dat lichaam kan uitdrukken, is prachtig. Hij wurmt zich in een badteil en kringelt om het lijf van zijn aanbidder. Hierbij laten de fysieke betastingen niets aan de verbeelding over. In deze directe scènes benadert de Rooy ongetwijfeld het werk van Arenas zoals het is: brutaal en direct. Wellicht is er nu ook een Nederlandse uitgever wakker geschud die de boeken van de Cubaan in een Nederlandse vertaling op de markt wil brengen? …” Paul Kraayeveld, Gaykrant (1995)

DE NIEUW AMSTERDAM MET GEWAAGDE EROTIEK “…Choreografisch geordende copulatiebewegingen in een hangmat, met ernst onthulde (uiterst decoratieve) borsten, een mannelijk geslachtsdeel in een strak, klein zwembroekje, realistische zuchten en zinderend hete blikken krijgen je, ondanks het feit dat je bent gedwongen te luisteren naar de tekst die onverwerkte gevoelens over menopauze, masturbatie, homoseksualiteit, moederschap en incestueuze verlangens ventileert, in hun greep. Bijzonder is dat deze grove teksten worden geïllustreerd door subtiele beelden, die op hun beurt worden ondersteund met passende muziek …” Monique Gadiot de Gelderlander (1995)


48


4D for Thee 1995

120

Cosmic Instants Auteur & Regie: Video Art: Geluidsd0ecor: Decor & Kostuums: Licht & Geluid: Affiche-ontwerp: Fotografie: Dramatis Personae:

Felix de Rooy Felix de Rooy & John Mendonza Rob van Zomeren Felix de Rooy Patrick Jonker Felix de Rooy Jean van Lingen

Alien De Vrouw De Man

Dennis Bakòpoulos Eva Sandberger Victor Bottenbley

– – –

4D FOR THEE De theater performance 4D for Thee speelt zich af in de toekomst, na een nuclaire holocaust. Een door de radioactieve straling tot leven gewekte alien wordt geconfronteerd met het laatst overgebleven mensenpaar: twee daklozen die uit metrotunnels tevoorschijn zijn gekomen. Zij reconstrueren voor de alien vanuit mythen en herinneringen, de geschiedenis van de menselijke beschaving. Hierbij maken ze gebruik van onder andere televisieclips, animatiefilm, sterreclames en computers. De alien krijgt door de associatie van beelden inzicht in the battle of the sexes en wat voor consequenties deze strijd voor de mensheid heeft gehad. Uiteindelijk geeft de alien het mensenpaar de kans om mee te gaan naar een andere planeet om daar het menselijk ras opnieuw voort te planten. De verwoestende sekseoorlog heeft echter fatale littekens achtergelaten. Felix de Rooy ‘FOR THEE’, VOOR WIE? “…Een instant theater is het, in een serie van drie die Theater Cosmic dit jaar produceert. Een regisseur krijgt twee weken de gelegenheid om met spelers iets moois en kleins in elkaar

te zetten. Werkplaatscreaties mogen het worden, soms in een onaf stadium. Meer om theater als vorm te onderzoeken, dan om de kijker met een stellige voorstelling te confronteren. Felix de Rooy is de tweede, na Pim de la Parra, die dit fenomeen op een sympathieke manier aanvalt. En wat hij op het toneel durft neer te zetten tart elke beschrijving. Op videomonitoren (ook zo’n predikaat van onvermogen) zien we clips uit allerhande films. Carrie van Brian de Palma vliegt voorbij, maar ook de horror van concentratiekampen. Op het toneel is intussen een uitgeklede dame met een al even naakte heer bezig met allerlei wulpse standjes. Want seks moet er in. En geweld ook. De juffrouw danst een reclame voor maandverband, zo met dat frivole blauwe touwtje tussen haar benen en de wildeman kan er ook niet genoeg van krijgen. Och, het zal nog wel ergens over gaan ook: over dat het met de wereld zo niet langer kan gaan en dat het roer om moet en dat we ten onder gaan aan narigheid, enzovoort, enzovoort. Laten we er verder geen woorden aan vuil maken. Wees blij dat u het gemist heeft …” Dick van den Heuvel De Telegraaf (1995)


48


Marival 1996

OLON Best Multicultural Documentary 1997 Hilversum, The Netherlands

Grupo Teatral FRESKA Stichting Forsa & Stichting Kosecha Auteur & Regie: Felix de Rooy Bewegingsadviezen: Victor Bottenbley Decor: Felix de Rooy Kostuums: Freska Coutures Licht & Geluid: Patrick Jonker Affiche-ontwerp: Angus Bremner Fotografie: Jean van Lingen Dramatis Personae: 122

Kandidata 1 Kandidata 2 Kandidata 3 Kandidata 4 Kandidata 5

– – – – –

Kelvin ‘Estrella’ Michaela Ashley Michiel Elio Dorsch Signiel de Roon Ramses Kalvenhoven

Marival “…Elk jaar een heuse culturele overval, met het Caribische Godenbal. Curaçaose tumba, Colombiaanse salsa, Surinaamse kaseko, Limburgse blaaskapel, Cubaanse rumba. Protserige praalwagen troont eendagskoningin, Braziliaanse veren uit haar bubbelende reet, sensuele glitterboa’s, het aroma van vers zweet. Tilburgse kabriet host op karnavalslied: “…met een hete kadushi in je spleet dan wil je wel da-han-sen…”. Hitsig ritme overal, Neerlands Zomerkarnaval. In de exotische karavaan, swingen Antillianen zonder vast bestaan, Eronder, erboven, er tegenaan. Koloniale zondeval veroorzaakt tropisch tranendal: “Tot onze spijt, niet langer automatisch sociale zekerheid. U valt nu onder vreemdelingenbeleid. Heeft u geen familie en geen baan, moet u maar teruggaan naar uw ‘Kadoesji Korsouw’…” “Ja maar dushi, ik hou toch ook van jou en van mijn flat in Hoogvliet Rotterdam, mijn bloemetjesbehang en de Bijlmerbajes in Amsterdam. Mijn uitkering, ziekenfonds, drugsbeleid, zwart geld, mijn B.M.Weetje En de AOW dat vergeet je!” De Karnavalskoorts geblust, terug naar af, daas en versuft. Gezwollen enkel – versleten pees, gebarsten blaar – verstijfde spier, Vertrapt patat – versplinterd glas, gestolde kots – ranzig bier, Dronken feest – etnisch beest, Kippenvel – overspel, gescheurde lip – gebroken tand, bebloed gezicht – verloren verstand - witte etterbal, zwart dievenbal - Gebarsten fles, getrokken mes, De kater krijst: KARNAVAL! …”

Felix de Rooy, 1996

MARIVAL. Documentair-theatervoorstelling. Vijf personages delen ervaringen uit ‘black gay life’ “… Het theaterproject Marival is ontstaan uit een samenwerking tussen de Antilliaanse schrijver/regisseur Felix de Rooy en vijf werkeloze Antilliaanse gays uit de Bijlmermeer. Het project is ontstaan uit de behoefte een stem te geven aan de ‘randgroep van de randgroep’, de Antilliaanse gays in Nederland. In de gemeenschap op de Nederlandse Antillen heerst een hardnekkige ontkenning en een diep stilzwijgen over homoseksualiteit en haar plaats binnen het Antilliaanse cultuurpatroon. De scheldnaam maricu is het brandmerk en het sociale stigma op homoseksuelen die hun geaardheid niet onderdrukken of aanpassen aan de heersende machonormen. Helaas leeft dit Antilliaanse taboe ook voort binnen de Antilliaanse gemeenschap in Nederland. Binnen de ‘kleine Antillen’ die zich in de Nederlandse randsteden hebben ontwikkeld, blijken de homofobe cultuurnormen sterk verankerd. Maar het contact met de Nederlandse normen en waarden, opent voor de Antilliaanse gays de weg naar een nieuw zelfbeeld. De erkenning van hun homoseksualiteit in de Nederlandse maatschappij en de sociale vrijheden die homoseksuelen in Nederland hebben verworven, zijn onmiskenbaar van invloed op het zelfbewustzijn van de Antilliaanse maricu’s …”

SCÈNE 1: ‘MAI I PAI’ (GENESIS) “…Den kuminsamentu Dios a krea mi mama i mi tata. I nan relashon tabata bastante bon, te ora ami a jega. Un testashon den e paraiso di nan matrimonio. Mi mama ta ké un yu muhé. Mi tata un yu homber. Kiko Dios por a hasi pa komplasé. Kon ku ta un yu nan tabata ké. I Dios mester a atende e asuntu mashá lihé pasobra mi mama tabata na estado kaba. Dios den su sabiduría a kreami pa komplasé nan dos. Pero nan no por a kere i nan no a komprondé. Pasobra mi tin kurpa di homber i spiritu di muhé... …” Felix de Rooy (1996)

ANTILLIAANSE MARICU’S KOMEN OP TONEEL UIT DE KAST

JONGENS MET HANDTASJES EN BOA’S IN HILARISCHE SHOW

“…Het toneelstuk speelt zich af tijdens het carnaval en laat de vijf spelers zien terwijl ze zich voorbereiden op een travestieverkiezing. Als pratend, in het Papiaments, vertellen ze ieder hun eigen verhaal. In haast documentaire vorm krijgt de kijker langzaam een beeld van hoe het is om als ‘flikker’ op de Antillen te wonen. De ‘wantando’ wordt altijd geneukt; de macho neukt en wordt ‘kwedo’ genoemd. De wantando mag ook verwijfd zijn, want zijn funktie is toch alleen maar om genomen te worden en dan meestal wel zonder condoom omdat de “echte kerel” wel waar wil krijgen voor zijn geld …” “…Dat de inhoud van het stuk stevige kritiek geeft op zowel cultuur, maatschappij en politiek zou nog wel eens tot confrontaties tussen spelers en publiek op kunnen leveren. Maar de drang om nu eindelijk eens uit de kast te komen, zonder een blad voor de mond, is veel te groot. Zelfrespect, identiteit en trots zijn de mooiste beloning en daar hebben de vijf acteurs en de regisseur een fikse discussie graag voor over …” GayNews (1996)

“… In het toneelstuk Marival van Felix de Rooy spelen werkeloze Antillianen maricu’s, als vrouwen verklede mannen, zichzelf. Op de Antillen zijn zij outcasts. “Alleen tijdens carnaval mogen ze ongestraft in vrouwenkleren de straat op.” …” “…Uitsluitend op de taal beoordeeld is Marival inderdaad geen Nederlands stuk. Maar het gáát wel voor een deel over de Nederlanders. Zo doet een van de acteurs uit de doeken dat een seksbureau hem naar een blanke Nederlander stuurde die door hem, een zwarte, afgeranseld wenste te worden. Daar stond hij dan met een leren zweep in zijn handen terwijl hij toch in de geschiedenislessen van zijn opa geleerd had dat het andersom moest, dat de blanke man de zwarte man altijd sloeg. Rare lui, die Hollanders. De Rooy verwacht dan ook dat zijn voorstelling tevens die laatste groep zal beroeren: ‘De Latijnse passie is groot. Ook in het publiek. Ik kan je garanderen dat het met de maricu’s in een woordenwisseling verzeild zal raken. Tenminste, als ik er werkelijk in slaag het maagdenvlies te breken.’ …” Anneriek de Jong

NRC Handelsblad (1996)


48


Montezuma’s Revenge Internationale tournee: Nederland – België - Duitsland - Zwitserland

In Pursuit of Pleasure 1998/2000 Double Density 2000/2002

124

BV De Laatste der Azteken Concept & Regie: Felix de Rooy Muzikale regie: Bob Zimmerman Decor & Kostuums: Felix de Rooy Video Art: Pervaiz Khan & Felix de Rooy Licht: Ad Schuuring Geluid: Ton Damen & Sebastien Jongejans Montezuma’s Revenge: Paul Klooté Floris Nielen Hans Cassa Ted Koninkx Kai Peterson-Henry Jeffrey Zuhdy

IN PURSUIT OF PLEASURE EUROPEAN TOUR 1998-2000 In 1998 theatre and film director Felix de Rooy is chosen by the group for their next two shows. A new modern and rougher look create the new Montezuma with new repertoire such as songs of Nirvana, The Prodigy and Nine Inch Nails. Metal fences, black clothing and a specific lighting create a totally new atmosphere. The show is called In Pursuit of Pleasure and gets great reviews, among others in the leading Dutch serious Popmagazine OOR. For the first time two CD’s of the same show are released, a studio (In Pursuit of Pleasure) and a live one (Live Pleasure).

DOUBLE DENSITY EUROPEAN TOUR 2000-2002 Never satisfied with a specific direction, Montezuma’s Revenge keeps on trying to renew itself. With Double Density a really thematic show is presented. The process of mourning after a personal loss is combined with the stages a successful group goes through and creates an interesting show where the songs are backed up with documentary video material and sometimes avant-garde musical patterns.

MONTEZUMA BLIJFT STERK TOT HET EIND “… Volgens de programmabrochure mogen we een verhaal verwachten rond vijf zangers op tournee, in hotels en ‘on the road’. Er is veel fantasie voor nodig om dat verhaal er in werkelijkheid ook in te zien, het is niet veel meer dan een vage hint, een flauwe lijn. Toch weet Montezuma’s Revenge door de eenheid van presentatie het gevoel te geven dat je naar een geheel kijkt en luistert, en niet naar een samenraapsel van liedjes. Terwijl ‘Double Density’ eigenlijk niet veel meer is dan dat, kijk en luister je voor je gevoel toch naar een complete show. Dat is onderdeel van het Montezuma-gevoel. In de show draait het uiteindelijk om het muzikale. A capella zang is iets heel aparts, waar je misschien een zwak voor moet hebben. Ik heb die in ieder geval, voor mij hoeven de gitaren niet te janken, de drums niet te daveren, de toetsen niet te rammelen. De menselijke stem die al die geluiden imiteert, dat is veel boeiender. En het biedt een enorme uitdaging om te arrangeren. ‘Double Density’ is een mix van – dikwijls zeer bekende – covers en eigen nummers. En juist die covers hebben dikwijls heel interessante arrangementen, met complexe lijnen. ‘We are the champions’ was er een van. ‘Night after night’, ‘Drifting away’ en ‘Freedom’ andere mooie cover-versies. Een fantastische vertolking van ‘The power of love’!… “… Montezuma’s Revenge is een groep die al jaren een constante hoge kwaliteit biedt, en die die lijn met hun nieuwste programma heel sterk weten vast te houden …” Willem Nijssen PZC (2001)


48


De dood en het meisje 2000

126

KUN JE DOODGAAN AAN EEN OVERDOSIS WAARHEID?

On Stage Productions Auteur: Regie & Decor: Kostuums: Licht: Geluid: Affiche-ontwerp: Dramatis Personae:

Ariel Dorfman Felix de Rooy Diana Oemrawsingh Eartha Silos Albert Calor Felix de Rooy & Edvard Munch

Paulina Salas Gerardo Escobar Roberto Miranda

Helen Kamperveen Anis de Jong Jack Monkau

– – –

“…Een kleine cast van professionele acteurs heeft het onder leiding van een ervaren regisseur aangedurfd een zwaar en moeilijk stuk op het toneel te brengen …” “…Regisseur Felix de Rooy heeft met deze theatervoorstelling kundig gedoseerde spanning op het podium weten te brengen en te houden, tot en met de laatste, verrassende uitsmijter. Beklemming, ontroering, ontzetting en humor vloeien in elkaar over naarmate het plot zich ontwikkelt. Van de tekst is een volledig drama gemaakt …” Chandra van Binnendijk de Ware Tijd (2000)

DE DOOD EN HET MEISJE. EEN ADEMBENEMENDE MORELE THRILLER MET HELEN KAMPERVEEN “… De volgende vragen die uit het stuk naar voren komen, lenen zich niet gemakkelijk voor beantwoording: Hoe kunnen degenen die gemarteld zijn samen met de daders op vreedzame wijze co-existeren? Hoe moet men een land helen dat getraumatiseerd is door onderdrukking als de vrees om vrijuit te praten in brede kringen nog aanwezig is? Hoe moet je de waarheid achterhalen als liegen een gewoonte is geworden?

Hoe moeten wij het verleden levend houden zonder zijn gevangene te worden? Is het legitiem om de waarheid op te offeren teneinde vrede te bereiken? En misschien de lastigste vraag: In hoeverre zijn wij zelf (mede) schuldig aan hetgeen gebeurd is? …” Carlo R. Jadnanansing De West (2000)

DE DOOD EN HET MEISJE: Trauma’s van een gewelddadig regime “…Elke samenleving die goed functioneert heeft tenminste twee basiskenmerken: communicatie en saamhorigheid. Elke stem moet gehoord worden, ook die aan zeer onprettige, onopgeloste zaken herinnert. Dat laatste gebeurt in het toneelstuk De dood en het meisje geschreven door de Chileen Ariel Dorfman en hier opgevoerd met Helen Kamperveen in de hoofdrol, onder regie van Felix de Rooy. De derde voorstelling, afgelopen zondag in Thalia, werd door slechts 60 personen bezocht, maar kreeg wel een staande ovatie …” Elvira Rijsdijk de Ware Tijd (2000)

DE DOOD EN HET MEISJE. Een indringende confrontatie met het kwaad in Thalia “…Het is duidelijk dat de acteerkracht van Anis de Jong, Jack Monkou en Helen Kamperveen, het toch al indringende toneelstuk van de Chilieense auteur Ariel Dorfman, nog indringender maken. Bijna ondraaglijk, zoveel kwaad en slechtheid, zoveel haat en trauma’s, zoveel verwarring en vertwijfeling, zoveel pijn, lichamelijk en geestelijk. Alleen maar om de vermeende glorie van een dictator …” “…Studenten zouden door het stuk te gaan zien en hun oordeel erop los te laten, hun visie en inzicht in mensenmaatschappij verbreden en verdiepen …” “…De ouderen kunnen hun hart ophalen met het stuk. Diep nadenken en diep navoelen geblazen. Wat niet kan, kan niet, en we moeten ons daar ook echt niet mee inlaten. Bovendien moeten we ethisch, moreel, politiek, sociaal, economisch, juridisch en institutioneel zo sterk worden, dat wij en onze samenleving nooit meer slachtoffer worden van dergelijk misdadig kwaad …” Carla Tuinfort de Nieuwe Krant (2000)


‘HEALENDE’ WERKING VAN DE DOOD EN HET MEISJE

2005 On Stage Productions Tournee Suriname - Curacao Auteur: Regie & Decor: Dans performance: Licht: Geluid: Affiche-ontwerp: Fotografie: Dramatis Personae:

Ariel Dorfman Felix de Rooy Brigitte Gummels Eartha Silos Albert Calor de la Fuente Design Hijn Bijnen & Henry de la Fuente

Paulina Wedervoort – Gerard Bruinhart – Dokter Miranda –

Helen Kamperveen Dennis Rudge Edwin Gefferie

presenteert op

28,29 en 30 september

van Ariel Dorfman Regie: Felix de Rooy Spel: Dennis Rudge Helen Kamperveen Edwin Gefferie

kaartenverkoop: Nafl. 35,Teatro Luna Blou en Mensing’s Caminada vanaf 19 september aanvang: 20.00

uur plaats:

Mede mogelijk gemaakt door: De Vertegenwoordiging van Nederland in de Nederlandse Antillen Het Prins Bernhard Cultuurfonds voor de Nederlandse Antillen & Aruba

“… In Suriname trekt het theaterstuk De dood en het meisje al weken volle zalen. Het beroemde stuk van Ariel Dorfman speelt zich af ten tijde van de dictatuur in Chili. Maar regisseur Felix de Rooy bewerkte het en situeerde het in Suriname. Het is het Suriname van na de militaire dictatuur, de 8-december-moorden en andere grove schendingen van mensenrechten zoals de moordpartij in Moiwana. Een confronterend stuk dat tot nadenken zet, niet alleen bij het publiek, maar ook bij de hoofdrolspelers Helen Kamperveen en Edwin Gefferie. Actrice Helen Kamperveen houdt het pistool tegen het hoofd van haar beul Roberto Miranda (Edwin Gefferie). ‘Wat maakt het uit als er een van jullie zal sneuvelen? Wat verliezen we ermee na al dat onrecht dat jullie ons hebben aangedaan?’ Kamperveen speelt met passie de rol van Paulina Salas, die de typisch Surinaamse naam Paulina Wedervoort heeft gekregen. Zij werd tijdens de militaire dictatuur in Suriname opgepakt door de militairen, gemarteld en verkracht. Jaren later heeft ze nog altijd een trauma en lijdt ze aan angstpsychoses. Als op een avond een kennis van haar man op bezoek komt, herkent ze in hem haar vroegere beul dokter Miranda. Ze besluit wraak te nemen. Voor Helen Kamperveen is het stuk bijna autobiografisch. ‘Ik ben niet verkracht of gemarteld door de militairen, maar ik moest wel vluchten in 1982 met mijn man en kinderen. Mijn schoonvader, André Kamperveen was een van de slachtoffers van 8 december. Mijn man Johnny, die drie jaar geleden is overleden, stond ook op de dodenlijst. Ons leven heeft sindsdien in het teken gestaan van de moorden van 1982.’ Volgens Kamperveen is De dood en het meisje een belangrijk stuk voor Suriname, zeker nu het door Felix de Rooy is herschreven naar de Surinaamse situatie.

‘Het komt nu veel directer bij de mensen binnen. Dat merk ik aan de emotionele reacties. Er is zelfs nazorg gesuggereerd. Ik merk het ook aan mijn eigen spel. Als ik Gefferie, die de rol van mijn beul speelt, verneder en onder schot houd ben ik ook echt kwaad.’ Kamperveen wordt gestimuleerd in haar spel door haar tegenspeler Edwin Gefferie. Gefferie is namelijk naast acteur in Suriname vooral bekend als majoor en commandant van de Memre Boekoekazerne. Kamperveen: ‘Hij is militair en dat triggert me, want sinds de dictatuur moet ik niets van militairen hebben. En trouwens, hij is ook aanhanger van Bouterse.’ Kamperveen en Gefferie zijn aan elkaar gewaagd. Vandaar ook de keuze voor de twee acteurs door regisseur Felix de Rooy, die van meneing is dat het stuk een ‘healende’ werking heeft. De Rooy: ‘Er is nog zoveel onverwerkt verdriet over die periode in Suriname en zowel Gefferie, die de personificatie van het leger is, als Helen als nabestaande lijdt eronder. De repetities gingen er soms ook heftig aan toe. Zeker toen vorige week ook nog bekend werd dat Suriname de nabestaanden van de moordpartij in Moiwana moet betalen. Dat was heel actueel, en voor ons stuk echt een cadeautje.’

Toch durft Kamperveen de echte confrontatie met Gefferie niet aan. ‘Ik heb hem niet gevraagd naar zijn rol als militair op 8 december en waarom hij nog altijd aanhanger is van Bouterse. Ik voel dat we nog altijd de dingen niet bij de naam durven te noemen. En weet je, eigenlijk vecht ik het liever met hem uit op het toneel.’ Na afloop van de voorstelling wast Edwin Gefferie de laatste ketchup van zijn gezicht. ‘Ja, vanavond was ze erg emotioneel. Ik zag haar tranen, die waren echt.’ Gefferie speelt normaal gesproken volkstoneel, maar hij is enthousiast over het stuk. ‘Het is een stuk geschiedenis waar nog veel vragen over zijn. Ik denk ook dat het tijd wordt dat er een stuk vergeving komt. Ik was toen militair, maar ik was niet dicht bij 8 december betrokken. Ik voerde gewoon orders uit. Nee, er is niets autobiografisch aan voor mij: de beul die ik in het stuk speel, zo ben ik in werkelijkheid niet.’ Kamperveen: ‘Ook al is het soms gespannen en vragen we elkaar niet naar ons verleden, ik vind het wel geweldig dat hij het doet. Dat hij de moed opbrengt om tegen me te spelen. Ook al wantrouw ik hem’

Nina Jurna Het Parool (2005)


Jörgen Raymann Internationale tournee: Nederland – Suriname - Curaçao Even Slikken Slaaf of niet Verslaafd In Holland staat mijn Huis Te Gek om Los te Lopen

128

2000 2002 2004 2007

Men at Work & Jorray Prodcutions & Mojo Theater Teksten: Jeffrey Spalburg, Jörgen Raymann, Felix de Rooy, Simon van der Ben, Guus Pengel Regie & Decor: Felix de Rooy Muziek: Harto Soemodihardjo & Roy Bhagwandin Kostuums: Carla Kana Lichtontwerp: Martin Beekhuizen, Kees Zuidema Geluid: Gert Blom, Armand Wouters, Anthony Macintosch Affiche-ontwerp: Studio Prins, Frank de Wit, Debbie van Polanen, Fotografie: Diana Wildschut, Roberto Buth, Judith Zwikker

RAYMANN IS GEGROEID TOT SUBTIELE VAKMAN “… Anders dan zijn stand-up comedyachtergrond doet vermoeden, toont Jörgen Raymann zich met Even slikken een cabaretier in de verteltraditie van Freek de Jonge. In een ingenieus gecomponeerd verhaal vertelt hij de hilarische reis van een jonge Surinamer die via vliegveld Zanderij naar Nederland vliegt. Op zoek naar een betere toekomst. Raymann toont zich een meester in het neerzetten van typetjes. Van rasAmsterdammer, allochtone leerlingen op een zwarte school tot een Surinaamse dame. Vooral de manier waarop de cabaretier de typetjes in zijn verhaal gebruikt, is indrukwekkend. Even slikken zit vol prachtige vondsten. Zo becommentarieert en relativeert de Surinaamse dame – Raymann verkleedt zich razendsnel in een prachtig praalkostuum – andere personages en gebeurtenissen in losse sketches. De ontroering in de zaal is voelbaar. Jörgen Raymann blijkt in zijn derde programma een volwassen vakman. Zijn grappen zijn subtiel: ‘President worden is voor mietjes. Een jongen moet handelaar worden. Dan koopt ‘ie de president.’ Zijn liedjes zijn mooi van eenvoud en geestig, zoals het rapWilhelmus van een Surinaamse scholier. In vlijmscherpe grappen houdt hij zowel de Surinaamse als de Nederlandse samenleving een spiegel voor. Even slikken staat voor de bolletjes cocaïne die door Surinamers inwendig naar Nederland worden gesmokkeld. En voor de tegenslagen: ‘Daar zit je met je olie, hout en goud. En met een regering die niemand vertrouwt. ’t Is even slikken.’ Raymann toont aan over voldoende talent en klasse te beschikken om volgens een weliswaar ingenieus, maar traditioneel patroon een verhaal met

boodschap te vertellen. Lichtvoetig en zonder te vervallen in politiek pamflettisme …” Alexander Nijeboer de Volkskrant (2000)

MOPPENTAPPER RAYMANN OVER HOLLAND EN SURINAME “…Even slikken vertelt het verhaal van een jongeman die vrouw en kind verlaat om in het in Amsterdam te gaan maken. Onderweg ziet hij de corruptie in zijn eigen land (hij redeneert dat zijn zoon geen president moet worden, maar handelaar, want dan kóóp je die fokkin’ president gewoon), de cocaïnesmokkel en de ontvangst die hem hier ten deel valt: ‘Je cao en aow, die zijn gegarandeerd / m’n huidskleur en m’n roti-geur worden hier getolereerd.’ Hij krijgt onderdak, maar vraag niet hoe, en een baan. Toch het gaat mis, door een nogal vergezocht misverstand, en dan moet hij terug naar Suriname. Wat er in zijn land gebeurt, gaat Raymann aan het hart. Als hij in volle ernst te spreken komt over het verval van normen en waarden, over ‘een regering die niemand vertrouwt’ en over ‘een heel volk in nood’, waarvan 5 procent desondanks welgesteld is, vind ik hem op zijn best. Want daarmee voegt hij aan de hilariteit, die hij zo’n hele avond met groot gemak en overtuigende flair weet op te roepen, iets toe dat mij meer zegt dan veel van zijn grappen…” Henk van Gelder NRC Handelsblad (2000)

RAYMANN MET HANDBAGAGE “…Vanaf het laatste nummer voor de pauze, over hoe de goedmoedige jonge onderwijzer Mahinder incheckt op vliegveld Zanderije, alvorens hij naar Nederland vertrekt om geld te verdienen voor vrouw en kind, heeft Raymann het helemaal op zijn heupen. Beginnende met de vaststelling dat Surinamers vermoeiend zijn als ze op reis zijn (bij de incheckbalie: ‘Nee mevrouw, die ijskast ís geen handbagage’) neemt hij met grote voortvarendheid de stereotiepen omtrent Surinamers, Nederlanders en andere bevolkingsgroepen onder schot. Als Mahinder in Nederland voor de klas staat en de dialoog met zijn leerlingen aangaat, komt boven hoezeer Raymann de vertolking van verschillende karakters beheerst en hoe zwartgallig en zot het door hem geschetste wereldbeeld is. Een door Mahinder opgezet project waarin de kinderen van het ZVBO (Zwart Voorbereidend Onderwijs) naar eigen inzicht geld mogen verdienen voor de schoolkrant, loopt volledig uit de hand. De kinderen komen na een dagje werken met vijftienduizend gulden op de proppen, want Achmed en zijn vriendjes hebben een geldloper overvallen en Latifa heeft een leuke zakenman ontmoet aan de bar van het Amstelhotel. Mahinder is ontredderd, maar de kinderen zijn zeer tevreden. ‘Eendracht maakt macht meester,’ rechtvaardigt Achmed met een oud-Hollandse wijsheid de groepsoverval. Mahinder is gedesillusioneerd en keert terug naar Suriname. Met ook nog een aantal luimige liedjes schetst Raymann het lot van een karikaturale Surinamer. Rolbevestigend is dat zeker, maar getuige de reacties komt de boodschap duidelijk over …” Peter Hoomans Het Parool (2000)


48


Duet / Duel The ultimate Xtasy Tournee: Nederland - Curaçao

2003

130

Stichting Art United Auteur: Concept & Regie: Video & Virtual Design: Decor & Kostuums: Lichtontwerp: Affiche-ontwerp: Dramatis Personae: Clyde Hemmings/ Okazaki Boy Moeder – Vader – Psychiater – Reporter – Oma PR-Manager Okazaki -

Mark Walraven Felix de Rooy Shade Interactive, Ruud Lanfermeijer Felix de Rooy Ingeborg Slaats Urban Perception Aldrico Amando Felida Mies de Heer Felix Burleson Felix de Rooy Ivette Forster Ivonne van Bercheycke Victor Bottenbley

DUET/DUEL “…DUET/DUEL is een cyberthriller in de vorm van de ultieme videogame die zich afspeelt in een observatiekamer van een psychiatrische kliniek. Clyde Hamming verblijft daar, omdat er een aantal moorden heeft plaatsgevonden waarvan hij wordt verdacht. De psychiater geeft hem de kans het spel opnieuw te spelen om zo te reconstrueren wat er precies is gebeurd. De psychiater stopt echter niet bij de reconstructie. Hij wil dat Clyde ook het laatste level speelt …”

KIJKEN IS MEESPELEN “…Op een groot scherm schieten de roze letters ‘Do you wanna play?’ als sterren en planeten in het universum heen en weer. Ergens vanuit die ruimte klinkt de digitaal bewerkte stem van regisseur Felix de Rooy. Als een godheid, maar vooral als psychiater laat hij verdachte Clyde Hamming zijn gepleegde moorden reconstrueren …” “Het spel kan beginnen. De Rooy bedacht vier niveau’s in de psyche, net als levels in een game. De eerste is ‘Kill Old Age and Disease’. Oftewel: de materiële wereld. Pas als je daarmee hebt afgerekend, kan je naar het tweede level dat ‘Kill your Darlings’ heet. Je moet je onthechten van de liefde en de mensen van wie je houdt. Aanbelanden op level drie betekent ‘Kill your Roots’. Letterlijk. Op de videobeelden is te zien hoe ongeruste ouders polshoogte komen nemen en even later ontzield op de vloer liggen. Het level Kill your Roots heeft nog een andere functie. Want wat Clyde, geboren uit een blanke moeder en zwarte vader, zegt over de strijd met het zwart/wit zijn, vertelt veel over De Rooy zelf. ‘Er zitten vijf volkeren gemengd in me. Ik ben een fusie. Wij zijn die moksi meti’s die alles in zich dragen. Alle geesten van onze diverse voorouders.’ Alleen weet Clyde niet welke kant hij moet kiezen. Heeft hij eigenlijk wel een keuze? Zwart, wit. Wit, zwart. Hij speelt al zijn hele leven een dubbelrol.” “… Maar de situatie van Clyde die zich als held Okazaki Boy tot taak heeft gesteld virtuele vijanden te verdelgen en daarmee niet meer blijkt te kunnen stoppen, maakt het spannend. Ook al blijft de schuldvraag onbeantwoord. In elk geval wast de maker van de game waarin Clyde zichzelf verliest, zijn handen in onschuld. In één van de geprojecteerde videobeelden zegt hij tegen hét prototype televisiejournalist: ‘Uiteindelijk is elk mens een moordenaar.’ Even later beweert hij zelfs dat het spelen van cybergames therapeutisch zou zijn …” Therapeutisch blijkt het spel Duet/Duel niet alleen voor de Rooy, maar ook voor Amando Felida. ‘Aldrico wilde al tien jaar iets met me maken en toen kwam het moment dat een vriend van hem zelfmoord had gepleegd. Dat was het moment om als vriend en als kunstenaar iets voor hem te doen. Omdat kunst heelt, legt De Rooy uit.” “…Niet verwonderlijk dat het vierde en tevens laatste level ‘Suicide of Sacrifice’ heet. Daar gaat het om: zelfmoord of opoffering. Immers: Jezus Christus was ook een zelfmoordenaar. Vandaar dat Clyde tegen de psychiater zegt: ‘Jij bent mijn Judas, zonder Judas geen Christus. Zonder moordenaar, geen martelaar. Het is niet het einde dat telt, het is de consequentie van het einde.’ De toeschouwer blijft aan dit eind niets bespaard. Een apotheose van beelden bloed, dood en verderf in videoclipsnelheid afgespeeld. Nét niet snel genoeg om de afschuw niet te voelen. Het publiek wordt niets gevraagd: kijken is meespelen en haast medeplichtig zijn aan de gruwelheden. Game over …” Karin Wesselink MultiNed (2003)


48


Earthlinks Tournee: Nederland - Duitsland

2004

132

Stichting EDGE & Dance Unit Choreografie: Diana Elshout & Frank Händeler Concept & Regie: Felix de Rooy Decor: Bartel Meyburg Video Art: Felix de Rooy & Chris Reybicki Muziek: Lucid Terror Piano: Marion von Tilzer Kostuums: Dorine van IJseldijk Licht: Desiree van Gelderen Geluid: Floris Maathuis Affiche-ontwerp: Koch & Bos Amsterdam Fotografie: Gert Weigelt & Robert Benschop Dansers: Diana Elshout Frank Händeler

EARTHLINKS “Earthlinks is een studie van het dualisme in de mens. Een existentiële tweestrijd tussen het menselijke en het dierlijke, het primitieve en het gecultiveerde, het mannelijke en het vrouwelijke die uitmondt in de mythische strijd tussen de seksen. Vanuit mythologische archetypen waar mens en dier zijn samengesmolten vindt een ritueel plaats waar het paringsduet in een paringsduel transformeert. De confrontatie van het animalisme met het gecultiveerde, enerzijds de vrouwelijke mannelijkheid, de adoratie van de fallus naar de ikoon van de maagd/hoer; anderzijds de mannelijke vrouwelijkheid, de fallische vrouw berijdt de animalistische man. Vanuit het pornografische profane naar het rituele sacrale door terug te keren naar oerconcepten; door de banden met de aarde te herstellen: the earthlinks. Het helingsritueel van technologie naar ecologie om ons te sparen voor zelfvernietiging. Van de prehistorische handafdruk op de rotswand, tot de digitale beelden via de gsm laten wij door en met ons lichaam sporen achter. Sporen van onze menselijke dualiteit in strijd met de relativiteit van onze vergankelijkheid.” Felix de Rooy (2004)

VOORBINDPIKJE VAN DE WEEK “EARTHLINKS. De Volkskrant vond dat het nieuwe dansduet van Elshout en Händeler in première had moeten gaan in een hoerentent. Dat was geen slecht idee. Het zwakste punt aan deze beeldende voorstelling over dierlijke lust zijn namelijk de trage, performance-achtige scènes. Als Frank Händeler zijn torso met wasknijpers pijnigt, verlang je naar meer show en minder huiskamer-sm. De kracht van Earthlinks zit ‘m in de showy acts, als het duo – bruisend begeleid door de pianiste van Lucid Terror – brutaal de grens aftast tussen gelikte porno en theatrale oerbeelden. Hij met puntige hoorns op zijn kop en aan zijn

handen, zij met enkellange vlechten als een Germaanse schone. Diane Elshout die een achterpootje optilt zodat Händeler haar trillende voorbindpikje kan besnuffelen. Geestig, wonderlijk, dierlijk. Kunstig is ook het bruggetje achterover met de zwarte dildo triomfantelijk in de lucht. Trage stukken eruit, sneller monteren en het theater verandert vanzelf in een nachtclub.” Marijn van der Jagt Vrij Nederland (2004)

SCHAAMTELOOS NARCISME BIJ ELSHOUT EN HÄNDELER “…Die beelden domineren in Earthlinks – Life wants to live, deel één van een nog te realiseren drieluik van het dansduo Diane Elshout en Frank Händeler. Als eerste hoe hij (Händeler) met fallische hoorns op het hoofd als een archetypisch monster wordt belaagd door een sensueel, roofdierachtig wezen (Elshout) en hoe ze daarna samen een dierlijk paringritueel uitvoeren. Vervolgens hoe zij met een zwartglanzende dildo hem bespringt en beiden dan ruggelings aan elkaar gebonden trillend tot een hoogtepunt komen. Tot slot dat ze hun naakte lijven met geel en oranje sappen ‘wassen’ om zich daarna als wentelteefjes door de witte meel te rollen en een plakkerig en worstelduet te dansen …” Isabella Lanz NRC Handelsblad (2004) IJDEL EN EXHIBITIONISTISCH DANSDUET “… IJdel en exhibitionistisch: die woorden dringen zich voordurend op bij het zien van het nieuwe duet van Diane Elshout en Frank Händeler. Ze kronkelen over de vloer, zitten of liggen boven op elkaar, hissen, hijgen en kussen elkaar op de mond, soms voor, soms nadat het paringritueel is volbracht. Het ‘toonaangevende choreografenduo’, zoals ze zichzelf noemen, zoekt in Earthlinks naar het dierlijke in de mens

en het menselijke in de dier. De twee choreografen krabben het laagje beschaving af om te laten zien wat er nog over is van onze verbondenheid met de natuur. Het materiaal zijn ze zelf. Om hun dierlijkheid te benadrukken zijn ze zo goed als naakt, op een string na. Händeler draagt er een van zwart, harig materiaal, Elshout een strakke, en een bh. Waar hij kniehoge zwarte laarzen aanheeft, draagt zij hoge hakken en een blonde pruik met lange strengen, waarin ze haar partner probeert te verstrikken …” “…Verrassend genoeg trekt te voorstelling tegen het einde bij. Dan doopt Elshout haar handen in een rode vloeistof en strijkt dat over haar lichaam uit, hetzelfde gebeurt bij Händeler. Gecombineerd met dwarrelend meel zorgt dat voor een bijzonder effect. Het doet zowel aan Butoh-dans denken, als aan de werken van de Duits-Amerikaanse kunstenares Kiki Smith, door wie de twee zijn geïnspireerd. Bijvoorbeeld aan Blood Pool uit het begin van de jaren negentig, waarin een binnenstebuiten gekeerd lichaam op de grond ligt, met zijn ruggengraat naar de kijker toe. Met meel en rode vloeistof bereiken Elshout en Händeler hetzelfde bloederige open-wondeffect: wanneer ze ineengestrengeld dansen krijgt het duet op het nippetje toch nog een interessante lading …” Irene Start

Haarlems Dagblad (2004)


48


De kleur van Droes

‘DE KLEUR VAN DROES’,

Internationale Tournee: Nederland – Suriname – Zweden – Italië – Zuid Afrika - Ghana

2004

Gustav Borreman

–

ph Mark Kohn/Urban Perception, The Colour of the devil, Foundation Art United

Jakobus Eliza Capitein

Mark Walraven Felix de Rooy Laurindo Andrea Ingeborg Slaats Felix de Rooy & Urban Perception Mark Kohn

Ferro ComunicazioneDesign

134

Stichting Art United Auteur: Regie & Decor: Kostuums: Licht & Geluid: Affiche-ontwerp: Fotografie: Dramatis Personae:

Fátima Miranda Russell Barr

Foundation Art United

Michel van der Aa - Barbara Hannigan

Russell Maliphant Company

Tim Crouch Compagnie Marie Brassard

Made in da Shade

Amal Kenawy

Duda Paiva

migrazioni di paese in paese di corpo in corpo festival di teatro danza musica e oltre – 19° edizione INFO tel. 02.716791 / 02.26681166 www.elfo.org Cultura Spettacolo - Turismo

Cultura Spettacolo - Turismo

Cultura Spettacolo - Turismo

Cultura Spettacolo - Turismo

Cultura Spettacolo - Turismo

Cultura Spettacolo - Turismo

Cultura Spettacolo - Turismo

Cultura Spettacolo - Turismo

F O N DA Z I O N E C A R I P L O

Milano 20 settembre 16 ottobre 2005

rijk aan stof om serieus over na te denken “... De monoloog De Kleur van Droes, opgevoerd door Gustav Borreman, is een heftig toneelspel welke mensen confronteert met belangrijke issues zoals de identiteit van mensen. Het stuk werd afgelopen donderdag opgevoerd in Theater Thalia. Wie ben je, ben je het product van mensenhanden en besef je wel wie je bent? Kleur staat binnen dit toneelspel centraal. Voor de blanken werd de duivel gezien als zwart en voor de Afrikanen was de duivel wit. Een kwalitatief hoogstaand product, maar daarbij rijst gelijk de vraag of toneelminnend cultuur klaar is voor dergelijke gedurfde stukken. Het stuk op zich spreekt duidelijke taal over het dilemma waarin mensen verkeren over hun kleur, biedt stof om over na te denken en daarbij individueel een standpunt in te nemen. De schrijver Mark Walraven heeft door middel van de monoloog het leven van een zeer ambitieuze man weergegeven, die door zijn plannen de werkelijkheid uit het oog verliest. In het stuk krijgt een kunstenaar, gespeeld door Gustav Borreman, de opdracht een portret te maken over Jakobus Eliza Capitein die als kleine zwarte jongen in Nederland terugkomt en na jaren als zwarte dominee met een opdracht terugkeert naar zijn geboortestreek. In het kader van zijn opdracht verricht de kunstenaar onderzoek naar het leven van Capitein zelf waarvan het resultaat gepresenteerd wordt in de monoloog. De bezoeker maakt daardoor kennis met de persoon in het portret. Een leven van tegenstrijdigheden, vernederingen en nog veel meer. Op een gegeven moment raken de verteller en het leven van Capitein zodanig in elkaar verstrengeld, dat de grenzen bijna niet te scheiden zijn. Het verhaal echter is heel duidelijk en de acteur Borreman heeft mede vanwege zijn achtergrond een krachtig personage neergezet. ‘Prachtig acteerwerk, hij speelt de sterren van de hemel’, waren enkele reacties van ooggetuigen. In dit stuk vertolkt Gustav Borreman de rol van Jakobus Eliza Capitein, de ambitieuze zwarte dominee in Fort Elmina, Ghana, die zelf handelde in slaven. Verder de rol van Petronilia, diens vrouw, een wees uit Nederland die de dominee slechts kende van een portret. Petronilia was in tegenstelling tot Jakobus zich bewust van de kleur van de zwarte dominee, maar hij wilde dat niet accepteren. Door de hand van Borreman in het kunstwerk dat als decor dient en het verhaal over de kapitein krijgt het geheel een diepere dimensie en krijgt de toneelbezoeker de gelegenheid een kijkje te nemen in het leven van

deze zeer ambitieuze man, die in Ghana aangekomen gelijk de handen uit de mouwen sloeg om de inboorlingen te kerstenen, echter vruchteloos. We komen maatschappelijke issues tegen: de geschiedenis, met name de rol van de kerk ten opzichte van de slavernij, die het onmenselijke handelen van de kolonisator rechtvaardigde op basis van de Bijbel die het volgens hen goedkeurde en de plaats van seksualiteit binnen het geheel. De verloochening van de eigen kleur door Jakobus Eliza en de gevolgen van jarenlange indoctrinatie. De zwarte dominee beschouwde en waande zichzelf wit, terwijl de realiteit anders was. De grote ontgoocheling en het niet willen erkennen van de waarheid. De frustratie van de dominee wordt groter gelet op het feit dat de steun uit Nederland wegbleef en de kerk in Fort Elmina leeg bleef ondanks zijn inspanningen. In Nederland werd de zwarte dominee geëerd en op handen gedragen, maar door de blanken in Fort Elmina, Ghana, werd hij veracht, vernederd en zelfs uitgemaakt voor de duivel. Het werk op de school die hij opzette vlotte wel, maar de kerk was vanaf zijn komst leeg en zo is het ook gebleven tot na zijn uiteindelijke verdwijning samen met zijn vrouw. De zwarte dominee werd niet door de ‘wilde blanken’ geaccepteerd. Door hen werd hij beschouwd als de zwarte duivel, die hen niets te vertellen had. De kleur van Droes is absoluut een aanrader voor toneelliefhebbers die graag een andere stijl van podiumkunsten zien, maar het is absoluut geen lichte opvoering. Het stuk is geregisseerd door Felix de Rooy, multidisciplinair artiest.” Ruth Nortan, de Ware Tijd (2005)


48


De Schaduw van Goedheiligman 2008 Krater Theater Auteur: Mark Walraven Concept & Regie: Felix de Rooy Affiche: Vincent Jong Tjien Fa Acteurs: Josee Klaase Marcel Faber Shertise Solano Sinan Cihangir

136

ZET NAAST DE SINT MAAR EEN BLAUWE SMURF.

HET BESTE HULPJE VAN VERDONK IS DE PIETENPOLITIE

ZWARTE PIET IS GEVOELIGE SNAAR

“… Stel, zegt een zwarte man, stel dat alle Surinamers in Amsterdam op 5 december hun schoolgaande kinderen thuishouden: ‘Zou dat niet een heel duidelijk signaal zijn dat wij bij de sinterklaasviering geen Zwarte Piet meer willen?’ In het zaaltje in Amsterdam Zuid-Oost klinken vele kreten van bijval. Het is een van de vele heftige reacties op het toneelstuk De schaduw van goedheiligman, dat gisteren in de Bijlmer in première is gegaan. Sinterklaas mag dan heel oud zijn, Zwarte Piet is een bedenksel van een onderwijzer in 1852. Piet is met zijn krompraat, olijke dansjes en luid beleden domheid een kind van het negentiendeeeuwse racisme, zegt regisseur Felix de Rooy: ‘Zwarte Piet komt uit de tijd van de slavernij.’ Tekstschrijver Mark Walraven (Amsterdam, 1962) speelde vroeger zelf voor Zwarte Piet: ‘Later ben ik echt gaan nadenken. Ik vind nu: Zwarte Piet is racistisch.’ Dat is ook de conclusie van het boordevolle theaterstuk. Een zwarte jongen begint de Eerste Echte Nederlandse Zwarte Pietenbond en wil dat Zwarte Piet voortaan alleen nog maar gespeeld wordt door mensen die ook echt zwart zijn: ‘Dat is ook goed voor de werkgelegenheid onder die bevolkingsgroepen.’ Witte lobbygroepen verzetten zich heftig met een beroep op de traditie. Maar, zo luidt de boodschap: ‘Niets is zo veranderlijk als de traditie.’ …” ‘… Daarom moeten we voorzichtig opereren, zegt Priscilla Ramsahai van radiozender Mosa FM: ‘Obama is ook president geworden doordat hij niet sprak over ras.’ De Rooy antwoord: ‘het is Obama gelukt, doordat de Amerikaanse bevolking besefte dat hij is geboren uit een witte kut.’ Sinterklaas mag blijven, vindt De Rooy, maar: ‘Voor Zwarte Piet nemen we een blauwe smurf: die heeft geen ras.’ Karel Berkhout NRC Handelsblad (2008)

“…Sinterklaastijd, en ja hoor: Zwarte Piet is racisme. Dit gezeur speelt vooral Verdonk in de kaart, vindt Amil Ramdas. Om de zoveel tijd komt theatermaker Felix de Rooy met iets over het racisme van blanken jegens zwarten. In de jaren tachtig maakte hij een hele tentoonstelling voor het Tropenmuseum, met als titel ‘Wit over Zwart’. Alle beelden die over zwarten bestonden waren volgens hem racistisch, zelfs de verering van Ruud Gullit met zijn dreadlocks: ja hoor, racistisch…” “… Nu, in de 21ste eeuw, is De Rooy nog niet klaar met ons: we hebben nog altijd Zwarte Piet! Dat Zwarte Piet hoort bij een onbenullig volksfeest, niet erg verfijnd, niet bijster betekenisvol, nauwelijks historisch verantwoord is en altijd, altijd een uitgevonden traditie, dat deert hem niet. In de NRC-recensie van zijn sinter-klaasstukje zegt Felix de Rooy: ‘Het is Obama gelukt, doordat de Amerikaanse bevolking besefte dat hij is geboren uit een witte kut.’ Foei, De Rooy, denk om de manier die je zwarte moeder je heeft geleerd. Maar misschien wind ik me voor niemendal op: dat toneelstukje van Felix de Rooy (waar hij heus subsidie voor zoekt, maar die niet krijgt, soms is er gerechtigheid) past precies in het ordinaire populisme waar we aan ten ondergaan. Het is voer voor Rita Verdonk, en dan denk ik in een kwaadaardige bui: zou die Felix de Rooy niet gewoon allang werken voor Verdonk? Hij is voor haar een geschenk uit de hemel. Nu Kay van de Linde het veld heeft geruimd, is er een mooie plaats vrijgekomen voor De Rooy. Wie kan effectiever de autochtonen in de probleemwijken zo op stang jagen dat ze massaal gaan stemmen op Rita Verdonk? Goed zo, meneer De Rooy, maak van Trots op Nederland de grootste partij. …” Anil Ramdas NRC Handelsblad (2008)

“…De Rooij is vertrouwd met het onderwerp en kent de Nederlandse gevoeligheid. ‘Twintig jaar geleden maakte ik een tentoonstelling voor het Tropenmuseum over de beeldvorming van wit over zwart. Ik leidde de toenmalige minister Hedy D’Ancona langs een reeks kwetsende stereotypen uit het buitenland: de Amerikaanse Uncle Tom, de Franse nègre banane, de Engelse gollywog. De minister was bijna in tranen, maar toen we bij Zwarte Piet aankwamen, verstrakte ze helemaal. Zwarte Piet maakte deel uit van een onschuldig kinderfeest, dat was van een andere orde.’ De schaduw van Goedheiligman is geen verbeten productie geworden. Met veel vaart en humor wordt verteld over de oprichting van een vakbond voor Zwarte Pieten, die eist dat de knecht van Sinterklaas ook echt zwart moet zijn en dreigt met gewelddadige acties. Het stuk is doorspekt met confronterende observaties: waarom zijn er zo veel Zwarte Pieten en zo weinig zwarte bestuurders in Nederland? Of de vaststelling dat zwarten in Nederland eerst slaaf waren, daarna gastarbeider en nu allochtoon…’ ‘…Wat de witte Nederlanders wordt verweten, is het gebrek aan bereidheid om te luisteren naar de klachten over Zwarte Piet. Een bezoekster: ‘Kritiek op Zwarte Piet wordt beschouwd als ondermijnend voor de Nederlandse identiteit. En die is per definitie niet racistisch. Er is overal van alles aan de hand, maar in Nederland gebeurt dat niet.’ Een bezoeker: ‘Het witte publiek heeft geen benul van de zwarte geschiedenis. Als Sint Nicolaas zou worden bijgestaan door een gierige jood, zou het land te klein zijn.’ …” Patrick Meershoek

Het Parool (2008)


Sapeurs 2010 Prins Claus Fund & MAF Fashion Battle Regie: Felix de Rooy DJ: L’Afrique Som Système VJ: Aineke Presentatie: Guilly Koster Licht & Geluid: MC Theater Jury: Wilma Stoutenbeek, Daniëlle Tamagni, Anneke Beerkens, Aziz Bekkaoui. In het verlengde van de zomertentoonstelling ‘Gentlemen of Bacongo’ in de Prins Claus Fonds Gallerie, vond op 15 juli 2010 in het MC Theater de Fashion Battle SAPEURS plaats. De fashion battle gaf een podium aan internationale mannelijke en vrouwelijke Sapeurs. De Sapeurs, van origine uit Congo, kwamen ook uit Suriname, Curaçao, Rwanda en Frankrijk. Ze showden hun authentieke en unieke garderobes tijdens drie catwalkrondes. De catwalkrondes waren geïnspireerd door de achtereenvolgende thema’s: de Sapeur in het land van oorsprong, de Sapeur in Parijs en de Sapeur bij terugkomst in het land van oorsprong. Een vakjury besloot Yanick Landu uit Congo/Parijs tot meest originele Sapeur uit te roepen. Sapeurs zijn Dandy’s in de Congo die liever van de honger omkomen, dan hun Europese couture kleding op te geven. De innovatieve combinatie van kleuren en patronen in de kleding van de Sapeurs, geeft de Europese couture een nieuwe invulling door de Afrikaanse estethiek. Zo combineert een Sapeur niet meer dan drie kleuren in een outfit. Qua leeftijd, beroep, persoonlijkheid, smaak en looks zijn de Sapeurs verschillend maar allen behoren tot de “Société des Ambianceurs Personnes Elégants …” Trouw (2010)


Film Every Picture tells a Story

142

Apo-Clypse

144

Tur kos bon na New York

146

Desiree

148

Almacita di Desolato

150

Ava & Gabriel

154

Muhé Frida

158

Boy Ecury

160

139


Antillean Cinema in the Absence of Ruins: the Case of Felix de Rooy Instead of searching for ruins as the visible emblems of suffering, barbarism and cultural deracination, Antillean cinema looks instead to the results of confrontation for its subject matter. Written on the Antillean body is the grammar of survival, adaptation and acculturation. And nowhere is this more visible than on soulscapes of the “internal plantation.” It is an interior that is defined by racial phantoms, colonial fantasies and power relations framed by the complexes of race, class, gender, and sexual orientation. On the “inner plantation” one finds the monuments of language, cultural fusion, religion and mythology: the essence and heartbeat of the Creole subject. As I will demonstrate later in my reading of de Rooy’s feature Ava & Gabriel it should be apparent how the film’s plot, narrative drives and characterizations are framed by Fanonian concepts of cultural location and identity. In fact, the “internal plantation” is predominantly a Fanonian space, in which there have been a number of experiments in literature and painting. Its presence has been felt in the fury and beauty of Walcott and Cesaire’s poetry, in the passions and subliminal terrors of Wilfredo Lam”s paintings, in particular his 1945 masterpiece The Antillean Parade, and in ]ean Rhys’s literary masterpiece of the Creole imagination Wide Sargasso Sea.

139

In de Rooy’s films the tragic and the mythological co-exist as optical devices through which the Antillean soul can be revealed as torn between reason and passion as it struggles to ascend on a crest of power and excess. Driven by Dionysian concerns, de Rooy’s narratives are explorations of the self, the body and the powers of transgression. Racial and sexual codes are subverted by the archetypal status of mythological tropes and legends. In deploying these devices, de Rooy achieves a complex recasting of Antillean identity: sexual, racial, historical. Identity is in freefall, nothing is fixed, everything is fluid and mercurial. These films are driven by cultural flows, they express Gilles Deleuzel’s observation that: “Cinema considered as psychodynamics or spiritual automation is reflected in its own content, its themes, situations and characters. But the relationship is complicated, because this reflection gives way to oppositions and inversion as well as to resolutions or reconciliations.” As in his paintings and collages, Deleuze’s notion of spiritual automation finds an echo in de Rooy’s cinema, with

Curacao as the landscape that continues to fire his imagination and in turn gives substance to his vision of a cinema with distinctive concerns. Those concerns are to do with the mixing of blood, sex, racial fusions, religions and Antillean mythologies. In a curious manner it appears that Western reason, framed as it is by Apollonian desires and projection, capitulated to Dionysian drives and excesses in the Antilles. The Antillean experience of identity is probably symbolic of the struggles of Apollonian and Dionysian desire. It is the presence of Dionysian elements in the narrative construction of Almacita, Soul of Desolato that gives the film its epic dreamlike qualities as its protagonists ascend to an epiphanic resolution through resurrection. While in Ava & Gabriel it is the foregrounding of sexuality, miscegenation and biblical messiah mythology that produces the film’s climactic moment as Antillean tragedy. Creolization is therefore the grammar of brutality, miscegenation, negotiation, racial fusion/exclusion, mimicry and parody. European, African and Amerindian cross-pollinate, hybridity is born, a drama of Dionysian excess. It is this drama of encounters that de Rooy has often referred to as a “colonial orgasm” the recognition that the Antillean is a product of this orgasmic flow — the mixing of blood, language and culture. As an Antillean artist, de Rooy is himself a product of this “colonial orgasm” and his films are emblematic of this existential experience. In other words, de Rooy approximates C.L.R. James`s notion of the ideal artist: A supreme artist exercises an influence on the national consciousness which is incalculable. He is created by it but he himself illuminates and amplifies it, bringing the past up to date and charting the future. As has already been noted, Almacita, Soul of Desolato is the most dreamlike of his two films; it expresses most clearly Bergman’s insight that when “cinema is not document, it is dream.” Its hermetic resonance is what makes this film magical and revelatory. As Nietzsche suggests: “Nothing is more your own than your dreams. Nothing more than your own work, content, form, duration, performer, spectator - in these comedies you are all of this yourself.”

”Almacita, Soul of Desolato is an exploration of the ancient messiah myth through an epic narrative structure in which de Rooy uses cinematic techniques that best serve the epic tale. Almacita, Soul of Desolato is set in Curacao at the turn of the century among an agrarian community of former slaves in the village of Desolato, with the life of its inhabitants intertwined in magic, ritual, religion and self-sufficiency. With the ontological status of former slaves the community has constructed a society far removed from the racially codified existence of the “shons” - the white plantocratic class, their former masters. But with Alma Sola, patriarch of the “shons” and the personification of evil, roaming the red earthen plains which circulate Desolato like a net, the people of Desolato forbid all contact with the “shons.” But Alma Sola’s identity goes further than a mere symbolic representation of evil. His identity is defined in terms of fluidity and flows, and invested with a Dionysian sexual personae, he is capable of psychosocial transformation: from male into female or animal. With the capacity for assuming different identities, Alma Sola’s treachery is only revealed when the vigilance of Desolato’s inhabitants is weakened. However, it is Alma Sola’s powers of self-transformation that makes him seductive and transgressive, this being the source of his powers. I contend that Alma Sola’s display of transvestism is a Dionysian identity trope that enables him to enter the universe of female experience. To embrace female personae is to pass through the dark tunnel and into the terrain of feminine sensibilities. Here we have Alma Sola’s affirmation of his radical identification with the mother. One should also note that Alma Sola also has a nomadic existence which is related to the mother-cult, the bearer of light. Desolato’s spiritual guardian is the priestess/matriarch Solem, a herbalist and a spiritual mediator. Solem has had to sacrifice her fertility for the well being of Desolato. It is her transgression of this role that announces confusion and chaos in Desolato. Forbidden from having relationships with men, Solem’s desire to experience the “mystery of physical love” provides Alma Sola with the opportunity to lead her into the theatre of physical ecstasy. While in search of food and herbs, Solem, accompanied by a young boy, Lucio, encounters a wounded man. Moved by a profound compassion, she hides him in a cave and nurses him, but in doing so Solem violates the rules of Desolato. Seduced by the man who later disappears, Solem is expelled


Antillean Cinema in the Absence of Ruins: the Case of Felix de Rooy from Desolato when her pregnancy becomes known. Her pregnancy is associated with evil forces. Again de Rooy returns to the tropes of nomadology, racial fusion and “spiritual automation”. Solem is turned into the wanderer/nomad as she, Lucio and the newborn Almacita leave in search of Matriz di Piedat, the place of dwelling spirits. Solem’s journey becomes a quest for the light of the spirit world, which will cleanse her and Almacita of the ravages of evil. But with Matriz di Peitat located in the region of Alma Sola, Solem’s efforts are threatened by sabotage. Her struggles with Alma Sola result in the death of Almacita, and it is Lucio who carries the body to Matriz di Piedat, where she is reborn into the world of ancestral spirits. Almacita’s tragic death and rebirth becomes a kind of consolation for Solem when she finally arrives in Matriz di Piedat. Cleansed of evil forces, Solem and Lucio return to Desolato. Eros, the life force, conquers the death instincts and redemption is secured through rebirth. In some of the film’s most intensely lyrical passages, the Dionysian vision is expressed in a ritual of song, dance, music, caves, and the symbolic references to red earth. Existence becomes a ritual of worship to the powers of nature. Where Almacita, Soul of Desolato is an exploration of the legend, and the powers of religion and mythology, Ava & Gabriel deploys one central semiotic regime through which de Rooy examines artistic vision and the politics of patronage, colonized and colonizer and the psychosocial dynamics of sexuality. The narrative revolves around the ancient messiah myth and its archetypal status in Antillean culture. I differ from those who claim that Ava & Gabriel is a historical drama set in an exotic location. That kind of textual reading serves only to imprison the film into the madhouse of realism and historical determinacy. An alternative reading of this film would necessarily have to exist outside of the formalist excesses of realism. As a product/construction of the Creole imagination, the film’s nomadic structure indicates an attempt to develop a cinema free of boundaries, a cinema in which genre is made redundant and the Apollonian temple upon which genre is built crumbles. But the film is also de Rooy’s most intensely Fanonian interrogation and dissection of the Creole psyche and he does so through a series of interlocking narrative tropes: religion, miscegenation, homo-erotica and cultural confrontation. The film is set in 1948 colonial Curacao and

de Rooy uses the painting of a Black Madonna as a primal scene of catharsis to deconstruct the insular decadent morality of colonial settlers and hypocrisies of the church. The narrative hinges on a radical re-interpretation of Christianity’s most enduring trope: the Immaculate Conception. It focuses on the myth of the Archangel Gabriel, who brings joyful tidings to the world, impregnates the Virgin Mary and then returns to the spiritual world through death. It is de Rooy’s imaginative use of this myth that permeates the film’s narrative composition and embellishes his characters with complex psychological dispositions. It is very much about what happens to people when the sacred is revitalized and when the Antillean artist attempts to express in his painting the grammar of Creole existence. This dilemma is most clearly expressed when the painter Goedbloed presents his sketch for the Madonna to his patrons, the ecclesiastical order of the Catholic church and the island’s governor and his wife. Their reaction to the painting of a Black Madonna represents a series of splits, which is a statement as much about race as it is about the modernist movement in painting. The first reaction comes from Louise, the governor’s wife: “This really is most interesting Mr. Goedbloed. Eccentric. Those Antillean elements combined with Western technique.” But the governor’s reaction is somewhat circumspect, when turning to Goedbloed he says: “Technically not bad, but a Madonna against an Antillean background doesn’t seem historically correct.” From this difference of opinion the narrative unfolds from one cathartic moment to the next. It is Gabriel’s (the painter) vision of a Black Madonna for the Antilles that precipitates character transformation, because his vision of art with historical and racial relevance appears scandalous to this Antillean community. The emotional and spiritual chaos that this causes is two-fold. First, Gabriel is not a native of Curacao. His existence is nomadic; he is from Suriname. He is an outsider and his presence signifies disorder. Second, he chooses a young local teacher, Ava Recordina, the Creole daughter of an Antillean mother and Dutch father as his model for the painting of the Virgin Mary. This symbiotic relationship is further problematized when Ava becomes sexually involved with Gabriel. This has the effect of forcing her lover`s - the white police chief Carlos Zarius- disapproval to turn into fear (psychosexual anxieties), which will later result in violence against both painter and model.

In the end the painter falls victim to the scandal that his vision has fuelled. The moment he arrives he is warned by the police chief Carlos Zarius: “We are easygoing people, Mr. Goedbloed, but if necessary we can be mean motherfuckers.” In the resulting tragedy de Rooy weaves a complex machinery of Antillean characters to produce a portrait of Antillean existence that is both celebratory and transgressive. But it is the characters’ Fanonian personae that remain one of the film’s outstanding achievements. Initially, before her encounter with Gabriel, one imagines Ava to have an identical psycho racial existence as does the Antillean figure of Mayotte in Fanon’s seminal text Black Skin, White Masks. Mayotte asks for nothing more than a piece of whiteness in her life. Ava’s encounters with Gabriel, first as model and later as lover, represent catharsis; the origins of her later personal transformation germinates in this encounter. It is a statement about the powers of art to transform conceptions of self and personal location within the larger fabric of cultural flows. Again, in an ensuing confrontation with her mother, the smashing of her father’s photograph and her battles with Carlos Zarius’s family, these are instances of Ava struggling to cleanse herself of racial demons. Without having to get stuck into micro analyses of character psychology, my fundamental contention is that de Rooy’s complex study of racial psychosis, sexual personae and the powers of artistic vision to provoke, scandalize and heal racial lacerations are emerging as a central feature in Antillean cinema. Undoubtedly, these questions will remain a central feature for epistemological and ontological inquiry. There is little choice in the matter, for this is the Antillean`s cultural and historical inheritance. And as the literary giants of the “internal plantation” have done, Antillean filmmakers will have to do likewise. The task is to continuously invent new Ways of addressing our existential states; like Fanon has done in psychiatry and Walcott in poetry it is now the turn of filmmakers to achieve this in cinema.

Reece Auguiste Abridged version

Cine-action Radical Film Criticism and Theory ( no. 32 Fall 1993)

140


Every Picture tells a Story 1978 | Super 8 mm Production Company: Metsch Media Productions Director: Rene Metsch / Felix de Rooy Screenplay: Felix de Rooy Cinematographer: Mike Elias / Hendrik Jan van Heijningen Photography: Carlos Tramm Editor: Rene Metsch / Mike Elias Music: Lee Erwin Leading players: Rosemarie van Hoop, Cliff San a Jong, Erik van Dijk Also with: Chris Engels, Hemert van Breda, Norman de Palm, Corrie van Heijningen and many others

TWEEDE PRODUCTIE METCH MEDIA: “EVERY PICTURE TELLS A STORY” UITGEZONDEN VIA TELECURAÇAO “… WILLEMSTAD – Nadat ongeveer een jaar geleden de eerste produktie Letitia’s Day via TeleCuraçao werd vertoond, is thans de tweede produktie van Metch Media gereed gekomen. Every Picture Tells a Story is de titel van deze 20 minuten durende speelfilm. Het verhaal handelt over de ambitieuze vrouw Dolores Lamar, die haar vriend – een kunstschilder — gebruikt om haar intrede in de modewereld te doen, waarna aan haar carrière als filmactrice op abrupte wijze een einde komt. René J. Metsch regisseerde deze film in samenwerking met Felix de Rooy, die ook voor het scenario en de spelregie zorgdroeg. Mike Elias nam het cineastenwerk en de montage voor zijn rekening, terwijl Hendrik Jan van Heijningen de zuivere belichting van de film hanteerde. Rosemarie van Hoop vertolkt de hoofdrol Dolores Lamar, terwijl verschillende andere personen uit onze gemeenschap ook een rol vertolken. De Amerikaanse organist Lee Erwin verzorgde de muziek op authentieke wijze zoals dit geschiedde in de jaren twintig. Het concept van Every Picture Tells a Story is dan ook gebaseerd op de klassieke stomme film …” Beurs- en Nieuwsberichten (1978)

SPEELFILM VAN METSCH EN DE ROOY. ‘EVERY PICTURE’ TOONT ONBARMHARTIGE LIEFDE “… Die Story is heel zorgvuldig doordacht, en de makers moeten er veel pret om gehad hebben. Dat stralen de beelden ook uit. Technisch gezien haalt de film een ruime voldoende…” “… Geslaagd, als men de dubbele bodems ziet. Want wie analyseert, komt tot de conclusie dat Metsch en De Rooy hún visie op de werkelijkheid geven. Waar dat overkomt, is kunst gemaakt. Met en zonder nostalgie, want EVERY PICTURE TELLS A STORY toont hun liefde voor een aantal Curaçaose persoonlijkheden onbarmhartig…” B. Jos de Roo Amigoe (1978)

142


Apo-clypse 1979 | Super 8 mm Production Company: Cosmic Illusion Producions Director / Producer: Felix de Rooy Screenplay: Felix de Rooy Production Design: Felix de Rooy Poetry: Norman Ph. de Palm Cinematographer: Mike Elias / Hendrik Jan van Heijningen Editor: Felix de Rooy / Zina Ilya / Susan Jaspers Music: Angel Salsbach / Edsel Provence Leading Players: Norman de Palm, Diana Lebacs, Marnel Bosma

Kas di Stranjo Sombra di sonjo derá den buki di mucha dorna ku deseonan foi slá krusifiká ku Santu klabu den pechunan di Mama ku secretamente den wiriwiri di oranan ta kima pa Sagrado Kurasón. Kasnan di papel a skirbi bofón riba planta di mi man mará na murajanan di ansia. Mi historia ta papia di lejnan sacral ku a dirti den porta di misa sofoká den sensia. Riba su tenchi borá mi lenga a dwal y m’a kologá mi pikanan na su korono di sumpinja. Pa un biaha so, primi su rosea foi garganta y asina liberá mi sexó defamá hoga den bendishon di su aliento todopoderoso. M’a seka mi pikanan ku dons di kabei di mi orgáno y mi kamisa manera Veronika m’a karga pa su heridanan pa kurí y lubidá humanidad pa semper. Norman Ph. de Palm (1979)


APO-CLYPSE, Kas di Stranjo We zijn in 1979 als Felix de Rooy zijn eerste film naar een 8 mm filmfestival in Venezuela stuurt ter mededinging. Het juryrapport raadt de filmmaker vervolgens aan in therapie te gaan bij een psychiater. Fascinerend hoe deze film, waarvan de maker beweert dat de technische kwaliteit mager is, de kijker toch zo naar de strot kan grijpen. Welke confrontatie biedt deze film waardoor men een dergelijke reactie durft te formuleren. Inderdaad, je moet gek zijn om te durven de heilige huisjes van christelijke mythologie aan te tasten. Dat durfde Felix de Rooy met zijn film Apo-clyps, Kas di Stranjo. Deze film kan gezien worden als sleutelfilm van het oeuvre van deze multi-getalenteerde kunstenaar. Door de verbeelding van zijn belangrijkste thema’s Eros & Thanatos, zien we de zelfdestructie van een kunstenaar die uiteindelijk zijn conflicten, opgelopen in de vroege jeugd, niet kan oplossen. De protagonist, die door de acteur Norman de Palm op indringende wijze wordt neergezet, zit als dichter gekluisterd in een keurslijf van saaiheid in een bureaucratisch bestaan. Hij probeert te ontsnappen door zijn typemachine ook te gebruiken voor de intimiteit zijn creativiteit. Norman de Palm schrijft de poëzie voor het personage dat hij speelt. Dit gedicht onthult enerzijds de conflicten en verlangens van het personage, anderzijds bepaalt het mede de narratieve vorm van de film: “Mi historia ta papia di leinan sacral ku a dirti den porta di misa, sofoká den sensia.” De dichter is opgevoed in een godsvruchtig rooms-katholiek milieu waarin de symboliek niet ontbreekt en waar hem geleerd wordt moeder Maria die onbevlekt ontvangen is, te eren. Hij leert dat seksualiteit slechts een plek mag hebben als het de Heer dient. Zijn seksualiteit moet worden opgeofferd aan de regels van het geloof, tot hij ziet dat zijn eigen vrome moeder vreemd gaat met de koordirigent van de kerk. Later ontdekken wij dat de koordirigent dit jongetje mogelijk niet ‘onbevlekt’ heeft gelaten. Met deze erfenis stapt hij de adolescentie en volwassenheid in, waarin het hem niet lukt om zijn eigen onderdrukte seksualiteit te integreren. Hij vraagt zich af wat zijn bestemming is, in de omarming van een vrouw of van een man? Is hij liever bruid of bruidegom. De protagonist vertoeft in het huis van de vreemde – kas di stranjo. Zowel op zijn werk als in het sociale leven blijkt de dichter een buitenstaander te zijn, een toeschouwer. In een restaurant observeert hij een man die wellustig een stuk vlees eet en de associatie oproept dat hij een vagina verslind . Als de dichter aan zijn eigen maaltijd wil beginnen, krijgt hij geen hap meer door zijn keel. Het is niet ‘zijn’ maaltijd. Om bevrediging te vinden spoedt hij zich naar een bordeel. De vrouwelijke vormen die hem worden opgedrongen, wijst hij af. Hij kiest ervoor om zich alleen in een kamertje omringd door christelijke beelden terug te trekken en geeft zich over aan zijn erotische fantasieën. Met zijn geïdealiseerde vrouw, zijn muze, beleeft hij de door de kerk toegestane intimiteit. ‘Als ik maar toe kan geven aan de heteroseksuele intimiteit, kan ik misschien ook toegeven aan mijn diepere verlangens naar een man’. De man, de vermoedde minnaar van de vrouw verschijnt in beeld. Het eerste intieme contact tussen de man en de dichter verwijst naar

het werk van Michelangelo in de Sixtijnse Kapel, waarin God Adam het leven geeft. In deze fantasie met zijn muze en haar minnaar vindt de dichter bevrediging. Hij masturbeert en daagt de christelijke normen van straf en verdoemenis uit onder de ogen van Santa Theresa in extase. Bij het verlaten van de peesgelegenheid betaalt hij de hoerenmadam. Een aflaat, de zonde afgekocht. Het geeft maar even opluchting en snel is hij weer terug bij het zondige verlangen. Het conflict is niet opgelost, het eeuwige zoeken blijft. En langzaam zien wij de dichter zijn geestelijk evenwicht verliezen. Hij wordt door de vrouw, nu een sirene met harp, gelokt naar zijn diepste verlangen. Hij stapt zijn onderbewuste in, komt de bron van zijn conflict tegen, daar waar godsdienst en seksualiteit in elkaar overlopen. Hij ziet Jezus aan het kruis hangen en terwijl hij in volle aanbidding is verandert Jezus in het object van zijn verlangen, de begeerde man. Als hij zich overgeeft aan zijn poging om heel te zijn, een seksueel wezen te zijn, wordt zijn innerlijk conflict slechts groter en de enige uitweg is dan om het object van zijn verlangen te doden. Eros wordt vernietigd door Thanatos. Dit leidt tot complete ontreddering. De dichter denkt te kunnen vluchten naar zijn ‘oude vertrouwde’ bestaan. Die realiteit bestaat echter niet meer, de waanzin neemt het over. Op kantoor breekt hij ‘alles ‘af. Hij gooit zijn typemachine uit het raam. Is dit zijn creatieve castratie, is hij nu bevrijd van zijn trauma’s of pleegt hij zelfmoord? Eros wordt uit het raam gegooid, blijft Thanatos dan over? Met die vragen blijft de kijker achter. Met Apo-clypse, Kas di stranjo neemt Felix de Rooy, een kind van het eiland Curaçao, een plaats in naast westerse kunstenaars die paralelle thema’s uitwerkten. Peter Shaffer met Equus en Pier Paolo Pasolini in Theorema en Salò. Ook deze films brengen confronterende thema’s aan de orde en zijn zeker niet alleen met lof ontvangen. Apo-clyps heeft nooit het oog van het grote publiek bereikt. In mijn ogen, nu komt het woord echt van pas, zonde. Felix de Rooy, tracht bespreekbaar te maken hoe menselijke erotische driften in conflict komen met de christelijke en de sociale moraal. De filmmaker oordeelt niet, hij openbaart slechts met voor die tijd vrij confronterende beelden. Hierbij kan de kijker denken, waarom heeft de westerse godsdienst, die diep verankerd is in de Caribische geest, het meest elementaire in de mens trachten te onderdrukken? En wat blijft er over, een rudimentair leeg beleven van seksualiteit, waar veel ellende uit voortkomt. Zoals misbruik, incest, verkrachting, tiener zwangerschappen, etc. Als mens willen wij ons graag als hogere(genormeerde) seksuele wezens zien, we gaan prat op het feit dat we geëvolueerd zijn, maar waar leidt deze spirituele kneveling toe? Apo-Clypse is een volle film. Felix de Rooy schildert ons een werkelijkheid door een sterk gebruik van symboliek. Niets in zijn werk is toevallig. Over elk detail is nagedacht. Zijn werk geeft zijn geest weer, vol

van kennis, vol van cultuurkennis. Hij wil dit graag delen. Het is ook tegelijkertijd zijn schreeuw naar de wereld. Naar alle kerkelijke verhalen die ons worden voorgehouden. Wij moeten de christelijke mythologie niet letterlijk nemen, we moeten de poëtische symboliek leren te decoderen om onszelf te bevrijden. ‘Neem het verhaal van de onbevlekte ontvangenis niet letterlijk, het is een symbolische weergave’. Maria was een vrouw die onbevlekt was, in de betekenis van zonder zonde. Niet in de betekenis van haar maagdelijkheid. Het is goed te weten dat het moment waarop Felix de Rooy, in zijn vroege jeugd, besloot kunstenaar te worden na het zien van de Schreeuw van Edvard Munch was, in een tentoonstelling op zijn geboorte eiland Curaçao. In het werk van De Rooy, of het nu film, theater, beeldende kunst of poëzie is, schreeuwt hij ons toe om te zien. Te kijken in de eigen ziel. En als je zo toegeschreeuwd wordt door een kunstenaar, kun je wel beweren dat de kunstenaar naar de psychiater moet. Maar heb je dan zelf de geopenbaarde werkelijkheid onder ogen willen zien?

Glenn Helberg - Psychiater Amsterdam (2012)

144


Tur kos bon na New York 1981 | 16 mm Documentary

Production Company: Cosmic Illusion Producions Director: Felix de Rooy Screenplay: Felix de Rooy / Norman de Palm Production Design: Felix de Rooy Producer: STICUSA Cinematographer: Karen Sloe Choreography: Myrena Sint Jago Editor: Felix de Rooy & Roberto Romano Sound: Sylvie Thouard Still Photography: Jon Davis Leading players: Norman de Palm, Myrena Sint Jago

TUR KOS BON NA NEW YORK “... Felix de Rooy die met een Sticusa-stagebeurs de filmopleiding volgt aan de New York University maakt daar als studieproject de ongeveer een half uur durende documentaire Tur Kos Bon Na New York over leven en werk van twee andere Antilliaanse kunstenaars in New York, de danseres-choreografe Myrena St. Jago en de schrijver-performer Norman de Palm. In de film die op 16 mm in kleur wordt opgenomen, wordt getracht iets te laten zien van de invloed van New York op de creativiteit van beiden in relatie tot hun culturele achtergrond: de Nederlandse Antillen...” Sticusa Journaal (1981)

146


Desiree 1984 | 16 mm Fiction Production Company: Cosmic Illusion Producions Director: Felix de Rooy Producer: Norman de Palm Screenplay: Norman de Palm Cinematographer: Ernest Dickenson Editors: Edgar Burcksen / Jacques Marcus Sound: Gil Kraus / Anne Rodgers Music: Ronald Snijders Leading Players: Marian Rolle. Dan Strayhorn, Cynthia Belgrave, Joanne Jacobson, Maxwell Glanville, Askina Touree DESIREE “Desiree” is a film with a complicated international history. Writer and director come from Dutch islands in the Caribbean. Norman de Palm is a writer, an actor and a Ph.D. in clinical psychology. Felix de Rooy is a legit and film director, actor, painter and art teacher. De Palm saw a news story that on New Year’s Eve 1980, in New York, a black woman burned her child in her oven in order to exorcise an “evil force” in the baby. The Palm’s film is based on his own play about this incident. A Dutch film, set and shot in New York, with American actors, in English, “Desiree” should be of interest mainly for black audiences. During performance in an Amsterdam theater the blacks in the audience reacted passionately to the happenings on the screen. Desiree (Marian Rolle) carries a carton around with her in which she imagines is her baby. She talks to it, feeds it, dresses and undresses it,. Flashbacks tell her history. Father disappeared, the domineering mother gets the money to bring up her daughter from an ever-changing chain of “uncles”. After mother’s death, Desiree comes under the influence of the sect of the True Confessors of Father Siego. The sect has strange rules, for instance, no drinking of milk, and sex only with other True Confessors. Desiree falls in love with the doorman of a chic apartment house where she cleans for a rich white woman. The woman sees to it that Freddy, the doorman, loses his job when Desiree becomes

pregnant. Desiree loses her job, her man, her status as a True Confessor, and finally her mind. Marian Rolle is extraordinary, managing a virtuoso performance full of deepfelt emotion. The only flaw is a certain theatricality, more due, probably, to writing and direction than to the actress. “Desiree” never quite becomes cinema, but remains somewhat stagy, one or two cinematic sequences notwithstanding. The other performances are good, but not in the Marian Rolle class. Good tunes include vocals and arrangements by Rolle. Edgar Burcksen’s editing is outstanding, other technical credits okay...” Wall, Variety (1984)

DESIREE: HUIVERINGWEKKENDE MONOLOOG INTEGER VERFILMD “Twee jaar geleden (29 oktober 1982) schreef ik een recensie over de door Marian Rolle in de regie van Felix de Rooy schitterend gespeelde toneelmonoloog Desiree van Norman Ph. de Palm, dat ik mijn bedenkingen had tegen de toen op handen zijnde verfilming van dit werk. Het verbijsterende stuk over een jonge, fataal vereenzaamde moeder in een krottenwijk zou wel eens te veel horror kunnen worden en het volledig visualiseren van de hallucinaties van de titelfiguur zou het accent op haar noodlot, haar feitelijke leven, teloor kunnen doen gaan. De film is er nu en ik vraag me af hoe ik De Palm (producent) en De Rooy destijds zo heb kunnen onderschatten. Ze hebben zich geen moment laten verleiden de afschrikwekkende zins-

begoochelingen van Desiree te verbeelden. Marian Rolle speelt ze, net als in het theater op een huiveringwekkende manier. Wel zijn nu de herinneringen van Desiree aan haar verstikkend dominerende moeder, haar niet minder rampzalige geestelijke ‘helper’ en haar begripvolle maar machteloze man geënscèneerd. Maar daarvoor is Desiree nu ook een film. En het is een in alle opzichten ijzersterke film, waarin de essentie van de monoloog niets aan zeggingskracht ingeboet heeft. Desiree is volledig weggezonken in waanzin. Ze praat tegen een kartonnen doos, waarin ze haar baby Joycie waant en vanuit dat gekeuvel wordt ze steeds weggeslingerd naar haar jeugd en haar meer recente verleden, waarin ze haar moeder, haar baantje, haar vriend en uiteindelijk ook haar dochtertje verloor. Een religieuze obsessie, intact gehouden door een of ander eng kerkgenootschap, loopt als een rode draad door de herinneringen. Ze heeft altijd in een grotere waarde dan het leven geloofd en argwaan of zelfs angst gekoesterd tegen al het reële, dat een mens verlangen kan. Stukje bij beetje wordt duidelijk wat Desiree in haar ontoerekeningsvatbaarheid gedaan heeft, waarmee de film, zoals destijds de

148

toneelvoorstelling, uitkomt op een bericht uit een New Yorkse krant over een moeder die haar baby ter zuivering van de duivel in de oven stopte. Desiree en haar baby zijn daarmee het slachtoffer geworden van egoïsme, hypocrisie en van de commercials van de geloofs- en zeeppoederindustrie. Het klinkt merkwaardiger dan het is. Ga maar kijken. De film is opgenomen in New York en Engels gesproken. Toch betreft het een Nederlandse produktie, vanuit financieringsoogpunt en omdat de makers Nederlanders zijn: Felix de Rooy werd geboren op Curaçao, Norman Ph. de Palm op Aruba. Maar niet alleen vanwege deze gegevens is Desiree een film van internationale allure.” RvR, Provinciale Gelderse en Nijmeegse Courant (1984)


2

1 Poster design Nando Faneyter 1985 Oil on Canvas

1

2 Storyboards Felix de Rooy


Almacita di Desolato 1985 | 35 mm Fiction Production Company: Cosmic Illusion Productions Director: Felix de Rooy Producer: Norman de Palm Screenplay: Norman de Palm Cinematographer: Ernest Dickerson Still Photography: Wim Hardeman Production design: Felix de Rooy Sound: René van den Berg Leading Players: Marian Rolle, Nydia Ecury, Gewndomar Roosje, Yubi Kirindongo, Rina Penso, Eligio Melfor

1987 Best Soundtrack

1988 Bronze Best Film

Gent, Film Festival (Belgium)

Malaga, Film Festival (Spain)

1991 Fespaco Paul Robeson Prize

1988 Jury Award

Image Caraibes (Martinique)

Panafrican Film Festival (Burkina Faso)

ALMACITA, SOUL OF DESOLATO

AFTER NGATI, THE WORLD…

This is the first film in the dialect of Papiamentu we have shown at the LFF, and it hails from the Dutch Antilles. But don’t for a moment think it is one of those worthy choices made to encourage fledgling film-makers from far-flung and unexpected shores. This delightful film is a real suprise, and an important discovery. Based on a Caribbean legend, it is set on the island of Curaçao, where the dumb Almacita lives in a poor village community. What happens to her almost beggars description as she fights off evil spirits in the name of innocence. What’s impressive about the film is the confident, entirely natural way it is made. It is a piece of folklore, set in times past, that never looks fey or faked, and at times reminds one of the way Glauber Rocha used such stories in his best Cinema Nôvo days. The camerawork is marvellously right for this highly-coloured tale, the acting fresh and openly theatrical, and the direction full of a glorious joy in sheer imagery” Derek Malcolm, British Film Institute / 30th London Film Festival (1986)

“… Almacita is a breath-taking Caribbean blend of African folklore and Latin American magic realism. Using quite simple effects, de Rooy manages to conjure up more palpable fantasies than many directors with twenty times the budget...” ONFILM (1985)

3 Archive Photo Curaçao Circa 1910

3

DE ZIEL VAN GOED EN KWAAD OP CURAÇAO “… Het feit dat Almacita di Desolato in het Papiamento gemaakt kon worden is voor de bewoners van de Antillen, maar ook voor de toeschouwers in Nederland, van onschatbare waarde. Dat biedt een ongekende mogelijkheid tot het verwerven van inzicht in een cultuur waarmee men hier amper bekend is. Ik raad iedereen aan het allemaal gewoon over zich heen te laten komen en er lekker van te genieten…” Maarten van Rooijen, Het Parool (1985)

4 Costume design Solem Felix de Rooy

150

4

5 Cast of Desolato & Design

Ritual Space Felix de Rooy

5

5


ALMACITA DI DESOLATO “Every year at least one masterpiece comes out of left field; and this year it was Almacito di Desolato from the Dutch Antilles. Clean your spectacles for this one: the visuals are astonishing. Fauveedged Caribbean primitivism meets fuzzed luminosity a la David Watkin as we whirl through a story of magic, witchcraft, flight, murder and childbirth. In old Curacao at the turn of the century, a young priestess (Marian Rolle) sworn to chastity falls in love with a spirit man from the underworld and bears his child. Pursued by her villager’s wrath, she hightails across the landscapes and in and out of a Glauber Rocha-style movie also boasting song, dance, pageantry and fullfrontal symbolism. Meanwhile, her child dies and enters the mystic realm of the unborn, and the audience’s preconceptions of Caribbean cinema die and enter the realm of the hitherto unconcieved. The film blends the religious with the everyday, the sensual with the spiritual, as if we’re in an undivided evolutionary dawn where the schism between man the animal and man the angel has not yet been born. 151

Still Photography: Wim Hardeman

Filmgoers brought up to be polite about Third World movies whose visuals resemble old dishcloths can only marvel at the images here. Many exteriors have a hothouse surreality, as if shot on a soundstage. There are painted, expressionist skydrops and an elasticity of perspective between high-focus foregrounds and lyrically diffused backgrounds. (Many scenes seem to be in 3-D). Throughout, the colors glow and twist as if painted with watercolors that are still in flux. Director Felix de Rooy, an ex-art student, also production-designed the movie, and on this evidence he’s the most excitingly developed new eye to have emerged in a world cinema.” Harlan Kennedy Taormina of Babel Film Comment, published by the Film Society of Lincoln Center (1986)


Almacita di Desolato EMOTIES LAAIEN OP IN CARIBISCH SPROOKJE “Van het verrassende Nederlandse aandeel op het vijftiende Film Festival van Rotterdam staat vanavond de laatste première op het programma: Almacita di Desolato van Felix de Rooy. Deze in Curaçao geboren regisseur debuteerde vorig jaar met zijn eerste lange film Desiree in de bioscoop en toen bleek ook zijn niet geringe talent voor het visualiseren van een gegeven, dat eerder in een toneelstuk was uitgewerkt. Met geld van onder meer het Fonds voor de Nederlandse film en Sticusa hebben De Rooy en zijn producent Norman de Palm afgelopen zomer hun nieuwe film op Curaçao gemaakt. Hij is gebaseerd op Caribische volksverhalen met als thema de strijd tussen creatieve en destructieve krachten, vruchtbaarheid tegen droogte. Het verhaal speelt zich af in het dorp Desolato, zo genoemd (‘verlaten, afgelegen’) omdat het als geïsoleerde gemeenschap van voormalige slaven een eigen levensstijl ontwikkelde, ver weg van de blanke grondeigenaren. Hoofdpersoon is de priesteres Solem (net als in Desiree gespeeld door Marian Rolle), die haar vruchtbaarheid dient op te offeren aan de gemeenschap en daarom niets met mannen mag hebben. Als zij in een grot een gewonde vreemdeling vindt en hem verzorgt, laat zij zich door deze man verleiden en ze wordt zwanger.

Met haar kind wordt Almacita verstoten en na een barre tocht vindt zij troost in het rijk van de voorouders. Een mooi tragisch sprookje dat de mogelijkheid biedt er allerlei gebruiken en tradities in te verwerken, want dat is de bedoeling van de film: een breed publiek kennis te laten nemen van volksverhalen, kostuums, authentieke cultuurgebruiken, het Curaçaosche landschap en het Papiamentu middels een filmdrama. Beide elementen moeten natuurlijk in een juist evenwicht zitten, wat niet helemaal lukt, omdat het exposerende karakter van de film af en toe in scènes en tafereeltjes wordt uitgedrukt die de vaart van het filmdrama enigszins ophouden. Spelregie lijkt niet De Rooys sterkste kant, bovendien heeft hij gebruikgemaakt van acteurs en actrices die lang niet allemaal een grote filmervaring hebben. Op momenten dat De Rooy echter in beeld en geluid aan de slag gaat en vooral als hij in surrealistische scènes zijn fantasie laat gaan blijkt opnieuw zijn talent als filmer. Dan wordt Almacita di Desolato bijna een Caribische mini-Kaos. Mede door de originele muziek van Grupu Issoco is het een sfeervolle, soms geestige, vaak lyrische en zeker aanstekelijke film vol emoties.” Peter van Bueren de Volkskrant (1985)

152

4


2 1 Poster painting Nando Faneyter Oil on Canvas (1990)

1

2 Storyboards Piet Kroon


Ava & Gabriel 1990 | 35 mm Fiction Production Company: Cosmic Illusion production Producer: Norman de Palm Director: Felix de Rooy Screenplay: Norman de Palm / Felix de Rooy Cinematographer: Ernest Dickerson Editor: Ton de Graaf Sound: Peter Flamman Music: Roy Louis Production design: Felix de Rooy Costume design: Ellen van der Wiel Still Photography: Wim Hardeman Leading players: Nashaira Desbarida, Cliff San-A-Jong, Carol Brown Winkel, Theu Boermans, Geert de Jong, Dolf de Vries Also with: Edmond Classen, Frederick de Groot, Janine Veeren, Serge Ubrette, Rina Penso, Norman de Palm, Burny Every, Ana Muskus, Helen Kamperveen.

1990 Gouden Kalf Jury Award

1990 Best Film Jury Award

Nederlandse Filmdagen (Utrecht)

San Juan Film Festival (Puerto Rico)

1990 Premio Saul Yelin

1992 Jury Award

Havana Film Festival (Cuba)

Amiens Film Festival (France)

1992 Jury Award

1996 Premio Merco Sur

Images Caraibes (Martinique)

Buenos Aires (Argentina)

3

AVA & GABRIEL, A LOVE STORY

AVA & GABRIEL

As an offbeat, exotic film, at times whimsical but also critical of racism and colonialism, “Ava & Gabriel” is a good bet. This strange item from Curaçao, spoken in Dutch and the local Papiamentu dialect, is colorful, light and gay and could appeal to specialized audiences in many climes. Felix de Rooy’s film, set in 1948, concerns a black painter from Surinam commissioned to do a mural of the Virgin Mary for the local church. Naturally the local burghers are alarmed when the Virgin is depicted as having Negroid traits. The painter, meanwhile, falls for a local mixed-blood schoolteacher, whom he uses as a model for the painting. She, in turn, is engaged to a white police major. Fuel is added when the governor’s Dutch wife takes a fancy to the painter. Helmer handles the diverse strands of the story deftly, at times building up the dramatic situations, at other times contenting himself with wry sarcasm. The island background is presented in vivid colors and particular care is taken in lighting, sets, costumes and camera-work, all of the highest quality. “Ava & Gabriel” is a delightful romp, with asides on more serious subjects. Fine thesping by Nashaira Desbarida and Cliff San-A-Jong as the two lovers.” Besa, Variety Reviewed at San Sebastian Film Festival (1990)

“In stark constrast, Felix de Rooy, from Curacao in the Dutch Antilles proves that colonialism (sic...Orientalism) can be as slimy as a spotted brown iguana. It will not tolerate a black Madonna, leave alone a black Venus rising from the sea! This film, Ava and Gabriel, reminds us at once of Hanif Kureishi’s My Beautiful Laundrette and its subversion of sexuality, its severe indictment of Thatcherism, and above all, its magical realism. Ava and Gabriel does all this with the most sincere and vibrant ethnicity and so Curacao will no longer remain a tiny dot, in the Caribbean Sea, for Felix de Rooy has more than just succeeded in bringing its culture to all of us...” “…As that delightful film from Curacao Ava and Gabriel so tellingly portrays, ultimately all dreams and fantasies end up getting whitewashed, as the artists and dreamers remain cut off from people. So the only dream left in me is the dream to get a ‘delegate pass’.” Katyankaran Autopsy 3 An Unofficial Bulletin, 1991 Film Festival Madras (India)

154

4

3 Art Directing Photo’s Ernest Dickerson 4 Filmset Stills Wim Hardeman


155


Ava & Gabriel CURAÇAOSE FRESCO’s “ Tijdens de Nederlandse Filmdagen zagen Felix de Rooy en Norman de Palm hun werkstuk Ava & Gabriel bekroond met het Speciale Jury Kalf. Het was hen van harte gegund, te beginnen omdat hun film een zeldzame en respectabele poging inhoudt analyserend in te gaan op de relatie tussen Nederland en de koloniën. Hollandse cineasten voelen zich daar zelden toe aangesproken, de van Curaçao afkomstige De Rooy en De Palm des te meer. Hun film gaat over de pervertering van de Antilliaanse cultuur met hypocriet-Europese normen op raciaal, religieus en seksueel gebied. Thematisch is Ava & Gabriel daardoor alleszins interessant, het is alleen spijtig – zoals we eerder uitgebreid in deze krant hebben geconcludeerd – dat de bovenste, epische laag van de film zo clichématig ontworpen is. Een Surinaamse schilder veroorzaakt schandaal door in een kerk een fresco te vervaardigen van een ‘zwarte Madonna’ en bovendien een verhouding aan te knopen met zijn Antilliaanse model, dat al met een blanke politieman verloofd was. Het loopt uit op een vanaf het eerste moment voorspelbare tragedie. Ava & Gabriel biedt buitengewoon fraaie beelden en pakkende sfeertekeningen van de Curaçaose samenleving eind jaren veertig. De Antilliaanse amateur-acteurs (Cliff San-A-Jong en Nashaira Desbarida) winnen het van de Nederlandse professionals.” PvL, Utrechts Nieuwsblad 8 november 1990

...DE ROOY EN DE PALM MISSEN EIGEN STIJL... “... Met Ava & Gabriël vallen de Rooy en de Palm weer terug in de onbeholpenheid van Desiree. Zoveel intercultureels halen ze overhoop, dat zelfs de beste scenarioschrijver er dol van zou worden. Alle typeringen van personen, etnische groepen en geestelijke of koloniale kringen lijken te stammen uit de hoogtijdagen van het vormingstheater. Dat De Rooy en De Palm geen greep op hun materie hebben, blijkt ook uit de montage. Ava & Gabriël fladdert als een kip zonder kop van de ene scène naar de andere.

Still Photography: Wim Hardeman

Van continuïteit, een meeslepend tempo of ritme is geen sprake. Wanneer De Rooy en De Palm in de Nederlandse filmwereld de interculturele stem willen blijven vertolken, zullen ze het roer moeten omgooien. Ze zouden hun mond eens een tijdje kunnen vergrendelen en eindelijk gaan doen, waar het bij film echt op aankomt: met beelden en een eigen visuele stijl uitdrukken wat je beweegt!...” Hans Kroon, Trouw november 1990

EEN AARTSENGEL OP KONINGINNEDAG “...De makers konden hun ideeën niet in de hand houden en verliezen zich in allerlei bijfiguren, intermezzi en subplots, die het verhaal zonder noodzaak compliceren. De chaos wordt compleet door de abominabele acteursregie. Bijrollen zijn vervuld alsof de acteurs achter de gordijntjes van een poppenkast vandaan komen. Nashaira Desbarida en Cliff San-A-Jong laten zich in deze film met enige moeite herkennen als in potentie belangwekkende acteurs, maar hun spel werd onbarmhartig gebrekkig begeleid en de personages Ava en Gabriël blijven, hoe ze ook smachten en zweten, figuren van onaangedaan karton.” Joyce Roodnat, NRC Handelsblad november 1990

156

BONTE EN KNULLIGE BEROERING ROND DE ZWARTE MADONNA “... Ava & Gabriël is geen toonbeeld van nuances. De boodschap is dat de Hollanders ginds niets te zoeken hadden. De Nederlanders op Curaçao zijn geborneerd, autoritair, schijnheilig en inferieur. Is dat gedram te respecteren als een mening, de kwaliteit van de filmische vertelling kan los daarvan beoordeeld worden. Ava & Gabriël is in menig opzicht een zeer zwakke film. Het verhaal zit buitengewoon knullig in elkaar. Er wordt beroerd gespeeld, scène’s hebben kop noch staart. Dialogen zijn absurd. Het lijkt wel of de eerste repetities in de film beland zijn. Het zal ook wel niet meegevalllen zijn om deze veelomvattende film van de grond te krijgen. Maar het kan in zo’n geval geen kwaad, als de makers zich van te voren afvragen of ze zoiets wel aankunnen...” (HS) de Volkskrant (1990)

4


Muhé Frida 2011 | Digital Film, Fiction Production Company: Producer: Director: Screenplay + Poetry: Concept: Cinematographer: Still Photography: Editor: Costume Design: Sound: Graphic Design: Frida performed by:

2011 Best Short Film

International Film Festival (Aruba)

Smaller World bigger Eyes Media Alydia Wever Felix de Rooy Felix de Rooy Alydia Wever Ryan Oduber Ryan Oduber Ryan Oduber Felix de Rooy / Alydia Wever Jairo Boekhoudt Ryan Oduber Alydia Wever

MUHÉ FRIDA “…Muhé Frida is a contemporary art film that expresses 7 different alter egos of legendary Mexican painter Frida Kahlo: Frida Primordial, Frida Creativa, Frida Erotica, Frida Macho, Frida Heroica, Frida Dolorosa, Santa Frida. These 7 alter egos reflect the different aspects and multiple layers of Frida’s life and art. They reveal her strength, her spirit and her agonies. The artistic diversity and the fusion with the choreography create an exquisite tapestry of timeless movement, poetic imagery and ingenious style…” 159


Boy Ecury 2003 | 35 mm Fiction Production Company: Producers: Screenplay: Director: Cinematographer: Sound: Production Designer: Leading Players:

Memphis Film and Television Sherman de Jesus, Cécile van Eijk Arthur Japin Frans Weisz Theo Bierkens René van den Berg Vincent de Pater Felix de Rooy, Steve Hooi, Johnny de Mol, Gaby Milder, Servé Hermans, Sylvia Poorta.

BOY ECURY

BOY ECURY

“…When Boy was fifteen years old, his father, businessman Dundun Ecury from Aruba, sent him to boarding school in The Netherlands. When the war breaks out, he joins the resistance. Just before the liberation, he is executed by the Germans. Ten years later Dundun Ecury arrives in the post-war Netherlands to search for the body of his son. He has only one thing to go on: Boy died with a smile on his face. Dundun’s search leads to a confrontation with Ewoud, the suspected murderer of his son. He realises, to his annoyance, that he starts to project the care and love for Boy onto Ewoud. Then Ewoud makes a painful revelation.

“…Boy Ecury is op zijn vijftiende door zijn vader, zakenman Dundun Ecury, uit Aruba naar kostschool in Nederland gestuurd. Als de oorlog uitbreekt, gaat hij in het verzet. Vlak voor de bevrijding wordt hij door de Duitsers gefusilleerd. Een jaar later arriveert Dundun Ecury in het naoorlogs Nederland om naar het lichaam van zijn zoon te zoeken. Slechts één feit biedt hem houvast: Boy stierf met een glimlach op zijn lippen. Dunduns zoektocht leidt tot een confrontatie met Ewoud, de vermoedelijke moordenaar van zijn zoon. Hij merkt tot zijn ergernis dat hij de zorgzaamheid en liefde voor Boy op Ewoud begint te projecteren. Dan doet Ewoud een pijnlijke onthulling.

Arthur Japin drew his inspiration for this screenplay from Ted Schouten’s biography ‘Boy, een Antilliaanse jongen in het Nederlandse verzet’. Japin: ‘A unique and historical struggle of a young man with his identity. That was the first thing I recognised in Boy Ecury’s life story. It contains all the elements that also characterise my other work (especially ‘De zwarte met het witte hart’); the individual’s search for his position in relation to the multitude. In addition, Boy’s story is subjected to the tragic pressure of World War II. This gave me the opportunity to show something else I value highly: that the line between right and wrong is not as clearly defined as we, who live in freedom, think.’...”

161

Arthur Japin heeft zich voor het scenario laten inspireren door het boek Boy, een Antilliaanse jongen in het Nederlandse verzet van Ted Schouten. Japin: ‘Een unieke en waargebeurde worsteling van een jongen met zijn identiteit. Dat was wat ik het eerst herkende in het levensverhaal van Boy Ecury. Het draagt alle elementen in zich, die ook mijn andere werk (met name De zwarte met het witte hart) kenmerken: de zoektocht van de eenling naar zijn houding ten opzichte van de meerderheid. Boy’s verhaal staat daarbij onder de dramatische druk van de Tweede Wereldoorlog. Dat gaf mij de kans iets anders te tonen waar ik erg aan hecht: dat het verschil tussen goed en kwaad niet zo zwart-wit is als wij in vrijheid denken.”

4


Exhibits

Curator Tentoonstellingen

Wit over Zwart (Negrophilia)

164

Amsterdam 1989-1990 Brussel 1991 Eindhoven 1991 Kopenhagen 1994

Influences

168

Ghana 2002

De erfenis van slavernij

170

Nederland 2003-2004

De erfenis van slavernij

174

Curaçao 2006

De erfenis van slavernij

175

Suriname 2007

Ego Documenta

176

Rotterdam 2004

Savonet Museum

180

Curaçao 2007-2011

Kunst van overleven

184

Amsterdam 2009-2010

Antepasado di Futuro Curaçao 2011

188

163


Wit over Zwart (Negrophilia) In samenwerking met Harry Leyten & Tropenmuseum Amsterdam

1989-1990

Tropenmuseum Amsterdam (The Netherlands)

1991

Cultural Centre ‘De Markten’, Brussels (Belgium) Philips Exhibition Centre Eindhoven, (The Netherlands)

1994

National Museet (National Museum) Copenhagen (Denmark)

1992-1996

Poster version, traveling exhibit The Netherlands, Belgium, Luxembourg & Engeland Producer: Concept & Collection: Curator: Exhibition Design: Graphic Design: Author Catalogue: Photography:

Tropenmuseum Amsterdam Felix de Rooy / Negrophilia Foundation Harry Leyten & Felix de Rooy Ko Kuin & René Wissink Els Machielsen & Tropenmuseum Amsterdam Jan Nederveen Pieterse Pierre Verhoeff

Knecht van Sint: zwart gemaakte blanke ‘travestie’ NRC Handelsblad, 5 december 1988

Bananenrokjes, nikkertranen en swingnegers Volkskrant, 28 januari 1989

Negrofilia en de strijd tegen de stereotypen Amigoe, 1 april 1989

Nog steeds ’n wilde kanibaal, oude karikaturen van zwarte mensen nog springlevend Anti Apartheidskrant, oktober/november 1989

Expositie stelt blanke ‘superioriteit’ aan de kaak Waarheid, 8 november 1989

‘Wit over Zwart’ stelt racisme aan de kaak in Tropenmuseum De Stem, 2 november 1989

Expositie ‘Wit over Zwart’ toont ‘onuitroeibare’ vooroordelen: Zwarte Piet voedt racisme. Brabants Dagblad, 25 november 1989

165


Zwarte Piet zou in de VS hard worden aangepakt: onverbloemd racisme blijkt uit ‘gewone’ voorbeelden. Brabants Nieuwsblad, 2 december 1989

Negrofilia als waarschuwende vinger in het Tropenmuseum Trouw, 16 december 1989

‘Lach niet zo hard, dat is negerachtig’ Elsevier, 13 januari 1990

Minister D’Ancona bij opening tentoonstelling ‘Wit over Zwart’: Zwarte jongeren moeten zich kunnen spiegelen aan hooggeplaatste zwarten. Staatscourant, 19 december 1989

Schrijnende Negrophilia op ‘Wit over Zwart’: zwarten nog steeds geen deel witte bewustzijn. ADFORMATIE, 21 december 1989

Imagenes de contrastes.: Arte e Insulto. ‘Blanco sobre Negro’, una muestra sobre el racism. EL PAIS, 23 december 1989

Exhibition traces history of white stereotypes of blacks. Daily Nation – Kenia & Daily Nation - Nigeria, 6 januari 1990

Exhibit traces demeaning image of blacks China Daily, 8 januari 1990

Expositie ‘Wit over Zwart’ toont ‘onuitroeibare’ vooroordelen: Zwarte Piet voedt racisme. Brabants Dagblad, 25 november 1989

Show traces history of white sterotypes of blacks The Seychelles Weekend nation, 20 januari 1990

Verzerrte Darstellungen Farbiger in westlicher Kultur 166

Cellefche Zeiting (BRD), 9 juni 1990

Appetitliche Mohren und untertänig kniende Schwarze Landeszeitung Lüneburg (BRD), 7/8 juni 1990

Internationale interesse voor ‘Wit over Zwart’ Het Parool, 11 augustus 1990

Effect van expositie over racisme verbaast zelfs de onderzoeker Trouw, 8 september 1990

Ruim 170.000 bezoekers expositie ‘Wit over Zwart’ Amersfoortse Courant, 31 augustus 1990


White on Black (Negrophilia) White on Black Opening -Speech ‘Angle Gallery’ Liverpool “… God made the little niggers He made them in the night He made them in a hurry And forgot to make them white” Confronting images Visions from the entrails of human history A multi-headed, multi-coloured monster Devouring itself A canibalistic orgy Feeding on ignorance, fermenting Amidst blood and placenta The apocalyptical virus The multi-minority, -migrant society, -syndrome ‘White on Black’ shows thousands of images and objects featuring black people, manufactured in the past few centuries for everyday use in England, Europe and the United States. Toothpaste-tubes, coffee, chocolate and tobacco-advertising, book- and newpaper-illustrations, biscuit-tins, dolls, posters, cartoons and other popular paraphanalia. Many objects date from the relatively recent past, some objects and images still surround us in everyday life. Precisely because this material is ordinary, commonplace, simple and visual, the exhibition is revealing and confronting. While one single image of a stereotyped black character may be passed over with a smile, visitors will lose the inclination to laugh when viewing the great quantity of items and the way they have been categorized. You will realize that there is more to them than meets the eye. A mite of queer humanity, as dark as a cloudy night Was displeased with his complexion And wished to change from black to white He rubbed and scrubbed from morn’ till night With soaps and acids strong But discovered to his sorrow that the recipe was wrong

He built an airtight sweatbox With the hope that he would bleach The sweat poured out in rivers But the black stuck like a leach Although the images in ‘White on Black’ are all images of black people, they do not tell much about their reality. Worse still, they paint a distorted image of them. The exhibition does tell a great deal about the makers of the images. White people, their culture and history. Consequently, it is an exhibition of the manner in which a white cultural majority has developed images of a black cultural minority. It is an exhibition about power and humiliation…” “... Most analyses of white-black relationships overlook the influence of image in mass-culture upon racism in society. The conscious or unconscious acceptance of the stereotyped image of black people is partly responsible for the persistence of preju-dices and racism. The black segment of our population is confronted on a daily basis with the negative consequences of these representations of themselves. Negative stereotyping of any race, class or gender is unacceptable. Oppression of a people in any form – whether physical, symbolical, psychological, economical or political – is unacceptable. The global perpetuation of the suppressive politics of representation and politics of ethnicity is unacceptable. White on black Visions born from a colonial orgasm Torn from historical hypocrisy Cultural schizophrenia and religious insanity White and black Struggling for the delicate balance of diversity Culturally, spiritually and sexually To free our universal identity with humanity Black and white You and me We’ve seen cheated So mistreated When will we be loved ...”

Felix de |Rooy, 1995

167


Influences In collaboration with Korkor Amarteifio & National Theatre of Ghana

Ghana 2002 Producer: Korkor Amarteifio Curator & Exhibition Design Felix de Rooy Collection: National Museum Accra Participating Artists: Kofi Sertordji, Glen Turner, Rob van Doeselaar & Felix de Rooy Maroon Art from Suriname Photography: Caleb Onumara Opening Ceremony: His Royal Highness Prince Willem Alexander & Princess Maximá & His Royal Highness The King of Accra.

168


169


De erfenis van slavernij - Nederland 2003-2004 in samenwerking met René Wissink & Wereldmuseum Rotterdam

Rotterdam 2003-2004 Opdrachtgever: Wereldmuseum Rotterdam Concept & gastconservator: Felix de Rooy Projectleider: Ada Korbee (Wereldmuseum Rotterdam) Design tentoontelling: Atelier Argos (René Wissink) & Felix de Rooy i.s.m. Wereldmuseum Rotterdam Graphic Design: Atelier Argos (René Wissink) & Felix de Rooy Fotografie poster: Vincent Jong Tjien Fa Collecties: Wereldmuseum Rotterdam, Tropenmuseum (Amsterdam), Museum Volkenkunde (Leiden), Surinaams Museum (Paramaribo) NAAM (Curaçao) en diverse privé collecties Teksten: Afdeling Educatie (Wereldmuseum Rotterdam) & Felix de Rooy Documentaires Scenario & Regie: Felix de Rooy, Camera : Vincent Soekra, Dave Edhard, Corrie van Heyningen Montage: Vincent Soekra Productie: Migranten Televisie Amsterdam

DE ERFENIS VAN SLAVERNIJ Deze tentoonstelling laat zien dat Nederland, door het slavernijverleden, onlosmakelijk met Suriname en de Nederlandse Antillen en Aruba is verbonden. Aan de hand van thema’s als het zwarte leed, plantageleven, straf en verzet en Schatkamer van de Marrons wordt deze verbondenheid verbeeld. De erfenis van slavernij is zichtbaar in historische documenten, objecten, moderne kunst en in unieke interviews met nazaten van slaven en slavenhouders op Curaçao, in Suriname en Nederland. Slavenhandel en leven op de plantages Nederland speelde een belangrijke rol in de transatlantische slavenhandel. De schepen van de West Indische Compagnie (W.I.C.) vervoerden grote aantallen slaven van de westkust van Afrika naar Suriname en de Antillen. Ze werden verkocht om daar te gaan werken op de plantages. Originele prenten, diorama’s en speelfilmfragmenten geven een beeld van de overtocht en het leven op de plantages. De niets verhullende prenten van de Schot Stedman laten zien welke gruwelijke straffen de slaven kregen. Stedman nam deel aan een strafexpeditie die, in opdracht van de Republiek Nederland, gevluchte slaven moest opsporen. Weggelopen slaven (Marrons) trokken zich terug in het oerwoud van Suriname en pleegden van daaruit verzet.

Ook op Curaçao kwamen slaven in opstand. Speciale aandacht krijgen de zwarte vrouwen, die als stille heldinnen een belangrijke bijdrage leverden aan overleving en verzet. De erfenis De erfenis van slavernij krijgt in de hele tentoonstelling aandacht. Concrete overblijfselen zijn terug te vinden in voorouderbeelden en marronkunst. Interviews met nazaten van slaven en slavenhouders, gefilmd in Suriname, Curaçao en Nederland, vertellen indringende verhalen uit de levende geschiedenis. Zij laten zien dat de erfenis van slavernij zowel op cultureel als op sociaal / maatschappelijk gebied nog steeds diepgeworteld is in de hedendaagse samenleving. Spijtbetuiging en herstelbetalingen Op 1 juli 1863 schafte Nederland, als een van de laatste landen van de wereld, de slavernij af. Het verbreken van de kettingen, keti koti, dat elk jaar op die eerste juli wordt herdacht staat de laatste jaren steeds meer in de belangstelling. Aan de hand van het wapen van Suriname, met de tekst Justitia (gerechtigheid), Pietas (mededogen) en Fides (vertrouwen) stelt de tentoonstelling ook de volgende issues aan de orde: herstelbetalingen, spijtbetuiging en collectief geheugen.

171


172


De erfenis van slavernij - Nederland 2003-2004 in samenwerking met René Wissink & Wereldmuseum Rotterdam

‘ZWART EN OOK NEDERLANDER, DAT GAAT GOED SAMEN’ “… Of het een cadeautje was? Een korte lach. Dan een beaming. Ja. Voor de Antilliaans-Surinaamse kunstenaar/ regisseur Felix de Rooy was de aanbieding om de unieke tentoonstelling De erfenis van slavernij samen te stellen een presentje. Het Wereldmuseum Rotterdam koos hem als gastcurator. Hij had zijn sporen op dit gebied al in 1989 verdiend. Voor het Tropenmuseum (Amsterdam) stelde hij toen een opmerkelijke tentoonstelling samen, getiteld Wit over Zwart. Hierin toonde hij met een indrukwekkende verzameling negrofilia aan, dat aan de basis van de beeldvorming van zwarten de slavernij ligt. Nu zoomt hij met de tentoonstelling De erfenis van slavernij in op het Nederlandse slavenverleden. Een groot succes. Sinds de expositie werd geopend in november 2003, is het aantal bezoekers aan het sfeervolle Rotterdamse museum maar liefst verdubbeld…” “… Met zijn werk wil De Rooy, de gekwetstheid voorbij, een betere balans brengen. De erfenis van slavernij omvat historische documenten, objecten, moderne kunst en unieke interviews met nazaten van slaven en slavenhouders op Curaçao, in Suriname en Nederland. Wat we anno 2004 zien en horen houdt rechtstreeks verband met het verleden. ‘Zwarte Nederlanders zijn gewone Nederlanders. We zijn niet uit de bloemkolen gekweekt! Zwart en ook Nederlander, dat gaat dus goed samen. Zonder gestigmatiseerd te hoeven worden met termen als autochtonen en allochtonen. Generaties zwarte Nederlanders zijn geboren en getogen in Nederland. Maar door hun uiterlijk worden ze altijd gezien als ‘de ander’. Er is nog altijd een stereotiep beeld van de Nederlander als Ariër, dat is gevaarlijke situatie.’…” “… In de ketens De bezoeker van de tentoonstelling zal verschillende onderdelen vooral ook veel voelen. De Rooy werkt met ‘culturele emotie’ en onderzocht de betekenis van de begrippen Justitia Pietas Fides, de wapenleuze van Suriname. Voor Pietas (piëteit) kwam hij uit op indringende videopresentaties van mensen in slavenboeien geslagen en in ondergoed getooid.

‘In je ondergoed voor de camera, tot slaaf gemaakt, heel kwetsbaar, hoe voelt dat? Op een zondag gingen deze vrijwilligers, jong, oud, zwart, wit, om de beurt een half uur in de ketens en werden gefilmd. Het leverde hele verrassende resultaten op, een scala aan emoties. Niets is eenduidig, ieder licht heeft zijn schaduw. Mensen werden boos en opstandig, anderen werden spiritueel, begonnen spontaan te bidden. Gevoelens zijn universeel, pijn is pijn, vernedering is vernedering.’ De tentoonstelling omvat ook digitale orale geschiedenis. Volgens De Rooy een noodzakelijke aanvulling op al het bestaande. ‘Als je kijkt naar de documenten, de gravures en litho’s, die zijn allemaal gemaakt door witte mensen, Nederlanders, die reflecteren de cultuur van de plantage-eigenaren. De geschiedenis van de zwarten is vooral in de orale traditie blijven bestaan. De stem vanuit het zwarte perspectief zorgt voor een balans. Net als in een rechtzaak. Je kunt niet alleen de ene kant laten horen, de dader en het slachtoffer moeten worden gehoord. Het publiek is dan de jury van de geschiedenis’ …” “… De Rooy trekt zelf veel lijnen naar de huidige Nederlandse samenleving. ‘Ik heb een negatief en een positief script. Het positieve script is dat door fusering met elkaar, door het moederschap, het multiculturalisme wordt verankerd in de Nederlandse samenleving. Je kunt dan niet meer denken in wij en hun, het is allemaal je familie geworden. Ik verwacht een grotere tolerantie, vanuit zo’n multiculturele familieclan. Het negatieve script is dat Europa, het laatste fort van de witte westerse beschaving, nu de laatste grote battle gaat voeren voor het behoud van de eigen witte cultuur. Puur en ongemengd. Het is een verloren strijd, maar de angst drijft mensen.’ En de kunstenaar zelf? ‘Ik werk vanuit het positieve script. Maar met de adem van het negatieve script in mijn nek.’ …” Ida Does Amigoe (2004)

173


De erfenis van slavernij - Curaçao 2006 Herensia di Sklabitut in samenwerking met René Wissink & Wereldmuseum Rotterdam

2006 Opdrachtgever: Herensia di Sklabitut Concept & gastconservator: Felix de Rooy Projectleider: Ada Korbee (Wereldmuseum Rotterdam) Design tentoontelling: Atelier Argos (René Wissink) & Felix de Rooy i.s.m. Wereldmuseum Rotterdam Graphic Design: Atelier Argos (René Wissink) & Felix de Rooy Collecties: Wereldmuseum Rotterdam, Surinaams Museum (Paramaribo), NAAM (Curaçao) en diverse privé collecties Betrokken organisaties: Archivo Nashonal, Asosiashon Promoshon, Konsenshi Istoriko, Bibliotèka Públiko Kòrsou, Chata, Curacao Tourist Board, Fundashon Era Nobo, Fundashon Mangusa, ID-arte, Kas di Kultura, Museo di Kòrsou, Museo Kura Hulanda, NAAM, Plataforma Banda Bou, Plataforma Berdat Historiko, Servisio di Kultura i Edukashon, Tayer Soshal, Teatro Luna Blou, Unesco, Unidat di Bario Wereldmuseum Rotterdam Afdeling Educatie (Wereldmuseum Rotterdam) & Teksten: Felix de Rooy Documentaires Scenario & Regie: Felix de Rooy, Vincent Soekra, Dave Edhard, Camera : Corrie van Heyningen Montage: Vincent Soekra Productie: Migranten Televisie Amsterdam

174


De erfenis van slavernij - Suriname 2007 in samenwerking met René Wissink & Wereldmuseum Rotterdam

2007 Opdrachtgever: Surinaams Museum (Paramaribo) Concept & gastconservator: Felix de Rooy Projectleider: Ada Korbee (Wereldmuseum Rotterdam) Design tentoontelling: Atelier Argos (René Wissink) & Felix de Rooy i.s.m. Wereldmuseum Rotterdam Graphic Design: Atelier Argos (René Wissink) & Felix de Rooy Collecties: Wereldmuseum Rotterdam, Surinaams Museum (Paramaribo), NAAM (Curaçao) en diverse privé collecties Teksten: Afdeling Educatie (Wereldmuseum Rotterdam) & Felix de Rooy Documentaires Scenario & Regie: Felix de Rooy, Camera : Vincent Soekra, Dave Edhard, Corrie van Heyningen Montage: Vincent Soekra Productie: Migranten Televisie Amsterdam

174


Ego Documenta, 2004 in samenwerking met René Wissink & Wereldmuseum Rotterdam

177


178


Ego Documenta, 2004 in samenwerking met René Wissink & Wereldmuseum Rotterdam


180


Savonet Museum In samenwerking met René wissink & CARMABI Foundation

Curaçao 2007-2011 Basisopzet tentoonstellingsconcept OPENLUCHTMUSEUM SAVONET Natuurcollectie CARMABI Foundation/Cultuurcollectie N.A.A.M. Complete vormgeving van het hele museum. Architectonisch, grafisch en audiovisueel. Opdrachtgever: Carmabi Foundation (Leon Pors & Michelle da Costa Gomez) Concept: Felix de Rooy Restauratie: Techkon (G. van de Heuvel en J. van de Heuvel) Aannemer: Willemstad (Curaçao) Interieur Design: Atelier Argos (René Wissink) & Felix de Rooy i.s.m. Broox (M. Broekman) Graphic Design: Atelier Argos (René Wissink) & Lucien Guljé (Gulson) i.s.m. Kopieland Deventer Still Photography: René Wissink, Kirk Claes, Helena de Bekker Documentaires Scenario & Regie: Felix de Rooy Camera & Montage: Ryan Oduber & Leon Pors Collecties: N.A.A.M. en particulieren Tekst/beeld: Helma Maduro-Molhuizen

SAVONET MUSEUM: INTER-DEPENDENSHA Het thema van het museum is gebaseerd op het concept inter-afhankelijkheid De inter-afhankelijkheid tussen: Natuur- en cultuur(historie)Indiaanse, Europese en Afrikaanse cultuur Materiële en spirituele cultuur Kunst en educatie De functie van het museum is drieledig; Educatief: natuur- en cultuureducatie met behulp van historisch materiaal, multimedia en audiovisuele presentaties met een schakel naar beeldende kunst. Recreatief: natuurwandelingen te voet, met ezel of paard, mountainbike of auto, een restaurant met terras en speelpark voor kinderen. Informatiecentrum en winkel. Innovatief: in vormgeving van tentoonstelling en ecologische voorbeeldfunctie van Savonet om verantwoord energie te gebruiken met o.a. zonnepanelen en windmolens.

Rond het thema inter-afhankelijkheid van verleden, heden en toekomst worden multimediale tentoonstellingsinstallaties ontworpen waarbij gebruik wordt gemaakt van relevant historisch materiaal en documentatie, gepresenteerd en ondersteund door audiovisuele elementen. In alle cultuurhistorische presentaties worden natuurelementen verwerkt. Omgekeerd worden in natuurhistorische presentaties cultuurelementen opgenomen. Specifieke onderdelen van het algemene tentoonstellingsconcept zullen verder worden uitgewerkt in samenwerking met lokale beeldend kunstenaars. Dit om in de museumfunctie van Savonet ook de inter-afhankelijkheid van kunst en educatie te onderstrepen. Felix de Rooy, 2006

181


181


Savonet Museum In samenwerking met René wissink & CARMABI Foundation LANDHUIS SAVONET, het culturele hart van het natuurpark Sint Christoffel, heeft in de loop der eeuwen vele transformaties ondergaan. Met westers vernuft en Afrikaans zweet gebouwd op indiaanse rots, door mysterieuze brand verwoest, uit de as herrezen als meest productieve plantage na de afschaffing van slavernij, na de dood van de laatste shons verstoft, vervallen, opnieuw opgeknapt als centrum voor het natuurpark, daarna opnieuw verstoft, vervallen, haar dak door teleurstelling ingestort onder het gewicht van onvoltooide dromen. Als een hybride prinses in een zichzelf verterend

coma wachtend op de bevrijdende kus van een nieuw millennium met verlichte inzichten en multiculturele perspectieven. Nu is zij opnieuw gereïncarneerd, getransformeerd tot museum voor de natuur en cultuurgeschiedenis van haar koninkrijk op Banda Abao, Curaçao. Als een ode aan de overlevingskracht van haar grillige natuur en de cultuur van vergankelijke mensen die hun sporen achterlaten in grotschilderingen, landhuizen, raffinaderijen, kerken, begraafplaatsen, archieven, digitale hard disks en musea. Felix de Rooy (2009)

183


Kunst van overleven In samenwerking met Alex van Stipriaan & Tropenmuseum Amsterdam

Amsterdam 2009-2010 Producent: Tropenmuseum Amsterdam Concept & Gastconservator: Felix de Rooy Conservator Tropenmuseum: Alex van Stipriaan Adviseur: Thomas Polimé Projectmanager: Marga van Berkel Vormgeving tentoonstelling: Peter de Kimpe, Frank Hulsebosch Grafische vormgeving: Joseph Plateau Grafische Vormgevers Technische realisatie: Iris Vormgeving, Riwi Collotype, Tropenmuseum Audiovisuele Mediaproducties: Regie en Scenario Felix de Rooy Camera, geluid, montage Jürgen Lisse Interviews en vertaling Erna Aviankoi Productie Nina Jurna/Fawaka Creations Catalogus Kunst van Overleven: KIT Publishers Auteurs Alex van Stipriaan en Thomas Polimé

HOE DE MARRONS OVERLEEFDEN “… Hoe de marrons overleefden Kunst van overleven is de titel van een tentoonstelling in het Tropenmuseum over de kleine cultuur van de marrons in Suriname …” “… Het zal een vreemde gewaarwording zijn voor de Surinaamse gasten dat zij naar de andere kant van de wereld moeten reizen voor zo’n uitgebreide tentoonstelling over de eigen cultuur. Geen museum ter wereld heeft zo’n omvangrijke collectie voorwerpen uit Surinames binnenland als het Tropenmuseum. Dankzij wetenschappelijke expedities en schenkingen heeft het een unieke verzameling houtsnijwerk, gebruiksvoorwerpen, textiel en muziek aangelegd. Het was theatermaker Felix de Rooij die enkele jaren geleden het museum benaderde met het voorstel een tentoonstelling te wijden aan de rijke cultuur van de marrons. Conservator Alex van Stipriaan was meteen enthousiast. ‘In alle Amerikaanse landen zijn slaven van de plantages naar het binnenland gevlucht. Wat de marrons in Suriname zo bijzonder maakt, is dat zij nog steeds een zelfstandig bestaan leiden als volk met een eigen cultuur en taal. Dat vindt je nergens anders.’ …” “…De Afrikaanse slaven die vanaf de achttiende eeuw hadden weten te ontsnappen, stichtten met hulp van inheemse bevolking eigen dorpen in het Amazonegebied. Vanuit die nederzettingen voerden zij guerrilla-aanvallen uit op de plantages. Dit gebeurde met zoveel succes dat de koloniale overheid in 1760 het eerste van een reeks

vredesverdragen sloot met de marronstammen. Dat maakte de bosnegers feitelijk tot de eerste vrijgemaakte slaven op het Amerikaanse continent. De tentoonstelling gaat uitgebreid in op deze heroïsche geschiedenis, maar er wordt vooral aandacht besteed aan het heden. Van de 120.000 marrons leven de meesten tegenwoordig in Paramaribo, Frans-Guyana, Utrecht en Amsterdam…” “… Speciaal voor de tentoonstelling reisde een team van het Tropenmuseum naar het Brokopondomeer om onder water te zoeken naar resten van de verdronken dorpen. Dat leverde weinig op. De houten huisjes waren vergaan en begraven onder een dikke laag slib. Indrukwekkend is wel de reactie, ook op film, van de bewoners van de transmigrantiedorpen, die de beelden te zien kregen. De verbittering is van de gezichten af te lezen. Geen wonder, want enige financiële genoegdoening hebben die mensen nooit ontvangen. Het Tropenmuseum heeft zich ingespannen om de marrons goed te behandelen. In ruil voor hun medewerking aan de tentoonstelling worden in het binnenland van Suriname enkele kleine musea gesticht die bijdragen aan het behoud van de marroncultuur…” Patrick Meershoek, Het Parool (2009)

HANDTROMMELS EN HIPHOP “…Aan de cultuur van de Marrons, de derde bevolkingsgroep van Suriname, heeft het Tropenmuseum een expositie gewijd. Nell Westerlaken dwaalt tussen traditie en moderniteit…” “… Kunst van overleven heet de tentoonstelling over de marroncultuur

die deze week werd geopend in het Amsterdamse Tropenmuseum. ‘We willen laten zien hoe een kleine cultuur zich staande houdt in een tijd van globalisering’, zegt Alex van Stipriaan, met kunstenaar Felix de Rooy samensteller van de expositie. Tegelijkertijd is de tentoonstelling een antwoord op de noodkreet van enkele granmans – traditionele marrongezagdragers – bang als ze zijn dat hun oorspronkelijke cultuur oplost in het heden. De prachtige collectie etnografische voorwerpen uit de museumkelders is aangevuld met moderne marronkunst – schilderijen, houtsnijwerk, meubels – en tientallen uren film over het huidige leven van het volk. Traditioneel naast modern: het is inmiddels een bekende Tropenmuseumformule die ook nu weer werkt…” “… De moderne tijd is in de opstelling vooral gevat in de filmpjes, de traditie in voorwerpen (700 stuks) en foto’s. De verhouding van de voormalige slaven met de kolonisator, oorlogen, landroof, de zending: het is op een of andere manier verwerkt. Er zijn foto’s van vrouwen die een dans opvoeren, gekleed in reusachtige, uit Nederland geïmporteerde bh’s, van zendelingen tussen de bosnegers, zoals de marrons nog niet zo lang geleden werden genoemd. De bijdrage van het Tropeninstituut aan de marroncultuur blijft niet beperkt tot de tentoonstelling, die is maar tijdelijk tenslotte. ‘Hierna gaan we cultuurhuizen oprichten in twee marrondorpen’, zegt Van Stipriaan, ‘op verzoek van de traditionele leiders. Zij gaven hun medewerking en hun verhalen. Voor wat hoort wat’…” Nell Westerlaken de Volkskrant (2009)

185


Kunst van overleven In samenwerking met Alex van Stipriaan & Tropenmuseum Amsterdam

187


Antepasado di Futuro In samenwerking met Jennifer Smit & Stichting Arte 99

Curaçao 2011 Producer: Stichting Arte 99, Curacao Nicole Henriquez, Lusette Verboom, Daisy Casimiri Curacaosch Museum Curators: Felix de Rooy, Jennifer Smit Exhibition Design: Felix de Rooy Poster design: Stradius Strategic Brand Builders – Carl Ariza Projectcoördinator: Marijke van Rijn Still Photographer: Kirk Claes Catalogue: KIT Publishers Authors: Felix de Rooy and Jennifer Smit

…ANTEPASADO

DI

FUTURO

EEN

GEPASSIONEERDE

In iedere ruimte van het Curaçaosch Museum heerst een eigen sfeer. Steeds weer andere emoties komen boven, soms in hevig contrast met elkaar. Je loopt de ene zaal vol kunstwerken uit en ondergaat bij het betreden van de volgende al snel een heel ander gevoel. Uitingen van zeer diverse symboliek, vormentaal en kleuren komen naar voren, in kunstuitingen die zonder uitzondering door hun scheppers met een dwingende creatieve kracht zijn uitgedrukt. Het is een kracht die haast tastbaar in de ruimtes hangt. Meer dan een eeuw beeldende kunst van Curaçao is hier bijeengebracht in de grote overzichtstentoonstelling Antepasado di Futuro – het is een uitzonderlijke verzameling van kunstwerken die uitnodigt tot contemplatie en de bezoeker bijna onvermijdelijk aanspoort tot reflectie. Daarnaast maakt de buitengewone inrichting van de expositie een rondgang door het gebouw een beleving die men niet snel zal vergeten. Met Antepasado di Futuro hebben de samenstellers een tentoonstelling neergezet die bruist van de oerkracht van het leven…”

ODE

AAN

HET

LEVEN

“… De tentoonstelling getuigt van een gedurfde visie van de samenstellers. De curatoren Jennifer Smit en Felix de Rooy hadden als voornaamste selectiecriterium dat elk werk een statement moest maken en vooral krácht moest uitstralen. Daar zijn zij uitstekend in geslaagd. Hun keuze van installaties, schilderijen, sculptuur, tekeningen, grafiek, fotografie en video’s laat een sterke collectie zien van Curaçaose kunstproductie. De expositie contrasteert, maar de werken hebben samen een diepere harmonie, er zijn een paar centrale ideeën die de tentoonstelling samenbinden. Hun ideeën zullen nog ver na deze tentoonstelling ons stof tot nadenken, inspiratie tot het scheppen van kunst, en een diepere beschouwing van beeldende kunst in het Caribisch gebied bieden. Kunst gaat immers over het leven, en bijzondere kunst is daar een verrijking van. Zoals Bertold Brecht het stelt: Alle kunsten leveren een bijdrage aan de grootste kunst; de kunst het leven te leven. Antepasado di Futuro is daar een overtuigend voorbeeld van…” Chandra van Binnendijk (2010)

189


Portraits

Wim Hardeman (1990) Diana Blok (1989)


René de Rooy (1953)

191

Carmen Kemmink (1999) KOOOS (1993)


Sebastian Holzhuber (1995)


Portraits

193

Amazone Nativel (1996)

Erik Zoutendijk (1969)


Portraits

titel jaar techniek

Vincent Jong Tjien Fa (2011)


195

Diana Blok (1998)


Wim Hardeman (2012)


MEMENTO MORI Het hart een open boek de pagina’s versleten De omslag al jaren zoek het antiquariaat vergeten Het leven tatoëerde het in braille niet begrepen Engelen smolten het bloedend hart door Lucifer bezeten Gebeiteld in geronnen bloed in woorden vastgebeten Het hart gezegend en vervloekt door zondaars en profeten Een oud beduimeld boek het hart niet vaak meer uitgeleend Tot stof verkruimeld moederkoek in God versteend De bibliotheek gesloten Felix de Rooy 2005

197


Nomade in Niemandsland: Kroniek van een koloniaal orgasme I Mijn identiteit in deze preapocalyptische tijd is voorlopig geworteld in bevroren aarde. Kou trekt via mijn voetzolen dwars door mijn lichaam; verstijft mijn donkerbruine tepels. Herinneringen trillen, opgeslagen in verroeste hersencellen, bedekt met een dikke laag ijzel. Begraven onder een versteende regenboog, rotte sporen van een tropische dageraad rond de evenaar. In de ban van Edvard Munch drijf ik spoken uit Curaçaose landhuizen. Under the spel of Jacques BreI word ik ontmaagd, ne me quitte pas. Onder wonderlijke Mexicaanse sneeuw word ik verkracht. Leonard Cohen lacht. Joni Mitchell wacht. Ik zoek naar de Duivel in de Scheveningse duinen; ik ontmoet God in een New Yorks pissoir. Nu dwaal ik rond in het verloren Europeese sprookjesrijk, ooit geschilderd voor het slapen gaan door mijn grijs geworden, reeds uitgebeende grootvaders. Deze vluchtelingen uit het koude, witte noorden begonnen een nieuwe eeuw in een overvloedig klimaat van Caribische gloed. Europese erfgenamen, heersers over eilanden en continenten van neo-Europa. Rijk aan oerwouden en grondstoffen, ooit geregeerd door esoterische indianen; nu onttroont, stoïcijns en gemarginaliseerd. Scheppers van een Nieuwe Wereld waar geïmporteerde, gepassioneerde, bronzen negers werden overgeplant. Als onkruid tieren zij welig in hun neo-Afrika, tussen hun lotgenoten: koperen Hindoestanen, gebrande sienna Javanen en okerkleurige Chinezen in hun neo-Azië. Onontgonnen lagen de koloniën maagdelijk gespreid onder geheime beloften. In duizend en een tropische nachten fluisterden mysterieuze Mestiezen, magische Mulatinnen en querulante Quadroons. Onder tropische regenwouden groeien broeierige nazaten van een eeuwenoude, koloniale copulatie. Afro-Europeanen, Euro-Aziaten, Afro-Indianen, lndo-Europeanen, Afro-Aziaten en ander gevarieerd snoepgoed, verstrengeld in rituele orgieën uit de Kama Sutra. Verbannen naar het zwartboek van de vaderlandse geschiedenis.

197

Tuimelend door ruimten van duizelingwekkende herinneringen, ontstijg ik mijn biologische tijd. Verborgen genetica ontploft in mijn brein en stuitert mij terug naar wortels voorbij geëtiketteerde multiracialiteit, gebrandmerkte multiculturaliteit, melancholische multiseksualiteit en conceptuele universaliteit. Uit mij spuit, in horten en stoten de kroniek van mijn ongrijpbare identiteit: de odyssee van een Nomade in Niemandsland.

II Als erfgenaam van het koloniaal orgasme, als buitenechtelijke bastaard geschrapt uit het Europese Testament, ontsnap ik de gevangenis van genetische en historische identiteit. Gevlucht naar het mythische land van La Race Mélangée: het Niemandsland van het vuilnisbakkenras. The Invisible Race dat zich - met een door onderdrukking en twijfel gesnoerde mond - grenzeloos en anarchistisch vermenigvuldigt. Onderhuids en tussen de lakens, tegen raciale ontkenning en nationale afstoting in. Het dolende ras, geboren uit conflict en confrontatie, nieuwsgierigheid en herkenning, tederheid en intimiteit. Haar kinderen zijn niet langer twijfelende, kwijnende halfbloedjes die lijden aan een chronische identiteitscrisis, maar mutanten met dubbel- en multibloed dat mengt en voedt. Multi-moksi-meti’s, engelen van gemengd vlees. Ooit kunnen zij de aarde voor uitzichtloze volkerenmoord behoeden. May all humans be brothers, want alle rassen zijn in ons klaargekomen. In mijn bloed stromen samen: Amazoneindianen, Afrikaanse slaven, slavenhouders en abolitionisten uit Nederland, Duitsland, Frankrijk en Portugal. In mijn hart is de strijd om raciale en culturele identiteit voorbij. Beslecht door generaties spermatozoön en eicellen ben ik bevrucht, volgroeid, uitgeperst en gebaard: een verse vreemdeling op aarde. Ik word verscheurd door seksen, rassen, culturen en religies, die door mijn bloed heenrazen, kokend opborrelen in koortsdromen en visioenen. Ik verlang naar heling van de historische pijn tussen mijn indiaanse overgrootmoeder en haar Europese verkrachter. Ik voel het dreigende zwijgen tussen mijn Afrikaanse grootmoeder en mijn Europese grootvader, een wapenstilstand tussen schaamte en begeerte, schande en schuldgevoel. Ik lees de Bijbel en Xaviera Hollander, poets mijn Benettonbewustzijn op en slurp Max Havelaars solidariteitskoffie uit Delfts blauwe kopjes. Ik ben me bewust van mijn kwetsbaarheid, mijn gemengde identiteit. Wier Neerlands bloed door d’aadren vloeit, van vreemde smetten vrij. Een tirannieke litanie ontkent mijn gemuteerde genen. Van schaamte bevrijd, vlieg ik op de vleugels van mijn gekleurde diversiteit. Uit de schimmen van een geleden strijd, ontrafel ik verworven tederheid.

III In de dageraad van de vorige eeuw was mijn opa, een Nederlandse telegrafist, gestationeerd op Haïti. Op oude familiefoto’s poseert hij eenzaam in een gesteven, wit tropenkostuum, geflankeerd door een palmboom in een koperen pot. Zijn gezicht, gelooid door de onverbiddelijke tropenzon, omlijst door een imposante snor die doorloopt in zijn uitstaande bakkebaarden. Deze struise Nederlander ontmoette in de zwoele koelte van het postkantoor in Port-au-Prince de frêle dichteres Marguérite Grimard. Zij was de dochter van een Franse zakenman en een Haïtiaanse mulattin. Marguérite Grimard ken ik alleen van een geel uitgeslagen, verkleurde sepia foto uit 1912. Een witgepoederde Jugendstilschoonheid uit de Belle Époque met kwetsbare ogen. Een melancholische glimlach speelt rond haar volle lippen; een ranke hals rijst op uit kant en satijn. Op het eerste gezicht lijkt de foto uit een antiek Frans fotoalbum te zijn kwijtgeraakt. Maar bij nader inzien ontsluiten de prominente jukbeenderen, het weelderige, opgestoken haar en de onmiskenbare lippen, de aanwezigheid van Afrikaans bloed in mijn oma: une Mulatresse Très Mélangée. De poëzie van haar zinderende sensualiteit, ingesnoerd in korsetten van Parijse makelij, bracht de bronstige calvinist in vervoering. Hun Passion Tropical was, volgens mijn vader, stormachtig en intens. Na vijf snel opeenvolgende bevallingen en een landverhuizing, bezweek mijn oma in Suriname aan postnatale infecties. De Nederlandse weduwnaar met vijf kinderen, variërend van koffiebruin tot vanillewit, verhuisde naar Curaçao en hertrouwde een dochter uit een Brabantse migrantenfamilie. Deze kleine, tanige, stuurse vrouw schonk de wellustige telegrafist nog drie kaaskleurige kinderen, maar werd kort daarna zijn weduwe. Toen de bescherming van zijn Nederlandse vader was weggevallen, zocht mijn vader - een van de bruine kinderen - troost onder de lange, witte rokken van Tilburgse fraters op Curaçao. Zij sloten hem liefdevol in de armen en zagen voor dit inheems Nederlandse weeskind wel een toekomst in het onderwijs. Als leraar op de lagere school van een jongensweeshuis leek hij de ideale brug tussen de patriarchale, koloniale cultuur en haar culturele wezen: de inheemse bevolking. Maar sterker en bepalender voor mijn vaders leven bleken de wijdgeplooide, exotisch beschilderde rokken van mijn


Nomade in Niemandsland: Kroniek van een koloniaal orgasme moeder. Een geëmancipeerde Caribische prinses, zijn Lena Horne verdwaald in Willemstad. Een stormachtige reïncarnatie van zijn moeder, gegoten in het gestileerde lichaam van een Nouvelle Mulatresse Très Mélangée. Haar schoonheid werd zijn inspiratie; haar vechtlust zijn motivatie; haar liefde zijn overgave. Zij trok hem weg van onder de paternalistische rokken van Tilburgse fraters met hun koloniaal gekleurde cultuurfilosofie. Ze werd zijn Muze, spiegelde zijn diverse identiteit en katapulteerde hem de wijde wereld in.

IV

Een leven lang hebben mijn ouders als nomaden gezworven. Zij hebben kunst gemaakt en kinderen gebaard in verschillende landen, op zoek naar een plek die hen tijdelijk kon omarmen. Maar teleurstelling over nationalistische beperkingen. xenofobie van monoculturen en burgeroorlogen binnen multiculturen, bleef hen rusteloos voortdrijven. Schilderijen, beeldhouwwerken, boeken en platen werden weer ingepakt; de kinderen uit school ontwortelt, maar altijd weer overgeplant in een nieuw avontuur, an ever changing horizon. De pathologische nomadendrang van mijn familie is ook in mijn psyche diepgeworteld. Het is de vruchtbare voedingsbodem van mijn creativiteit en een feestmaal voor psychologen. Zelfs wanneer wij ons niet verpotten van eiland naar continent, werd binnenshuis ons dagelijks leefmilieu onderworpen aan rigoureuze metamorfosen. Maar dit gegeven was voor ons eerder een status quo, een geïnstitutionaliseerd familieritueel. De rusteloze vernieuwingsdrang spiegelde zich vooral in het interieur van onze huizen die regelmatig werden veranderd. Met een religieuze toewijding werden schilderijen verhangen en beeldhouwwerken verplaatst. En grande famille werd er gesjouwd met meubilair, boekenkasten, grote boomstammen en monumentale bloemstukken gemaakt van uitgedroogde cactussen en doornstruiken. Ook mijn houtskooltekeningen van concentratiekampen, profeten, zeemeerminnen en naakte, soms zwangere vrouwen, kregen een plaats tussen mijn ouders’ kunstcollectie. Er werden zelfs muren leeggeruimd om ruimte te bieden aan mijn mysterieuze muurschilderingen. Mijn moeders motto: kunst moet je eren en respecteren. Mijn vaders motto: kunst moet je hakken, kneden en gieten; ervan genieten terwijl je het maakt. Vooral mijn vaders gestage productie van beeldhouwwerken in zandsteen, hout en gips, bleef een directe aanleiding

om het interieur drastisch aan te passen. Elk nieuw beeld moest zijn eigen plaats in de ruimte veroveren, een dialoog, harmonie en spanning creëren met de rest van het interieur. Het was traditie dat, na de metamorfose in het huis, de familie, overspoeld door Gregoriaanse of Grieks-Orthodoxse liturgieën, in devote stilte het huis in zich opnam en concludeerde dat het voor dit moment goed was.

V Ik kom uit een excentrieke familie bij wie de schoenen uitgetrokken moesten worden, wanneer je op bezoek kwam. Ik verkneukelde me over de geschokte reacties van bezoekers op ons huis. Een rariteitenkabinet met expressionistische geraamten; gestileerde, naakte vrouwentorso’s; abstracte schilderijen en Zuid-Amerikaanse volkskunst. Vooral de met orchideeën begroeide boomstammen - in het interieur van eeuwenoude Nederlandse planterswoningen - vervulden de visite met stomme verbazing, bewondering of onverhulde argwaan. In de Curaçaose dorpen, gegroeid rond de koloniale landhuizen - waarvan wij een aantal hebben bewoond - genoot onze bizarre familie de sympathieke tolerantie, meestal voorbehouden aan de dorpsgek. Mijn moeder, mispelbruin met donker golvend haar, een prominente grijze lok rond haar Nefertiti profiel, inspireerde adoratie en jaloezie. Haar slanke, rijzige lichaam, gehuld in lange, opvallend blote jurken, inspireerde onzekerheid en lust. Mijn vader was een theatraal contrast. Met zijn peper-en-zout ringbaard en zijn bizarre door vitiligo bruin en wit gebatikte huid, stak hij schril af tegen de klassieke esthetica van zijn vrouw. Maar zijn fijnzinnige creativiteit en zijn emotionele kwetsbaarheid bleven niet onder zijn huid verborgen. Zacht en krachtig straalden zij uit zijn donkere ogen en zijn soepele, gespierde lijf. De internationale reacties op mijn ouders, bleken een stoomcursus praktijk in ethische en esthetische relativiteitstheorie. Schoolvrienden op de Amerikaanse highschool in Mexico Stad noemden mijn ouders the Beauty and the Beast. Maar achter the Beauty schuilt de hartstocht en vechtlust van een moederdier dat haar kloek beschermt tegen de wrede buitenwereld. Een Jeanne d’Arc tegen sociaal onrecht en hypocrisie, gegoten in een exotisch Hollywood-imago. The Beast verhulde de filosofische creativiteit van de neorenaissance mens in mijn vader. Introvert in zijn kunst en extrovert in het onderwijs, zocht hij zijn innerlijke balans, gevangen in het imago van de freak als kermisattractie:

Atlas met een huid als de wereldkaart. Als kind heb ik mijn bizar en excentriek ouderpaar gehaat en verafgood. Gehaat omdat het onmogelijk was onopgemerkt op te lossen in de doorzoncode van de maatschappij. Onmogelijk opgenomen te worden in de anonieme identiteit van de massa; waar ter wereld wij ons ook bevonden. Verafgood, vooral omdat juist zij, uniek en opvallend, het mogelijk maakten de grijze middelmaat te ontstijgen. Hun strijd, pijn en liefde schonken mij inzicht in het dualisme inherent aan het leven.

VI

De familie van mijn vader woonde op Curaçao, maar mijn moeders familie heeft grotendeels, tot aan de Exodus naar Nederland in de jaren zeventig, in Suriname gewoond. De spil van mijn Surinaamse familie waren mijn grootouders. In mijn kinderogen de wijze, grijze wortels van mijn Surinaamse stamboom. Vooral mijn grootmoeder met haar volle, mollige, bruine huid, gevangen in hoogsluitende katoenen bloemetjesjurken, leek de onvermoeibare stam van waaruit de familie zich had vertakt. Als een blad aan haar boom streelde ik haar grijze haar van zacht staalwol. Haar mulattinnengezicht had krachtige trekken, vol gespannen rond brede botten. Haar indianenogen fonkelden scherp; haar lippen dun, verbeten, zwijgzaam. De contouren van een snor tekenden zich af rond haar mondhoeken die soms flauw plooiden in een glimlach, alleen voor haar zelf bedoeld. Terwijl ze voorovergebogen aan de eettafel, de bril half afgegleden op haar neus, de administratie deed voor de begrafenisvereniging Vrede en Arbeid, leek ze soms een androgyne wachter, weggelopen uit een sprookjesboek. In de koele schemering van het huis tekende het felle, tropische tegenlicht haar zware silhouet: een eeuwenoude moloch, een vermoeide krijger, gevangen in het lichaam van een Oermoeder. Vol ontzag en afschuw bekeek ik haar als ze rustig en efficiënt een van haar kippen de nek omdraaide en de kop afhakte. Haar volle bovenarmen trilden op het ritme van de veren die zij plukte. Maar de gestoofde kip met rijst en kousenband, die wij in de schaduw van de guavenboom liefdevol kregen opgediend, is in mijn herinnering nimmer geëvenaard. Deze trotse, stugge, zwijgzame vrouw was een van de dochters uit een revolutionaire liefdesgeschiedenis. Haar vader, de zoon van een Joods-Portugese plantageeigenaar, raakte verliefd op de dochter van de keukenslavin. Deze Afrikaanse slavin had haar dochter verwekt met een indiaanse man wiens geschiedenis jammer genoeg niet in

199


Nomade in Niemandsland: Kroniek van een koloniaal orgasme de orale annalen is opgenomen. Maar het product van hun liefde werd een Indiaans-Afrikaanse vrouw van een verblindende schoonheid die de jonge Surinaamse Portugees betoverde. De Portugese familie raakte in rep en roer en beschuldigde de slavin en haar dochter van heidense praktijken om de passie van hun zoon te bewerkstelligen. Maar haar ‘zwarte’ magie bleek zo sterk dat mijn overgrootvader zijn liefdeslot accepteerde. Hij werd uit de erfenis geschrapt, uit het plantageparadijs verbannen en verhuisde met zijn geliefde en haar moeder naar de hoofdstad Paramaribo. Bevrijd uit het verstikkende orthodoxse milieu, bloeide hij uit tot een succesvol zakenman. Hij droeg zijn vrouw op handen en sierde haar schoonheid met het allerfijnste, gouden filigrein. Na zijn dood droeg zijn weduwe één jaar lang het zwart van de christelijke rouw. Toen de rouwperiode voorbij was, werd ‘Missie Samson’ uitgenodigd voor een groot feest. Volgens de overlevering van mijn moeder droeg zij haar mooiste “Koto Missie” en tooide zich met haar favoriete sieraden. Op weg naar het open rijtuig dat in de schaduw van eeuwenoude mahoniebomen voor het huis op haar wachtte, zeeg ze neer op het zand van de ongeasfalteerde straat, geveld door een fatale hartaanval. In vol ornaat werd zij opgebaard en begraven naast de man met wie zij nooit was getrouwd. Hoewel de dochters uit hun samenzijn wel door hun vader werden erkend, vond zij een officiële inzegening van hun huwelijk niet nodig. Het was haar overwinning op het systeem dat hun liefde niet wilde erkennen. Een systeem dat voor haar onacceptabel was. Mijn grootmoeder, product van deze bijzondere liefde, heeft wellicht gehoopt op een herhaling van de romantiek tussen haar ouders. Maar haar huwelijk met een rijzige, knappe domineeszoon werd een pijnlijke tragedie. Een levenslange ‘soap opera’ die zij voor haar kleinkinderen verborgen hield achter een verbitterd stilzwijgen, bedekt door de mantel der liefde.

VII

199

Mijn overgrootvader was een Duitse hernhutter predikant die vanuit zijn heimat naar de wilde kust was vertrokken met de heilige missie de ‘inheemse wilden’ te bekeren. Maar in de ondoorgrondelijke jungle raakte hij verdwaald in de mysterieuze ogen van een schone Amazone die hem drie zonen schonk. Deze indiaanse vrouw heeft haar stempel nauwelijks achtergelaten op het uiterlijk van haar zoon, mijn Surinaamse grootvader. Met zijn rijzige lichaam en zijn grijsgroene ogen leek hij ook niet op zijn

calvinistische vader, maar eerder op Cary Grant. Het filmsteraura van mijn opa was vooral merkbaar aan de reacties van vrouwen als hij hen op straat met een kaarsrechte rug voorbij fietste. In zijn zorgvuldig geperste kostuum, zijn smetteloos witgesteven overhemd en zijn volle grijze lokken, straalde hij een onkreukbare aristocratie uit. Tijdens zijn carrière in het onderwijs werd hij op de meisjeskweekschool vaak omringd door giechelende Javaanse, Creoolse, Chinese en Hindoestaanse schonen. Voor hen was hij een vleesgeworden manifestatie van de romantische ‘Gentleman Lover’ van het witte doek. Maar mijn opa’s leven werd niet vormgegeven door scenaristen noch bestuurd door de moral code van Hollywood. Hij raakte gevangen in een fijnmazig liefdesweb, gesponnen door twee sensuele zusters. Twee mulattinnen die hij inspireerde met zijn brandende charme en zijn stralende toekomst in het onderwijs. Zijn aanwezigheid zette het herenhuis aan de Mahonielaan in vuur en vlam. Waar eerst het zonlicht gefilterd werd door kanten gordijnen en houten jaloezieën, brak het licht van zijn passie de porseleinkast waarin mijn oma en haar oudere zus waren opgegroeid. Als veelbesproken dochters van slaveneigenaar en slavin, balanceerden zij op het slappe koord tussen ‘heidense’ sensualiteit en burgerlijk calvinisme. Hun delicate balans werd verbroken door de indiaanse liefdesgod, verscholen in het lichaam van een Arisch ogende Adonis. De oudste van de twee zusters had hem ontmoet op de kweekschool waar zij als handwerkjuffrouw les gaf. Zij nodigde hem uit in haar ouderlijk huis. Vol verlangen liet zij hem in en sloot de deur met een zilveren pin. De jongste zuster heette hem welkom met een stralende lach. Zij dacht, op deze man heb ik gewacht, van deze man word ik de bruid. Zij ontsloot de deur en liet hem uit. Voor hem tooide de oudste zich in spirituele maagdelijkheid; de jongste echter gooide haar sensualiteit in de strijd. De tweestrijd op het slagveld van de hoofse en de zinnelijke liefde werd beslecht op een lome namiddag toen de jongste zuster hem in haar armen sloot. Zij gaf hem toegang tot haar verboden meisjesschoot. Angstvallig hield zij haar liefde geheim, werd verraden door haar zwangerschap en trotseerde haar zusters venijn. De scènes die zich na het liefdesverraad tussen de twee zusters hebben afgespeeld, zijn in de orale overlevering afgedekt door een mysterieus stilzwijgen.

Om een schandaal te vermijden, trouwde mijn opa beschaamd de jongste zus. Zijn bruid schonk hem drie dochters. Mijn moeder is als eerstgeborene, de wrange vrucht van de liefdesvete die mijn oma ogenschijnlijk had gewonnen…

VIII

Mijn oma was haar leven lang vastgeklonken in een driehoeksverhouding tussen haar eeuwige rivale en haar echtgenoot: de gestolen minnaar van haar zus. Mijn moeder is de oudste van drie dochters uit deze tumultueuze relatie; de vrucht van een gestolen orgasme. Mijn moeder was een ziekelijke baby, geboren uit de door schuld bevlekte liefde van een geschaakt huwelijk. Zij kon geen borstvoeding krijgen van haar verbijsterde en beschaamde moeder. Een Creoolse tante onderzocht de kwijnende baby en kwam tot de conclusie dat er een vloek lag op de jonge zuigeling. Om die vloek te blokkeren was een winticeremonie nodig die de belaagde geest van het kind kon schoonwassen. Een wintipriesteres begeleidde het ritueel in haar traditionele, smetteloos witte kleding. Toen de ceremonie voorbij was, nam zij de naakte, huilende baby in haar armen. Het kind werd rustig. Rispte luid op en slaakte een diepe zucht. Vervolgens spoot het de priesteres onder een dikke laag stinkende stront. Volgens de tantes had zo’n grote hoeveelheid poep nooit uit de kleine, ondervoede baby kunnen komen en was het een duidelijk teken dat de slechte geest uit het babylichaam was gedreven. Toch heeft de vloek van haar verraden tante sporen achtergelaten in mijn moeders jeugd in Suriname. Zij vluchtte op zeventienjarige leeftijd naar Curaçao om zich te bevrijden uit het verstikkende moeras van incestueuze roddels en insinuaties rond haar vaders bigamie. Voor ons kleinkinderen was mijn opa de enige schakel tussen mijn oma en haar zuster. De bezoeken aan mijn oudtante werden meestal vergezeld door mijn opa. In mijn kinderogen was hij de vredesprofeet tussen de twee zussen die elk sociaal contact met elkaar angstvallig vermeden. Zo lang ik me kan herinneren stapte mijn grootvader om drie uur ‘s middags - na het middagdutje met zijn vrouw - op zijn fiets om mijn oudtante te bezoeken. Maar om zeven uur ‘s avonds was hij altijd weer op tijd terug voor het avond-maal. Mijn oudtante was in mijn ogen een lieve, oude vrijster. Zij is nooit getrouwd, maar later bleek dat zij haar leven lang de zoete wraak heeft mogen proeven als minnares van de man die ooit door haar zuster was gestolen.


Nomade in Niemandsland: Kroniek van een koloniaal orgasme Het cyclische ritme van het leven bracht hen in het bejaardenhuis weer samen. In hun laatste levensjaren zorgde mijn opa voor de twee dementerende zusters. Op zondagse uitjes konden zij eindelijk openlijk ruziën om de attenties van hun gedeelde minnaar. Mijn opa heeft hen beiden begraven, voordat hij zelf - zonder ooit de geheime diepten van deze driehoeksverhouding te ontsluiten - werd bevrijd door de tongzoen van de Dood.

IX

Uit het labyrint van mijn hersenen peuter ik herinneringen los die langzaam een landschap vormen. Apollinische luchten, erotisch hooggebergte. psychologische dalen en dionysische zeeën markeren de landkaart van mijn leven. Vooral de zee, deze gruwelijke oermoeder, vernietigende Kali, onbevlekte Madonna heeft de contouren van mijn persoonlijkheid gekneed. Inzicht, mededogen en liefde hebben stranden van troost en genot aangespoeld. Frustratie, hysterie en agressie hebben grillige rotsen van trots en arrogantie gebeukt en afgebroken. Mijn leven een eiland gevangen in de zee. Onder sterrenlicht in een hete liefdesnacht op het ritme van de branding, ben ik verwekt. Op het dakterras van een oud herenhuis op Curaçao; een ikoon van vergane glorie, onderverdeeld in vier wooneenheden. Haar façade, neoklassiek met door zeezout aangetaste, pastelgetinte muren. Versierd met houten trappen en balkons, die klaaglijk kreunden onder het sociale verval van de buurt. De achterkant van het huis grensde aan de zee. De tweede verdieping, waar mijn ouders woonden, had een dakterras dat door een dikke muur en een meter rotsige kust was gescheiden van de branding. Op babyfoto’s lig ik met een stupide glimlach extatisch in mijn moeders armen. Een sensuele Madonna met dikke vlechten gewrongen in haar nek. Haar lange wijde rok, gedrapeerd over de balkonmuur, een ontblote schouder, een trotse, liefdevolle blik naar mijn vader, de fotograaf. Achter haar glinstert in verkleurd zwart-wit het eeuwige decor van de zee. Mijn dionysische karakter ligt in mijn bevruchting besloten en is tijdens mijn kinderjaren ontloken. De spirituele en emotionele ontdekkingsreis van mijn leven bleef altijd door Eros gevoed. Als kind heb ik bewust gekozen voor de exploratie van sensualiteit en heb andere kinderen - maar meestal volwassenen - betrokken bij mijn leerproces. Ik ben hen dankbaar voor het inzicht in mezelf en het

uitzicht op de wereld dat ik hierdoor heb verkregen. In dionysische diepten ontdekte ik geen onderscheid tussen man of vrouw, jong of oud, status of ras. Maar wel botste ik tegen muren onbegrip en hysterische conflicten. Als Tobias met de Engel, worstelde ik met het grootste taboe van de volwassen wereld: de seksualiteit van kinderen. Mijn gevleugelde Eros is vaak ontsnapt uit de kooi van hypocriet moralisme naar de tantrische wereld van zinnelijk genot. Maar als Icarus stortte ik keer op keer neer, mijn vleugels verbrand door gloeiende ontkenning en vlammend verraad. Maar als een Phoenix uit zijn eigen as herrees ik, keer op keer. Ik transformeer mezelf met mijn penis en mijn pen: Felix René, gelukkig herboren uit ochtendgloren en een zucht van de ziedende zee.

X Ondanks de katholieke mythologie van mijn familie, heb ik de slang nooit ervaren als het symbool van het absolute kwaad. Wel is mijn angst voor slangen diepgeworteld. In mijn jeugd heb ik vol afgrijzen gezien hoe mijn vader een meterslange slang met een machete de kop afhakte. Het onthoofde reptiel bleef minutenlang stuiptrekkend kronkelen. Ik was verbijsterd door de enorme levenskracht van de slang en haar ontkenning van de dood, totdat haar laatste levensenergie was weggevloeid. Een ongrijpbare melancholie overspoelde mij toen het zacht deinende slangenlijf, vastgeprikt aan een hark, werd opgetild, in de sloot werd gesmeten en wegzonk naar de diepte. Zoals de heilige Cobra, die Boeddha tijdens zijn meditatie naar het Nirvana, beschermde tegen de storm die losbrak, heeft de slang als sacraal symbool ook mij inzicht verschaft in het mysterie van het leven. Maar de sluimerende slang in mijn prille Nirvana, werd door mijn familie ervaren als de belichaming van het kwaad, de erfzonde die mij voor eeuwig uit het kinderparadijs zou verdrijven. Ik was vier jaar oud en woonde in Suriname met mijn ouders, mijn oudste broer en mijn jongere zus. Met de traditioneel gele schoolbus werd ik dagelijks naar de kleuterschool gereden en weer thuisgebracht. Op een middag stopte de chauffeur voor ons huis en wachtte totdat ik met mijn blikken boterhamtrommel de bus uit zou stappen. Toen ik niet verscheen liep hij naar achteren om te kijken waar ik bleef. Hij vond mij geknield onder de pettycoat van een schoolvriendinnetje. Mijn hoofd verborgen tussen haar benen, haar broekje gekreukt rond haar enkels.

Als Adam en Eva waren wij totaal opgenomen door het zoete spel in ons Hof van Eden. Het ritselen van haar pettycoat in de koele duisternis, de bedwelmende geur van haar urine, haar strelende vingers over mijn bezwete schedel. De chauffeur schreeuwde geschokt, gaf me een draai om de oren en sleurde me vloekend de bus uit. Mijn vriendinnetje barstte in tranen uit en ook ik begon geschrokken te krijsen. Het felle buitenlicht, de brandende middagzon en het gejammer van mijn vriendinnetje begeleidden mijn verbanning uit het Paradijs. De chauffeur was mijn Engel des Oordeels; zijn vloek het Vlammend Zwaard. Mijn moeder deed de voordeur open en ik stortte me hysterisch huilend in haar armen. Ik voelde haar warmte, haar koestering, haar bescherming tegen de demoon die mij wreed uit mijn Nirvana had ontvoerd. Terwijl mijn vriendinnetje zacht snikkend haar schande maskeerde, gluurden de kinderen in de schoolbus nieuwsgierig door de ramen. Van het opgewonden verslag van de boze chauffeur aan mijn overrompelde moeder hoorde ik enkel flarden: ... die smeerlap ... die viezerik ... leren van meisjes af te blijven ... geen manieren ... nooit meer ... de schoolbus ... onverantwoordelijk ... kinderen ... Minachtend draaide de chauffeur zich om, sloeg de voordeur achter zich dicht en vertrok met zijn ronkende bus. Minutenlang bleven we samen achter in de stilte van het huis. Roerloos in mijn moeders armen, voelde ik haar tweestrijd. Zou mijn slang worden gedood of zou ze worden gedoogd, geaccepteerd als een heilig symbool van ons geheim verbond. Ze tilde me zwijgend op en droeg me naar bed. Gezeten aan de rand van mijn bed streelde ze mijn trillende lijf, totdat de rust in mij terugkeerde en ik uitgeput in slaap viel. Ik ben nooit meer met de schoolbus meegereden en ben nimmer teruggekeerd naar de kleuterschool. De rest van het schooljaar bleef ik thuis. Daar leerde ik lezen en schrijven, puzzelen en bloemschikken, maar ook leven met de slang. Verborgen in mijn moeders schoot.

XI Mijn oma’s tuin in Zorg en Hoop was haar heiligdom, haar veld van eer, waar rozen, zinnia’s, afrikaantjes en madeliefjes schaamteloos bloeiden. De met bakstenen omringde, gloeiende bloemperken waren omgeven door een tapijt van fijn wit schelpengruis. Dit tapijt werd dagelijks bijgeharkt met een haast religieuze devotie. Als in een Japanse prent lag de schelpenhuid in symmetrische

201


Nomade in Niemandsland: Kroniek van een koloniaal orgasme patronen, glinsterend in de middagzon. Om half zeven ‘s ochtends en om twaalf uur ‘s middags waakte mijn oma in haar schommelstoel op de veranda als Cerberus de hellehond over haar heiligdom. Zij beschermde haar geliefde tuin tegen grijpgrage kindervingers. Soms zat ik naast haar en bewonderde haar strenge stoïcijnse blikken als reactie op de plagerige, honende opmerkingen die zij door de voorbijlopende scholieren naar zich toegeslingerd kreeg. De brutaalsten rukten soms uitdagend de knoppen van haar rozenstruiken. Als door een hond gebeten vloog zij op uit haar schommelstoel en rende met een stok achter de joelende kinderen aan. En ik zat versteend, verbijsterd over haar vernedering en de wreedheid van mijn leeftijdgenoten. Want haar heiligdom was ook mijn Tuin der Lusten, gevuld met kersen, guaves, mango’s, zuurzak, pommerak, kouseband, tajerblad en Spaanse pepers. Zij schonken mij smaken, geuren en geneugten; zinnelijk en zuiver.

201

Ooit heb ik de furie van mijn oma opgeroepen door haar tuin aan te randen. Om het huwelijk van prinses Margareth van Engeland met de fotograaf Tony Snowdon te vieren, besloot ik om met mijn zusje Marguerite een grote bruidstaart te maken. Tijdens de middagsiësta van mijn oma slopen wij de logeerkamer uit en begonnen in haar tuin een enorme moddertaart te kneden. Het modderdeeg kwam uit een gat dat wij hadden gegraven midden in het schelpenpad van de oprijlaan. Het omliggende schelpentapijt werd gebruikt om de moddertaart te glaceren. Terwijl wij ijverig bezig waren met de constructie van onze gigantische bruidstaart, vlogen de balkondeuren met een klap open. Mijn oma in haar onderjurk, slaapplooien in haar gezicht, grijze vlechten recht en stug overeind, schreeuwde als Medusa haar afschuw en ontzetting uit. Zij ranselde mij met een riem; haar woede striemde mijn billen, dijen, kuiten, romp en armen. Zij schreeuwde als een bezetene: was ik nu helemaal besodemietert om haar tuin, haar witte schelpenpracht te verminken met een vies, zwart gat. En dat ook nog ter ere van zo’n achterlijke Engelse prinses uit de Libelle aan wie ze absoluut geen boodschap had. Huilend vulde ik het gat; snotterend en trillend probeerde ik de zwarte smet op haar witte schelpenkleed schoon te harken. Tevergeefs. Ik gaf toe dat het een puinhoop was en dat het me innig speet. Nagloeiend van de striemen op mijn lijf beloofde ik haar voortaan mijn devote hulp in de tuin. Mijn oma keek hoofdschuddend neer op haar wispelturige, klierige kleinzoon. Zij sloot mij in haar vlezige armen, kuste me zacht, terwijl haar snor prikte tegen mijn wang. Op mijn lippen

speelde een tevreden glimlach. Zonder dat ze er zelf erg in had, verschafte ze mij als troost het perfecte alibi voor mijn eerste jongensliefde: mijn geheime idool uit vroeg natte dromen in haar tuin.

XII Ik hield van mijn oma en vooral van haar uitbundige tuin vol bloemen en fruitbomen. Maar de zoetste vrucht in mijn oma’s Paradijs was haar jonge Hindoestaanse tuinman. Elke zaterdag liet hij zijn vrouw en kinderen achter op zijn kleine boerderij buiten de stad en fietste hete kilometers zweet naar mijn oma’s tuin aan de Madeliefjesstraat. Het knarsen van het schelpengrind onder de fietsbanden, deed mijn maag krimpen van hartstocht en verlangen. Mijn Hindoestaanse Ydolon op zijn verroeste ros: de ultieme ridder van mijn acht prille jongensjaren. Hij rook naar kokosolie en knoflook, kerrie en zweet, kruidnagels, tabak en natte aarde. Klein, donker, pezig en elegant sprong hij met een stralende glimlach van zijn fiets. Op blote voeten, tenen breed gespreid. Dansende wortels voor zijn gespierde benen, waarop zwart haar bewegende patronen tekende. Zijn romp een magisch landschap van donkerbruine welvingen, glanzend onder bezweet borsthaar. Een decor van vlees tussen het openhangende voordoek van zijn gescheurde, versleten overhemd. Zijn gezicht: benig, breed gespannen, fijn gesneden, kaken soms geschoren. Grote onschuldig ogende pupillen, verscholen onder de schaduw van zware wimpers. Diep in mijn brandende ogen snoof hij mijn verlangen, voelde mijn hartstocht kloppen tegen zijn gespannen dijen. Hij opende zich voor mij, teder en vol overgave. Hij was mijn oma’s tuinman, mijn Pygmalion, en ik zijn Lady Chatterly. In aanbidding voor zijn gezwollen lid, in de schemering van het kippenhok, in de schaduw van fruitbomen in ons vergankelijke Paradijs. Nooit zal ik hem vergeten, mijn Krishna die ik in brandende devotie vereerde als ik hem aan het eind van de dag achter de garage met de tuinslang afspoelde. Zijn glanzende lijf druipend in de zinken teil, terwijl mijn nieuwsgierige vingers de geografie van zijn anatomie exploreerden. In het geheim liet hij zich als afgod door mij vereren en respecteerde de onschuld van mijn passie. Hij onderrichtte mij de diplomatie van discretie om onze oeroude rituelen ongestoord te kunnen volbrengen. De tuinman als sensuele gids voor de opbloeiende jongen in het Hof van Eden. De Griekse leermeester in de schaduw

van de Akropolis; de Papua-peetvader van het mannenhuis in Nieuw Guinea. Na bijna twee decennia ontmoette ik hem voor het laatst, mijn Indiase Prins. Nog steeds op de fiets, armoede nu geëtst op zijn gezicht, misère vastgebeten tussen zijn ingestorte schouders. Toen ik hem wou omhelzen, deinsde hij geschrokken terug. Ik had de code van onze verborgen geschiedenis verbroken. Als twee volwassen mannen, verscheurd door tijd, was elk intiem contact nu een perversiteit. Beschaamd stak hij zijn ruwe, eeltige hand naar mij uit. Een trieste glimlach ontblootte zijn verrotte tanden. Hij rook nu naar ranzige kokos olie en stonk naar oud zweet. Voorovergebogen over het stuur, de tenen vermoeid tegen versleten pedalen fietste hij mijn leven uit.

XIII

Hoewel de Curaçaose landhuizen nu de pronkjuwelen zijn van Monumentenzorg, lagen in de jaren vijftig de meeste plantagehuizen buiten Willemstad er onbewoond en verlaten bij. Hulpeloos en geïsoleerd stonden deze stille monumenten uit de slaventijd op heuvels in het dorre landschap. Ze liggen op de prachtigste plekken van het eiland. Verheven boven de dorpen die rond slavenhutten en opslagplaatsen waren gebouwd, meestal op veilige oogafstand van elkaar. Omringd door dominante cactussen, datu’s, kadushi’s en infrou’s, die met strenge vingers gaten prikken in de onverbiddelijke blauwe lucht. Imponerend, arrogant, met grote zalen, omringd door brede terrassen, dikke stenen muren en Hollandse plavuizen ooit gebruikt als contragewicht in de onderbuik van de slavenschepen. In de door muurkanker geteisterde architectuur, gaapten grote donkere gaten, achtergelaten door gesloopte raam- en deurkozijnen. Koloniale relikwieën, ontbonden tot doodskoppen, met holle oogkassen in een versteende schreeuw. Na de afschaffing van de slavernij in 1863 bloedde het plantageleven op Curaçao langzaam dood. In 1910 kreeg het de fatale nekslag door de constructie van de olieraffinaderij Shell. De plantagearbeiders vertrokken uit de dorpen naar de stad en de spaarzame agricultuur kwam bijna tot complete stilstand. Ook de eigenaars van de vervallen plantages vertrokken naar de stad en woonden nu als kooplieden en handelaren in moderne, luxueuze villawijken rond Willemstad. Plantagehuizen met klinkende heiligen namen zoals Santa Martha, Sint Willibrordus en Sint Sebastiaan, lagen veronachtzaamd overgeleverd aan de passaatwind die loeide door hun lege ingewanden. Kudden kabritu’s, Gods ecologische plaag voor alle eetbare


Nomade in Niemandsland: Kroniek van een koloniaal orgasme plantensoorten op het eiland, gebruikten de lege ruïnes als luxe stal. Ze bedekten het interieur met een vruchtbaar tapijt van generaties geitenkeutels, bezaaid met botergele anglo’s en pastelgroene infrou’s of Spaanse juffers. De vervallen aristocratische architectuur werd ook het favoriete decor voor illegale, buitenechtelijke neukpartijen. Erotische getuigenissen werden in naïeve, expliciete grafitti, getekend en gekerft in de afgebladderde muren. Namen, nummers, anonieme contactadvertenties, spuitende fallussen en opengesperde vrouwendijen met druipende vagina’s, sieren nu wanden die -ooit familieportretten, Delfts blauwe borden en gelithografeerde stillevens droegen. De plantage huizen stonden ook bloot aan vandalisme en ongebreidelde vernietigingsdrang. Ze droegen littekens van losgeslagen woede alsof men ze met handen en voeten wilde slopen, totdat er niets meer van ze overbleef dan kalk en gruis tussen grijze diabaasrotsen. Voor de bewoners van de dorpen rond de landhuizen waren het monumentale herinneringen aan de vernedering, verkrachting en moord op hun Afrikaanse grootouders die de Europese meesters lijdzaam moesten dienen. Het waren spookhuizen waar gekwelde geesten en verdoemde zielen van vervloekte slaveneigenaars ronddoolden. In duistere tropennachten is het gehuil en gejammer van mishandelde slaven in holle echo’s te horen. Door bloed verroeste kettingen slepen rammelend door verlaten zalen. De tragische schoonheid van de Curaçaose landhuizen heeft op mijn ouders een magische aantrekkingskracht uitgeoefend. Beiden, kinderen uit het nageslacht van slaveneigenaars en slaven, hebben zij opnieuw bezit genomen van het geschonden erfgoed. Met liefde, kunst en kinderen bliezen zij nieuw leven in de voorouderlijke architectuur.

XIV

Toen ik zeven jaar oud was, woonde mijn familie in de moderne villawijk Mahaai. In deze dominant witte wijk werd onze mulattenfamilie getolereerd als de onvermijdelijke aanwezigheid van de couleur locale. Het vurige exotisme, waarvan mijn moeder de flamboyante ambassadrice was, bleek echter te grillig om te worden opgenomen door de sissende sproeiers op de gladgeschoren gazons aan de Mahaaiweg. Vanuit de moderne villawijk, verhuisden wij naar landhuis Granbeuw in het dorp Santa Rosa. De kinderen op school keken vreemd op: hoe haalden wij het in ons hoofd om van het sociale klimrek in Mahaai af te dalen naar een vervallen

huis in een dorp buiten de stad. Omringd door negers, zonder supermarkt. Zelf was ik niet rouwig om de verhuizing. De buurjongens uit Mahaai hadden mij gebrandmerkt als mariku en maakten mij het leven ondraaglijk. In die tijd was mijn grootste passie flamencodanser te worden. Ik danste op driftige hakken en zwierde met hartstochtelijke overgave op muziek uit mijn vaders Spaanse platencollectie. Soms zagen de buurjongens mij dansen op het balkon. Zij lachten en floten mij uit. Ik verpulverde balkontegels op het ritme van castagnetten en boog uitdagend op hun honend applaus. Maar de doodsklap kwam, toen vanwege de opening van Astrid Salasars balletschool, mijn foto in de lokale krant prijkte. Op de korrelige krantenfoto sta ik met een trotse glimlach in demi-plié aan de barre. Felix in Wonderland als enige jongen tussen een schare verlegen meisjes in tutu’s. Ik werd de paria van de speelplaats en een maand later vertrok ik van de balletschool, teleurgesteld omdat ik niet op spitzen mocht dansen. Landhuis Granbeuw lag op een heuvel, omringd door de Mondi, met alle varianten van stekelige flora, die God in zijn wijsheid heeft geschapen. Rondom het landhuis woonden Antilliaanse families in eenvoudige huizen van steen en hout. Kleine ondernemers en arbeidersgezinnen met grote schare kinderen; Zuid-Amerikaanse salsamuziek blèrde de hele dag uit transistorradio’s. Maar ook in de ogen van de nieuwe buren bleef onze familie excentriek. Geïsoleerd in de Mondi, woonden wij aan de sociale periferie tussen wantrouwen en verbazing. Ik had weinig contact met de zwarte buurtkinderen en werd vooral teruggeworpen op mijzelf. ‘s Middags, als ik mijn huiswerk had gemaakt, mocht ik soms mee met mijn grote broer op ontdekkingstocht in de Mondi. Het werd snel duidelijk waar de stiekeme ontdekkingsreizen van de jonge Livingstones naar toe leidden. Verscholen achter een cactushaag loerden wij middagen lang naar een beeldschoon buurmeisje dat, op het achterbalkon van haar ouderlijk huis, fotoromannetjes las, haar teennagels lakte of haar benen epileerde. In haar doorzichtige babydol waande zij zich onbespied. Maar misschien was zij zich wel bewust van het ritmisch hijgen en rukken van mijn broer en baadde zij zich in zijn geheime adoratie. Ik begreep niet precies waarom wij ons een weg moesten banen tussen venijnige cactussen, met gevaar voor een pak slaag, om te kijken naar wat voor ons thuis dagelijkse

kost was. Onze moeder bezat zelf immers een uitgebreide collectie lingerie. Meestal liep ze door de zalen van het grote huis, met weinig meer om het lijf dan een pastelkleurig slipje en een doorzichtig bijpassend topje. Zij reageerde laconiek op de geschokte reacties van onaangekondigd bezoek. Het was háár huis en voor haar echtgenoot en kinderen hoefde zij haar ranke lijf niet te verbergen. Zij was mijn Madonna in babydol. Mijn controversiële beschermengel tegen de plaaggeesten op school en de fluisterende spoken die mij in de beklemmende duisternis van het grote, oude huis terroriseerden.

XV

Landhuizen zijn het wisselende decor geweest van mijn jeugd op de Antillen en hebben mijn jonge ziel verstrengeld met een levend verleden. Tussen manische melancholie en tropische nostalgie prijken de spookhuizen Santa Rosa, Santa Martha en Santa Cruz. Ik draag ze overal met me mee in toeristische replica’s, gerangschikt op mijn Caribisch altaar en geëtst in mijn herinnering. In de grote donkere landhuizen is de pijnlijke geschiedenis van de zwarte slaven voor mij altijd tastbaar gebleven. Ik voelde de spanning van hun onbekende geschiedenis in hun onrustige adem gedurende de lange, donkere nacht. Ik deelde een slaapkamer met mijn oudste broer omdat ik bang was in het donker en steevast geloofde dat het spookte in huis. ‘s Nachts lag ik stokstijf in bed en onder de lakens verborgen tasten mijn ogen de duisternis af. Wachtend, om ze ooit te kunnen zien, die onzichtbare wezens die door het huis dwaalden. De passaatwind blies door houten jaloezieën tegen de klapdeuren van de slaapkamer die piepend kraakten. Maanlicht wierp lange slagschaduwen op de vloer. Sloffende voetstappen stopten voor mijn deur. Een benige ivoren hand greep de klapdeur vast en duwde hem langzaam open. Ik had hem opgeroepen en hij was gekomen. Oud en mager, vergeeld in een versleten zwart pak over een wit overhemd met stijve boord. Een hoge hoed van zwart vilt boven zijn wijduitstaande oren. Diepliggende ogen gloeiden triest en boosaardig uit donkere oogkassen. Traag en voorzichtig kwam hij de kamer binnen, alsof de broze botten in zijn lichaam ieder moment konden breken. Versteend van angst lag ik in bed. Langzaam strekte hij zijn hand naar mij uit. Warme urine sijpelde langs mijn klamme lichaam in het matras. Hij grijnsde met een brokkelig gebit, bracht zijn vingers naar zijn lippen en draaide zich om. Gebogen tussen spichtige schouders verdween hij door de klapdeuren de duisternis in.

203


Nomade in Niemandsland: Kroniek van een koloniaal orgasme Mijn schreeuw verscheurde de stille nacht. De volgende dag, na de siësta, nam mijn vader mij mee naar zijn atelier. Hij schilderde de oude man uit mijn kwade droom volgens mijn aanwijzingen op een houten paneel. Op deze manier werd de dolende geest van de Shon van Granbeuw vastgelegd in verf zodat hij vrede kon vinden. Het schilderij hing in mijn slaapkamer en bracht me, vreemd genoeg, tot rust. Mijn vader erkende en visualiseerde mijn angst. Hij maakte mij meester van mijn verborgen gaven. Na de verhuizing naar landhuis Santa Cruz is het schilderij van het spook van Granbeuw verdwenen. Misschien discreet vernietigd door mijn vader. Vanaf die tijd ben ik zelf gaan tekenen en schilderen. De sleutel van exorcisme door kunst heb ik van mijn vader ontvangen. Het verroeste kleinood bewaar ik in de schatkamer van mijn hart.

XVI

Uit de verzameling landhuizen de wij hebben bewoond, is landhuis Klein Santa Martha mijn meest geliefde. Toen mijn ouders haar ontdekten, lag ze als een trieste ruïne op een heuvel. Maar het uitzicht vanaf het terras was adembenemend: het binnenwater van Santa Martha met schiereilanden, omringd door heuvels die zich spiegelden in de zoutpannen. Tussen de cactussen de kerktoren van het dorpje Soto, en dieper in het panorama: landhuis Groot Santa Martha en landhuis San Nicolaas.

203

Met de hulp van een lokale aannemer en arbeiders uit het dorp besloot mijn vader het landhuis weer bewoonbaar te maken. Maar het bleek dat de dorpsbewoners niet blij waren met het vooruitzicht in het landhuis te moeten werken. Volgens de dorpsoverlevering spookte het in ons landhuis. Tijdens een slavenopstand was een wrede witte ‘Bomba’ door wraakzuchtige slaven op het terras door paarden gevierendeeld. Zijn kwaadaardige spiritu was nog steeds aanwezig en vervloekte zwarte indringers. Ten einde raad riep mijn vader de hulp in van de dorpspastoor. Op zondag na de mis vertrok een processie uit de kerk naar het landhuis. De priester voorop in vol ornaat, gevolgd door misdienaren en dorpsbewoners. Onder het prevelen van Latijnse gebeden sprenkelde meneer pastoor wijwater op het terras. Misdienaren zwaaiden heftig met het wierookvat. Bij de voordeur sloeg de priester een kruis en tikte driemaal met de crucifix tegen de deurpost. Schuchter schuifelde de processie het huis binnen, over geitekeutels heen, tussen cactussen door. De priester negeerde stoïcijns het onderdrukte gegniffel om de erotische graffiti op de muren. Bij de zoldertrap bleef hij

staan en fluisterde in geheim conclaaf met mijn vader. Autobanden, volgepropt met in petroleum gedrenkte lappen en trossen knoflook, werden met wijwater besprenkeld en bewierookt. Op een teken van mijn vader werden ze naar de zolder gedragen en aangestoken. De processie verzamelde zich op het terras om het huis. Een stinkende walm steeg op door de kapotte dakpannen. Een ongrijpbare spanning trilde in de middaghitte. Plotseling vlogen uit alle zolderramen zwermen krijsende vleermuizen radeloos door het felle licht. Hun zwarte silhouetten fladderden in donkere golven uit de ruïne. In wanhopige patronen scheerden ze rakelings over de hoofden van de geschrokken processiegangers. Met theatrale timing zette de pastoor het Onze Vader in. Devoot knielden de gelovigen in heilig ontzag voor de duivelse geest van de ‘Alma Sola’. Daarna viel een geladen stilte. De hemel was weer blauw, vredig kringelde de rook uit de openstaande zolderramen. Mijn vader schonk een glaasje cognac voor de priester en opende flessen bier voor de mannen. Er werd ook rum gesprenkeld om de voorouders te eren. Mijn moeder schonk lamoenchiwater met ijsblokjes voor de vrouwen en kinderen. Iedereen leek heel tevreden. De volgende dag begonnen de werkzaamheden en een korte tijd daarna trok onze familie in het legendarische huis.

XVII Henry Moore en Hans Arp zijn twee belangrijke muzen voor het beeldhouwwerk van mijn vader. Uit zandsteen en hout schiep hij gestileerde vormen die liefde, sensualteit en soms eenzaamheid uitstraalden. Het hout vond hij in de Mondi: dode omgevallen bomen met grillige takken als verstilde dansers. De kalkstenen rotsblokken vond hij langs het gebuldozerde terrein rond wegen en huizenconstructies. Met een geoefend oog taxeerde hij vanuit de auto tijdens het rijden de kwaliteit van het kalksteen. Wanneer de rots qua vorm en grootte aan zijn eisen voldeed, stopte hij de auto en begon met bijl of machete de steen te keuren op hardheid en verborgen breuklijnen. Goedgekeurde stenen werden soms dwars door de cactussen heen naar de auto gerold. Met vereende kracht van vrouw en kinderen werden ze ingeladen onder het geamuseerde oog van voorbijrazende automobilisten. In zijn kostbare vrije tijd werkte mijn vader het liefst in zijn atelier. Hij hakte, beitelde, vulde en schuurde levensvormen uit dood materiaal. Het brede ommuurde terras met zijn stompe zuilen, markeerde mijn vaders beeldentuin

rond het landhuis op de heuvel. Vanuit de verre omgeving waren zijn - bijna twee meter hoge - gestileerde sculpturen te zien. Zelf ben ik ook gekneed en gevormd door mijn vaders liefdes: zijn vrouw en zijn beeldhouwkunst. Het was een voorrecht om hem te mogen helpen met het gladschuren van zijn sensuele sculpturen. Een gestileerde kalkstenen moeder, gebogen over een tweeling, vastgezogen aan haar borsten. Abstracte vormen van heul, waarin scherpe fallische uitstulpingen, zachte ronde ruimten penetreerden. In het voetspoor van mijn vader, raspte ik met de fijnste vijl opnieuw over de stenen huid van de erotische vormen, uit zijn inspiratie geboren. Met mijn smalle kinderhanden schuurde ik mijn knokkels tot bloedens toe open om ook de binnenkanten van de uitgeholde vormen te bereiken. De houten vrouwentorso’s die ik met steeds fijner schuurpaper bewerkte, waren mijn vaders erotische lessen aan zijn wispelturige zoon. De spanning van een vrouwennek die overloopt in de vlakte van haar schouderbladen. Een strakke torso die opbloeit in de welving van vulkanische borsten. Mijn jongensvingers met een huid van schuurpapier streelden haar glooiende onderbuik en onderzochten de vallei tussen haar benen. Zo mocht ik mijn moeder, herschapen door mijn vader, vereren. Zo kon ik haar begeren in steen en hout. Zo deelde hij zijn kennis van de weelde van vrouwenvlees met zijn leergierige zoon. In de stilte van zijn atelier transformeerde mijn vader dromen van vlees in verstilde, gepassioneerde vormen. Zo werd ik ingewijd in de verslavende liefde voor de Muze van de levenskunst.

XVIII Landhuis Klein Santa Martha was een favoriete pleisterplaats voor kunstenaars en academici. Soms organiseerden mijn ouders feesten met merengue’s en bolero’s tot zonsopgang. Pas dan vertrokken de begeesterde gasten om een duik te nemen in de nabijgelegen baaien. Ik wilde de hele nacht opblijven om te kijken naar de dansende, flirtende paren; maar aangeschoten van de stiekeme rumcola’s, werd ik rond middernacht onverbiddelijk naar mijn slaapkamer op zolder gestuurd. Op een zondagochtend, na een uitbundig feest, werd ik wakker door ruziënde stemmen op het terras. Een heftige verbale confrontatie vond plaats tussen mijn vader en moeder over solidariteit, liefde en overspel. Nieuwsgierig sloop ik de trap af en vond mijn briesende vader in boxershorts.


Nomade in Niemandsland: Kroniek van een koloniaal orgasme Zijn pezige witte torso met bruine vlekken, bedekt met een t-shirt. Mijn moeder, kwetsbaar in haar transparante babydoll met tranen in haar ogen, stond schuldbewust en verleidelijk naast een van zijn beelden op het terras. Zijn overspelige Muze Polyhymnia, die de grenzen van zijn incasseringsvermogen steeds opnieuw tartte. Ik rende naar mijn moeder en sloeg mijn armen beschermend om haar heen. Plotseling werd ik mij bewust van de sensuele warmte van haar naakte dijen en de vage geur van Chanel no 5 tussen de transparante plooien van haar babydolI. Mijn vader keek ons aan, zijn woedende ogen verbijsterd. Een bliksemschicht pijn brak op zijn netvlies. Hij draaide zich abrupt om en stormde zijn atelier binnen. Vanuit de deuropening had mijn zusje de scène trillend gadegeslagen. Ze rende huilend naar mijn moeder die haar optilde en haar in haar armen koesterde. Een vleesgeworden Madonna met kinderen, begeesterd door de Griekse tragedie. Dat is wat mijn vader moet hebben gezien, toen hij met een bijl in zijn vuisten geklemd vanuit zijn atelier naar ons toeliep. Vlak voor ons hield hij stil, rood aangelopen, trillende aders bonkend onder zijn bezwete huid. Samen stonden wij voor een eeuwig moment bevroren in de tijd. Ik trad uit mijzelf en keek op ons neer, naast zijn vormen van heul, zijn idolen in steen en vlees. Met een oerschreeuw sprong hij op het brede voetstuk van zijn liefdesmonument en hakte er met zijn bijl op in. Brokstukken steen doorkliefden de strakblauwe lucht. Hij duwde de gebroken resten van zijn vormen van heul van het voetstuk. Ronde stenen vormen sidderden, braken open en bloedden gruis en stof. In dionysische extase sprong hij van de lege sokkel. Onder het slaken van ritmische oerkreten begon hij alle beelden op het terras in elkaar te hakken. Hij stootte ze van de brede terrasmuren, waarna ze de heuvel afrolden. Hij rende ze achterna om ze met zijn bijl in nog kleinere stukken te verpulveren. Hij gaf terug aan Moeder Aarde, de stenen idolen die zij hem geschonken had. Hij stortte neer op de stoffige landweg en brak in snikken uit. Mijn moeder, roerloos, bevroren, keek ademloos naar mijn vaders exorcisme en klemde ons tegen zich aan. De Madonna van vlees voelde zijn liefde sidderen door haar lijf. Zij omarmde hem in zijn kinderen, vastgeklonken aan haar lichaam. Zij omsloot hem voor eeuwig in haar bloedend hart.

XIX

De voorzaal van ons landhuis was een toonkamer van beeldende kunst en binnenhuisarchitectuur. Het was een ruimte waar wij als kinderen niet mochten spelen, maar meditatief gedrag op klassieke muziek of het lezen van een boek werd daar wel gestimuleerd. De a-capellakoren in Gregoriaanse koralen en Grieksorthodoxe liturgieën, vormden in mijn herinnering de achtergrondmuziek voor de ontdekkingsreis door mijn ouders boekenkast. Naast een collectie kunstboeken, waaronder Henry Moore, Arp, Paul Klee, Gauguin en boeken over Afrikaanse kunst, was er de encyclopedie van Griekse beeldhouwkunst, waarvan de anatomische perfectie mij heimelijk deed sidderen. Maar ik kon ook kiezen uit de uitgebreide selectie aan theater, proza en poëzie. Vooral een in leer gebonden geïllustreerde editie van The Perfumed Garden van Omar Khayam, was mijn favoriet. Op hun huwelijksreis naar New York had mijn vader het boek voor mijn moeder gekocht. In extase proefde ik het zand in de Arabische poëzie. Mijn ogen streelden de erotische artdeco litho’s achter transparante schutbladen. Theaterteksten van Garcia Lorca, Sartre, lonesco en Hugo Claus voedden mijn levenshonger. De Amerikaanse Signetpocket uitgaven van Tennessee Williams’ toneelstukken, geïllustreerd met zwart/wit foto’s uit de filmversies, spraken tot mijn verbeelding en waren fragmenten in de legpuzzel van mijn jeugd. Geöxideerde iconen uit mijn puberale paradijs. Wij woonden ver uit de stad en ver uit de buurt van schooivriendjes en het sociale leven dat daarmee gepaard ging. Wij hadden geen televisie en de boek- en plaatkeuze werd grotendeels gedicteerd door de smaak van mijn ouders. Wij moesten naar alternatieven zoeken om onze eigen fantasieën vorm te geven. Mijn activiteiten buitenshuis waren vooral gericht op archeologische expedities. Een jonge aantrekkelijke oom, op wie ik in stilte verliefd was, gaf mij op mijn twaalfde verjaardag mijn eerste gebonden kunstboek over Toetanchamon. De schat van deze farao, ontdekt door Lord Carnarvon en Howard Carter, inspireerde mij om in de Mondi naar de schat van landhuis Santa Martha te zoeken. In de ruïnes van ommuurde geitenkralen, tussen venijnige doornen van divi divi’s, anglo’s en cactussen groef ik naar resten uit het koloniale verleden: porseleinen potscherven, gietijzeren lamphouders en gebroken slavenkettingen.

Op een middag stootte ik op een verroest stuk ijzer dat uit de harde diabaas grond stak. Ik probeerde het los te wrikken, maar het bleef muurvast verankerd in de aarde. De implicatie dat het hier om een groot object ging deed de adrenaline in mijn bloed stijgen. Ik viel op mijn knieën neer en begon verwoed te graven. Een kwartier later en opengeschuurde knokkels rijker, ontdekte ik de contouren van een wiel, vastgeklonken aan een ijzeren constructie. Ik had hulp nodig en keerde terug naar het landhuis op de heuvel om mijn oudere broer te overtuigen mij te helpen bij het opgraven van mijn schat. Mijn enthousiasme won het van zijn scepsis en gewapend met schop en ‘piki’ keerden wij terug naar de vindplaats. Na een half uur graven was een gedeelte van een gietijzeren carrosserie ontbloot. Het bleek later het onderstel te zijn van een kanon, waarschijnlijk gebruikt tijdens een slavenopstand. Met de hulp van mijn vader en jongens uit de buurt is het uit de aarde uitgegraven en de heuvel opgetrokken. Op de hoek van het terras, rustend op de brede kantelen van het landhuis, heeft het jarenlang gestaan, als de stille herinnering aan een herontdekte strijdbaarheid.

XX

In de tijdscapsule van door zonlicht verbleekte herinneringen doemen de contouren op van de bijkeuken. Naast het grote landhuis op het brede terras stond dit kleine gebouw, zoals ik mijzelf zag ten opzichte van de familie: fier en onafhankelijk met een zwartgeblakerde schoorsteen als een felle erectie tegen de lucht. Binnenin stond een open oven, ingemetseld als een stenen bedstee. Hete middagen lang lag ik in de koele schaduw van de oven, opgekruld met kussens, boeken te verorberen. Tijdens het lezen scheurde ik hoekjes en soms zelfs hele randen van de pagina’s af. Ik liet de stukjes papier langzaam smelten op mijn tong, zoog de smaak op en kauwde het tot een zachte moes die ik in etappes inslikte. Het waren lekkere maar saaie boeken: de Kameleonserie voor jongens bijvoorbeeld smaakte naar lichtzure lijm en gerookt hout en liet een zoete smaak achter. De Prismapockets met Biggle’s avonturen smaakten iets bitterder, maar de jongensboeken waren te braaf naar mijn smaak en ik miste de pittige prikkeling van erotiek in de flauwe polderverhalen. De bitterzoete smaak van de spannende boeken voor volwassenen, die ik tijdens de siësta-uren stiekem las, was ongeëvenaard. Misschien omdat het verboden vruchten waren, die ik niet mocht proeven. Omdat ik geen sporen kon achterlaten, sneed ik met een scheermes een leeg schutblad uit een verboden boek, scheurde het in dunne

205


Nomade in Niemandsland: Kroniek van een koloniaal orgasme reepjes om heimelijk al mijn zintuigen te prikkelen met de erotische dilemma’s van Tennessee Williams, James Baldwin en Jean Genet. Mijn familie gebruikte de nieuwe keuken binnen in het landhuis. De oude bijkeuken buiten kreeg de functie van een speelkamer, de gameroom voor de kinderen. Maar in plaats van televisie en flipperkast, tafelvoetbal of tafeltennis, had onze kamer hangmatten, boeken, legpuzzels, een draagbare platenspeler op batterijen en overal muurschilderingen. M’n oudere broer, m’n zusje en ik mochten onze creativiteit de vrije loop laten binnen ons domein. Ieder kreeg muren tot zijn beschikking om met verf vorm te geven aan zijn innerlijke roerselen. M’n oudste broer beperkte zich tot één muur en schilderde in de stijl van Giacometti een spichtige alïen, een extra-terrestial uit de Marsiaanse kronieken van Ray Bradbury. Soms lag hij ‘s avonds, samen met zijn vader, op de rand van de brede terrasmuur de schitterende sterrenhemel te bewonderen. Mijn vader leerde hem de diverse constellaties te herkennen en hun ogen tastten in het koninkrijk van planeten naar afgezanten in ufo’s. Als een glimlachende, gevlekte technicolor Christus die huilde, schilderde m’n zusje haar portret van mijn vader. Zijn Jackson-Pollockhuid, in spetters pigment, hechtte zich later ook op haar huid. De christussymboliek was een neerslag van de rijk geïllustreerde kinderbijbel waaruit mijn moeder als een volleerd actrice voorlas. Mijn relatie met m’n zusje speelde zich vooral af in het Barbie- en Kenhuis dat ik via haar had weten te bemachtigen. De geslachtsloze poppen waren het medium om het rollenspel van onze ouders uit te spelen. M’n zusje bespeelde door Ken onze tolerante vader; ik speelde door Barbie onze extravagante moeder. Geïnspireerd door Edward Munch schilderde ik haar op de muur als een cyclopische zeemeermin met ontblote borsten, omringd door embryo’s. Op de muur ernaast schilderde ik mijn vader als een eenzame profeet met wapperende baard tussen verdroogde cactussen in de woestijn. Mijn zelfportret schilderde ik in zwart-wit, als een kale, uitgeteerde junkie, geflankeerd door een naakte man en een zwangere vrouw.

205

De oude bijkeuken was mijn eerste atelier, waar de schaduw van mijn ziel haar hoogste lied zong en mijn vingers tastten naar de ingewanden van mijn eigen Muzen.

XXI

Tijdens mijn elfde jaar ging ik met mijn ouders en mijn oudste broer voor het eerst mee op vakantie naar Nederland. Vanuit Curaçao, op weg naar Amsterdam, maakten wij een tussenstop in New York om enkele weken bij verre familie van mijn moeder te logeren. Ik was overweldigd door de enorme dimensies van het grauwe beton in de vuile stalen jungle. De gigantische grijze wolkenkrabbers, lichtjaren verwijderd van de pastelkleurige stucco van Willemstad en de witgeschilderde houten koloniale architectuur van Paramaribo. De brede Amerikaanse snelwegen die met bruggen en tunnels de stad doorkruisten, de glanzende auto’s met hun ruime pluche interieurs, de overdaad in winkelcentra en supermarkten: de opgeblazen arrogantie van de schijnbaar onverwoestbare American Dream in de vroege jaren zestig. Onze Amerikaanse familie woonde in een ‘brownstone’ in een zwarte wijk van Brooklyn. De atmosfeer uit Baldwin’s boeken was duidelijk tastbaar in de levens van de zwarte middenklasse waarin ik werd ondergedompeld. De familie bestond uit een oom, een tante en een negen jaar oud neefje, allen extralarge alsof ontworpen door de Colombiaanse kunstenaar Fernardo Botero. Het huis was de nachtmerrie van een interieurontwerper, met veel kitsch, transparant plastic hoezen over de extralarge bloemetjessofa’s en fauteuils. Nephouten kasten, gevuld met reclameglazen en prullaria. Plastic bloemen, stoffig in porseleinen vazen en reproducties van romantische landschappen in vergulde lijsten tegen een behang van een Schots ruitjesmotief. Wat vooral een grote indruk op mij maakte, was de kakofonie van de op verschillende netten afgestemde televisietoestellen, die door het hele huis waren verspreid. Mijn ouders ontsnapten vaak naar Manhattan om theaters, galeries en musea te bezoeken. Omdat ik niet erg goed kon opschieten met mijn neefje, die ik Porgy Pig had gedoopt, werd ik gelukkig door hen op sleeptouw meegenomen. Het Museum of Modern Art bleek een ultieme openbaring. Eindelijk stond ik oog in oog met kunst die ik voordien alleen op reproducties in boeken had ervaren. De adem stokte in mijn keel en ik verstilde in ontzag vastgenageld voor ‘La Grande Nue’ van Modigliani. Meer dan levensgroot keek zij uitdagend op me neer. De rollen waren nu omgedraaid; niet langer was ik de voyeur van haar sensualiteit, maar was zij het die mij observeerde in de majesteit van haar schaamhaar, naakt en ongenaakbaar. Als in een trance zweefde ik urenlang door het walhalla van de moderne

kunst en voelde mij, voor het eerst in New York, weer thuis. Hoewel ik het niet begreep, stoorde de afwezigheid van witte mensen in Brooklyn en van zwarte mensen in de musea en galeries, mij erg. Ik voelde de ontastbare, raciale spanning als een cocon om ons sluiten. Onze bizarre mulattenfamilie balanceerde als koorddansers op tournee boven de gesegregeerde maatschappij. Op een middag nam mijn broer mij mee naar een cinema op 42nd Street. Wij zagen Zulu het technicolorspektakel over de Zulu-oorlog tegen de Engelsen aan het eind van de vorige eeuw in Zuid-Afrika. In het duister kromp ik ineen van angst voor de ‘woeste’ Zulu-krijgers. Op het ritme van dreigende drums en onder het slaken van bloedstollende kreten, doorboorden zij Engelse soldaten, alvorens zij zelf als hondsdolle dieren werden afgeschoten. Tijdens de laatste dagen van ons verblijf in New York braken in Harlem, in de strijd om gelijke burgerrechten rassenrellen los. Alle televisietoestellen van onze Amerikaanse familie waren afgestemd op de grimmige zwart-wit beelden: zwarte mensen die supermarkten leegroofden, in brand staken en neergemaaid werden door waterkanonnen van de witte National Guard. Ik zag hoe politiehonden zwarte betogers naar de keel vlogen en gummiknuppels neerdaalden op schedels en ruggengraten van mensen die maar al te veel leken op de buurtbewoners en mijn familie in Brooklyn, Curaçao en Suriname. Toen wij de dag daarop naar Amsterdam doorvlogen, wees mijn vader mij vanuit het vliegtuigraam de nog smeulende resten van de rellen in Harlem. Een verbitterde trek gegrift rond zijn lippen, een eeuwenoud verdriet versluierd in zijn ogen.

XXII

De eerste impressie van ‘Het Koude Kikkerland’ zoals mijn moeder Nederland omgedoopt, was een natte compositie in grijs en baksteen bruin. Het was een klassieke zomer, het regende en het was erg koud. In trui en regenjas liep ik bibberend naast mijn ouders door de Kalverstraat, gecharmeerd door de Madurodamdimensie van Amsterdam na onze weken in de New Yorkse metropolis. Verkleumd registreerde ik de beleefde maar onverhulde verbazing van de melkwitte mensen over onze bizarre, bruin gespikkelde negerfamilie. Wij logeerden in Oud-Zuid op kamers bij een Hollandse hospita, een verre kennis van mijn moeder. In mijn ogen was zij een hypocriete, calvinistische heks en in haar ogen was ik een onuitstaanbaar verwend monster.


Nomade in Niemandsland: Kroniek van een koloniaal orgasme De sfeer in het donkere, muffe, burgerlijke huis was om te snijden. Ik veroorzaakte de definitieve kortsluiting door op een avond een hysterische woedeaanval te ensceneren. Zo lukte het mij om mee te kijken naar een liveoptreden van Jacques Brel in Carré op de zwart-wit tv in de huiskamer van de hospita. Mijn oudste broer begon zijn studie aan de medische faculteit van de Universiteit van Amsterdam. Mijn ouders ontvluchtten de sombere kamer en trokken samen verder op vakantie naar Spanje, Griekenland en Joegoslavië. En ik werd in het Limburgse Ravenbos als tijdelijke vondeling achtergelaten bij mijn peetvader, de dove schilder Charles Eyck. Rond mijn geboorte arriveerde deze Limburgse kunstenaar op Curaçao met de opdracht een muurschildering te maken voor het postkantoor in Willemstad. Zijn kunstwerk werd echter afgewezen omdat het niet voldeed aan de wens van zijn opdrachtgevers uit het koloniale bestuur. In plaats van een ode op de olie-industrie van de Shell, schilderde Charles Eyck een ode aan de zwarte Antilliaanse bevolking. Fiere vissersvrouwen, met manden vis op het hoofd gebalanceerd, als zwarte Gratiën in sensuele penseelstreken. Pezige vissers die voorovergebogen hun boten repareren en hun netten uitwerpen over de zee, tegen een decor van slavenhutten en eeuwige cactussen. Na een grimmige confrontatie verdwenen de meer dan levensgrote panelen naar de kelders van het Curaçaose Museum. Mijn ouders adopteerden de gepassioneerde kunstenaar die bijna een jaar op Curaçao bleef wonen. Hij werd mijn peetvader en kon mij als krijsende baby rustig krijgen door voor mij te tekenen in magische gebaren met houtskool toverend op papier. Als een onstuimige aan hallucinaties verslaafde tijdbom ontmoette Charles Eyck mij weer elf jaar later in het Ravenbos. Hij gaf mij een ontwenningskuur van figuratieve kunst, boeddhistische relativering en dionysische levenslust. Met zijn bizarre familie, zijn bacchantische Zweedse vrouw en zijn gehandicapte dochter in een rolstoel, voelde ik mij weer thuis. Ik heb de gelukkigste vakantie uit mijn jeugd doorgebracht in het majestueuze huis en het indrukwekkende atelier van deze duivelskunstenaar. Door kunst, gebaren en krabbels op een altijd aanwezig notitieboek, communiceerde hij zijn soms kinderlijke spontaniteit. Zijn kakelende lach, zijn intense concentratie en zijn onuitputtelijke creativiteit vulden mij en konden mijn onbestemde honger eindelijk stillen. Een rustige, verzadigde zoon gaf hij mijn ouders terug

toen zij mij aan het eind van hun vakantie kwamen ophalen. In het vliegtuig op weg naar Curaçao, glijdend door het luchtruim, was er een onuitgesproken helderheid tussen ons drieën. Het lot van de kunstenaar was nu het brandmerk van mijn leven. Gezalfd door God in de gedaante van een dove, grijze stotteraar, een flamboyante Schepper, mijn Koning van het ‘Koude Kikkerland’.

XXIII

Toen de ‘latino-bug’ na mijn vaders vakantie in Mexico zich eenmaal in hem had vastgezogen, kreeg de hele familie de Mexicaanse koorts. Geïnspireerd door zijn verhalen, besloot onze familie naar Mexico te verhuizen. Mijn vader had tijdens zijn vakantie, ver van vrouw en kinderen, zijn onbekende achterland ontdekt. Daar woekerden zijn indiaanse wortels in revolutie en vernieuwing in ‘La Tierra Sagrada’. Voor mijn ouders was het experiment in het multiculturele laboratorium van de Antillen mislukt. Hun afwijzing van het koloniale systeem, gebouwd op de pijn van slavernij, had vooral te maken met een overdosis aan Europese identiteit. Zij lieten zich niet langer indoctrineren door koloniaalculturele referenties en visies. Mijn ouders keerden zich af van het oude kille Europa, waar mijn overgrootvaders uit waren weggevlucht. Als voorbereiding op de Mexicaanse ‘exodus’, schoolden mijn ouders hun kinderen om met de beeldende kunst van Rufino Tamayo, Wilfredo Lam, David Siquieros en Frida Kahlo.

Door Gabriel Garcia Mârquez, Luis Borges en Juan Rulfo werden wij ingewijd in het ondoorgrondelijke mysterie van de Terra Incognita. Door de zalen van het landhuis galmden nu melancholieke klanken van Javier Solis, Carlos Gardel en Yma Sumac over Azteekse paradijsvogels met bonte vleugels van liefde en verraad. Door de exodus naar Mexico leerde ik de pijnlijke bevrijding van onthechting. Mijn collages werden van de muur gerukt, maar vooral landhuis Klein Santa Martha met haar schitterende panorama liet een grote leegte achter. Boeken, platen, meubilair en de grote sculpturen van mijn vader werden verkocht en verdwenen van de heuvel, een onbestemd lot tegemoet. En ook ik verliet in existentiële verwarring mijn geboorte-eiland. Gekneed door creativiteit en seksualiteit werd mijn kwetsbare identiteit door het luchtruim gekatapulteerd. Op zilverkleurige aluminium vleugels, gleed mijn puberziel op zoek naar haar bestemming in het nieuwe Terra Incognita, een Nomade in Niemandsland.

Felix de Rooy

Amsterdam (1995) Colums voor Contrast

207


207

Cliff San a Jong | Portrait of Felix Oil on Canvas (1990)


T he te st ament of my e go in the museum of my mind

Dedicated to

Talma Beatrice Ten Meer & René André de Rooy Barbara Maria Martijn

209

Cliff San a Jong | Portrait of Felix Oil on Canvas (1990)


VISUAL ARTS

VISUAL ARTS

Felix René de Rooy

THEATER

Felix de Rooy is een ‘renaissance man’. Een briljant beeldend kunstenaar maar ook een gepassioneerde film- en theatermaker, tentoonstellingsmaker, opiniemaker en dichter. Hij is een van de oprichters van Theater Cosmic in Amsterdam. Werkend vanuit zijn Surinaamse-, Antilliaanse en Nederlandse roots is hij voortdurend op zoek naar de universele kern van het bestaan.

Felix de Rooy is zowel nationaal als internationaal meerdere malen bekroond voor zijn werk.

Felix de Rooy

FILM

visual art | theater | film | exhibits | portraits | writings

Hij heeft zichzelf meermaals getypeerd als koloniaal orgasme, als buitenechtelijke bastaard geschrapt uit het Europese Testament: “Zo ontsnap ik de gevangenis van genetische en historische identiteit. Gevlucht naar het mythische land van La Race Mélangée: het Niemandsland van het vuilnisbakkenras. The Invisible Race dat zich - met een door onderdrukking en twijfel gesnoerde mond - grenzeloos en anarchistisch vermenigvuldigt. Onderhuids en tussen de lakens, tegen raciale ontkenning en nationale afstoting in.”

THEATER

T he test ament of my ego in the museum of my mind FILM TENTOONSTELLINGEN

Felix de Rooy visual art | theater | film | exhibits | portraits | writings

EXHIBTIS

EXHIBTIS


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook