Skip to main content

8 oktober 2011

Page 1

o k to b e r 2 011

|

nummer 8

De Anatomische Les

Een pil voor gezonder oud worden Tumor licht op als een kerstboom De witte motor Eten bij een blauwe lamp


w ete n schaps k ale n de r o k t o b e r

2 Open Huis AMC

Het AMC doet mee aan het jaarlijkse evenement Oktober Kennismaand en houdt open huis. Thema dit jaar is: Actie Reactie! Het publiek kan een kijkje nemen achter de schermen. Er zijn rondleidingen, lezingen en er is een wetenschapsmarkt. Kinderen kunnen naar een college over poep dat wordt gegeven door prof. dr. Marc Benninga, hoogleraar Kindergeneeskunde, in het bijzonder kindermaag-, darm- en leverziekten. Ook wordt een speciaal kinderpracticum georganiseerd. Wim van den Brink, hoogleraar Klinische Epidemiologie op het gebied van de verslavingszorg geeft een college over (game)verslaving bij volwassenen. Plaats: AMC, collegezaal 5 (lezingen) en Voetenplein Tijd: 12.00 – 17.00 uur Inlichtingen: Voorlichting AMC, 020 566 2929, pers@amc.nl, www.amc.nl/openhuis

3 Scholing

De Netherlands School of Public & Occupational Health organiseert een topclass over beroepsziekten. De topclass behandelt de nieuwste ontwikkelingen in het gebruik van het Periodiek Medisch Onderzoek voor verpleegkundigen en brandweerlieden. Plaats: AMC Tijd: 16.00 – 20.30 uur Inlichtingen: NSPOH, 020 409 7000, www.nspoh.nl

5 Promotie

Eva Velthorst: ‘The lonely soul wanders; On the role of impaired social functioning in the prediction of a first psychosis’. Promotores zijn prof. dr. D.H. Linszen, emeritus hoogleraar Psychiatrie, in het bijzonder psychotische stoornissen bij adolescenten en prof. dr. L. de Haan, hoogleraar Psychotische Stoornissen. Co-promotor is dr. D.H. Nieman. Velthorst vergaarde meer kennis over de fase voorafgaand aan een eerste psychose; de Ultra Hoog Risico (UHR) fase. Hierin doen zich milde positieve symptomen voor zoals achterdocht of vluchtige hallucinaties. Jongeren met deze symptomen hebben 10 tot 40 procent kans om binnen een jaar een eerste psychose te ontwikkelen. UHR-jongeren die sociale desinteresse en sociaal terugtrekgedrag vertonen en rapporteren dat ze moeilijk vriendschappen kunnen onderhouden, ontwikkelen vaker een eerste psychose. Hun sociale isolement zou een gevolg kunnen zijn van achterdocht, maar kan er ook toe leiden dat jongeren hun ideeën niet meer toetsen bij anderen, wat hun waanideeën en achterdocht in stand kan houden of versterken. Tijd: 11.00 uur

5 Promotie

Willem van der Wal: ‘Causal modeling in epidemiological practice’. Promotor is prof. dr. A.H. Zwinderman,

hoogleraar Biostatistiek. Co-promotor is dr. R.B. Geskus. Van der Wal bestudeerde methoden om het effect van een therapie op een relevante uitkomst zoals sterfte te onderzoeken, met gegevens die niet uit gerandomiseerde, experimentele studies komen, maar juist uit een observationele database. Zulke gegevens bevatten verstorende invloeden, waarmee rekening moet worden gehouden. De promovendus paste deze methode toe op een aantal situaties. Daaruit blijkt onder andere dat de keuze tussen buikspoeling of hemodialyse voor nierpatiënten die voor beide typen in aanmerking komen, geen effect heeft op de overleving gedurende de eerste 24 tot 36 maanden. Het voorkomen of vertragen van het verlies van de resterende nierfunctie kan de overleving van patiënten die dialyse krijgen, verbeteren. Tijd: 12.00 uur

5 Promotie

Linda Henneman: ‘Isoprenoid biosynthesis and Mevalonate Kinase Deficiency’. Promotor is prof. dr. R.J.A. Wanders, hoogleraar Klinische Enzymologie van stofwisselingsziekten. Co-promotor is dr. H.R. Waterham. Mevalonaat Kinase Deficiëntie (MKD) is een aangeboren ziekte geassocieerd met heftige koortsaanvallen die drie tot vier dagen aanhouden en gepaard gaan met koude rillingen, gewrichtsklachten, huiduitslag, hoofdpijn, duizeligheid, buikpijn, braken en diarree. De koortsaanvallen treden gemiddeld eens in de drie tot zes weken op zonder dat goed duidelijk is waarom. Henneman toont aan dat door een tekort van bepaalde metabolieten specifieke signaaleiwitten op de verkeerde plek in de cel terechtkomen en daardoor niet meer naar behoren functioneren. Dat leidt tot koortsaanvallen. Tijd: 14.00 uur

5 Promotie

Bimmer Claessen: ‘Prognostic factors in primary and elective percutaneous coronary intervention’. Promotor is prof. dr. J.J. Piek, hoogleraar Klinische Cardiologie, in het bijzonder interventiecardiologie en prof. dr. J.G.P. Tijssen, hoogleraar Klinische Epidemiologie en Biostatistiek. Co-promotores zijn dr. J.P.S. Henriques en prof. dr. G.D. Dangas (Mount Sinai School of Medicine, New York). Percutane coronaire interventie (PCI), de behandeling van vernauwingen in de kransslagaders met katheters via lies of pols, wordt jaarlijks bij meer dan dertigduizend patiënten in Nederland verricht. Bij een acuut hartinfarct, als een van de kransslagaders ineens door een stolsel wordt afgesloten, blijkt de aanwezigheid van een chronisch verstopte kransslagader, die tot dan toe geen problemen veroorzaakte, het overlijdensrisico te verhogen. Claessen toont aan dat chronisch verstopte kransslagaders effectief behandeld kunnen worden met PCI. Tijd: 16.00 uur

2

AMC M aga zine oktober 2011

7 Promotie

Vivian Engelen: ‘Monitoring quality of life in paediatric oncology practice’. Promotor is prof. dr. H.N. Caron, hoogleraar Kinderoncologie. Co-promotores zijn dr. M.A. Grootenhuis, dr. S.B. Detmar en dr. H.M. Koopman. Kinderen met kanker kunnen te maken hebben met een verminderde kwaliteit van leven (KvL). Engelen onderzocht de effectiviteit van het gebruik van de KvL-gegevens tijdens een medisch consult. Vlak voor de afspraak met de kinderoncoloog vulden kinderen een digitale KvL-vragenlijst in. Het gebruik van dit profiel tijdens het consult leidde tot meer aandacht voor het emotioneel en psychosociaal functioneren, zonder dat het bezoek langer duurde. Er werden meer emotionele problemen gesignaleerd. Daarnaast verbeterden het zelfvertrouwen, familieactiviteiten en psychosociaal functioneren van vijf- tot zevenjarigen. Er trad geen verbetering op in tevredenheid over de communicatie tijdens het consult. Tijd: 10.00 uur

7 Symposium

Het Amsterdam Institute for Global Health and Development, de afdeling Global Health en PharmAccess organiseren de bijeenkomst ‘When markets fail: Strategies for health, development and investment’. Het symposium richt zich op innovatieve financiering van gezondheidszorg in Afrika. Plaats: Artis, Koningszaal Tijd: 10.00 – 17.00 uur Inlichtingen: j.vantongeren@aighd.org

7 Promotie

Mandy Schram: ‘Atopic dermatitis: epidemiology & off-label therapy’. Promotor is prof. dr. J.D. Bos, hoogleraar Dermatologie. Co-promotores zijn dr. Ph.I. Spuls en dr. M.M.G. Leeflang. Eczeem komt vaker voor in steden dan op het platteland. Dit is een bevestiging van de hygiëne-hypothese. Ook werden twee middelen – methotrexaat en azathioprine – vergeleken voor de behandeling van ernstig eczeem. Beide zijn even effectief en veilig. Bij twee geneesmiddelen (efalizumab en azathioprine) is gezocht naar bewijs voor off-label toepassing bij huidziekte. Dit is belangrijk vanwege nieuwe regelgeving op het gebied van off-label voorschrijven van medicatie. Tijd: 12.00 uur

7 Promotie

Stef Kaandorp: ‘Unexplained recurrent miscarriage’. Promotor is prof. dr. F. van der Veen, hoogleraar Voortplantingsgeneeskunde en prof. dr. S. Middeldorp, hoogleraar Inwendige Geneeskunde, in het bijZie verder pagina 6


2 Wetenschapskalender

4

16

Nieuwe generatie microbubbels

tumor licht op als een kerstboom

De biologische klok

eten bij een blauwe lamp

20

7

Hoge bloeddruk

de euforie voorbij

Pasgeborenen

de witte motor

22 Niet te moeilijk graag

balanceren tussen aristocr atie en anarchisme

8 De Anatomische Les

Een pil voor gezonder oud worden

26 Chronische leukemie

r acen zonder pitsstop

28 AMC Collectie

aaibaar beton

12 BacteriĂŤle meningitis

genetische varianten in af weer

14

30

Pre-implantatie Genetische Screening

wetenschap frustreert commercie

De Stelling

bijbel sneller dan wetenschap

31 Foto omslag: DiMaggio/Kalish/Corbis

inhoud

Colofon/Berichten

AMC magazine


N i e u w e

g e n e r at i e

m i c r o b u b b e l s

Bumperkleven bij tumoren Met een een nieuwe generatie minuscule, plakkerige gasbelletjes kunnen tumoren worden opgespoord die tot nu toe bijna onvindbaar waren. Dat ontdekten onderzoeker Hessel Wijkstra en zijn collega’s. ‘Spuit deze microbubbels in het bloed, maak een echo en prostaattumoren lichten op als een kerstboom. Ik verwacht dat de bellen in de toekomst toegepast zullen worden bij vele ziekten.’ Ber ber Rou wé

Lukraak en vaak onverdoofd tien keer in de prostaat prikken. Als de dokter geen kankercellen vindt: opnieuw tien maal prikken. Nog steeds niets? Weer tien prikken. Dat is hoe onhandig de diagnose prostaatkanker momenteel gesteld wordt, vertelt Hessel Wijkstra, biomedisch ingenieur en onderzoeker bij de afdeling Urologie van het AMC. ‘We willen liever van buitenaf zien of er een tumor in de prostaat zit en waar precies. De huidige technieken – echo en MRI – werken niet goed. Met onze nieuwe microbubbels kunnen we een tumor veel beter opsporen, blijkt uit een klein onderzoek met twaalf patiënten.’ Wijkstra presenteerde zijn resultaten 22 september op een microbubbel-congres in Chicago. ‘We zijn de eersten die dergelijke bubbels hebben gebruikt bij mensen. Ik verwacht dat ze uitgeprobeerd gaan worden bij allerlei ziekten.’ Een op de zes mannen krijgt prostaatkanker. Om de diagnose te stellen, voelt de arts aan de prostaat en neemt hij bloed af. Veel prostaat specifiek antigeen (PSA) in het bloed kán wijzen op een tumor. Wijkstra: ‘Daarom nemen we tien tot twaalf willekeurige hapjes weefsel uit de prostaat, op zoek naar kankercellen. Vaak genoeg wordt er niets gevonden, terwijl de hoeveelheid PSA in het bloed stijgt. Dan nemen we weer tien hapjes weefsel af. En desnoods nog een keer. Worden er wel kankercellen gevonden, dan heeft de arts een nieuw dilemma. We kunnen onmogelijk zeker weten of de kanker op één plek zit. Of dat er even verderop, waar je net niet geprikt hebt, een nog veel agressievere tumor zit. Daarom wordt meestal de hele prostaat eruit gehaald of bestraald. Dat zijn radicale ingrepen. Veel

4

AMC M aga zine oktober 2011

patiënten worden impotent en sommigen incontinent.’ De echo met microbellen biedt zicht op een subtielere behandeling. Wijkstra pakt een flesje met wit poeder en doorzichtig gas. ‘Wat steriel water erbij, even schudden en voilà: honderd miljoen microbelletjes, elk in een kapseltje van eiwit. Na drie of vier minuten in het lichaam gaan ze vanzelf weer kapot. Ze lossen op in het bloed en klonteren niet samen tot grotere, gevaarlijke bellen.’ Kerstboom

Deze gewone microbellen worden volgens Wijkstra al jaren gebruikt om de bloedstroom in het hart te meten. ‘De belletjes stromen met het bloed mee en zijn veel makkelijker te volgen dan het bloed zelf. Ze weerkaatsen de geluidsgolven van het echoapparaat anders dan de rest van het lichaam.’ Geluidsgolven zijn niets anders dan kleine veranderingen in druk. Daar gaat het microbelletje van opzwellen en krimpen. ‘Onze echo is zo nauwkeurig, dat je een afzonderlijk belletje tot in de kleinste bloedvaatjes kunt volgen en zien vibreren.’ En juist die allerkleinste bloedvaatjes, van nog geen tien micrometer doorsnee, zijn interessant. Veel tumoren zetten het lichaam aan om plaatselijk extra microbloedvaatjes te maken. Zo voorziet de tumor zichzelf van bloed met voedingsstoffen. ‘Zou je een kluwen van microvaatjes op een echo zien, dan is dat erg verdacht. Dáár moet je prikken om wat weefsel te verkrijgen voor verder onderzoek. Helaas zijn de huidige bellenecho’s niet goed genoeg. We moeten nog steeds lukraak tientallen hapjes weefsel afnemen.’ De AMC-onderzoekers gebruiken nu een nieuwe generatie microbelletjes. Ze zijn steviger en met een ander gas gevuld. Maar het echt nieuwe is dat ze beplakt zijn met vele moleculaire staartjes. Die binden aan receptoren die buitengewoon veel voorkomen in prostaattumoren, namelijk vasculaire endotheel groeifactor receptoren (VEGFR-2). De tumor maakt ze aan om te zorgen dat er veel kleine bloedvaatjes worden aangelegd. Wijkstra laat een echofilmpje zien van een prostaat. Massa’s door de computer rood-geel gekleurde belletjes stromen door het beeld. De meeste komen en gaan, maar in één hoekje van de prostaat hoopt zich een bellenberg op. Wijkstra: ‘Die belletjes blijven kleven aan de VEGFR-2-receptoren, de tumor licht op als een kerstboom!’


De AMC-onderzoekers waren de eersten en enigen die beplakte belletjes hebben uitgeprobeerd bij mensen. ‘En ja, ik was zenuwachtig toen ze bij de eerste patiënt werden ingespoten. Maar vooral ook stomverbaasd toen ik zag hoe mooi de belletjes bleven kleven aan de receptoren. Na een kwartier zaten ze er nog. Terwijl de rest van de belletjes allang was weggevoerd met het bloed. Ik kon wel juichen!’ Eindeloze lijst

De onderzoekers maakten VEGFR-2-belletjesecho’s van twaalf patiënten. Naderhand werd de prostaat operatief verwijderd en gecontroleerd op kankercellen door de patholoog-anatoom. De eerste vier patiënten kregen zo’n lage dosis bellen, dat er niets te zien was. Bij de overige acht werden in totaal veertien verdachte plekken gevonden op de echo. Daarvan bleken er twaalf (85 procent) daadwerkelijk een tumor te zijn en twee niet (15 procent vals positieven). In totaal vond de patholooganatoom veertien klinisch relevante tumoren. Daarvan hadden de plakkende-bellenecho’s er twaalf (85 procent) opgespoord en twee gemist (15 procent vals negatieven). Ter vergelijking: met normale, onbeplakte bellenecho’s werd veertien procent van de tumoren opgespoord. ‘Uiteraard moeten we meer patiënten onderzoeken, maar dit lijkt toch een grote verbetering.’ De beplakte bellen moeten nu eerst uitgebreid worden getest op veiligheid voordat ze verder toegediend kunnen worden aan een grotere groep patiënten. ‘Uiteindelijk willen we vaststellen welke delen van de prostaat tumorvrij zijn en dus gespaard kunnen worden. En we willen alleen nog hapjes weefsel voor onderzoek afnemen van de plekken die er verdacht uit zien op een bellenecho. Persoonlijk denk ik dat de diagnose over een jaar of vijf gesteld wordt door een combinatie van bellenecho, MRI en steeds gerichter weefsel afnemen.’ Daartoe worden de echotechnieken verfijnd. ‘We werken samen met de Technische Universiteit Eindhoven, waar ik één dag in de week hoogleraar ben bij de onderzoeksgroep Signal Processing Systems. De groep daar maakt formules die beschrijven hoe gewone, onbeplakte belletjes zich verspreiden in tumorweefsel en in gewoon weefsel. Zo rekenen we de echo om in een voor de arts makkelijker te interpreteren plaatje: is deze vlek nu wel of niet een tumor?’

Ook de bellen worden verder aangepast. ‘Je kunt ze beplakken met moleculen voor allerlei typen receptoren. Er zijn veel ziekten waarbij receptoren plaatselijk ineens vaker voorkomen, waaronder talloze soorten kanker, hart- en vaatziekten en chronische ontstekingen.’ Wijkstra slaat er een dik bubbelconferentieboek op na. ‘Bij dieren zijn de bellen uitgeprobeerd om slagaderverkalking en de ziekte van Crohn, een chronische darmontsteking, in beeld te brengen. Ook kan met de bubbels het effect van middelen tegen kanker of reuma worden gevolgd.’ De bellen kunnen bovendien een behandeling op zich zijn. ‘Bij trombose, een bloedprop die vastzit in een bloedvat, binden de bellen aan de bloedprop. Geef je daarna een hoge dosis echogolven – geluidsgolven dus – dan barsten de bellen zo hard open dat ook de prop stuk gaat.’ Wijkstra vervolgt: ‘De microbellen kunnen worden gevuld met medicijnen en vervolgens met receptoren naar een specifieke zieke plek in het lichaam worden geloodst. Daar tril je ze kapot met sterke echogolven. Of je kunt DNA in de belletjes stoppen, om zo genen in zieke cellen te brengen. Dat is allemaal onderzocht bij dieren. De lijst mogelijke toepassingen is eindeloos, als we, zoals hier in het AMC, de stap naar onderzoek met mensen durven te maken.’

AMC M aga zine oktober 2011

5

boven: Contrastbeeld van de prostaat met daarnaast een kleuren­ plaatje waarop te zien is in hoeverre de bellen verspreid zijn in het weef­ sel. Rood geeft aan dat ze allemaal bij elkaar zitten, er is een grote kans dat zich daar een tumor bevindt. onder: Plakkende contrast­ bellen in beeld gebracht. Links de normale registratie, waarbij moeilijk onderscheid te maken is tussen stilstaande (plakkende) en bewegende bellen. Rechts is een bewerkingstechniek gebruikt waarbij de bewegende exemplaren uit het beeld gefilterd worden. De fel oplichtende plek is een tumor in de prostaat. Foto’s: afdeling Urologie en TU Eindhoven


w ete n schaps k ale n de r o k t o b e r zonder trombose en hemostase. Co-promotores zijn dr. M. Goddijn en prof. dr. J.A.M. van der Post. Vijf van alle honderd vrouwen die zwanger worden, krijgen gedurende hun leven twee of meer miskramen. Bij de helft van hen is de oorzaak onbekend. Zij krijgen vaak antistollingsmedicatie voorgeschreven zonder dat er bewijs bestaat dat het werkt. Uit een vergelijkend onderzoek onder 364 vrouwen met onverklaarde herhaalde miskraam bleek dat antistollingsmedicatie geen grotere kans geeft op een levendgeboren kind. Tijd: 14.00 uur

10 Refereer avond

chotische stoornissen bij adolescenten. Co-promotor is dr. M.W.J. Koeter. Veel schizofreniepatiënten gebruiken cannabis, wat het beloop van hun ziekte nadelig kan beïnvloeden. Dekker ontdekte dat ze dat doen om hun gevoelsleven te reguleren, ter ontspanning en ter versterking van sociale interactie. Een groot deel van de patiënten stopt met blowen vanwege de negatieve effecten van cannabis, of wanneer ze worden behandeld voor psychotische symptomen. Tijd: 11.00 uur

12 Promotie

Opening van het Brain Imaging Centre AMC. In dit virtuele centrum werken Neurologie, Psychiatrie, Radiologie en Nucleaire Geneeskunde samen. De vier afdelingen presenteren het onderzoek dat ze er gaan doen. Plaats: Ziedses des Planteszaal B1-120 Tijd: 16.00 – 18.00 uur Inlichtingen: dhr. G. van Wingen, g.a.vanwingen@amc.nl

Marijke Maijenburg: ‘Characterization of human mesenchymal stromal cell heterogeneity’. Promotor is prof. dr. C.E. van der Schoot, hoogleraar Experimentele Immunohematologie. Co-promotor is dr. C. Voermans (Sanquin). Mesenchymale stromale cellen (MSC) bevinden zich onder andere in het beenmerg waar zij de bloedvorming ondersteunen. Transplantatie van gekweekte MSC is veelbelovend en wordt steeds vaker toegepast na stamceltransplantatie of bij grote botbreuken. MSC worden buiten het lichaam gekweekt. Eenmaal toegediend via de bloedbaan moeten de cellen naar het weefsel waar zij nodig zijn, maar slechts een klein deel arriveert daar. Dat lijkt te worden veroorzaakt door het kweekproces. Maijenburg onderzocht de mogelijkheden om de migratie van gekweekte MSC te verbeteren. Tijd: 12.00 uur

11

12

Refereer avond

Promotie

De afdeling Urologie organiseert een avond over kinderurologie. Plaats: AMC, collegezaal 5 Tijd: 19.00 – 21.30 uur Inlichtingen: 020 566 6030

Evelyne Cauberg: ‘Advancements in diagnostic imaging for urothelial carcinoma’. Promotor is prof. dr. J.J.M.C.H. de la Rosette, hoogleraar Urologie. Copromotor is dr. Th.M. de Reijke. Voor patiënten bij wie bloed in de urine met het blote oog is te zien, is een onderzoek met een CT-scan van nieren en urineleiders de beste keuze. Bij patiënten bij wie het bloed alleen met een microscoop zichtbaar is, kan worden volstaan met een echo. Cauberg onderzocht de waarde van twee nieuwe optische technieken. Optical Coherence Tomography (OCT) is een niet-invasieve optische techniek die informatie geeft over de diverse weefsellagen. OCT kon echter niet de ernst van de blaaskanker vaststellen. De detectie van tumoren verbeterde als de blaas werd geïnspecteerd met blauw-groen licht (Narrow Band Imaging). Wanneer de uroloog tijdens operatieve verwijdering van blaastumoren gebruik maakt van dit licht, daalt het aantal patiënten bij wie de kanker terugkeert. Tijd: 14.00 uur

Refereeravond van de afdeling Radiologie. Plaats: AMC, collegezaal 4 Tijd: 18.30 – 21.00 uur Inlichtingen: mw. W. Grzesik, 020 566 8698, w.m.grzesik@amc.nl

11 Opening

11 Nascholing

Nascholing Jeugdgezondheidszorg over syndromen die kunnen optreden bij normaal schoolgaande kinderen. Mw. drs. S.M. Maas, klinisch geneticus van het Emma Kinderziekenhuis AMC vertelt over technieken die kunnen worden gebruikt om mentale achterstand en aangeboren afwijkingen op te sporen. Plaats: AMC, collegezaal 4 Tijd: 19.30 – 22.00 uur Inlichtingen: AMC Congresorganisatie, mw. S. Beek, 020 566 8585, jgz@amc.nl

12 Promotie

Nienke Dekker: ‘Cannabis use in patients with schizophrenia. Motivation for use and relation to clinical variables’. Promotores zijn prof. dr. L. de Haan hoogleraar Psychotische Stoornissen en prof. dr. D. H. Linszen, hoogleraar Psychiatrie, in het bijzonder psy-

prof. dr. M.H.W. Frings-Dresen, hoogleraar Arbeidsgezondheidkunde in het bijzonder het ontstaan en de preventie van arbeidsgebonden aandoeningen. Co-promotor is dr. J.K. Sluiter. Plat onderzocht of een beroepsspecifiek Preventief Medisch Onderzoek (PMO) bij zware beroepen, zoals bij brandweerlieden, relevant en bruikbaar is in de praktijk. Twee nieuwe beroepsspecifieke fysieke testen bleken betrouwbaar en valide. Bij zowel beroeps als vrijwillige brandweerlieden kan het PMO signalen van verminderde belastbaarheid in kaart brengen die beperkingen kunnen opleveren voor de uitvoering van hun werk. Tijd: 10.00 uur

13 Promotie

Bregtje Lemkes: ‘Crossing borders: the role of the endothelial glycocalyx and intravascular haemostasis in vascular complications of diabetes mellitus’. Promotor is prof. dr. J.B.L. Hoekstra, hoogleraar Algemene Inwendige Geneeskunde. Co-promotor is dr. F. Holleman. Mensen met diabetes mellitus (suikerziekte) hebben een verhoogd risico op vaatschade. Lemkes beschrijft de effecten van hoge bloedsuikerspiegels op de beschermlaag aan de binnenzijde van de vaatwand (de endotheliale glycocalyx), en op de bloedstolling. Zij stelde vast dat deze nadelige effecten omkeerbaar zijn bij mensen met type-2-diabetes. Tijd: 12.00 uur

13 Promotie

Promotie

Timon Schuijt: ‘Tick proteins in transmission and tick feeding, t(r)ick or treat?’. Promotores zijn prof. dr. T. van der Poll, hoogleraar Inwendige Geneeskunde, in het bijzonder de afweer tegen infectieziekte en prof. dr. A.C.M. Kroes, hoogleraar Medische Microbiologie, in het bijzonder de klinische virologie (LUMC). Co-promotores zijn prof. dr. E. Fikrig (Yale University (USA), dr. J.W.H. Hovius en dr. A.P. van Dam (OLVG en GGD, Amsterdam). De ziekte van Lyme wordt veroorzaakt door de Borrelia-bacterie die wordt overgedragen door teken. Nadat ze de huid van de gastheer zijn binnengedrongen, spugen de teken een mengsel van eiwitten in de huid om het afweermechanisme van de gastheer te onderdrukken. Zo wordt de Borrelia-bacterie overgedragen. Schuijt beschrijft de tekeneiwitten die een belangrijke rol spelen bij de overdracht van de Borrelia-bacterie. Hij laat zien dat de Borrelia-bacterie tekenspeekseleiwit herkent en weet uit te schakelen. Bij ongeveer 25 tot 33 procent van de bevolking werkt dit mechanisme niet goed. Waarschijnlijk hebben deze mensen meer kans op het krijgen van de ziekte van Lyme na een beet van een Borrelia-geïnfecteerde teek. Tijd: 14.00 uur

Marie-Christine Plat: ‘Occupational health care in high-demand jobs: the usefulness of job-specific workers’ health surveillance for fire fighters’. Promotor is

Zie verder pagina 19

13

6

AMC M aga zine oktober 2011


pa s g e b o r e n e n

Melk is niet goed voor elk De darmen van mens en zoogdier zijn na de geboorte zodanig aangepast dat ze optimaal moedermelk kunnen opnemen. Gaandeweg verdwijnt die eigenschap weer. AMC-onderzoekers vonden de schakelaar die voor deze transformaties verantwoordelijk is. Melk is goed voor elk, luidt de overbekende slogan. ‘Maar het is allang bekend dat deze voor veel mensen niet opgaat’, stelt maag-, darm- en leverarts Gijs van den Brink. De meeste volwassenen kunnen geen lactose of melksuiker verwerken. Daarvoor is lactase nodig, een enzym dat het lactose-molecuul in stukken knipt zodat de darmen het kunnen opnemen. Maar dat enzym verdwijnt tijdens de kleuterjaren. Niet bij mensen van Noord-Europeaanse af komst – meer dan negentig procent van hen kan gewoon melk drinken – maar wel bij onder andere Aziaten en Afrikanen. Zij worden lactose-intolerant, wat bij het verorberen van zuivelproducten leidt tot winderigheid, een opgeblazen buik en diarree. Hoe anders is dat bij pasgeborenen. Van den Brink: ‘Zij hebben een speciaal systeem in hun darmen waardoor ze moedermelk kunnen absorberen en verwerken. Zo kunnen ze via vacuoles, met vocht gevulde blaasjes, antilichamen uit de moedermelk opnemen in de bloedbaan. Daarnaast beschikken zij over lactase om de melksuikers af te breken. Ook maken hun darmen arginine aan, een aminozuur dat essentieel is voor groei en dat niet van nature aanwezig is in moedermelk.’ In de periode dat de zuigeling van de borst af gaat en vast voedsel krijgt, verdwijnen die eigenschappen en worden de darmen aangepast aan de nieuwe omstandigheden. ‘Deze omschakeling is voorgeprogrammeerd. Ze vindt plaats op een vast moment, zonder invloeden van buitenaf’, vertelt Vanesa Muncan, staflid van het Tytgat Instituut. Sinds de jaren tachtig proberen het AMC en het Children’s Hospital in Boston samen te ontrafelen hoe de darmen voorbereid worden op moedermelk. Binnen die onderzoekslijn hebben talloze Neder-

landse kinderartsen en gastro-enterologen, inclusief Van den Brink, een tijdje als student in Boston gezeten. En nu is de schakelaar gevonden die de nodige aanpassingen van de darm aan en ook weer uit zet. De vondst leverde een publicatie op in de nieuwe online uitgave Nature Communications*. Het gaat om de transcriptiefactor Blimp1, die rond de geboorte actief wordt. Van den Brink: ‘Bij pasgeboren muizen zie je de transcriptiefactor na drie weken weer verdwijnen, net op het moment dat ze van de borst af gaan.’ Om te bewijzen dat Blimp1 de schakelaar is, maakten de onderzoekers knock-out muizen waarbij de transcriptiefactor in het darmslijmvlies ontbreekt. De pasgeboren dieren werden ziek en liepen een groeiachterstand op. Ze wisten niet allemaal de eerste drie weken te overleven. Bij nader onderzoek van de darmen werd duidelijk dat die de melk niet konden opnemen. ‘Alle aspecten die specifiek zijn voor de moedermelkperiode ontbraken: vacuoles, lactase. Arginine werd juist afgebroken. Hun darmen leken sterk op die van volwassenen’, vertelt Van den Brink. Ook werden op een microchip genen gescreend. Daaraan was eveneens te zien dat alle hulpmiddelen om moedermelk op te kunnen nemen, volledig ontbraken. Waarom werd er zo naarstig gezocht naar die schakelaar? Wat levert deze kennis op? ‘Dit soort biologische fenomenen moet je eerst begrijpen voordat je er wat aan hebt’, klinkt het. ‘Vergelijk het met het bestuderen van een vliegtuig dat is neergestort. Om de oorzaak te achterhalen, zul je eerst moeten weten hoe een toestel werkt dat nog heel is. Deeltje voor deeltje.’ * ‘Blimp1 regulates the transition of neonatal to adult intestinal epithelium.’ Nature Communications, 30 augustus 2011.

AMC M aga zine oktober 2011

7

Irene v an El z akker

Foto: Norbert Schäfer/Corbis


D e

A n at o m i s c h e

L e s

Langer leven als bijwerking Ze gaf fruitvliegjes en muizen een langer leven, maar heeft niet dezelfde intenties bij de mens. Evolutionair bioloog Linda Partridge wil een pil ontwikkelen waarmee we gezonder oud worden. Ze is al een heel eind op weg, zal ze uitleggen tijdens de achttiende Anatomische Les op 3 november in het Amsterdamse Concertgebouw. Deze publiekslezing wordt jaarlijks georganiseerd door het AMC en de Volkskrant.

Haar waardering voor het hinderlijke fruitvliegje is immens. Wanneer het diertje op een mooie zomeravond wil nippen van haar biertje legt evolutionair bioloog Linda Partridge het geen strobreed in de weg. ‘Het zijn verbazingwekkende schepsels’, vertelt ze met een glimlach. ‘Ze zijn in staat om dat bier in tien minuten te vinden en dan mogen ze een slokje.’ Aan de fruitvliegjes heeft de goeroe op het gebied van verouderingsonderzoek veel te danken. Partridge deed baanbrekende ontdekkingen over veroudering dankzij experimenten met het nietige insect. Hoe vreemd wetenschap kan lopen: dat dieren die pakweg veertig dagen leven, onmisbaar zijn bij het ontrafelen van de geheimen van de ouder wordende mens die nu een jaar of tachtig wordt. Over de fruitvlieg en veroudering houdt prof. dr. Linda Partridge (61) op 3 november De Anatomische Les in het Amsterdamse Concertgebouw. Ze is hoogleraar aan University College London, waar ze leiding geeft aan het instituut voor Healthy Ageing en ze is mededirecteur van het Max Planck Instituut voor de biologie van de veroudering in Keulen. Met haar werk is ze vele malen geëerd. Ze gaat als Dame door het leven, de vrouwelijke equivalent van Sir, nadat ze in 2009 tot ridder was geslagen. Dat jaar werd Partridge ook omschreven als één van de zes vrouwen die uitmuntende resultaten hebben geboekt met wetenschappelijk onderzoek. Zo gek nog niet

Marc v an den Broek

8

AMC M aga zine oktober 2011

Partridge zal de toehoorders in Amsterdam een verrassend beeld schetsen over de toekomst van de oude dag. ‘Let wel, ik werk niet aan een pil die ons meer jaren geeft, ik werk met stoffen waarmee we gezond oud worden. En ja, de bijwerking kan zijn dat we ook langer leven. Maar maak je geen zorgen: het sterftepercentage bij mensen is nog altijd honderd procent.’ De bioloog knikt begrijpelijk bij de opmerking dat het bizar is juist bij kortlevende dieren, zoals de fruitvlieg, zoiets fundamenteels als veroudering bij mensen te willen ontrafelen. Het lijkt logischer om te achterhalen waarom sommige dieren in het wild zo oud worden,


zoals een walvissensoort die de eerbiedwaardige leeftijd van tweehonderd haalt, schildpadden of papegaaien. ‘In de wereld buiten het laboratorium is het verschil in ouderdom bij dieren enorm. Dus lijkt het logisch om op die verschillen te focussen. Maar het is te ingewikkeld buiten. In het laboratorium is alles gemakkelijk te manipuleren. Als je iets verandert in een organisme, dan weet je zeker dat het effect het gevolg is van die verandering.’ En de fruitvlieg is zo gek nog niet, beweert ze. ‘We lijken er best wel op. Zeventig tot tachtig procent van de genen die bij de mens klachten veroorzaken, vinden we ook in de fruitvlieg. Soms is het insect goed voor de vergelijking met mensen, soms ook niet. Fruitvliegen hebben geen longen, ze hebben geen gesloten bloedcirculatie, maar ze hebben een hart en de hartgenen lijken op die in de menselijke hartspier.’ Chimpansees

Een andere aanpak van het verouderingsonderzoek is een studie van een insect als de honingbij. Bij die diersoort worden sommige individuen met dezelfde genetische opmaak veel ouder dan soortgenoten. Zo bereikt de koningin een hoge leeftijd en krijgt de werkbij een kort leven. Dat heeft te maken met de voeding. ‘Ergens wordt een schakelaar omgezet. Anderen onderzoeken dat verder. Ik ben bij mijn fruitvlieg gebleven.’ Voordat ze deze onderzoekslijn betrad, had Partridge al een carrière als evolutiebioloog achter de rug. ‘Veroudering is een bizar proces’, filosofeert ze. ‘Het overkomt niet alleen mensen of dieren die leven in een beschermde kunstmatige wereld. Je ziet dieren in het wild kreupel worden, dieren die zich niet meer kunnen voortplanten en die zich niet meer kunnen meten met andere soortgenoten. Het is vreemd. Als een dier ouder wordt, heeft het steeds minder mogelijkheden om een genetische bijdrage te leveren aan de volgende generatie. Het wordt steeds minder van nut voor de evolutie. Ik vroeg me af: waarom gebeurt dit? Waarom is dit onderdeel van de natuurlijke selectie?’ Deze vraag borrelde bij Partridge op omdat ze vaak

als enthousiast vogelaar buiten te vinden was. De toen jonge bioloog zag ook oude vogels door haar verrekijker. ‘Tegenwoordig zijn er veel projecten, waarbij vogels zenders krijgen. Je kunt dus volgen dat ze ouder worden. Maar hoe dat zit? Dieren worden in een verschillend tempo oud. Kijk naar chimpansees en mensen, twee soorten die genetisch op elkaar lijken, maar chimpansees worden hooguit half zo oud als mensen. Kleine verschillen hebben grote consequenties.’ Onbegonnen werk

Partridge richtte zich in het begin van haar carrière puur met een evolutionaire blik op de verouderingsvraag. Veelal werkt de evolutie zo, dat gunstige eigenschappen worden doorgegeven aan de volgende

AMC M aga zine oktober 2011

9

Linda Partridge in haar lab. Foto: Jiri Büller


D e

A n at o m i s c h e

L e s

foto: George Mollering/ANP

generatie. Vogels met goede ogen hebben meer kans op voedsel en dus nageslacht dan vogels die minder goed zien. Dus de genen die bijdragen aan goede ogen worden doorgegeven en vogels gaan steeds beter zien, om het simpel uit te leggen. Voor veroudering geldt dit juist niet. ‘Als er een gen zou zijn dat verantwoordelijk is voor een lang leven, dan zal dat weinig invloed hebben op de natuurlijke selectie. De meeste organismen in het wild verdwijnen op jonge leeftijd door ziekte: ze worden opgegeten door natuurlijke vijanden of wat dan ook. Slechts enkele worden heel oud. Wat is de zin daarvan? De kans dat hun genetische opmaak wordt doorgegeven, is niet groter, in tegenstelling tot andere genetische factoren die een dier meer geschikt maken om te overleven. Een raadsel.’ Kortom, genoeg om te onderzoeken. In het begin van haar wetenschappelijke carrière als bioloog leefde het idee dat veroudering genetisch gezien een heel ingewikkeld proces zou zijn. ‘Ik dacht toen ook dat veel genen invloed hebben op het ouder worden. Om te kijken of je van een kort levend organisme een langer levend organisme kunt maken, zou je aan veel genen moeten sleutelen om effect te zien. Het zou onbegonnen werk zijn om daar iets zinnigs over te zeggen.’ Dat veranderde in 1983. Partridge kan zich het verschijnen van wat ze nu een ‘frappante bevinding’ noemt, nog goed herinneren. ‘Er kwam een publicatie over onderzoek bij een worm waarin werd beweerd dat een mutatie in één gen de veroudering in hoge mate

10

AMC M aga zine oktober 2011

beïnvloedde. Toen kwam voor het eerst naar buiten dat het misschien toch wat minder ingewikkeld was dan we dachten.’ Dat onderzoek trok bij publicatie nog niet zoveel aandacht, zoals vaker bij moeilijk voor te stellen uitkomsten. Het duurde ruim tien jaar voor het zo ver was. ‘In 1996 werd bekend dat mutaties in genen die de levensduur verlengen, te maken hebben met de insulinepathway, de suikerhuishouding van het lichaam. Dat is een belangrijk mechanisme in een organisme en bovendien is hierover veel bekend, onder meer door het onderzoek naar diabetes. Toen bekend werd dat insuline van groot belang is, opende dat de weg naar meer onderzoek in dieren en kwam ik in beeld.’ Suikerhuishouding

Partridge’s lievelingsdier de fruitvlieg, waarmee ze al studies deed, bleek weer uiterst geschikt en zo maakte ze een switch in haar onderzoek. Het was eigenlijk simpel, vertelt ze. ‘We zagen dat de fruitvlieg langer bleef leven toen we de suikerhuishouding van het dier gingen manipuleren.’ Vervolgens ging het snel: ‘We deden iets soortgelijks bij muizen en er gebeurde precies hetzelfde. Muizen bij wie we het gen uitschakelden dat van invloed is op de insulinehuishouding, leefden langer.’ De muizen zonder het ‘verouderings’-gen hielden het op hogere leeftijd veel langer vol bij looptesten in een tredmolen dan soortgenoten met gen. Om de resultaten kort samen te vatten: de muizen bleven langer actief,


ze kregen minder staar in de ogen, hun immuunsysteem was beter, botontkalking kwam minder voor en ze kregen geen diabetes. ‘Het was werkelijk verbazingwekkend. Ik zag een spectaculaire verbetering van de gezondheid van de oudere muis op allerlei terreinen. Ook aspecten van de gezondheid die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. En dat alles door één gen. Dat was voor mij het zetje om me op dit onderwerp te storten.’ De stap naar de volgende bevinding was logisch. Als de suikerhuishouding van belang is, dan is de stap naar voedsel klein. En zo kwam de ontdekking dat muizen en fruitvliegen op dieet veel langer gezond leven dan dieren die onbeperkt kunnen eten. De theorie van de dieetbeperking werd geboren en is inmiddels gemeengoed. ‘Dus als je de dieren net genoeg eten geeft om te overleven, dan worden ze ouder. Soortgenoten die kunnen eten wat ze willen, gaan meestal dood door kanker, na gemiddeld één tot twee jaar. De muizen op een dieet sterven ook, alleen is de oorzaak daarvan nog niet goed te vinden. Ze worden pakweg twee keer zo oud. De recordhouder is een muis die op dieet 4,5 jaar werd.’ Partridge bemerkte ook dat de dieetmuizen het langer volhielden dan de muizen bij wie het vermeende verouderings-gen was uitgeschakeld. ‘Dat komt waarschijnlijk omdat we nog niet precies weten of we de goede mutatie te pakken hebben. Als we dat goed hebben uitgezocht, dan kunnen we muizen zodanig genetisch manipuleren dat ze even oud worden als muizen op een streng dieet.’ Overigens is het niet alleen simpelweg het aantal calorieën dat de klus klaart, benadrukt Partridge. Ook het soort voedsel is van belang, ontdekte ze in een studie waarbij ze vaststelde dat fruitvliegen die minder eiwitten kregen, langer leefden. Frustratie

Partridge doet dit onderzoek niet omdat ze van plan is om het verouderings-gen in mensen uit te gaan zetten. Dat kan natuurlijk niet, het is onethisch en bovendien gevaarlijk. Ze hoopt met de ontrafeling van wat dat gen precies doet, te kijken of er stoffen zijn die het gen een beetje uitschakelen, in toom houden als het ware. De speurtocht naar mogelijke stoffen is inmiddels begonnen. De onderzoeker noemt rapamycine, een geneesmiddel dat al is toegelaten voor patiënten die een donororgaan krijgen. Het onderdrukt de afweer en wordt gegeven om te voorkomen dat mensen het

getransplanteerde orgaan afstoten. Maar de stof, gevonden op Paaseiland, werkt bij muizen ook levensverlengend. ‘Dit medicijn gaan we niet op grote schaal aan mensen geven, want we willen niet zomaar de afweer onderdrukken. We moeten verder zoeken, maar het begin is er.’ En dan komt haar frustratie bovendrijven, gecombineerd met een gezonde dosis optimisme. ‘Over tien tot vijftien jaar kan er iets in de schappen liggen’, klinkt het stellig. ‘Maar dan moet ik medewerking krijgen van de farmaceutische industrie. De stoffen zijn er om te testen, maar ze blijven op de plank liggen. Ik begrijp absoluut niet waarom.’ Partridge zal haar gehoor in Amsterdam – waaronder hopelijk ook vertegenwoordigers van de farmaceutische industrie – oproepen om mee te werken dergelijk onderzoek van de grond te tillen. Ze weet dat dit soort studies veel geld kost en lang kan duren, maar als een middel werkelijk een brede bescherming biedt bij veroudering, dan zijn de economische voordelen gigantisch, benadrukt ze keer op keer. Als een pil mensen gezond oud laat worden, dan is er veel minder werk voor doktoren en ziekenhuizen en minder omzet voor de farmaceutische industrie, omdat de vraag naar bepaalde medicijnen verdampt. Verklaart dat de aarzelende houding van de farmaceuten? Een werkzame anti-verouderingspil, om het zo maar even te omschrijven, is een kassucces, maar mogelijk stort de veel grotere markt voor andere pillen in. Ze aarzelt. ‘Zo kijk ik er eigenlijk niet naar, maar dat zou wel eens het geval kunnen zijn.’ De vraag of ze te optimistisch is over de mogelijkheden van een medicijn tegen veroudering, wuift ze weg. ‘Dat valt wel mee. Ik ben lang niet zo optimistisch als anderen. Sommigen voorspellen dat we spoedig tweehonderd jaar oud worden, dat verwacht ik niet. Dat wil ik helemaal niet. Het gaat om een betere kwaliteit van leven voordat je sterft, niet om hoe oud je wordt. Want de levenskwaliteit van veel oudere mensen is niet al te best. Vaak afschuwelijk. Mijn beide ouders zijn overleden aan de gevolgen van dementie na een lang ziekbed. Ze hadden een verschrikkelijke laatste fase van hun leven. Als de pil er is, dan zal ik hem zeker nemen. Ik word liever zonder handicaps oud.’

AMC M aga zine oktober 2011

11

Om De Anatomische Les bij te wonen, kunt u zich aanmelden via www.amc.nl/anatomischeles. De kosten bedragen 5 euro.


Bac t e r i ë l e

m e n i n g i t i s

Het genetisch speelveld van een holbewoner

Bacteriële meningitis (hersenvliesontsteking) is een ernstige infectieziekte, waarbij de genen van zowel patiënt als bacterie een belangrijke rol spelen. Welke genetische variaties er precies toe doen, is nog onduidelijk. Neuroloog Diederik van de Beek kreeg achtereenvolgens een Vidisubsidie en een grote, persoonsgebonden grant van de European Research Council om de bepalende genetische factoren in kaart te brengen. Het uiteindelijke doel: een nieuwe therapie. In een artikel in The Journal of

Clinical Investigation presenteert hij de eerste succesvolle resultaten van zijn aanpak.

Pieter Lomans

12

AMC M aga zine oktober 2011

De pneumokok is een vaste bewoner van veel menselijke keel- of neusholtes. Meestal hebben de gastheer en de bacteriële holbewoner geen last van elkaar. Maar zo af en toe ontspoort die vreedzame samenleving. Dan doorbreekt de pneumokok het slijmvlies, waarna hij in de bloedbaan belandt. Dat kan leiden tot een ernstige bloedvergiftiging (sepsis). De bacterie kan echter ook door de bloedhersenbarrière kruipen en zo vanuit de bloedbaan de hersenen infecteren. Dan ontstaat een bacteriële meningitis; een levensbedreigende ziekte waaraan een kwart van de mensen sterft. Van de overlevenden houdt ongeveer de helft blijvende schade over, die vaak ernstig invaliderend is. Neuroloog Diederik van de Beek houdt zich al jaren bezig met onderzoek naar bacteriële meningitis bij volwassenen. Vooral de meest voorkomende en ernstige vorm – de meningitis die door de pneumokok wordt veroorzaakt – heeft de laatste jaren zijn aandacht. ‘Vanaf 2006 verzamelen we in het AMC van alle volwassen Nederlanders met een bacteriële meningitis de klinische gegevens. Niet alleen vriezen we het hersenvocht in dat nodig is om de diagnose te stellen, maar als het kan verzamelen we ook DNA van de patiënten. Tevens bewaren we de bacteriën die bij hen de meningitis veroorzaken. Naast het landelijk netwerk van


neurologen dat meewerkt aan dit onderzoek, hebben we ook nauw contact met het Nederlands Referentielaboratorium voor Bacteriële Meningitis, dat in het AMC is gevestigd.’ Het verzamelen van de bacteriën en het patiëntenmateriaal maakt interessant onderzoek mogelijk. Van de Beek: ‘Studies begin jaren tachtig bij tweelingen en adoptiekinderen lieten zien dat bij infectieziekten een heel sterke genetische component meespeelt. Dat geldt niet alleen voor het krijgen van de ziekte – de vatbaarheid – maar ook voor het beloop ervan. Waarom sterft de ene patiënt aan meningitis en de andere niet? Dat heeft in elk geval voor een belangrijk deel met de genetische make up van de mens te maken. Én met de genetische samenstelling van de bacterie, de pneumokok in dit geval.’ Publicatie

De afgelopen decennia is er wel genetisch onderzoek gedaan naar meningitis, zowel bij de mens als bij de pneumokok. Maar dat betrof meestal zeldzame, bijzondere gevallen waarvan de gegevens niet algemeen toepasbaar waren. En dat laatste is nu precies wat Van de Beek wél wil doen. Hij wil genetische factoren boven tafel krijgen, zowel bij de mens als bij de pneumokok en andere bacteriën, die een rol spelen bij de gevoeligheid voor en het beloop van de ziekte. Na een jarenlange aanloop lijken de ambitieuze plannen van Van de Beek nu in hoog tempo vorm te krijgen. Eind 2010 kreeg hij al een Vidi-subsidie voor het onderzoek, in augustus 2011 kwam daar een Starting Grant van de European Research Council (ERC) van ongeveer anderhalf miljoen bij en enkele weken daarna verscheen in The Journal of Clinical Investigation een publicatie waarin hij laat zien dat zijn aanpak werkt. ‘In dit artikel beschrijven we hoe we bij patiënten met pneumokokkenmeningitis op zoek zijn gegaan naar genetische variaties die samenhangen met de uitkomst van de ziekte. Sommige patiënten overlijden aan de ziekte, terwijl anderen zonder kleerscheuren uit het ziekteproces tevoorschijn komen. Onze hypothese was dat bij de infectie van de hersenen een deel van het aangeboren afweersysteem, het zogenoemde complementsysteem, een grote rol speelt. Een belangrijk deel van de hersenschade – en dus de uitkomst van de ziekte – wordt bepaald door de (te felle) afweerreactie. Onze vraag was: zien we bij de patiënten met een klinisch slechte uitkomst verschillen in genen van hun complementsysteem, als we die vergelijken met de genen van patiënten met een goede klinische uitkomst?’ Achilleshielen

Van de Beek en eerste auteur van het artikel Matthijs Brouwer richtten zich, samen met Amsterdamse, Duitse, Amerikaanse en Engelse collega’s, op hele

kleine variaties in een aantal complementgenen: de SNP’s (single-nucleotide polymorfisme). ‘Die variaties moesten wel bij minstens vijf procent van de bevolking voorkomen’, zegt Van de Beek, ‘want als je op termijn een therapie wilt ontwikkelen – en dat is onze bedoeling – dan moet die voor grote groepen patiënten geschikt zijn.’ Bij de analyse van de geselecteerde genen sprong één SNP er duidelijk uit. Het is component 5 (C5) van het complementsysteem. Deze bevinding werd gevalideerd door middel van metingen in patiënten met pneumokokkenmeningitis. De complement-component C5a (een af braakproduct van C5) speelt een essentiële rol in de afweerreactie. Maak je meer C5 aan, zoals de patiënten met de C5-SNP, dan trekken de hersenen meer witte bloedcellen aan en ontstaat er een heftiger ziektebeeld met een slechtere kans op een goede afloop. Van de Beek: ‘We hebben deze vondst getest in een muizenmodel. Het resultaat? Van de muizen met meningitis overlijdt dertig procent. Behandelen we ze naast antibiotica met dexamethason – de standaardtherapie – dan overlijdt twintig procent. Die percentages komen overeen bij wat we bij de mens zien. Maar geven we een C5-remmer, dan gaat geen enkele muis meer dood! Dat is bijna te mooi om waar te zijn. We moeten eerst maar eens afwachten of dat in de mens ook zo zal zijn. C5-remmers zijn al voor een andere indicatie op de markt, maar helaas is de producent (nog) niet bereid het middel bij bacteriële meningitis te testen.’ Van de Beek is verguld met het artikel in The Journal of Clinical Investigation omdat het een proof of principle is; het bewijst dat de aanpak werkt. Met de ECR-grant kan hij het onderzoek de komende vijf jaar nog grootschaliger gaan aanpakken. Van de Beek: ‘Op de eerste plaats wil ik niet meer naar een selectie, maar naar alle genen van het complementsysteem kijken. Sterker nog, dankzij de opkomst van de exoomsequencing kunnen voortaan in één klap álle functionele genen van patiënten in kaart worden gebracht. Dat gaat ongetwijfeld nieuwe en onverwachte inzichten opleveren.’ Van de Beek en collega’s richten hun onderzoek echter niet alleen op de genetische variaties van de mens en de relatie met meningitis. Van de Beek: ‘Bij meningitis spelen ook de genen van de bacterie een rol. Uiteindelijk is het de interactie tussen gastheer en ziekteverwekker die we in beeld willen brengen. Dat moet aan beide zijden leiden tot een complex, maar helder overzicht van genen die een rol spelen bij het ontstaan, het verloop en het resultaat van de ziekte. We willen op die manier alle achilleshielen van de bacteriële meningitis blootleggen. Dat moet de basis leveren voor de ontwikkeling van effectieve therapieën die rekening houden met de genetische uitrusting van elke individuele patiënt.’

AMC M aga zine oktober 2011

13

De pneumokok, veroorzaker van onder andere meningitis. Foto: Science Photo Library/ANP


P r e-i m p l a n tat i e

G e n e t i s c h e

Sc r e e n i n g

Het einde van een vruchtbaar Het doek lijkt nu definitief gevallen voor Pre-implantatie Genetische Screening (PGS). Deze methode moest de kans op een zwangerschap na IVF vergroten. Een decennium later is het niemand gelukt aan te tonen dat PGS daarin slaagt. Twee promovendi achterhaalden waarom de techniek niet werkt.

Jasper Enkl aar

Bijna tien jaar geleden leek de toen nieuwe techniek Pre-implantatie Genetische Screening erg veelbelovend. De methode werd al ruimschoots in het buitenland toegepast om embryo’s die via IVF verkregen waren, genetisch te screenen voordat ze in de baarmoeder werden teruggeplaatst. Daarvoor wordt drie dagen na de reageerbuisbevruchting één cel van het embryo afgenomen en geanalyseerd op fouten in de chromosomen. De theorie achter PGS was plausibel: veel embryo’s zijn chromosomaal niet in orde. Daardoor nestelen ze zich niet in de baarmoeder of eindigt de zwangerschap in een vroege miskraam. Zou je die embryo’s eruit kunnen filteren en alleen de exemplaren met goede chromosomen terugplaatsen, dan is er een grotere kans op een succesvolle zwangerschap.

Op 26 oktober promoveren klinisch embryoloog Sebastiaan Mastenbroek en gynaecoloog in opleiding Moniek Twisk op een omvangrijk onderzoek naar de effectiviteit van PGS. In 2007 publiceerden ze een geruchtmakend artikel in de New England Journal of Medicine (NEJM). Hun boodschap: PGS werkt niet. Dat verkondigden ze op de dag van de publicatie ook op een groot Europees symposium. Het werd een bijzondere gebeurtenis want de zaal was afgeladen, ondanks het feit dat het de allerlaatste presentatie van het congres was. Volgens de gerandomiseerde AMC/UMCG-studie werden er zelfs minder kinderen geboren via de PGSmethode. ‘Door deze uitkomst laaide de discussie over de werkzaamheid van de techniek juist extra op’, vertelt Mastenbroek. Er waren grote commerciële bedrijven opgezet die met deze methode aan de slag gingen, en die wilden het niet zomaar opgeven. Na de NEJM-publicatie gingen Mastenbroek en Twisk verder met hun PGS-onderzoek en verdiepten ze hun conclusie dat PGS leidt tot een verlaging van de slagingskans. Twisk: ‘Ik heb nog gekeken naar subgroepen, waar het misschien wel zou werken. Maar welke subgroep ik ook bekeek, elke keer kreeg ik de bevestiging dat de methode geen succes opleverde. De meta-analyse van alle gerandomiseerde onderzoeken van meerdere, vooraanstaande groepen die na ons publiceerden, liet hetzelfde zien.’ Moz aïcisme

geruchtmakend artikel

Deze theorie moest echter nog wel zijn waarde bewijzen, want er was geen goed onderzoek naar gedaan. Daarom gingen de Centra voor Voortplantingsgeneeskunde van het AMC en het UMC Groningen er tien jaar geleden mee aan de slag.

14

AMC M aga zine oktober 2011

Mastenbroek en Twisk keken ook naar verschillende verklaringen waarom PGS niet werkt. Deels zou dat kunnen komen door technische aspecten van Preimplantatie Genetische Screening, zoals mogelijke schade aan het embryo door het wegnemen van de cel (biopsie) of onnauwkeurigheid van de techniek. ‘We


heidstechniek weten niet hoe groot de schade door een biopsie is, maar we weten wel dát er schade is.’ Een belangrijke verklaring zou ook kunnen liggen in mozaïcisme, het fenomeen dat niet alle cellen van het pre-implantatie embryo exact dezelfde set van chromosomen hebben. Daardoor zou het theoretisch onmogelijk zijn om de chromosomale samenstelling van een embryo te baseren op één enkele cel van dat embryo. Mastenbroek: ‘Uit een analyse van de literatuur en bijna vierhonderd overgebleven embryo’s van ons eigen PGS-onderzoek bleek inderdaad dat mozaïcisme een belangrijke rol speelt: de helft van alle embryo’s bevat op dag drie zowel chromosomaal normale als afwijkende cellen.’ Mozaïcisme komt zo vaak voor dat het onbetrouwbaar is om een embryo te beoordelen aan de hand van één cel. Een aantal commerciële bedrijven paste de PGSmethode aan, vertelt Mastenbroek. ‘Ze brengen de techniek nog steeds aan de man en beweren dat het nu wel werkt, maar opnieuw zonder gedegen onderzoek. We moeten leren van het verleden en eerst goed evalueren. Die stap wordt wederom overgeslagen. We zijn niet tegen nieuwe methoden, we moeten voorzichtig zijn en eerst aantonen dat het werkt. Stoot niet twee keer tegen dezelfde steen.’ Be vriezen en ontdooien

Eigenlijk, zeggen zowel Mastenbroek als Twisk, moeten we niet verder op de weg van PGS. Na meer dan tien jaar is er geen enkel degelijk bewijs voor de effectiviteit. De redenen waarom PGS niet werkt, zouden ook heel goed kunnen opgaan voor de nieuwe methode. Als mozaïcisme inderdaad het grote probleem is, dan zal geen enkele technische aanpassing dat kunnen

verhelpen. Naast alle twijfel over de effectiviteit van PGS is er bovendien een alternatief. De promovendi zien namelijk veel meer in de verdere ontwikkeling van het cryopreserveren, het invriezen en ontdooien van embryo’s. Twisk: ‘Daar verwacht ik de grootste winst. Als die methode verbetert – en daar boeken we grote vooruitgang in – dan kun je alle via IVF verkregen embryo’s één voor één terugplaatsen. Theoretisch heb je dan de meeste kans op een succesvolle zwangerschap. Bovendien hoef je geen embryo’s te selecteren. Wel zo handig als we blijkbaar niet goed kunnen kiezen welke de beste zijn.’ Het invriezen van alle beschikbare embryo’s en het één voor één terugplaatsen ervan in niet door hormonen gestimuleerde, natuurlijke cycli, ziet Mastenbroek in de nabije toekomst als de nieuwe manier van IVF. ‘De nieuwe vriesmethode levert minder schade op aan het embryo. Het nadelig effect van invriezen is nu zo klein dat dit wordt gecompenseerd doordat het embryo bij een natuurlijke, niet-gestimuleerde cyclus beter kan nestelen in het endometrium, het baarmoederslijmvlies. De baarmoeder is dan ontvankelijker dan bij een gestimuleerde cyclus – zoals bij IVF standaard gebeurt.’ Gedurende dertig jaar is een goede selectie van embryo’s van belang geweest voor de kans op succes na IVF. De nieuwe aanpak zou ertoe moeten leiden dat de rol voor selectie is uitgespeeld, omdat alle embryo’s zonder nadelig effect kunnen worden teruggeplaatst. ‘Het is nu nog theorie’, verklaart Mastenbroek, ‘maar we zijn onderzoek gestart om dat aan te tonen. Want voordat we die behandeling gaan aanbieden in de kliniek, willen we natuurlijk wel eerst het bewijs leveren.’

Voorafgaand aan de verdediging van de proefschriften van Sebastiaan Mastenbroek en Moniek Twisk organiseert het Centrum voor Voortplantingsgeneeskunde de lezing ‘Thirty years of IVF: the legacy of Patrick Steptoe and Robert Edwards’, verzorgd door Peter Brindsen. (zie wetenschapskalender)

De PGS-techniek: met behulp van een laser wordt een minuscuul gaatje gemaakt in de eiwitmantel die het embryo omgeeft. Via een pipet wordt vervolgens een cel weg­ gezogen. Foto’s: Centrum voor Voortplantings­ geneeskunde

AMC M aga zine oktober 2011

15


D e

b i o l o g i s c h e

k l o k

Ontbijten bij blauw licht om overgewicht of suikerziekte te voorkomen? AMC’ers van de afdeling Experimentele Endocrinologie gaan uitzoeken welke invloed voeding en licht hebben op de biologische klok. Zij maken deel uit van een consortium dat 5,5 miljoen euro kreeg van Technologiestichting STW om de effecten van een ontregelde biologische klok op de gezondheid in kaart te brengen.

Nieuw licht op het ontbijt Marc v an den Broek

Ontbijt niet overslaan, drie keer per dag een maaltijd. Wijsheden die er zijn ingestampt, rituelen die nodig zouden zijn voor een gezond leven. Maar in onze hectische tijd lukt die regelmaat vaak niet meer. Het sociale ritme wijkt steeds meer af van het natuurlijke ritme van de biologische klok. AMC-onderzoekers Andries Kalsbeek en Susanne la Fleur: ‘Mogelijk ligt hier een oorzaak voor de forse groei van overgewicht en suikerziekte in de westerse wereld.’ De twee neurowetenschappers, geïnteresseerd in hoe de hersenen de stofwisseling aansturen, nemen namens het AMC deel aan een onderzoeksprogramma van STW over het effect van een ontregelde biologische klok op de gezondheid. Hieraan doet een consortium mee van umc’s, universiteiten en bedrijven, onder coördinatie van professor Martha Merrow van de Rijksuniversiteit Groningen. Het AMC-deel van het onderzoek richt zich op voeding en de invloed van licht. De kwestie is hoogst actueel, gezien de gestaag groeiende groep mensen met overgewicht en diabetes type 2. Bij die personen hapert de stofwisseling en het AMC wil uitzoeken of de verstoring van de biologische klok een rol speelt bij het ontstaan van de ziekten. Het moderne leven laat zich immers steeds minder gelegen aan de wetten van de natuur zoals het opkomen en ondergaan van de zon. We eten als het ons uitkomt en gaan slapen als het al uren donker is. De sociale klok loopt niet meer synchroon met de biologische klok,

16

AMC M aga zine oktober 2011

waarvoor geldt dat licht synoniem is met lichamelijke activiteit en eten. Donker is een signaal voor rust, slaap en vasten. Het wordt een groot project, zeggen Kalsbeek en La Fleur, beiden verbonden aan de afdeling Experimentele Endocrinologie. STW heeft voor de komende jaren 5,5 miljoen euro toegekend voor het programma ‘On Time’, waarvan 1 miljoen naar het AMC gaat. Daarnaast draagt het bedrijfsleven één miljoen euro bij. Het onderzoek moet leiden tot strategieën om de ontregelde biologische klok te repareren. Ook zullen er leefregels opgesteld worden die leren hoe gezond valt te leven met een ontregelde klok. Iedereen met een lamp en een wekker zal profijt hebben van deze studie, zeggen de initiatiefnemers. Brits ontbijt

Wat heeft de biologische klok eigenlijk te maken met eten, suikerziekte en vetzucht? Kalsbeek legt uit: ‘In 1972 werd duidelijk dat er in het brein zoiets zit als een biologische klok, die het slaap- en waakritme regelt. Halverwege de jaren negentig werden de eerste genen gevonden die verantwoordelijk zijn voor het 24-uurs ritme. Het bleek dat die klokgenen niet alleen in de hersenen zitten, maar overal in het lichaam tot expressie komen.’ De klokgenen in de lever regelen de aanmaak van glucose tijdens het tweede deel van de nacht als het voedsel opraakt, of het opslaan van glucose in de och-


tend als de meeste mensen voedsel tot zich nemen. In de spier maken deze genen het mogelijk dat spieren in de ochtend makkelijk glucose opnemen, en klokgenen in de pancreas zorgen ervoor dat we overdag reageren op een maaltijd met de afgifte van voldoende insuline. De kennis over die klokgenen groeit snel. We weten nu dat de genen in de biologische klok in de hersenen de moederklok van het lichaam vormen. Zet deze cellen op kweek en de klok blijft tot in lengte der dagen actief. Voor de klokgenen in de andere delen van het lichaam

te zijn. Later in de ochtend bij wat koffie volgt een vette snack. Een grotere maaltijd later moet het overslaan van het ontbijt compenseren. ‘En dan zitten veel mensen laat op de avond te snacken voor de televisie met chips, cola of bier’, vult La Fleur het rampscenario aan, waarmee het lichaam en de biologische klok dag-in-dag-uit te maken hebben. ‘Zo krijgen de perifere klokken in lever, spieren en alvleesklier voortdurend onverwachte en tegenstrijdige prikkels. De moederklok in de hersenen geeft aan dat het tijd is om te slapen en te vasten,

geldt dat niet. Kalsbeek: ‘Die perifere klokken houden er na een paar dagen mee op als ze geen signaal krijgen van de moederklok. De genen in de moederklok houden er keurig een ritme van ongeveer 24 uur op na, direct gestuurd door licht dat op het netvlies valt, terwijl de perifere lichaamsklokken vooral gevoelig zijn voor verandering in de energiehuishouding van het lichaam.’ En dat breekt de moderne mens op. Niet iedereen houdt zich meer aan het ritme van een ontbijt na het ontwaken. In de stress van de ochtend vliegt menigeen het huis uit om op tijd op school of werk of waar dan ook

terwijl de perifere genen ervaren dat het dag is.’ Om uit te zoeken hoe de timing van maaltijden de opname van glucose en de gevoeligheid voor insuline beïnvloedt, gaat het AMC vrijwilligers werven van wie de ene helft gedurende vier weken ontbijt en de andere niet. Wat het onderzoek lastig maakt, is dat niet alleen het tijdstip waarop iemand eet van invloed is op hoe efficiënt het lichaam het voedsel kan verwerken, maar dat ook het soort voedsel van belang is. Koolhydraten hebben een ander effect dan vetten, vandaar dat sommige vrijwilligers in het onderzoek in plaats van het

AMC M aga zine oktober 2011

17


D e

b i o l o g i s c h e

k l o k

van belang, blauw licht heeft meer effect op de klok dan andere kleuren. Al dat binnenwerken draagt dus bij aan een verdere ontregeling van de klokken in het lichaam. En dan is er ook nog het verschil tussen de avond- en de ochtendmens – mensen die van nature actief zijn in de avond of in de ochtend. De moderne samenleving houdt geen rekening met die verschillen: iedereen moet rond een uur of negen aan de slag (na een goed ontbijt!) en keert om vijf uur huiswaarts. Kalsbeek: ‘Voor avondmensen is dat een niet zo plezierig ritme. Die kunnen beter van elf tot zeven werken, maar vaak gaat dat niet. Met al deze factoren houden we in ons onderzoek rekening. La Fleur: ‘Mogelijk kunnen we voedingsadviezen specifiek laten gelden voor avond- of ochtendmensen.’ Keurslijf

Hollandse broodontbijt met veel koolhydraten een veel vetter Brits ontbijt krijgen voorgezet. Avondmensen

‘We verwachten dat het overslaan van het ontbijt of het verkeerde ontbijt de kans op overgewicht vergroot. De leverklok loopt dan niet in fase en we willen weten wat het effect daarvan op het lichaam is’, zeggen Kalsbeek en La Fleur. In een andere studie wordt gekeken naar het effect van het aantal maaltijden per dag op deze processen. Het onderzoek naar de biologische klok heeft ook een praktische kant. Via STW is het bedrijfsleven indirect betrokken bij het onderzoek. Zo is Friesland Campina geïnteresseerd in de speurtocht naar het ontbijt dat het beste aansluit bij de biologische klok en dus mogelijk de kans op overgewicht en diabetes verkleint. Het bedrijf kan met die kennis voedingsdrankjes ontwikkelen die de alertheid en het leren overdag vergroten door de slaap in de nacht te bevorderen. Iets dergelijks geldt ook voor de tweede poot van het AMC-onderzoek: de invloed van licht op de biologische klok. We brengen tegenwoordig veel tijd binnen door in ruimtes die voldoende verlicht zijn om te kunnen werken, maar waar de biologische klok niks mee kan. ‘In een kamer met TL-buizen is er hooguit tweehonderd lux, een maat voor de lichtsterkte. Buiten bij bewolkt weer is dat tien keer zo veel en als de zon schijnt wel honderd keer. Dat is de intensiteit waarbij de klok in de hersenen wordt geactiveerd.’ Ook de kleur is

18

AMC M aga zine oktober 2011

In het vraagstuk over het licht zit Philips op het vinkentouw. Het bedrijf heeft al een wake up light in de handel, licht dat een half uur voor het ontwaken langzaam steeds feller gaat branden. Het idee is dat eten bij voldoende (en het juiste) licht gunstig zou kunnen uitpakken op de opname van de voedingsstoffen uit het ontbijt. La Fleur: ‘Niet dat je de ontbijtkamer fel moet verlichten, maar waarschijnlijk is het voldoende om voor je bord een blauw licht neer te zetten. Als het werkt, is dat natuurlijk interessant voor een bedrijf als Philips.’ De twee onderzoekers hebben geen moeite met de interesse van de ondernemingen in hun onderzoek, want STW is de financier en niet het bedrijfsleven. ‘Bij farmaceutische studies zie je dat een producent een studie bekostigt, hier is dat niet zo. De STW is een buffer. Een nauwe betrokkenheid van het bedrijfsleven is goed om ervoor te zorgen dat de resultaten zo bruikbaar zijn dat een onderneming ermee aan de slag gaat en het product op de markt brengt.’ Het tweetal erkent dat de vindingen kunnen worden uitgelegd als een manier om iedereen in het keurslijf te dwingen van de moderne tijd. De natuur verdwijnt nog verder uit het ritme van de biologische klok. La Fleur: ‘Zonder meer, maar je moet het positiever formuleren. Je kunt ook zeggen dat we het lichaam in staat willen stellen beter te functioneren in de moderne wereld met haar nieuwe regels. En wat te denken van mensen in ploegendienst? Ook zij kunnen veel profijt hebben van onze studies.’


w ete n schaps k ale n de r o k t o b e r

14 Promotie

Emma Eshuis: ‘Treatment of inflammatory bowel disease; medical and surgical aspects’. Promotores zijn prof. dr. W.A. Bemelman, hoogleraar Minimaal Invasieve Chirurgie en prof. dr. P. Fockens, hoogleraar Gastrointestinale Endoscopie. Co-promotores zijn dr. P.C.F. Stokkers (St Lucas Andreas Ziekenhuis, Amsterdam) en dr. C.Y. Ponsioen. De ziekte van Crohn en colitis ulcerosa, ontstekingsziekten van de darm, worden meestal met medicijnen behandeld. Helpt dat niet, dan worden patiënten geopereerd. Eshuis toont aan dat anti-TNF therapie, een relatief nieuw medicijn, een effectieve en veilige behandeling is voor de ziekte van Crohn. Als de ziekte alleen in het laatste stukje van de dunne darm voorkomt, dan is chirurgische behandeling op de korte en de lange termijn ook effectief. Tijd: 11.00 uur

14 Promotie

Yasuhiko Ito: ‘Connective Tissue Growth Factor in renal development and injury’. Promotores zijn prof. dr. S. Matsuo, hoogleraar Nefrologie (Nagoya University) en prof. dr. J.J. Weening, hoogleraar Pathologie (Tergooiziekenhuizen en Erasmus MC). Co-promotores zijn prof. dr. R. Goldschmeding en dr. J. Aten. Langdurige weefselbeschadiging leidt vaak tot functieverlies van het betreffende orgaan door het ontstaan van veel littekens (fibrose). Ito ontdekte dat genexpressie van de factor CTGF sterk is verhoogd bij veel voorkomende nierziekten waarbij fibrose optreedt. De hoeveelheid CTGF in de urine kan het beloop van deze nieraandoeningen voorspellen. Eveneens bleek CTGF een belangrijke rol te spelen bij de ontwikkeling van fibrose in het buikvlies van patiënten die hun nierfunctie hebben verloren en daarom behandeld worden met peritoneale dialyse. Tijd: 12.00 uur

14 Promotie

Birit Broekman: ‘Stress, vulnerability and resilience. A developmental approach’. Promotores zijn prof. dr. F. Boer, emeritus hoogleraar Kinder- en Jeugdpsychiatrie en prof. dr. M.J. Meaney. Co-promotor is prof. dr. M. Olff. Broekman probeerde de wisselwerking in kaart te brengen tussen ‘nature’ (genotypen) en ‘nurture’ (omgevingsfactoren) en hoe deze interactie de ontwikkeling van kinderen beïnvloedt. Haar onderzoek bevestigt de hypothese dat ervaringen gedurende het leven, inclusief de eerste ervaringen in de baarmoeder, invloed hebben op de expressie van genen, en uiteindelijk op de mentale gezondheid later. Tijd: 13.00 uur

14 Promotie

Bernhard Spanier: ‘Acute and chronic pancreatitis -

epidemiology and clinical aspects’. Promotores zijn prof. dr. P. Fockens, hoogleraar Gastrointestinale Endoscopie en prof. dr. M.J. Bruno, hoogleraar Gastrointestinale Oncologie (Erasmus MC). Co-promotor is dr. M.G.W. Dijkgraaf. In Nederland zijn de afgelopen jaren de incidentiecijfers en de ziekenhuisopnamen voor acute en chronische alvleesklierontsteking (pancreatitis) gestegen. De verwachting is dat deze blijven toenemen bij een vergrijzende samenleving. Uit de EARL studie komt naar voren dat bij acute pancreatitis patiënten het toegepaste voedingsbeleid adequaat is, dat er kort na opname vaak ten onrechte een CT-scan wordt gemaakt, en dat het gebruik van medicatie die acute pancreatitis tot gevolg kan hebben veel frequenter voorkomt dan gedacht. Tijd: 14.00 uur

15 Congres

De Internationale Federatie van Medisch Studenten IFMSA organiseert een congres over ‘SOS: Crisis- en Rampenbestrijding’. Plaats: AMC, collegezaal 4 Tijd: 9.15 – 18.00 uur Inlichtingen: IFMSA, dhr. F. Bosscher, mrfbosscher@gmail.com

18

20 Promotie

Marcus Beijk: ‘PCI of complex coronary lesions, new stent technologies and clinical outcomes’. Promotores zijn prof. dr. R.J. de Winter, hoogleraar Klinische Cardiologie, in het bijzonder acute coronaire syndromen en prof. dr. J.G.P. Tijssen, hoogleraar Klinische Epidemiologie en Biostatistiek. Na het dotteren is restenose, het opnieuw ontstaan van een vernauwing op de plek van de behandeling, een belangrijk probleem. Beijk keek naar de behandeling van complexe vernauwingen in de kransslagaders. Daarnaast beschrijft hij de angiografische en klinische uitkomsten van twee nieuwe stent-technologieën. Ten slotte evalueert hij enkele biomarkers als voorspellers voor klinische en angiografische uitkomst na de plaatsing van een stent. Tijd: 12.00 uur

21

Ru yschlezing

Robert Modlin, (hoogleraar Dermatologie aan de Universiteit van Californië in Los Angeles) spreekt over de rol van vitamine D bij de aangeboren en T-cel geïnduceerde antimicrobiële afweer. Ook is er aandacht voor vitamine D supplementen om de afweer te handhaven. De research van Modlin is gericht op het begrijpen en identificeren van nieuwe mechanismen waarbij het aangeboren en adaptieve immuunsysteem bijdraagt aan de afweer van het lichaam tegen microbiële infectie. Door gebruik te maken van modellen, zoals huidschade veroorzaakt door lepra, heeft hij een grote bijdrage geleverd aan dit onderzoeksveld. Plaats: AMC, collegezaal 1 Tijd: 17.00 – 18.00 uur Inlichtingen: mw. S. van Vliet, 020 566 7806, s.a.vanvliet@amc.nl

19 Or atie

Ter gelegenheid van zijn benoeming tot hoogleraar Moleculaire en Cellulaire Immunologie houdt prof. dr. T.B.H. Geijtenbeek zijn oratie met de titel ‘De chemie van de immunologie’. Hoe herkent ons afweersysteem ziekteverwekkers zoals HIV-1, Mycobacterium tuberculosis en Candida albicans die het lichaam zijn binnengedrongen? Suikermoleculen op de ziekteverwekkers spelen hierbij een belangrijke rol. De moleculen worden herkend door speciale eiwitmoleculen op onze afweercellen. Deze suiker-eiwit interacties zijn het begin van chemische cascades in de afweercel die

AMC M aga zine oktober 2011

de uiteindelijke immuunreacties bepalen. Maar sommige ziekteverwekkers zoals HIV-1 misbruiken deze suiker-eiwit interacties om het lichaam juist binnen te dringen en het afweersysteem aan te vallen. Onderzoek naar de cellulaire gevolgen van deze moleculaire interacties binnen het afweersysteem is nodig voor de bestrijding van infecties en de ontwikkeling van betere vaccins. Tijd: 16.00 uur

19

Promotie

Robert Riezebos: ‘Biochemical risk assessment and invasive strategies for acute coronary syndromes without ST-segment elevation’. Promotores zijn prof. dr. J.G.P. Tijssen, hoogleraar Klinische Epidemiologie en Biostatistiek en prof. dr. F.W.A. Verheugt, hoogleraar Cardiologie (UMC St Radboud Nijmegen). Co-promotor is dr. G.J. Laarman. Een dreigend hartinfarct komt veel voor en is verantwoordelijk voor veel ziekenhuisopnames en -sterfte. Het stellen van de diagnose, het schatten van het risico en het bepalen van de beste behandelmethode kan lastig zijn. Riezebos beschrijft hoe de bepaling van een peptide (NT-proBNP) de diagnostiek en risico-inschatting bij deze aandoening kan verbeteren. De productie van dit peptide door de hartspier blijkt gerelateerd aan de ernst van de aandoening. Riezebos constateerde ook dat een acute dotterbehandeling meer schade aan het hart oplevert dan een behandeling die een dag wordt uitgesteld. Het lijkt erop dat medicatie een belangrijk preventief effect heeft. Tijd: 12:00

21 Afscheidssymposium

Ter gelegenheid van het afscheid van prof. dr. Rien Vermeulen, hoogleraar Neurologie, organiseert het AMC een symposium. Sprekers zijn Cees Renckens, (VereniZie verder pagina 32


h o g e

b l o e d d r u k

Jubelstemming over doorbraak Ook in Nederland is de nieuwe ‘catheterbehandeling’ voor patiënten met hoge bloeddruk met gejuich onthaald. De klinkende uitkomst van een internationaal onderzoek naar de therapie, gepresenteerd op het laatste jaarcongres van de American Heart Association, maakte de euforie nog groter. Tikje voorbarig, denkt vasculair geneeskundige Bert-Jan van den Born. Want zo overtuigend was dat onderzoek niet.

Simon K nepper

Het concept was er al, maar tot voor kort haperde de uitvoering. ‘We wisten dat je een hoge bloeddruk kunt verlagen door de zenuwbanen tussen nieren en hersenen te blokkeren’, zegt Bert-Jan van den Born, internist annex vasculair geneeskundige in het AMC. ‘Die zenuwen beïnvloeden de frequentie en de kracht waarmee het hart pompt, en ook het samentrekken van de vaten en het bloedvolume. Daarnaast zijn ze betrokken bij de afgifte van renine, een hormoon dat de bloeddruk via een aantal tussenstappen omhoog stuwt.’ Experimentele behandelingen in de vorige eeuw richtten zich op het operatief ‘klieven’ van de betrokken zenuwbanen, maar die weg liep dood. De aanpak bleek te ingrijpend en te ingewikkeld. De nieuwe catheterbehandeling, medio vorig jaar overgewaaid vanuit de VS, gooit aanmerkelijk hogere ogen. Bij deze methode wordt het zenuwweefsel rond de nieren door middel van radiogolven (‘radiofrequente ablatie’) weggebrand met behulp van een katheter, die via de liesslagader is ingebracht. Voor de patiënt niet al te belastend, veilig uit te voeren en als het een beetje meezit in hooguit een uur gepiept. In Nederland wordt de ingreep inmiddels in diverse ziekenhuizen toegepast, als relatief eenvoudige remedie

20

AMC M aga zine oktober 2011

voor een even wijdverbreid als ernstig gezondheidsprobleem. Want van alle te voorkomen risicofactoren om vroegtijdig te overlijden, is hypertensie nog steeds de belangrijkste. En met medicijnen mag het euvel dan veelal goed te behandelen zijn, aan die aanpak zitten wel schaduwzijden. ‘Medicijnen tegen hoge bloeddruk moeten vaak levenslang worden geslikt en ze kunnen hinderlijke bijwerkingen hebben’, verklaart Van den Born. ‘Daar komt bij dat de gangbare bloeddrukverlagers of combinaties daarvan bij één op de tien patiënten ontoereikend zijn. Omdat ze die pillen niet verdragen, of gewoon omdat het effect tekortschiet.’ Zeker voor die ‘moeilijke’ patiëntencategorie kan de nieuwe cathetermethode een uitkomst betekenen. En wie weet voor een nog veel bredere groep. Want waarom nog medicijnen slikken als je het probleem met een eenmalige behandeling de baas kunt zijn? Opzienbarend

In november vorig jaar bereikte het enthousiasme over de nieuwe methode een voorlopig hoogtepunt. Op het jaarcongres van de American Heart Association (AHA) werden toen de resultaten gepresenteerd van een internationaal onderzoek naar de catheterbehandeling. Deze Simplicity-HTN2 studie was geïnitieerd door Ardian inc. (inmiddels overgenomen door Medtronic), het bedrijf dat de behandeling heeft ontwikkeld en het bijbehorende instrumentarium verkoopt. Misschien had dat al scepsis moeten wekken? In elk geval: de uitkomsten logen er niet om. Bij een groep van ruim vijftig patiënten was de bovenwaarde van de bloeddruk zes maanden na catheterbehandeling gedaald met 32 mmHg (kwikdruk). Opzienbarend, want het betekent meer dan een halvering van het risico om binnen tien jaar aan hart- en vaatziekten te overlijden. Geen wonder dus dat de media het nieuws uitvoerig brachten. Medicijngebruik tegen hoge bloeddruk kon binnenkort wel eens verleden tijd zijn, suggereerde menig persorgaan. Tikje voorbarig, vreest Van den Born. Want op de gepresenteerde uitkomsten valt wel het een en ander af te dingen. Onduidelijk is bijvoor-


voorbarig beeld de reikwijdte van die uitkomsten. Van den Born: ‘Het effect is vastgesteld bij patiënten die naast de standaard medicatie ook minder gangbare bloeddrukverlagers gebruikten en combinaties daarvan, zonder er voldoende baat bij te hebben. Die categorie is maar heel beperkt, dan hebben we het over misschien één à twee procent van de totale populatie met hoge bloeddruk.’ Ook de onderzoeksopzet laat wat hem betreft vragen open. ‘De helft van de proefpersonen diende als controlegroep: die patiënten gingen door met de gebruikelijke, bij hen ontoereikende medicatie. De andere helft onderging de catheterbehandeling plus de therapie met medicijnen, omdat je niet abrupt met dit soort geneesmiddelen kunt stoppen. Een begrijpelijke keuze, maar strikt genomen hebben de onderzoekers het effect gemeten van de combinatie catheterbehandeling-enmedicijnen. Daarmee is het aandeel van de nieuwe therapie onzeker.’ Pl acebo-effect

Het ontbreken van een groep patiënten die een placebo of nepbehandeling krijgt, maakt de uitkomsten nog lastiger te beoordelen. Van den Born: ‘Ethisch gezien was dat misschien lastig te verkopen geweest, maar uit ander onderzoek weten we dat het placebo-effect juist in dit soort gevallen een belangrijke rol speelt. Bij heel moeilijk te behandelen hoge bloeddruk kan het verantwoordelijk zijn voor wel de helft van de vastgestelde werkzaamheid.’ Daar komt bij: de gepresenteerde resultaten hadden betrekking op in de spreekkamer gemeten bloeddruk. Bij een deel van de patiënten zijn ook 24-uurs bloeddrukmetingen gedaan, volgens Van den Born een erkend betrouwbaarder maatstaf. ‘Die lieten geen daling zien van 32, maar van 11 mmHg bovendruk, tegen 3 mmHg in de controlegroep. Wat zou kunnen verklaren waarom de eerste resultaten van Nederlandse behandelaars toch wat bij de verwachtingen achterblijven.’ Het wegbranden van zenuwweefsel is bovendien ook weer niet zoiets als een kies trekken. ‘Over de langetermijneffecten weten we nog weinig, in theorie kunnen

de zenuwen weer aangroeien’, stelt Van den Born. ‘En misschien treedt er op de lange duur schade op doordat gebieden te weinig of juist te veel doorbloed worden.’ Eigen onderzoek

Soortgelijke bedenkingen leven in steeds meer Nederlandse ziekenhuizen. Tezelfdertijd rapporteren die grote verschillen in de behandeleffecten bij individuele patiënten. Voor het AMC, het LUMC, UMC Utrecht en het Erasmus MC is dat reden om de handen ineen te slaan voor een eigen onderzoek met als hamvraag: welke patiënten met hoge bloeddruk hebben het meeste baat bij de catheterisatiebehandeling? Om daar zicht op te krijgen, fungeren voorlopig alle patiënten die in de vier umc’s met de nieuwe techniek worden behandeld als proefpersoon. Zowel vóór als na de ingreep worden hun medisch relevante gegevens uitvoerig in kaart gebracht. Van den Born, die voor het AMC-aandeel samenwerkt met interventieradioloog Jim Reekers, verwacht dat zo’n 100 à 150 deelnemers voldoende zullen zijn. Doel is onder meer een aantal ‘markers’ te vinden waarmee het bloeddrukeffect van de ingreep bij individuele patiënten met redelijke zekerheid valt te voorspellen. Om een beeld te krijgen van de langetermijngevolgen, zullen de proefpersonen ook de komende jaren worden gevolgd. Eind dit jaar denken de partner-umc’s ‘een bruikbare eerste indruk’ in handen te hebben. Van den Born: ‘Alles wijst erop dat de cathetermethode werkt, begrijp me niet verkeerd. Maar het zou me niet verbazen als de gewekte verwachtingen toch wat overspannen blijken.’ Goede kans dat ook de initiatoren van de SimplicityHTN2 studie daar niet steil van achterover zouden slaan.

AMC M aga zine oktober 2011

21

Foto: Amanaimages/Corbis


N i e t

t e

m o e i l i j k

g r aa g

Burgers optillen naar hun betere ik Dick Pels (1948) is socioloog en publicist. Onlangs verscheen van zijn hand ‘Het volk bestaat niet. Leiderschap en populisme in de mediademocratie’ (De Bezige Bij, 2011).

‘Government of the people, by the people, for the people’. Abraham Lincolns oerdemocratische slogan wordt even gretig geciteerd door Obama als door zijn tegenstanders van de populistische Tea Party. Maar als hij letterlijk wordt opgevat, is de democratie een misleidende en gevaarlijke illusie. Waarom? Omdat idealen als volksmacht, volkssoevereiniteit en zelf bestuur (power to the people) verhullen dat de macht altijd wordt uitgeoefend door een elite van vertegenwoordigers van het volk. Democratie is vooral een methode om elites te selecteren, ze tijdens de rit bij de les te houden en als ze hardleers blijken, door nieuwe elites te vervangen. Behalve horizontale machtenscheidingen, zoals de trias politica of maatschappelijke scheidingen als die tussen kerk en staat of staat en markt, kent de democratie ook een verticale arbeids- en machtsverdeling tussen top en basis, tussen vertegenwoordigers en vertegenwoordigden, tussen politieke professionals en gewone burgers. De beruchte ‘kloof’ tussen burgers en politiek is geen ziekteverschijnsel maar juist een wezenskenmerk van een goed functionerende democratie. In deze verticale spanning schuilt juist de dynamische, energieke, permanent naar vernieuwing zoekende kracht van de democratie. De elite (het leiderschap) heeft de functie om te anticiperen op de toekomst, voorop te lopen, en dus vooruit te lopen op de massa. Daar is een dosis moed, overtuigingskracht en doorzettingsvermogen voor nodig, die de elite onderscheidt van de meerderheid van de burgers. Die moed is ook nodig omdat zij de burgers af en toe moet tegenspreken, of in elk geval moet proberen te verleiden een weg op te gaan die zij uit zichzelf niet zo gemakkelijk zouden kiezen. Die innoverende, grensoverschrijdende kracht wordt in de democratie geïnstitutionaliseerd. Zij markeert de eigenaardige paradox dat de burgers hun vertegenwoordigers niet zozeer kiezen om hun meningen en voorkeuren gespiegeld te zien, maar om zich te laten verheffen naar een betere versie van zichzelf. Het gaat

22

AMC M aga zine oktober 2011

er in de democratie niet om hoe het volk is, maar hoe het zou kunnen zijn (‘dit land kan zoveel beter’). Kus van de macht

Maar macht is ook een bitch. ‘De kus van de macht is dodelijk’, zoals de dochter van Nikita Chroesjtsjov uit eigen ervaring wist. Alle specialistische functies, dus ook politieke, worden in de loop der tijd gevestigde belangen voor degenen die ze vervullen. ‘Wie organisatie zegt, zegt oligarchie’, aldus een beruchte sociologische oneliner. Ook democratisch gekozen elites blijven kwetsbaar voor de oligarchische verleiding. Zij wennen aan de macht, worden arrogant, ontwikkelen een tunnelvisie, en graven zich in hun posities en privileges in. Bovendien is er een psychologische factor aan het werk: politieke ambitie is ondenkbaar zonder een flinke dosis eerzucht, ijdelheid en machtswil. Een goed politicus moet daarom ook ‘slecht’ zijn, zegt politiek filosoof Luuk van Middelaar. Bij politieke dieren die opvallen en de publieke verbeelding voeden gaan deugd en ondeugd vaak hand in hand. Daarom is ‘de macht nooit in goede handen, in ieder geval niet voor lange tijd in dezelfde handen’, volgens socioloog J.A.A. van Doorn. Dit alles voert tot een dialectisch inzicht: politieke elites zijn noodzakelijk en productief, maar tegelijk vormen ze een potentieel gevaar voor het land. Goed en kwaad bevinden zich zoals zo vaak in dezelfde kamer, zitten misschien op dezelfde stoel. Die ongemakkelijke nabijheid van nut en risico vraagt om een dubbele strategie van politieke vernieuwing; vernieuwing die des te urgenter is geworden vanwege de onverwachte successen van het nieuwe rechtspopulisme. Populisten willen de zittende elite uitroken en wegjagen, en doen net alsof zij er niet zelf bijhoren. Maar die buitenstaanderspose kan onmogelijk verhullen dat zij zelf een ambitieuze tegen-elite vormen, die handig misbruik maakt van de mythe van het ‘gezonde verstand’ van de ‘gewone burger’.


In zijn geruchtmakende Waar zijn de intellectuelen? signaleerde de Engelse cultuursocioloog Franklin Furedi een ‘dumbing down’ van onze cultuur. Politici, gezags­ dragers, media en culturele instanties zouden zich met hun traditionele voorbeeldfunctie geen raad meer weten. Lijdt de samenleving aan acute verkleutering? In de serie ‘Niet te moeilijk graag’ wordt de kwestie voorgelegd aan uiteenlopende wetenschappers en publicisten. Aflevering 2: Dick Pels over noodzaak en risico’s van de

Barak Obama geeft een speech bij het Lincoln Memorial te

politieke elite.

Washington. Foto: Dennis Brack/ANP

AMC M aga zine oktober 2011

23


N i e t

Dick Pels. Foto: Xander Remkes

t e

m o e i l i j k

g r aa g

De politieke elite kan dan ook het beste op die uitdaging reageren door zich zelf bewuster en trotser als zodanig te manifesteren: als een selecte groep van ‘ongewone’ beroepsburgers die een gezaghebbende visie uitdragen op de toekomst van het land en op grond daarvan bereid en gemotiveerd zijn het volk te verheffen. Tegenover de anti-elitaire sentimenten van het populisme moet de elitaire of ‘aristocratische’ dimensie van de democratische politiek dus duidelijker worden gemarkeerd. Maar omdat de macht altijd de neiging heeft zijn tijdelijke eigenaren te corrumperen, hoe zuiver hun intenties ook zijn, kan juist de anti-elitaire, ‘anarchistische’ inslag van het populisme tegenwicht bieden tegen dit altijd dreigende verval. De kritiek van populisten op de geslotenheid van het gevestigde parlementaire stelsel en het bestaande partijenbestel is in veel opzichten verhelderend en terecht. Maar in plaats van de soevereine volksmacht (zoals bijvoorbeeld vertegenwoordigd door de electorale meerderheid) is het juist de wisselwerking tussen elites en volk die het hart uitmaakt van het democratisch proces. De uitdaging van het populisme aan de representatieve, liberale democratie is om deze verticale machtsbalans te verfijnen en de wisselwerking tussen overheid en burgers te intensiveren. Als de elites aan de spits van de democratische piramide meer ruimte krijgen om zich te manifesteren, moeten ook burgers aan de basis meer te zeggen en te kiezen hebben. Mediatisering

Het paradoxale van de populistische uitdaging is dus dat de democratie tegelijkertijd meer elitair én meer populistisch moet worden. Zij moet op zoek naar een nieuwe balans tussen aristocratie en anarchisme. De populistische tegenstelling tussen gevestigden en buitenstaanders, die haaks staat op de klassieke tegenstel-

24

AMC M aga zine oktober 2011

ling tussen links en rechts, moet nadrukkelijker in het bestaande politieke stelsel worden ingebouwd. Een voor de hand liggende manier om dit te realiseren, is de introductie van directe verkiezingen voor gezagsdragers zoals de burgemeester, de provinciegouverneur, de minister-president en uiteindelijk de president van Europa. Die personalisering (en de daardoor onvermijdelijke ‘mediatisering’) van de democratie geeft politieke leiders een scherper profiel, maar garandeert tegelijkertijd dat gewone burgers een meer directe invloed hebben op de keuze van de ongewone burgers door wie ze zich willen laten leiden. Dit model van de wisselwerkingsdemocratie biedt een mogelijke uitweg uit een klassiek dilemma: dat van de democratische tijdspolitiek. Een standaardverwijt aan de parlementaire democratie, dat opnieuw de kop opstak naar aanleiding van de eurocrisis, is immers dat zij wordt geplaagd door een gebrek aan tempo en slagvaardigheid en te sterk is georiënteerd op de korte termijn. Volksvertegenwoordigers doen alles met een half oog gericht op de komende verkiezingen. Binnen die concurrentielogica is het bijna tegennatuurlijk dat politici over die korte tijdshorizon heen kijken, continuïteit van beleid garanderen en een toekomstvisie verdedigen voor de komende decennia. Terwijl de meest acute politieke thema’s, zoals de kredietcrisis, de immigratie, de vergrijzing, de toekomst van de euro en de klimaatverandering, toch ruimschoots over die grenzen heen reiken. Naar aanleiding van het wel erg rauwe spel van eigenbelang rondom de Amerikaanse schuldencrisis uitte ook president Obama zijn twijfel over ‘het vermogen van ons politieke systeem om te handelen’. Democratie is langzaam, markten werken snel: de ongehoorde aanval van financiële rating agencies op de kredietwaardigheid van nationale economieën en de geloofwaardigheid van hun regeringen bracht dat nogmaals pijnlijk aan het licht. Daarom zijn institutionele hervormingen nodig die het trage ritme van de democratie en het hoge tempo van de economie beter met elkaar laten sporen, zoals ook de commentator van NRC Handelsblad (13-8‘11) recentelijk vaststelde. ‘ Hoe kan de democratie de belangen van toekomstige generaties effectief agenderen? Hoe kan de politieke moed worden verzameld om oplossingen te forceren? Hoe kan de democratie haar horizon verruimen en rechtvaardigheid afdwingen in de tijd? Earth first

Het is intrigerend dat juist de groene bewegingen en partijen, zeker hun radicale uitlopers, voortdurend hebben geflirt met de alternatieven van autoritair leiderschap en direct volksbestuur – twee extremen die vaak


dicht bij elkaar of in elkaars verlengde bleken te liggen. Het groene denken kent vanouds zowel autoritaire als populistische trekken. Ecologen en klimaatactivisten zijn soms geneigd de trage procedures van de representatieve democratie te wantrouwen. Zij worden gemakkelijk verleid door eco-technocratische en eco-dictatoriale utopieën, waarin een elite van klimaatexperts zich opwerpt als exclusieve woordvoerder van de belangen van ‘de Aarde’ of van ‘de wetten der Natuur’. Daarnaast heeft de groene beweging altijd een sterke anarchistische, anti-elitaire en basisdemocratische inslag gehad – alsof de directe volksstem en het gezonde volksgevoel vanzelf in de richting van duurzaamheid en groene leef baarheid zouden wijzen. Ook hier spreekt in feite een elite, die zich in plaats van achter de Aarde (‘Earth First!’) verschuilt achter de brede rug van het Volk. Symbolische categorieën als deze functioneren vooral als zekerheidsmachines die het grote gelijk van hun idealistische woordvoerders moeten garanderen. Illustratief voor de tegenstelling autoritair versus populistisch was het debat dat de Amerikaanse eco-anarchist Murray Bookchin en de Duitse eco-elitist Rudolf Bahro in november 1990 voerden aan de Humboldt Universiteit te Berlijn. Het ontpopte zich tot een klassieke botsing tussen de ‘sociale’ ecologie, die de mens een speciale positie toeschrijft in de natuur, en de ‘diepe’ ecologie, gedreven door de wens dit laakbare ‘humanisme’ te vervangen door een biocentristische wereldbeschouwing waarin de aarde het primaat heeft boven de mens. Bahro, als bekende Oost-Duitse dissident in de jaren zeventig een held van radicale neomarxistische studenten, had zich in 1980 aangesloten bij de Grünen maar trad al na enkele jaren uit de partij. Net als Herbert Gruhl, een andere geradicaliseerde voormalige Grünenideoloog met dictatoriale neigingen, was hij sceptisch geworden over de slagkracht van de bestaande democratische procedures in het zicht van de naderende ecologische ‘katastrofe’. In het debat aan de Humboldt Universiteit bepleitte Bahro de noodzaak van een elitaire Rettungsregierung, die uitgerust diende te worden met dictatoriale machten en moest worden geleid door een Machiavelliaanse ‘vorst van de ecologische wending’. Toen hij zich in een interview bovendien liet ontvallen dat er ‘in de diepte van het Volk een roep bestaat om een Groene Adolf’, was er voor Bookchin en anderen alle aanleiding om hem te betichten van ‘ecofascisme’. Be vlogen elite

Het hiervoor beschreven wisselwerkingsmodel van de liberale democratie is te beschouwen als een poging om zowel de autoritaire als de anarchistische impuls van

hun revolutionaire angels te ontdoen en ze te verzoenen met de normale procedures van de democratische politiek. Het geeft zowel gehoor aan de roep om krachtiger leiderschap ‘van bovenaf’ als aan het verlangen naar een grotere volksinvloed ‘van onderop’. Beide kunnen worden ingebouwd in het bestaande representatieve stelsel, waarvan de verticale checks and balances verder worden verfijnd en aangescherpt. Toepassing van dit model op de milieuproblematiek resulteert allereerst in een pleidooi voor zelf bewust visionair leiderschap, dat bereid moet zijn om electorale risico’s te nemen en een echte toekomstpolitiek te voeren. Een energieke, ambitieuze en bevlogen elite mag in staat worden geacht om voldoende burgers te overtuigen van de noodzaak hun leven anders in te richten, tegen de klimaatscepsis in van een (toegegeven, aanzienlijke) minderheid die door populistische mooiweerdenkers wordt aangevuurd. Juist in het klimaatbeleid wordt de kloof tussen elite en massa acuut zichtbaar, mede door de grote complexiteit en de uitzonderlijke wetenschappelijke lading ervan. We zijn in alle opzichten af hankelijk van wetenschappelijke kennis om te weten wat de gevolgen van ons handelen en de risico’s van klimaatverandering zijn. Voor leken (waaronder de meerderheid van de politici) is die kennis lastig te beoordelen; vandaar ook de grote ruimte voor fact-free politics op dit gebied. Is de wereld soms te ingewikkeld geworden voor de democratie? Niet als we ervan uitgaan dat in de democratie niemand de waarheid in pacht heeft: de wetenschappers niet, de politici niet en ook het volk niet. Natuurlijk kan niet iedereen klimaatspecialist zijn, maar iedere burger kan een oordeel vellen over het morele gehalte van bepaalde risico’s en beleidsplannen. Democratie is niet het uitspelen van technocratische of populistische zekerheden, maar het zo goed mogelijk organiseren en uithouden van ónzekerheden. De democratische wisselwerking kan daarom het beste worden gezien als een (soms scherpe en conflictueuze) interactie tussen de abstracte, systematische kennis van professionals en de concrete ervaringskennis van burgers, waarbij beide partijen elkaar juist als concurrenten nodig hebben. In het licht van die onzekerheden moet de politieke elite de ambitie en durf hebben om de natuurlijke traagheid van de democratie te overwinnen en de burgers op te tillen naar hun betere ik. Burgers moeten ook zelf bereid zijn zich te laten leiden voorbij de horizon van hun directe kortetermijnbelang. Zij zullen dat gemakkelijker opbrengen als ze nieuwe kansen krijgen om te bepalen wie hun leiders mogen zijn.

AMC M aga zine oktober 2011

25


c h r o n i s c h e

l e u k e m i e

Panne in de pits Mede dankzij de AMC-afdeling Hematologie is de kijk op chronische leukemie de afgelopen jaren flink veranderd. En daar blijft het niet bij, want als het aan arts-onderzoeker Arnon Kater ligt, gaat in de toekomst ook de behandeling van deze vorm van bloedkanker veranderen. Geholpen door een persoonsgebonden KWF-subsidie van 800.000 euro wil hij de tumorcellen treffen in hun zwakste plek: hun reparatievermogen.

A r thur v an Zu y len

Via YouTube valt het makkelijk terug te vinden, het komische filmpje ‘Pits’. In deze bijna 25 jaar oude reclamespot van een bekende Nederlandse verzekeraar maakt een Formule1-bolide een pitsstop voor een snelle bandenwissel. Dat verloopt heel hectisch en lawaaiig, maar alles lijkt gesmeerd te gaan. Tot aan het laatste shot. Want dan wordt plots duidelijk dat één van de monteurs het achterwiel niet heeft vastgedraaid en laten de gevolgen zich raden. In het AMC is internist-hematoloog Arnon Kater naarstig op zoek naar zo’n mecanicien. Althans, naar de moleculaire tegenhanger ervan. Samen met Hematologie-hoogleraar Rien van Oers en moleculair bioloog Eric Eldering hoopt hij zo een betere behandeling te vinden voor chronische lymfatische leukemie, kortweg CLL. ‘Het bijzondere aan CLL is dat de kankercellen erg lang kunnen overleven’, verklaart Kater. ‘Dat hebben ze te danken aan de milt en de lymfeklieren, die fungeren als een soort pits waar de CLL-tumorcellen een stop kunnen maken. Ze worden er als het ware opgekalefaterd, om daarna weer de bloedbaan in te gaan. Via het onderzoek op onze afdeling willen wij meer inzicht krijgen in deze cellulaire reparaties en aanpassingen,

26

AMC M aga zine oktober 2011

zodat we dit proces kunnen verstoren om de tumorcellen te bedwingen.’ Buitenbeentje

Met zes- à zevenhonderd nieuwe patiënten per jaar is chronische lymfatische leukemie de meest voorkomende vorm van bloedkanker bij volwassenen. Doordat de aandoening vooral vijftigplussers treft, dreigt het door de toenemende vergrijzing een steeds groter probleem te worden. Kenmerkend voor de ziekte is een ontspoorde groei van een bepaald type witte bloedcellen, de B-geheugencellen van het immuunsysteem. Deze cellen hopen zich vervolgens op in het bloed, het beenmerg, de lever, milt en lymfeklieren van patiënten. Uiteindelijk kunnen hierdoor de bloedhuishouding en de afweer verstoord raken. Het gevolg: bloedarmoede, inwendige bloedingen en infecties. Overigens moet CLL niet verward worden met acute lymfatische leukemie, een veel zeldzamere ziekte die vooral voorkomt bij jonge kinderen. En evenmin met acute of chronische myeloïde leukemie, waarbij een heel ander soort witte bloedcellen ontspoort. Qua behandeling is CLL een beetje een buitenbeentje onder de tumoren. ‘Bij kanker denken de meeste mensen aan zo snel mogelijk ingrijpen. Bijvoorbeeld met chemotherapie en bestraling’, aldus Kater. ‘Voor de meeste tumoren is dat inderdaad de verstandigste weg, maar bij CLL ligt dat anders. Bij 85 procent van de patiënten kan de dokter aanvankelijk volstaan met afwachten, zo weten we inmiddels. Deze groep heeft een sluimerende vorm van CLL die langzaam vordert. Doordat de ziekte vooral bij ouderen voorkomt, overlijdt dertig procent van de patiënten uiteindelijk aan een heel andere aandoening. Bij het merendeel treden echter na vijf tot tien jaar symptomen op die verband houden met de ziekte. Pas dan heeft het zin om te gaan behandelen, want verschillende studies laten zien dat eerder ingrijpen zelfs een averechts effect kan hebben. Bij de resterende vijftien procent van de CLL-patiënten verloopt de ziekte veel vlugger – zij worden sneller ziek en overlijden binnen twee tot drie jaar nadat de diagnose is gesteld. Die patiënten moet je dus wél direct behandelen.’ Resistent

Helaas bieden de huidige therapieën te weinig soelaas. De kankercellen kunnen er een tijdje mee onder de duim worden gehouden, maar met de bestaande middelen lukt het niet om CLL te genezen. Grootste probleem is dat de tumorcellen na verloop van tijd resistent


worden voor chemotherapie. De afgelopen jaren zijn Kater en zijn collega’s van de afdeling Hematologie er deels achter gekomen hoe de cellen dat klaarspelen. ‘Er is lang gedacht dat de leukemiecellen van zichzelf een verstoord apoptose-mechanisme ontwikkelden, het proces van gereguleerde celdood’, vertelt de arts-onderzoeker. ‘Maar uit verschillende labstudies blijkt dat het toch anders ligt. In het micromilieu van de milt en lymfeklieren komende tumorcellen in aanraking met allerlei normale exemplaren, zoals afweer- en steuncellen. Van hen ontvangen ze signalen waardoor ze kunnen overleven. Cruciaal hierbij zijn signaaleiwitten en receptoren op hun buitenkant. Via eerdere studies in het AMC en onderzoek dat ik deed aan de University of California in San Diego weten we dat eiwitten uit de TNF-familie (Tumor Necrose Factor, red.) hierbij een centrale rol spelen. We denken dat die eiwitten zorgen voor interacties van de tumorcellen met hun directe omgeving, waardoor de cellen zelf andere eiwitten kunnen aanmaken waarmee ze zichzelf beschermen tegen chemotherapeutica.’ Blokkeren

Wat de onderzoekers nog niet weten is wélke van deze eiwitten precies wélke rol spelen, en welke daadwerkelijk van belang zijn bij patiënten. Daarom willen ze de signaleringsroutes beter doorgronden, zodat ze er in de toekomst op kunnen ingrijpen. Kater: ‘Het achterliggende idee is dat je door het blokkeren – of juist stimu-

leren – van die cellulaire routes kunt voorkomen dat de CLL-tumorcellen zich nog aanpassen. Je blokkeert in feite de pitsstop. Als dat lukt, zijn de cellen de tumordodende middelen niet meer te slim af.’ Voor dit onderzoeksproject kreeg Kater afgelopen zomer 800.000 euro subsidie van het Koningin Wilhelmina Fonds (KWF). Daarmee kan hij zijn onderzoek de komende zes jaar financieren. ‘We werken binnen dit nieuwe project niet alleen samen met de afdelingen Experimentele Immunologie, Pathologie en het Laboratorium voor Experimentele Oncologie en Radiobiologie, maar ook met andere partijen. Bijvoorbeeld met het Nederlandse biotechbedrijf Pamgene, dat speciale kinase micro-arrays maakt waarmee je heel specifiek de activiteit van bepaalde eiwitten kunt bepalen. Ons project bestaat uit drie pijlers: in vitro laboratoriumproeven met gekweekte bloedcellen waarin we de cellulaire interacties nabootsen, in vivo studies met een muizenmodel en ex vivo onderzoek met weefselbiopten van patiënten’, aldus Kater. ‘Voor dat laatste gebruiken we een bijzondere biobank die we de afgelopen jaren hebben aangelegd. In deze biobank hebben we al meer dan duizend bloedmonsters van CLL-patiënten verzameld, af komstig van ziekenhuizen uit het hele land. Daardoor kunnen we een voortrekkersrol spelen op dit onderzoeksterrein. Met onze nieuwe studies hopen we dat het AMC hét Nederlandse centrum wordt voor B-cel tumoren.’

AMC M aga zine oktober 2011

27

Foto: David Madison/Corbis


amc

c o l l e c t i e

Sporen van menselijke aanwezigheid Janneke We s seling

De fotoserie die Wim Klerkx (1968) heeft gemaakt in opdracht van het AMC ziet er op het eerste gezicht clean uit. We krijgen het ziekenhuis te zien als een glanzend gepoetste en artificiële wereld vol met ultramoderne apparatuur. De foto van de verkoeverafdeling bijvoorbeeld toont geen bedden, het belangrijkste element zou je denken van deze afdeling, maar een grote tros van computers, infusen, snoeren en stekkers die als een spin tussen de bedden hangt. De CT-scanner in de Traumakamer is van binnen naar buiten gefotografeerd, door het deel waar de patiënt op het bed in wordt gereden voor de scan. Het gat werkt als een patrijspoort waardoorheen we de witte, helverlichte kamer op afstand zien. Het meest clean is de foto van de afdeling Zuigelingen. Er is geen pasgeborene of ouder op te bekennen, geen enkel teken zelfs van een baby, maar een strakke zithoek van oranjebruine skai, lege witte tafeltjes, een witte schemerlamp balancerend op een ultradunne poot en een uitzicht door het raam op de parkeerplaats van het AMC met daarboven een schelle, heiïge lucht. Klerkx, die fotografie studeerde aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten (KABK) in Den Haag en die sinds 1998 fotodocumentaires maakt, vindt dit ook de meest extreme foto. De zuigelingenafdeling is recent verbouwd en is van alle afdelingen die hij bezocht het ‘schoonst’. Het perfecte zithoekje dat niet veel wordt gebruikt, was een idee van de architect. Klerkx was vooral geïntrigeerd door de ‘picture window’, het raam dat omlijst wordt door muren en bank en dat daardoor werkt als een schilderij. Hoe clean en afgewerkt de beelden er ook uitzien, Klerkx – die een middenformaat digitale camera gebruikt – is terughoudend met het bijwerken van de opnamen. Hij maakt alleen kleur, belichting en contrasten optimaal, maar poetst niets weg. De opdracht aan de kunstenaar was om de voltooide nieuwbouw en verbouw van het AMC te fotograferen, om het gebouw tot leven te wekken, maar zonder dat er mensen op de beelden te zien zijn. De serie van 24 opnamen is deel van het boek ‘Aaibaar Beton’, dat gaat over dertig jaar veranderingen in het AMC en waarin ook de kunstcollectie aan de orde komt. Klerkx was gevraagd om de drie kerntaken van het AMC in beeld te brengen: patiëntenzorg, onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Hiervoor kreeg hij toegang tot vrijwel het hele gebouw. Hij koos ervoor om die plekken of dingen te fotograferen die de bezoeker normaal gesproken niet te zien krijgt. Zoals de open MRI scan, de energiecentrale en de werkplekken of ‘cubicles’ van de assistenten-in-opleiding (aio’s). De opdracht leverde een interessante spanning op met de belangstel-

28

ling en specialisatie van Klerkx. In zijn werk gaat het hem vooral om het in beeld brengen van menselijke activiteit. Hij is geïnteresseerd in hoe technologische veranderingen het dagelijks leven beïnvloeden. Omdat deze veranderingen zeer snel gaan, verandert ook het gedrag van mensen in relatie tot hun omgeving in rap tempo. De onderwerpen van de documentaires van Klerkx, die voor een deel in eigen beheer zijn gemaakt, lopen uiteen van globalisering en de problemen die dit voor bepaalde bevolkingsgroepen met zich meebrengt, tot reportages over fundamentele wetenschap, van fruitvlieg tot snaartheorie. In de AMC-fotoserie, waarin dus geen personen mochten voorkomen, wilde Klerkx juist de sporen van menselijke aanwezigheid zichtbaar maken: hoe mensen zich de plekken eigen maken, hoe ze orde scheppen in de dingen om hen heen. Klerkx zocht naar de voetstap van de mens in zijn dagelijkse werkomgeving. Wie dit eenmaal weet, bekijkt de foto’s op een andere manier. De open MRI scanner had hij eigenlijk niet kunnen fotograferen vanwege de magneet die de camera kapot zou maken. Het geelgeverfde aluminium trapje en het luik dat open staat naar de technische tussenvloer verraden dat de scanner, gedompeld in een onwezenlijk paarsblauw licht, uitgeschakeld was en in onderhoud. In de Energiecentrale, die in aanbouw is, lijkt het een rommel, maar worden de nauwkeurig ontworpen en kleurgecodeerde technische installaties al zichtbaar. En in de separeerkamer zijn de geruite koffiebeker en de blauwe deken op de bank tekenen van leven. De meest affe, volmaakte ruimte is de tentamenzaal. Klerkx fotografeerde hem vanuit een laag standpunt, zoals van een kind dat vooral tafel- en stoelpoten ziet. Er zijn witte tafels en zwarte stoelen, witte lampen, een witzwarte klok en een wandvullende schildering van monochroomrode afdrukken van de verf kwast. Door het lage standpunt lijkt de rood getamponneerde wand precies op de tafelbladen te rusten. Toch zijn ook hier menselijke sporen te vinden. De vloer is kennelijk niet helemaal recht want studenten hebben opgevouwen papiertjes onder de tafelpoten gepropt. Op de vloer zijn golvende patronen van de veegwagen zichtbaar. Dit soort sporen zijn in alle foto’s te vinden. Ze maken de mensen bijna zichtbaar. ‘Aaibaar beton’ is in eigen beheer uitgegeven en is te koop bij de Cadeaushop van het AMC voor €30,-. Het boek kan ook besteld worden bij de afdeling Voorlichting, tel. 020 566 2421, of via voorlichting@amc.nl. Vijf van de foto’s die Wim Klerkx voor het boek maakte, zijn in kleiner formaat te koop via de afdeling Kunstzaken. Zie ook: www.amc.nl/kunst (doorklikken op ‘nieuws’) voor de bestelbon.

AMC M aga zine oktober 2011


Wim Klerkx afdeling Zuigelingen H7, Open MRI-scanner C1, Cublicle H1 2011, 70 x 90 cm en 90 x 70 cm, foto

AMC M aga zine oktober 2011

29


telling de stelling de stelling de stelling de st

Het frappante gelijk van de Schrift ‘In de Bijbel staan geen verslagen van wetenschappelijk onderzoek, geen verslagen van proefopstellingen en resultaten, maar wel van de bijbehorende conclusies. (Drs. Ben Hobrink, Moderne wetenschap in de Bijbel)’. Veertiende stelling van Tim J. Schuijt bij een proefschrift over de rol van tekeneiwitten bij infectie met de ziekte van Lyme. Het zal menigeen zijn ontgaan, maar in evangelische en reformatorische kring is Ben Hobrinks ‘Moderne wetenschap in de Bijbel’ een onversneden bestseller. Volgens uitgeverij Gideon zijn er de afgelopen jaren al ruim vijftigduizend exemplaren over de toonbank gegaan. ‘Moderne wetenschap…’ is dan ook niet zomaar een boek, maar een eyeopener. ‘Hobrink laat overtuigend zien dat de Bijbel niet alleen goed verénigbaar is met de kennis die we vanuit de wetenschap aangereikt krijgen, maar daar zelfs millennia op vooruitloopt’, licht de promovendus toe. Neem de Oudtestamentische wetten inzake melaatsheid. In Leviticus 14 vers 45 gelast de Almachtige: De melaatse zal (…) de bovenlip bedekken en roepen: Onrein, onrein! Schuijt: ‘De bovenlip bedekken, dat betekent dus de neusgaten en snor. Destijds werd dat een onbegrijpelijke opdracht gevonden, denk ik. Maar God wilde ermee voorkomen dat ze die leprabacteriën rondstrooiden! Vandaar ook Zijn opdracht om melaatsen uit de gemeenschap te weren, duizenden jaren voor wij hier op het idee van leprakolonies kwamen.’ Frappant toch? En de voorbeelden laten zich met tientallen vermeerderen. In welk verband onwillekeurig de vraag rijst: waarom verdoet de wetenschap zoveel tijd? Waarom vlooien ambitieuze jonge arts-onderzoekers, biologen en natuurkundigen de Bijbel niet massaal uit op raadselachtige postulaten, die alleen maar een bijpassend onderzoekje nodig zullen hebben om door The Lancet, Science, en Nature te worden omarmd? Zelf heeft Schuijt het nog niet eens zo bekeken, zegt hij. Het zal ook niet altijd even eenvoudig zijn, die wetenschappelijke waarheden krijg je niet op een presenteerblaadje aangereikt. ‘Ze zitten vaak diep in de Bijbelteksten verweven’, veronderstelt Schuijt. ‘Maar in beginsel kan het natuurlijk, mij lijkt het superleuk om zo onderzoek te doen.’ [SK]

30

AMC M aga zine oktober 2011


b e r i c h t e n

E u r o pees o n de r z o e k n aa r n i e u w e z i e k te verwekkers

De Europese Commissie heeft 12 miljoen euro extra gereserveerd voor onderzoek naar nieuwe ziekteverwekkers, zoals de EHEC-bacterie. Doel is om sneller te kunnen reageren op uitbraken. Dit najaar gaat het internationale consortium Antigone van start, waarbij ook het AMC betrokken is. Van de zomer doken er in Duitsland plots besmettingen op met de EHEC-bacterie, een variant van de E. coli bacterie die bloedingen in de darmen veroorzaakt. De besmetting verliep via voedsel. In totaal overleden vijftig mensen die in aanraking waren gekomen met de bacterie. Voor de Europese Commissie was dit een aanleiding om het onderzoek naar nieuwe ziekteverwekkers te stimuleren. In het Antigone-consortium zullen veertien partners uit zeven landen met elkaar samenwerken. De coördinatie ligt bij het Rotterdamse Erasmus Medisch Centrum. Vanuit het AMC zijn de afdelingen

Medische Microbiologie en Global Health bij het project betrokken. Zij gaan onderzoek doen naar het vóórkomen van EHEC en andere ziekmakende E. coli bacteriën bij internationale reizigers. De bacteriën zullen verder gekarakteriseerd worden. Daarnaast willen de wetenschappers meer inzicht krijgen in de overdracht en het ziekmakend vermogen van Streptococcus­suis, een varkensbacterie die via deze dieren ook mensen kan besmetten. Tot slot zal er onderzoek plaatsvinden naar het vóórkomen van een aantal zoönotische virussen bij dieren en aan deze dieren blootgestelde mensen om de kans op overdracht van deze virussen beter te begrijpen.

O v e r g e w i cht i n de b aa r m o ede r

De lang lopende Amsterdam Born Children and their Development (ABCD) studie heeft in augustus van ZonMW een TOP-subsidie gekregen. Van deze subsidie worden er jaarlijks twaalf toegekend om innovatieve onderzoekslijnen te

Colofon AMC Magazine is een uitgave van het Academisch Medisch Centrum. Het verschijnt 10 maal per jaar. Oplage: 18.000 exemplaren. AMC Magazine wordt toegezonden aan huisartsen, specialisten, gezondheidszorginstellingen in de regio Amsterdam, Het Gooi en Almere en aan (oud) medewerkers van het Academisch Medisch Centrum en de in het AMC gevestigde onderzoeksinstituten, alsmede aan studenten van de Faculteit Geneeskunde. Verder ontvangen alle Nederlandse ziekenhuizen en de landelijke advies- en beleidsorganen op het terrein van de gezondheidszorg het magazine, evenals de persmedia, de rijksoverheid en AMC-relaties in het bedrijfsleven. Redactie Frank van den Bosch, Marc van den Broek, Jasper Enklaar, Edith Gerritsma, Simon J. Knepper, Andrea Hijmans, Johan Kortenray (hoofdredactie) en Irene van Elzakker (eindredactie). Mede w erk er s Hidde Boersma, Rob Buiter, John Ekkelboom, Maarten Evenblij, Tom Haartsen (fotografie werken AMC Collectie), Liesbeth Jongkind, Pieter

steunen van groepen met een excellente staat van dienst. De ABCD-onderzoekers gaan met het geld speuren naar manieren om overgewicht te voorkomen. De oorsprong van ziekte en gezondheid is voor een deel al in de baarmoeder en tijdens de eerste levensjaren te vinden. Onderzoeksleider Tanja Vrijkotte en haar collega’s willen nagaan of (ernstig) overgewicht bij de moeder tijdens de zwangerschap leidt tot overgewicht bij het kind, en hoe dat precies werkt. Mogelijke mechanismen die daarbij een rol spelen, zijn bijvoorbeeld verhoogde glucose- of lipidenwaarden in het bloed van de moeder, hoge bloeddruk of zwangerschapsvergiftiging. Zwangere vrouwen die te zwaar zijn, kunnen last van deze verschijnselen hebben en dat is niet goed voor de foetus. Zo kan de groei van bepaalde organen erdoor beïnvloed worden, wat later in het leven weer kan leiden tot overgewicht, een ongunstige vetverdeling en metabole ziekten als type 2 diabetes. Daarnaast willen de onderzoekers weten of de groei van de baby vlak na de geboorte nog van invloed is. De ABCD-studie is een

grootschalig en langlopend onderzoek naar de gezondheid van zo’n achtduizend zwangere vrouwen en hun kinderen. Door bij hen te kijken naar het ontstaan van overgewicht hopen de wetenschappers effectieve programma’s te kunnen ontwikkelen om zwaarlijvigheid en de metabole ziekten die daarmee verband houden, te voorkomen.

Op 2 augustus 2011 is dr. B.L.A.M. Weusten benoemd tot bijzonder hoogleraar Innovatieve Gastrointestinale Endoscopie vanwege de Stichting Sint Antonius Ziekenhuis Nieuwegein. Prof.dr. F. Nollet, hoogleraar Revalidatiegeneeskunde, kreeg begin september de honorary research fellow prize 2011 van de Danish Polio Society PTU. De prijs werd uitgereikt op het Europese congres ‘Post Polio Syndrome – a challenge of today’ in Kopenhagen. Het bijzondere aan de onderscheiding is dat deze niet jaarlijks wordt uitgereikt, maar alleen als de verdiensten van een kandidaat van groot belang zijn.

Rect i f i cat i e

In de kalender van het septembernummer is de naam van prof. dr. Saskia Middeldorp per abuis verkeerd geschreven. Zij houdt haar oratie op 16 september.

Lomans, Hans van Maanen, Annet Muijen, Len Munnik (illustratie De Stelling), Xander Remkes (fotografie), Tineke Reijnders, Angela Rijnen, Berber Rouwé, Henk van Ruitenbeek (illustraties), Janneke Wesseling, Arthur van Zuylen NFU Het AMC maakt deel uit van de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU). De NFU is een samenwerkingsverband van de acht universitair medische centra (UMC’s) in Nederland en heeft als algemene doelstelling het behartigen van de gezamenlijke belangen van de UMC’s. Andere UMC’s die deel uitmaken van de NFU zijn het AZM, Erasmus MC, LUMC, UMCG, UMC St Radboud, UMC Utrecht en VU medisch centrum. In totaal zijn 60.000 medewerkers verbonden aan de acht UMC’s. Redactie-adres AMC afdeling Voorlichting C0-229, Postbus 22660, 1100 DD Amsterdam. +31 (20) 566 24 21 fax +31 (20) 696 78 99 E-mail: magazine@amc.nl

AMC M aga zine oktober 2011

pe r s o n al i a

31

A bonnementen Abonnementen-administratie: zie redactie-adres. Jaarabonnement € 22,00. A dv ertentie - e x ploitatie Van Vliet, Bureau voor Media-Advies, t 023 571 47 45 Ont w erp Grob|enzo, www.grobenzo.nl Druk Drukkerij Mart. Spruijt bv C o p y r i g ht © AMC Magazine. ISSN: 1571-411x Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd zonder voorafgaande toestemming van de uitgever. Van werken van beeldende kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie zijn de publicatierechten geregeld met Pictoright te Amsterdam. © 2011 c/o Pictoright Amsterdam.


w ete n schaps k ale n de r o k t o b e r ging tegen de Kwakzalverij), Joop Bouma (journalist dagblad Trouw), Albert Hijdra (neuroloog AMC) en Jan van Gijn (neuroloog UMCU). Vermeulen houdt zijn afscheidscollege met als titel ‘Vertrouwen in getallen’. Tijd: 12.00 – 16.30 uur Plaats: AMC, collegezaal 5 Inlichtingen: mw. H. Kuil, h.a.kuil@amc.nl, 020 566 3942

25 Promotie

Lenny van Venrooij: ‘Epidemiology of disease-related undernutrition and the impact on postoperative adverse outcome in cardiac surgery’. Promotores zijn prof. dr. B.A.J.M. de Mol, hoogleraar Cardiothoracale Chirurgie en prof. dr. P.A.M. van Leeuwen, hoogleraar Experimentele Heelkunde (VUmc). Co-promotor is dr. R. de Vos. Een op de tien hartchirurgische patiënten is ondervoed. Onderzoek toonde aan dat patiënten met een laag lichaamsgewicht na een hartoperatie vaker complicaties krijgen. Van Venrooij bestudeerde de invloed van de hoeveelheid spiermassa op het herstel na hartchirurgie. Een lage spiermassa voor de operatie vergroot de kans op infecties en een langere opnameduur op de IC. Twee maanden na de operatie heeft een kwart van de patiënten nog steeds een spiermassa die vijf procent lager is dan voor de operatie. Deze patiënten voelen zich minder vitaal. Het voor de operatie meten van de lichaamssamenstelling om de spiermassa te bepalen, lijkt zinvol om ondervoede, hartchirurgische patiënten beter te behandelen. Tijd: 12.00 uur

25

Tijd: 10.00 – 17.00 uur Inlichtingen: AMC Congres Organisatie, mw. J.S. Mulders, j.s.mulders@amc.nl, 020 566 8585, www.aighd.org

26 Lezing

Het Centrum voor Voortplantingsgeneeskunde van de Vrouwenkliniek van het AMC organiseert de historische lezing ‘Thirty years of IVF: The Legacy of Patrick Steptoe and Robert Edwards’, verzorgd door dr. Peter Brinsden. De spreker werkte in de jaren tachtig met Patrick Steptoe in de Bourn Hall Clinic. Hij was ooggetuige van de allereerste ontwikkelingen op het gebied van de geassisteerde voortplanting. Na de lezing zijn er twee promoties in dit vakgebied (zie hieronder). Plaats: Aula van de Universiteit van Amsterdam, Singel 411 Tijd: 11.00 uur Inlichtingen: Centrum voor Voortplantings­ geneeskunde, 020 566 3557

26 Promotie

Moniek Twisk: ‘Current value of preimplantation genetic screening’. Promotores zijn prof. dr. F. van der Veen, hoogleraar Voortplantingsgeneeskunde en prof. dr. M.J. Heineman, hoogleraar Verloskunde en Gynaecologie. Co-promotores zijn prof. dr. S. Repping en dr. J.C. Korevaar. Tijd: 13.00 uur Zie artikel elders in dit nummer.

26-28 Cursus en Symposium

In het kader van de 18th International course in modern rhinoplasty techniques, wordt op vrijdag 28 oktober het Symposium ‘The cleft-lip patient and revision surgery’ gehouden met als gastspreker dr. Jonathan Sykes, voorzitter van the American Academy of Facial Plastic and Reconstructive Surgery en hoofd plastische gezichtschirurgie aan de Universiteit van Californië (Davis Medical Center). Plaats: AMC, collegezaal 5 Tijd: 8.30 – 17.00 uur Inlichtingen: mw. M.B. van Huiden, 020 566 8586, fax 020 566 9573, m.b.vanhuiden@amc.nl

28 Promotie

Monique Mochtar: ‘Pituitary down-regulation in IVF/ICSI: consequences for treatment regimens’. Promotores zijn prof. dr. F. van der Veen, hoogleraar Voortplantingsgeneeskunde en prof. dr. B.W.J. Mol, hoogleraar Klinisch Evaluatieonderzoek in de verloskunde, gynaecologie en fertiliteit. Co-promotor is dr. M. van Wely. Al in 1944 vond de eerste bevruchting plaats van een humane eicel, buiten het lichaam. De IVF (in vitro fertilisatie) was geboren. Er was toen nog een lange weg te gaan naar de geboorte van het eerste echte IVF-kind, Louise Brown, in 1978. Sindsdien zijn er veel onderzoeken uitgevoerd om de IVF-cyclus effectiever en veiliger te maken. Dit proefschrift gaat over enkele van deze aanpassingen. Tijd: 11.00 uur

26

Symposium

Promotie

‘Investing in neglected diseases, succesful partnerships’ is een symposium georganiseerd door euSEND ( European Solutions Enterprise on Neglected Diseases), een samenwerkingsverband van het Amsterdam Institute for Global Health and Development, de afdeling Global Health, het Koninklijk Instituut voor de Tropen KIT en TI Pharma. Plaats: AMC, collegezaal 5

Sebastiaan Mastenbroek: ‘Preimplantation Genetic Screening. A reappraisal’. Promotores zijn prof. dr. F. van der Veen, hoogleraar Voortplantingsgeneeskunde en prof. dr. S. Repping, hoogleraar Humane Voortplantingsbiologie. Co-promotores zijn prof. dr. M.J. Heineman en prof. dr. P.M.M. Bossuyt. Tijd: 15.00 uur Zie artikel elders in dit nummer.

Alle promoties van de faculteit Geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam vinden plaats in de Agnietenkapel Oudezijds Voorburgwal 231 Amsterdam.

Bij grote belangstelling in de aula van de universiteit Lutherse Kerk Singel 411 Amsterdam. Oraties vinden ook plaats in deze aula.

Voor informatie op het gebied van medisch wetenschappelijk nieuws: AMC-wetenschapsvoorlichters Edith Gerritsma, Andrea Hijmans en Marc van den Broek, 020 566 29 29. Voor inlichtingen over congressen, symposia en cursussen: De congresorganisatie van het AMC, secretariaat 020 566 85 85.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
8 oktober 2011 by Amsterdam UMC - Issuu