ARTIKEL | STRAFRECHT
DE VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING IN PERSPECTIEF: HEBBEN WE NOG ‘VERTROUWEN IN DE TOEKOMST’? OP 1 JULI 2021 TRAD DE WET STRAFFEN EN BESCHERMEN (HIERNA: WSB) IN WERKING, EN DIT GING NIET GERUISLOOS. DE NIEUWE WET MAAKT EEN INGRIJPENDE VERANDERING IN DE RECHTSPOSITIE VAN GEDETINEERDEN EN ER BESTAAT AL SINDS DE AANKONDIGING VAN HET VOORSTEL VERDEELDHEID OVER DE BESCHERMING VAN DE TEGENGESTELDE BELANGEN DIE HET WETSVOORSTEL RAAKT. DOOR DESTINY EBINUM
8
ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022
ARTIKEL | STRAFRECHT
Eén van de belangrijkste vernieuwingen die de wet met zich meebrengt, is de wijziging van de regeling omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling, ook wel de v.i.-regeling genaamd. Het is een wijziging die is bedoeld om de maatschappij beter te beschermen, maar ook een wijziging die direct de rechten van gedetineerden beperkt. De regering blijkt van mening dat bescherming van de maatschappij voorrang verdient, maar verschillende instanties, waaronder de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ) zijn het hier niet mee eens. In dit artikel wordt de nieuwe v.i.-regeling besproken en worden de tegengestelde meningen tegenover elkaar gezet. VAN RECHTSWEGE VRIJ De regeling omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling werd tot 1 juli 2021 geregeld in het oude art. 6:2:10 e.v. Sv. Er bestonden – en er bestaan nog steeds - twee verschillende regelingen: een regeling voor gedetineerden die minder dan twee jaar vastzitten en een regeling voor gedetineerden die langer dan twee jaar vastzitten. Een gedetineerde die een gevangenisstraf van (ten hoogste) twee jaar opgelegd had gekregen, kon vrijkomen wanneer hij of zij ten minste één jaar en een derde van het restant van die straf had uitgezeten.1 Concreet betekende dit dat een gedetineerde die een gevangenisstraf van twee jaar opgelegd had gekregen, na één jaar en vier maanden vrij kon komen. De overige acht maanden was hij dan voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Voor gevangenen die langer dan twee jaar vastzitten, was de regeling simpeler. Een ieder die een gevangenisstraf van meer dan twee jaar opgelegd had gekregen, kwam in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling wanneer zij twee derde van hun straf hadden ondergaan.2 Een gevangenisstraf van twaalf jaar was daarom in feite een gevangenisstraf van acht
EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE
‘’Een gevangenisstraf van twaalf jaar was daarom in feite een gevangenisstraf van acht jaar; en een straf van 30 jaar eigenlijk een straf van 20 jaar.’’ jaar; en een straf van 30 jaar eigenlijk een straf van 20 jaar. De invrijheidstelling gebeurde altijd van rechtswege. Iedere gedetineerde die in aanmerking kwam voor invrijheidstelling werd in beginsel ook vrijgelaten, tenzij het Openbaar Ministerie (hierna: OM) een vordering instelde bij de rechter om dit te voorkomen.3 Iedere gedetineerde tegen wie geen succesvolle verhinderingsvordering werd ingesteld, kwam vrij onder de algemene voorwaarde dat zij geen nieuw strafbaar feit zouden begaan.4 Indien de voorwaardelijk in vrijheid gestelde toch een delict pleegde, kon het OM vorderen dat de invrijheidstelling werd herroepen en dat de gedetineerde het restant van zijn straf uit moest zitten.5 Vaak kwam daar dan ook een nieuwe straf bovenop voor het nieuwe strafbare feit. Daarnaast konden ook bijzondere voorwaarden worden opgelegd, schending daarvan had hetzelfde gevolg.6 Het idee achter deze v.i.-regeling was dat een gedetineerde na een lange detentie geleidelijk terug moest kunnen keren in de maatschappij.7 Een systeem waarin de gedetineerde onder voorwaarden weer deel uit kan gaan maken van de samenleving, gunt de ex-gedetineerde namelijk tijd om te wennen. Het leven in een penitentiaire inrichting verschilt uiteraard in grote mate van het leven daarbuiten
BIO Destiny Ebinum
Bachelorstudent Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam
9
ARTIKEL | STRAFRECHT
‘’Het idee achter deze v.i.-regeling was dat een gedetineerde na een lange detentie geleidelijk terug moest kunnen keren in de maatschappij.’’ en zonder begeleiding zou de stap terug in de samenleving te groot kunnen zijn.8 Het beleid rondom de voorwaardelijke invrijheidstelling had dus als doel om een goed resocialisatieproces van ex-gedetineerden te waarborgen. VAN RECHT NAAR GUNST De WSB wijzigt de v.i.-regeling op drie punten ingrijpend. De eerste en – wellicht – de meest ingrijpende
10
verandering is de toevoeging van een maximale duur aan de voorwaardelijke invrijheidstelling. Hoewel het uitgangspunt nog steeds is dat een gedetineerde na twee derde van zijn straf in vrijheid kan worden gesteld, wordt hier nu aan toegevoegd dat de periode van voorwaardelijke invrijheidstelling de twee jaar niet mag overstijgen.9 Voorheen kon deze periode nog oplopen tot maximaal tien jaar, bij een gevangenisstraf van 30 jaar. Een
gevangenisstraf van twaalf jaar is dus nu minimaal een gevangenisstraf van tien jaar en een gevangenisstraf van 30 jaar duurt nu minimaal 28 jaar – zonder gegarandeerde (voorwaardelijke) invrijheidstelling. De tweede wijziging die wordt doorgevoerd is namelijk dat de voorwaardelijke invrijheidstelling niet langer van rechtswege zal geschieden. Het nieuwe artikel 6:2:10 lid 3 Sv regelt namelijk dat er nu een afweging gemaakt dient te worden op basis van verschillende criteria, alvorens de gedetineerde in vrijheid wordt gesteld. In de besluitvorming worden in ieder geval het gedrag van de gedetineerde en zijn geschiktheid om terug te keren in de maatschappij, de mogelijke risico’s van invrijheidstelling en de belangen van slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen betrokken.10 Met andere woorden, voordat een gedetineerde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld wordt
ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022
ARTIKEL | STRAFRECHT
verdient, heeft in grote mate te maken met de slechte naam die het v.i.-systeem de laatste jaren heeft gekregen. Het uitgangspunt in de samenleving is dat een straf die wordt opgelegd, ook ten uitvoer wordt gelegd door de gedetineerde.15 Dit draagt bij aan ons gevoel van rechtvaardigheid, maar is uiteraard ook een belofte die gemaakt wordt naar slachtoffers en nabestaanden.16 Onder de oude v.i.-regeling was dit echter vaak niet het geval. Een gevangenisstraf van 12 jaar was – zoals we eerder zagen – een gevangenisstraf van 8 jaar etc., en dit heeft de laatste jaren voor publieke verontwaardiging gezorgd. Het doel van de regering is dan ook om strenger toe te zien op de strafexecutie, onder andere door invoering van een nieuwe v.i.-regeling, om bij te dragen aan de geloofwaardigheid en legitimiteit van het strafrechtssysteem.17
er een risico analyse uitgevoerd om in te schatten of de gedetineerde succesvol terug zou kunnen keren in de maatschappij, zonder te recidiveren. Hierbij wordt ook bekeken wat voor impact de invrijheidstelling zou kunnen hebben op slachtoffers en nabestaanden. Het OM maakte waarschijnlijk altijd al een dergelijke afweging, nu zij verhinderingsvorderingen indienden tegen gedetineerden bij wie zijn twijfels hadden. Het voornaamste verschil is de rol die de risicoanalyse zal spelen. Voorheen kon het OM deze analyse gebruiken om een vordering in te stellen, vanaf 1 juli dit jaar is de analyse het uitgangspunt voor eventuele vervroegde vrijlating. Niet alleen de risicoanalyse wordt uitgevoerd door het OM. De derde belangrijke wijziging, is namelijk dat alle beslissingen rondom de voorwaardelijke invrijheidstelling en de herroeping daarvan door het OM worden gemaakt, zonder tussenkomst
EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE
van de rechter.11 Voorheen kon het OM alleen een vordering instellen om in speciale gevallen voorwaardelijke invrijheidstelling te voorkomen, nu hebben zij de bevoegdheid om in ieder geval te beoordelen of de gedetineerde eerder vrijkomt. Daarnaast beslissen zij ook tot herroeping van de invrijheidstelling, indien de gedetineerde zijn algemene of bijzondere voorwaarde schendt.12 VERTROUWEN IN DE TOEKOMST De WSB en de wijziging van de v.i.-regeling zijn de uitvoering van het regeerakkoord dat in 2017 werd vastgelegd bij de vorming van kabinet Rutte III, genaamd ‘Vertrouwen in de toekomst’.13 Toen werd al besloten dat de v.i.-regeling zou worden herzien, met als hoofddoel het meebewegen met ontwikkelingen in de samenleving om veiligheid te garanderen.14 Dat de beveiliging van de samenleving volgens de regering meer aandacht
De wijziging van de v.i.-regeling is niet alleen een reactie op publiekelijk onbegrip. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel WSB deelt de regering een aantal uitgangspunten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen. Ten eerste heeft een gevangenisstraf het doel dat voor de gedetineerde duidelijk wordt dat zijn gedrag niet geduld wordt door de maatschappij en dat zijn gedrag – na zijn vrijlating – dus zal moeten veranderen.18 Op die manier wil de regering bijdragen aan de vermindering van het recidiverisico. De strengere handhaving van de gevangenisstraf en de minder coulante vrijlatingsregeling zouden hier dus aan bij kunnen dragen. Hier komt bij dat de regering nu heeft gesignaleerd dat gedetineerden verlof en voorwaardelijke invrijheidstelling als vrijblijvend ervaren.19 Terwijl, volgens de regering, deze invrijheidstelling in het teken moet staan van re-integratie en ook pas moet worden toegekend wanneer een gedetineerde heeft bewezen terug te kunnen keren
11
ARTIKEL | STRAFRECHT
in de maatschappij. Tot slot dient er meer rekening te worden gehouden met de belangen van slachtoffers.20 TEGENADVIES Zoals eerder aangehaald, is niet iedereen het eens met de wijzigingen die gemaakt zijn. Onder andere de RSJ heeft een advies uitgebracht waarin zij een aantal kritiekpunten uit op de motivatie van de regering. Ook in de literatuur wordt een aantal belangrijke kanttekeningen gemaakt. Om te beginnen benoemt de RSJ in zijn advies dat er geen noodzaak bestaat voor het wijzigen van de
v.i.-regeling. In de memorie van toelichting werd gesteld dat toezicht op de strafexecutie kan bijdragen aan de geloofwaardigheid en legitimiteit van het strafrechtssysteem. De RSJ erkent dat er een maatschappelijke discussie bestaat omtrent het strafrechtsysteem, maar zij stelt dat ook goede voorlichting van de samenleving over het strafrechtssysteem en het belang van resocialisatie kan bijdragen aan deze legitimiteit.21 De voorwaardelijke invrijheidstelling heeft namelijk een specifiek doel, namelijk de (begeleide) terugkeer in de samenleving en dus resocialisatie van ex-gedetineerden. De RSJ is van mening dat voorlichting
‘’Dat er onbegrip bestaat voor de vervroegde vrijlating, heeft dus ook te maken met onbegrip voor het maatwerk dat de rechter altijd al heeft geleverd’’ 12
van de samenleving, slachtoffers en nabestaanden over deze doelen, ook kan bijdragen aan maatschappelijk draagvlak voor de v.i.-regeling, zonder de regeling zelf aan te hoeven passen.22 Ook Schuyt schrijft over het missen van een noodzaak bij voor de regeling. Zijn inziens houdt de rechter bij het opleggen van de straf rekening met de tijd die een gedetineerde eerder vrij zal kunnen komen.23 Zij kunnen als het ware een rekensom maken bij het toemeten van de straf. Rechters weten het beste welke straf bij welk vergrijp past en kunnen rekening houden met vervroegde vrijlating.24 Dat er onbegrip bestaat voor de vervroegde vrijlating, heeft dus ook te maken met onbegrip voor het maatwerk dat de rechter altijd al heeft geleverd.25 Ook hij pleit dus voor meer voorlichting over het systeem zoals het is, dan voor wijziging van het systeem zelf. Daarbij trekt de RSJ ook in twijfel of de toewijzing van voorwaardelijke invrijheidstelling automatisme is geworden. Zoals we zagen gold
ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022
ARTIKEL | STRAFRECHT
inderdaad als uitgangspunt dat aan een ieder voorwaardelijke invrijheidstelling werd verleend, tenzij het OM daartegen in beroep ging. Het ministerie noemde dit in de memorie van toelichting automatisme waarbij niet meer per gedetineerde werd bekeken of hij of zij wel geschikt was voor vervroegde vrijlating.26 Bovendien zouden gedetineerden de voorwaardelijke invrijheidstelling als recht en niet als gunst – en als vrijblijvend – ervaren.27 Volgens de RSJ komt dit echter niet overeen met de praktijk. Zij stellen dat ook onder de huidige regeling er per gedetineerde werd bekeken of er een verhinderingsvordering moest worden ingesteld.28 Dit gebeurde ook dikwijls en de rechter wees in de meerderheid van de gevallen het verzoek toe. Van automatisme was dus geen sprake. In de literatuur wordt bovendien benadrukt dat de nieuwe regeling ook nadelen met zich meebrengt. Onderzoekers betwijfelen namelijk of een periode van twee jaar voldoende tijd is om volledig te kunnen integreren, met name wanneer de veroordeelde een lange periode in de gevangenis gezeten heeft.29 Wanneer – in het uiterste geval – iemand 28 jaar gedetineerd is geweest, is het nog maar de vraag of twee jaar begeleiding voldoende is om te garanderen dat de ex-gedetineerde goed kan terugkeren in de samenleving. Bovendien, zo werpt Schuyt op in zijn stuk, bestaat het risico dat gedetineerden calculerend gedrag gaan vertonen. Het idee is dat gedetineerden liever de twee extra jaar in de gevangenis zouden zitten om vervolgens zonder voorwaarden vrij te worden gelaten, dan twee jaar onder toezicht te staan en zich aan (bijzondere) voorwaarden te moeten houden.30
lijnrecht tegenover elkaar. Enerzijds de bescherming van de maatschappij en anderzijds de bescherming van de rechten van de gedetineerde. Toch gaat het om meer dan alleen de bescherming van belangen. Het gaat ook over het resocialisatieproces van gedetineerden, waarvan we juist kunnen zeggen dat die in belangrijke mate invloed heeft op de veiligheid in de maatschappij. De wetswijzigingen zou juist tot meer problemen kunnen leiden, zoals een (te) verkort resocialisatieproces en calculerend
er geen noodzaak voor de nieuwe regeling bestaat, gegrond lijkt. Het voorliggende probleem, namelijk de legitimering van ons strafrechtstelsel, zou ook makkelijker opgelost kunnen worden. Voorlichting over de toegevoegde waarde van de voorwaardelijke invrijheidstelling zou bijvoorbeeld het onbegrip al weg kunnen nemen. Dit zou betekenen dat de nieuwe regeling nodeloos inbreuk maakt op het vrijheidsperspectief van gedetineerden en dit is verontrustend. Want mocht de oplossing echt zo makkelijk
gedrag. Dit is met name problematisch, aangezien het bezwaar dat
zijn geweest, dan zijn we nu alleen nog maar verder van huis.
1
2
3
4
5 6
7
8 9
10
11
12 13 14
CONCLUSIE Het moge duidelijk zijn dat de meningen over de nieuwe v.i.-regeling verdeeld zijn. Er staan twee belangen
EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE
Artikel 6:2:10 lid 1 (oud) Wetboek van Strafvordering. Artikel 6:2:10 lid 2 (oud) Wetboek van Strafvordering. Artikel 6:2:10 lid 3 (oud) jo. 6:2:12 (oud) Wetboek van Strafvordering. Artikel 6:2:11 lid 1 (oud) Wetboek van Strafvordering. Artikel 6:2:13 (oud) Wetboek van Strafvordering. Artikel 6:2:11 lid 2 en 3 (oud) jo. 6:2:13 (oud) Wetboek van Strafvordering Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Goed bejegenen. Beginselen voor het overheidsoptreden tegenover mensen die een justitiële straf of maatregel ondergaan. Verkorte uitgave (advies), Den Haag: Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, 2012, p. 15-16. Idem, p. 15-16. Artikel 6:2:10 lid 1 sub b (nieuw) Wetboek van Strafvordering. Artikel 6:2:10 lid 3 (nieuw) Wetboek van Strafvordering. Artikel 6:2:12 lid 1 (nieuw) Wetboek van Strafvordering. Idem. Kamerstukken II 2018-2019, 35 122, 3, p. 1. M. Rutte, S. Van Haersma Buma, A. Pechtold & G. Segers, Vertrouwen in de toekomst (regeerakkoord 2017 – 2021 ), Rijksoverheid, 10 oktober 2017, p. 3-6.
15
16 17 18 19 20 21
22 23
24 25 26
27 28 29
30
Kamerstukken II 2018-2019, 35 122, 3, p. 1-2 en 5-13. Idem, p. 1-2 en 5-13. Idem, p. 1-2 en 5-13. Idem, p. 1-2. Idem, p. 1-2. Idem, p. 1-2. Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Advies inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling (advies), Den Haag: Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, 2018, p. 3-4. Idem, p. 3-4. P. Schuyt, ‘Voorwaardelijke invrijheidstelling: het beeld en de werkelijkheid’, Sancties 2019/2, p. 4-5. Idem, p. 4-5. Idem, p. 4-5. Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Advies inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling (advies), Den Haag: Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, 2018, p. 4-5. Idem, p. 4-5. Idem, p. 4-5. P. Schuyt, ‘Voorwaardelijke invrijheidstelling: het beeld en de werkelijkheid’, Sancties 2019/2, p. 4-5. Idem, p. 4-5.
13