Skip to main content

ALIBI jun. 2020 - Het nieuwe artikel 372 Sr

Page 1

ARTIKEL

HET NIEUWE ARTIKEL 372 SR: EEN VERBETERING OF LEGE SYMBOLIEK?

Op 24 november 2012 werd de zeventienjarige Rishi Chandrikasing neergeschoten door een politieagent op het station Den Haag Holland Spoor. Rishi overleed kort daarop in het ziekenhuis aan zijn verwondingen. De politieagenten waren in de veronderstelling dat Rishi een vuurwapen bij zich had. Hij bleek echter ongewapend te zijn geweest.1 De rechtbank oordeelt dat de politieambtenaar niet strafbaar is omdat hem een succesvol beroep de uitvoering van een wettelijk voorschrift toekomt. Ten aanzien van de andere ten laste gelegde feiten wordt de politieambtenaar vrijgesproken.2 Uit cijfers van de politie blijkt dat in 2018 er 10.929 geweldsaanwendingen hebben plaatsgevonden. In 2017 waren dat er 11.853.3 In beginsel zijn opsporingsambtenaren bevoegd om gebruik te maken van geweld. In sommige gevallen is het aanwenden van geweld echter niet rechtmatig. Er kan dan een correctie volgen via het klachtrecht, het politietuchtrecht of het strafrecht. Een klein deel van deze onrechtmatige geweldsaanwendingen leidt tot een strafrechtelijke vervolging.4

22


ARTIKEL

LAURI VAN DORTH Masterstudente Strafrecht aan de Vrije Universiteit.

In een brief aan de Tweede Kamer maakte de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie zijn plannen bekend om de juridische positie te versterken van de politieambtenaar die vervolgd wordt.5 De minister wil dit onder andere doen door een strafbaarstelling op te nemen die ziet op het overtreden van de geweldsinstructie.6 Dit moet het nieuwe artikel 372 Sr worden. Het wetsvoorstel is op 29 oktober 2019 aangenomen door de Tweede Kamer.7 Op 10 december 2019 heeft de Eerste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid het voorlopig verslag uitgebracht.8 Het wachten is nu op de memorie van antwoord. In deze bijdrage richt ik mij op de vraag of het voorgestelde artikel 372 Sr de juridische positie van politieambtenaren daadwerkelijk zal verbeteren. Het wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaar Het gehele wetsvoorstel bestaat volgens de memorie van toelichting uit drie delen.9 Ten eerste wordt voorgesteld om een specifieke strafuitsluitingsgrond in het Wetboek van Strafrecht op te nemen voor opsporingsambtenaren die geweld hebben toegepast bij het uitoefenen van hun functie en daarbij hebben gehandeld volgens de regels.10 Verder gaat het om het opnemen van een strafbaarstelling die ziet op het overtreden van de geweldsinstructie.11 Ten slotte is het voorstel om in het Wetboek van Strafrecht een wettelijk kader op te nemen waarbinnen met toepassing van opsporingsbevoegdheden onderzoek kan worden gedaan naar gebruik van geweld door een opsporingsambtenaar, zonder dat deze als “verdachte” hoeft te worden aangemerkt.12 Deze bijdrage beperkt zich tot de behandeling van de voorgestelde strafbaarstelling van het overtreden van de geweldsinstructie. Door de minister wordt het volgende wetsartikel voorgesteld: “De ambtenaar aan wie bij of krachtens artikel 7, eerste, achtste of negende lid, van de Politiewet 2012 of artikel 6,

eerste lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend en aan wiens schuld het te wijten is dat hij het in zijn geweldsinstructie bepaalde schendt, wordt gestraft: 1. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien het feit enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft; 2. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft; 3. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het feit de dood ten gevolge heeft.”13 In de memorie van toelichting schrijft de minister dat opsporingsambtenaren een speciale positie hebben, omdat zij een geweldsbevoegdheid hebben die aan burgers niet is toegekend. Toch kunnen opsporingsambtenaren alleen worden vervolgd voor de reguliere geweldsdelicten, zoals die ook voor burgers gelden. Volgens de minister wordt de speciale positie van de opsporingsambtenaar hiermee onvoldoende erkend, omdat de opsporingsambtenaar en de burger zich niet in een gelijke positie bevinden.14 Het introduceren van een nieuwe delictsomschrijving die wel is

“VOLGENS DE MINISTER WORDT DE SPECIALE POSITIE VAN DE OPSPORINGSAMBTENAAR HIERMEE ONVOLDOENDE ERKEND, OMDAT DE OPSPORINGSAMBTENAAR EN DE BURGER ZICH NIET IN EEN GELIJKE POSITIE BEVINDEN” 23


ARTIKEL

toegespitst op de speciale positie van de opsporingsambtenaar moet daar verandering in brengen.15 Geweldgebruik door politieambtenaren Dat een politieambtenaar geweld mag gebruiken staat vastgelegd in artikel 7 lid 1 van de Politiewet 2012. Volgens artikel 4 van de Ambtsinstructie 1994 moet de politieambtenaar wel in het gebruik van geweld geoefend zijn. Het geoorloofde gebruik van het vuurwapen staat vastgelegd in artikel 7 van de Ambtsinstructie 1994. Indien een politieambtenaar geweld heeft gebruikt, moet hij dit zo snel mogelijk melden aan zijn meerdere.16

“UIT HET ONDERZOEK VOLGDE ONDER ANDERE DAT ER ONZEKERHEDEN BESTAAN BIJ DE GEWELDSMELDINGSPROCEDURE.”

De afhandeling van een geweldsaanwending kan op verschillende manieren plaatsvinden. Zoals genoemd kan er een correctie volgen via het klachtrecht, het politietuchtrecht of het strafrecht. Strafrechtelijke vervolging komt niet vaak voor. Indien een politieambtenaar wel strafrechtelijk wordt vervolgd vanwege het gebruik van geweld in de uitoefening van zijn functie, gebeurt dat via het reguliere strafrecht. Dat kan betekenen dat hij voor hetzelfde strafbare feit terechtstaat als een burger die uit kwade bedoelingen handelde, terwijl de politieambtenaar het geweld heeft gebruikt in de uitoefening van zijn functie.17

Photo by Martin Jernberg

Onzekerheid bij geweldgebruik Klachten over politiegeweld vormen een belangrijk deel van het werk van de Nationale ombudsman.18 In het rapport ‘Verantwoord politiegeweld’ heeft de Nationale ombudsman daarom onder andere onderzoek gedaan naar de ervaringen van politieambtenaren met het gebruik van geweld in de praktijk en problemen die de politieambtenaren ervaren die op het gebruik van geweld van invloed kunnen zijn.19 Uit het

24

Juni 2020 | ALIBI Magazine


ARTIKEL

onderzoek volgde onder andere dat er onzekerheden bestaan bij de geweldsmeldingsprocedure.20 Een belangrijke bevinding is dat het onder politieambtenaren onduidelijk is over het traject dat gevolgd wordt naar aanleiding van geweldgebruik. De geweldsmelding kan namelijk intern worden beoordeeld, er kan een strafrechtelijk onderzoek volgen of een intern onderzoek met eventueel disciplinaire maatregelen. Welk traject gevolgd zal worden is niet altijd duidelijk.21 Ook vinden politieambtenaren het moeilijk wanneer zijzelf verdachte zijn in een procedure. In principe mag een politieambtenaar geweld gebruiken, dus wanneer aan het geoorloofde gebruik wordt getwijfeld, kan dat erg gevoelig liggen.22 Daarnaast kan de procedure erg lang duren, zonder dat de politieambtenaar weet waar hij aan toe is en waardoor hij al die tijd in onzekerheid zit. Dit kan het gevoel van veiligheid en vertrouwen beïnvloeden en ervoor zorgen dat politieambtenaren gaan twijfelen over het gebruik van geweld.23 Ten slotte hebben veel politieambtenaren het gevoel dat er een ongelijkheid in behandeling bestaat tussen de burger en de politie.24 Wat dit betreft worden verschillende voorbeelden genoemd: •

politieambtenaren stellen het gevoel te hebben dat als een burger klaagt of aangifte doet, hij met open armen wordt ontvangen, maar als een politieambtenaar datzelfde doet, hij volledig wordt doorgelicht;

•

daarnaast hebben politieambtenaren de indruk dat er snel een schikking wordt

Juni 2020 | ALIBI Magazine

getroffen met een klager om negatieve publiciteit te voorkomen en er niet meer wordt gekeken naar de verklaring van de betrokken politieambtenaar; en •

tevens hebben velen het gevoel dat zij niet serieus worden genomen, omdat de straffen en boetes die kunnen worden opgelegd aan een burger die een politieambtenaar uitscheldt of verwond lager zijn dan een boete voor het rijden door rood licht.25

Een strafbepaling die een scheiding trekt tussen burgers en politieambtenaren in het strafrecht en daarmee de speciale positie van politieambtenaren in het strafrecht erkent, kan dus zeker veel waarde hebben om het gevoel van onzekerheid en ongelijkheid onder politieambtenaren te verminderen. Gevolgen van het wetsvoorstel Hoe het voorgestelde artikel 372 Sr in de praktijk uit zal pakken, kan het best worden verduidelijkt aan de hand van een voorbeeld. Ik zal de feiten van de zaak die ik als voorbeeld neem kort schetsen. Op 8 april 2017 reed het slachtoffer uit deze zaak op een scooter door een wijk in Groningen. Hij zag een politieauto waar een agente, de verdachte, uitstapte. Na het geven van een waarschuwing schoot zij vier keer op het slachtoffer. Het slachtoffer werd niet geraakt. Achteraf bleek het slachtoffer niet degene te zijn naar wie de politie op zoek was. De verdachte stelt te hebben gericht op de scooterkap en het spatbord en zegt te hebben geschoten om de scooter te doen stoppen, zodat de persoon op de scooter kon worden aangehouden. Primair wordt poging tot doodslag ten laste

gelegd en subsidiair poging tot zware mishandeling. De rechtbank overweegt dat schieten op een bewegend voorwerp moeilijk is en dat de kans dat de verdachte het slachtoffer wel had geraakt aanmerkelijk was. Een schotwond kan tot zwaar lichamelijk letsel leiden. De rechtbank acht bewezenverklaard dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen. Dit levert een poging tot zware mishandeling op.26 Als het voorgestelde artikel 372 Sr wordt ingevoerd, kan het OM de politieambtenaar op grond daarvan vervolgen. Het artikel is echter beperkt tot gevallen waarin er sprake is van letsel. Dit zou een vreemde situatie opleveren. In het voorbeeld was er geen sprake van letsel, dus zal het OM vervolgen voor een regulier geweldsdelict, zoals poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. Als de politieagente het slachtoffer echter wel had geraakt en er dus sprake was geweest van letsel, was vervolging voor artikel 372 Sr wél mogelijk. De strafdreiging was in deze situatie veel lager geweest dan in het geval wanneer het slachtoffer niet was geraakt, terwijl de gevolgen minder erg zijn.27 Een ander knelpunt van het voorgestelde artikel 372 Sr is dat er geen opzetvariant is, maar alleen een schuldvariant. De schuld is gericht op het overtreden van de geweldsinstructie. Er is geen schuld of opzet op het gevolg van de overtreding vereist. Als de politieagente in het voorbeeld het slachtoffer wel had geraakt en het slachtoffer was daardoor overleden, terwijl de politieagente daar geen opzet op had, zou dat dus niet uitmaken. Ieder gevolg van het schenden van de geweldsinstructie komt voor rekening van de politieagente.28 Doordat de politieambtenaar bij het hebben van schuld aan het overtreden

25


ARTIKEL

van de geweldsinstructie al strafbaar is, kan dit ook tot gevolg hebben dat de politieambtenaar eerder en vaker strafbaar zal zijn dan nu het geval is.29 Deze gevolgen van het voorgestelde artikel 372 Sr in de praktijk lijken mij niet wenselijk, aangezien deze het gevoel van onzekerheid en ongelijkheid onder politieambtenaren juist kunnen doen toenemen in plaats van doen afnemen. Conclusie Concluderend kan worden gesteld dat er aan een strafbepaling die is toegespitst op de speciale positie van politieambtenaren zeker behoefte is. Het voorgestelde artikel 372 Sr zal in veel gevallen een verbetering zijn voor de rechtspositie van de politieambtenaar, maar zoals is geschetst kan het soms ook juist zeer ongunstig voor een politieambtenaar uitpakken. Mijns inziens zal het artikel in de voorgestelde vorm hierdoor niet volledig kunnen voorzien in de behoefte van politieambtenaren. Om de juridische positie van de politieambtenaren te versterken zoals de minister dat heeft beoogd, kan het artikel mogelijk beter anders worden geformuleerd, door bijvoorbeeld het overtreden van de geweldsinstructie niet afhankelijk te maken van het letsel of de dood van het slachtoffer.•

“HET ARTIKEL IS ECHTER BEPERKT TOT GEVALLEN WAARIN ER SPRAKE IS VAN LETSEL”

1. 2. 3.

4. 5. 6. 7.

8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16.

17. 18. 19. 20. 21. 22. 23. 24. 25. 26. 27.

28. 29.

26

Rechtbank ’s-Gravenhage 23 december 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:18257, r.o. 3.1. Rechtbank ’s-Gravenhage 23 december 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:18257, r.o. 7. Politie, ‘Lichte daling in cijfers politiegeweld’, Politie 28 maart 2019, geraadpleegd via: https://www.politie. nl/nieuws/2019/maart/28/00-lichtedaling-in-cijfers-politiegeweld.html, geraadpleegd op 19 maart 2020. M. van der Steeg, R. ter Haar & J.S. Timmer, ‘Strafrechtelijke beoordeling van politiegeweld’, TPWS 2017/7, p. 36. Kamerstukken II 2015/16, 29628, nr. 588. Kamerstukken II 2015/16, 29628, nr. 588, p. 3. Overzicht van stemmingen in de Tweede Kamer betreffende wetsvoorstel 34641, 29 oktober 2019; Kamerstukken I 2019/20, 34 641, A. Kamerstukken I 2019/20, 34 641, B. Kamerstukken II 2016/17, 34 641, nr. 3. Kamerstukken II 2016/17, 34 641, nr. 3, p. 1. Kamerstukken II 2016/17, 34 641, nr. 3, p. 1. Kamerstukken II 2016/17, 34 641, nr. 3, p. 1. Kamerstukken I 2019/20, 34 641, A, p. 2. Kamerstukken II 2016/17, 34 641, nr. 3, p. 13. Kamerstukken II 2016/17, 34 641, nr. 3, p. 5. M. van der Steeg, R. ter Haar & J.S. Timmer, ‘Strafrechtelijke beoordeling van politiegeweld’, TPWS 2017/7, p. 36 en 37. M. van der Steeg, R. ter Haar & J.S. Timmer, ‘Strafrechtelijke beoordeling van politiegeweld’, TPWS 2017/7, p. 38. Nationale ombudsman (2013). Verantwoord politiegeweld, Beschouwing. Nationale ombudsman (2013). Verantwoord politiegeweld, p. 23. Nationale ombudsman (2013). Verantwoord politiegeweld, p. 24. Nationale ombudsman (2013). Verantwoord politiegeweld, p. 36. Nationale ombudsman (2013). Verantwoord politiegeweld, p. 37. Nationale ombudsman (2013). Verantwoord politiegeweld, p. 37 en 39. Nationale ombudsman (2013). Verantwoord politiegeweld, p. 38. Nationale ombudsman (2013). Verantwoord politiegeweld, p. 38. Rechtbank Noord-Nederland 15 oktober 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:4088. M. van der Steeg, R. ter Haar & J.S. Timmer, ‘Het wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaren: wat schiet de agent ermee op?’, het Tijdschrift voor de Politie jg. 79 nr. 3, p. 21. Kamerstukken II 2018/19, 34 641, nr. 7 (Advies Raad voor de Rechtspraak), p. 4. Kamerstukken II 2018/19, 34 641, nr. 7 (Advies Raad voor de Rechtspraak), p. 3.

Juni 2020 | ALIBI Magazine


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
ALIBI jun. 2020 - Het nieuwe artikel 372 Sr by ALIBImagazine - Issuu