Skip to main content

Alibi jun. 2019 - Aanwezigheidsplicht voor verdachten

Page 1

“DE AANWEZIGHEIDSPLICHT IS IN EUROPA NIET NIEUW�

JORDY ESSCHENDAL Bachelorstudent Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam en is als buitengriffier verbonden aan de Rechtbank Amsterdam Er is de laatste tijd veel te doen geweest omtrent het beleid en de strafrechtelijke voornemens van de minister van rechtsbescherming, Sander Dekker. Met name de advocatuur uit kritiek op de plannen en heeft daarbij recentelijk zelfs de werkzaamheden gestaakt om te protesteren voor rechtbanken.1 Een terugkerende tendens in het beleid van de minister is meer aandacht voor de rol van het slachtoffer in het strafproces. In een brief aan de Tweede Kamer van 22 februari 2018 presenteerde de minister een reeks vernieuwingen op het gebied van de rechten van slachtoffers.2 Deze vernieuwingen worden onderverdeeld in drie ambities. Er moet verbetering komen in de bejegening van slachtoffers in het strafproces, de mogelijkheid van slachtoffers om schade te verhalen moet worden uitgebreid en er moet een versterking komen van de rechtspositie van het slachtoffer.3 Onder de noemer van de laatste ambitie zal de minister met een wetsvoorstel komen waarin specifieke verdachten verplicht worden om aanwezig te zijn bij hun strafzitting en de uitspraak.4 De minister acht het van groot belang dat verdachten geconfronteerd worden met de bijdragen van het Openbaar Ministerie, de rechters en het slachtoffer. Met name is het de bedoeling dat zodra een slachtoffer gebruik maakt van het spreekrecht, de verdachte aanwezig is om hiervan getuige te zijn.5 In dit artikel wordt eerst een overzicht geschetst van het door de minister ingediende wetsvoorstel inzake de aanwezigheidsplicht, waarna deze plicht wordt getoetst aan de in artikel 6 van het Europese Verdrag Inzake de Rechten van de Mens (EVRM) vastgelegde rechten die verband houden met het eerlijk proces. Het artikel eindigt met een conclusie over de conformiteit van de aanwezigheidsplicht met dit artikel.

12

Juni 2019 | ALIBI Magazine


ARTIKEL

DE AANWEZIGHEIDSPLICHT VOOR VERDACHTEN: DE MINISTER VOORBIJ AAN HET RECHT OP EEN EERLIJK PROCES? De aanwezigheidsplicht onder het wetsvoorstel Het hierboven reeds aangehaalde wetsvoorstel is in losse onderdelen in een nieuw concept Wetboek van Strafvordering (Sv-nieuw) gepubliceerd op de website van de rijksoverheid, inclusief een conceptversie van de bijbehorende memories van toelichting. Het voor de aanwezigheidsplicht relevante onderdeel is de conceptversie van het nieuwe boek 4 van Sv-nieuw.6 Indien het wetsvoorstel wordt aanvaard, veranderen een aantal artikelen inhoudelijk en worden een aantal nieuwe artikelen toegevoegd. De kern van het aanwezigheidsrecht wordt weergegeven door artikel 4.2.1.1a Sv-nieuw. Dit artikel bepaalt dat de verdachte in persoon op de terechtzitting moet verschijnen, indien hij zich in voorlopige hechtenis bevindt en voor zover de verdenking bestaat uit een van de zeden- en geweldsdelicten die in het artikel worden omschreven.7 Het artikel noemt onder meer feiten als ontuchtige handelingen met minderjarigen en zwaardere geweldsdelicten zoals afpersing. Indien de verdachte die aan deze vereisten voldoet niet verschijnt is de rechtbank volgens artikel 4.2.2.3 lid 2 Sv-nieuw, behoudens bijzondere omstandigheden, verplicht om de behandeling van de strafzaak uit te stellen en de medebrenging van de verdachte naar de volgende zitting te bevelen. Het bevel tot medebrenging is

Juni 2019 | ALIBI Magazine

geregeld in het huidige artikel 278 Sv en houdt in dat de verdachte door de politie wordt opgehaald vanuit zijn cel en in de zittingszaal wordt afgezet. Maar wat gebeurt er als de verdachte tijdens de eerste zitting niet verschijnt en zich tijdens de tweede zitting ook niet door de politie laat dwingen om naar de zitting te worden gebracht? Het antwoord op deze vraag vinden we in misschien wel het meest opmerkelijke artikel van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Artikel 4.2.2.4 lid 3 Sv-nieuw bepaalt dat de verdachte die na het bevel tot medebrenging niet is verschenen ook niet mag worden bijgestaan door een raadsman. Blijkens artikel 4.2.2.5. lid 1 Sv-nieuw zal verstek worden verleend en zal de procedure zonder de aanwezigheid van de verdachte worden voortgezet. Met de conceptversie van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is ook een conceptversie van de memorie van toelichting gepubliceerd.8 Hierin wordt de sanctie voor niet verschijnen enkel benoemd en niet toegelicht.9 De aanwezigheidsplicht onder het EVRM – Nemo tenetur en de onschuldpresumptie De aanwezigheidsplicht is in Europa niet nieuw. In zowel Frankrijk als Duitsland kan een procedure tegen een verdachte in beginsel niet worden voortgezet indien hij niet bij de behandeling aanwezig is.10 Alhoewel het nemo tenetur-beginsel

(het beginsel dat voorschrijft dat een verdachte niet verplicht is aan zijn eigen veroordeling bij te dragen) breed wordt beschermd en ondersteund door artikel 6 EVRM en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)11, lijkt een algemeen verbod voor een aanwezigheidsplicht niet te zijn gegeven. Er dient dus te worden gekeken naar de manier waarop het nieuwe Wetboek van Strafvordering uitvoering geeft aan de aanwezigheidsplicht om te kunnen concluderen of de plicht het EVRM op onderdelen dreigt te schenden. Het nemo tenetur-beginsel is in de rechtspraak van het EHRM niet absoluut. Primair ziet het op het respect dat de rechtspraak dient te hebben voor het recht van de verdachte om te zwijgen.12 Bij het beoordelen of sprake is van een schending van het beginsel dienen de nationale rechters te kijken naar de aard van de beperking die wordt opgelegd, de waarborgen die door het rechtssysteem worden geboden en de mate van dwang die wordt uitgeoefend.13 Alhoewel de aanwezigheidsplicht dwang tot gevolg kan hebben wanneer de verdachte niet verschijnt en een bevel tot medebrenging wordt uitgevaardigd, lijkt het er niet op dat er van een schending van het beginsel sprake is. De aanwezigheidsplicht verandert niks aan het recht van de verdachte om eenmaal op zitting te zwijgen, waardoor een wezenlijke bijdrage van de verdachte aan zijn eigen veroordeling

13


ARTIKEL

Een ander beginsel dat bescherming biedt aan de verdachte is de onschuldpresumptie, die staat omschreven in artikel 6 lid 2 EVRM. Het EHRM past de onschuldpresumptie toe in twee fases. Allereerst wordt gekeken of publieke uitingen van autoriteiten het publiek kunnen aanzetten tot het schuldig achten van de verdachte. Vervolgens wordt naar de procesfase gekeken. Daarbij hangt de beoordeling samen met de mogelijkheden tot tegenspraak die aan de verdachte ter beschikking staan en de onpartijdigheid van de rechtbank.14 Het is duidelijk dat de eerste fase niet in het geding is. Ook lijkt het er niet op dat er problemen ontstaan in de tweede fase van de onschuldpresumptie. Het feit dat de verdachte verplicht is aanwezig te zijn tijdens de behandeling van zijn strafzaak vergroot enkel zijn mogelijkheden tot tegenspraak. Daarnaast valt moeilijk in te zien hoe de verplichte aanwezigheid van invloed kan zijn op de onpartijdigheid van de rechtbank. Het aannemen dat de aanwezigheidsplicht in strijd is met artikel 6 lid 2 EVRM neigt aldus tot een te verre oprekking van de onschuldpresumptie. De aanwezigheidsplicht onder het EVRM – Het recht op rechtsbijstand De geschiedenis leert dat het wetsvoorstel wel een risico voor Nederland vormt wanneer het de verdachte de mogelijkheid ontneemt om zich bij afwezigheid door een raadsman of raadsvrouw te laten bijstaan. Aan het eind van de 20e eeuw kon een verdachte enkel een beroep doen op rechtsbijstand indien hij zelf bij de behandeling

14

van zijn zaak aanwezig was, tenzij klemmende redenen zijn afwezigheid rechtvaardigden.15 De achterliggende gedachte van deze regeling was dat de verdachte sneller geneigd zou zijn om zelf naar de zitting te komen.16 Over deze gang van zaken zijn twee noemenswaardige arresten gewezen door het EHRM. In de zaken Lala en Pelladoah tegen Nederland heeft het EHRM Nederland veroordeeld voor het schenden van artikel 6 EVRM.17 In de zaak van Lala was er sprake van een verstekveroordeling voor valsheid in geschrifte en werd door het Gerechtshof Den Haag twee weken gevangenisstraf opgelegd. De raadsman, die wel bij de zitting van het hof aanwezig was, klaagde bij de Hoge Raad onder meer over het niet mogen voeren van het woord

“NU HET EHRM IN HET VERLEDEN ERG DUIDELIJK WAS, ZOU DE MINISTER ER GOED AAN DOEN DIT DEEL VAN ZIJN CONCEPTVOORSTEL NOG EENS GOED TE HEROVERWEGEN” ter verdediging. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met de overweging dat uit enkel de aanwezigheid van de raadsman tijdens de behandeling bij het hof nog niet kon worden afgeleid dat zijn cliënt ook door hem wenste te worden bijgestaan. De raadsman had duidelijk moeten aantonen dat hij verdediging diende te voeren zonder aanwezigheid van zijn cliënt en had dat blijkens het verslag van de griffier niet gedaan.18 Het EHRM stak een stokje voor deze redenering en oordeelde dat een ieder die verdacht wordt van een

Juni 2019 | ALIBI Magazine

Photo by Tom Blackout

uitblijft. Daarnaast is het gegeven dat de aanwezigheidsplicht in andere Europese landen al is ingevoerd en daar kennelijk niet tot veroordelingen door het EHRM heeft geleid een aanwijzing dat het nemo tenetur-beginsel een dergelijke plicht niet in de weg staat.


ARTIKEL

strafbaar feit het recht op rechtsbijstand heeft. Om dit recht effectief te kunnen uitoefenen kan het niet afhankelijk zijn van allerlei formalistische vereisten. De raadsman dient bij afwezigheid van zijn cliënt de verdediging te kunnen voeren. De redenering van de Hoge Raad leverde een schending van artikel 6 EVRM op.19 In de zaak van Pelladoah, waarin het arrest gelijk met dat van Lala werd gewezen, was sprake van een veroordeling voor het opzettelijk invoeren van een hoeveelheid heroïne. Het Gerechtshof Amsterdam legde negen jaar gevangenisstraf op. Tijdens de procedure bij het hof verscheen Pelladoah niet. Zijn raadsman verzocht tot twee keer toe het woord ter verdediging te voeren. De eerste keer wees het hof dit verzoek af, nu er geen klemmende redenen voor de afwezigheid van Pelladoah waren gebleken. De tweede keer, nadat de raadsman een schriftelijke machtiging presenteerde, overwoog het hof dat verdediging bij afwezigheid van de verdachte niet was toegestaan voor het tenlastegelegde feit en wees het hof het verzoek van de raadsman opnieuw af. De Hoge Raad behandelde de klachten in cassatie wegens procestechnische redenen niet inhoudelijk.20 Ook Pelladoah stapte naar het EHRM, dat Nederland opnieuw een tik op de vingers gaf. Alhoewel het belang van de aanwezigheid van een verdachte tijdens zijn zaak groot is, weegt het recht op rechtsbijstand zwaarder. Het feit dat een verdachte niet verschijnt, ongeacht of hij daarvoor een reden heeft, kan niet leiden tot het ontnemen van het recht op rechtsbijstand. Opnieuw een schending van artikel 6 EVRM.21 Wat betekenen deze twee zaken voor de aanwezigheidsplicht? Feitelijk presenteert het nieuwe Wetboek van Strafvordering opnieuw een systeem waarin het recht op rechtsbijstand wordt beperkt. Blijkens het hiervoor

Juni 2019 | ALIBI Magazine

reeds aangehaalde artikel 4.2.2.3 lid 2 Sv-nieuw dient de rechtbank, behoudens bijzondere omstandigheden, de medebrenging van de verdachte te bevelen indien hij afwezig is tijdens de eerste behandeling van zijn strafzaak. Blijft de verdachte volhouden en verschijnt hij ook een tweede maal niet, dan kan hij zich volgens artikel 4.2.2.4 lid 3 Sv-nieuw niet laten vertegenwoordigen door een raadsman. Dit systeem, inclusief uitzondering bij bijzondere omstandigheden, lijkt verdacht veel op de vroegere Nederlandse praktijk met zijn klemmende redenen. Tenzij het EHRM na meer dan twintig jaar van gedachten is veranderd, lijkt het er niet op dat dit deel van de aanwezigheidsplicht stand gaat houden in Straatsburg. Conclusie Het lijkt erop dat de aanwezigheidsplicht in de kern geen schending zal opleveren van artikel 6 EVRM. De door dit artikel beschermde beginselen worden niet zo ruim uitgelegd dat een verdachte van een strafbaar feit een recht op afwezigheid toekomt. Daarnaast ligt in het feit dat de aanwezigheidsplicht in Europa geen onbekend fenomeen is een aanwijzing verscholen dat het EHRM een dergelijke plicht niet als schending ziet. De conclusie luidt anders wanneer er wordt gekeken naar de sanctie die in het nieuwe Wetboek van Strafvordering is geformuleerd voor de afwezigheid van een verdachte tijdens de strafzitting, namelijk het ontzeggen van het recht op rechtsbijstand. Het verleden heeft aangetoond dat een dergelijk systeem door het EHRM niet wordt goedgekeurd en dat zowel de wetgever als de Hoge Raad werden teruggefloten. Nu het EHRM in het verleden erg duidelijk was, zou de minister er goed aan doen dit deel van zijn conceptvoorstel nog eens goed te heroverwegen.•

1.

2. 3. 4. 5. 6.

7.

8.

9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17.

18. 19. 20. 21.

Zie bijvoorbeeld: ‘Advocaten staken tegen bezuinigingen sociale advocatuur’, 16 januari 2019, https://nos.nl/ artikel/2267696-advocaten-stakentegen-bezuinigingen-sociale-advocatuur. html, laatstelijk geraadpleegd op 13 april 2019. Kamerstukken II 2017/18, 33552, 43. Ibid, p. 1 – 2. Ibid, p. 2. Ibid, p. 3. ‘Wetsvoorstel tot vaststelling van Boek 4 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Berechting’, 5 december 2017, https://www.rijksoverheid.nl/ binaries/rijksoverheid/documenten/ kamerstukken/2017/12/05/wetsvoorsteltot-vaststelling-van-boek-4-van-hetnieuwe-wetboek-van-strafvorderingberechting/wetsvoorstel-tot-vaststellingvan-boek-4-van-het-nieuwe-wetboekvan-strafvordering-berechting.pdf, laatstelijk geraadpleegd op 13 april 2019. Het gaat om misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam met maximumstraffen van vier jaar of meer en de misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 248c, 248d, 248e, 250, 273f en 317 van het Wetboek van Strafrecht. ‘Memorie van Toelichting: Vaststellingswet Boek 4 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Berechting’, 5 december 2017, https://www.rijksoverheid.nl/ binaries/rijksoverheid/documenten/ kamerstukken/2017/12/05/memorie-vantoelichting-vaststellingswet-boek-4-vanhet-nieuwe-wetboek-van-strafvorderingberechting/memorie-van-toelichtingvaststellingswet-boek-4-van-hetnieuwe-wetboek-van-strafvorderingberechting.pdf, laatstelijk geraadpleegd op 13 april 2019. Ibid, p. 149. Zie artikel 410 van de Franse Code de procédure pénale en artikel 230 van de Duitse Strafprozeßordnung. Zie bijvoorbeeld: EHRM 3 mei 2001, 31827/96 (J.B./Zwitserland) en EHRM 11 juli 2006, 54810/00 (Jalloh/Duitsland). EHRM 29 juni 2007, 15809/02 & 25624/02 (O’Halloran & Francis/Groot-Brittannië), r.o. 102. Ibid, r.o. 101 Redactie, ‘Artikel 6 lid 2 EVRM: Onschuldpresumptie’, DD 2010, afl. 6, p. 42 – 49. HR 26 februari 1980, NJ 1980, 246. B.F. Keulen & G. Knigge, Strafprocesrecht (Ons Strafrecht, deel 2), Deventer: Kluwer 2016, p. 443 – 444. EHRM 22 september 1994, 14861/89, NJ 1994, 773 (Lala/Nederland) & EHRM 22 september 1994, 16737/90 (Pelladoah/ Nederland). EHRM 22 september 1994, 14861/89, NJ 1994, 773 (Lala/Nederland), r.o. 8 – 13. Ibid, r.o. 34. EHRM 22 september 1994, 16737/90 (Pelladoah/Nederland), r.o. 8 – 20. Ibid, r.o. 40.

15


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Alibi jun. 2019 - Aanwezigheidsplicht voor verdachten by ALIBImagazine - Issuu