ARTIKEL | ALGEMEEN PRIVAATRECHT
HEEFT HET DIER RECHTEN? OP 4 OKTOBER WAS HET DIERENDAG. DIT IS EEN DAG WAAROP IK MIJN KAT EEN EXTRA KNUFFEL GEEF, MAAR OOK DE DAG WAAROP VEEL DIERENRECHTENORGANISATIES AANDACHT VRAGEN VOOR DIEREN EN HUN RECHTEN. WE SPREKEN VAN DIERENRECHTEN, MAAR WAT HOUDEN DIE PRECIES IN? EN BESTAAN ZE EIGENLIJK WEL? OM ECHT TE SPREKEN VAN DIERENRECHTEN ZOU HET DIER NAMELIJK RECHTSSUBJECT, DRAGER VAN RECHTEN EN PLICHTEN, MOETEN ZIJN. IN DE NABIJE TOEKOMST ZIE IK ZO SNEL EEN KOE NOG GEEN BELASTING BETALEN, MAAR DE VERWERVING VAN ENKELE RECHTEN ZIE IK NOG WEL GEBEUREN. IK VERKEN DE TOTSTANDKOMING VAN DE HUIDIGE POSITIE VAN DIEREN IN ONZE RECHTSSTAAT, DE INTRINSIEKE WAARDE VAN HET DIER, DE ONTZAKELIJKING EN HET DIER ALS RECHTSOBJECT EN -SUBJECT. DOOR CHARLOTTE NAB
4
ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022
ARTIKEL | ALGEMEEN PRIVAATRECHT
Gedurende de twintigste eeuw kwamen er steeds meer wetten die dierenbescherming boden. Sommige wetten strekten tot dierenbescherming en sommige waren eerder gericht op het verbeteren van bijvoorbeeld de volksgezondheid. De gezondheids- en welzijnswet voor dieren(Gwwd) uit 1992 is een voorbeeld van een wet die zowel belangen van mensen als dieren waarborgde. Toch was deze wet enigszins speciaal: de wetten die voorgingen aan de Gwwd somden doorgaans verbodsbepalingen op: ‘Je mag dit en dit niet met een dier doen’. De Gwwd had daarentegen als uitgangspunt dat handelingen met dieren verboden zijn, tenzij ze zijn toegestaan. Het ‘nee, tenzij’ principe werd geïntroduceerd en vormde een fundamentele verandering in de houding naar dieren: “Gebruik van dieren is niet meer vanzelfsprekend, maar moet kunnen worden gerechtvaardigd.” 1 INTRINSIEKE WAARDE De Wet dieren uit 2011 stelt regels mede ter erkenning van de intrinsieke waarde van het dier. De wetgever definieert deze als ‘de eigenwaarde van dieren, zijnde wezens met gevoel’.2 Eerder werd de intrinsieke waarde ook al genoemd. In 1981 legde de overheid in een nota uit dat de erkenning van intrinsieke waarde tot consequentie heeft dat het gebruik van een dier soms niet gerechtvaardigd kan worden.3 Niet alleen de gebruikswaarde voor de mens, maar ook de intrinsieke waarde van het dier moet worden meegenomen in een belangenafweging.4 Er is dus alsnog een belangenafweging nodig op basis van de plichten van een mens tegenover het dier, omdat de intrinsieke waarde, hoe inherent dan ook, geen rechten toekent aan het dier.5 Oftewel: de intrinsieke waarde maakt van het dier nog geen rechtssubject.
EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE
Ieder mens is rechtssubject en heeft rechten en plichten. Er is in 2013 een wet in werking getreden die dieren onderscheidt van zaken. Echter, de bepalingen van toepassing op zaken, zijn ook van toepassing op dieren, zo stelt het tweede lid van het wetsartikel.6 Wat dieren wel zijn, blijkt niet duidelijk, maar ze zijn in ieder geval geen zaken meer. RECHTSSUBJECTIVITEIT Ieder mens is rechtssubject en heeft rechten en plichten. Een rechtssubject kan deelnemen aan het rechtsverkeer en staat tegenover een rechtsobject.7 Een object is hetgeen waar recht betrekking op heeft.8 Een rechtsobject kan ook wel gedefinieerd worden als een goed, wat op haar beurt gedefinieerd kan worden als zaken en alle vermogensrechten.9 We weten dat onze wetgever het dier niet wil aanmerken als zaak, maar maakt het daardoor van het dier een rechtssubject? Het ‘nee, tenzij’ principe, de erkenning van de intrinsieke waarde en de aparte verklaring dat dieren geen zaken zijn, duwen het dier van de rechtsobjectiviteit af. Zo lijkt het tenminste. Tegelijkertijd komt het dier ook duidelijk nog geen volledige rechtssubjectiviteit toe. Bastiaan Rijpkema zegt heel mooi dat waar het dier voor 2013 een bijzonder soort object was waar je sommige dingen niet mee mocht doen, het nu een bijzonder soort subject is waar je allerlei dingen wél mee mag doen.10 Rechtssubjecten nemen over het algemeen deel aan het rechtsverkeer, maar er zijn uitzonderingen. Zo verliest een persoon die wilsonbekwaam
wordt niet haar rechtssubjectiviteit. Zij is bijvoorbeeld nog steeds drager van grondrechten. De wetgever heeft echter niet beoogd om het dier rechtssubjectiviteit toe te kennen.11 Zij wilde louter een aparte categorie naast de levenloze zaken. Er hoeft volgens de wetgever bovendien geen onduidelijkheid te ontstaan, omdat lid 2 van het artikel immers stelt dat alle regels van toepassing op zaken, ook van toepassing zijn op dieren.12 Het dier lijkt dus volgens de wet toch een rechtsobject te blijven. KRITIEK Vanuit de literatuur is er veel kritiek op de wetswijziging. De ontzakelijking van het dier wordt door sommigen gezien als een louter symbolische daad die niet thuishoort in het Burgerlijk Wetboek.13 De wetgever geeft aan dat het niet strookt met ons rechtsgevoel om dieren te behandelen als andere doorsnee zaken. De wetgever legt dit uit door te stellen dat dieren een bijzondere positie (lees intrinsieke waarde) hebben en dat daar
BIO Charlotte Nab
Bachelorstudent Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam
5
ARTIKEL | ALGEMEEN PRIVAATRECHT
De erkenning van de intrinsieke waarde en de ontzakelijking scheppen ook extra plichten voor de mens. rekening mee moet worden gehouden.14 Het was daarom dan misschien een nodige aanpassing. Op een vraag van de VVD over de betekenis van intrinsieke waarde van niet en wel gehouden dieren
6
antwoordt de wetgever: “Dergelijke overwegingen zijn niet doorslaggevend voor de betekenis van het begrip intrinsieke waarde. Het gaat niet om de herkomst van het dier. Het is ook niet relevant of het dier wordt gehouden of niet. Elk dier heeft een intrinsieke
waarde, in de betekenis zoals hiervoor omschreven.” 15 De wetgever lijkt niet helemaal te weten wat zij wil. Aan de ene kant geeft zij aan dat we anders naar dieren moeten kijken, maar eigenlijk wil ze de positie van het dier niet echt veranderen. Zij kent het dier intrinsieke waarde toe, maar dat zorgt er eigenlijk alleen voor dat er een plicht voor mensen bijkomt om extra dieren‘rechten’ te waarborgen en niet voor rechten voor een dier. Wat voelt als een, al dan niet kleine, rechtsontwikkeling, lijkt eigenlijk maar weinig gevolgen te hebben. De praktijk lijkt niet overeen te komen met de intrinsieke waar-
ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022
ARTIKEL | ALGEMEEN PRIVAATRECHT
worden gehouden met de intrinsieke waarde. CONCLUSIE Samenvattend heeft het dier dus geen rechten. Door de komst van het ‘nee, tenzij’ principe is het wel zo dat niet langer elk gebruik van het dier vanzelfsprekend is. Het schept dus een plicht voor mensen om het gebruik van het dier te rechtvaardigen. De erkenning van de intrinsieke waarde en de ontzakelijking scheppen ook extra plichten voor de mens. Er moet rekening gehouden worden met dat dieren niet zomaar zaken zijn, maar gevoel hebben en dat hun belangen moeten worden meegewogen. De wetgever heeft echter absoluut niet beoogd om van het dier rechtssubject te maken.
1
2
3
4
De wetgever stelt dat het niet met ons rechtsgevoel strookt om dieren louter als zaken aan te merken, maar om eerlijk te zijn strookt het niet met mijn rechtsgevoel dat de wetgever erkent dat dieren intrinsieke waarde hebben én in het recht behandeld moeten worden als zaken. Dezelfde bepalingen zijn immers nog steeds van toepassing op dieren.
5
6 7
8
9
de die het dier toekomt volgens de wetgever. Janneke Vink pleit daarom voor de rechten voor dieren. Zij stelt in een interview met de Volkskrant dat er inderdaad misschien al regels zijn voor hoe wij met dieren omgaan, maar dat voor het houden van een konijn dat wordt gebruikt als proefdier totaal andere regels gelden dan voor een konijn dat wordt gehouden als huisdier. Als we de rechten van dieren zouden verankeren in de (grond)wet, dan zouden er daadwerkelijke botsende grondrechtelijke belangen zijn, waardoor er echt rekening wordt gehouden met de belangen van het dier.16 Op deze manier zou er echt rekening kunnen
EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE
In ieder geval heeft het dier (nog) geen rechten. Het lijkt erop dat we een nieuwe categorie rechtsposities hebben: het rechtsobject dat geen zaak of vermogensrecht is.
10
Er is dus alsnog een belangenafweging nodig op basis van de plichten van een mens tegenover het dier, omdat de intrinsieke waarde, hoe inherent dan ook, geen rechten toekent aan het dier.
13
11
12
14
15
De ontzakelijking van het dier wordt door sommigen gezien als een louter symbolische daad die niet thuishoort in het Burgerlijk Wetboek.
16
D.J. Verdonk, ‘Dierenrechten’, Amsterdam: Amsterdam University Press 2016 Artikel 1.3 Wet Dieren, Wet van 19 mei 2011, houdende een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen. Ministerie van cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, Rijksoverheid en dierenbescherming, 1981. Kamerstukken I 2010/11, 31389 E, nr. 1, p. 2(MvA). Kamerstukken I 2009/10, 31389 C, nr. 1, p. 9(MvA). Artikel 3:2a Burgerlijk Wetboek. H.Ph.J.A.M. Hennekens, De natuurlijke en andere personen als rechtssubjecten, in O&R nr. 100, Vertrouwen in het burgerlijke recht, 31-07-2017. S.E Bartels & mr. A.I.M. van Mierlo, Rechtsobject, in: Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/53, 01-04-2013. Artikel 3:1 Burgerlijk Wetboek. D.J. Verdonk, ‘Dierenrechten’, Amsterdam: Amsterdam University Press 2016 Kamerstukken I 2010/11, 31389 E, nr. 1, p.1(MvA). Kamerstukken I 2009/10, 31389 C, nr. 1, p. 16(MvA). J.E. Jansen, Over de ontzakelijking van dieren en de grenzen van het zaaksbegrip(Rechtsgeleerd Magazijn Themis 172(5)), University of Groningen 2011. Kamerstukken I 2009/10, 31389 C, nr. 1, hfst. 2 & 2.3(MvA). Kamerstukken I 2009/10, 31389 C, nr. 1, p. 4(MvA). A. le Clercq, ‘Dierenrechten zijn niet zomaar een mening, ze horen bij het fundament van de democratie’, Volkskrant.nl 21 oktober 2019.
7