Skip to main content

Geef het veulen geen haver en het kind geen brandewijn

Page 1

RECHTSGEBIED | PRIVAATRECHT

GEEF HET VEULEN GEEN HAVER EN HET KIND GEEN BRANDEWIJN ONDERNEMEN LIJKT STEEDS POPULAIRDER TE WORDEN ONDER JONGEREN. DE KAMER VAN KOOPHANDEL MELDDE OP 13 JUNI 2019 DAT HET AANTAL JONGEREN DAT EEN ONDERNEMING IS GESTART IN HET EERSTE KWARTAAL 148% IS GESTEGEN VERGELEKEN MET HET EERSTE KWARTAAL VAN 2018.1 VOORAL DE INTERNETDETAILHANDEL IS POPULAIR. DOOR BRAM TEN BROECKE

24

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 2 2021


RECHTSGEBIED | PRIVAATRECHT

De website en pagina’s op instagram gericht op jongeren met tips over ondernemen, schieten als paddenstoelen uit de grond. Het is natuurlijk erg mooi als een jongere een succesvolle onderneming heeft, maar het ondernemen op jonge leeftijd heeft wel een keerzijde. Indien een onderneming niet succesvol is en er grote schulden gemaakt worden, dan start de jongere, als hij het niet goed heeft geregeld, zijn leven met grote schulden. De wet voorziet in een regeling die jongeren in dit soort situaties beschermt. Ingevolge art. 1:234 BW zijn jongeren handelingsonbekwaam rechtshandelingen te verrichten, tenzij zij toestemming hebben van hun ouders. De toestemming wordt verondersteld verleend te zijn in het geval dat het gaat om een rechtshandeling ten aanzien waarvan in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van deze leeftijd deze handeling zelfstandig verrichten. Nu het normaler wordt dat jongeren ondernemen is het de vraag of het hebben van een onderneming onder de norm ‘in het maatschappelijke verkeer gebruikelijk’ valt. Kan het daarnaast zo zijn dat een rechtshandeling normaal wel een gebruikelijke rechtshandeling is, maar in de context van het ondernemen niet? Tenslotte zal ik ingaan op de vraag of er verschil is tussen jongere minderjarigen en wat oudere minderjarigen. In deze bijdrage zal ik dit onderzoeken aan de hand van de parlementaire geschiedenis en aan de hand van jurisprudentie. Voordat ik dat doe zal ik eerst ingaan op de regeling van art. 1:234 BW. HET SYSTEEM VAN ART. 1:234 BW De hoofdregel van art. 1:234 BW staat in art. 1:234 lid 1 BW en houdt in dat een minderjarige bekwaam is om rechtshandelingen te verrichten, als de minderjarige toestemming heeft van zijn wettelijke vertegenwoordiger. De toestemming van de vertegen-

EDITIE 2 2021 | ALIBI MAGAZINE

woordiger kan alleen voor een bepaald doel of een bepaalde rechtshandeling worden verleend.2, 3 De wet kan altijd anders bepalen.4 Art. 1:234 lid 3 BW geeft een uitzondering op de verplichte toestemming; de toestemming wordt verondersteld verleend te zijn aan de minderjarige, indien het een rechtshandeling betreft ten aanzien waarvan het in het maatschappelijke verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van deze leeftijd deze handeling zelfstandig verrichten. De veronderstelling van de toestemming is een wettelijk onomkeerbaar vermoeden. Als het gaat om een voor die leeftijd gebruikelijke rechtshandeling, maar de ouder kenbaar maakt dat hij geen toestemming geeft, dan ontbreekt de toestemming.5 Als er geen toestemming is, en het ook geen gebruikelijke rechtshandeling is op betreffende leeftijd, dan is de minderjarige handelingsonbekwaam ten aanzien van die rechtshandeling en dan kan de rechtshandeling vernietigd worden.6 DE PARLEMENTAIRE GESCHIEDENIS Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de vraag wanneer de toestemming wordt verondersteld verleend te zijn, is overgelaten aan de rechter: “Indien in een concreet geval een geschil bestaat over de vraag of in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van een bepaalde leeftijd de aan de orde zijnde rechtshandeling zelf verrichten (en dat de toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger mag worden verondersteld), zal het uiteindelijk aan de rechter zijn voorbehouden om hierover een oordeel te geven. Het ligt voor de hand dat in dat geval nagegaan wordt of het om rechtshandelingen gaat ten aanzien waarvan uit ervaring bekend is dan wel in het handelsverkeer als normaal geldt dat de uitdrukkelijke toestemming van de ouders of voogd niet wordt gevraagd.” 7 Hoewel de wetgever het dus overlaat aan de rechter, maakt de wetgever wel duidelijk dat

BIO Bram ten Broecke

Bachelorstudent Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam

25


RECHTSGEBIED | PRIVAATRECHT

Het doel van art. 1:234 BW is om minderjarigen tegen hun onwetendheid te beschermen het stelsel van art. 1:234 BW het doel heeft de minderjarige te beschermen tegen nadelige gevolgen door onzelfstandigheid en onervarenheid.8 Daarnaast geeft de wetgever een aanknopingspunt om te bepalen of iets een gebruikelijke rechtshandeling is voor de minderjarige: “Het gaat om handelingen en transacties ten aanzien waarvan men ervaringsgewijs weet dan wel in het handelsverkeer de ongeschreven regel bestaat, dat toestemming van

het kopen van levensmiddelen, ook door minderjarigen van beneden de 12 jaar, het kopen van een buskaartje of kaartje oor een film oorstelling et aans a fen van (studie)boeken of geluidsbanden, het ontplooien van activiteiten en het in verband daarmede verrichten van rechtshandelingen op het gebied van sport en spel.” 10 DE JURISPRUDENTIE De rechter heeft zich meermaals

rechter bepaald dat het inschrijven voor een kappersopleiding door een 17-jarige, met onderwijskosten van 1010 euro geen gebruikelijke handeling is voor een minderjarige.11 Dit geldt ook voor het inschrijven voor een examentraining van 813 euro door een 17-jarige.12 Tenslotte heeft de rechter bepaald dat het overeenkomen van een betalingsregeling, om de goederen die de minderjarige had gesloten terug te betalen, niet gebruikelijk is voor een minderjarige. De rechter bepaalt dit vanwege de hoogte van het bedrag (11.500 euro) en vanwege de omstandigheden waarin de betalingsregeling is gesloten.13 De kosten van de transactie zijn dus niet altijd bepalend, de omstandigheden waarin een rechtshandeling is gesloten zijn ook van belang.

de ouders/voogd niet wordt gevraagd.”9 De wetgever geeft in de parlementaire geschiedenis voorbeelden van rechtshandelingen die in het maatschappelijke verkeer gebruikelijk zijn voor een minderjarige: “Bijvoorbeeld

uitgelaten over de vraag of een rechtshandeling een rechtshandeling is waarvan in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van een bepaalde leeftijd deze zelfstandig verrichten. Zo heeft de

TOEPASSING 1:234 LID 3 BW OP ONDERNEMENDE JONGEREN Het doel van art. 1:234 BW is om minderjarigen tegen hun onwetendheid te beschermen. Daarnaast

26

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 2 2021


RECHTSGEBIED | PRIVAATRECHT

blijkt uit de voorbeelden gegeven in de parlementaire geschiedenis dat rechtshandelingen (onder meer het kopen van een bioscoopkaartje) waarvan de toestemming wordt verondersteld verleend te zijn lage kosten met zich meebrengen en onder jongeren vaak verrichte handelingen zijn. Bij rechtshandelingen met wat hogere kosten zit je dus al snel in een grijs gebied, en is toestemming dan ook vereist. Uit de jurisprudentie blijkt dat niet alleen de kosten van de rechtshandeling uitmaken, maar ook de omstandigheden waarin de rechtshandeling wordt verricht. Het lijkt mij dat het ondernemen door een minderjarige niet-gebruikelijk is in de zin van art. 1:234 lid 3 BW. Als de verrichte rechtshandelingen tijdens het ondernemen hoge kosten meebrengen, zal hiervoor toestemming moeten worden gegegeven door de vertegenwoordiger van de minderjarige. Het huren van bijvoorbeeld een opslagruimte vereist dus toestemming van de vertegenwoordiger. Als de verrichte rechtshandeling tijdens het ondernemen lage kosten meebrengt, zal alsnog toestemming vereist zijn van de vertegenwoordiger vanwege de context waarin de rechtshandeling wordt verricht. Het ondernemen brengt veel risico’s met zich en de minderjarige zal daartegen moeten worden beschermd, aangezien een minderjarige minder goed in staat is om risico’s af te wegen dan zijn vertegenwoordiger. Dit betekent dat het kopen van studieboeken door een 17 jarige in normale context gebruikelijk zal zijn, maar in de context van het ondernemen, vanwege de risico’s (de studieboeken kunnen bijvoorbeeld van een verouderde druk zijn, waardoor doorverkoop lastiger is), niet. GEVOLGEN MINDERJARIGE Het voorgaande betekent voor een minderjarige dat hij, als hij wil gaan ondernemen, toestemming nodig

EDITIE 2 2021 | ALIBI MAGAZINE

Als de minderjarige de toestemming niet krijgt van zijn vertegenwoordiger kan hij altijd nog handlichting vragen van de rechter heeft van zijn vertegenwoordiger. Als de minderjarige de toestemming niet krijgt van zijn vertegenwoordiger kan hij altijd nog handlichting vragen van de rechter.14 Dit kan vanaf 16 jaar. Dan worden bepaalde bevoegdheden aan hem toegekend. Zo regelen minderjarigen die ondernemen het ook. Zij hebben of toestemming van hun ouders, of zij hebben handlichting verkregen van de rechter. Minderjarigen die nog niet de leeftijd van 16 hebben bereikt, zullen dus altijd toestemming nodig hebben van hun ouders. Dit is dus ook een belangrijk verschil tussen ondernemende jongere minderjarigen (onder de leeftijd van 16) en ondernemende oudere minderjarigen (boven de leeftijd van 16). CONCLUSIE Hoewel het normaler wordt dat jongeren ondernemen, valt het hebben van een onderneming niet onder de norm ‘in het maatschappelijke verkeer gebruikelijk’ in de zin van art. 1:234 lid 3 BW. Het kan dus zo zijn dat een rechtshandeling normaal wel onder een gebruikelijke rechtshandeling in de zin van art. 1:234 lid 3 BW valt, maar in de context van het ondernemen niet. In de praktijk is er wel een aantal minderjarigen dat onder de 18 succesvol onderneemt. Deze groep heeft of toestemming van hun ouders of handlichting verkregen. Handlichting kan alleen vanaf 16 jaar. Dit is dus ook het verschil tussen jongere minderjarigen en oudere minderjarigen.

Jongere minderjarigen onder de 16 kunnen geen handlichting krijgen, en kunnen dus alleen ondernemen met toestemming van hun ouders. Oudere minderjarigen kunnen ook ondernemen als zij geen toestemming hebben gekregen van hun ouders, zolang zij maar handlichting hebben.

KVK, jongeren beginnen steeds vaker webwinkel, 13 juni 2019, geraadpleegd op 13 februari, 2021, op https://www.kvk.nl/over-kvk/media-en-pers/ nieuws-en-persberichten/jongeren-beginnen-steeds-vaker-webwinkel/ 2 Art. 1:234 lid 2 BW. 3 J.H.M. ter Haar, T&C Burgerlijk Wetboek. commentaar op art. 1:234 BW , Deventer: Wolters Kluwer 2019. 4 Art 1:234 lid 1 BW. 5 Rb. Limburg 4 November 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:9307. 6 Art 1:234 jo. 3:32 lid 2 BW. 7 Kamerstukken II 1993/1994, 23012, nr. 5, p.12. 8 Kamerstukken II 1992/1993, 23012, nr. 3, p.12. 9 Kamerstukken II 1992/1993, 23012, nr. 3, p.13. 10 Kamerstukken II 1992/1993, 23012, nr. 3, p.13. 11 Hof Amsterdam 31 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2739, ditzelfde was aan de orde bij Rb. Rotterdam 16 februari 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BP6536. 1

Rb. Overijssel 29 september 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:3509. 13 Rb. Amsterdam 21 januari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:155. 14 Art. 1:235 BW. 12

27


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Geef het veulen geen haver en het kind geen brandewijn by ALIBImagazine - Issuu