Skip to main content

Het belastingstelsel weer opgeschud: box 3 nu definitief op de schop?

Page 1

ARTIKEL | BELASTINGRECHT

HET BELASTINGSTELSEL WEER OPGESCHUD: BOX 3 NU DEFINITIEF OP DE SCHOP? VRIJDAG 24 DECEMBER 2021, DE LAATSTE DAG VAN MIJN TENTAMENWEEK. DE INKT VAN MIJN TENTAMEN CORPORATE FINANCE LAG NOG TE DROGEN TOEN IK GEHEEL ONVERWACHTS OVERSPOELD WERD DOOR MELDINGEN OVER DE KERSVERSE UITSPRAAK VAN DE HOGE RAAD. IN DEZE BAANBREKENDE UITSPRAAK OORDEELDE DE HOGE RAAD DAT DE VERMOGENSRENDEMENTSHEFFING VAN BOX 3 IN STRIJD IS MET HET EIGENDOMSRECHT EN HET DISCRIMINATIEVERBOD. DOOR AMIN LAROSSI

28

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 2 2022


ARTIKEL | BELASTINGRECHT

Het debat rondom de rechtmatigheid van box 3 is niet bepaald een nieuw fenomeen te noemen. Al meerdere malen stond de vraag naar de rechtvaardigheid van de box 3-systematiek centraal. De Bond voor Belastingbetalers, beter bekend als de aanjager van deze rits aan box 3-rechtspraak, strijdt naar eigen zeggen voor eerlijke belastingen en pleit al jaren voor een herziening van het box 3-stelsel. Heeft de Bond nu dan definitief haar zin gekregen? In het navolgende tracht dit artikel de gevolgen van het arrest van 24 december 2021 te bespreken. Hiertoe zal eerst de vermogensrendementsheffing van box 3 globaal uiteengezet worden. Vervolgens worden argumenten voor en tegen het forfaitaire rendement in het licht van het arrest van 24 december 2021 besproken. DE FORFAITAIRE RENDEMENTSHEFFING UIT BOX 3: ‘THE MAKING OF’ Hoofdstuk 5 van de wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: IB 2001) belast het zogenoemde belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Dit inkomen bestaat uit het voordeel uit sparen en beleggen verminderd met de persoonsgebonden aftrek.1 Om het voordeel uit sparen en beleggen te berekenen dient allereerst de rendementsgrondslag aan het begin van de peildatum volgens de systematiek van artikel 5.3 IB 2001 bepaald te worden. De rendementsgrondslag is – kortgezegd – de waarde van de bezittingen van een belastingplichtige verminderd met de waarde van de schulden van de belastingplichtigen voor zover dit bedrag hoger ligt dan het heffingsvrij vermogen. Zodra de rendementsgrondslag is vastgesteld wordt over het forfaitaire rendement – en dus niet het daadwerkelijk behaalde rendement – van de rendementsgrondslag belasting geheven via het proportionele box-3 tarief.2 Het forfaitaire rendement wordt door

EDITIE 2 2022 | ALIBI MAGAZINE

‘De inkt van mijn tentamen Corporate Finance lag nog te drogen toen ik geheel onverwachts overspoeld werd door meldingen over de kersverse uitspraak van de Hoge Raad.’ de wetgever vastgesteld en heeft gedurende haar bestaan metamorfoses gekend. Zo werd tot 2017 de omvang van het forfaitaire rendement vastgesteld op een vast percentage dat gelegd was op 4%. Het probleem was echter dat het daadwerkelijk behaalde rendement op het box 3-vermogen lager lag dan 4%, waardoor belastingplichtigen belast werden over een rendement wat zij niet daadwerkelijk behaalden. Een en ander betekende dat belastingplichtigen inteerden op hun vermogen doordat zij meer belasting afdroegen dan het inkomen dat op het vermogen behaald werd. Dit leidde tot een rits aan arresten waarin de vraag naar strijdigheid van de systematiek van het forfaitaire rendement met het eigendomsrecht centraal stond. Deze vraag werd door rechters niet bepaald eenduidig beantwoord. Zo stelde de Hoge Raad in zijn arrest op 29 september 2017 dat de forfaitaire rendementsheffing uit box 3 niet strijdig zou zijn met het eigendomsrecht omdat het forfaitaire rendement van 4% op lange termijn wel haalbaar zou zijn voor belastingplichtigen, waardoor de box 3 heffing voor belastingplichtigen geen buitensporige last zou zijn.3 Een ander geluid luidde op 14 juni 2019 toen de Hoge Raad oordeelde dat het forfaitaire rendement van 4% voor belastingplichtigen onhaalbaar zou zijn zonder dat belastingplichtigen te

grote risico’s zouden lopen met hun vermogen.4 Dit heeft ertoe geleid dat de Hoge Raad voor het eerst oordeelde dat de box 3-systematiek in strijd was met eigendomsrecht uit artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM. Hier was echter nog niet alles mee gezegd. Met dit oordeel van strijdigheid wierp zich een rechtstekort op wat enkel de Hoge Raad zou kunnen opvullen. De Hoge Raad heeft destijds echter verzuimd om het rechtstekort op te vullen, nu de Hoge Raad zich niet in staat achtte om op stelselniveau rechtsherstel te bieden vanwege de politieke overwegingen die aan een dergelijke compensatie en wijziging ten grondslag zouden liggen. Met deze – naar mijn idee terechte – terughoudende instelling heeft de Hoge Raad getracht te voorkomen om zitting te nemen op de stoel van de wetgever.

BIO Amin Larossi

Masterstudent Law & Finance aan de Universiteit van Amsterdam

29


ARTIKEL | BELASTINGRECHT

‘Met dit arrest onder de hand kunnen belastingplichtigen voor wie het huidige forfaitaire rendement nadelig is een heffing op basis van het werkelijke rendement bewerkstelligen.’ Om tegemoet te komen aan de heersende maatschappelijke kritiek besloot de wetgever op 1 januari 2017 het vaste forfaitaire rendement van 4% in te ruilen voor een forfaitair rendement wat, naar eigen zeggen, beter aansloot bij het gemiddelde rendement wat daadwerkelijk door belastingplichtigen gehaald werd. Daartoe heeft de wetgever de systematiek van de rendements-

30

klassen bedacht.5 Dit systeem deelt de rendementsgrondslag op in twee rendementsklassen met ieder hun eigen tarief. Tot rendementsklasse 1 behoort het ‘spaardeel’ van de rendementsgrondslag en tot rendementsklasse 2 behoort het ‘beleggingsdeel’. Het tarief over het beleggingsdeel ligt hoger dan het tarief over het spaardeel. Hiermee werd recht gedaan aan de gedachte dat

met beleggingsvermogen een groter rendement behaald zou worden dan met spaarvermogen. Hoe groot het aandeel van de rendementsgrondslag tot het spaardeel en het beleggingsdeel behoorde werd vrij arbitrair bepaald volgens de tabel in artikel 5.2 IB 2001. In het kort kwam het er op neer dat hoe groter het bedrag van de rendementsgrondslag is, des te groter het percentage van de grondslag dat in het beleggingsdeel zou vallen is. Dit betekende dus ook een hoger forfaitair rendement, wat op zijn beurt resulteert in een hogere afdracht van belasting. Met dit systeem heeft de wetgever rekening willen houden met de aanname dat vermogende belastingplichtigen meer zouden beleggen dan belastingplichtigen met een kleiner vermogen (en dus een kleinere rendementsgrondslag). Met de introductie van de rendementsklassen bleven de oorspronkelijke bezwaren jegens de forfaitaire

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 2 2022


ARTIKEL | BELASTINGRECHT

rendementsheffing nog bestaan. Nog steeds werden belastingplichtigen belast over het forfaitaire rendement en niet het over het rendement wat ze daadwerkelijk behaalden over hun vermogen. DISCUSSIE IN HET LICHT VAN HET ARREST VAN 24 DECEMBER 2021 De hierboven geschetste forfaitaire regeling gaat gepaard met een bepaalde vorm van ongelijkheid tussen belastingplichtigen. Belastingplichtigen die de verwachtingen overtroffen en een hoger daadwerkelijk rendement over hun vermogen behaalden dan het forfaitaire rendement worden fiscaal gunstiger behandeld dan belastingplichtigen die een lager rendement dan het forfaitaire behalen. Als we hier de aanname van de wetgever naast leggen, waaruit blijkt dat er een positief verband is tussen vermogen en beleggingen, komt er een tamelijk denivellerend beeld naar boven. Onder het huidige stelsel zijn het (onder andere) de vermogende pandjesbazen – inmiddels benoemd tot volksvijand nummer 1 – die in staat zijn om het forfaitaire rendement ruimschoots te overtreffen en daarmee profiteren van een onbelast renemdentsurplus. De ‘zielige’ box 3 spaarder die vrijwel geen rendement over zijn vermogen behaalt wordt zo – anders dan de pandjesbaas – benadeeld nu hij over het hogere forfaitaire rendement belast wordt. Gelet op deze ongelijkheid is het ook niet verwonderlijk dat de Hoge Raad in zijn arrest op 24 december 2021 tot het oordeel kwam dat er geen toereikende rechtvaardiging viel aan te wijzen voor het forfaitaire stelsel van box 3.6 Voor wat betreft het rechtstekort stelt de Hoge Raad dat de belastingplichtige rechtsherstel toekomt en dat niet alleen kan worden stilgestaan bij een vaststelling dat de belastingplichtige, als gevolg van de

EDITIE 2 2022 | ALIBI MAGAZINE

heffing, een individueel buitensporige last heeft.7 Het geboden rechtsherstel was in deze zaak een verlaging van het voordeel uit sparen en beleggen. Met dit arrest in de hand kunnen belastingplichtigen voor wie het huidige forfaitaire rendement nadelig is een heffing op basis van het werkelijke rendement bewerkstelligen. De ongelijke behandeling tussen belastingplichtigen wordt met dit arrest aangepakt nu belastingplichtigen het voor hen gunstige systeem kunnen kiezen: de belastingplichtige zijnde een belegger die beschikt over een hoog daadwerkelijk rendement zal ‘gewoon’ het voor hem gunstige huidige box 3-regime blijven toepassen, terwijl spaarders met een laag daadwerkelijk rendement zullen opteren voor belasting op basis van het daadwerkelijk behaalde rendement. Een reële angst is echter dat dit arrest een tweedeling in de belasting systematiek teweeg zal brengen: aan de ene kant de beleggende pandjesbazen voor wie het voordelig zal zijn om op basis van het forfaitaire rendement belast te worden en aan de andere kant de spaarders voor wie belasting op basis van het daadwerkelijke rendement gunstiger zal zijn. WAAROM BELASTEN WE NIET ‘GEWOON’ HET DAADWERKELIJKE RENDEMENT ? Deze problematiek werpt de vraag op waarom belastingplichtigen niet ‘gewoon’ over het daadwerkelijke rendement belast worden. Het antwoord is te vinden in de doelmatigheid van de belastingheffing. Het achterhalen van het daadwerkelijk behaalde rendement op vermogen van iedere belastingplichtige is een kostbare exercitie. Onder de huidige box 3-systematiek hoeft de Belastingdienst niet van elk vermogensbestanddeel van belastingplichtigen te achterhalen wat het daadwerkelijke rendement is. Dit betekent dat

onder het huidige stelsel de Belastingdienst – die het al moeilijk heeft – niet overtollige data van beleggingsinstellingen en banken hoeft te analyseren. Men kan zich afvragen of het verruilen van rechtvaardige belastingheffing voor doelmatigheid door de wetgever, gelet op de huidige uitspraak, de juiste keuze is geweest. TOEKOMSTPERSPECTIEF De huidige box 3-systematiek is een doorn in het oog van sparende belastingplichtigen nu hun rendement lager ligt dan het forfaitaire rendement. Om tegemoet te komen aan de kritiek die deels ook is aangewakkerd door de lage spaarrente heeft de Staatssecretaris van Financiën de Tweede Kamer in 2019 middels het contourenbriefje al laten weten dat een hervorming van box 3 voor spaarders mogelijk was. De recente uitspraak kan dan ook gezien worden in de lijn van deze ontwikkeling. Voor nu blijft het nog onduidelijk wat de concrete gevolgen van dit arrest zijn. Onduidelijk is of de belastingdienst alle box 3-aanslagen van ná 2017 met terugwerkende kracht moet compenseren en het overtollig geïnde moet terugbetalen. Het is nu aan de Staatssecretaris om snel met een reactie te komen op het arrest waarin dit wordt opgehelderd.

1 2 3

4 5 6

7

Artikel 5.1Wet inkomstenbelasting 2001 Artikel 2.3 Wet inkomstenbelasting 2001 Hoge Raad, 29 september 2017, ECLI:L:HR:2017:2517 Hoge Raad, 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816 Artikel 5.2 wet inkomstenbelasting 2001 Rechtsoverweging 3.6.1, Hoge Raad, 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816 Rechtsoverwegingen 3.6.2 en 3.6.3, Hoge Raad, 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816

31


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Het belastingstelsel weer opgeschud: box 3 nu definitief op de schop? by ALIBImagazine - Issuu