ARTIKEL
ONLINE KOOP VAN (GOEDKOPE) GESTOLEN GOEDEREN IS DUURKOOP
BRAM TEN BROECKE Bachelorstudent Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam.
In 2019 kocht 79 procent van de Nederlanders boven de 12 jaar iets via internet.1 Webwinkels zijn niet meer weg te denken uit onze samenleving. Alles wordt online gekocht. Een consument geniet op grond van art. 3:86 lid 3 sub a BW derdenbescherming tegen gestolen zaken die zijn gekocht in een winkel. Wat als de consument een gestolen zaak koopt via een webwinkel: kan de consument dan nog steeds een beroep doen op derdenbescherming? Derdenbescherming beschermt de verkrijger van een goed tegen de beschikkingsonbevoegde vervreemder van dat goed. Voor een geldige overdracht moet er geleverd worden krachtens een geldige titel door een beschikkingsbevoegde.2 Een beschikkingsonbevoegde, bijvoorbeeld iemand die zijn geleende studieboek probeert te verkopen, kan dus nooit rechtsgeldig overdragen.3 Maar wat als je onwetend het geleende studieboek koopt? Dan ben je geen eigenaar geworden van het boek omdat niet is voldaan aan alle vereisten voor een geldige overdracht. Via derdenbescherming, voor een roerende zaak ex art. 3:86 BW, is het toch mogelijk om eigenaar te worden van het studieboek. Een beroep op derdenbescherming, zoals bedoeld in 3:86 BW, is in beginsel niet mogelijk binnen de eerste 3 jaar nadat het bezit is verloren, als de geleverde zaak gestolen is.4 Dit is echter toch mogelijk als er een beroep kan worden gedaan op de uitzondering van art. 3:86 lid 3 sub a BW. Eén van de vereisten van art. 3:86 lid 3 sub a BW is dat de zaak gekocht
16
moet zijn ‘in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond’. Maar wat gebeurt er als je een gestolen zaak koopt op internet; is een beroep op de uitzondering van art. 3:86 lid 3 sub a BW dan mogelijk? Ik zal deze vraag bespreken aan de hand van het doel van art. 3:86 lid 3 sub a BW, de jurisprudentie en de literatuur. Het doel van art. 3:86 lid 3 sub a BW De reden dat een consument derdenbescherming geniet als het gaat
“DE REDEN DAT EEN CONSUMENT DERDENBESCHERMING GENIET ALS HET GAAT OM EEN GESTOLEN ZAAK GEKOCHT IN EEN WINKEL, IS OMDAT AAN HET BELANG VAN EEN CONSUMENT BIJZONDER GEWICHT TOEKOMT.”
Januari 2021 | ALIBI Magazine
ARTIKEL
“HET ZOU VREEMD ZIJN ALS JE ALS CONSUMENT BIJ DE LOKALE BOEKWINKEL MEER BESCHERMING GENIET DAN BIJ EEN SITE ALS BOL. COM, DIE VEEL GROTER IS DAN DE LOKALE BOEKWINKEL.” om een gestolen zaak gekocht in een winkel, is omdat aan het belang van een consument bijzonder gewicht toekomt. Dat heeft meerdere redenen. Zo kan een consument geen onderzoek doen naar de zaak, zoals de verkoper dat wel kan. Daarnaast behoort aan de goede trouw van een consument in beginsel niet te worden getwijfeld. Als de consument een zaak koopt bij een normale handelaar van die zaak, dus bijvoorbeeld bij een winkel, voldoet hij in beginsel al aan zijn zorgplicht. Vervolgens weegt het belang van de koper voor behoud van de zaak zwaarder dan dat van de gemiddelde bestolene om de zaak weer terug te krijgen. De bestolene heeft in de meeste gevallen zijn zaak al vervangen en het is meestal de verzekeraar die de zaak terug wil hebben. Tenslotte kan de bestolene een schadevergoeding krijgen5 of een vordering instellen uit onrechtmatige verrijking.6 De reden van de derdenbescherming voor de consument die iets koopt in een winkel en die dus onder de reikwijdte van art. 3:86 lid 3 sub a BW valt, is de hierboven beschreven belangenafweging tussen het belang van bestolene en het belang van consument. Deze belangenafweging kan ook worden toegepast op de consument die iets koopt in een webwinkel. Zo is het via webwinkels ook onmogelijk om
Januari 2021 | ALIBI Magazine
onderzoek te doen naar het product en heeft de bestolene nog steeds recht op schadevergoeding. Toch past het geven van derdenbescherming aan de consument bij koop via webwinkels niet helemaal onder de ratio van art. 3:86 lid 3 sub a BW. Als consumenten via webwinkels ook derdenbescherming genieten, wordt het voor verkopers aantrekkelijker om gestolen goederen te verkopen. Er is namelijk weinig nodig om een webwinkel te starten en je kunt daarom producten goedkoper inkopen en verkopen. De belangenafweging tussen consument en bestolene zal door het hierboven genoemde naar mijn inziens anders uitvallen, dit keer negatief voor de consument. Het arrest Gestolen caravan Wat onder een bedrijfsruimte valt, zoals bedoeld in art. 3:86 lid 3 sub a BW, is in de jurisprudentie bepaald. Dit komt tot uiting in HR Gestolen caravan.7 Het ging in dit arrest om een gestolen caravan die werd gekocht op een bedrijfsterrein, in een caravan, dit was het kantoor van de verkoper, die niet duurzaam was verenigd met de grond. Hoewel de caravan niet kwalificeerde als duurzaam met de grond verenigde verkoopruimte, kon de caravan daar wel in het opzicht van art. 3:86 lid 3 sub a BW aan gelijk worden gesteld. Beslissend was dat de verkoopruimte bestemd was om voor een langere tijd ter plaatse te blijven, dat er sprake was van enige continuïteit, en dus niet van eenmalige verkoop, en dat de consument er geen gestolen goederen behoefde te verwachten.8 In het arrest wordt de eis dat een goed in een onroerende zaak gekocht moet zijn deels aan de kant geschoven. Via deze
eisen is het lastig om te zeggen dat een webwinkel gelijk kan worden gesteld aan een bedrijfsruimte, zoals bedoeld in 3:86 lid 3 sub a BW. Bij een website is het nog lastiger om te bepalen of er sprake van enige continuïteit is, omdat een website op elk moment verwijderd kan worden of kan veranderen van webadres. De literatuur In de literatuur bestaat discussie over de vraag of webwinkels vallen onder de definitie van bedrijfsruimte.9 Ik zal de belangrijkste standpunten weergeven. A.F. Salomons geeft in WPNR 2000, p. 903, aan dat hij van mening is dat art. 3:86 lid 3 sub a BW niet van toepassing is op webwinkels, aangezien het wetsartikel is toegesneden op de predigitale samenleving en zo ook is geformuleerd.10 De wettekst staat eraan in de weg dat webwinkels onder art. 3:86 lid 3 sub a BW kunnen vallen. H.A.G. Fikkers is in WPNR 2000, p. 432-436 van mening dat art. 3:86 lid 3 sub a BW wel van toepassing is op webwinkels; wel dienen er volgens hem strengere eisen te worden gesteld aan de goede trouw van de koper.11 E. Koops en E.F. Verheul doen hier in hun artikel ‘Webwinkels en derdenbescherming’ een schepje bovenop en beargumenteren dat de consument bij koop via een webwinkel een beroep kan doen op art. 3:86 lid 3 sub a BW, ook als de webwinkel geen fysiek filiaal heeft. E. Koops en E.F. Verheul komen tot deze conclusie aan de hand van de jurisprudentie (het hierboven aangehaalde Gestolen caravan arrest) en de wetsgeschiedenis.12 Het zou immers vreemd zijn als je als consument bij de lokale boekwinkel meer bescherming geniet dan bij een site als bol.com, die
17
ARTIKEL
veel groter is dan de lokale boekwinkel.13 Ik sluit mij deels aan bij het argument van A.F. Salomons dat artikel 3:86 lid 3 sub a zich niet leent voor de digitale samenleving, maar zoals H.A.G. Fikkers en E. Koops en E.F. Verheul al betogen is het niet in alle gevallen terecht om een onderscheid te maken tussen webwinkels en fysieke winkels. Denk bijvoorbeeld aan een magnetron die je koopt via mediamarkt, waarom zou je minder bescherming genieten als je iets in een filiaal koopt of online. Conclusie Concluderend lijkt het mij verdedigbaar dat art. 3:86 lid 3 sub a BW toepasbaar is op webwinkels die naast een webwinkel ook een fysiek filiaal hebben. Het lijkt mij onverdedigbaar dat art. 3:86 lid 3 sub a BW van toepassing is op webwinkels zonder een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan. Het sluit niet aan bij het doel van art. 3:86 lid 3 sub a BW. Zo zal de belangenafweging,
“DUIDELIJK IS DAT ART. 3:86 LID 3 SUB A BW NIET IS TOEGESNEDEN OP EEN DIGITALE SAMENLEVING. DE WETGEVER ZOU HIER DUS WAT MEE MOETEN DOEN.” die van belang is voor de ratio van de uitzondering van art. 3:86 lid 3 sub a BW, bij een webwinkel anders uitvallen. De bewoording van art. 3:86 lid 3 sub a BW verzet zich ook tegen toepassing op webwinkels. Duidelijk is dat art. 3:86 lid 3 sub a BW niet is toegesneden op een digitale samenleving. De wetgever zou hier dus wat mee moeten doen.•
1.
2. 3. 4. 5. 6.
7. 8. 9.
10.
11. 12.
13.
14.
18
CBS, ‘in tien jaar tijd ruim 11 procent minder winkels’. https://www.cbs. nl/nl-nl/nieuws/2019/51/in-tienjaar-tijd-ruim-11-procent-minderwinkels#:~:text=In%202019%20 kocht%2079%20procent,omzet%20 uit%20de%20online%20verkoop. Art. 3:84 lid 1 BW. Art. 3:84 BW Art. 3:86 lid 3 BW Via art. 6:162 BW. Via art. 6:212 BW. en J.M.J. Chorus, ‘Artikel 86’, J. Hijma. Groene Serie Vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020. Aantekening 10.8.1.2. HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:ZC2491 (Gestolen caravan). HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:ZC2491 (Gestolen caravan), r.o. 3.5. J.M.J. Chorus, ‘Artikel 86’, J. Hijma. Groene Serie Vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020. Aantekening 10.8.2.4 en S.E. Bartels & A.I.M. van Mierlo (m.m.v. H.D. Ploeger), Mr. C. Assers. Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 3. Vermogensrecht algemeen. Deel IV. Algemeen goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2013. NR 441 A.F. Salomons, ‘Inpassen of aanpassen? Vermogensrecht voor het digitale tijdperk’, WPNR 2000, 6427, p. 901907 H.A.G. Fikkers, ‘E-commerce en de derdenbescherming van art. 3:86 lid 3 sub a BW’, WPNR 2000, 6406 p. 432-436 HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:ZC2491 (Gestolen caravan). en E.Koops, E.F. Verheul, ‘Webwinkels en derdenbescherming ‘2014’ anno 2014. Digitaal privaatrecht’ Den haag: Boom Juridische uitgevers, 2014. pp. 31-52 E.Koops, E.F. Verheul, ‘Webwinkels en derdenbescherming ‘2014’ anno 2014. Digitaal privaatrecht’ Den haag: Boom Juridische uitgevers, 2014. pp. 31-52 E.Koops, E.F. Verheul, ‘Webwinkels en derdenbescherming ‘2014’ anno 2014. Digitaal privaatrecht’ Den haag: Boom Juridische uitgevers, 2014. pp. 31-52
Januari 2021 | ALIBI Magazine