Skip to main content

ALIBI editie 1 2021/2022

Page 1

ALIBI EDITIE 1 | 2021/2022 | WWW.ALIBIONLINE.NL

Heeft het dier rechten? Algemeen Privaatrecht BESCHERMING VAN DE PERS ALS ‘’PUBLIC WATCHDOG’’ Fiscaal recht VERHUURDERHEFFING ALIBI MAGAZINE HET ONAFHANKELIJKE, JURIDISCHE TIJDSCHRIFT VAN DE FACULTEIT DER RECHTSGELEERDHEID VAN DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM


VOORWOORD

Sophie Mostert Hoofdredacteur Beste lezers, Welkom bij de eerste editie van ALIBI 2021/2022, hét magazine van de UvA rechtenfaculteit. Samen met voorzitter Joachim Niemeijer en penningmeester Bonny Burger nemen wij het stokje over van het vorige bestuur. Daarbij willen wij hen; Danique, Dorota en Hilde, bedanken voor hun inzet afgelopen jaar! Onze plannen voor dit jaar zijn onder andere om het blad toegankelijk te houden maar tegelijkertijd kwalitatief hoogstaand. Het recht is er immers voor iedereen, waarom zouden onze artikelen dat niet zijn? Door interessante en relevante artikelen aan te bieden hopen wij onze lezers meer kennis en/of diepgang te geven aan hun studie. Zo heb je bijvoorbeeld op dat ene feestje misschien nèt een beter verhaal te vertellen of schud je tijdens het lezen van een nieuwsbericht zo een juridisch feitje uit je mouw! Begin dit collegejaar hebben velen van jullie voor het eerst sinds lange tijd weer voet gezet op de Roeterseilandcampus of een andere rechtenfaculteit van de UvA. De volle fietsenstalling, de groepjes studenten bij de brug, de drukte die je overspoelt als je binnenloopt: het is alsof er nooit iets was veranderd. Niet gedacht dat ik het ooit zou zeggen maar misschien heb ik dat toch wel een klein beetje gemist. Zo rondde ik afgelopen jaar op de meest onbenullige manier mijn bachelor rechten af door mijn online tentamen in te leveren en mijn laptop dicht te klappen.

Daar zat je dan, alleen aan het bureau in je studentenkamertje. Nee, een heel denderende periode was het voor velen van ons zeker niet. De levendige drukte op de UvA geeft dan toch wel meer energie! Of dat voorlopig nog zo blijft is maar de vraag. Naar aanleiding van afgelopen persconferentie waarin de maatregelen werden verscherpt, is ook de kritiek op het vaccinatiebeleid toegenomen. Het coronadebat lijkt de samenleving alleen maar verder uit elkaar te drijven. Dat kan ook binnen het gezin. Zo schreef Bram ten Broecke over een rechtszaak waarin het kind gevaccineerd wil worden om zijn zieke oma te kunnen bezoeken, maar zijn vader dit niet toestaat. Hoe oordeelt de rechter in zo’n zaak? Lees dit in zijn artikel ‘Ongewenste vaccinatie’. Nederland is een land waarin zo’n debat mogelijk is. Mensen hebben het recht om hun mening te uiten. Een gevaar dreigt echter in de situatie waarin deze meningen zijn gebaseerd op onjuiste informatie. Veel informatie wordt van sociale media gehaald. ‘Dat heb gestaan op Facebook’ , luidde het devies. Door deze toenemende invloed rijst de vraag: wat is de rol van sociale media in deze samenleving? Jennifer Mol bespreekt dit en meer in haar artikel ‘Bescherming van de pers als ‘’public watchdog’’. naast COVID is een ander veelbesproken onderwerp de krappe woningmarkt. Het verlagen of afschaffen van de verhuurderheffing zou van invloed kunnen zijn op het toenemende woningtekort. Lisa Verhoeven legt in haar artikel uit wat de gevolgen van verhuurderheffing zijn op de woningmarkt.

ler Abdelhak Nouri. Deze ellendige gebeurtenis heeft namelijk ook een juridische kant. De intensieve verzorging die Nouri nodig heeft brengt veel kosten met zich mee. Hoe wordt deze schadevergoeding geregeld? De redacteurs van ALIBI houden zich bezig met recentelijke juridische ontwikkelingen. Zo trad afgelopen juli de Wet Straffen en Beschermen in werking. Een belangrijk element uit deze wet is de wijziging in de voorwaardelijke invrijheidstelling: hoeveel tijd zit een gedetineerde daadwerkelijk uit van hetgeen hij kreeg opgelegd? Destiny Ebinum legt in haar artikel de nieuwe regeling uit en zet de verschillende meningen hieromtrent uiteen. Nog recenter is het wetsvoorstel van minister Sander Dekker afgelopen november. Volgens dit voorstel zouden commerciële advocatenkantoren een maatschappelijke tegenprestatie moeten leveren. Lees meer over dit wetsvoorstel in het nieuwsartikel van Mijke Kuijper. Tot slot wordt in deze editie, niet alleen aandacht gegeven voor de rechten van mensen, maar ook voor die van dieren. Althans, als dierenrechten überhaupt bestaan. Naast dat dieren in theorie niet als zaken mogen worden aangemerkt, onderzoekt Charlotte Nab wat de daadwerkelijke positie van dieren is binnen ons rechtssysteem. Tot slot wenst de redactie en het bestuur van jaar 2021/2022 jullie veel plezier toe met het lezen van deze eerste (wederom fysieke) editie van ALIBI Magazine!

Voorzitter Joachim Niemeijer schrijft deze editie een stuk over voetbal-

Namens de gehele redactie wens ik u veel leesplezier toe!

Colofon

Wil je schrijven voor ALIBI?

Voorzitter Joachim Niemeijer

ALIBI is het tijdschrift van de Faculteit der

Mail dan naar: voorzitter@alibionline.nl

Hoofdredacteur Sophie Mostert

Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van

Redactie ALIBI

Penningmeester Bonny Burger

Amsterdam en wordt uitgebracht door en

Nieuwe Achtergracht 166,

Redactie Lisa Verhoeven, Bram ten Broecke,

voor studenten. Vier keer per jaar doet onze

Kamer A0.55C

Destiny Ebinum, Mijke Kuijper, Amin Larossi,

vaste redactie haar best om studenten te

1018 WV Amsterdam

Charlotte Nab, Aileen Howard, Jennifer Mol,

voorzien van interessante artikelen betref-

www.alibionline.nl

Oumaima Mkabri

fende diverse rechtsgebieden.

voorzitter@alibionline.nl

Vormgeving & illustraties Fier Media

2

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022


INHOUDSOPGAVE

INHOUDSOPGAVE ALIBI MAGAZINE 1 02 04 08

VOORWOORD

ARTIKEL HEEFT HET DIER RECHTEN?

ARTIKEL DE VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING IN PERSPECTIEF: HEBBEN WE NOG ‘VERTROUWEN IN DE TOEKOMST’?

04 EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE

14 18 20 14

ARTIKEL ONGEWENSTE VACCINATIE

ARTIKEL EEN NIEUWE TAAK VOOR DE COMMERCIËLE ADVOCATUUR IN DE GEFINANCIERDE RECHTSBIJSTAND

24 28

ARTIKEL VERHUURDERHEFFING

ARTIKEL BESCHERMING VAN DE PERS ALS ‘’PUBLIC WATCHDOG’’

ARTIKEL ‘RUIM VIER JAAR NA DE GROTE SCHOK IN DE VOETBALWERELD BEREIKEN DE FAMILIE NOURI EN AJAX EEN AKKOORD OVER DE SCHADEVERGOEDING’

28 3


ARTIKEL | ALGEMEEN PRIVAATRECHT

HEEFT HET DIER RECHTEN? OP 4 OKTOBER WAS HET DIERENDAG. DIT IS EEN DAG WAAROP IK MIJN KAT EEN EXTRA KNUFFEL GEEF, MAAR OOK DE DAG WAAROP VEEL DIERENRECHTENORGANISATIES AANDACHT VRAGEN VOOR DIEREN EN HUN RECHTEN. WE SPREKEN VAN DIERENRECHTEN, MAAR WAT HOUDEN DIE PRECIES IN? EN BESTAAN ZE EIGENLIJK WEL? OM ECHT TE SPREKEN VAN DIERENRECHTEN ZOU HET DIER NAMELIJK RECHTSSUBJECT, DRAGER VAN RECHTEN EN PLICHTEN, MOETEN ZIJN. IN DE NABIJE TOEKOMST ZIE IK ZO SNEL EEN KOE NOG GEEN BELASTING BETALEN, MAAR DE VERWERVING VAN ENKELE RECHTEN ZIE IK NOG WEL GEBEUREN. IK VERKEN DE TOTSTANDKOMING VAN DE HUIDIGE POSITIE VAN DIEREN IN ONZE RECHTSSTAAT, DE INTRINSIEKE WAARDE VAN HET DIER, DE ONTZAKELIJKING EN HET DIER ALS RECHTSOBJECT EN -SUBJECT. DOOR CHARLOTTE NAB

4

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022


ARTIKEL | ALGEMEEN PRIVAATRECHT

Gedurende de twintigste eeuw kwamen er steeds meer wetten die dierenbescherming boden. Sommige wetten strekten tot dierenbescherming en sommige waren eerder gericht op het verbeteren van bijvoorbeeld de volksgezondheid. De gezondheids- en welzijnswet voor dieren(Gwwd) uit 1992 is een voorbeeld van een wet die zowel belangen van mensen als dieren waarborgde. Toch was deze wet enigszins speciaal: de wetten die voorgingen aan de Gwwd somden doorgaans verbodsbepalingen op: ‘Je mag dit en dit niet met een dier doen’. De Gwwd had daarentegen als uitgangspunt dat handelingen met dieren verboden zijn, tenzij ze zijn toegestaan. Het ‘nee, tenzij’ principe werd geïntroduceerd en vormde een fundamentele verandering in de houding naar dieren: “Gebruik van dieren is niet meer vanzelfsprekend, maar moet kunnen worden gerechtvaardigd.” 1 INTRINSIEKE WAARDE De Wet dieren uit 2011 stelt regels mede ter erkenning van de intrinsieke waarde van het dier. De wetgever definieert deze als ‘de eigenwaarde van dieren, zijnde wezens met gevoel’.2 Eerder werd de intrinsieke waarde ook al genoemd. In 1981 legde de overheid in een nota uit dat de erkenning van intrinsieke waarde tot consequentie heeft dat het gebruik van een dier soms niet gerechtvaardigd kan worden.3 Niet alleen de gebruikswaarde voor de mens, maar ook de intrinsieke waarde van het dier moet worden meegenomen in een belangenafweging.4 Er is dus alsnog een belangenafweging nodig op basis van de plichten van een mens tegenover het dier, omdat de intrinsieke waarde, hoe inherent dan ook, geen rechten toekent aan het dier.5 Oftewel: de intrinsieke waarde maakt van het dier nog geen rechtssubject.

EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE

Ieder mens is rechtssubject en heeft rechten en plichten. Er is in 2013 een wet in werking getreden die dieren onderscheidt van zaken. Echter, de bepalingen van toepassing op zaken, zijn ook van toepassing op dieren, zo stelt het tweede lid van het wetsartikel.6 Wat dieren wel zijn, blijkt niet duidelijk, maar ze zijn in ieder geval geen zaken meer. RECHTSSUBJECTIVITEIT Ieder mens is rechtssubject en heeft rechten en plichten. Een rechtssubject kan deelnemen aan het rechtsverkeer en staat tegenover een rechtsobject.7 Een object is hetgeen waar recht betrekking op heeft.8 Een rechtsobject kan ook wel gedefinieerd worden als een goed, wat op haar beurt gedefinieerd kan worden als zaken en alle vermogensrechten.9 We weten dat onze wetgever het dier niet wil aanmerken als zaak, maar maakt het daardoor van het dier een rechtssubject? Het ‘nee, tenzij’ principe, de erkenning van de intrinsieke waarde en de aparte verklaring dat dieren geen zaken zijn, duwen het dier van de rechtsobjectiviteit af. Zo lijkt het tenminste. Tegelijkertijd komt het dier ook duidelijk nog geen volledige rechtssubjectiviteit toe. Bastiaan Rijpkema zegt heel mooi dat waar het dier voor 2013 een bijzonder soort object was waar je sommige dingen niet mee mocht doen, het nu een bijzonder soort subject is waar je allerlei dingen wél mee mag doen.10 Rechtssubjecten nemen over het algemeen deel aan het rechtsverkeer, maar er zijn uitzonderingen. Zo verliest een persoon die wilsonbekwaam

wordt niet haar rechtssubjectiviteit. Zij is bijvoorbeeld nog steeds drager van grondrechten. De wetgever heeft echter niet beoogd om het dier rechtssubjectiviteit toe te kennen.11 Zij wilde louter een aparte categorie naast de levenloze zaken. Er hoeft volgens de wetgever bovendien geen onduidelijkheid te ontstaan, omdat lid 2 van het artikel immers stelt dat alle regels van toepassing op zaken, ook van toepassing zijn op dieren.12 Het dier lijkt dus volgens de wet toch een rechtsobject te blijven. KRITIEK Vanuit de literatuur is er veel kritiek op de wetswijziging. De ontzakelijking van het dier wordt door sommigen gezien als een louter symbolische daad die niet thuishoort in het Burgerlijk Wetboek.13 De wetgever geeft aan dat het niet strookt met ons rechtsgevoel om dieren te behandelen als andere doorsnee zaken. De wetgever legt dit uit door te stellen dat dieren een bijzondere positie (lees intrinsieke waarde) hebben en dat daar

BIO Charlotte Nab

Bachelorstudent Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam

5


ARTIKEL | ALGEMEEN PRIVAATRECHT

De erkenning van de intrinsieke waarde en de ontzakelijking scheppen ook extra plichten voor de mens. rekening mee moet worden gehouden.14 Het was daarom dan misschien een nodige aanpassing. Op een vraag van de VVD over de betekenis van intrinsieke waarde van niet en wel gehouden dieren

6

antwoordt de wetgever: “Dergelijke overwegingen zijn niet doorslaggevend voor de betekenis van het begrip intrinsieke waarde. Het gaat niet om de herkomst van het dier. Het is ook niet relevant of het dier wordt gehouden of niet. Elk dier heeft een intrinsieke

waarde, in de betekenis zoals hiervoor omschreven.” 15 De wetgever lijkt niet helemaal te weten wat zij wil. Aan de ene kant geeft zij aan dat we anders naar dieren moeten kijken, maar eigenlijk wil ze de positie van het dier niet echt veranderen. Zij kent het dier intrinsieke waarde toe, maar dat zorgt er eigenlijk alleen voor dat er een plicht voor mensen bijkomt om extra dieren‘rechten’ te waarborgen en niet voor rechten voor een dier. Wat voelt als een, al dan niet kleine, rechtsontwikkeling, lijkt eigenlijk maar weinig gevolgen te hebben. De praktijk lijkt niet overeen te komen met de intrinsieke waar-

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022


ARTIKEL | ALGEMEEN PRIVAATRECHT

worden gehouden met de intrinsieke waarde. CONCLUSIE Samenvattend heeft het dier dus geen rechten. Door de komst van het ‘nee, tenzij’ principe is het wel zo dat niet langer elk gebruik van het dier vanzelfsprekend is. Het schept dus een plicht voor mensen om het gebruik van het dier te rechtvaardigen. De erkenning van de intrinsieke waarde en de ontzakelijking scheppen ook extra plichten voor de mens. Er moet rekening gehouden worden met dat dieren niet zomaar zaken zijn, maar gevoel hebben en dat hun belangen moeten worden meegewogen. De wetgever heeft echter absoluut niet beoogd om van het dier rechtssubject te maken.

1

2

3

4

De wetgever stelt dat het niet met ons rechtsgevoel strookt om dieren louter als zaken aan te merken, maar om eerlijk te zijn strookt het niet met mijn rechtsgevoel dat de wetgever erkent dat dieren intrinsieke waarde hebben én in het recht behandeld moeten worden als zaken. Dezelfde bepalingen zijn immers nog steeds van toepassing op dieren.

5

6 7

8

9

de die het dier toekomt volgens de wetgever. Janneke Vink pleit daarom voor de rechten voor dieren. Zij stelt in een interview met de Volkskrant dat er inderdaad misschien al regels zijn voor hoe wij met dieren omgaan, maar dat voor het houden van een konijn dat wordt gebruikt als proefdier totaal andere regels gelden dan voor een konijn dat wordt gehouden als huisdier. Als we de rechten van dieren zouden verankeren in de (grond)wet, dan zouden er daadwerkelijke botsende grondrechtelijke belangen zijn, waardoor er echt rekening wordt gehouden met de belangen van het dier.16 Op deze manier zou er echt rekening kunnen

EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE

In ieder geval heeft het dier (nog) geen rechten. Het lijkt erop dat we een nieuwe categorie rechtsposities hebben: het rechtsobject dat geen zaak of vermogensrecht is.

10

Er is dus alsnog een belangenafweging nodig op basis van de plichten van een mens tegenover het dier, omdat de intrinsieke waarde, hoe inherent dan ook, geen rechten toekent aan het dier.

13

11

12

14

15

De ontzakelijking van het dier wordt door sommigen gezien als een louter symbolische daad die niet thuishoort in het Burgerlijk Wetboek.

16

D.J. Verdonk, ‘Dierenrechten’, Amsterdam: Amsterdam University Press 2016 Artikel 1.3 Wet Dieren, Wet van 19 mei 2011, houdende een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen. Ministerie van cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, Rijksoverheid en dierenbescherming, 1981. Kamerstukken I 2010/11, 31389 E, nr. 1, p. 2(MvA). Kamerstukken I 2009/10, 31389 C, nr. 1, p. 9(MvA). Artikel 3:2a Burgerlijk Wetboek. H.Ph.J.A.M. Hennekens, De natuurlijke en andere personen als rechtssubjecten, in O&R nr. 100, Vertrouwen in het burgerlijke recht, 31-07-2017. S.E Bartels & mr. A.I.M. van Mierlo, Rechtsobject, in: Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/53, 01-04-2013. Artikel 3:1 Burgerlijk Wetboek. D.J. Verdonk, ‘Dierenrechten’, Amsterdam: Amsterdam University Press 2016 Kamerstukken I 2010/11, 31389 E, nr. 1, p.1(MvA). Kamerstukken I 2009/10, 31389 C, nr. 1, p. 16(MvA). J.E. Jansen, Over de ontzakelijking van dieren en de grenzen van het zaaksbegrip(Rechtsgeleerd Magazijn Themis 172(5)), University of Groningen 2011. Kamerstukken I 2009/10, 31389 C, nr. 1, hfst. 2 & 2.3(MvA). Kamerstukken I 2009/10, 31389 C, nr. 1, p. 4(MvA). A. le Clercq, ‘Dierenrechten zijn niet zomaar een mening, ze horen bij het fundament van de democratie’, Volkskrant.nl 21 oktober 2019.

7


ARTIKEL | STRAFRECHT

DE VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING IN PERSPECTIEF: HEBBEN WE NOG ‘VERTROUWEN IN DE TOEKOMST’? OP 1 JULI 2021 TRAD DE WET STRAFFEN EN BESCHERMEN (HIERNA: WSB) IN WERKING, EN DIT GING NIET GERUISLOOS. DE NIEUWE WET MAAKT EEN INGRIJPENDE VERANDERING IN DE RECHTSPOSITIE VAN GEDETINEERDEN EN ER BESTAAT AL SINDS DE AANKONDIGING VAN HET VOORSTEL VERDEELDHEID OVER DE BESCHERMING VAN DE TEGENGESTELDE BELANGEN DIE HET WETSVOORSTEL RAAKT. DOOR DESTINY EBINUM

8

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022


ARTIKEL | STRAFRECHT

Eén van de belangrijkste vernieuwingen die de wet met zich meebrengt, is de wijziging van de regeling omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling, ook wel de v.i.-regeling genaamd. Het is een wijziging die is bedoeld om de maatschappij beter te beschermen, maar ook een wijziging die direct de rechten van gedetineerden beperkt. De regering blijkt van mening dat bescherming van de maatschappij voorrang verdient, maar verschillende instanties, waaronder de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ) zijn het hier niet mee eens. In dit artikel wordt de nieuwe v.i.-regeling besproken en worden de tegengestelde meningen tegenover elkaar gezet. VAN RECHTSWEGE VRIJ De regeling omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling werd tot 1 juli 2021 geregeld in het oude art. 6:2:10 e.v. Sv. Er bestonden – en er bestaan nog steeds - twee verschillende regelingen: een regeling voor gedetineerden die minder dan twee jaar vastzitten en een regeling voor gedetineerden die langer dan twee jaar vastzitten. Een gedetineerde die een gevangenisstraf van (ten hoogste) twee jaar opgelegd had gekregen, kon vrijkomen wanneer hij of zij ten minste één jaar en een derde van het restant van die straf had uitgezeten.1 Concreet betekende dit dat een gedetineerde die een gevangenisstraf van twee jaar opgelegd had gekregen, na één jaar en vier maanden vrij kon komen. De overige acht maanden was hij dan voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Voor gevangenen die langer dan twee jaar vastzitten, was de regeling simpeler. Een ieder die een gevangenisstraf van meer dan twee jaar opgelegd had gekregen, kwam in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling wanneer zij twee derde van hun straf hadden ondergaan.2 Een gevangenisstraf van twaalf jaar was daarom in feite een gevangenisstraf van acht

EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE

‘’Een gevangenisstraf van twaalf jaar was daarom in feite een gevangenisstraf van acht jaar; en een straf van 30 jaar eigenlijk een straf van 20 jaar.’’ jaar; en een straf van 30 jaar eigenlijk een straf van 20 jaar. De invrijheidstelling gebeurde altijd van rechtswege. Iedere gedetineerde die in aanmerking kwam voor invrijheidstelling werd in beginsel ook vrijgelaten, tenzij het Openbaar Ministerie (hierna: OM) een vordering instelde bij de rechter om dit te voorkomen.3 Iedere gedetineerde tegen wie geen succesvolle verhinderingsvordering werd ingesteld, kwam vrij onder de algemene voorwaarde dat zij geen nieuw strafbaar feit zouden begaan.4 Indien de voorwaardelijk in vrijheid gestelde toch een delict pleegde, kon het OM vorderen dat de invrijheidstelling werd herroepen en dat de gedetineerde het restant van zijn straf uit moest zitten.5 Vaak kwam daar dan ook een nieuwe straf bovenop voor het nieuwe strafbare feit. Daarnaast konden ook bijzondere voorwaarden worden opgelegd, schending daarvan had hetzelfde gevolg.6 Het idee achter deze v.i.-regeling was dat een gedetineerde na een lange detentie geleidelijk terug moest kunnen keren in de maatschappij.7 Een systeem waarin de gedetineerde onder voorwaarden weer deel uit kan gaan maken van de samenleving, gunt de ex-gedetineerde namelijk tijd om te wennen. Het leven in een penitentiaire inrichting verschilt uiteraard in grote mate van het leven daarbuiten

BIO Destiny Ebinum

Bachelorstudent Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam

9


ARTIKEL | STRAFRECHT

‘’Het idee achter deze v.i.-regeling was dat een gedetineerde na een lange detentie geleidelijk terug moest kunnen keren in de maatschappij.’’ en zonder begeleiding zou de stap terug in de samenleving te groot kunnen zijn.8 Het beleid rondom de voorwaardelijke invrijheidstelling had dus als doel om een goed resocialisatieproces van ex-gedetineerden te waarborgen. VAN RECHT NAAR GUNST De WSB wijzigt de v.i.-regeling op drie punten ingrijpend. De eerste en – wellicht – de meest ingrijpende

10

verandering is de toevoeging van een maximale duur aan de voorwaardelijke invrijheidstelling. Hoewel het uitgangspunt nog steeds is dat een gedetineerde na twee derde van zijn straf in vrijheid kan worden gesteld, wordt hier nu aan toegevoegd dat de periode van voorwaardelijke invrijheidstelling de twee jaar niet mag overstijgen.9 Voorheen kon deze periode nog oplopen tot maximaal tien jaar, bij een gevangenisstraf van 30 jaar. Een

gevangenisstraf van twaalf jaar is dus nu minimaal een gevangenisstraf van tien jaar en een gevangenisstraf van 30 jaar duurt nu minimaal 28 jaar – zonder gegarandeerde (voorwaardelijke) invrijheidstelling. De tweede wijziging die wordt doorgevoerd is namelijk dat de voorwaardelijke invrijheidstelling niet langer van rechtswege zal geschieden. Het nieuwe artikel 6:2:10 lid 3 Sv regelt namelijk dat er nu een afweging gemaakt dient te worden op basis van verschillende criteria, alvorens de gedetineerde in vrijheid wordt gesteld. In de besluitvorming worden in ieder geval het gedrag van de gedetineerde en zijn geschiktheid om terug te keren in de maatschappij, de mogelijke risico’s van invrijheidstelling en de belangen van slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen betrokken.10 Met andere woorden, voordat een gedetineerde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld wordt

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022


ARTIKEL | STRAFRECHT

verdient, heeft in grote mate te maken met de slechte naam die het v.i.-systeem de laatste jaren heeft gekregen. Het uitgangspunt in de samenleving is dat een straf die wordt opgelegd, ook ten uitvoer wordt gelegd door de gedetineerde.15 Dit draagt bij aan ons gevoel van rechtvaardigheid, maar is uiteraard ook een belofte die gemaakt wordt naar slachtoffers en nabestaanden.16 Onder de oude v.i.-regeling was dit echter vaak niet het geval. Een gevangenisstraf van 12 jaar was – zoals we eerder zagen – een gevangenisstraf van 8 jaar etc., en dit heeft de laatste jaren voor publieke verontwaardiging gezorgd. Het doel van de regering is dan ook om strenger toe te zien op de strafexecutie, onder andere door invoering van een nieuwe v.i.-regeling, om bij te dragen aan de geloofwaardigheid en legitimiteit van het strafrechtssysteem.17

er een risico analyse uitgevoerd om in te schatten of de gedetineerde succesvol terug zou kunnen keren in de maatschappij, zonder te recidiveren. Hierbij wordt ook bekeken wat voor impact de invrijheidstelling zou kunnen hebben op slachtoffers en nabestaanden. Het OM maakte waarschijnlijk altijd al een dergelijke afweging, nu zij verhinderingsvorderingen indienden tegen gedetineerden bij wie zijn twijfels hadden. Het voornaamste verschil is de rol die de risicoanalyse zal spelen. Voorheen kon het OM deze analyse gebruiken om een vordering in te stellen, vanaf 1 juli dit jaar is de analyse het uitgangspunt voor eventuele vervroegde vrijlating. Niet alleen de risicoanalyse wordt uitgevoerd door het OM. De derde belangrijke wijziging, is namelijk dat alle beslissingen rondom de voorwaardelijke invrijheidstelling en de herroeping daarvan door het OM worden gemaakt, zonder tussenkomst

EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE

van de rechter.11 Voorheen kon het OM alleen een vordering instellen om in speciale gevallen voorwaardelijke invrijheidstelling te voorkomen, nu hebben zij de bevoegdheid om in ieder geval te beoordelen of de gedetineerde eerder vrijkomt. Daarnaast beslissen zij ook tot herroeping van de invrijheidstelling, indien de gedetineerde zijn algemene of bijzondere voorwaarde schendt.12 VERTROUWEN IN DE TOEKOMST De WSB en de wijziging van de v.i.-regeling zijn de uitvoering van het regeerakkoord dat in 2017 werd vastgelegd bij de vorming van kabinet Rutte III, genaamd ‘Vertrouwen in de toekomst’.13 Toen werd al besloten dat de v.i.-regeling zou worden herzien, met als hoofddoel het meebewegen met ontwikkelingen in de samenleving om veiligheid te garanderen.14 Dat de beveiliging van de samenleving volgens de regering meer aandacht

De wijziging van de v.i.-regeling is niet alleen een reactie op publiekelijk onbegrip. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel WSB deelt de regering een aantal uitgangspunten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen. Ten eerste heeft een gevangenisstraf het doel dat voor de gedetineerde duidelijk wordt dat zijn gedrag niet geduld wordt door de maatschappij en dat zijn gedrag – na zijn vrijlating – dus zal moeten veranderen.18 Op die manier wil de regering bijdragen aan de vermindering van het recidiverisico. De strengere handhaving van de gevangenisstraf en de minder coulante vrijlatingsregeling zouden hier dus aan bij kunnen dragen. Hier komt bij dat de regering nu heeft gesignaleerd dat gedetineerden verlof en voorwaardelijke invrijheidstelling als vrijblijvend ervaren.19 Terwijl, volgens de regering, deze invrijheidstelling in het teken moet staan van re-integratie en ook pas moet worden toegekend wanneer een gedetineerde heeft bewezen terug te kunnen keren

11


ARTIKEL | STRAFRECHT

in de maatschappij. Tot slot dient er meer rekening te worden gehouden met de belangen van slachtoffers.20 TEGENADVIES Zoals eerder aangehaald, is niet iedereen het eens met de wijzigingen die gemaakt zijn. Onder andere de RSJ heeft een advies uitgebracht waarin zij een aantal kritiekpunten uit op de motivatie van de regering. Ook in de literatuur wordt een aantal belangrijke kanttekeningen gemaakt. Om te beginnen benoemt de RSJ in zijn advies dat er geen noodzaak bestaat voor het wijzigen van de

v.i.-regeling. In de memorie van toelichting werd gesteld dat toezicht op de strafexecutie kan bijdragen aan de geloofwaardigheid en legitimiteit van het strafrechtssysteem. De RSJ erkent dat er een maatschappelijke discussie bestaat omtrent het strafrechtsysteem, maar zij stelt dat ook goede voorlichting van de samenleving over het strafrechtssysteem en het belang van resocialisatie kan bijdragen aan deze legitimiteit.21 De voorwaardelijke invrijheidstelling heeft namelijk een specifiek doel, namelijk de (begeleide) terugkeer in de samenleving en dus resocialisatie van ex-gedetineerden. De RSJ is van mening dat voorlichting

‘’Dat er onbegrip bestaat voor de vervroegde vrijlating, heeft dus ook te maken met onbegrip voor het maatwerk dat de rechter altijd al heeft geleverd’’ 12

van de samenleving, slachtoffers en nabestaanden over deze doelen, ook kan bijdragen aan maatschappelijk draagvlak voor de v.i.-regeling, zonder de regeling zelf aan te hoeven passen.22 Ook Schuyt schrijft over het missen van een noodzaak bij voor de regeling. Zijn inziens houdt de rechter bij het opleggen van de straf rekening met de tijd die een gedetineerde eerder vrij zal kunnen komen.23 Zij kunnen als het ware een rekensom maken bij het toemeten van de straf. Rechters weten het beste welke straf bij welk vergrijp past en kunnen rekening houden met vervroegde vrijlating.24 Dat er onbegrip bestaat voor de vervroegde vrijlating, heeft dus ook te maken met onbegrip voor het maatwerk dat de rechter altijd al heeft geleverd.25 Ook hij pleit dus voor meer voorlichting over het systeem zoals het is, dan voor wijziging van het systeem zelf. Daarbij trekt de RSJ ook in twijfel of de toewijzing van voorwaardelijke invrijheidstelling automatisme is geworden. Zoals we zagen gold

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022


ARTIKEL | STRAFRECHT

inderdaad als uitgangspunt dat aan een ieder voorwaardelijke invrijheidstelling werd verleend, tenzij het OM daartegen in beroep ging. Het ministerie noemde dit in de memorie van toelichting automatisme waarbij niet meer per gedetineerde werd bekeken of hij of zij wel geschikt was voor vervroegde vrijlating.26 Bovendien zouden gedetineerden de voorwaardelijke invrijheidstelling als recht en niet als gunst – en als vrijblijvend – ervaren.27 Volgens de RSJ komt dit echter niet overeen met de praktijk. Zij stellen dat ook onder de huidige regeling er per gedetineerde werd bekeken of er een verhinderingsvordering moest worden ingesteld.28 Dit gebeurde ook dikwijls en de rechter wees in de meerderheid van de gevallen het verzoek toe. Van automatisme was dus geen sprake. In de literatuur wordt bovendien benadrukt dat de nieuwe regeling ook nadelen met zich meebrengt. Onderzoekers betwijfelen namelijk of een periode van twee jaar voldoende tijd is om volledig te kunnen integreren, met name wanneer de veroordeelde een lange periode in de gevangenis gezeten heeft.29 Wanneer – in het uiterste geval – iemand 28 jaar gedetineerd is geweest, is het nog maar de vraag of twee jaar begeleiding voldoende is om te garanderen dat de ex-gedetineerde goed kan terugkeren in de samenleving. Bovendien, zo werpt Schuyt op in zijn stuk, bestaat het risico dat gedetineerden calculerend gedrag gaan vertonen. Het idee is dat gedetineerden liever de twee extra jaar in de gevangenis zouden zitten om vervolgens zonder voorwaarden vrij te worden gelaten, dan twee jaar onder toezicht te staan en zich aan (bijzondere) voorwaarden te moeten houden.30

lijnrecht tegenover elkaar. Enerzijds de bescherming van de maatschappij en anderzijds de bescherming van de rechten van de gedetineerde. Toch gaat het om meer dan alleen de bescherming van belangen. Het gaat ook over het resocialisatieproces van gedetineerden, waarvan we juist kunnen zeggen dat die in belangrijke mate invloed heeft op de veiligheid in de maatschappij. De wetswijzigingen zou juist tot meer problemen kunnen leiden, zoals een (te) verkort resocialisatieproces en calculerend

er geen noodzaak voor de nieuwe regeling bestaat, gegrond lijkt. Het voorliggende probleem, namelijk de legitimering van ons strafrechtstelsel, zou ook makkelijker opgelost kunnen worden. Voorlichting over de toegevoegde waarde van de voorwaardelijke invrijheidstelling zou bijvoorbeeld het onbegrip al weg kunnen nemen. Dit zou betekenen dat de nieuwe regeling nodeloos inbreuk maakt op het vrijheidsperspectief van gedetineerden en dit is verontrustend. Want mocht de oplossing echt zo makkelijk

gedrag. Dit is met name problematisch, aangezien het bezwaar dat

zijn geweest, dan zijn we nu alleen nog maar verder van huis.

1

2

3

4

5 6

7

8 9

10

11

12 13 14

CONCLUSIE Het moge duidelijk zijn dat de meningen over de nieuwe v.i.-regeling verdeeld zijn. Er staan twee belangen

EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE

Artikel 6:2:10 lid 1 (oud) Wetboek van Strafvordering. Artikel 6:2:10 lid 2 (oud) Wetboek van Strafvordering. Artikel 6:2:10 lid 3 (oud) jo. 6:2:12 (oud) Wetboek van Strafvordering. Artikel 6:2:11 lid 1 (oud) Wetboek van Strafvordering. Artikel 6:2:13 (oud) Wetboek van Strafvordering. Artikel 6:2:11 lid 2 en 3 (oud) jo. 6:2:13 (oud) Wetboek van Strafvordering Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Goed bejegenen. Beginselen voor het overheidsoptreden tegenover mensen die een justitiële straf of maatregel ondergaan. Verkorte uitgave (advies), Den Haag: Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, 2012, p. 15-16. Idem, p. 15-16. Artikel 6:2:10 lid 1 sub b (nieuw) Wetboek van Strafvordering. Artikel 6:2:10 lid 3 (nieuw) Wetboek van Strafvordering. Artikel 6:2:12 lid 1 (nieuw) Wetboek van Strafvordering. Idem. Kamerstukken II 2018-2019, 35 122, 3, p. 1. M. Rutte, S. Van Haersma Buma, A. Pechtold & G. Segers, Vertrouwen in de toekomst (regeerakkoord 2017 – 2021 ), Rijksoverheid, 10 oktober 2017, p. 3-6.

15

16 17 18 19 20 21

22 23

24 25 26

27 28 29

30

Kamerstukken II 2018-2019, 35 122, 3, p. 1-2 en 5-13. Idem, p. 1-2 en 5-13. Idem, p. 1-2 en 5-13. Idem, p. 1-2. Idem, p. 1-2. Idem, p. 1-2. Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Advies inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling (advies), Den Haag: Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, 2018, p. 3-4. Idem, p. 3-4. P. Schuyt, ‘Voorwaardelijke invrijheidstelling: het beeld en de werkelijkheid’, Sancties 2019/2, p. 4-5. Idem, p. 4-5. Idem, p. 4-5. Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Advies inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling (advies), Den Haag: Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, 2018, p. 4-5. Idem, p. 4-5. Idem, p. 4-5. P. Schuyt, ‘Voorwaardelijke invrijheidstelling: het beeld en de werkelijkheid’, Sancties 2019/2, p. 4-5. Idem, p. 4-5.

13


ARTIKEL | PERSONEN- EN FAMILIERECHT

ONGEWENSTE VACCINATIE OP 6 JANUARI 2021 WERD DE ALLEREERSTE PRIK MET HET CORONAVACCIN IN NEDERLAND GEZET. AL LANG DAARVOOR, MAAR OOK DAARNA HEBBEN MENSEN VRAGEN EN TWIJFELS OVER HET VACCIN. DE BETROUWBAARHEID VAN HET VACCIN WORDT IN TWIJFEL GETROKKEN OMDAT HET ZO SNEL ONTWIKKELD IS: MENSEN ZIJN BANG VOOR DE GEVOLGEN OP LANGE TERMIJN.1 HET DEBAT HIEROVER WORDT LANDELIJK GEVOERD EN KOMT ZOWEL TOT UITING IN EEN CORONAPROTEST, ALS IN EEN KEUKENTAFELGESPREK. DOOR BRAM TEN BROECKE

14

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022


ARTIKEL | PERSONEN- EN FAMILIERECHT

Sommige mensen besluiten zich niet te laten vaccineren. Maar wat moet je als kind doen als je wel gevaccineerd wilt worden, maar één van je ouders hiervoor geen toestemming geeft? Dit was aan de hand in de uitspraak die centraal staat in dit artikel. Afgelopen september oordeelde de rechtbank Noord-Holland dat een kind gevaccineerd mag worden als hij dat wil, ook als een ouder van het kind daar niet mee instemt.2 In deze bijdrage bespreek ik de uitspraak van rechtbank Noord-Holland. Ik zal eerst de zaak inhoudelijk bespreken, vervolgens zal ik uitleggen hoe het juridisch in elkaar zit en ik zal afsluiten met een conclusie. WAT IS ER AAN DE HAND IN DE ZAAK De zaak die de rechtbank Noord-Holland beslecht vloeit voort uit een ander geschil. De originele procedure gaat over een geschil dat de ouders van de twaalfjarige jongen hebben over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken. De twee kinderen van de ouders wonen afwisselend bij elke ouder. Hierdoor hebben zij steeds een andere reisduur naar school. Dit valt zwaar voor de kinderen. Uit het geschil vloeit de zaak voort die centraal staat in dit artikel. Naast de lastige relatie tussen ouders worden kinderen ook belast met het volgende: de oma van de twaalfjarige jongen is ziek. Oma heeft uitgezaaide longkanker en zit daardoor in haar laatste levensfase. De twaalfjarige wil oma graag bezoeken, al helemaal nu zij in het laatste stadium van haar leven zit. Oma bezoeken kan op het moment niet zonder zorgen. De jongen is bang dat als hij op bezoek gaat, hij zijn oma in gevaar kan brengen omdat hij nog niet gevaccineerd is en zijn oma kan besmetten. De jongen is ervan overtuigd dat als oma besmet raakt, zij in levensgevaar zal verkeren. De twaalfjarige wil daarom graag gevaccineerd worden. Hiernaast is testen geen optie voor de jongen omdat zijn vader

EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE

Gelet op het positieve advies van de gezondheidsraad maar vooral gelet op de belangen van de twaalfjarige hiervoor geen toestemming geeft, zijn moeder heeft wel toestemming gegeven. De vader is van mening dat de twaalfjarige zelf geen groot risico loopt, dat het onbekend is wat de gevolgen zijn van het vaccin op lange termijn en dat daarom de voordelen niet opwegen aan de nadelen. De jongen heeft daarom plaatsvervangende toestemming verzocht aan de rechter. De rechter stelt voorop dat ook kinderen corona kunnen krijgen, en hoewel kinderen meestal minder erg ziek worden het ook kan voorkomen dat kinderen ernstig ziek worden. De rechter stelt ook dat als je gevaccineerd bent de kans op het besmetten van andere kleiner wordt. De ernstige bijwerkingen van het vaccin die nu bekend zijn komen zelden voor, slechts bij 1 op de 15000 gevaccineerde jongeren tussen de 12 en 18.3 De stelling dat er onbekende risico’s op de lange termijn zijn, mist feitelijk elke grondslag, aldus de rechter. Gelet op het positieve advies van de gezondheidsraad maar vooral gelet op de belangen van de twaalfjarige, geeft de rechter vervangende toestemming aan de twaalfjarige om zich te laten vaccineren.4 HOE HET JURIDISCH IN ELKAAR STEEKT De rechter heeft in deze zaak dus de toestemming van de vader vervangen. Maar hoe is dat geregeld? Onder welke voorwaarde mag de rechter de toestemming vervangen? Ik zal hier nu op ingaan.

BIO Bram ten Broecke

Bachelorstudent Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam

15


ARTIKEL | PERSONEN- EN FAMILIERECHT

Maar wat moet je als kind doen als je wel gevaccineerd wilt worden, maar één van je ouders hiervoor geen toestemming geeft? CORONAVACCINATIE Op de coronavaccinatie zijn de regels omtrent de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling van toepassing zoals bedoeld in afdeling 7.7.5 BW.5 Volgens het BW is voor het verrichten van een behandelings-

16

overeenkomst de toestemming van de patiënt vereist.6 Als blijkt dat de patiënt tussen de twaalf en zestien jaar oud is, is er naast toestemming van de minderjarige ook toestemming nodig van de ouders/voogd die het gezag over de minderjarige uitoefenen.7 Dit

is het zogenaamde dubbele toestemmingsvereiste.8 De geneeskundige behandelingsovereenkomst is een overeenkomst waarbij een hulpverlener zich verbindt tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst.9 Een coronavaccinatie valt onder zo’n handeling. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraak van Rb. Gelderland 3 juni 2020. De rechtbank overweegt: “Op grond van artikel 7:446 lid 2 onder a BW wordt onder handelingen op het gebied van de geneeskunst (dus een medische behandeling) onder andere verstaan alle verrichtingen rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022


ARTIKEL | PERSONEN- EN FAMILIERECHT

ertoe strekkende hem van een ziekte te genezen of hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden. Inentingen op grond van het Rijksvaccinatieprogramma zijn wat de kinderrechter betreft bij uitstek te beschouwen als een medische behandeling bedoeld om een kind voor het ontstaan van een ziekte te behoeden.” 10 Voor een vaccinatie tegen het coronavirus is dus de toestemming van het kind vereist maar ook de toestemming van de ouders van het kind.11 Ontbreekt deze toestemming van ofwel het kind, ofwel de ouders, dan kan er in principe niet gevaccineerd worden. GESCHILBESLECHTING OMTRENT HET OUDERLIJKE GEZAG Voor de vaccinatie is dus naast de toestemming van de twaalfjarige ook toestemming van de ouders nodig.12 Het kan zo zijn dat beide de ouders het eens zijn met de vaccinatie, maar dit hoeft niet altijd zo te zijn. De wet voorziet dan in een oplossing. In principe oefenen ouders gezamenlijk het ouderlijke gezag uit. Dit doen ouders ook als zij gescheiden zijn.13 Art 1:245 lid 4 BW zegt het volgende over het ouderlijke gezag: “Het ouderlijk gezag heeft betrekking op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte.” De toestemming uit art. 7:450 lid 2 BW valt hier dus ook onder. Er kunnen geschillen ontstaan over het uitoefenen van het gezag. In dat geval kan het geschil op verzoek van één of beide ouders aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die in het belang van het kind wenselijk voorkomt.14 De rechter weegt alle omstandigheden van het geval af. Het is dus ook niet zo dat de wens van het kind altijd be-

EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE

slissend is; van die wens kan worden afgeweken.15 CONCLUSIE Als we dit allemaal overwegen kunnen we het volgende concluderen: de coronavaccinatie is een handeling op het gebied van de geneeskunst.16 Voor zo’n vaccinatie is toestemming van de patiënt en van de ouders van patiënt vereist.17 In de casus is er wel toestemming van de patiënt: de jongen wil de coronavaccinatie om zijn oma veilig te kunnen bezoeken. Er is echter geen toestemming van beide ouders: de moeder geeft wel toestemming, maar de vader niet. De vader is bang voor de gevolgen op lange termijn van het coronavaccin. In zo’n geval kan de rechter vervangende toestemming geven middels art. 1:253a lid 1 BW. Als er een geschil is, moet de rechter een beslissing nemen die in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter moet wel alle omstandigheden van het geval meewegen. De rechter heeft in de casus besloten dat de twaalfjarige gevaccineerd mag worden. Gelet op alle omstandigheden van het geval is dit besluit begrijpelijk. De twaalfjarige wil zo snel mogelijk zijn oma bezoeken omdat zij ziek is. De risico’s die betrekking hebben op het nemen van het coronavaccin zijn klein en het is onjuist dat er gevolgen op de lange termijn zijn die nu nog onbekend zijn, aldus de rechter. Als je deze kleine risico’s moet afwegen tegen het grote belang dat de twaalfjarige heeft bij het nemen van het coronavaccin, is het begrijpelijk dat de rechter de plaatsvervangende toestemming heeft gegeven aan het kind. Maar wat moet je als kind doen als je wel gevaccineerd wilt worden, maar één van je ouders hiervoor geen toestemming geeft?

1

2

3

4

5

6 7 8

9 10

11 12 13 14 15

16

17

Het is dus ook niet zo dat de wens van het kind altijd beslissend is; van die wens kan worden afgeweken.18

18

Deze en andere twijfels zijn overigens genoegzaam weerlegd door wetenschappers. Het vaccin is veilig. Zie voor een overzicht van veelgestelde vragen en antwoorden deze video van het RIVM: https://www.rivm.nl/covid-19-vaccinatie/feiten-en-fabels-over-vaccinatie-tegen-covid-19. Rb. Noord-Holland 21-09-2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:4096. Rb. Noord-Holland 21-09-2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:4096. Rb. Noord-Holland 21-09-2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:4096. Smink & Drewes, FJR 2013. H.J.C. Smink & Y.M. Drewes, ‘Goed ouderschap bij medische beslissingen’, FJR 2013, afl. 5, p 1.1. Art. 7:450 lid 1 BW. Art. 7:450 lid 2 BW. Wijne, ‘Dubbele toestemmingsvereiste bij minderjarigen tussen twaalf en zestien jaar’, in: C.G. Breedveld-de Voogd & S.E. Bartels (red.), Groene Serie Bijzondere overeenkomsten, Deventer: Wolters Kluwer. Art. 7:446 lid 1 BW. Rb. Gelderland 03-06-2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:3699, r.o. 5.5. Art. 7:450 lid 2 BW. Art. 7:450 lid 2 BW. Art. 1:251 lid 2 BW. Art. 1:253a lid 1 BW. ‘Koens’, in: T&C Burgerlijk Wetboek, art. 1:253a BW, aant. 2. Rb. Gelderland 03-06-2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:3699, r.o. 5.5. Art.7:450 lid 2 BW. ‘Koens’, in: T&C Burgerlijk Wetboek, art. 1:253a BW, aant. 2.

17


ARTIKEL | ALGEMENE RECHTSLEER

18

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022


ARTIKEL | ALGEMENE RECHTSLEER

EEN NIEUWE TAAK VOOR DE COMMERCIËLE ADVOCATUUR IN DE GEFINANCIERDE RECHTSBIJSTAND IN SEPTEMBER KONDIGDE MINISTER SANDER DEKKER VAN RECHTSBESCHERMING AAN DAT HET KABINET 154 MILJOEN EURO UITTREKT VOOR DE SOCIALE ADVOCATUUR. JARENLANG WERD OP DE GEFINANCIERDE RECHTSBIJSTAND BEZUINIGD. DOOR MIJKE KUIPER

Het extra geld moet ervoor zorgen dat sociaal advocaten een betere vergoeding krijgen voor hun werk, zodat zij zich niet genoodzaakt voelen de sociale advocatuur te verlaten. Naast een financiële bijdrage voor de sociale advocatuur, kwam minister Dekker op 2 november met een ander voorstel: commerciële advocatenkantoren krijgen een speciale rol om de rechtsbijstand te verbeteren. Hij komt begin 2022 met een wetsvoorstel dat verplicht dat ook zij een bijdrage moeten leveren aan de gefinancierde rechtsbijstand. EEN ‘MAATSCHAPPELIJKE TEGENPRESTATIE’ Minister Dekker vindt dat ook commerciële advocaten aan maatschappelijke tegenprestatie moeten leveren. Deze prestatie moet wettelijk worden vastgelegd omdat commerciële advocaten hebben laten zien dat ze niet welwillend zijn om uit eigen initiatief zaken op zich te nemen die gefinancierd worden door middel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Op dit moment is er een sterke scheidslijn tussen advocatenkantoren die commerciële zaken aannemen en advocatenkantoren die werken op toevoeging. Vroeger was dit anders; toen waren er veel meer kantoren die gespecialiseerd waren in beiden.

EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE

Daarnaast is het verschil tussen de tarieven van commerciële advocaten en sociale advocaten te groot. Hoe Dekker de bijdrage van commerciële advocaten wil invullen, is nog niet duidelijk. Hij noemt als optie om een voorbeeld te nemen aan de situatie in de Verenigde Staten. Daar moeten advocaten per jaar verplicht 50 uur aan pro bono zaken werken. Daarnaast is ook een financiële bijdrage van de commerciële advocatenkantoren ook een mogelijkheid, zoals het betalen van een bedrag gebaseerd op de omzet van het kantoor. DE ROL VAN DE OVERHEID VERSUS DE ROL VAN DE COMMERCIËLE ADVOCATEN Het is de vraag of Dekker met een wetsvoorstel kan komen dat wordt goedgekeurd door de Eerste en Tweede kamer. De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) heeft inmiddels aangegeven geen voorstander te zijn van het plan. Allereerst is de gefinancierde rechtsbijstand, waarmee burgers toegang krijgen tot het recht, volgens de orde een overheidstaak. De verantwoordelijkheid wordt bij de commerciële advocatenkantoren gelegd terwijl het de functie is van de overheid om voor een rechtsstaat te zorgen waarin burgers een beroep

kunnen doen op rechtshulp. Daarnaast vergt de sociale advocatuur een specialistische insteek, eentje waarin commerciële advocatenkantoren naar eigen zeggen minder goed in kunnen voorzien. Sociaal advocaten moeten de vraag krijgen wat zij zélf eigenlijk willen. Op die manier kan men een oplossing zoeken die zowel voor de commerciële als sociale advocatenkantoren het best is. Initiatieven om commerciële kantoren te betrekken bij de sociale advocatuur moeten daarom vrijwillig zijn en niet worden opgelegd door de minister, zo vinden ook grote advocatenkantoren. Een maatschappelijke tegenprestatie van de grote kantoren is goed, maar dan wel op eigen initiatief.

BIO Mijke Kuiper

Bachelorstudent Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam

19


ARTIKEL | AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT

‘RUIM VIER JAAR NA DE GROTE SCHOK IN DE VOETBALWERELD BEREIKEN DE FAMILIE NOURI EN AJAX EEN AKKOORD OVER DE SCHADEVERGOEDING’ IN DE ZAAK RONDOM VOETBALLER ABDELHAK ‘APPIE’ NOURI HEEFT ZICH EEN BELANGRIJKE ONTWIKKELING VOORGEDAAN: DE FAMILIE NOURIS IS MET AJAX TOT EEN OVEREENSTEMMING GEKOMEN OVER DE SCHADEVERGOEDING. NOURI, DIE IN 2017 TIJDENS EEN OEFENWEDSTRIJD IN OOSTENRIJK IN ELKAAR ZAKTE, WERD DOOR VELEN GEZIEN ALS EEN GROOT TALENT. DOOR JOACHIM NIEMEIJER

20

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022


ARTIKEL | AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT

GROOT TALENT Het talent van de in 1997 geboren Abdelhak ‘Appie’ Nouri werd al snel ontdekt. Op zevenjarige leeftijd werd hij door Ajax overgenomen van amateurvereniging RKSV DCG. In de jeugdopleiding van Ajax won Nouri verschillende prijzen, met als hoogtepunt de in 2017 gewonnen Gouden Stier voor beste speler uit de eerste divisie. Een glansrijke carrière lonkte voor de middenvelder. BLIJVEND HERSENLETSEL EN AANSPRAKELIJKHEID Op 8 juli 2017 zakte Nouri in elkaar, ten gevolge van een hartstilstand. Hij werd op het veld lang gereanimeerd, waarna hij met een traumahelikopter het veld verliet. Enkele dagen later bleek uit onderzoek dat Nouri ernstige en blijvende hersenschade had opgelopen. In het jaar daarna bleef het vanuit Ajax lang stil, tot een persconferentie van algemeen directeur Edwin van der Sar. In de persconferentie erkende Ajax aansprakelijkheid voor de tekortkoming in een adequate behandeling op het veld.1 De tekortkoming vloeide voornamelijk voort uit het te laat inzetten van de aanwezige defibrillator. Hiermee had de hersenschade mogelijk kunnen worden voorkomen. Eerder dit jaar stelden advocaten John Beer en Lucas Heling het volgende: “De tekortkomingen hebben tot gevolg dat Abdelhak permanent afhankelijk is van de zorg van anderen en dat hij niet heeft kunnen laten zien hoe zijn veelbelovende loopbaan als voetballer zich zou hebben ontwikkeld”.2 ARBITRAGEZAAK In de daaropvolgende periode kwamen de partijen, ondanks verschillende gesprekken, niet tot overeenstemming over de omvang van de schadevergoeding. Op 21 januari van dit jaar spande de familie Nouri een arbitragezaak aan tegen Ajax bij de KNVB. In deze arbitragezaak moest de schadevergoeding onafhankelijk worden vastge-

EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE

“De tekortkomingen hebben tot gevolg dat Abdelhak permanent afhankelijk is van de zorg van anderen en dat hij niet heeft kunnen laten zien hoe zijn veelbelovende loopbaan als voetballer zich zou hebben ontwikkeld” steld.3 Arbitrage is een alternatief voor een procedure bij de rechter, waarbij deskundigen beslissen over het conflict. Een belangrijk voordeel van arbitrage is dat het sneller kan verlopen dan een gerechtelijke procedure. Een ander voordeel betreft dat de kwestie wordt voorgelegd aan deskundigen, die mogelijk een beter oordeel kunnen vellen dan een ondeskundige rechter.4 OVEREENSTEMMING Hoewel de arbitragezaak in oktober zou dienen zijn de partijen ruim vier jaar na dato tòch tot een overeenstemming gekomen over de schadevergoeding. Hiermee zal de behandeling in de arbitragezaak niet meer tot stand komen. De omvang van de schadevergoeding wordt niet bekend gemaakt en de overeenkomst dient nog formeel te worden bekrachtigd door de kantonrechter, maar er is een akkoord bereikt.5 In de schadevergoeding zijn bepaalde schadeposten meegenomen, inhoudende het verlies aan verdienvermogen, de kosten voor de verzorging van Nouri en immateriële schade in de vorm van smartengeld. Dit zijn de gebruikelijke schadeposten binnen de letselschadepraktijk.

BIO Joachim Niemeijer Bachelorstudent Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam

21


ARTIKEL | AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT

‘In de schadevergoeding zijn bepaalde schadeposten meegenomen, inhoudende het verlies aan verdienvermogen, de kosten voor de verzorging van Nouri en immateriële schade in de vorm van smartengeld’ Verlies aan verdienvermogen, ook wel verlies arbeidsvermogen (VAV), is schade die ontstaat doordat het slachtoffer, als gevolg van een ongeval, niet of minder in staat is om werkzaamheden te verrichten.6 Dit is in het geval van Nouri een zeer complexe schadepost. Het is immers onduidelijk waar Nouri in de toekomst terecht zou zijn gekomen. Ondanks de potentie van het Ajax-talent blijven er veel onzekere factoren die zijn carrière negatief hadden kunnen beïnvloeden. Hierbij kan worden gedacht aan blessureleed, langdurige vormcrisis of het vroegtijdig stoppen met voetballen. De verzorging van Nouri is zeer intensief. Sinds hij thuis wordt verzorgd gaat het beter met hem, maar verzorging blijft 24 uur per dag nodig. Dit brengt hoge kosten met zich mee. De kosten voor de verzorging bestaan niet alleen uit de kosten die in de periode vóór het akkoord zijn gemaakt, maar ook de kosten voor de verzorging die Nouri in toekomst nodig zal blijven hebben. Voor het bepalen van de het verlies aan verdienvermogen en de kosten voor verzorging wordt vaak gebruik gemaakt van neuropsychologische onderzoeken, die een indicatie geven over de huidige neurologische toestand van het slachtoffer en de

22

mogelijke neurologische toestand in de toekomst. Smartengeld, een vorm van immateriële schade, is de vergoeding voor onder meer het aangedane leed en de impact die de schade heeft op het leven van het slachtoffer. Gederfde levensvreugde is een voorbeeld van een criterium dat kan worden doorberekend in het smartengeld. Het is een vorm van niet zichtbaar leed dat moeilijk in bedragen is vast te stellen.7 Daarom wordt bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld vaak gebruik gemaakt van het Smartengeldboek. Hierin staan rechterlijke uitspraken die een indicatie kunnen vormen aan de hand van vergelijkbare gevallen.8 HUIDIGE TOESTAND NOURI De neurologische situatie van Nouri is momenteel nog onveranderd. Hij is rustig, maar ook alert. Door middel van gezichtsuitdrukkingen als lachen en huilen kan hij emoties tonen en communiceren.9 Door het afwikkelen van de zaak kan de familie Nouri zich volledig focussen op het herstel van Nouri. Tot groot verdriet kunnen we niet meer genieten van de mooie acties van ‘Appie’ op het veld, maar rugnummer 34 heeft voor altijd een speciaal plekje in ons hart.

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022


ARTIKEL | AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT

1

2

3

4

5

6

7

8

9

EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE

NOS. (2021, 7 november). Familie Nouri bereikt akkoord over schadevergoeding met Ajax. NOS. https://nos.nl/artikel/2404693-familie-nouri-bereikt-akkoord-over-schadevergoeding-met-ajax NOS. (2021, 7 november). Familie Nouri bereikt akkoord over schadevergoeding met Ajax. NOS. https://nos.nl/artikel/2404693-familie-nouri-bereikt-akkoord-over-schadevergoeding-met-ajaxss Rechtencircuit.nl. (2021, 8 april). De zaak Nouri: hoe een arbitrageprocedure tegen Ajax een verloren carrière moet taxeren. Rechtencircuit. https://www.rechtencircuit.nl/ de-zaak-nouri-hoe-een-arbitrageprocedure-tegen-ajax-een-verloren-carriere-moet-taxeren/ Ministerie van Justitie en Veiligheid. (2017, 22 augustus). Wat is arbitrage? Rijksoverheid. nl. https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/ rechtspraak-en-geschiloplossing/vraag-en-antwoord/wat-is-arbitrage Schildkamp, V. (2021, 7 november). Familie Nouri bereikt akkoord over schadevergoeding met Ajax. Het Parool. https://www.parool.nl/nederland/ familie-nouri-bereikt-akkoord-over-schadevergoeding-met-ajax~b3f1125c/ Verlies verdien vermogen - De LSA informeert. (2021). LSA. https://www.letselschademagazine. nl/verlies-verdienvermogen Over Smartengeld | ANWB Smartengeld. (2021). ANWB. https://www.smartengeld.nl/pagina/ over-smartengeld Literatuur en jurisprudentie over Smartengeld - De LSA informeert. (2021). LSA. https://www. letselschademagazine.nl/smartengeld Familie Nouri bereikt akkoord met Ajax over schadevergoeding. (2021, 7 november). RTL Nieuws. https://www.rtlnieuws.nl/sport/voetbal/ artikel/5265598/familie-nouri-schadevergoeding-ajax-akkoord

23


ARTIKEL | FISCAAL RECHT

VERHUURDERHEFFING TIJDENS DE ALGEMENE POLITIEKE BESCHOUWINGEN VAN DIT JAAR IS HET VEEL GEGAAN OVER DE EVENTUELE AFSCHAFFING VAN DE VERHUURDERHEFFING. DE VERHUURDERHEFFING LIGT EIGENLIJK AL SINDS ZIJN INTRODUCTIE ONDER VUUR. VOORAL GROENLINKS EN DE PVDA MAKEN ZICH ER HARD VOOR. ER KOMT NU STEEDS MEER DRAAGVLAK VOOR EEN AL DAN NIET GEDEELTELIJKE AFSCHAFFING VAN DE VERHUURDERHEFFING. ZEKER NU HET WONINGTEKORT STEEDS NIJPENDER WORDT, LIJKT HET VERLAGEN OF AFSCHAFFING VAN DE BELASTING OP DE BOUW VAN SOCIALE HUURWONINGEN ERG AANTREKKELIJK. MAAR WAT ZIJN PRECIES DE GEVOLGEN VAN DE HEFFING? EN WAT ZOU EEN VERLAGING VAN DE HEFFING OPLEVEREN? DOOR LISA VERHOEVEN

24

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022


ARTIKEL | FISCAAL RECHT

WAT IS DE VERHUURDERHEFFING? EN WAAROM IS HET OOIT ONTSTAAN? De verhuurderheffing is een heffing voor verhuurders in de gereguleerde sector.1 Huurwoningen in de gereguleerde sector worden ook wel sociale huurwoningen genoemd, en hebben een maximaal huurtarief van 752,33 euro (in 2021). Dit is een relevant onderscheid, want de typische ‘huisjesmelkers’ die panden voor flinke bedragen verhuren, betalen deze heffing dus niet. De verhuurderheffing is van toepassing voor verhuurders die meer dan 50 van deze sociale huurwoningen verhuren.2 Zij betalen een percentage van 0,526% over de totale waarde van hun woningen, minus 50 keer de gemiddelde WOZ-waarde van de woningen.3 In 2010 is de verhuurderheffing voor het eerst opgenomen in het Regeeren Gedoogakkoord van de VVD en het CDA, met als gedoogpartner de VVD.4 Dit was een periode waarin nadruk lag op het op orde krijgen van de Nederlandse schatkist. De heffing zoals we die nu kennen is in principe ontstaan in 2013, met als primaire motief om meer geld in de staatskas te krijgen.5 Dat is normaliter natuurlijk het primaire motief voor (bijna) elke heffing. Daarom heeft het kabinet een aantal rechtsgronden voor de verhuurderheffing aangegeven. De eerste is afromen van het voordeel uit extra huurvermogen: de staat wil meeprofiteren van de extra gelden die door huurverhoging zijn ontstaan.6 Deze rechtsgrond slaat dus op de door het kabinet mogelijk gemaakte huurverhoging. Hierdoor genieten verhuurders extra inkomen, en dit zou dan op deze manier deels afgeroomd worden. Echter is deze rechtsgrond op een aantal punten discutabel. De beoogde opbrengst van de verhuurderheffing is de eerste jaren aanzienlijk hoger dan de verwachte opbrengst van de totale extra huurverhogingen. Dit impliceert een

EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE

In de periode van 2013 tot en met 2015 werden er gemiddeld 25.000 woningen per jaar verkocht voorfinanciering van het Rijk door de verhuurders.7 Vervolgens grijpt het kabinet vraagondersteuning in het heden aan als rechtsgrond. De huurtoeslag moet vraagondersteunend werken. Dit houdt in dat, doordat huurders in de sociale huur huurtoeslag krijgen, er ook meer vraag is naar de sociale huurwoningen. Dit zorgt er onder andere voor dat de verhuurders in de gereguleerde sector een hoge mate van stabiliteit en gewaarborgde inkomsten kennen.8 Volgens het kabinet is dit een gegronde reden om de verhuurders voor een deel te laten bijdragen aan deze uitgave van het Rijk.9 De derde aangedragen rechtsgrond is het verleden van verstrekte objectsubsidies voor de bouw van panden in de gereguleerde sector.10 Deze grond is, zeker in de huidige tijdsgeest, niet meer erg sterk. Er is namelijk wel sprake van subsidie op de gebouwde panden, maar daar tegenover staat dat de huurprijzen dermate laag zijn in de gereguleerde sector, dat de huurprijs die huurders betalen de investering niet rechtvaardigt.11 Zeker nu, nu verhuurders in de vrije sector gigantische huurbedragen kunnen vragen van hun huurders, is deze grond op zijn minst zwak te noemen. Immers, zo’n beetje elke verhuurder in de vrije sector verdient erg gemakkelijk veel meer dan verhuurders in de gereguleerde sector. Als laatste zou de verhuurderheffing weinig verstorend werken, omdat het gaat om een heffing op onroerende zaken.12 Echter, er zijn steeds meer vraagtekens over de gevolgen van de verhuurderheffing, en of dit wel zo weinig verstorend is.

WAT ZIJN DE GEVOLGEN VAN DE VERHUURDERHEFFING? Het zal niemand ontgaan zijn dat er momenteel veel druk op de woningmarkt staat. De verhuurderheffing zou volgens het kabinet weinig verstorend werken. Samen met de verhuurderheffing kwam de eerder besproken en door het kabinet mogelijk gemaakte huurverhoging.13 Het kabinet stond het toe dat de huur fors boven inflatie verhoogd mocht worden, wat dan vervolgens afgeroomd werd met de verhuurderheffing. Het aantal huurders met een te hoge huur voor hun inkomen is flink toegenomen. Dit was in 2012 13,1% van de huurders, en in 2015 al 18,3%.14 Direct na de invoering van de verhuurderheffing is er aanzienlijk minder geïnvesteerd in nieuwbouw

BIO Lisa Verhoeven

Masterstudent Fiscaal Recht aan de Universiteit van Amsterdam

25


ARTIKEL | FISCAAL RECHT

Het aantal huurders met een te hoge huur voor hun inkomen is flink toegenomen en renovatie van sociale huur.15 In 2010 werden er bijna 30.000 sociale huurwoningen gebouwd en in 2015 nog maar 16,400.16 In 2018 werden er zelfs slechts 12.300 woningen in de gereguleerde sector gebouwd.17 Dit is een ontzettend kwalijke ontwikkeling, zeker met het oog op het enorme woningtekort wat we momenteel in Nederland kennen. Over de periode 2013 tot 2023 gaat de gereguleerde sector in totaal meer dan 16,7 miljard euro aan verhuurderheffing betalen.18 Als de gereguleerde sector deze heffing niet had hoeven betalen, had de nieuwbouwproductie verdubbeld kunnen worden.19 Dit had natuurlijk een significante impact gehad op het tekort aan goedkope huurwoningen dat we nu kennen. Daarnaast was huren betaalbaarder geweest, omdat sociale huurders een mindering op de huur hadden kunnen krijgen van gemiddeld 840 euro per jaar in de periode van 2019 tot en met 2023.20 Een ander gevolg van de verhuurderheffing is het feit dat er steeds minder sociale huurwoningen verkocht worden.21 Normaliter verkopen corporaties regelmatig panden om zo inkomsten te genereren die vervolgens geïnvesteerd kunnen worden in bijvoorbeeld het verduurzamen van bestaande panden of het bouwen van nieuwe projecten. In de periode van 2013 tot en met 2015 werden er gemiddeld 25.000 woningen per jaar verkocht. In 2017 waren dit er nog maar 14.870.22 Maar wat is hier nu de

26

oorzaak van? Er is een aantal plausibele verklaringen te bedenken. Er is een groot tekort aan betaalbare huurwoningen, dat alleen maar oploopt. Veel corporaties hebben de verkoop van woningen teruggeschroefd, om voor dit tekort te compenseren.23 Immers, als er minder verkocht wordt blijft er meer over. Dat er steeds minder verkocht wordt, wordt versterkt doordat veel gemeenten bepaalde afspraken maken met verhuurders in de gereguleerde sector. Zulke afspraken kunnen dan inhouden dat er minder panden verkocht mogen worden, om zo verminderde beschikbaarheid van sociale huurwoningen te voorkomen.24 In principe lijkt dit een goede ontwikkeling. Er blijven namelijk meer sociale huurwoningen over als er minder worden verkocht. Echter, de verkoop van panden is een belangrijke inkomstenbron voor de gereguleerde sector die nu niet benut kan worden. De operationele kasstroom van de gereguleerde sector daalt flink sinds 2016, onder andere dus door de effecten van de verhuurderheffing.25 Aan de ene kant stijgen de uitgaven van de corporatiesector vanwege het Energieakkoord en het Klimaatakkoord, welke ervoor zorgen dat er woonverbetering en verduurzaming moet plaatsvinden. Aan de andere kant is de gemiddelde kasstroom in 2023 waarschijnlijk lager dan die in 2013 was.26 Kortom, het aantal huurders met een te hoge huur voor hun inkomen is flink toegenomen en de verhuurderheffing heeft een aanzienlijke

vermindering in nieuwbouw veroorzaakt. Dit zorgde vervolgens weer voor een tekort aan sociale huurwoningen waardoor er minder woningen verkocht konden worden. Ook zijn er steeds hogere eisen aan woonverbetering en verduurzaming waar flinke kosten aan verbonden zijn. De woningcorporatiesector kan de komende jaren niet de nieuwbouw fors verhogen, bestaand bezit verduurzamen, sociale huur betaalbaar houden én belasting af blijven dragen.27 VERLAGEN? AFSCHAFFEN? Op 23 september 2021 hebben Lilianne Ploumen (PvdA) en Jesse Klaver (GroenLinks) een motie ingediend over de afschaffing van de verhuurderheffing in ruil voor lagere huren, meer woningen en verduurzaming.28 Er werd voor deze motie gestemd door PvdA en GroenLinks zelf, maar onder andere ook door PVV, SP, DENK en Volt. Er was echter geen meerderheid en dus werd de motie verworpen.

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022


ARTIKEL | FISCAAL RECHT

Verhuurderheffing, huurwoningen.nl Voor wie geldt verhuurderheffing?, belastingdienst.nl 3 Berekening verhuurderheffing, belastingdienst.nl 4 J. Lijzenga, J. Wissink, R. Pijpers en S. Smit, Effecten van de verhuurderheffing op het wonen in Nederland, p.10 5 M.D. Bosch, Verhuurderheffing (Fiscaal Actueel nr. 17), Deventer: Kluwer 2014, onder 2.3.1 6 Idem, onder 2.3.2 7 Idem, onder 2.3.2 8 Idem, onder 2.3.3 9 Idem, onder 2.3.3 10 M.D. Bosch, Verhuurderheffing (Fiscaal Actueel nr. 17), Deventer: Kluwer 2014, onder 2.3.4 11 Idem, onder 2.3.4 12 Idem, onder 2.3.5 13 Effecten verhuurderheffing (februari 2017), p. 2 14 Idem, p. 2 15 Idem, p. 3 16 Idem, p. 3 17 J. Lijzenga, J. Wissink, R. Pijpers en S. Smit, Effecten van de verhuurderheffing op het wonen in Nederland, p.13 18 Idem, p. 32 19 Idem, p. 32 20 Idem, p. 32 21 Idem,, p.14 22 J. Lijzenga, J. Wissink, R. Pijpers en S. Smit, Effecten van de verhuurderheffing op het wonen in Nederland, p. 14 23 Idem, p. 14 24 Idem, p. 14 25 Idem, p. 32 26 Idem, p. 32 27 Idem, p. 32 28 Motie van de leden Ploumen en Klaver over de verhuurderheffing afschaffen in ruil voor lagere huren, meer woningen en verduurzaming, tweedekamer.nl 29 Rutte ‘niet getrouwd’ met verhuurderheffing, nos. nl 30 W.B. Hoekstra, Budgettaire uitkomsten APB, p. 3 31 Aedes: Gedeeltelijke afschaffing verhuurderheffing goede, maar wel eerste stap, aedes.nl 32 Aedes: Gedeeltelijke afschaffing verhuurderheffing goede, maar wel eerste stap, aedes.nl 33 Hoofdrapport Opgave en middelen corporatiesector, p. 40 1

2

Wel wil het kabinet wat doen aan de verhuurderheffing. Dit zal in de vorm van een verlaging van de heffing zijn, omdat het afschaffen enorm veel geld zou kosten.29

behaald wordt), er wel degelijk meer ruimte is voor woningcorporaties om te investeren, maar dat de achterstand op de investeringsopgave vanaf 2028 toch weer op zou lopen.33

Uit de Budgettaire uitkomsten van de Algemeen Politieke Beschouwinge blijkt dat er vanaf 2022 jaarlijks 615 miljoen euro beschikbaar gesteld worden voor een tariefsverlaging van de verhuurderheffing.30 Volgens Aedes-voorzitter Martin van Rijn is dit een goede eerste stap, maar moet uiteindelijk de verhuurderheffing in zijn geheel van tafel.31 De verlaging die nu is voorgesteld zou er niet voor zorgen dat de corporaties alle opgaven ook op lange termijn kunnen blijven doen.32 Het gaat nu over een verlaging van 615 miljoen per jaar, op een huidige heffing van ongeveer 2 miljard per jaar. Uit onderzoek blijkt dat bij een verlaging van 50% (die met de reeds voorgestelde verlaging dus ruimschoots niet

LANGE TERMIJN Het al dan niet afschaffen van de verhuurderheffing is een lastige opgave. Aan de ene kant is het een maatregel die voornamelijk in het leven geroepen is om de staatsfinanciën op orde te brengen. Dit maakt het niet afschaffen van de heffing moeilijk te rijmen met de huidige wooncrisis. Aan de andere kant is het een heffing die veel geld in het laatje brengt, en een volledige afschaffing is lastig te financieren. Recentelijk is er besloten tot een middenweg: de verlaging van de verhuurderheffing. Dit zal positieve effecten hebben om de huidige krapte in de gereguleerde sector wat te verminderen. Het blijft echter de vraag of dit op de lange termijn voldoende zal zijn.

EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE

27


ARTIKEL | INFORMATIERECHT

BESCHERMING VAN DE PERS ALS ‘’PUBLIC WATCHDOG’’ IN HET LICHT VAN DESINFORMATIE EN BEDROG DIE HET PUBLIEKE DEBAT VERSTOREN, IS ‘’GOEDE JOURNALISTIEK ALLES WAT WE HEBBEN’’.1 DIT ZIJN DE WOORDEN VAN VOORMALIG HOOFDREDACTEUR VAN THE GUARDIAN, MENEER ALAN RUSBRIDGER. ZIJN STANDPUNT WORDT ONDERSTEUNT DOOR ONS HUIDIGE RECHTSSYSTEEM WAARIN DE TRADITIONELE PERS PRIVILEGES TOEKOMT TEN OPZICHTE VAN DE GEWONE BURGER. DIT VOORAL WANNEER HET GAAT OM DE UITINGSVRIJHEID VAN DEZE PERS. HOE WERKT DIT PRECIES, WAT IS DE GRONDSLAG VOOR DEZE PRIVILEGES, ZITTEN HIER BEPERKINGEN AAN EN BIEDEN DEZE PRIVILEGES NOG VOLDOENDE BESCHERMING IN HET HUIDIGE DIGITALE-MEDIA TIJDPERK? DOOR JENNIFER MOL

28

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022


ARTIKEL | INFORMATIERECHT

DE PERS ALS PUBLIC WATCHDOG In een democratische samenleving zoals Nederland is een ‘’public watchdog’’ nodig om machthebbers rekenschap af te laten leggen aan het publiek. Onafhankelijke en pluriforme nieuwsmedia vervullen deze rol en zijn dan ook onmisbaar in de samenleving. Het EHRM heeft de term ‘’public watchdog’’ dan ook regelmatig herhaald. Zij leggen dit uit door de media aan te merken als de spreekwoordelijke waakhond van de democratische samenleving.2 Er is niet alleen behoefte aan controle op machthebbers en de overheid maar ook aan controle op andere invloedrijke economische entiteiten en publieke figuren. Wanneer de media eerlijk en objectief accurate feiten naar buiten brengt zal dit zorgen voor een transparant beleid binnen de democratie: iets wat cruciaal wordt geacht voor deze bestuursvorm. De vrijheid van meningsuiting van traditionele media draagt naast deze controlefunctie ook bij aan de democratische participatie.3 Deze bijdrage bestaat uit het creëren van een gunstig klimaat waarbinnen het publieke debat kan worden gevoerd en men hier een bijdrage aan kan leveren.4 Op deze manier kan kennis worden gedeeld en het beleid worden besproken. Er kan kritiek worden geleverd en mee worden gedacht over diverse onderwerpen binnen de samenleving waardoor de ‘’ideale’’ versie hiervan ontwikkeld kan worden. Het Hof heeft overwogen dat er buiten de taak en het recht van de media om informatie te verstrekken ook een recht is voor het publiek om geïnformeerd te worden over zaken van algemeen belang.5 De vrijheid van meningsuiting impliceert dus twee verschillende rechten: het recht om te uiten en het recht om te ontvangen. De pers heeft een groot bereik en daardoor veel invloed op de maatschappij: zij kan burgers informeren,

EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE

waarschuwen en ervoor zorgen dat bepaalde maatschappelijke problemen onder de aandacht worden gebracht en op de politieke agenda komen.6 DE VISIE VAN HET EHRM OP DE PERSVRIJHEDEN Uit meerdere uitspraken van het EHRM blijkt dat zij de rol van journalisten en diens bijzondere juridische status onderstrepen.7 Journalisten moeten onafhankelijk en in vrijheid kunnen opereren. Alleen op deze manier kan de berichtgeving transparant zijn. Ook is het volgens het Hof belangrijk dat journalisten de mogelijkheid behouden om de anonimiteit van hun bronnen te waarborgen. Wanneer dit niet het geval is, wordt het verkrijgen van informatie voor een journalist nagenoeg onmogelijk. Niemand zal medewerking willen verlenen aan kritische artikelen vanwege bijvoorbeeld de angst voor ontslag, dreigend gevaar etc. Dit heeft het Hof gesteld in de zaak ‘’Goodwin.’’ Het bronnengeheim van journalisten werd toen officieel onder artikel 10 EVRM (waarin het recht op vrijheid van meningsuiting is vastgelegd) geschaard.8 Het is belangrijk om op te merken dat het EHRM bovendien een ruime definitie van het begrip ‘journalist’ hanteert. Hieronder verstaan zij dan ook ‘’eenieder die regelmatig of professioneel betrokken is bij het verzamelen en publiekelijk verspreiden van informatie, ongeacht het communicatiemiddel dat wordt gehanteerd.‘’ 9 Wanneer een publicatie bijdraagt aan het publieke debat omtrent een maatschappelijk relevantie kwestie blijkt deze definitie niet langer van belang te zijn. De boodschap wordt dan namelijk beschermd ongeacht wie de verteller hiervan is. Het ontvangen van dit soort boodschappen draagt immers bij aan het stimuleren van het maatschappelijk debat. Dit is een voorbeeld van het feit dat er, zoals

eerder beschreven, zowel een recht bestaat op het verkondigen van een belangrijke boodschap als een recht op het ontvangen hiervan. De voor het publiek debat relevante boodschappen worden onder deze laatstgenoemde grond beschermd. Het Hof heeft eveneens vastgesteld dat ook nieuws mag worden gepubliceerd dat als beledigend, schokkend of storend kan worden ervaren.10 CHILLING EFFECT Het EHRM deed voor het eerst een uitspraak over de vrijheden die de pers geniet in het kader van artikel 10 EVRM in de zaak Barthold.11 In deze zaak was er sprake van een dierenarts die volgens het Duitse nationale recht geen uitspraken mocht doen in interviews wanneer deze een vorm van reclame voor zijn eigen praktijk zouden bevatten. Dit is echter een verbod in de nationale wetgeving dat volgens het EHRM een ‘’chilling effect’’ kan veroorzaken. Deze term zal in latere jurisprudentie van het hof meermaals herhaald worden. Van een ‘’chilling effect’’ is sprake als het gebruik van

BIO Jennifer Mol

Masterstudent Informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam

29


ARTIKEL | INFORMATIERECHT

een grondwettelijk recht- met name de vrijheid van meningsuiting- door de mogelijkheid van of dreiging met vervolging of andere juridische sancties wordt ontmoedigd of verhinderd. Het Hof stelt dan ook dat ‘the most careful scrutiny’ moet worden toegepast wanneer het gaat om de beoordeling van door lidstaten opgelegde maatregelen die de pers mogelijkerwijs zouden ontmoedigen om verslag te doen van zaken die betrekking hebben op of bijdragen aan een ‘legitiem publiek debat’.12 In de Jerslid/Denemarken zaak werd een Deense interviewer genaamd Jerslid veroordeeld vanwege het feit dat hij een televisieprogramma had gemaakt waarin een van de geïnterviewde racistische uitlatingen deed. Ook hier heeft het Hof gesteld dat het publiek belang behoort te prevaleren en dat het bestraffen van de journalist in kwestie ertoe zou leiden dat de pers zich minder goed kan mengen in zaken die een maatschappelijk belang

30

hebben, hetgeen ten alle tijden moet worden bestreden. Deze zaak ziet op audiovisuele media in plaats van geschreven media en dus kan door deze uitspraak eveneens geconcludeerd worden dat voor deze twee mediavormen dezelfde normen gelden.13 STRIJD MET ARTIKEL 8 EVRM Artikel 10 EVRM is echter niet onbegrensd. De vrijheid die hierbij wordt beschermd brengt immers ‘plichten en verantwoordelijkheden met zich’ en kan daardoor worden beperkt, mits dit bij wet voorzien is en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Een voorbeeld van een bepaling die inbreuk kan maken op artikel 10 EVRM is artikel 8 EVRM. In dit artikel ligt het recht op de privacy besloten. Hieronder valt eveneens het recht op het behouden van de eer en goede naam. Het Hof toetst bij een belangenafweging tussen privacy en uitingsvrijheid of er sprake is van het strafrechtelijke beginsel van belediging/smaad. Ook houdt het Hof

rekening met het ‘’public-figure criterium’’. Dit criterium houdt in dat publieke persoonlijkheden, zoals politici en directeuren van grote bedrijven, in beginsel meer kritiek moeten kunnen ontvangen. De ratio hierachter is dat deze personen er ‘’zelf voor hebben gekozen’’ om in het middelpunt van de belangstelling te staan.14 Een voorbeeld van deze redenering is te vinden in de Von Hannover II zaak.15 In deze zaak procedeert prinses Caroline van Monaco bij het Europees Hof tegen de Duitse overheid. In een Duits tijdschrift waren destijds foto’s gepubliceerd van haar skivakantie. Naast deze foto’s stond een artikel over haar vader, prins Rainier, die ernstig ziek was. Het tijdschrift suggereerde dat, terwijl Caroline op vakantie was, haar zus de enige zou zijn die de zorg droeg voor hun vader. De Duitse rechter heeft de publicatie van de foto’s toegestaan. Caroline stapt vervolgens naar het Europees Hof. Het Hof stelt aan de hand van deze casus een aantal criteria op waarnaar gekeken moet

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 1 2021/2022


ARTIKEL | INFORMATIERECHT

1

worden bij een belangenafweging als die in het onderhavige geschil. Allereerst is het volgens het Hof van belang of het onderwerp van de publicatie in de publieke belangstelling staat. In dit geval is dit aangenomen. Ook stelt het Hof dat prinses Caroline en haar vader publieke figuren zijn die zich meer moeten laten welgevallen dan de gemiddelde burger. De Duitse rechter wordt aan de hand van deze criteria door het Hof in het gelijk gesteld. DE ROL VAN ‘SOCIAL MEDIA’ Door technische ontwikkelingen is de rol van traditionele media (wiens rechten door het EHRM zijn verankerd) sterk veranderd. Iedereen kan nu op elk gewenst moment een breed publiek bereiken door informatie te verspreiden via social media platformen.16 Er vindt ‘user generated content’ (informatie die door gebruikers van een bepaald medium wordt aangeleverd) plaats wat een enorme hoeveelheid informatie met zich mee brengt. Deze digitalisering heeft eveneens tot gevolg dat het publieke debat wordt gestimuleerd en dat burgers een ‘media watchdog’ rol aan kunnen nemen waarmee zij bepaalde fouten van traditionele media recht kunnen zetten.17 Ook is het belangrijk om op te merken dat de kans dat traditionele media, zoals wij die van oudsher kennen, vanwege hun economische positie zal verdwijnen, groot is. Het creëren van traditionele media kost veel geld en het businessmodel is gebaseerd op adverteerders. Deze adverteerders kiezen ervoor om een advertentie te plaatsen via de krant, de televisie of de radio. Er zijn nu echter meer digitale advertentiemogelijkheden waarmee een grotere doelgroep wordt bereikt. De nieuwe generatie zal een advertentie immers grotendeels eerder op Instagram zien langskomen dan in de krant. Hierdoor verschuiven advertentiebudgetten van traditionele media naar het internet.18

EDITIE 1 2021/2022 | ALIBI MAGAZINE

Hierop moet juridisch geanticipeerd worden. Dit is dan ook de reden dat de privileges van de traditionele media moeten worden overgedragen aan de digitale media. Op deze manier kan de digitale media een ‘’public watchdog’’ rol vervullen en hiermee een groot publiek bereiken. Echter zitten hier ook een aantal haken en ogen aan. Zo zijn mediaverschaffers via het internet (zoals bijvoorbeeld bloggers) vaak individueel aan het werk en is er niemand die het nieuws wat zij naar buiten brengen controleert. Dit verhoogt de kans voor het op grote schaal ontstaan van desinformatie. De Europese commissie is bezig met het maken van passende wetgeving en richtlijnen. Het is echter nog afwachten hoe het EHRM dit in praktijk zal toepassen

2 3

4

5

6

7

8

9

CONCLUSIE Journalisten zijn de ogen en oren van het publiek en het is van cruciaal belang dat zij worden beschermd en hun rol in de samenleving kunnen vervullen. Hoewel er in de jurisprudentie van het EHRM een aantal voorbeelden zijn genoemd waaruit blijkt dat er wel degelijk beperkingen zitten aan de vrijheid van meningsuiting is de rode draad van het Hof dat de rol van de media als ‘public watchdog’ moet worden beschermd. Er zal in de nabije toekomst dan ook een oplossing moeten komen voor het verschuiven van informatievoorziening van traditionele media naar digitale media en het hierbij waarborgen van deze journalistieke vrijheden. Dit omdat het recht op het ontvangen van juiste informatie en het recht op vrijheid van meningsuiting onmisbaar zijn in een democratische samenleving. Zoals Engelse correspondent voor de BCC F. Keane ooit zei; ‘’Als het verhaal verteld moet worden, als we getuigenis moeten geven, wat kunnen we dan anders doen dan ons concentreren, de opnameknop aanzetten en de band of film laten lopen?”19

10

11

12

13

14

15

16

17

18

19

A. Rusbridger, “ De verkiezing in de media: tegen ontduiking en leugens, goede journalistiek is alles wat we hebben”, The Guardian, 14 december 2019 S.S. Coronel, ‘The Media as Watchdog’; a.w. E. Barendt, Freedom of Speech, Oxford: Oxford University Press 2005, p. 18-23 en 417-418. M. Oostveen en M. Oosterveld, Van ‘public watchdog’ naar ‘public watchblog’: het EHRM en journalistieke webblogs, Mediaforum 2013-6, p. 146- 153 EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74 (Sunday Times/Verenigd Koninkrijk), r.o. 65 M. Oostveen en M. Oosterveld, ‘Van ‘public watchdog’ naar ‘public watchblog’: het EHRM en journalistieke webblogs’, Mediaforum 2013-6, p. 146- 153 D. Voorhoof, ‘Krijgen journalisten een streepje voor in Straatsburg?’, Mediaforum 2008-5, p. 197-203. EHRM 27 maart 1996, nr. 17488/90 (Goodwin/ Verenigd Koninkrijk), r.o. 39. Appendix bij Aanbeveling CM/Rec(2011)7 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa (21 september 2011), On a new notion of media, onder Definitions sub a. EHRM 7 december 1976, r. 5493/72, (Handyside vs. United Kingdom), r.o. 49 EHRM 25 maart 1985, nr. 8734/79, (Barthold/ Bondsrepubliek Duitsland) r.o. 58. EHRM 5 december 2018, nr. 9657/12 (Frisk en Jensen/Denemarken), par. 78. EHRM 23 september 1994, nr. 15890/89 (Jersild/Denemarken), r.o. 31. EHRM 8 juli 1986, NJ 1987/901 m.nt. EAA (Kreisky), EHRM 23 mei 1991, NJ 1992/456 m.nt. EJD (Oberschlick), EHRM 1 juli 1997, NJ 1999/709 m.nt. EJD (Oberschlick) en EHRM 29 augustus 1997, NJ 1999/10 (Worm). EHRM 24 juni 2004,Nr. 59320/00, (Caroline von Hannover – Duitsland). T.M. Harrison en B. Barthel, ‘Wielding new media in Web 2.0: exploring the history of engagement with the collaborative construction of media products’, New Media & Society 2009, p. 159-160. D. Domingo en A. Heinonen, ‘Weblogd and Journalism: A Typology to Explore the Blurring Boundaries’, Nordicom Review 2008-29, p.7 J. Turow, The Daily You, New Have: Yale University Press 2009, p.7 F. Keane, Letter to Daniel: ‘Despatches from the Heart’, Londen: BBC

31


ALIBI


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
ALIBI editie 1 2021/2022 by ALIBImagazine - Issuu